Gedenkboek van Neerlands Watersnood (2e stuk)

GEDENKBOEK
VAN
NEERLANDS
WATERSNOOD,1 [1. Alleen Overijssel is uit dit deel gedigitaliseerd.]

in Februarij 1825.
DOOR

J.C. BEIJER.2 [2. Johannes Coenraad Beijer (Schiedam, 9 oktober 1786 – Den Haag, 28 dec. 1866), onderwijzer artillerie- en genieschool te Delft (1814-1828), leeraar Nederlandse taal en letterkunde Koninklijke Militaire Academie (KMA) Breda (1828-1839), hoofdonderwijzer Den Haag, amateurschilder van marines en landschappen. Zoon van Anthonij Beijer, boekhouder en Sara Catharina Smits. Gehuwd op 19 april 1815 te ’s-Gravenhage met Aaltje Spoelstra (Oldeboorn, 22 september 1791 – ’s-Gravenhage, 1 juli 1866). Dochter van Bernardus Spoelstra (1753-1817), schoolmeester, schoolopziener en Gerritje de Jong (1761-1837).]

MET PLATEN en KAARTEN.

Tweede Stuk.

Te ’s GRAVENHAGE, bij
J. IMMERZEEL, JUNIOR.
MDCCCXXVL.

___↓___


|pag. 589|

OVERIJSSEL.

     Deze provincie was onder al de genen, welke door den verſchrikkelijken ſtorm en watervloed van 4 en 5 februarij 1825 getroffen werden, de meest geteisterde, en naauwelijks weet men bij welk gedeelte aan te vangen, om de alle verbeelding te boven gaande rampen, de ontelbare ſchaden en de onbeſchrijfelijke verwoesting te ſchetſen, welke de overſtrooming alhier allerwege aanrigtte. Waren de reeds opgehangene taferelen treurig, de tooneelen van ſchrik en verwoesting, van jammer en ellende, welke in het grootſte gedeelte van Overijsſel zich overal aan het oog voor deden, gingen in akeligheid alles te boven, wat de allerbangſte vrees zich ſchrikkelijkst konde vertegenwoordigen. Zij deden het ſtoutmoedigſte hart terug deinzen, en den gevoeligen menſchenvriend bij het vernemen van zoo veel jammers, tranen van innig medelijden ſtorten.
     De geheele kust, van Kampen af tot de Kuinder toe, was overſtroomd, en de verwoesting, daardoor veroorzaakt, drong uren landwaarts in. Binnen den omtrek van 20 uren werd bijna alles aan de zee gelijk, en 250 menſchen verloren aldaar het leven. Het aantal verwoeste woningen ging de duizend ver te boven; terwijl men het getal verdronkene hoornbeesten op omſtreeks 12000 begrootte. Duizende van menſchen werden daardoor van have, vee, middelen van beſtaan, ja menigeen van alles beroofd! Verſchrikkelijk was de
toe-

___↓___


|pag. 590|

toeſtand van velen, die wanhopend op hunne weggeſpoelde huizen ſtaarden, waar zij nog kort te voren het brood der nijverheid mogten eten, en die nu met weemoed, hoewel dankbaar, onder een vreemd maar herbergzaam dak het brood der liefdadigheid ontvangen moesten.
     Laat ons trachten eene flaauwe ſchets te geven van de menigvuldige onheilen, welke den ongevoeligſten zelven moesten treffen; daar eene krachtige ſchildering van de rampſpoedige gebeurtenisſen in al derzelver bijzonderheden onze krachten verre te boven ſtijgt.

KAMPEN.

     Nadat de ſtormen, die bij herhaling in het begin van den winter hevig woedden, reeds aanmerkelijke ſchade, zoo aan dijken en wegen als aan dezer ſtads eigendommen, en die van bijzondere perſonen veroorzaakt hadden, werd de ſtorm in den nacht van den 3 februarij en op den volgenden dag, even als voor vele andere plaatſen, ook bijzonder voor deze gemeente allernoodlottigst. Reeds in den nacht werd de rivier de IJsſel, door eenen hevigen wind uit het noord­westen, buiten hare oevers gedreven, en tot eene buitengewone hoogte opgeſtuwd, waartegen de gebruikelijke behoedmiddelen, welke de ſtad zoo dikwijls voor overſtrooming beveiligd hadden, thans onbeſtand bevonden werden. Achter de ſtad werden de hooge bolwerken door eene woedende zee geteisterd; de golven ſloegen over de muren, van welke geheele vakken, waaronder een van 60 ſchreden lang inſtortte, en waardoor eene verſchrikkelijke masſa van water, allerlei gebroken huisraad, deuren, ramen, doode runderen en varkens over de wallen naar bin­
nen

___↓___


|pag. 591|

nen ſtroomde. Den 4 februarij des morgens te 10 uren, bezweek de ſluis bij de Cellebroederspoort, waardoor het water met onweerſtaanbaar geweld naar binnen ſtortte, en de huizen langs den burgwal en op den vlosdijk in korten tijd tot bijna 1 el in het water werden gezet, en de meeste bewoners geen tijd, hadden, om hun huisraad te bergen. In de daarachter gelegene groenetraat ſtonden de huizen tot aan de daken onder water en een aantal koeijen moest in de ſtallen verdrinken; terwijl een ander gedeelte gered en binnen de Bovenkerk in en om het koor geborgen werd. Het water, hetwelk de kerk indrong, ondermijnde de grafzerken, welke gedeeltelijk wegzonken en de geopende graven vertoonden. De geheele omvang van het ruim der kerk werd een tooneel van verwoesting en verwarring, zoo als de geheele ſtad zelve ook weldra vertoonde, daar zij bijna geheel overſtroomd werd, en wel tot eene hoogte, ruim 6 palmen boven het peil van den hoogſten, alhier bekenden watervloed van 1776, ſedert welken tijd deze ſtad niet weder was overſtroomd geworden. Alleen de oude ſtraat, van de plantagie tot aan de Bovenkerk was droog te begaan. Men voer in de ſtraten, en was overal in de weer, om met ſchuiten de menſchen te redden, welke in het laagſte gedeelte der ſtad hunne woningen moesten verlaten, ten einde aan het levensgevaar, waaraan ſommigen naauwelijks konden ontrukt worden, te ontkomen.
     Dit alles, hoe ſchadelijk voor vele en zorgelijk voor alle inwoners, kon in geene vergelijking gebragt worden, met den jammer en de ellende, welke zich rondom de ſtad vertoonden. Ter weerszijde van den IJsſel werd eene menigte doode koeijen, paarden en varkens, benevens allerlei huisraad en houtwerk aan-
ge-

___↓___


|pag. 592|

                              
geſpoeld, en door de woedende golven, welke over de dijken heenſtroomden, werd alles verbrijzeld. Men zag van verre de huizen al gedurig kleiner worden, eenige inſtorten en geheel verdwijnen; terwijl de aanhoudende ſtormen en woeste zeegolven niet toelieten eenige hulp toe te brengen. In den nacht van 4 op 5 februarij begon de wind te bedaren, en reeds zaturdag morgen vroeg, werden er, niettegenſtaande de ſchrik, verwarring en verwoesting in de ſtad zelve groot waren, ſchuiten met brood en andere noodwendigheden ter redding van noodlijdenden uitgezonden, en eigene gevaren en rampen werden edelmoedig vergeten, bij de nog grootere onheilen, waaraan de omliggende landlieden waren blootgeſteld. Zoo werden door de menschlievende pogingen van eenige verdienſtelijke ingezetenen, die het woeden van den aanhoudenden ſtorm en het geweld der baren trotſeerden, vele ongelukkigen, die zonder tijdig aangebragte hulp in hunne veege ſchuilplaatſen, door koude en gebrek zouden hebben moeten omkomen, in het leven behouden, en van ſpijs en drank in hunne bijna geheel geſloopte woningen voorzien, of van daar in veiligheid gebragt. Onder deze hulpbetoonenden heeft zich de heer CORNELIS JACOBUS MULDER ten uiterſte verdienſtelijk gemaakt. Deze edele, moedige en belanglooze menſchen vriend waagde in den woedenſtorm, toen niet eens de ſchokkervisſchers van Kampen in zee durfden gaan, en zelfs door het uitloven eener groote belooning daartoe niet te bewegen waren, zich met zijn ſcheepje, dat hij met de grootſte moeite buiten de haven bragt; doch weldra zijn roer verloren hebbende, zag hij zich genoodzaakt terug te keeren. Dit benam hem echter den moed geenszins; maar zoo ſpoedig mogelijk het geleden verlies hebbende
doen
___↓___


|pag. 593|

doen herſtellen, poogt hij nu andermaal, en wel met het vallen van den avond zijn doel te bereiken.
Dit gelukte den braven man, en zoo lang het gevaar bleef aanhouden, redt hij met eigen levensgevaar verſcheidene huisgezinnen, vooral op het Kampereiland, van den dreigenden dood; ja voorziet daarenboven, op eigen kosten, in de behoeften van een aantal ongelukkigen. Zooveel uitſtekenden moed, koen beleid en zelfopoffering, meende de loffelijke Maatſchappij tot Nut van ’t Algemeen, die zoo zeer aan haren naam tracht te beantwoorden, te moeten erkennen, door aan den edelen MULDER hare gouden medaille uit te reiken; terwijl zeker de gedachte, van in de hand der Voorzienigheid het middel tot behoud van zoo vele ongelukkigen geweest te zijn, nog meer dan het eeregoud en zelfs de welverdiende hulde van elk regtgeaard landgenoot en mensch, zijn hart met tevredenheid moet vervullen.
     Te midden van deze vreesſelijke ramp ontbrak het alzoo te Kampen niet aan verzachtingen, en voor het hart weemoedig ſtreelende gewaarwordingen. Zoo mogt men ook den ijver opmerken, waarmede het ſtedelijk beſtuur en deszelfs onderhoorigen niets onbeproefd lieten, om, zoo lang er eenig middel tot het afwenden van het kwaad overig bleef, daarvan een doelmatig gebruik te maken, en vervolgens met medewerking van den ſtedelijken kommandant, den heer luitenant kolonel baron VAN HEERDT, voor orde en veiligheid te zorgen, en de aangedrevene goederen, zoo veel mogelijk, voor de eigenaren te bewaren. Door eenen sergeant werd alhier eene wieg opgevischt, waarin 2 kinderen lagen, beide nog levend en onbeſchadigd, en, naar aanzien, nog naauwelijks 14 dagen oud.
Wa-

___↓___


|pag. 594|

     Waren de tooneelen akelig in de nabijheid van Kampen; op eenigen afſtand in de omſtreken van deze ſtad werden er ook ſchrikkelijke rampen en onoverkomelijke verliezen geleden, waarvan de herinnering alleen het hart doet bloeden. Het menſchelijk gevoel lijdt daarbij, wat het met mogelijkheid lijden kan. Welk een diepe rouw werd er alzoo door den vloed in deze ſtreken veroorzaakt, en hoeveel ſchade leden zij, die nog den vloed ontkwamen! Van 100 boerenwoningen in den omtrek van Kampen bleven er geene over, die niet deerlijk geteisterd en beſchadigd, en de meeste geheel vernield waren; terwijl, behalve eene aanzienlijke menigte omgekomene paarden, varkens en andere levende have, van een getal van 3200 runderen, die voor den watervloed op het platte land alhier aanwezig waren, er naauwelijks 200 overig bleven, zonder het verlies aan voorraad van al het wegggeſpoeld en bedorven hooi en graan op te ſommen.
     Aan den Zwartendijk werden 8 huizen met 14 van derzelver bewoners eene prooi der golven. Op de zoogenaamde Zevenhuizen trof een gelijk lot 2 boerenwoningen, met derzelver bewoners. Niets evenaarde de rampen der boeren van het Kampereiland, wier huizen, ofſchoon op hoogten gebouwd, door het woedend geweld der golven in ſtuk geſlagen, en hunne paarden en koeijen uit de ſtallen weggerukt en in het water verſmoord werden, moetende zij zelven met vrouw en kinderen, op waggelende zolders of in de hooibergen, hunne laatſte toevlugt zoeken, vanwaar zij have, en vee zagen wegdrijven, of het laatſte onder een erbarmelijk geloei zagen omkomen; terwijl zij van hunne buren, in denzelfden nood gedompeld en om hulp roepende, geenen bijſtand erlangen, of dien aan dezelven toebrengen konden, maar zelfs eenige voor
bij

___↓___


|pag. 595|

bij de daken hunner woningen moesten zien heendrijven, en in de golven verdwijnen. Een huis met 9 perſonen werd geheel in den vloed bedolven. Het is niet mogelijk al de akelige tooneelen volledig te beſchrijven; van de 74 ſtuks meijers, waren er geen 10, die iets van belang behouden hadden. De meeste waren alles kwijt, en hadden 40 à 50 tot 60 ſtuks hoornvee, behalve de paarden en varkens, de bouwmansgereedſchappen en huisraad, verloren; eenige kwamen daarbij met vrouw en kinderen om, zoo als 9 perſonen in een huis, dat wegſpoelde, door den vloed verzwolgen werden.

KAMPERVEEN.

     Deze gemeente werd ook op de vreesſelijkſte wijze geteisterd, en derzelver ingezetenen voor vier vijfde gedeelte in de uiterſte ellende gedompeld. In de buurtſchap de Hoogeweg ſpoelden 4 huizen geheel weg. Een huisgezin van 6 perſonen kwam daarbij om; de andere werden nog gelukkig gered. De overige boerenwoningen aldaar werden zoodanig geteisterd, dat een groot deel derzelven onherſtelbaar was. In de buurtſchap het Zuideinde bleven 2 huizen onbeſchadigd, en 1 huis ſpoelde weg, maar deszelfs bewoners werden nog gered; terwijl de overige 20 woningen hetzelfde lot als die aan den Hoogenweg ondergingen.
In de buurtſchap de Zande bleven 2 huizen bijna geheel onbeſchadigd; de overige 19 woningen waren of bijna geheel weg, of voor bewoning onbruikbaar.
Drie ingezetenen hadden bijna al hun vee behouden, en 20 andere hetzelve voor een klein gedeelte gered; doch al het vee van de overige 48 bewoners, behalve een enkel paard, lag dood op de ſtallen, of was
uit

___↓___


|pag. 596|

uit dezelve door den ſtroom weggevoerd. Meer dan 50 ingezetenen hadden al hun bouwmans-gereedſchap, kleederen, huisraad, met één woord, alles verloren, en niets overgehouden dan de kleederen, waarmede hun ligchaam bedekt was. De ellende was in deze gemeente, welke van zich zelve geene middelen van voorziening had, tot eene akelige hoogte geſtegen, en alleen ſpoedige hulp van elders was in ſtaat, om den vertwijfelenden toeſtand der ongelukkigen eenigzins te verzachten.
     Welke ſchrikbarende tooneelen zich hier allerwege opdeden aan hen, die getuigen van zoo vele rampen moesten zijn, kan men nagaan uit het volgende bijzonder treffende voorval. Een landman had zijnen nog jongen zoon met een paar ſtuks vee op den zoogenaamden Zandberg gered, en poogde nu ook ſpoedig zijne vrouw met een nog kleiner kind aldaar in veiligheid te brengen; dan door het geweld van het ſnel opzettende water en de toenemende golving werd hij overmand, en beide ouders werden met den zuigeling, ondanks al hun worſtelen, voor het oog van hun kind, dat op den Zandberg ſtond te ſchreijen, door den ſtroom weggevoerd! Akelig ſchouwſpel!
Is het wonder, dat menſchen, die gevoel bezaten, zoo getroffen werden, dat zij het uiterſte waagden, om hunnen evenmensch uit dergelijken bedroefden toeſtand te redden. Neen! Mannen, die, gelijk A. KAPITEIN, J. VAN HULZEN, H. BOS, H. en A. GOOY, te Brunnepe nabij Kampen, moed aan gevoel paarden, konden geene bloote aanſchouwers der ellende zijn.
Bij het naderend gevaar, toen de vloed al hooger en hooger klom, en alles zich op de zolders trachtte te bergen, vergaten deze edele menſchenvrienden, bij het algemeene noodgeſchrei, eigene rampen, om die van
an-

___↓___


|pag. 597|

anderen te voorkomen. Met een rank en open ſchuitje begeven zich de 2 eerstgenoemden, en met een dergelijk de 3 overigen, na hunne huisgezinnen in veiligheid gebragt te hebben, en zonder zich door het afraden van vrouwen (onder welke eene in zwangeren ſtaat) en kinderen te laten weerhouden, op den vloed.
Zij paren het hoogſte beleid aan eenen onvergelijkelijken moed, denken er niet aan dat hunne vaartuigen geheel ongeſchikt zijn, om de woede der hooggaande golven en het ſtooten tegen drijvend hout te weerſtaan, letten er niet op dat zij zelve doornat werden, en alle voedſel ontberen; maar zien ook hunne aanhoudende zelfopoffering beloond, door het redden van meer dan 70 ongelukkigen, van verſchillende kunne en jaren, uit het dreigendst levensgevaar, daar kort na de redding de meeste woningen inſtortten.
     De Maatſchappij tot Nut van ’t Algemeen, erkende de menschlievende pogingen dezer edelmoedige redders, door aan elken hunner de zilveren medaille en eenen gouden rijder te ſchenken.
     Desgelijks verneemt G. VAN KEULEN te Kamperveen, in den nacht van 4 op 5 februarij, het angstgeſchrei van een mensch in de verte. Denzelven willende redden, roept hij eerst daartoe vruchteloos de hulp van een zijner buren in, hetwelk hem echter gelukt bij J. VAN DER WOLDE en G.G. HUP, mannen en vaders als hij, ſchoon deze zelven zich met hun gezin in eenen waggelenden hooiberg hadden moeten redden. Zij begeven zich nu in eene zoogenaamde nood- of ſchietſchouw, een rank vaartuig, onbeſtand tegen de woede der zeebaren, en waarin zij zich, bij eene hooge zee, met inſpanning van alle krachten, moeten vast- en bovenhouden. Na twee volle uren in beſtendig gevaar alzoo voortgeworſteld te hebben, ontdekken zij, op eenen
wil-

___↓___


|pag. 598|

wilgenboom, een’ man, krom in elkander gebogen, zittende of hangende in de takken, nat, van koude verſtijfd en ſprakeloos. Zij mogen de zelfvoldoening ſmaken, den ongelukkigen, die op deze wijze 16 uren had doorgebragt, aan eenen anders gewisſen dood te ontrukken. Hiermede echter niet te vreden, redden zij, op twee woningen noodvlaggen ziende, daarenboven van het eene bijna vernielde huis een gezin, uit 5 perſonen beſtaande, die, zich op den wrakken zolder geborgen hebbende, groot gevaar liepen, van door den op het vallen ſtaanden gevel verpletterd te worden. Met hen, benevens den eerstgeredden, keeren zij nu, daar hunne ſchouw niemand meer kan bergen, naar den wal terug, doen hen daar, zoo goed als doenlijk is, van het noodige verzorgen, en gaan nogmaals, hoe afgemat ook, ter redding uit van de bewoners in het andere huis, waarvan reeds de zijmuren geheel en het achterſte nagenoeg waren weggeſlagen. Een gelukkig gevolg bekroont hunne edele pogingen. Allen komen behouden aan wal en worden geborgen in den hooiberg van VAN DER WOLDE, die op deze wijze met zijne brave medeſtanders in het geheel 11 menſchen hij het zoo veege leven heeft mogen behouden. Eene zelfopoffering als deze erkende de Maatſchappij tot Nut van ’t Algemeen, door aan elken der genoemde menſchenvrienden eenen gouden rijder toe te wijzen.

IJSSELMUIDEN.

     Allerverſchrikkelijkst werd deze gemeente door den ſtorm en watervloed van den 4 en 5 februarij geteisterd; daar alhier niet minder dan 35 menſchen en ruim 600 ſtuks vee verdronken; terwijl daarenboven meer dan
100

___↓___


|pag. 599|

100 woningen ligt of zwaar beſchadigd of wel geheel ingeſtort en weggeſpoeld waren. Hierdoor verloren nog veel menſchen hunne geheele welvaart, en anderen een groot gedeelte van dezelve.

GRAFHORST.

     De ſchade, door overſtrooming alhier toegebragt, was zeer groot; terwijl ook een huisgezin hierbij omkwam, de helft der woningen vernield en de overige grootelijks beſchadigd werden. Het meeste vee bleef echter behouden.
     Het moedig en lofwaardig gedrag van 3 inwoners van Grafhorst met name A. PENNINCKHOF JZ., J. PENNINCKHOF en J. VAN DEN BELT verdient zeker niet vergeten te worden. Op den 4 februarij, in het hevigst van den watervloed, bemerken de 2 eerstgenoemden, na het verliezen van al hunne bezittingen door de geheele vernieling van den Brandinger- of Pruimendijk, dat 2 menſchen, wier vaartuig was omgeſlagen, gevlugt waren in eenen appelboom, die door den ſtormvloed gevaar liep, van onder dien last te bezwijken. Terwijl vele aanſchouwers luide klagten aanheffen, maar niemand moeds genoeg ſchijnt te bezitten om, bij eigenen nood de redding van anderen te wagen, ondernemen beiden met bedaarden moed den gevaarlijken togt; dan de grootſte inſpanning ſchiet te kort bij het geweld van het indringend water. Zij moesten terug; doch ondernemen eenen tweeden togt die, helaas! insgelijks mislukt, en, bij de terugkomst van welken J. PENNINCKHOF, krachteloos en zonder bewustheid nederzijgt.
     Intusſchen wordt de toeſtand der ongelukkigen door het verbreeden der doorbraak, meer en meer hope-
loos;

___↓___


|pag. 600|

loos; waarop de burgemeester der plaats een ieder uitnoodigt, om nog eene poging ter redding te wagen; en niet zoodra is dit gedaan, of het is alweder genoemde ADOLF PENNINCKHOF, die zich, met den 65 jarigen VAN DEN BELT, aanbiedt. Zij ondernemen, hoezeer door het geſmeek hunner kinderen hiervan afgeraden, den derden togt, en deze gelukt. Beide perſonen worden gered, en, hoewel zonder bewustheid, levend aan wal gebragt.
     De Maatſchappij tot Nut van ’t Algemeen meende dezen menſchenvrienden, die zich eenen dag later, op het Kampereiland, door het redden van meer dan 20 ongelukkigen niet minder edelmoedig gedroegen, hare erkentenis te moeten betuigen door het aanbod van de zilveren medaille, benevens een gouden tiengulden aan den eerstgenoemden, en eenen gouden tiengulden aan elken der laatstgemelden.

SCHOKLAND.

     Onmogelijk is het den wanhopigen toeſtand te ſchetſen, waarin de bewoners van het zoo nabij de kust van Overijsſel gelegene, armoedige eiland Schokland zich door den geduchten watersnood bevonden. Op die ſmalle ſtreek gronds te midden der razende zee, gedurig bedolven onder de woedende baren, niets anders verwachtende dan met hun geheel eiland door de zee te worden ingezwolgen, zoo, en niet anders was de benarde toeſtand, waarin de ongelukkige Schoklanders zich bevonden. Het eene huis na het andere werd door den zwaren golfſlag weggerukt, en velen van de 14 aldaar omgekomenen zijn zeker te gelijk met hunne woningen door de woede der zee verſlonden. Schrikverwekkend gezigt voor de overgebleve­
nen

___↓___


|pag. 601|

nen, wien een gelijk lot nog te duchten ſtond; daar de verwoesting hier geen einde nam, dan nadat ſlechts een zevental huizen in eenen bewoonbaren ſtaat overbleef. Afgeſcheiden van alle hulp, te ver verwijderd van eenig toevlugtsoord, derfden de verſchrikte bewoners in de eerſte oogenblikken alles, wat tot verkwikking en levensonderhoud ſtrekken kon.

ZWOL.

     De overſtrooming, welke Kampen en deszelfs omſtreken zoo zeer teisterde, verſpreidde zich binnen korten tijd allerwege in het rond. De dijk, tusſchen Kampen en het dorp Wilſum aan den regter-oever des IJsſels gelegen, liep 3 palmen over, en de golven verhieven zich op denzelven tot eene zoodanige hoogte, dat de geplaatſte wachten moesten vlugten en de dijk op 4 plaatſen doorbrak. Zoo groot was de ſnelheid van het hierdoor opgeſtuwde water, dat het redden van menſchen nog het eenige was, waarop men kon bedacht zijn. De vloed verſpreidde zich nu verder, drong de zoogenaamde Konijnen Belten door, en overſtroomde de omſtreken van Zwol, tot tusſchen Windesheim en Wijhe; terwijl ook de ſtad zelve voor een groot gedeelte onder water werd gezet. Alle redmiddelen werden voor de ongelukkige landlieden aangewend en de gevlugten met menschlievendheid opgenomen en van kleeding, huisvesting en voedſel voorzien.
De regering der ſtad was onophoudelijk bezig met het afzenden van ſchuiten, voorzien van levensmiddelen en andere benoodigdheden, ter uitdeeling aan de zoodanigen, die gebrek leden, en ter opneming en overbrenging van hen, die hunne woningen verloren hadden, en waarvan het getal ſpoedig 66 mannen,
vrou-

___↓___


|pag. 602|

vrouwen en 193 kinderen beliep; terwijl er reeds op den eerſten dag des jammers 19 lijken werden aangebragt, die naderhand met nog 6 vermeerderden.
     Z. exc. de gouverneur dezer provincie deed al wat ſlechts mogelijk was, om de ontzettende ramp te keer te gaan of te verminderen, en benoemde uit zeer achtingwaardige inwoners der ſtad Zwol, eene commislie ter redding en verzorging der zoo menigvuldige noodlijdenden.
     Onder de bijzonderheden, welke te Zwol en in deszelfs nabijheid plaats hadden, behoort het volgende. Te Zwol komt een opgeſchoten meisje, zoekt hare moeder, die door den vloed van haar verwijderd was, en haar niet vindende, loopt zij, door zeker vooroordeel aangemoedigd, naar het kerkhof, meenende eenige bijzondere gewaarwording te zullen hebben, als zij op het graf harer moeder kwam. Op hetzelve treurig heen en weder wandelende, ſlaat zij even hare oogen op, en hare moeder, die hare dochter zocht, ſtaat voor haar. Men kan zich de treffende ontmoeting van moeder en dochter voorſtellen.
     In de buurtſchap Oldeneel, niet verre van het buitengoed, bewoond door den heer G. W. DWARS, wordt een man, met zijn zoontje werkende, door het water overvallen. De jongen klimt in eenen boom; maar de vader verdrinkt. Nu ſtelle men zich dit kind, maar vooral de moeder voor, die op eenen korten afſtand dit tooneel moest aanſchouwen. « Moeder, moeder!» roept het kind, « zend mij maar eene tobbe of trog; vader is reeds dood, en ik kan het niet langer uithouden!» Dan de moeder had niets om te helpen, en moest ook haren zoon op den boomſtam van koude en gebrek zien omkomen.
     De ſchuit van het tigchelwerk van den heer G. W.
DWARS,

___↓___


|pag. 603|

DWARS wordt in den morgen van den 4 losgeſlagen, en drijft naar de hattemſche weide Hoenweerd, waar men dezelve omgekeerd liggen zag. Des namiddags na de doorbraak ſlaat de meer en meer opſtekende ſtorm dezelve weder om; en voert ze de rivier op, tot onder Herxen, eenen ongelukkigen boer te gemoet, die, in eenen boom geklommen zijnde, niet anders dan den dood verwachtte. Eenen ſprong en het vaartuig is in zijne magt, en binnen één uur tijds redt hij met hetzelve zich en de zijnen, die in eene nabij gelegene hut het akeligst lot verbeidden.

ZWOLLERKERSPEL.

     De ſtorm en hooge watervloed had ook voor deze gemeente de noodlottigſte gevolgen. Wegens onderſcheidene doorbraken, zoo wel in den zeedijk en ijsſeldijk bij Wilſem, als vecht- en zwarte-waterdijken, tusſchen de Sluis en het Haarſterveer werd deze gemeente geheel en al onder water gezet. De aandrang van het water was zoo ſterk, dat de huizen voornamelijk in de buurtſchappen Mastenbroek, ’s Heerenbroek, Sellemuiden, Streukel, het grootſte gedeelte van Haarst, Genne, Holter- en Overwaters, en een gedeelte van Berkum en Westenholte in een oogenblik tot de daken toe onder water werden gezet De zware golfſlag rukte ter gelijker tijd zoowel de binnen- als buitenmuren uit de meeste huizen, waardoor derzelver bewoners, te naauwernood op zolders, daken en hooibergen kunnende vlugten, have en vee, moesten zien verdrinken en wegdrijven, zonder iets te kunnen redden. Daarbij vonden 25 menſchen in het water eenen jammerlijken dood; terwijl 2868 ſtuks rundvee, 90 paarden, 49 ſchapen, 104 varkens in
het

___↓___


|pag. 604|

het water omkwamen; voorts waren 31 huizen geheel ingeſtort en weggeſpoeld, 53 geheel onbruikbaar, 71 zwaar en de overige alle meer of min beſchadigd.
De verliezen in de overige buurtſchappen dezer gemeente, door de overſtrooming geleden, waren aanmerkelijk; doch bepaalden zich meer tot huis en landſchade, wegens de menigvuldige doorbraken; zoodat daarbij geene menſchen of vee omkwamen. Door krachtdadige medewerking van de ſtad Zwolle, werd een aantal menſchen, die op de daken van ingeſtorte huizen, hooibergen of boomen, eenen gewisſen dood te gemoet zagen, nog gelukkig gered.

ZALK.

     In de omſtreken van Zalk was het water ook verſchrikkelijk hoog, en 7 menſchen verloren in die gemeente door water en verkleumdheid het leven.
Zeer veel vee was dood, verſcheidene huizen waren beſchadigd, en eenige ingevallen en weg. Slechts een huis bleef vrij van water, en zelfs voor de kerk moest men dammen leggen, om het water tegen te houden.
Even treurig was het te Veekaten en Wilſum geſteld door de vernieling van den dijk beneden deze plaats.
     Alhier had de volgende bijzonderheid plaats. Aan het zalkſche veer op den regter ijsſel-oever, werd een der, binnendijks zich bevindende, kleine boerehuizen bewoond door eenen boer en diens dertienjarigen zoon, welke laatſte, op het zien van het zeewater, dat elk oogenblik, door het aanſpoelend drijfhout, hunne hut dreigde te vernielen, zijnen vader aanraadt om, daar zij toch niets voor oogen hadden dan te verdrinken, al de koeijen aan den ſtaart van het paard te binden. Naauwelijks is dit verrigt, of de
zoon

___↓___


|pag. 605|

zoon zet zich met zijnen ouden vader achter zich op het paard, en redt dus, naar den dijk zwemmende, zich zelven, zijnen vader en hunnen eenigen rijkdom. De buurman van dezen moedigen knaap wilde dit voorbeeld volgen; doch werd in zijn voornemen door plotſelings opkomend drijfhout belemmerd, en kwam met de zijnen jammerlijk om het leven.

GENEMUIDEN.

     De ontzettende ſtorm en hooge watervloed van den 4 en 5 februarij hadden ook voor deze gemeente de rampzaligſte gevolgen. Twintig menſchen, waaronder 4 geheele huisgezinnen, werden eene prooi des vloeds.
Het aantal der verdronken beesten bedroeg 326, zijnde meer dan $\frac{1}{3}$ van het vee, dat zich vóór den watersnood hier bevond; 45 huizen waren ten eenemaal weggeſlagen of lagen in eenen puinhoop, nog 44 waren zwaar beſchadigd, en voor geene bewoning meer vatbaar; terwijl 56 andere eene mindere ſchade leden.
     Het aantal ongelukkige ingezetenen, die, volſtrekt van alles beroofd, niets anders dan hun leven hadden behouden, en dadelijk na de verſchrikkelijke ramp van huisvesting en voedſel moesten worden voorzien, beliep ongeveer 80 huisgezinnen en beſtond uit meer dan 250 perſonen. In den dringendſten nood dezer betreurenswaardigen werd van ſtadswege oogenblikkelijk voorzien, door hunne opneming in de ſtadsſchool, het gemeentehuis en in nog 2 andere plaatſelijke gebouwen, en door toedeeling van benoodigde levensmiddelen. Onophoudelijk hield zich de regering onledig met hulp en leniging te verſchaffen, waar en op welke wijze dezelve aan te brengen was.
     Op eene daartoe bij de gegoedſte ingezetenen gedane
uit-

___↓___


|pag. 606|

uitnoodiging ter bijeenbrenging van ſchoon linnengoed en andere kleedingſtukken was het dezelve mogelijk geweest, om op den 10 en 11 februarij aan elk der noodlijdenden het noodige ter hunner verwarming en dekking te kunnen uitdeelen; terwijl men nog lang voortging met aan een groot getal huisgezinnen, welke vervolgens bij anderen inwoonden of tot hunne bouwvallige huisjes terugkeerden, eene dagelijkſche onderſteuning van de eerſte levensbehoeften te doen.
     Te Genemuiden had de volgende merkwaardige redding plaats. Een jongeling, die reeds vader, moeder en alle andere huisgenooten had zien verdrinken, zat op eenen wrakken zolder boven eenen ſtal, en viel door den zolder, juist kruiſelings op een    paard, dat nog met den kop boven water in den ſtal ſtond.
Het beest, hierdoor verſchrikt, rukt zich los, zwemt met den jongen uit den ſtal, en paard en jongen worden op eenen hooiberg gered.

MASTENBROEK.

     De ramp, die ook deze gemeente door den verſchrikkelijken ſtorm en de daaropvolgende overſtrooming tusſchen 4 en 5 februarij trof, ging alle verbeelding te boven. De geheele polder van het laag gelegene Mastenbroek werd door den vloed overdekt; daar zoowel het water door de doorbraak bij Kampen, als dat, hetwelk door den Mastenbroekerdijk doorſtroomde, zich over die ſtreek uitſtortte. Meest al het rundvee verdronk; verſcheidene huizen, inzonderheid aan den zeedijk, waren geheel weg, en al de overigen waren zoodanig beſchadigd, dat zij naar geraamten geleken.
Een

___↓___


|pag. 607|

     Een getal van 16 menſchen uit deze gemeente ſchoot het leven daarbij in, waarvan ſommigen door het ſnel opkomende water onder hunne inſtortende woningen geſmoord werden; terwijl anderen zich op deze puinhoopen, de graven hunner vrienden of dierbaarſte betrekkingen, zochten te redden, en aldaar de hulp van elders moesten afwachten, die den eenen vroeger den anderen later en ſommigen niet dan te laat konde aangebragt worden. De ellende was onbeſchrijfelijk; dan de harten der overgeblevenen waren vervuld van dankbaarheid voor de zoo ſpoedig aangebragte hulp van elders, inzonderheid van de ſtad Zwol, die dadelijk in de behoeften van alle hulpbehoevenden voorzag; terwijl een vertrouwend uitzigt op het vaderlijk toevoorzigt van een weldadig beſtuur de harten der ongelukkigen nog met eenen ſtraal van hoop vervulde.

HASSELT.

     De ſtad Hasſelt, ofſchoon klein in uitgeſtrektheid, leed echter veel door de ſtormen van den 4 en 5 februarij 1825.
     Sedert verſcheidene jaren waren de vestingwerken niet onderhouden en daardoor op verſcheidene punten vervallen, maar, zoo men vertrouwde, nog genoegzaam in ſtaat, om het water te keeren, zooals zulks met de westen en zuidwesten winden van ſeptember 1824 het geval geweest was.
     Op den 3 februarij begon, met eenen vreesſelijken ſtorm, het water in de rivier geweldig te wasſen, maar bekwam nog geen aanmerkelijker hoogte dan het bij vorige vloeden bereikte. Een vliegende ſtorm echter, in den nacht tusſchen den 3 en 4, bragt
het

___↓___


|pag. 608|

het water tot kruinshoogte der dijken. Men had reeds te voren alle maatregelen van voorzorg in het werk geſteld, twee kistdammen van zware planken bij den laatstvoorgaanden ſtorm vervaardigd, die ter wederzijde van de ſchutſluis, binnen de ſtad geplaatst, tot ruim 6 palmen boven de deuren der ſluis het water keeren konden, eene hoogte, die men met grond veronderſtelde meer dan genoegzaam te zijn; daar de vloeden in 1775 en 1776 op geen 3 palmen na zoo hoog geweest waren. Echter was het water nog wel 6 palmen over deze kistdammen henen geſtroomd, en had dezelve weggeſlagen.
     Des morgens van den 4 wies het water in een zeer kort tijdsbeſtek meer dan 6 palmen, zoodat men hetzelve in hooge golven allerwege over de dijken rondsom de ſtad zag henen ſtaan. In een der buitenmuren bij de Enkpoort, had zich het water eenen doortogt gebaand, waardoor eene kolk, tusſchen dezen muur en den dijk of weg naar gemelde poort, was volgeloopen, en over dien weg begon te ſtroomen. Dadelijk werden alle hulpmiddelen in het werk geſteld om dit tegen te gaan. Het water vond echter eenen doortogt aan het hooge gedeelte van dien weg, waar weleer de oude poort had geſtaan, en er volgde, des morgens omſtreeks 8 uren, eene doorbraak van 21 el lengte en 1$\frac{1}{2}$ el gemiddelde diepte.
     Het water, alzoo uit genoemde kolk ſtroomende, veroorzaakte meerder aandrang aan de reeds geſpoelde wade in den buitenmuur, waardoor dezelve in minder dan een uur tijds inſtortte en eene doorbraak van 21 ellen lengte en 2$\frac{1}{2}$ ellen gemiddelde diepte vormde.
Het zeewater, met het grootſte geweld invallende, nam een gedeelte van den muur van de Bastion het Nieuwe Bleekje mede, en zette de ſtad aan die
zij-

___↓___


|pag. 609|

zijde onder water woedende, intusſchen het water met geweld tegen den dijk buiten de Venepoort, welke van eenen hoogen muur was voorzien; en waarbij de Joden hunne begraafplaats hadden. Ook deze muur moest voor de kracht des waters bezwijken, en ſtortte te 9 uren met een groot gedruis in, wordende de doodkisten door den geweldigen ſtroom medegevoerd. Het water zich nu eenen weg gebaand hebbende, kon niets deszelfs kracht wederſtaan; eene voor weinige jaren gezette ſchuur aan den mond der Dedemsvaart werd medegevoerd en er ſpoelde daar ter plaatſe een diepe kolk; eene voor weinige jaren aangelegde kalkfabryk leed groote ſchade; de aanwezige voorraad van geleschte kalk, benevens eenige pramen turf en ſchulpen werden door het water weggevoerd, en van het daarbij gebouwde huis ſtortte een gedeelte der muurwerken in.
     Even buiten de Enckpoort der ſtad, begaf zich mede de ſteenen muurdijk voor het huis van EGBERT KOERHUIS, landbouwer aldaar wonende, en binnen eenen korten tijd ſtortte het huis in, en werd gedeeltelijk door de golven medegeſleept, terwijl er eene diepe kolk voor hetzelve ontſtond. Gelukkig hadden, kort te voren, de bewoners met hun vee zich uit hetzelve naar den molen, tusſchen dit huis en de ſtad ſtaande, begeven, alwaar zij ofſchoon niet buiten gevaar, zich toch veiliger bevonden, daar anders eene gewisſe dood hun lot zoude geweest zijn.
     Nu zag men in den geheelen omtrek der ſtad, zoo verre het oog konde reiken, niets anders dan water, geheel vernielde of ten deele ingeſtorte huizen, en alles leverde een akelig tafereel op. De ſtad was met uitzondering van een klein gedeelte van twee ſtraten, waarover
ech-

___↓___


|pag. 610|

echter op verſcheidene plaatſen het water als beken, 1$\frac{1}{2}$ voet hoog henenvloeide, geheel overſtroomd.
Op de laatſte plaatſen vond men in de huizen 1$\frac{1}{2}$ à 2 el, en op hoogere gedeelten, waar men bij menſchen geheugenis nimmer water gezien had, 6 palmen water, waardoor vele goederen bedierven, daar niemand dit had voorzien, en alzoo niets geborgen had. Men voer met ſchuitjes door de ſtad, om aan de bewoners, die op de bovenverdiepingen de vlugt hadden moeten nemen, het noodige te bezorgen; terwijl angst en ſchrik zich allerwege vertoonden.
     Niettegenſtaande het water alsnu eenen ruimen doortogt had verkregen, door deze en onderſcheidene doorbraken in de dijken bij deze ſtad, naar den kant van Zwartſluis en naar dien van Zwolle, zoo dreigde echter des middags te 12 uren, een gedeelte van het bolwerk aan de noordwestzijde der ſtad te zullen doorbreken, welke doorbraak nog veel noodlotliger gevolgen voor een groot gedeelte van de ſad zoude gehad hebben. Oogenblikkelijk werd alles aangewend, om dit ongeluk te voorkomen, hetwelk door het aanbrengen van een zeil met de noodige gewigten, onder Gods hulp, gelukte. Door de voormelde doorbraken was het water nu binnen tot eene gelijke hoogte als buiten de ſchutſluis geklommen, en aan deze omſtandigheid had men voornamelijk het behoud der ſluis te danken; daar anders zoo niet de geheele ſtad, ten minſte het grootſte gedeelte derzelve zoude vernield zijn geworden.
     Men had van ſtadswege dadelijk des morgens aan de ingezetenen, welke veehouders waren, de kerk der Hervormden tot berging van vee aangewezen, wordende de hoornbeesten en paarden in dezelve geplaatst; zoodat binnen de ſtad zelve deze allen behouden zijn ge-
ble-

___↓___


|pag. 611|

bleven, als ook van de veehouders, aan de binnen of landzijde der ſtad wonende, welke dadelijk bij de eerſte doorbraak ſtadwaarts werden gebaald, en in veiligheid gebragt.
     Dan aan den overkant van het Zwarte Water, tegenover de ſtad, bevonden zich de bewoners van eenige huizen, op en aan den dijk ſtaande en onder de gemeente behoorende, in de treurigſte omſtandigheden, de dijken aan den IJsſel bij Wilſum, alsmede de zeedijken tusſchen Genemuiden en Grafhorst, op onderſcheidene plaatſen doorgebroken zijnde, had zulks den polder van Mastenbroek tot eene aanmerkelijke hoogte overſtroomd, zoodat het water hunne huizen van achteren benaauwde en dezelve deed inſtorten; terwijl het water van de andere zijde mede over den dijk heen ſtroomde, en zij alzoo, van weerszijde door het water beſtormd, op den dijk, in het water zelve, met hun vee de vlugt moesten nemen.
     De jaagſchuit van hier op Kampen was door het binnen water op den dijk gezet, en hierin borgen zich de vrouwen en kinderen, welke den geheelen nacht benevens een gedeelte van den dag van 5 februarij zich in dezelve onder het angſtigst vooruitzigt moesten behelpen; terwijl de mannen bij het vee moesten blijven, waarvan 12 beesten hierbij verdronken, wordende de overige nog gelukkig behouden. Met geene mogelijkheid konde men eenige hulp toebrengen, tot dat eindelijk, des namiddags omſtreeks half 2 uren, de wind iets bedarende, de ſompſchipper HARMEN VAN DOORN, door eenigen bijgeſtaan het waagde, om zich met zijn vaartuig naar den overkant te begeven, en het ſtreelend genoegen had, van ruim 50 menſchen naar de ſtad over te brengen, welke, om zoo te zeggen, van alles
be-

___↓___


|pag. 612|

beroofd, in de kerk opgenomen en van het noodige verzorgd werden.
     In een huis aan den mond der Dedemsvaart gelegen, had zich eene aldaar wonende weduwe met hare kinderen, benevens de bewoners van een nabij gelegen huisje aan den dijk (het Fortuin genaamd), die hier hunne toevlugt genomen hadden, op den zolder geborgen, en door den aandrang van het water eenen zeer geruimen tijd in benaauwde omſtandigheden doorgebragt en naar hulp uitgezien; daar het water reeds tot op den zolder geklommen, een gedeelte van de achter en zijmuur ingeſtort, en de daar voor ſtaande hooiberg weggedreven was, en deze ongelukkigen alzoo niet anders dan eenen onvermijdelijken dood te gemoet zagen. Binnen de ſtadsgracht lag een vrieſche ſchipper van Sexuisterveen met name FRANS JANSEN, wiens beide zonen JIEME JANSEN en BIENE JANSEN, met hunne boot, benevens EVERT FRERIKS VAN ‘T SPYKER en JURRIAN ZWIKKERS, beide inwoners van Hasſelt, in de hunne, het waagden om, ondanks het groot gevaar, zich naar voormeld huisje te begeven, en deze vier edele menſchenvrienden hadden het genoegen, om de ongelukkige, door middel van een gat in het rietendak, te redden en binnen de ſtad te brengen.
Hoe akelig en gevaarvol het in de ſtad en gemeente was, zoo werd zulks echter nog vermeerderd door de treurige tooneelen, welke de nabijgelegene buurtſchappen Streukel, Ten Velde en bijzonder Mastenbroek opleverden, waaraan men in de eerſte oogenblikken met geene mogelijkheid eenige hulp toebrengen, maar zulks tot den volgenden dag, zijnde den 5 februarij, uitſtellen moest. Het grootſte gedeelte der ingezetenen hadden de vlugt naar de zolders moeten nemen, en ſommigen hunne woningen verlaten, om bij anderen, wier wo-
nin-

___↓___


|pag. 613|

ningen hooger gelegen waren, toevlugt te zoeken, waardoor de ſchaarschheid van levensmiddelen ſpoedig gebrek veroorzaakte. Alstoen voorzag men wederzijds, zoo veel mogelijk, in de eerſte levensbehoeften.
     Bij de Streukeler-zijl,- digt bij de ſtad, brak de dijk juist op het oogenblik door, dat twee vrouwen, moeder en dochter, benevens twee kinderen van de laatſte, uit derzelver huis vlugtende, zich op dien dijk bevonden, en die dus allen op eene jammerlijke wijze eene prooi der golven werden.
     Overal in deze omſtreken kwam een groot aantal koeijen en paarden door het water om, vele huizen werden vernield en de geledene verliezen waren zeer groot.
De geheele ſtad was als in een eiland herſchapen.
In de ſtraten bevonden zich 7 gaten van 5 tot 12 ellen lengte, 2 tot 7 el breedte en 6 tot 7 palm diepte; in de hervormde kerk waren bijna alle graven ingeſtort, en de ſchade was in het algemeen zeer aanmerkelijk.
     Een half uur van Hasſelt ſloeg eene boot om met 17 menſchen, waarvan er ſlechts een op eenen boom gered werd.
     Een huis op den hasſelerdijk, zijnde eene herberg, de Rieſenbosch genaamd, bleef onbeſchadigd, door dien rondom dit huis zich eene ſchans van riet vormde, wel ter hoogte van 3 à 4 el, en zoo ſtevig, dat het water geen vat op deze woning had, en deszelfs eigenaar ook zelfs geen ſtuk vee verloor. Edelmoedig toonde de bewoner zijne dankbaarheid voor deze redding, door aan zijnen buurman, die alles verloren had, twee zijner beste koeijen te ſchenken.
     Het vee, dat ook in de buurtſchap den Streukel en Ten Velde, bij deze ſtad gelegen, omkwam, was ontelbaar.
     Te Dallfen en bijzonder in de buurtſchappen Roote,
Roe-

___↓___


|pag. 614|

Roeteveen, de Horst, in het Blok en het Tolhuis kwam veel vee om. Ook in den Hulst werwaarts 40 menſchen vervoerd werden, waarvan er echter 2 aldaar ſtierven; terwijl er in Ankum en de Vos ook 78 ſtuks hoornvee, 163 ſchapen en 27 varkens, en in den Morshoek 13 varkens verdronken.

ZWARTSLUIS.

     Reeds in den avond van den 2 februarij verhief zich de ſtorm uit het zuidwesten, en bij het aanhouden van denzelven, klom het water in de Zuiderzee, op deze kusten en in het Zwarte Water, den 3 tot eene aanmerkelijke hoogte, zonder dat men echter voor eenige breuk in de dijken vreesde, die tegen eenen hoogeren vloed, nog kort te voren, beſtand waren gebleven. Dan, in den nacht tusſchen den 3 en 4 rees de vloed zoo hoog, dat omſtreeks middernacht de kruin van den dijk hier en daar begon over te loopen, en daar de ſtorm in den nanacht tot eenen orkaan aangroeide, had een goed deel der bevolking zich reeds op den dijk begeven, om op die plaatſen, welke door het meeste gevaar bedreigd werden, met dammen en kistingen, den overloopenden vloed te bedwingen. Hoezeer men nu alle krachten inſpande, alle gevaren trotſeerde, en door het aanbrengen van zeilen den binnenkant der dijken, van welke reeds geheele ſtukken afſpoelden, trachtte te beveiligen, zoo waren alle pogingen vergeefs. De vervaarlijke golven, die door de windſtreek regtſtreeks op deze dijken werden aangedreven, beukten dezelve bij den nog ſteeds wasſenden vloed zoodanig, dat, terwijl het water zich reeds omtrent 3 palmen boven den dijk verhief, dammen en kistingen
wer-

___↓___


|pag. 615|

werden weggeſlagen, en men des morgens omtrent 8 uren zich genoodzaakt zag, daar er breuk bij breuk begon te vallen, om eigen lijfsbehoud, den dijk te verlaten. Tusſchen 9 en 10 uren vormden zich hier twee doorbraken, de eene tusſchen de Schans en het Buitenkwartier, waardoor de gemeenſchap tusſchen de beide gedeelten dezer plaats geheel werd afgeſneden, de andere op het Westeinde. Nu ſtroomde het water met geweld door deze en een groot aantal andere gaten, welke in de dijken van Vollenhoven, Blokzijl, Blankenham en Kuinre gevallen waren, naar binnen. Sommige veehouders namen voor hun vee de toevlugt tot de kerk, of eene der ſcholen, of tot eenig hoog ſtaand huis; doch de meeste vleiden zich met de hoop, dat het water der overſtrooming tot geene meerdere hoogte zoude klimmen, dan men wist, dat het geweest was in de jaren 1775 en 1776. Men vond zich echter hierin deerlijk bedrogen; daar hetzelve die hoogte van 9 palmen 3 duimen, tot bijna 1 el en 7 duimen, overtrof. Groot was derhalve de ellende, en in den avond en nacht van den 4 op den 5 wies de vloed, bij den huilenden wind, gepaard met ſneeuwbuijen en vorst, zoo ſnel aan, dat er geene mogelijkheid was, om meerder vee of goederen te redden. Huizen bij huizen werden door de kracht der golven ingeſlagen, inzonderheid bij de kalkovens, in het zoogenaamde Bosch, en bij de doorbraken, vooral aan het Westeinde, waar verſcheidene woningen van derzelver grondſlagen werden gerukt, en hare ſtandplaatſen onkenbaar gemaakt. Angſtig was het geſchrei der vlugtende bewoners, die alles moesten vaarwel zeggen, en tol vaartuigen of andere verblijfplaatſen hunne toevlugt nemen; terwijl ſommigen, eenen zekeren dood te gemoet ziende, door de wakkerheid
van

___↓___


|pag. 616|

van eenige ſcheepslieden, die vloed en golven trotſeerden, ter naauwer nood met boten uit hunne inſtortende of bouwvallige woningen werden gered; terwijl andere woningen in de nabijheid der doorbraken geheel ongenaakbaar waren, waardoor geheele huisgezinnen tot eene prooi der golven geworden zijn. Zoo werden bij de doorbraak aan het Westeinde man en vrouw met 5 kinderen en al hunne bezittingen verſlonden; in eene andere woning werden twee vrouwen onder de inſtortende puinhoopen begraven; een boerenhuis, niet verre van daar, onder het gebied van Vollenhove, eenigzins landwaarts in gelegen, werd almede met deszelfs 5 inwoners verwoest.
Hartverſcheurend was het verhaal van twee mansperſonen, die op den rand dezer doorbraak, in den nacht, tot redding van hun leven, in eenen perenboom, uit hunne inſtortende woning de vlugt hadden genomen, en des morgens nog gelukkig gered zijn. Zij had den in den nacht 3 kinderen, waarſchijnlijk uit de genoemde boerenwoning, op eenen hooiberg, bij de doorbraak, zien drijven, welke door den ſtroom weder naar binnen werden geſleept, kermende: « moeder! help ons, het water komt al aan onze voeten! » zonder dat er hulp mogelijk was; terwijl men vervolgens van dezelve niets meer vernomen heeft, en zij dus al jammerende hun jeugdig leven in den vloed geeindigd zullen hebben.
     Het is niet mogelijk, alle ellende en jammer van dit treurtooneel te beſchrijven. De avond en de nacht van den 4 op den 5 deden den angst en de benaauwdheid ſteeds hooger en hooger rijzen; vooral, toen des nachts te 3 uren, wanneer het water deszelfs grootſte hoogte bereikte, hetzelve ook in de kerk zoo hoog ſtond, dat men vreesde, het daar ge­
red-

___↓___


|pag. 617|

redde vee ook nog door den vloed te zullen verliezen.
De verwoestingen, door deze ramp hier aangerigt, waren groot, en opmerkelijk is het, dat zoo veel men weet, althans op twee plaatſen zeer in de nabijheid, de pompen uit hare welputten met geweld zijn opgeſlooten, waaruit de natuurkundigen welligt iets naders omtrent de oorzaken dezer overſrooming zullen kunnen opmaken; maar niet minder groot is de ſchade, welke door dezelve is veroorzaakt. Behalve dat in dezelve menſchen, tot deze gemeente behoorende (de vijf zielen uit de bovengenoemde boerenwoning niet mede gerekend), het leven hebben verloren, zijn er 161 runderen boven de drie jaren oud, en 130 beneden die jaren, benevens 11 paarden omgekomen; 48 huizen zijn geheel in puinhoopen verkeerd; van ſommigen derzelve is de ſtandplaats geheel omgewoeld en onbruikbaar geworden; 87 woningen zijn zeer beſchadigd en onbewoonbaar, zoodat ſommige elk oogenblik dreigden in te ſtorten; 290 menſchen bevonden zich zonder woning, en zijn of in ſchepen of bij anderen gehuisvest. De meesten hunner waren van alle middelen van beſtaan beroofd, en hadden de kostbare gereedſchappen, tot de uitoefening van hun beroep, verloren. Huisraad, kleeding en dekſel was meest verdwenen of bedorven; de kostbare kalkovens, die menig huisgezin beſtaan gaven, waren deerlijk geteisterd; het hout van de ſcheepstimmerwerven en timmerlieden was heinde en verre verdreven, en werd, nevens andere goederen, hier en daar, op vele uren afſtands, van tijd tot tijd aangetroffen; en men mag, behalve hetgeen tot digting van de dijken noodig was, de ſchade hier ter plaatſe aan trafieken, koopwaren, woningen, vee, levensmiddelen, meubelen, kleedingſtukken en brandſtoffen, zonder
ver-

___↓___


|pag. 618|

vergrooting, op meer dan eene ton ſchats bekekenen.

STAPHORST.

     Het ſchoutambt Staphorst in het kwartier Vollenhoven, de kerkdorpen Staphorst, Roeveen en IJhorst, benevens eenige buurten bevattende, en te zamen eene bevolking van 3500 zielen uitmakende, deelde grootelijks in den droevigen watersnood. Reeds in den morgen van den 4 februarij leed, door de doorbraak en overloop van de dijken bij de ftad Hasſelt en de buurt ten Velde, het lager gelegen Roeveen den eerſcen aanſtoot; doch daar het binnenwater dezen ganſchen winter bij afwisſeling hoog ſtond, en men van die doorbraak geene tijding ontving, kwam men niet op het denkbeeld, dat deze aanwas het gevolg van het doorbreken des dijks zoude zijn. Met het vallen van den avond kreeg men eerst door lieden, die in hunne eendenkooijen werkzaam waren, het zekere berigt van het naderende water, hetwelk, na zich over het geheele land van Vollenhoven te hebben uitgebreid, achter de ſtad Hasſelt om, herwaarts ſtroomde en verder over Roeveen en Nieuwleuſen tot den Hesſenweg nabij Dalfſen doordrong, en nu was de nood algemeen, en de verſlagenheid ſteeg ten top. Het water ſloeg reeds over de hoogten.
Vlugten met het vee kon nog geſchieden, maar aan redding van anderen voorraad was niet te denken. Spoedig werden de beesten losgemaakt. Dan werwaarls zich nu te wenden? Naar Nieuwleuſen was zeker het veiligſte, maar de lage bouwakkers ſtonden reeds tot aan het midden des lijfs onder water. De ſtoutſten waagden het, en hadden het geluk, hun vee, na eenen moeijelijken overtogt in den nacht, op het drooge te brengen; echter met eenig verlies van vee. Een ander ge-
deel-

___↓___


|pag. 619|

deelte vlugtte met kinderen en vee naar Staphorst, in den waan van daar zeker te zullen zijn; maar, helaas! op den weg kwam reeds het water langs eenen anderen kant hen te gemoet, daar de zomerdijk door de doorbraak der vollenhoofſche dijken was doorgebroken, en nu rolde het water langs alle wegen. Het gevaar was groot, en de beesten konden nu niet gered worden, maar moesten aan den toenemenden vloed ter prooije gegeven worden. Der menſchen leven te redden was nu het eenig doelwit, waarnaar een ieder, met inſpanning zijner uiterſte krachten, ſtreefde.
Te Staphorst wies intusſchen het water tot eene nooit gehoorde hoogte. De veehouder aldaar was gerust in zijne woning gebleven, niet denkende dat het water hem zoude beloopen, en toen de nood op ’t hoogſte kwam, was er geen uitweg, het vee moest alhier op den ſtal verdrinken, gelijk ook in de buurten Horningen, Hesſelingen, Lankhorst, Leijen, Overlankhorst en Werkhorst. Te Roeveen ſtond het water aan de daken der huizen, wier inwoners op de zolders gevlugt waren, en in doodsgevaar zonder brood, water of vuur zich bevonden. De nood, reeds hoog geſtegen, werd voor ſommigen nog verſchrikkelijker. De huizen ſtortten in, en de meesten moesten met hun kroost op een ſtuk of brok van het dak hun leven bergen; andere zaten in geen minder nood, de huizen ſpoelden onder hen weg, en alleen de ſtijlen, waarop de kap rustte, bleven ſtaan. Het getal der menſchen, die een allerdeerlijkst einde in het water vonden, beliep 21 perſonen, waaronder te Roeveen zekere HENDRIK TROOST en zijne vrouw, oude lieden van ruim 60 jaren. Deze vond men, den man op het bed en de vrouw voor hetzelve; terwijl de hond nog op het lijk van zijnen meester zat, en, ſchoon uitgehongerd, aan elk den
toe-

___↓___


|pag. 620|

toegang betwistte. Meer dan 3500 ſtuks vee van onderſcheidene ſoort verdronken, 5 huizen ſpoelden geheel weg, meer dan 100 werden onbewoonbaar en verwoest, en een nog grooter aantal zwaar beſchadigd. De ſchade was onberekenbaar. Vee, voorraad van koorn, levensmiddelen, ſtalvoeder, kleederen, alles verloren.
Tot overmaat van ongeluk had men gebrek aan vaartuigen, en eerst zondag, den 6 februarij, kwam de heer NOOT, controleur der belastingen te Meppel, met eene ſchuit, bij zich hebbende eenige brooden, en met het zeer menschlievend oogmerk, om daar, waar menſchen in nood zaten te redden en naar Meppel mede te nemen. In den verderen nood werd ook, daar men aan alles gebrek had, behalve door Meppel, voorzien door de Wijk, Hasſelt en voornamelijk door Z. Exc. den heer Gouverneur der provincie.

VOLLENHOVEN.

     Deze plaats, met derzelver omſtreken, leed niet minder door den geduchten watervloed, dan de reeds vermelde. Het water ſteeg hier bijna 2 palm hooger dan in 1776. De ſterkten voor Vollenhoven werd vermorzeld, en de haven door eenen geweldigen puinhoop digt geſlagen. Verſcheidene huizen ſpoelden zoodanig weg, als of zij nooit aanwezig geweest waren, en eene ontzettende verwoesting werd er in de lage veenpolders aangerigt.
     Hoe treurig echter het verhaal van deze en andere voorvallen ook zij, waren de gebeurtenisſen inderdaad nog droeviger, de omſtandigheden nog aandoenlijker.
Hoe ijsſelijk het in die omſtreken moet geſield zijn, kon men opmaken uit de uitnoodiging, welke de heeren WELTERZON, BERENDS, SLOET TOT TWEE NYENHUI-
ZEN,

___↓___


|pag. 621|

ZEN, MEYLINK en VAN DEDEM te Zwolle, aan de bewoners van de lage veenpolders van Vollenboven gerigt hebben, en hierin beſtaande: om, daar hun door de overſtrooming de mogelijkheid was benomen, van in hunne dringende behoeften te voorzien, ja, hun de grond ter opbouwing van nieuwe woningen ontbrak, en zij geene toevlugt wisten waarheen, zich aan de Nieuwe vaart, gemeente Hardenberg neder te zetten, alwaar hun de ſpecie, in 1825 te bearbeiden, om niet, de gronden ter opbouwing 2 jaren pachtvrij, en vervolgens tegen zeer matige pacht voor lange jaren aangeboden werd. Treffend en menigvuldig waren allerwege de tafereelen van ellende, maar ook bijzonder en menigvuldig de voorbeelden van redding uit gevaren en de blijken van betoonden moed en zelfopoffering, welke gelijktijdig met de rampen ſchenen te verdubbelen. Een oud man alhier, LEENDERT DE OUDE genaamd, ſpoorde, nadat zijn huis en goed was vernield, anderen aan, om menſchen te redden, en zijnen drie zonen gelukte het, om 6 menſchen in het leven te behouden.
     Nog had hier omſtreeks het volgende plaats. De molenaar DOESEMA, aan de Krieger, tusſchen Vollenhoven en Zwartſluis, zat met zijne kinderen groottelijks beangst in zijne woning, die van den molen verwijderd was. De achtermuur valt weg; hij neemt onder elken arm een kind, en zwemt naar den molen. Onderweg ontvalt hem een derzelven; dan hij keert terug en bekomt het weder, bezeert zich nog het aangezigt aan eenen paal, en komt eindelijk behouden aan den molen.

BLOKZYL.

     In den vroegen morgen, te 2 uren, werd der regering berigt, dat de ringdijk, aan den zuidkant van
Blok-

___↓___


|pag. 622|

Blokzijl, voor het geweld des waters dreigde te bezwijken, waarop dadelijk alles gedaan werd, wat noodig was, om dien dijk te behouden; dan, door de aanhoudende ſtormen en het gedurig wasſend water, werd men met eene tweede inbraak aan de noordzijde van Blokzijl bedreigd, waaraan ook terſtond alle mogelijke behoedmiddelen werden gebezigd. Niettegenſtaande alle inſpanning, bezweken echter beide bedreigde punten des morgens te 9 uren; terwijl er toen bovendien eene menigte doorbraken in de zeedijken tusſchen Blokzijl en Kuinre, en tusſchen Blokzijl en Vollenhoven opgemerkt werden, ſpoelende de zee over den geheelen dijk heen, waardoor de huizen, welke aan den zeedijk benoorden Blokzijl ſtonden, dadelijk eene prooi der golven werden, en geheel wegſpoelden, terwijl vele bewoners te naauwernood hun veeg leven redden konden.
     Ook van het laagſte gedeelte van Blokzijl zag men overal de menſchen, zoo veel mogelijk, vlugten. Mannen met vrouwen op den rug; anderen weder met kinderen! Ieder beijverde zich om het dierbaarſte zoo veel mogelijk in veiligheid te brengen, en toen de ſtraten volſrekt niet meer te doorwaden waren, moesten mannen, vrouwen en kinderen, oud en jong door en over de daken klouteren, om eenen anders gewisſen dood te ontgaan; dewijl, de gebouwen het een na het andere inſtortten, en in puinhopen veranderden, waardoor ſommigen, wien niet ſpoedig genoeg de benoodigde hulp op hun jammerlijk geſchreeuw en gekerm kon worden verleend, in het water den dood vonden, of door de bouwvallen verpletterd werden.
De angst en het geſchrei was allerwege zeer groot, en ofſchoon men met ſchuitjes ter hulpe wilde toeſnel-
len,

___↓___


|pag. 623|

len, was het op ſommige punten door den ſtroom onmogelijk, de ongelukkigen te naderen.
     De weggeſpoelde huizen, aan den zeedijk ſtaande, benoorden in de nabijheid van Blokzijl, behoorden het eerſte aan PIETER SPIJKER, die van zijn 29 ſtuks hoornvee, dat hij voor de doorbraken te Blokzijl meende in veiligheid geborgen te hebben, ſlechts 12 ſtuks overhield, en wiens hooi mede wegſpoelde; het tweede aan JAN LUTEN DE JONGE, wiens huis, vee en goederen niet alleen, maar ook hij zelf eene prooi der golven werd, zijnde zijn lijk vier dagen daarna op een kwartier uurs afſtand van de ruïne gevonden, en te Blokzijl begraven; het derde aan GERRIT MASTENBROEK, hetwelk bewoond werd door VOLKEN LUTEN TER HEIDE, welke bewoner zijn vee te Blokzijl in veiligheid bragt, maar met nog een moedig en hulpvaardig menſchenvriend ROELOF ALBERTZ KEUTER, die, benevens nog een ander, KLAAS BEUTE genaamd, te zijner hulpe waren toegeſchoten door den vloed werden overvallen, en op eenen klamp hooi, terwijl het gebouw inſtortte, met hun drieën door den ſtroom werden weggevoerd, hetwelk uit Blokzijl gezien wordende, dadelijk twee hulpvaardige menſchenvrienden deed heenſnellen, om deze ongelukkigen te redden.
     Deze, met name JAN KEUR en ANNE KER beide ſchippers, na in den nacht tusſchen 3 en 4 februarij met meer anderen met inſpanning van alle krachten, gedurende bijna 8 uren, bezig geweest te zijn, om den veeg ſtaanden dijk te Blokzijl, hoewel vruchteloos, te behouden, waren op het punt van naar huis terug te keeren, toen de eerstgenoemde, nog ſtaande in eene boot, op eenigen afſtand den hooiklamp met de 3 menſchen ter prooije aan de bruiſchende golven ontdekt, en daarop dadelijk den omſtanders toeroept:
« De-

___↓___


|pag. 624|

« Deze moeten wij redden! » Dan aller taal is: « dat is niet te doen! Onmogelijk is het, tegen ſtroom en golven op te komen en terug te keeren! » JAN KEUR houdt echter aan, en nu ſpringt ook ANNE in de boot, met de woorden; « waar gij, man en vader van « 5 kinderen, uw leven waagt, durf ik het ook doen! » en in weerwil hunne afgematheid en hun ongeſchikt vaartuig, ſteken zij af, bereiken de 3 ongelukkigen, en redden hen van den hooiklamp, die kort hierna geheel verdwijnt. Nu echter is hun, volgens de voorſpelling, het terugkeeren ondoenlijk, en zij drijven op de zoo hevig beroerde baren voor den wind af, onzeker waar te belanden. Te vergeefs pogen zij een verlaten huis, dat zij als voorbij vliegen, te bereiken; terwijl twee der geredden, namelijk, de boer V.L. TER HEIDE en de te zijner hulp toegeſchoten R.A. KEUTER, reeds door koude en vermoeidheid bezweken zijn, liggende de derde ook te zieltogen en ziende zij zelven eerlang niets anders dan den dood te gemoet.
Eindelijk gelukt het hun in eene verlatene woning te komen; dan al de voorraad, daar te vinden, beſtaat in drie ongekookte aardappelen, die echter met ſmaak genuttigd worden. Hier zich intusſchen niet durvende vertrouwen, brengen zij den volgenden nacht in de boot door, zich aan het boven water ſtaande riet vasthoudende. In dezen rampzaligen toeſtand ontmoeten zij, op den 5 februarij, nabij Wanneperveen omtrent 4 uren van Blokzijl, eene ſchuit met eene menigte vlugtelingen, bij wie zij echter, deels door onvermogen deels door moedeloos- en onverſchilligheid, bij het doorſtaan van zoo vele rampen, weinig troost en hulp vinden. Dan, daar zij nog eenig leven bij den zieltogenden, door hen van den hooiklamp geredden, beſpeuren, dringen zij ten ſterkſte, en zelfs
al-

___↓___


|pag. 625|

alle mogelijke middelen daartoe bezigende, op bijſtand aan, en verwerven denzelven. De lijder herkreeg, bij het ontſtoken vuur en door het gebruik eener ſoort van ſoep, het leven, waardoor althans een deel der wenſchen van deze edele en onverſaagde menſchenvrienden vervuld werd, JAN en ANNE KEUR ontvingen daarna van de Maatſchappij tot Nut van ’t Algemeen voor hun even edelmoedig als gevaarvol bedrijf en volhoudende zelfopoffering de zilveren medaille, benevens eenen gouden rijder. De brave KEUTER werd echter ongelukkig het ſlagtoffer zijner edele menſchenliefde. Hij had den ouderdom van 43 jaren bereikt en liet 4 geheel ouderlooze kinderen achter. Dat zijne asſche in vrede ruste, en zijn aandenken bij elk mensch in zegening blijve!
     Het huis van HERMEN HOLLANDER werd geheel verbrijzeld, en de daarbij behoorende ſchuur zwaar beſchadigd; het hoornvee en paarden, ten getalle van ruim 50 ſtuks, was naar Blokzijl, zoo men meende, in veiligheid gebragt; maar na den ſtorm was er 11 ſtuks hoornvee verdronken. De bewoner zelf, zijn zoon, knecht en twee meiden hebben tot den morgen van den volgenden dag op het hooi, dat nog in de verbrijzelde ſchuur bleef ſtaan, angstvallig doorgebragt, en zijn toen door eenige lieden met een ſchuitje van de bouwvallen afgehaald.
     In Blokzijl was de nood en angst niet minder.
Bij het doorbreken van den ringdijk werd de overſtrooming dadelijk algemeen, en die gebouwen, welke het naast aan de doorbraken lagen, werden aanſtonds, geheel of grootendeels weggeſpoeld. De geheel weggeſpoelde huizen waren 19, de onbewoonbare 6 en de zwaar beſchadigde 80 in getal. Behalve de voornoemde perſonen, verloren hierbij nog 5 menſchen het
le-

___↓___


|pag. 626|

leven, met name JAN STORM DE OUDE, de wed. R. HOLLANDER en 2 kinderen van de wed. STEVEN VISSER; voorts zijn in Blokzijl, behalve het reeds vroegergemelde vee, in ’t water omgekomen 43 ſtuks hoornvee, 1 paard en 3 ſchapen. De angst en verſlagenheid waren algemeen; velen, die van huis, have en goederen beroofd waren, zochten bij hunne buren, vrienden en plaatsgenooten huisvesting en verzorging van het noodige, al hetwelk hun op het liefderijkst werd verleend.
     In deze bangen nood werd dadelijk door de plaatſelijke regering, gelijk mede vervolgens door bijzondere perſonen alles gedaan, wat ten dienſte der ongelukkigen ſtrekken konde. Toen de ſtraten maar eenigzins begaanbaar waren, werd door de 3 predikanten der Hervormden, en dien der Doopsgezinden vereenigd eene inzameling van giften voor de noodlijdenden aan de huizen gedaan, welke heeren, na afloop hiervan, het genoegen hadden, aan de regering eene lijst te overhandigen, welke hen in ſtaat ſtelde, om over eene fom van omſtreeks ƒ 400 te kunnen beſchikken.
Met veel blijdſchap werd dit door de regering aangenomen, die dadelijk eene commisſie benoemde, beſtaande uit ROELOF C. KEUTER, WILLEM BLANKENSTEIN, JAN PETTEN en HARMEN VISSCHER, aan wien de inteekeningslijst werd ter hand geſteld, en de bezorging en uitdeeling der eerſte benoodigdheden voor de noodlijdenden opgedragen.
     Nadat de ganſche burgerij zich, in het huisvesten, voeden en kleeden, de eerſte dagen van kommer om het zeerst gekweten had, ving de commisſie hare werkzaamheden aan, en bevond, dat zij, die te huisvesten en te verzorgen waren, 192 perſonen
be-

___↓___


|pag. 627|

beliepen. Op den 8 februarij werden hiervan eenigen gehuisvest in de kerkkamer der hervormde gemeente; terwijl aan de overigen plaatſen in vaartuigen werden aangewezen, daar men de openbare gebouwen tot berging van vee ingeruimd had. De commisſie ging echter voort, met aan de behoeftigen levensmiddelen uit te deelen, die men op de voordeeligſte wijze zocht in te koopen; terwijl, op den 9 daaraanvolgenden dag door de regering, eene publicatie werd uitgevaardigd, waarbij zij de hulp en medewerking van elk goed burger inriep, verzoekende, om geene onbehoorlijke prijzen op de goederen te ſtellen, en het geluk niet te bouwen op de puinhoopen der ongelukkigen. Verder werd door de regering nuttig geoordeeld, uit aanmerking der goede gevoelens van den heer burgemeester te Amſterdam, wegens herbergzaamheid aan de kinderen uit het aalmoezeniers-huis aldaar in den herfst van het vorige jaar 1824 alhier doorgetrokken, om aan heer burgemeester per misſive van deze ramp kennis te geven, hetgeen ook ten uitvoer gebragt werd.
     Op den 10 feb. werd door de regering eene commisſie benoemd, ter ontvangst van gevondene goederen, die door de overſtrooming waren weggeſpoeld, en achtervolgens werden aangebragt door perſonen, welke dezelve hier en elders opvischten, beſtaande deze commisſie uit twee perſonen KLAAS BUIS en KLAAS MASTEBROEK GTZ.
     Op den 11 feb. ontving de regering van tijd tot tijd berigt, dat met de opgevischte goederen niet te goeder trouw gehandeld werd, en dezelve niet volgens het oogmerk aan de daartoe geſtelde commisſie werden aangegeven, waarom zij noodig oordeelde eene commissie aan te ſtellen van 5 perſonen, beſtaande uit P. H. BELD, JASPER VISSER en JAN KEUR, met
magt

___↓___


|pag. 628|

magt en last om alle aankomende goederen met wagens of ſchuiten aan te houden en te onderzoeken; met verzoek aan de heeren officieren der ſchutterij hiertoe den noodigen bijſtand te verleenen. Boven dit alles beval de regering, dat alle mansperſonen, van 18 tot 45, en den volgenden dag tot de 50 jaren, zouden verpligt zijn, ieder op hunne beurt des daags en des nachts de wacht te houden, waarvan het opzigt en beſtuur aan de officieren der ſchutterij werd aanbevolen.
     Den 12 februarij kwam er eene commisſie, beſtaande uit de heeren ROIJER en SONSBEEK, gecommitteerd uit eene provinciale commisſie ter verzorging der noodlijdenden in deze provincie, verzoekende om zoo veel mogelijk eenparig te werken, en belovende alle mogelijke onderſteuning te zullen verleenen, met verder verzoek, dat van wege deze commisſie aan de provinciale commisſie een omſtandig verſlag van den ſtaat der ongelukkigen, zoo ſpoedig mogelijk, zoude worden ingezonden.
     Op den 13 februarij werd de dag des Heeren door leeraars bij de onderſcheidene kerkgenootſchappen, op eene doelmatige wijze gevierd met leerredenen, toepasſelijk op de omſtandigheid der overſtrooming.
     Den 14 verzamelde de commisſie ter verzorging der noodlijdenden de ingeſchrevene gelden, en had het genoegen dat zij van eenigen, uit aanmerking dat zij van deze ramp genadig waren, verſchoond gebleven, zelfs boven het ingeſchrevene ontvingen.
     Op den 15 februarij werd door de regering, uit hoofde van de veelvuldige werkzaamheden ter opſporing der vermiste goederen en ’t ontvangen der gevondene, nog eene commisſie benoemd, welke belast werd met de teruggave, der gevondene en in bewaring ge-
ſtel-

___↓___


|pag. 629|

ſtelde goederen, na vooraf gedaan onderzoek over de kenteekenen of bewijzen van eigendom van het gevraagd wordende, uit de perſonen P. PETTEN GTZ., EVERT KEUTER en ALBERT PEES.

DE KUINDER.

     De dijk van Kuinder af tot aan Vollenhoven was bijna geheel vernield. Aan den Kuinder zelven werden 27 huizen, met al wat zich in dezelve bevond, door de golven verſlonden, en 13 andere onbewoonbaar gemaakt; terwijl derzelver bewoners met nog een aantal andere ingezetenen, die nog een gedeelte, van hunne huizen behielden, op de nabij gelegene vaartuigen de vlugt moesten nemen. Het kerkgebouw der Hervormden was onbruikbaar geworden, en dat der Roomschgezinden, met den daarbij ſtaanden koornmolen geheel weggeſlagen. Van den geduchten vloed werden ook hier 9 menſchen de ſlagtoffers; terwijl meest al het vee verongelukte.

BLANKENHAM.

     Daar de verwoesting aan den zeedijk tusſchen de Kuinder en Blokzijl zoo groot was, dat ſlechts hier en daar eenige hoogten de fporen van deszelfs vroeger beſtaan aanwezen, zoo was daardoor de toeſtand van de gemeente Blankenham, aan dien dijk gelegen, jammerlijk.
     De plaatſelijke geſteldheid dezer gemeente deed haar verſtoken zijn van die reddingsmiddelen, welke bij anderen in dergelijken toeſtand nog voorhanden zijn. Geen vaartuig of ſchuit is aldaar bruikbaar, en van daar ook, dat door het niet enkel overſtroomen,
maar

___↓___


|pag. 630|

maar geheel wegſlaan van den dijk, de ontembare golven der zee, zich den vrijen loop gebaand ziende, in hare ſnelle vaart 16 bouwmanswoningen, met vee, huisraad en gereedſchappen geheel medeſleepten, bijna alle woningen verwoestten, en 6 huisgezinnen, een aantal van 40 perſonen uitmakende, eene prooi der golven deed worden. Een aantal van 1029 ſtuks vee verdronk in den vloed, en Blankenham is onder de gemeente onzes vaderlands, welke door den watervloed bezocht zijn, zeker die, alwaar naar evenredigheid der bevolking de verwoesting het algemeenst en het allerverſchrikkelijkst geweest is.
     Nadat de zeedijk omſtreeks Kuinre en Blankenham bezweken was, bleven er in het hooggelegene Oldemarkt weinig huizen over, en niet alleen al het lage land, maar ook Osſenzijl aan den lindendijk, en deze dijk zelf geraakte geheel onder water, zoodat niemand uit het lage land tot deze plaats toevlugt konde nemen. Men was ook wegens den ſterken tegenwind en ſtroom niet in ſtaat, om alhier of van het nabijgelegene IJsſelham, de ongelukkige menſchen te redden, die men op het hooi zag zitten, en wier huizen en ſchuren men had zien omſtorten. Een man en 2 kinderen werden den volgenden dag gered; terwijl de vrouw en dochter reeds in den aanvang van de ramp verdronken. Het grootſte gedeelte van het vee te IJsſelham, Osſenzijl en Kalenberg kwam om. Men berekende het verlies aan rundvee te Osſenzijl op ten minſte 350 ſtuks, en te Kalenberg op 70, behalve de paarden en ſchapen.
Vele landlieden hielden geen enkel ſtuk over, en ſom-mige verloren alles; zoodat zij zelfs van drooge kleederen en voedſel moesten voorzien worden. Aan de Kuinder, hetwelk zelf grootendeels vernield was, en
waar

___↓___


|pag. 631|

waar de levensmiddelen ontbraken, werden 61 arme lieden ter huisvesting naar Oldemarkt gezonden, vanwaar men vooreerst nog toevoer van benoodigde levensmiddelen naar de Kuinder deed.
     De vloed, welke door de dijken langs de Kuinder, Blokzijl, Vollenhoven en Zwartſluis henenbrak, verſpreidde zich zeer diep landwaarts in, en rigtte overal op de zeer laaggelegene landen de droevigſte onheilen aan. Hartverſcheurend waren de tafereelen, welke zich ook hier allerwege aan het oog voordeden. In den omtrek tusſchen Blokzijl, Steenwijk, Meppel en Hasſelt, ontwaarde men niets dan eene onafzienbare zee, op welker oppervlakte rieten daken, zolderingen en huisraad dreven; terwijl menſchen en vee met de golven worſtelden, of, reeds daarvoor bezweken, naar de hoogere ſtreken aanſpoelden.
     De helft van de huizen op Muggebeet ſpoelde weg, en bijna geen vee werd aldaar behouden; gelijk mede in het Nederland en de Wetering zeer weinig vee overbleef, en verſcheidene huizen verwoest waren. Te Kalenkoten verdronk eene menigte ſchapen, ook verloren verſcheidene menſchen, die in de turfgraverijen woonden, jammerlijk het leven. In de polders onder Steenwijkerwoud was ook de verwoesting zeer groot, en 40 menſchen werden aldaar eene prooi der golven.
De akeligſte tooneelen van jammer en ellende, van ſchrik en verwoesting, werden door den ſtormvloed in het welvarendſte gedeelte van Overijsſel aangerigt, en in deze ſtreken als opeen geſtapeld.

WANNEPERVEEN EN DINXTERVEEN.

     Gedurende den herfst van 1824 en in het begin des vorigen winters, had men hier en in de omſtreken eene buitengewone hoogte van binnenwater. Door eenen
ſter-

___↓___


|pag. 632|

ſterken noord-westelijken wind opgeſtuwd, overſtroomde hetzelve, op den 2 januarij 1825 het laagſte gedeelte van den Veeneweg, die deze gemeente in hare geheele lengte doorſnijdt, alsmede eenige huizen in het westen, of het laagst gelegene dezer gemeente, welke uit dien hoofde reeds toen door de bewoners voor eenigen tijd moesten ontruimd worden; terwijl de verveners zeer vreesden, dat hunne op het veld ſtaande turfhoopen, door het water uiteen geſlagen en de turf wegvloeijen zoude. Deze vrees werd evenwel toen nog niet verwezenlijkt; dewijl de wind weder naar het westen en zuiden inkromp, en dus het water aan de noordzijde des Veenewegs, langzamerhand, in zijnen vorigen ſtand terugkeerde.
     Naanwelijks echter waren de bewoners van de overſtroomd geweest zijnde huizen in hunne woningen terug gekeerd, of de noodlottige dag van den 4 februarij was dáár. Omſtreeks 3 uren des morgens van dien dag verlieten verſcheidene inwoners dezer gemeente, zeer verſchrikt en met overhaasting, hunne legerſteden, plotſeling gewekt door een paar zeer zware donderſlagen, vergezeld van eenen ijsſelijken, boven alle beſchrijving geweldigen wind, die in deszelfs grootſte felheid, te naastenbij, 10 à 15 minuten duurde, de gebouwen op derzelver grondvesten zoodanig deed ſchudden en kraken, dat vele menſchen zich in den eerſten ſchrik niets anders konden voorſtellen, dan op eenmaal onder hunne woningen begraven te zullen worden. Schoon na voormelden tijd veel bedaard, bleef de wind evenwel nog buitengemeen hevig. De natuur had op dien oogenblik een ſchrikverwekkend aanzien. Duistere wolken en eene digte ſneeuwjagt, voortgezweept door eenen noordwestelijken ſtorm, verhinderden het uitzigt tot op eenige
wei-

___↓___


|pag. 633|

weinige ſchreden. Met angst verbeidde men dus den dageraad. Reeds het ergſte duchtende, werd men in het westen dezer gemeente, tusſchen 10 en 11 uren des voormiddags, door den ſnellen aanwas des waters aan de noordzijde des Veenewegs op eene ontzettende wijze overtuigd, dat de vrees voor eene doorbraak der zeedijken maar al te gegrond geweest was.
     In den waan, dat althans het oostelijkſte en hoogſte gedeelte dezer plaats, even als in 1775 en 1776, van het zeewater bevrijd zoude blijven, trachtten de bewoners van het westelijk gedeelte hun vee te redden, door hetzelve naar die hoogere ſtreken te geleiden. Een half uur na den middag kwamen zij hier met hun vee aan. De aanwas des waters was zoo ſchielijk en de ſtroom uit het noordwesten zoo ſterk, dat die menſchen, vóór zij met hun vee op de bedoelde plaatſen konden komen, zich genoodzaakt zagen, om tot over de knieën door het water te waden, en twee koeijen toen reeds door het water medegeſleept werden en verdronken. Nadat zij in den grootſten haast het vee, zoo zij hoopten, in veiligheid gebragt hadden, moesten de eigenaars van hetzelve den afgelegden weg terug, om zoo veel mogelijk en nog niet geſchied was, hunne goederen te bergen, en vooral om voor de veiligheid hunner huisgezinnen te zorgen. Omſtreeks een uur na den middag namen zij, voorzien van ſtevige ſtokken, om met behulp van dezelve te beter tegen den fellen ſtroom beſtand te zijn, de terugreis aan; doch het water was in dit korte tijdsverloop zoodanig gewasſen, en de ſtroom zoo ſterk, dat zij nog niet verre gevorderd waren, of zij gevoelden de onmogelijkheid om te voet hunne huizen te bereiken. Een man ſtond op het punt van door den ſtroom weggeſleept te worden,
toen

___↓___


|pag. 634|

toen hij nog gelukkig door de overigen gegrepen en zoo lang vastgehouden werd, dat men booten kon aanvoeren, waarmede zij, niet zonder groote moeite, uithoofde van den buitengewoon ſterken ſtroom en hunne vermoeidheid en doorgeſtane koude, eindelijk bij de hunnen terug kwamen.
     Op de Schutſloot en Zandbelt, twee gehuchten, onder deze gemeente behoorende, en door eene groote uitgeveenden plas aan den zuidkant des Veenewegs, het Zuiderwijde genaamd, van het westelijke dezer gemeente geſcheiden, begon de ſtroom, omſtreeks 11 uur voor den middag, door de breuk in den dijk te Zwartſluis, een uur zuidelijk van daar gelegen, uit het zuiden te komen; vervolgens kreeg men daar den ſtroom, gelijk aan den Veeneweg deeds plaats had, uit het noorden of noordwesten, en later, waarſchijnlijk ten gevolge der tegenwerking van beide ſtroomen, zoowel als van de doorbraak des dijks ten noorden van Zwartſluis, uit het westen.
     Enkele bewoners der bovengenoemde gehuchten hebben, in den voormiddag van den 4 opgemerkt, dat, alvorens de vloed hunne huizen nog bereikt had, het water tusſchen de vloerſteenen doorzijpelde. In een zeker huis aldaar, mede voor dat hetzelve nog door het water bereikt werd, ſprong de houten pomp eene manslengte in de hoogte; terwijl de ſtijlen, welke een gedeelte van hetzelve huis onderſteunden, gedurende den vloed, tot aan de ſteekbanden in den grond gezonken zijn. In de gaten, rondom de ingezonkene ſtijlen daardoor veroorzaakt, vond men versch water.
     Het water in den namiddag beſtendig aanwasſende, werd de verwarring en ontſteltenis algemeen, en het getal der vlugtenden uit de lagere ſtreken gedurig grooter. Van tijd tot tijd werden ook de hoogere gedeel­
ten

___↓___


|pag. 635|

ten dezer gemeente overſtroomd. Hartroerend was in den avond van den 4, en vervolgens het noodgeſchrei van ſommige landlieden, die, een kwartier uurs benoorden den Veeneweg, eene vrij hooge ſtreek lands, de Bovenboer geheten, bewoonden; terwijl het, ook met den besten wil en de grootſte onversaagdheid, boven het menſchelijk vermogen was, te dien tijde en den daarop volgenden nacht, met vaartuigen tegen wind en ſtorm op te komen, om hen of hunne goederen af te halen.
     Den 5 februarij, 2 uren na middernacht, had het water deszelfs hoogſten ſtand in deze gemeente bereikt, toen in hare ganſche uitgeſtrektheid, de hoogſte zoo wel als de laagſte gedeelten derzelve geheel overſtroomd waren. In het middelſte en hoogſte gedeelte van Dinxterveen, hetwelk onmiddellijk ten oosten aan Wanneperveen grenst, en insgelijks langs den Veeneweg gelegen is, waren ſlechts twee woningen, welke ofſchoon geheel van het water omringd, evenwel door de hoogte, waarop zij gebouwd waren, van binnen niet overſtroomd werden.
     De laagſte landerijen, welke zich in het westen dezer gemeente bevinden, hebben op dien tijd, zonder twijfel, 3,3 à 3,5 ellen onder water geſtaan; daar het water in de laagſte huizen aldaar 2,8 ellen hoogte bereikte. Die landerijen, welke onder de hooge gerekend werden, ſtonden ter hoogte van 18 à 20 palmen onder water.
     Nadat de overſtrooming hare grootſte hoogte alhier had bereikt, bleef het water eenen geringen tijd op hetzelfde peil ſtaan. Omſtreeks 2$\frac{1}{2}$ uren na middernacht van laatstgemelden dag begon het te zakken, en bleef sints dien tijd ſteeds zakkende. Echter duurde het tot den 22 en 23 februarij, eer het water weder tot dat
dat

___↓___


|pag. 636|

dat punt gedaald was, waarop het vóór den vloed in deze gemeente ſtond.
     Door den aanhoudenden aanwas des waters in den namiddag van den 4 zag men, de een vroeger de ander later, zich genoodzaakt, om het meerendeel van het vee, dat in dit gedeelte der gemeente of het eigenlijk Wanneperveen, benevens in een deel van Dinxterveen, in deze oogenblikken aanwezig was, die ſtallen en ſchuren te doen verlaten, welke men uit hoofde van derzelver meerdere of mindere hoogte, nog te voren geſchikt geacht had, om tot veilige berging van hetzelve te dienen. Er was, op dat tijdſtip, voor nagenoeg allen, wien het nog gelukte de beesten van ſtal te krijgen, geen ander middel meer overig, dan dezelve naar de verhevenſte gedeelten des Veenewegs te drijven, of daarheen te doen zwemmen; zijnde dit nog de hoogſte punten, die zij, in den ſteeds klimmenden nood met hun vee konden bereiken. Akelig was, den daarop volgenden nacht, het geloei dier runderen, treurig het ſchouwſpel, van er nu hier dan dáár een te zien bezwijken.
Ten hoogſte pijnlijk was de onzekerheid, waarin men vooral dien nacht, en voor een gedeelte vervolgens nog, verkeerde omtrent het lot van velen onzer medeingezetenen. Bij den voorbeeldeloos hoogen ſtand, dien het water verre boven de grootſte vrees bereikte, kon men met geenen genoegzamen grond vertrouwen, dat zóó weinigen als, Gode zij dank! hier geſchied is, de ſlagtoffers van dien vloed zouden worden. Eene vrouw met twee van hare kinderen zijn jammerlijk verdronken. Deze ongelukkigen werden met hun woonhuisje door het geweld des ſtrooms medegevoerd; zijnde de man met een kind dien dag afwezig. Gelukkig voor de bewoners van het weste­
lijk

___↓___


|pag. 637|

lijk gedeelte, dat er nog enkele ſchepen lagen, alhier te huis behoorende, waarin bijna allen met hunne gezinnen de toevlugt namen. Slechts een enkele toch, durfde zich dáár in zijne woning vertrouwen; terwijl de meesten, die zulks beproefden, hunne huizen naderhand volſtrekt moesten verlaten, daar de hoogſte gedeelten derzelve te naauwernood van water bevrijd bleven, en niet weinige woningen tot aan het dak onder water geſtaan hebben.
     De grootſte bezorgdheid had men hier voor de bewoners van de Schutſloot en Belt, die van alle kanten met water omringd waren en bijzonderlijk de eerstgenoemden, zeer laag woonden. Schoon er gelukkig niemand is omgekomen, was het gevaar, waaraan zij zich gedurende den vloed blootgeſteld zagen, echter zeer groot. Genoegzaam ieder huisgezin alhier bezit een vaartuig, Bok genoemd, hetwelk eene noodzakelijke behoefte is, om daarmede vee, hooi en vooral turf te vervoeren. Bij het begin van den vloed begaf men zich dus, zoo ſpoedig mogelijk, met zijn vee in deze ongedekte vaartuigen, ging met dezelve, wanneer de toeſtand der woning zulks gedoogde, benedenwinds onder het huis liggen, en alzoo moest men met de zijnen, in de opene lucht, geheel prijs gegeven aan de guurheid van wind en weder, de gelegenheid afwachten, om naar het naburig land Vollenhoven te kunnen varen. Zondag morgen den 6, toen de wind merkelijk bedaard was, trachtte men met deze vaartuigen die plaats te bereiken, hetgeen toen ook gelukte. Daar de ſchuiten zwaar geladen waren, en men genoodzaakt was het Zuiderwijde, dat toen bijna peilloos diep was, over te ſteken, zoo ging deze togt met het grootſte gevaar en de ſterkſte inſpanning van krachten vergezeld.
Twee

___↓___


|pag. 638|

Twee vrieſche ſchippers, welke aldaar vóór den vloed, roet hunne ſchepen gekomen waren om turf te laden, hadden de menschlievendheid, om gedurende die bittere ramp, zoo veel menſchen en vee in hunne vaartuigen op te nemen, als zij eenigzins konden bergen.
     Ongetwijfeld zouden meerdere ingezetenen hun graf in de golven gevonden hebben, zoo niet ſommige moedige en hulpvaardige menſchenvrienden, in de onderſcheidene gedeelten dezer gemeente, hunne onvermoeide pogingen tot behoud van hunne natuurgenoot ten aangewend hadden.
     Loffelijke melding verdienen te dezen opzigte JOHANNES VAN DER VEEN en JAN HOFF. Dezen, gedreven door de edele zucht, om zoo veel mogelijk, de in nood zijnde perſonen te redden, trotſeren, gedurende den avond van den 4 februarij, met eene kleine boot, punter geheeten, het geweld van wind en ſtroom, ten einde hulp te bieden, waar dezelve vereischt mogt worden. In het oosten der gemeente varen zij langs eene woning, waaruit bitterlijk om hulp geroepen wordt. Daar zij op geene andere wijze mogelijkheid zien om in huis te komen, ſtaan zij eenige glasruiten in, varen met het voorſte gedeelte der boot in huis, en hebben het geluk 1 man, 2 vrouwen en 1 kind, die, door het water overvallen, in eene bedſtede nabij het gemelde raam gevlugt waren, en in groot levensgevaar zaten, met moeite in den punter te krijgen, en verder in veiligheid te brengen.
     Daarop herinneren zij zich naauwelijks, dat in eene woning, eenigzins bezuiden den Veeneweg in eene laagte gelegen, de bewoonſter, eene ſtokoude hulpelooze vrouw, zich misſchien nog in huis zoude be-
vin-

___↓___


|pag. 639|

vinden, of zij varen met het ranke bootje voor den vloed af er naar toe, en bereiken hetzelve gelukkig; doch op hun eerſte geroep krijgen zij geen gehoor. Na herhaald roepen nogtans, meenen zij eenig antwoord te vernemen. Deze braven breken toen een gat in het rietendak; VAN DER VEEN begeeft zich door hetzelve op den zolder, breekt het heſchot der bedſtede, en vindt daar de ongelukkige vrouw, reeds in het water liggende. Genoegzaam bewusteloos en geen beſef hebbende van den gevaarlijken toeſtand, waarin zij verkeerde, werd hare redding voor VAN DER VEEN zeer moeijelijk, naardien zij zich niet konde oprigten.
Ofſchoon HOFF de boot moet vast houden, en hem dus geen’ bijſtand kan bieden, is de moedige VAN DER VEEN door deze hinderpaal niet afgeſchrikt. Hij begeeft zich bij haar in het water, tracht geheel alleen, haar door de gemaakte opening naar boven te beuren, en bereikt op deze wijze, na groote moeite en inſpanning van krachten, eindelijk zijn edel doel. Na de oude vrouw in de boot opgenomen en aan eene veilige plaats bezorgd te hebben, zien deze beide jongelingen hunne menschlievendheid met het behoud dezer hoogbejaarde vrouw bekroond.
     Diep in den nacht tusſchen den 4 en 5 februarij, komt VAN DER VEEN aan een zeker huis te Dinxterveen, waarin eenige perſonen gevlugt waren, en onder welke eene moeder was, die twee van hare kinderen had moeten achterlaten, toen zij zelve het geluk had uit het onder water gezette huis gered te worden. Daar deze kinderen, benevens eene krankzinnige vrouw, zich in eene bedſtede in het achterſte gedeelte der woning geborgen hadden, bij welke plaats men met geen vaartuig kon komen, hadden de redders dier vrouw geene kans gezien, om ook dezen te hel­
pen.

___↓___


|pag. 640|

pen, VAN DER VEEN, hoewel uithoofde zijner voorgaande pogingen om menſchen en vee te redden, te halverlijve doornat, is door het gekerm der moeder te naauwemood van deze omſtandigheid onderrigt, of hij vraagt: « is er dan niemand onder u, die mij
« durft bijſtaan, om ook deze menſchen, zoo moge-
« lijk, te redden? » Een perſoon biedt zich daartoe aan, en door denzelven geholpen heeft hij het geluk, met eenen punter het huis te bereiken. VAN DER VEEN klimt nu bij het voorſte gedeelte van het huis op het dak, werpt, om naar achteren te komen, eene laag pannen er af, hakt, ten einde genoegzame opening te krijgen, met eene bij zich hebbende bijl eenige latten aan ſtukken, breekt vervolgens met geweld het houten beſchot der bedſtede, welke reeds geheel door het water beloopen was, en trekt de gemelde perſonen door de gemaakte opening naar boven. Hij geleidt hen met moeite en met inachtneming der vereischte voorzigtigheid over het dak naar de boot, die aan het voorſte gedeelte van het huis door den anderen perſoon vastgehouden werd, waarop zij vervolgens de geredden in veiligheid bragten.
     Ook EGBERT MENS en HARM JALVING betoonden zich den naam van moedige menſchenvrienden waardig.
Daar de perſonen, die in de Bovenboer in nood zaten, aanhoudend op eene beklagelijke wijze om hulp riepen, zoo beproefden deze braven, omſtreeks den middag van den 5 februarij, om hen met een bootje af te halen; doch hoewel beide ſterke en onverſaagde perſonen, moesten zij tot twee herhaalde reizen, hunne onderneming ſtaken, daar het hun met alle mogelijke inſpanning van krachten niet doenlijk was, tegen den ſterken wind op te komen. Echter gunden zij zich geene rust, voor dat zij hun menschlievend doel be-
reikt

___↓___


|pag. 641|

reikt hadden. Geen gevaar ontziende, ſpanden zij ten derdenmale hunne krachten in; en door hunnen moed en goed overleg bereikten zij dan ook in den namiddag de plaats, waar hun bijſtand nog tijdig genoeg aankwam, om 7 perſonen van eenen oogenſchijnlijken dood te bevrijden. Het huis, waarin zij zich bevonden, was voor een groot gedeelte ingeſtort; terwijl het nog ſtaande gedeelte, door deszelfs aanhoudende ſchudding, hen ieder oogenblik met een’ gewisſen ondergang bedreigde. Daar allen te gelijk wenschten gered te zijn, was de terugtogt met het ranke en te zwaar beladene bootje hoogst gevaarlijk. De hooge golven ſloegen telkens in hetzelve, en niet dan met de grootſte moeite en het zorgvuldigſte overleg gelukte het hun, om het voor zinken te behoeden, en hunne menschlievendheid met de behoudene aankomst aan eene veilige plaats bekroond te zien. Daar JALTING zich, nacht noch dag, verademing gunde van zijne edelmoedige pogingen, om overal hulp te bieden, waar men dezelve noodig had, zoo was hij eindelijk des zondags, den 6 feb., door natheid, koude en aanhoudende inſpanning van krachten, zoodanig verkleumd en afgemat, dat hij geen gevoel in handen of voeten meer had, en genoegzaam bewusteloos op een bed gelegd moest worden; terwijl men, door het aanwenden van verhittende middelen op onderſcheidene deelen zijns ligchaams, zoowel als door zware bedekking en het toedienen van verwarmende dranken, eindelijk ſlaagde om zijne verkleumde leden allengs te verwarmen, en hem geheel te doen bijkomen.
     Ongedacht was de redding van 3 perſonen, welke met hun vijven, op het dak van een huis, aan den zeedijk ſtaande, waren weggedreven.
     Ruim een uur na middernacht van den 4 februarij,
wa-

___↓___


|pag. 642|

waren ALBERT SLOT en zijn zoon DERK, in het westelijkte gedeelte dezer gemeente wonende, genoodzaakt met een bootje hun huis te verlaten, om zich, zoo mogelijk, naar het Land Vollenhoven, de naast bij gelegene hoogte, te begeven. Daar zij met hun klein ſcheepje zich over de onſtuimige en diepe Wijden, die aan weerskanten den Veeneweg bezoomen, met geene mogelijkheid konden wagen, voeren zij, tot hunne meerdere veiligheid, langs den laatstgenoemden weg, waar de ſtroom min of meer, door het hier en daar aan den weg ſtaande hout, gebroken werd. Na eenigen tijd gevaren te hebben, hooren zij, in de rigting van dien weg, een akelig noodgeſchrei. Zoo veel mogelijk ſpoed makende, zien zij eindelijk op een verdreven ſtuk rietland, dat op den Veeneweg vast geraakt was, en waarop de bovengemelde perſonen, toen het dak daartegen ſtuitte, zich begeven hadden, 3 menſchen, welke zij niet zonder moeite nabij kwamen. Het treurigſte gezigt deed zich toen aan hunne oogen op. Een man en eene vrouw lagen levenloos aan de voeten der levenden; doch ook deze laatſte waren reeds zoo zeer van koude verſtijfd, dat zij niet meer in de boot konden overſtappen, maar door den menschlievenden SLOT en deszelfs zoon genoegzaam in dezelve moesten gedragen worden, en zouden dus, zonder deze toevallige hulp, mede weldra onder den last des jammers bezweken zijn. Uit vreeze van de boot te overladen, durfde men de lijken niet mede nemen. Na alzoo deze hunne lading onder weg te hebben ingenomen, vervolgden SLOT en zijn zoon met innige voldoening hunne reize, en zagen hunne moeijelijke en gevaarvolle pogingen bekroond door de behoudene aankomst, zoowel van de geredden als van zich zelve, aan het hoogliggend Land Vollenhoven.
De

___↓___


|pag. 643|

     De moedige JAN KRIJNS HUISMAN heeft zich, gedurenden de vloed, door zijne hulpvaardige menſchenliefde in het westen dezer gemeente zeer verdienſtelijk gemaakt. In den namiddag van den 4 februarij zag hij eenen jongeling, die, op den Veeneweg door het water overvallen, tot aan de armen in hetzelve ſtond, en niet meer kunnende vorderen, zijne laatſte krachten inſpande, om den geweldigen ſtroom weerſtand te bieden, doch die onvermijdelijk, weldra voor denzelven bezweken en eene prooi der golven geworden zoude zijn. HUISMAN beſpeurt dien nood, en zijn beſluit is genomen. Zonder aan het groot gevaar, waaraan hij zich in den ijsſelijken ſtroom blootſtelt, te denken, zonder zich te bezinnen, dat zijne krachten, als nog een onvolwasſen jongeling zijnde; mogelijk te kort zouden ſchieten, beſeft de brave en onverſchrokken HUISMAN alleen het dringende van het oogenblik, vliegt ijlings in eenen punter, en waagt zich, geheel alleen, met denzelven in den woedendſten vloed. Door zijn ſpoedig genomen beſluit, en door de, zoo mogelijk, nog ſpoedigere en tevens wel overlegde uitvoering van hetzelve, bereikt hij met de uiterſte inſpanning nog te regter tijd zijn doel. De reeds aan zijn behoud wanhopende, jongeling wordt door hem in het bootje opgenomen, en in veiligheid gebragt. Den ganſchen daarop volgenden nacht is hij, geheel alleen in een bootje, nu hier dan daar, om de menſchen, die van tijd tot tijd hunne, verder dan tot aan de daken overſtroomde huizen moesten verlaten, met het ſchuitje af te halen, en op de ſchepen in veiligheid te brengen.
     Meerder menſchenvrienden, onder welke inzonderheid PETER RIEMER en HARM DOOSJEN uitmuntten, waren, terwijl zij alle gevaar manmoedig trotſeerden, onver­
moeid

___↓___


|pag. 644|

                                                                                             ,
moeid bezig, om overal waar zij konden, hulp en bijſtand te verleenen, en hebben uit dien hoofde, de erkentenis van alle hunne natuurgenooten zich waardig gemaakt.
     Op eene allezins merkwaardige wijze werd het vee van JAN HOFFERS behouden. Deze had zijne beesten in eene groote ſomp gered; doch hetzelve werd op eenig wilgenhout gedreven, zoodat hij voor zijne beesten hoegenaamd geen voedſel kon krijgen. Dan toen de nood op het hoogst was, kwam er eene hooimijt aandrijven; zoodat zijn vee behouden bleef.
     Schoon men derhalve alhier, dank zij de bewarende hand der Voorzienigheid en deze brave menſchenvrienden, weinige ongelukkigen, welke hun leven door die ramp verloren, te betreuren had, waren echter de gevolgen van dezen verſchrikkelijken watervloed, met opzigt tot de bezittingen der ingezetenen, allernoodlottigst. Ruim 25 woningen waren weggeſpoeld; een zeer groot aantal werd onbewoonbaar, en bijna allen werden grootelijks beſchadigd. Meer dan 25000 aan turf, wier vervening het voornaamſte deel van het beſtaan der inwoners uitmaakt, was uit de ſchuren en van het land weggevloeid. Meer dan 300 ſtuks runderen, benevens eenige paarden enz., waren in den vloed geſmoord. Die, meer of minder breede ſtrooken lands, het overblijfſel van de eertijds verveende landerijen, rietkraggen genaamd, welke in den winter en het vroege voorjaar aan de arbeidende klasſe beſtendigen arbeid en een onbekrompen beſtaan verzekerden, en derzelver bezitters eene goede winst opleverden, waren almede voor het grootſte gedeelte, door den voorbeeldeloos hoogen vloed losgerukt, heinde en verre verdreven, zijnde daardoor insgelijks voor duizende guldens aan waarde verloren gegaan.
Tref-
___↓___


|pag. 645|

     Treffend waren dan ook voor elk, eenigzins gevoelig hart, de tooneelen, die ook deze gemeente bij het verminderen des waters en na den vloed opleverden. Reeds in den morgen van den 5 feb., toen de Veeneweg nog geheel overſtroomd was, werd het gevoel geweldig geſchokt door het treurig gezigt van een groot getal verdronkene runderbeesten, welke op vele gedeelten diens wegs, midden in den vloed, te neder lagen, en vooral had zulks plaats in den morgen van den 6, toen het weder merkelijk bedaard was, en de hoogſte plaatſen, de verzamelplaatſen der rampſpoedigen, ontbloot geraakten, terwijl zij eene beſchouwing aanboden, wier indruk zich alleen laat gevoelen, maar niet beſchrijven. Het onaandoenlijkſte gemoed, toch, moest zich innerlijk getroffen gevoelen door de roerende jammerklagten van verveners en landlieden, die have en vee verloren hebbende, nog zelfs hun onbewoonbaar huis hadden moeten verlaten. Gelukkig zij, die nog een gedeelte hunner kleederen en meubelen gered hadden! Een groot aantal ongelukkigen, vooral uit het westen dezer gemeente, die hunne armoedige woningen, en met dezelve alles, wat zij nog bezaten, verloren, kwamen uit de ſchepen en andere toevlugtsoorden hier jammerende aan, om brood te vragen voor hunne uitgehongerde ligchamen, dat hun tot overmaat van ramp, op dien oogenblik niet dan zeer ſchaars en ontoereikend koude toegedeeld worden, naardien de voorraad daarvan grootendeels gebruikt, en de behoefte daaraan te groot was. Met welk een akelig voorgevoel werd men derhalve toen bezield, wanneer men de toekomst te gemoet zag! « Wat zal er van ons worden ? Algemee-
« ne ellende zal ons lot zijn! » was de wanhopige uitboezeming, van ieders benepen hart. Hoe onbekrompen
men

___↓___


|pag. 646|

men immers mogt denken over de liefderijke zorgen van een vaderlijk beſtuur in het bijzonder, zoowel als over de milddadigheid onzer brave landgenooten in het algemeen, wie zou evenwel hebben kunnen verwachten, hetgeen hij nu gezien en ondervonden heeft?
De vloed bedekte nog het grootſte gedeelte dezer gemeente, en reeds werd aller gevoel met warmen dank aan God en de natie vervuld voor de ruime, liefdadige onderſteuning, welke men ook hier toen reeds, en verder bij voortduring ontving, en waardoor men waarlijk velen voor wanhoop bewaarde.
     Toen eindelijk het water geheel terug gekeerd was, en men dus den watersnood in deszelfs geheelen omvang konde beſchouwen, werd het hart, bijna op iedere ſchrede, ten uiterſte gevoelig aangedaan.
     De Zomerdijk, die een half uur ten zuiden van den Veeneweg tusſchen Meppel en Zwartſluis langs het Meppeler-Diep gelegen is, was voorbeeldeloos zwaar beſchadigd, en alle overtrekken van denzelven, zoo wel als langs den Veeneweg, verhinderd. Verdreven rietland bedekte, op vele plaatſen, de weiden en wegen, ter hoogte van eenige voeten. Aan alle kanten rustte het oog op aangeſpoelde goederen, van verſchillenden aard. Hier ontdekte men de puinhoopen eener weggeſpoelde, daar zag men het geraamte eener verlatene, en ginds ontwaarde men den ongelukkigen landman in zijne zwaar geteisterde woning, troosteloos ſtarende op de lijken zijner beesten, die nog niet uit den ſtal geruimd waren; terwijl jammerkreten van rampſpoedige verveeners, die met het vervloeijen van het voortbrengſel van hunne vlijt en zuren arbeid, tevens voor zich en voor hun, veelal talrijk, gezin alle heldere uitzigten in de toekomst vervlogen zagen, allerwege het hart des beſchouwers met diepen weedom vervulden.
STEEN-

___↓___


|pag. 647|

STEENWIJK.

     Op den middag van den 4 februarij 1825, omſtreeks 1 uur bragten eenige vlugtelingen, waaronder zich eene vrouw bevond, die voor twee dagen bevallen was, de ontzettende tijding in deze ſtad aan, dat de zeedijken waren doorgebroken, en weldra zag men deze mare ongelukkig bevestigd; daar hier het water tot zulk eene verbazende hoogte wies, dat men in minder dan 2 uren tijds geen land of weg meer herkennen konde. De ſchepen en ſchuiten lagen in de ſtadsgracht, die denzelfden middag te 3 uren reeds opgevuld was met aangeſpoeld hout, turf, huisraad, vee, tenten en daken van huizen. In woningen, die vrij hoog lagen, ſtroomde het water de ramen binnen, en des nachts te 12 uren had hetzelve eenen bijna 1,8 el hoogeren ſtand bekomen, dan die der beruchte watervloeden van 1775 en 1776. Ofſchoon nu de ſtad zelve niet zoo veel door het water leed, zoo verkeerde men aanvankelijk in de grootſte vrees en ongerustheid, uit hoofde dat de woedende zee met al hare kracht op de ſtad aanzette. Liep het nu in de ſtad nog al wel af, des te grooter waren de ſchaden, in de lage omgelegene landen veroorzaakt, en des te gevoeliger de rampen aan derzelver ongelukkige ingezetenen berokkend; terwijl ſteenwijks inwoners van de alleraandoenlijkſte tooneelen van menſchelijke ellenden getuigen waren.
     Ten westen van de ſtad, alwaar de fabrijken, welke aanmerkelijk beſchadigd werden, gelegen zijn, bereikte het water bijna de Woutpoort, en drong 1,5 tot 2 el in die fabrijken. Ten noorden werden de lage landen, door het water, dat ruim 1 el over den Steendijk liep, die naar Steenwijkerwoud geleidt, tot
2 el

___↓___


|pag. 648|

2 el overſtroomd; zoodat de aldaar hoogerliggende dorpen van Elsveen en Kallenkoten tot ruim 1 el onder water werden gezet, en ook eenige ſchapen, ten getalle van omtrent 50, verdronken. Men zag niets meer dan de toppen der boomen; terwijl ſchepen en groote jagten over den dijk en over het land heenvoeren. Ten zuiden werden alle landen, en daaronder het zoo nabijgelegens dorp Zuidveen en het gehucht het Verlaat tot eene verbazende hoogte overſtroomd; zoodat het water aldaar eenen ſtand van bijna 3 el bereikte. Aan de lage zijde van Zuidveen ſtortten veertig huizen gedeeltelijk in, en werden gedeeltelijk onbewoonbaar; een twintigtal beesten verdronk, en de menſchen waren genoodzaakt, om op de daken der huizen te vlugten. Aan het Verlaat verdronken 70 koeijen en al de huizen werden zwaar beſchadigd.
Aan de oostzijde dezer ſtad, grenzende aan de gemeente Havelte (provincie Drenthe), was alles bevrijd van water, als zijnde ter hoogte van meer dan 5 el boven het hooge waterpeil. In al de naar dezen kant gelegene dorpen verloor geen enkel mensch het leven.
     Het beſtuur dezer ſtad nam de geſchikttſe maatregelen, om de landlieden, welke allerwege in het uiterſte levensgevaar verkeerden, te hulp te komen.
Zoo bragt men reeds in den avond van 4 februarij alle dergelijke hulp met ſchuiten aan, om de menſchen uit Zuidveen te redden, alwaar door Gods, goedheid geen een mensch verdronk. In den morgen van den 5 februarij hield de ſtorm nog aan, en bij het aanbreken van den dag hoorde men niets dan jammerkreten; dewijl er vele lijken aanſpoelden, en elk waande, zijne vrienden verloren te hebben. Tegen den middag beproefde men andermaal, om de land-
lie-

___↓___


|pag. 649|

lieden in het Nederland en aan het Verlaat, wien door den zoo plotſeling rijzenden vloed alle gemeenſchap was afgeſneden, en wien hunne hooibelten en daken tot toevlugt moesten ſtrekken, ter hulp te ijlen. Weldra toonden zich eenige ſchippers, aan wier hoofd zich JAN KOLK bevond, bereidvaardig om den togt te ondernemen, en hadden het geluk, nog dien zelfden avond, met alle de inwoners van dat gehucht, behouden te Sleenwijk aan te komen.
     Des avonds begon de ſtorm een weinig te bedaren; weshalve de landlieden van Giethoorn en Scherwoude op hunne redding bedacht waren. Genoegzaam allen bij hunne huizen turfpramen hebbende, hadden zij daarin hun leven 2 dagen en 2 nachten behouden, en kwamen nu bij honderden naar Steenwijk afzakken. Zondag den 6 februarij kwamen die van Westerland ook aan, en het getal van vlugtelingen nam voorts zoo hand over hand toe; dat men hetzelve eindelijk op den 6 en 8 tot de verbazende menigte van 2500 zielen zag aangroeijen, waarvan het grootſte gedeelte door de inwoners van Steenwijk vrijwillig en zonder eenige opwekking van de zijde der regering opgenomen, en het andere gedeelte door het ſtedelijk beſtuur ordelijk in de huizen verdeeld werd. Elk, niemand uitgezonderd, deed zijn best om de ongelukkigen, die met alleen door honger en dorst gekweld, door natte en koude verkleumd waren, te helpen en te verzorgen. Sommigen hadden 11 menſchen in huis ter onderhouding. Reeds dadelijk waren ook de ſcholen en kleine kerk ter opneming van menſchen en ſtalling van beesten in gereedheid gebragt.
     In de polders, onder Steenwijkerwolde, was de verwoesting bijzonder groot, en 28 menſchen kwamen aldaar door den vloed om. In de graverijen van den heer COOP DEDDEN was alles verwoest, en van daar
kwa-

___↓___


|pag. 650|

kwamen de menſchen op wrakken van huizen te Steenwijk aandrijven. Men kan zich geen denkbeeld maken van de akelige en hartbrekende tooneelen, welke zich hier in menigte aan het oog vertoonden. Zoo zag men in den namiddag van 4 februarij voorbij het gehucht, het Verlaat, een rietendak drijven, waarop zich toen nog 10 menſchen, en daaronder evengemelde heer C. DEDDEN bevonden, zonder dat men in ſtaat was, dezen ongelukkigen hulp toe te brengen.
     Deze menſchen hadden zich des morgens, met nog 11 andere rampſpoedigen, bevonden in het huis van den veenbaas JAN Gerrits, ſlaande in de veenderijen van den heer C. DEDDEN, op een uur afſtands van Steenwijk en nog geen kwartier uurs van de hoogte van Steenwijkerwoud, alwaar zij, wegens het ontzettend geweldig aanſtroomend water, geene ſchuilplaats hadden kunnen vinden. Allen vlugten, voor den ſnel aandrijvenden en alles medeſlependen ſtortvloed, op den zolder van het huis; maar ook hier vervolgt hen de verwoesting, en, op deze plaats even min veilig, hebben zij geene andere keus meer, dan jammerend en wanhopend tegen het broze rietendak, op te klimmen. Dan ook hier treedt de dood op hunne ſchreden; rammelend ſtorten de muren in, waggelend tuimelt de zolder naar beneden, en plasſend dobbert het rietendak op de genade der onſtuimige golven voort. Het broze vlot blijft eerst drijvend, maar weldra bezwijkt het onder deszelfs zwaarte. Het ſcheurt zich aan tweeën; de eene helft ſcheidt zich weder midden door, en 11 dezer ongelukkigen ſtorten in het ſchuimend nat, en worden deszelfs buit. Wie kan zich het gejammer en noodgeſchrei verbeelden van vrienden of bloedverwanten, die op zulk eene wijze voor altijd van elkander geſcheiden worden? Wie kan zich naar waarheid de worſteling
van

___↓___


|pag. 651|

van het leven met den dood voorſtellen, die hier, gelijk op vele andere plaatſen dezer provincie, plaats had. Deze grijpt het ſtuk eener plank tot eene hulp aan, dan het hout is te zwak, om zulk eenen last te dragen, en hij verdwijnt in de diepte; gene denkt zich nog op eenig broos riet te zullen redden, maar het ſpreidt zich uit een, en hij tast naar eene ſchaduw. Nog eenmaal verheft hij het hoofd uit den vloed, roept nog eenmaal om hulp, en zinkt weg in den afgrond. Hier ſpoelt dezelfde golf in wilden ſtroom den zoon met zijnen reeds halfdooden vader weg; daar wordt het gekerm der moeder met hare dochter door den loeijenden ſtormwind verdoofd. Hier verheft zich een hoofd, ginds eene hand uit de baren; maar vruchteloos! Eindelijk, de worſtelſtrijd van het leven met den dood is geëindigd. De rampſpoedigen rusten in de golven, en de nog overgeblevenen 10 perſonen drijven op het grootſte gedeelte van het dak met eene ſnelle vaart voort, niets anders voor oogen hebbende, dan elk oogenblik hetzelfde lot te zullen ondergaan.
     Op eenen ſlechts geringen afſtand en wel op de Hoogte zagen de vrouw en kinderen van den heer DEDDEN, benevens zijn oude grijze vader, den zoon, man en vader eenen oogenſchijnlijk gewisſen dood te gemoet ijlen. Welk een hartverſcheurend gezigt!
Hem, die hun het dierbaarſte was, in den hagchelijkſten toeſtand te zien, hem als den dood in de wijdgeopende kaken te zien ſnellen, zonder het minſte ter zijner redding te kunnen verrigten, zonder iets meer te kunnen doen, dan het laatſte afſcheidswoord aan den beminden toe te roepen, en door het jammerlijkst gekerm en misbaar de ſmart en wanhoop te kennen te geven. Een toeſtand, honderdvoudig ſmartelijker, dan het gevaar en het ongeluk te deelen! Men ſtelle zich dus het treffend tooneel, na
zulk

___↓___


|pag. 652|

zulk een afſcheid, voor, bij het wederzien van den reeds voor dood gerekenden! Op de uitgeſtrekte waterplas dobberende, bereikten zij, afgemat en verſtijfd van koude, de hoogten van Zuidveen, en werden allen, uitgezonderd eene vrouw, die onder weg reeds den geest gegeven had, nog gelukkig gered.
     Niet minder hartverſcheurend was het ſchouwſpel, dat zich een weinig later aan het oog vertoonde, toen men op een ander rietendak, nabij Onna, een getal van 14 ongelukkigen zag aandrijven. Spoedig bereikte men met een vaartuig het dak, en haalde van hetzelve 9 perſonen af, welke het leven behouden hadden; terwijl eene moeder met 4 kinderen, waarvan het jongſte nog geene 16 weken oud was, en aan hare borst lag als dood weggedragen werden. Een der omſtanders, de lijken beſchouwende, ziet tot zijne verbazing den zuigeling zijne handjes bewegen, neemt het van de borst zijner moeder af, verwarmt het, en heeft het geluk dit wonderkind in het leven te behouden. Dadelijk werd hetzelve te Steenwijk door eene weldadige vrouw verzorgd, en bevond zich daarna welvarende; dan de moeder, JETSKE HENDRIKSEN genaamd, was met de 3 overige bij zich hebbende kinderen geſtorven. Zij leefde met haren man en kinderen in de turfveenderijen onder Steenwijkerwolde onder het vreedzame dak harer tent. De tijding komt, dat het water met geweld aanſtroomt. Haar man en meer andere buren nemen eene ſchuit of punter, die ſpoedig gevuld is, en waarin ook 2 van zijne 6 kinderen geborgen worden. Die volgeladene ſchuit brengt al het volk behouden aan wal. Met fpoed zal men de achtergeblevenen afhalen; doch inmiddels is het water zoo hoog opgeloopen, dat er door wind en ſtroom geene mogelijkheid beſtaat, om de huisjes weder te naderen. De achtergeblevene moeder met hare 4 kin-
de-

___↓___


|pag. 653|

deren, benevens nog 2 mannen, voorts vrouwen en kinderen, vlugten op den zolder van het huis, en, aldaar evenmin veilig, nemen zij hunne toevlugt tot het dak, dat eindelijk ook vlot begint te worden. Wie ſtelt zich den hartbrekenden toeſtand der moeder in dien veegen ſtond voor oogen? Hare kinderen rondom zich vergaderende, haren zuigeling aan de borst klemmende, gelooft zij hetzelve alzoo beter ten ſchild tegen den dood te zullen verſtrekken, welke in elke golf haar aangrimt. Weldra wordt zij bedreigd, om met haar bijhebbend kroost in de algemeene verwoesting neer te ſtorten. Om hare kinderen tegen de woedende golven te beſchermen, ſtelt zij zich aan al derzelver geweld bloot, en klemt zich ſtuiptrekkend aan het rietendak vast. Dan, hare pogingen zijn te vergeefs! Zij wil al het woeden van den ſtorm, al het nijpen der koude op zich alleen verzamelen, ten einde hare lievelingen daarvan te bevrijden; maar zij is niet in ſtaat om al den ſtrijd der elementen te verduren. Hare krachten begeven haar. Zij omſlingert nog met haren ſidderenden arm den geliefden zuigeling, ſlaat nog een blik vol teederheid op haar bemind kroost, beveelt zich met hare dierbare panden in Gods ontferming en barmhartigheid aan, en — is niet meer! Drie harer lievelingen ſluimeren met haar den doodſlaap in, en zacht rusten de doode kinderen op de doode moeder! De zuigeling trekt nog leven uit de kille moederborst, en wordt als door het ontzield ligchaam zijner voedſter aan eene andere zoogſter overgedragen; om den vader, die op zulk een noodlottige wijze van zijne echtgenoot en de helft van zijn kroost beroofd werd, tot eene blijvende herinnering en pand van moederlijke teederheid en liefde te verſtrekken.
     Op eenen verderen afſtand en wel nabij de Wete­
ring

___↓___


|pag. 654|

ring, JAN HUISMAN lag met zijne punter aan de lijzijde van zijne hooibelt, waarop zich zijne vrouw en twee kinderen bevonden. Hij ziet eene hooiklamp aandrijven, en hoort nog menſchen op denzelven om hulp roepen. Hij vergeet zijn eigen gevaar, en in weerwil van het angstgeſchrei zijner vrouw en kinderen, waagt hij het, met zijne ranke boot de golven te trotferen, bereikt de hooiklamp, redt van daar den huisvader JAN KANON met deszelfs vrouw en 5 kinderen, benevens eenen ouden vader, vaart met de geredden naar den Steenwijker beurtman, die hen allen bij zijne overige geredden opneemt, waarna de zoo edel handelende HUISMAN tot zijne vrouw en kinderen terugkeert, hen in zijn vaartuig plaatst en andermaal behouden het veerſchip bereikt.
     Meer dergelijke tafereelen doen zich voor. In eenen eenigzins afgelegenen polder, ziet zich zekere GABRIEL VAN DER WACHT, met nog 14 vaders, moeders en kinderen, van alle kanten, door het dood en verwoesting dreigende nat omringd. Allen bereiken vlugtende den zolder hunner woning, welker muren niets dan inſtorting voorſpellen. Zij zien allen eenen oogenſchijnlijk gewisſen dood te gemoet, en hunne eenigſte hoop is nog ſlechts gevestigd op een klein open vaartuig, naauwelijks toereikende, om 6 menſchen te kunnen bevatten. Onder een gebed tot God wagen zij het allen die boot te beſtijgen, en bereiken, in weerwil van het geweld der golven, eenen watermolen, op een kwartier afſtands van daar gelegen, en beklimmen zonder eenige ſpijze of drank den bovenſten kap van denzelven, den tweeden dag van den ſtorm en na den bangſten nacht te hebben doorgeſtaan, verheft zich het geſchrei hunner kinderen die kermend om ſpijze ſmeeken. Eene moeder ziet [tw]ee visſchen in
den

___↓___


|pag. 655|

den molen zwemmen grijpt ze, en raauw worden die door de kinderen verſlonden, Op den avond van dien dag, toen de ſtorm bedaarde, werden zij allen nog gelukkig gered.
     Nabij Steenwijks wallen zag men nog, des namiddags omſtreeks 4 uren, een open vaartuig aandrijven, en zich op eene hoogte vastzetten. Men ſpoedt het te hulp en haalt uit hetzelve eene moeder met 5 kinderen, bijna levenloos van koude, honger en ongemak. Spoedig aangebragte middelen herſtellen echter gelukkig nog hare gezondheid. Een punter zonder roer, zwaard of boomen was haar eenige toevlugt geweest; terwijl de man in een grooter vaartuig, bok genaamd, waarmede hij vrouw en kinderen dacht te redden, door den ſtroom van het huis was weggeſleept. Haar man, een weinig later aangekomen zijnde, kreeg ſpoedig berigt van de zoo zonderlinge redding zijner vrouw en kinderen, die hij reeds verloren waande.
     Onder de ongelukkige ſlagtoffers, welke eenige dagen na den watervloed zijn gevonden, bevond zich eene moeder en kind, welke laatſte met eenen halsdoek aan haren hals was vastgemaakt, en in dien toeſtand ontdekt werd. Deerniswaardige moeder! Gij wildet ook in den dood niet van uw’ lieveling ſcheiden. Helaas! Uwe teederheid, hadden wij, kortzigtige ſtervelingen, gaarne anders beloond gezien.
     Dan, waar zouden wij eindigen, wanneer wij alle zoodanige treurige gebeurtenisſen te boek wilden ſtellen. En wiens hart is niet met deernis aangedaan, door de reeds vermelde bijzonderheden?
     Dan hier ter plaatſe mogen wij gewis niet met ſtilzwijgen voorbijgaan, de edelmoedige daden van hen, die alhier door de Voorzienigheid, ter redding en behoeding van hunne natuurgenooten, gezonden werden.
Zoo

___↓___


|pag. 656|

Zoo muntte ook, onder zoo vele voortreffelijke mannen, welke in die onvergetelijke ſtormen hun leven gewaagd hebben, ten einde dat van hunne ongelukkige natuurgenooten te redden, vooral uit de heer K.H. GREVE, predikant eener landgemeente, woonachtig te Steenwijk. Zelf echtgenoot en vader, ſchijnt hij dit op het oogenblik der algemeene ramp te vergeten, althans hieraan minder te denken, dan aan den nood van zoo vele zijner medemenſchen.
     Van ſlechts twee mannen vergezeld, begeeft hij zich op den 4 feb., in een platbodemd vaartuig, op de ſchuimende, alles met zich voerende golven, naar Giethoorn, om, ware het mogelijk, menſchen te redden.
Den ganſchen ſtormachtigen nacht brengt hij in groot gevaar en arbeid door; met dit gelukkig gevolg, dat hij den volgende morgen te Steenwijk aankomt, in zijne ſchuit medebrengende meer dan 80 menſchen, die niet alleen aan zijn beleid en moed het dierbaar leven te danken hebben, maar ook vervolgens in hem hunnen vader, helper, verzorger en vertrooster mogen erkennen.
     Behalve de dank, dien de zedige en zijnen eerwaardigen ſtand zoo zeer vereerende man van zoo vele geredden inoogstte, zag hij zich naderhand door de Maatſchappij tot Nut van ’t Algemeen, voor zijne zelfopoffering, hare gouden medaille aanbieden.
     Even zoo maakten zich H. TEN HEUVEL, B ELLE VISSER, H. LUITEN FLUKS van Steenwijk en W. JACOBS BRINK van Noordwolde bijzonder verdienſtelijk.
TEN HEUVEL beurtſchipper van Steenwijk op Amſterdam, na op den eerſten der genoemde dagen, aan het einde van het Steenwijkerdiep, verhinderd te zijn geworden, zijne reize voort te zetten, maakt met VISSER, FLUKS en BRINK, zijne knechts of helpers,
zijn

___↓___


|pag. 657|

zijn ſchip bij den geweldigen ſtorm en het al hooger en hooger rijzen des waters, niet zonder veel moeite, aan de aldaar ſtaande boomen vast; waarna zij bij verſchillende togten, waartoe hun ook eene boot of punter diende, met inſpanning van krachten, uitſtekenden moed en aanhoudende zelfopoffering, tot zelfs den geheelen nacht door, ruim 130 perſonen van verſchillende jaren en kunne, ſommigen zelfs met have en goed, hebben gered en in het beurtſchip opgenomen niet alleen, maar hun ook aldaar ſpijs, drank, verkwikking en gemak edelmoedig toegediend, en voorts allen behouden op den 6 februarij, geheel belangeloos en met inachtneming van de meest mogelijke orde te Steenwijk binnen gebragt. Onder de geredden bevonden zich 2 ſtokoude menſchen, de een van 90 en de andere van 84 jaren, benevens eene kraamvrouw en zuigeling van 6 dagen, alsmede 2 menſchen, die ſlechts op eene hooibelt kwamen aandrijven, en elk oogenblik gevaar liepen, van in de diepte te verzinken.
     Gemelde ſchipper kweet zich zoodanig, met opoffering van alle rust, gemak en benoodigdheden voor zich zelven, dat de geredden geene woorden konden vinden, om hunnen dank en hunne verpligting aan den dag te leggen; ja dat velen van hen vroegen, waarmede zij hem betalen konden. Bij hunne aankomst te Steenwijk vernieuwde zich dit tooneel van dankbaarheid; doch de edelmoedige ſchipper wees minzaam alles van de hand. Daarenboven ſprak hij troost toe, zoo veel hij kon, en bewees perſoonlijk zijne deelneming door daden. Dankbaarheid zeker achtervolgt hem van allen; want zonder zijne tusſchenkomst zouden, van dit groot getal menſchen, weinige hun leven behouden hebben.
De

___↓___


|pag. 658|

    &nbspDe Maatſchappij tot Nut van ’t Algemeen beſloot aan TEN HEUVEL de zilveren medaille, benevens een boekgeſchenk, en aan elk der 3 overige menſchenvrienden een gouden tiengulden uit te reiken. Het edel gedrag van HENDRIK JANS DUIM te Steenwijkerwold mogen wij ook niet onvermeld laten. Hij redde op den 5 februarij met inſpanning van alle krachten, met gevaar zijns levens en verlies van zijn huisraad en kleederen; terwijl hij tot aan de borst in het water ſtond, een aantal van 23 menſchen van eenen turfhoop, die door den ſtroom elk oogenblik afnam.
     Verſchrikkelijk waren dus de rampen, welke deze provincie zoo deerlijk troffen. Groot was het getal ſlagtoffers van den verſchrikkelijken vloed, klimmende hetzelve in het geheel tot 333 perfonen op, waarvan vele onder de ijsſelijkſte omſtandigheden omkwamen, en na eenen geruimen tijd te vergeefs naar redding te hebben uitgezien, welke door het geweld van den eerſten ſtroom veelal onmogelijk was. Een groot aantal menſchen werd door deze ontzettende ramp van have en goed beroofd, en omtrent 4000 gedurende eenen langen tijd van levensonderhoud voorzien.
     Eene groote menigte gebouwen werd geheel verwoest, eene nog grootere menigte beſchadigd en onbewoonbaar, en het verlies aan vee en have was niet geringer.
Door den ſtroom werd bijna alle huisraad, werkgereedſchap uit de woningen der landlieden weggevoerd, waardoor bijna de geheele oppervlakte des overſtroomden lands, in 23 onderſcheidene gemeenten gelegen, en te zamen 90000 bunders uitmakende, vooral oostwaarts beneden wind, in den beginne bedekt was met allerhande huisraad, kisten, kasten, ſtoelen, melkgereedſchappcn enz., van alle welke goede­
ren,

___↓___


|pag. 659|

ren, voor zoo verre zij niet vernield en verloren waren, ſlechts een gering gedeelte, ondanks alle aangewende moeite der beſturen aan de regte eigenaren terug kwam.
     De verwoesting aan fabrijken en trafijken, op vele plaatſen toegebragt, zagen wij ook, dat zeer aanmerkelijk was; daar onder anderen de touwſlagerijen, houtzaagmolens en de zoutkeet te Blokzijl veel leden, gelijk mede de menigvuldige ſcheepstimmerwerven en kalkbranderijen te Zwartſluis, waardoor een zeer groot aantal inwoners aldaar geheel en al van hunne kostwinning beroofd werden; terwijl hierbij niet minder in aanmerking verdient te komen, het aanzienlijk verlies van turf in de veenderijen, welke geheel wegſpoelde, en welk verlies voor een niet gering getal nijvere huisvaders hoogst drukkend was.
     In die omſtandigheden beijverde zich de bovengemelde provinciale commisſie, gelijk wij reeds hier en daar gelegenheid hadden op te merken, onder medewerking van de in iedere gemeente gevestigde ſubcommisſie, met dadelijk in de eerſte behoeften van kleeding en levensonderhoud dergenen te voorzien, die door de overſtrooming alles verloren hadden, met het beramen van middelen tot herſtel, zoo veel mogelijk, van de niet ten eenemaal verwoeste woningen der gevlugte bewoners, en tot het aanſchaffen der benoodigde werktuigen en gereedſchappen, ten einde de ongelukkigen zoo veel doenlijk op het ſpoedigst in ſtaat te ſtellen, om hunne kostwinning te kunnen hervatten. Dat deze en andere commisſien een ruim veld ter bearbeiding hadden, kan uit het volgend overzigt der ſchaden blijken.
Staat

___↓___


|pag. 660|

Staat der ſchaden, aan vee en woningen veroorzaakt
          door den zeevloed van 4 en 5 februarij 1825, in
          de provincie Overijssel.
 

<

GEMEENTEN. Verdronken
Runderen.
Weggeſpoelde
en beſchadigde
woningen.
Getal Waarde. Getal Waarde.
Zwolle en Zwollerkerspel 2954 ƒ 152060 315 ƒ 72828
Kampen 2359 139265 169 96109
Kamperveen 751 37550 63 36980
IJsſelmuiden 745 36480 162 25093
Steenwijk 11 650 17 1590
Steenwijkerwold 657 37750 223 51408
Giethoorn 258 13740 259 35143
Vollenhoven, ſtad en land 307 16050 116 14964
Blokzijl 50 3140 105 11707
Kuinre 170 10020 130 44204
Blankenham 1060 58080 58 52440
Genemuiden 298 15780 166 26106
Zwartſlu]is 272 14280 264 43313
Hasſelt 28 1480 7 2650
Grafhorst 37 1910 41 14793
Wilſum 40 2160 26 6580
Wanneperveen 305 17350 230 17362
Staphorst en Rooveen 1775 100610 212 40930
Schokland 17 1110 122 29578
Oldemarkt 502 28580 136 20018
Nieuw Leuſen 247 15850 7 1250

 

___↓___


|pag. 661|

 

Algemeene Staat der ſchade
Aantal. Voorwerpen. Waarde.
12843 Verdronkene runderen ƒ 703895
526 paarden 63180
1028 varkens 17312
1737 » ſchapen 6948
1572 Weggeſpoelde bijkorven 15720
607 » huizen 221433
722 Onbewoonbare » 241809
1499 Zwaar beſchad. » 181804
Huisraad en kleeding 223856
Bouw- en ander gereedſchap 87813
Turf 167779
Hooi en zaad 259623
Landerijen 44964
Geheel bedrag der ſchade ƒ 2236136

 

Category(s): Overijssel

Comments are closed.