De bevolking van Hasselt van begin zestiende eeuw tot en met begin negentiende eeuw

De bevolking van Hasselt van begin zestiende eeuw
tot en met begin negentiende eeuw.

 
Een onderzoek naar de relatie tussen de demografische en
economische ontwikkelingen van de stad.

 
 
F W. Schmidt

[ ]

Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Inleiding.1
     1. Probleemstelling en chronologische afbakening.1
     2. Literatuur en bronnen.2
Hoofdstuk 2.3
     1. Hasselt: ontstaan, ligging en groei.3
     1.1. Ontstaan.3
     1.2. Geografische ligging.4
     1.3. Groei.4
     2. Bestuur6
     2.1. Stedelijk bestuur6
     2.2. Positie binnen het gewest.6
     2.3. De kwartiergrenzen.7
Hoofdstuk 3. De bevolking en haar economie.8
     1. De zestiende eeuw.8
     1.1. Bevolking.8
     1.2. Economie.10
     2. De zeventiende eeuw.11
     2.1. Bevolking.11
     2.2. Economie.15
     3. Achttiende en begin negentiende eeuw.19
     3.1. Bevolking.19
     3.2. Economie.24
Hoofdstuk 4. Conclusies.30
     1. Demografische ontwikkeling.30
     2. Slicher van Bath's opvatting.30
     3. Relatie demografie - economie.31
     4. De bronnen.32
Literatuur:33


|pag. 1|

Hoofdstuk 1: Inleiding.
 
1. Probleemstelling en chronologische afbakening.
 
     Slicher van Bath heeft in zijn boek “Een samenleving onder spanning”1 [1. B.H. Slicher van Bath, Een samenleving onder spanning, Assen 1957.] veel cijfermateriaal aangedragen over de bevolking van Overijssel. Ook Hasselt wordt hierin belicht; zij het op summiere wijze.
De bevolkingsaantallen van Hasselt gaan hier namelijk in het grote geheel van Overijssel op. Een uitvoerig, op Hasselt gericht overzicht ontbreekt. Ook bleken enkele onjuistheden ten aanzien van het inwonertal van de stad in bovengenoemd werk voor te komen.
     Welke ontwikkelingen op demografisch gebied hebben zich in Hasselt van begin zestiende tot en met begin negentiende eeuw voor gedaan?
Bestaan er relaties tussen deze demografische ontwikkelingen en de economische ontwikkelingen? Het zijn deze vragen, die in deze scriptie centraal zullen staan.
     Ik heb daarbij gemeend mij te moeten beperken in de tijd. Als aanvang heb ik genomen het begin van de zestiende eeuw, omdat aangaande deze periode nog een redelijk betrouwbare schatting mogelijk was. Het eindpunt is gelegd bij 1812/13. Dit vanwege het feit, dat ongeveer vanaf dit tijdstip Hasselt zijn bevolking in nog geen honderd jaar tijds ziet verdubbelen.2 [2. Gids voor Hasselt, Hasselt 1977, p. 3.] Bovendien vindt daarna een opmerkelijk economisch herstel plaats, waaraan de aanleg van de Dedemsvaart grotendeels debet is.3 [3. E.H. Ridderinkhof, Hasselt aan het Zwartewater, Overijssels Jaarboek 1955, p. 58.]
     Nog een ander motief speelde bij het bepalen van dit eindpunt een rol. Het bronnenmateriaal vóór dit tijdstip heeft een heel ander karakter dan dat van erna. Vergelijkingen zijn dan ook moeilijk te maken.
De Franse tijd kunnen we in dit kader als een overgangstijd beschouwen. Omdat hij echter bruikbare gegevens verschafte over de voorafgaande periodes, heb ik hem in het onderzoek opgenomen.
     Mijns inziens, zouden de negentiende en twintigste eeuw het onderwerp van een apart onderzoek kunnen vormen.

|pag. 2|

2. Literatuur en bronnen.

     Naast het al genoemde werk van Slicher van Bath heb ik veel steun gehad aan het artikel van Van der Vlis,4 [4. D. van der Vlis, De bevolking van Kampen van het begin der vijftiende tot het begin der twintigste eeuw, V.M.O.R.G. 89e stuk (1974).] waarin, de bevolking van Kampen van begin vijftiende tot het begin van de twintigste eeuw beschreven wordt. Wel heb ik gemeend van sommige door de schrijver gehanteerde methoden van berekening te moeten afwijken, om tot meer verantwoorde schattingen voor Hasselt te kunnen komen. Overigens ontbreekt in dit artikel een uitvoerige economische beschrijving.
     Daar, waar ik het aantal bewoonde woningen als uitgangspunt voor mijn schattingen heb genomen, heb ik gebruik gemaakt van de door Gorissen beschreven methode in zijn “Stede—atlas van Nijmegen.”5 [5. F. Gorissen, Stede-atlas van Nijmegen, Arnhem 1956, p. 81.]
     Wat de bronnen betreft; er waren voor het vaststellen van de verscheidene bevolkingsaantallen maar weinig rechtstreeks-informatie verschaffende bronnen, voorhanden. Deze bestonden alleen van het tijdvak vanaf 1748. Te weten: de telling van 1748,6 [6. GA – Hasselt, OA inv. nrs. 724 – 726.] de volkstelling van 1795 7 [7. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nrs. 5320 – 5342.] en de bevolkingstabellen van 1809 8 [8. GA – Hasselt, OA inv, nr. 727.] en 1812.9 [9. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 4205 (oude nummering).] Voor het vaststellen van de aantallen in de zeventiende en begin achttiende eeuw, heb ik gebruik gemaakt van de kohieren van het hoofdgeld van de jaren 1636,10 [10. GA – Hasselt, OA inv. nr. 699.] 1677,11 [11. ibidem.] en 1723.12 [12. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2546.] Aan de hand van het aantal weerbare mannen in 1535 13 [13. GA- Hasselt, OA inv. nr. 747.] en die van 1580,14 [14. GA – Hasselt, OA inv. nr. 757.] kon ik voor de zestiende eeuw schattingen doen.
     Voor het vaststellen van ontwikkelingen in de economie heb ik gebruik gemaakt van de kohieren der duizendste penning van de jaren 1638,15 [15. GA – Hasselt, OA inv. nr. 700.] 1677 16 [16. ibidem.] en 1750.17 [17. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2555.] Voor het beschrijven van de economische situatie rondom 1800 heb ik een belastingkohier van 1808 18 [18. GA – Hasselt, OA inv. nr. 717.] gehanteerd, dat diende om Hasselts deel in de aanslag van drie miljoen vast te stellen. Door middel van het Ensser – geld en de passagegelden kon ik voor een deel van de zeventiende en voor de achttiende eeuw in zijn geheel, de door Hasselt beklede positie op verkeersgebied beschouwen.

|pag. 3|

Hoofdstuk 2.

1. Hasselt: ontstaan, ligging en groei.

1.1. Ontstaan.

     De streek rondom het huidige Hasselt moet reeds voor het jaar 1000 bewoond zijn geweest. De naam van het dichtbij gelegen buurtje Genne verraadt Germaanse invloeden en zou samenlopend betekenen. Dus daar gelegen waar Zwartewater en Vecht samenvloeien.19 [19. D.M. van der Schrier, Rivieren en Beken in Overijssel, Zwolle 1978, p.16.] Het nog dichter bij Hasselt gelegen buurtje Fissele doet vermoeden, vanwege de uitgang op —sele, dat het is ontstaan in de periode van de vijfde tot de tiende eeuw.20 [20. D.M. van der Schrier, Gevolgen van bodemdaling in vroegere eeuwen voor de waterhuishouding in West-Overïjssel in het algemeen en de omgeving van Hasselt in het bijzonder, V.M.O.R.G. 90e stuk (1975) p. 12 en 13.] Ook zou al in de tiende eeuw de St—Stephaneskerk gesticht zijn.21 [21. Enige aantekeningen omtrent Hasselt, Gemeente Hasselt, p. l4.]
     De nederzetting, die op de plaats van de huidige stad toen ook al bestaan moet hebben, zou haar ontstaan te danken hebben aan het feit, dat zij gunstig aan het Zwartewater lag om als laad— en losplaats te dienen voor het rondom gelegen agrarisch gebied.22 [22. J.W. Schaap, Hasselt en zijn bindingen met het achterland in de middeleeuwen, V.M.O.R.G. 93e stuk (1978), p. l4.]
Het was deze gunstige geografische ligging, die de nederzetting in de late middeleeuwen deed uitgroeien tot een volwaardige stad met regionale en buitenlandse handelscontacten.23 [23. F.A. Hoefer, Eenige historische mededeelingen omtrent Hasselt, V.M.O.R.G. 25e stuk (1909), p. 31 en 32.]
     Niet duidelijk is, wanneer Hasselt stadsrechten heeft gekregen.
Wel weten we, dat het bisschop Hendrik van Vianden geweest is, die
deze aan de plaats verleend heeft. Dit moet dus geschied zijn tussen 1250 en 1267.24 [24. W.J. Formsma, De oude archieven der gemeente Hasselt, Assen 1959, p. 1.] Over het algemeen neemt men daar het jaar 1252 voor aan. Dit naar aanleiding van een verminkt en vervormd afschrift van de stadsrechtverlening.25 [25. W.J. Formsma, Hasselt in de gewestelijke geschiedenis, V.M.O.R.G. 58e stuk (1942), p. 32 en 33.]

|pag. 4|

1.2. Geografische ligging.

     In de eeuw, waarin Hasselt stadsrecht kreeg, lag het in verkeersopzicht erg gunstig.26 [26. ibidem.] De Vecht en de weg erlangs vormden een belangrijke handelsweg van Duitsland en Twente naar het Westen. De monding van het Zwartewater, welke niet ver van de stad aflag, verschafte de stad een open verbinding met zee. De ligging van Hasselt leende zich er dan ook voor om als overlaadplaats te dienen van grotere schepen op kleinere en omgekeerd.
     Ook voor het verkeer te land was de plaats van betekenis. Boven de Vecht lagen moerassen, zodat reizigers voor het Noorden óf via Hasselt óf via Coevorden moesten reizen.27 [27. Caert van de moeren en passagien tusschen de steden Coevorden en Hasselt (± 1681).] Een moerassig gebied van de Achterhoek naar Zwolle lopend,28 [28. Atlas van Blaeu (± 1660).] dwong de reizigers voor de noordelijke gewesten via laatstgenoemde plaats of via Hasselt te gaan. In de zomer was hiernaast ook nog een route Hasselt-Rouveen-IJhorst mogelijk, welke dwars door de venen heen toegang gaf tot Drente, Friesland en Groningen. Hasselt lag dus op een kruispunt van een oost-westelijke en noord-zuidelijke weg. Hierdoor was de stad ook strategisch van belang. Zij was dan ook tevens garnizoensplaats.

1.3. Groei.

     De kern van de stad werd gevormd door het gebied, dat omsloten werd door Hoogstraat, Prinsen- en Brouwersgracht en Ridderstraat (afb. 1.).29 [29. F.A. Hoefer, Aanteekeningen omtrent Hasselt, Oudheidkundig Jaarboek 1926, p. 94-96.] In de vijftiende eeuw vond een uitbreiding in zuid-oostelijke richting plaats.30 [30. J. van Deventer, Plattegrond van Hasselt (± 1550).] In de zeventiende eeuw volgde nog eens een uitbreiding, welke echter puur militaire redenen had.31 [31. Stedenatlas van Blaeu, Plattegrond van Hasselt (± 1650).]

|pag. 5|

afb-1

     De uitlegging van de stad in de vijftiende eeuw kan geen andere oorzaak gehad hebben dan het feit dat de bevolking toenam. Een bijkomstigheid was, dat men zo tevens enkele geestelijke goederen, zoals het Mariaklooster en de bedevaartsplaats de “Heilige Stede”, binnen de omwalling kon brengen.

|pag. 6|

2. Bestuur.

2.1. Stedelijk bestuur.

     Volgens het stadboek van Hasselt bedroeg het aantal schepenen in de vijftiende eeuw zes. Daarnaast waren er zes raden en achttien leden van de Gezworen Gemeente. In de zestiende eeuw werd het aantal schepenen en raden soms teruggebracht tot vier. Deze situatie werd vanaf 1639 zelfs regel. Het aantal gezworenen werd daarbij gereduceerd tot veertien. Naast een door laatstgenoemden gevormd college, bestond dan ook nog een college van zes man, de zogenaamde Minder Gemeente, waarvan de leden evenals de leden van de Gezworen Gemeente door schepenen en raden werden benoemd. Een deel van beide gemeentes (van elk college drie), door loting aangewezen, diende als kiescollege. Zij verrichtte de magistraatskeus op Pauli (25 januari).32 [32. Formsma, De oude archieven der gemeente Hasselt, p. 3 en 4.]

2.2. Positie binnen het gewest.

     Bij de verlening van het stadsrecht kreeg Hasselt dezelfde rechten en vrijheden als Deventer, Kampen en Zwolle. Het pretendeerde dan ook een “grote stad” te zijn. De economische betekenis van de stad was zodanig, dat zij deze positie nooit veroverd heeft. Haar invloed binnen het gewest taande zelfs in de loop der eeuwen. In de vijftiende en zestiende eeuw werd ze nog ter landdag geroepen. Ten tijde van de Republiek werd zij alleen nog maar gehoord bij belangrijke zaken, zoals het sluiten van vrede, het benoemen van een stadhouder, het vaststellen van nieuwe belastingen en het veranderen van het landrecht. Evenals Steenwijk mocht Hasselt in bovengenoemde zaken slechts een adviserende stem uitbrengen.33 [33. Enige aantekeningen omtrent Hasselt, p. 3.]
     In de achttiende eeuw werd zelfs het recht van adviseren een farce.
Gedurende de vredesonderhandelingen met Engeland, tijdens de vierde Engelse oorlog gevoerd, werden de kleine steden nauwelijks gehoord.34 [34. Formsma, Hasselt in de gewestelijke geschiedenis, p. 44.]
Het enige wat Hasselt hier tegen in kon brengen, was het aan de grote steden voorhouden van de eenmaal gekregen rechten en vrijheden.35 [35. Deductie voor de Regeringe der Stad Hasselt, Hasselt 1786.]

|pag. 7|

afb-2

1 = eerste kwartier (4)*
2 = tweede kwartier (7)
3 = derde kwartier (5)
4 = vierde kwartier (8)

     * De tussen haakjes geplaatste getallen geven de globale onderlinge verhoudingen in grootte aan.

2.3. De kwartiergrenzen.

     In de archieven van de gemeente Hasselt vindt men geen direkte aanwijzing over het grensverloop van elk der vier kwartieren. Op basis van een vergelijking gemaakt tussen het hoofdgeldkohier van 1749,36 [36. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2700.] waarbij hoofdgeldbetalenden per straat werden opgesomd, en de volkstelling van augustus 1748,37 [37. GA – Hasselt, OA inv. nrs. 724-726.] waarbij de ingezetenen volgens het kwartier waarin men woonde werden genoteerd, kon ik tot bovenstaande afbakeningen komen (afb. 2.).

|pag. 8|

Hoofdstuk 3. De bevolking en haar economie.

1. De zestiende eeuw.

1.1. Bevolking.

     Van Hattum haalt in zijn “Geschiedenissen van Zwolle” een Zwols geschrift aan van 1570,38 [38. B.J. van Hattim, Geschiedenissen van Zwolle, Zwolle 1768, Deel III, p. 74.] waarin Hasselt beschreven wordt als:
     “Een zeer klein, weinig bevolkt steedje, welk door een gering getal kooplieden, in hout en ossen alleen handel drijvende, bewoond werd.”
Alhoewel dit geschreven is vanuit een stad, die in dit Hasselt een kleine rivaal zag,39 [39. Zwolle lag juist in dat jaar met Hasselt overhoop over de aanvraag van Hasselt voor het slaan van een brug over het Zwartewater. De aanvraag maakte een goede kans om toegestaan te worden, omdat Alva bij zijn tocht naar het noorden het gemis van een vaste oeververbinding over het Zwartewater aan den lijve ondervonden had.] kunnen we stellen dat het inderdaad weinig bevolkt was. We beschikken namelijk over een aantal bronnen, waaruit we kunnen concluderen dat het inwonertal om en nabij de duizend personen gelegen moet hebben. Een bron uit 1535 maakt namelijk melding van 234 burgers,40 [40. GA – Hasselt, OA inv. nr. 747.] die voor de verdediging van de stad moeten zorg dragen. Van der Vlis stelt in zijn artikel,41 [41. Van der Vlis, De bevolking van Kampen, p. 13 en 14. Hierin wordt verwezen naar: A.M. van der Woude, De weerbare mannen van 1747 in de dorpen van het Zuiderkwartier van Holland als demografisch gegeven, AAG Bijdragen nr. 8, p. 39.] dat over het algemeen iedere gezonde mannelijke inwoner in de leeftijd van 16 tot 60 jaar als weerbare man werd beschouwd. Voor de verhouding tussen de totale bevolking en het aantal weerbare mannen, haalt hij A.M. van der Woude aan, die voor de achttiende eeuw tot een cijfer van minimaal 100 : 21 en maximaal 100 : 29 komt.
Volgens Van der Vlis is deze verhouding in de vijftiende eeuw en de daarop volgende twee eeuwen in wezen niet anders geweest.
Van deze gegevens uitgaande kunnen we vaststellen, dat het aantal inwoners in 1535 minimaal 807 en maximaal 1114 kan hebben bedragen
     Een soortgelijke bron bestaat er ook nog van het eind van de zestiende eeuw. Een rotcedul van 1580 42 [42. GA – Hasselt, OA inv. nr. 757.] bevat in totaal 276 namen.
Wanneer nu dezelfde berekeningsmethode aangehouden wordt, dan komen we tot minimaal 952 en maximaal 1314 inwoners. Een ongedateer-

|pag. 9|

de bron van eind zestiende eeuw maakt zelfs melding van 283 weerbare mannen, 43 [43. ibidem.] zodat we kunnen concluderen, dat de bevolking van Hasselt tegen het eind van de zestiende eeuw omvangrijker was dan in het begin van die eeuw. Het burgerboek 44 [44. J.I. van Doorninck, Het burgerboek van Hasselt 1463 – 1606, B.G.0. VI, Zwolle 1880.] bevestigt dit nog eens. In de eerste vijf decennia lieten zich gemiddeld 36,4 nieuwe burgers per decennium inschrijven. In de laatste vijf decennia was dit gemiddelde gestegen tot 43,2. Vooral de periode 1581 – 1590 is in dit opzicht opvallend (afb. 3.). In de paragraaf economie zal het één en ander nader verklaard worden.

afb-3

_________ = het aantal burgers dat zich per decennium liet inschrijven
——— = het gemiddelde aantal inschrijvingen per decennium over de gehele zestiende eeuw genomen.

|pag. 10|

1.2. Economie.

     In het in 1567 uitgegeven werk van Guicciardini werd Hasselt beschreven als een fraaie en rijke stad.45 [45. L. Guicciardijn, Beschrijvinghe van alle de Nederlanden, A’dam 1612, p. 157.] Enige voorzichtigheid aangaande deze beschrijving is wel geboden, omdat het twijfelachtig is of de schrijver persoonlijk ooit in Hasselt, of zelfs in Overijssel geweest is.46 [46. Tegenwoordige staat van Overijssel, Leiden 1803, IV Deel, eerste stuk, p. 206.] Uit het feit echter, dat Hasselt in de omslag voor de “Unie” van 1580 op een bijdrage van ƒ 175 per maand werd gesteld, terwijl de veel grotere steden Kampen en Zwolle maar elk ƒ 500 betaalde,47 [47. W.J. Formsma, Hasselt in de overgangstijd van Spaanse naar Staatse zijde 1576 – 1594, V.M.O.R.G. 58e stuk (1942), p. 57.] zouden we kunnen concluderen dat de beschrijving van Guicciardini niet geheel bezijden de waarheid moet zijn geweest.
In ieder geval was Hasselt de rijkste van de kleine steden, omdat Steenwijk en Oldenzaal elk voor maar ƒ 120 werd aangeslagen.
     Toch moet dit beeld als tè gunstig zijnde beschouwd worden. In een eeuw met zoveel oorlogen kan het niet anders zijn dan dat in de economie, maar ook in de demografie de sporen ervan zijn terug te vinden.
     In de Gelderse Oorlogen, die in het derde en vierde decennium van de zestiende eeuw gevoerd werden, komt dit al duidelijk naar voren.48 [48. P.J. Tedding van Berkhout jr., Register op het oud-archief van Hasselt, Zwolle 1883.]
In deze oorlogen, waarbij Hasselt de Bisschop en later Karel V trouw bleef, kwamen de stedelijke financiën vanwege de oorlogslasten voortdurend onder druk te staan. Het burgerschap van Hasselt was hierdoor niet direkt een aantrekkelijke zaak geworden. In afbeelding 3. vinden we dit dan ook terug.
     In de tweede helft van de zestiende eeuw was het de Tachtigjarige Oorlog, die een economische crisis in Hasselt veroorzaakte. Vooral in het begin van de zeventiger jaren deed zich deze hevig voelen.
De onveiligheid van de Zuiderzee betekende in 1571 nogal een klap voor de handel. Het leidde zelfs in het jaar erop tot hoge korenprijzen.49 [49. ibidem.] De houthandel met Holland stond in 1574 helemaal stil.
Grote armoede was ervan het gevolg, omdat de stad voor een groot deel op deze handel was aangewezen. Men moest zelfs overgaan tot verlaging van de molencijns. Daarnaast hadden de stadsfinanciën zo te lijden van de aanwezigheid van een garnizoen, dat de stad zelfs tot reductie van het geld moest besluiten, waardoor vooral de sociale instellingen getroffen werden. En dat juist in een tijd waarin velen erop waren

|pag. 11|

aangewezen.
     In 1575 is de toestand zo verergerd, dat men zelfs besloot om tot afschaffing van de molencijns over te gaan. Een jaar later moet de toestand zich enigszins weer genormaliseerd hebben, want dan wordt deze cijns opnieuw ingesteld.50 [50. ibidem.]
     Zoals al eerder vermeld, leidden de oorlogsomstandigheden niet alleen tot een economische crisis, maar ook door aanwezigheid van een garnizoen tot een verhoging van de stadsuitgaven. De combinatie van beide moet ertoe geleid hebben, dat het aantal aanmeldingen van nieuwe burgers in de jaren zeventig onder het gemiddelde van die eeuw bleef (afb. 3.).
     De jaren tachtig daarentegen laten een toename van het aantal burgers zien (afb. 3.). De oorzaak hiervan moeten we toeschrijven aan de aanwezigheid van Staatse en Spaanse troepen in de onmiddellijke omgeving, waardoor vele boeren naar de steden vluchtten. Alleen in de periode 1585 – 1586 staat deze aanmelding wat Hasselt betreft stil.
In deze jaren verlaten zelfs burgers de stad. Het optreden van hier in garnizoen gelegen, slecht betaalde Engelse soldaten was er de oorzaak van. Ook hun gezinsleden moeten ertoe bijgedragen hebben.51 [51. ibidem.]
     Pas na 1590 vallen de financiële lasten van het garnizoen weg.52 [52. ibidem.]
Vanaf dat tijdstip moet de aanwezigheid van het garnizoen een stimulerende factor voor de economie hebben gevormd.
     Resumerend kunnen we stellen, dat de economie van Hasselt in de zestiende eeuw bijna voortdurend onder druk heeft gestaan van de oorlogsomstandigheden. Het feit dat Hasselt tevens garnizoensstad was, versterkte haar economische positie niet. Beide factoren droegen ertoe bij dat Hasselt als vestigingsplaats gedurende enkele decennia niet gunstig in de markt lag.

2. De zeventiende eeuw.

2.1. Bevolking.

     Aan de hand van het hoofdgeldkohier van 1636 53 [53. GA – Hasselt, OA inv. nr. 699.] is het mogelijk om het bevolkingsaantal in de eerste helft van de zeventiende eeuw te schatten. In dit kohier komen 716 betalenden voor. Alvorens nu de totale omvang van de bevolking ermee te kunnen vaststellen, moeten we weten welk percentage van de gehele bevolking hoofdgeld

|pag. 12|

verschuldigd was. Van der Vlis komt hierbij tot een percentage van 52,9. Een percentage, dat hij aan Slicher van Bath ontleende, die dit berekende voor de bevolking van heel Overijssel voor het jaar 1764.54 [54. Van der Vlis, De bevolking van Kampen, p. 15-17.]
Na nu de volkstelling van 1748 55 [55. GA – Hasselt, OA inv. nrs. 724-726.] naast het hoofdgeldkohier van 1749 56 [56. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2700.] te hebben geplaatst,57 [57. De telling van 1748 vermeldt ook het aantal kinderen, dat inwonend is. Van dit aantal heb ik het aantal hoofdgeldbetalende kinderen afgetrokken.] lijkt mij het aanhouden voor Hasselt van een percentage van 61,2 juister. Daarbij heb ik het feit, dat in de zeventiende eeuw personen boven de 16 jaar hoofdgeldplichtig waren en in de achttiende eeuw personen boven de 17 jaar, buiten beschouwing gelaten. Hierdoor kan mogelijk een kleine afwijking ontstaan. Een grotere afwijking zou ontstaan, als dit percentage een eeuw eerder belangrijk anders is geweest. De uitkomst moet dan ook als een schatting gezien worden.
     Wanneer we nu het percentage van 61,2 aanhouden, dan komen we na hantering van de volgende formule tot:

$$!716\times\frac{100}{61,2}= 1169\$$

De bevolking van Hasselt in 1636 kunnen we dus schatten op 1169 personen. Zouden we het percentage van 52,9 aangehouden hebben, dan was dit aantal 1353 geweest. Dit laatste cijfer lijkt mij nogal hoog, te meer omdat het burgerboek 58 [58. J.I. van Doorninck, Het burgerboek van Hasselt 1463-1606, B.G.O. VI, Zwolle 1880; GA – Hasselt, OA inv. nr. 729.] eerder wijst op een daling, dan op een stijging. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw lieten zich gemiddeld per decennium 34 mensen zich in schrijven. In de tweede helft van de zestiende eeuw was dit cijfer nog 43,2. Bovendien werd Hasselt in de eerste helft van de zeventiende eeuw herhaaldelijk getroffen door de pest.59 [59. P.J. Teding van Berkhout jr., Register op het oud-archief van Hasselt, Zwolle 1883.] Het lage cijfer van het aantal gedoopte kinderen per jaar in de periode 1631-1637 (afb. 4.) bevestigt dit nog eens.60 [60. RA – Overijssel, Doopboeken van Hasselt, inv. nr. 196-199.]

|pag. 13|

afb-4

____ = gemiddeld aantal gedoopten per jaar in de bijbehorende periode
——- = gemiddeld aantal gedoopten per jaar in de zeventiende eeuw.

     Slicher van Bath hanteert voor zijn berekening van de bevolking van Hasselt in de tweede helft van de zeventiende eeuw het hoofdgeldkohier van 1675.61 [61. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2681.] Hierin komen 225 betalenden voor. Op grond van dit kohier en het hoofdgeldkohier van 1723,62 [62. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2546.] waarin 432 betalenden voorkomen, constateert de schrijver een spectaculaire groei.63 [63. Slicher van Bath, Samenleving, p. 63.] Deze conclusie is mijns inziens fout. Evenals het kohier van 1723 niet alle personen boven de 17 jaar vermeldt, zoals we nog zullen zien, vermeldt het kohier van 1675 niet alle personen boven de 16 jaar. Dat het aantal van 225 niet juist kan zijn, blijkt wel uit het feit dat er in Hasselt in 1672 ± 250 weerbare mannen zijn.64 [64. Kort en oprecht verhael van ’t geene gepasseert is voor en omtrent het capituleren van de stad Hasselt met de Vorst van Munster en Corvey, Hasselt 1672.] Bovendien komen deze 225 betalenden uit slechts 117 huishoudens voort, terwijl in het vuur stedenkohier van 1675 65 [65. RA — Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2568.] 338 woningen voorkomen, waarvan er op dat moment 53 leeg staan.
     Het hoofdgeldkohier van 1675 is dus voor ons doel niet geschikt.
Wel kunnen we aan de hand van bovengenoemd aantal weerbare mannen berekenen, dat Hasselt in 1672 minimaal 872 en maximaal 1190 inwoners heeft gehad. Ook kunnen we het aantal bewoonde huizen als uitgangspunt voor onze schattingen nemen. Gorissen paste deze methode 66 [66. F. Gorissen, Stede-atlas van Nijmegen, Arnhem 1956, p. 81.] voor Nijmegen toe. Hij ging hierbjj uit van een ervaringsfeit, dat men het behuizingscijfer minstens op 5,5 p/h (= 5,5 per-

|pag. 14|

sonen per huis) kan stellen. Mijns inziens is dat voor Hasselt te hoog. Aan de hand van het aantal personen en het aantal bewoonde huizen (respectievelijk 1097 en 318) voorkomend in de telling van 1748,67 [67. GA – Hasselt, OA inv. nrs. 724 – 726.] lijkt mij een cijfer van 3,5 p/h juister.68 [68. Van der Vlis komt voor Kampen op grond van deze telling tot 3,8 p/h.] Van dit cijfer uitgaande en van 285 bewoonde woningen, komen we tot een mogelijk inwonertal voor het jaar 1675 van 998.
     Eén bron is nog niet genoemd. Van het jaar 1677 69 [69. GA – Hasselt, OA inv. nr. 699.] is nog een hoofdgeldkohier bewaard gebleven, waarin 572 hoofdgeldplichtigen voorkomen. Als we wederom onze al eerder toegepaste berekeningswijze hanteren, dan komen we tot een schatting van 935 inwoners.
Dit lijkt mij te laag te zijn. Ik acht het niet waarschijnlijk, dat in de tijd van veertig jaar de bevolking met 20 % zou zijn afgenomen.
Het uitblijven van een duidelijke daling van het aantal gedoopten sterkt mij in deze opvatting (afb. 4.). In dit kohier komen volgens mij dan ook niet alle personen boven de 16 jaar voor. Iets, dat voor alle soortgelijke kohieren van de achttiende eeuw ook geldt.
     Het lijkt mij juist, om hier ook nog een schatting aan de hand van het vuur stedenkohier van 1682 70 [70. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2575.] aan toe te voegen. De schatting, verricht na het tellen van het aantal bewoonde woningen in 1675, is mogelijk beïnvloed door de Munsterse oorlog en zijn gevolgen.
Stonden er namelijk in 1675 volgens dit vuurstedenkohier 53 woningen leeg, bij de telling van 1682 was dit aantal nog maar 21. Zodat van de erop voorkomende 349 woningen, na aftrek van 15 niet als woonhuis te bestempelen eenheden, er tenslotte 313 voor bewoning overblijven.
Gaan we wederom uit van 3,5 p/h, dan leidt dit tot 1096 inwoners.
Dit verschil in aantal leegstaande woningen wijst op het tijdelijk hebben verlaten van de stad van een aantal ingezetenen. Dit verklaart dan tevens voor een deel de daling van het gemiddelde aantal jaarlijks gedoopte kinderen, welke in deze periode valt te constateren (afb. 4.).

     In de veelheid van schattingen, die ik gemaakt heb voor de tweede helft van de zeventiende eeuw, komt mij de schatting van 1682 als zijnde de meest juiste voor. Althans de meest representatieve voorde tweede helft van die eeuw. Vergelijken we nu deze schatting met die van 1636, dan blijkt er een daling in het bevolkingsaantal zich te hebben voorgedaan. Een exact percentage is moeilijk te noemen, maar vermoedelijk lag deze in de buurt van de 7 procent. Vergelijken

|pag. 15|

we het aantal inwoners van Hasselt van eind zeventiende eeuw met die van eind zestiende eeuw, dan kunnen we stellen, dat dit aantal mogelijk met 10 procent is afgenomen. De daling van het aantal weerbare mannen wijst in deze richting. Deze daling moet zich al begin zeventiende eeuw hebben ingezet, met als dieptepunt de periode 1631-1650, waarin het aantal gedoopte kinderen per jaar 8 beneden het gemiddelde voor de gehele eeuw lag. Een oorzaak hiervan is al genoemd.
     Als we tenslotte de verschuivingen van de bevolking binnen de stad zelf beschouwen, blijkt dat het dichtst bevolkte kwartier, qua bevolking het meest terugliep (afb. 5.). Het minst dicht bevolkte kwartier groeide daarentegen nogal fors. De winst echter van dit vierde kwartier woog niet op tegen het verlies van het tweede. Dit tweede kwartier moet dan ook het meest hebben bijgedragen in het totale verlies van de bevolking, welke in Hasselt in de zeventiende eeuw heeft plaatsgevonden.

AFB. 5.16361682%1675
eerste kwartier206210+ 1.8 %210
tweede kwartier485378- 22, 1 %364
derde kwartier251228- 9,2 %189
vierde kwartier227280+ 23, 3 %235
totaal11691096- 6,2 %998

     Bevolkingsgroei, cq. -daling van de vier kwartieren in de zeventiende eeuw.

Tegen het eind van de eeuw was na deze verschuivingen een betere verdeling van de bevolking over de beschikbare ruimte tot stand gekomen.

2.2. Economie.

     Niet alleen in het bevolkingsaantal is een regressie te constateren, maar ook in de economie. Bij het bepalen van de aanslag voor de duizendste penning, ging het in 1638 71 [71. GA – Hasselt, OA inv. nr. 700.] om een totaal vermogen van 238.500 gld. In 1677 72 [72. ibidem.] was dit gedaald tot 142.500 gld. Aan de hand van de bevolkingsschattingen, die we gemaakt hebben voor de jaren 1636 en 1675 (afb. 5.). wordt in afbeel-

|pag. 16|

ding 6a. het aandeel in dit vermogen per hoofd van de bevolking geschat. Hierbij moet wel bedacht worden, dat telkens het totale vermogen groter moet zijn geweest, omdat in beide kohieren alleen bedragen van 500 gld. en meer werden opgenomen. Verder is het mogelijk, dat door de afwezigheid van enkele vermogende lieden, dit totale vermogen enigszins geflatteerd is. Waarschijnlijk acht ik dit niet. Mijns inziens heeft in 1677 de toestand zich al genormaliseerd. Ook het cijfermateriaal van afbeelding 8 wijst in die richting.

AFB. 6a.

IIIIIIIVV
eerste kwartier63.000 gld358 gld40.500 gld193 gld- 46,4%
tweede kwartier83.000 gld171 gld37.000 gld102 gld- 40,3%
derde kwartier54.000 gld215 gld26.000 gld138 gld- 35,9%
vierde kwartier38.500 gld170 gld39.000 gld166 gld- 2,3%
totaal238.500 gld204 gld142.500 gld143 gld- 29,9%

kolom I = vermogen per kwartier ( 1638 )
kolom II = vermogen per hoofd der bevolking ( 1636 / 1638 )
kolom III = vermogen per kwartier ( 1677 )
kolom IV = vermogen per hoofd der bevolking ( 1675 / 1677 )
kolom V = daling van het vermogen per hoofd der bevolking in procenten.

     Alvorens hier nu conclusies aan te verbinden moeten we eerst weten hoe de verschillende vermogens in beide jaren over de kwartieren verdeeld waren. In afbeelding 6a. vinden we dat terug.

AFB. 6b.

1000-20002000-30003000-50005000-10.00010.000 en meer
ABABABABAB
1e kw.11933413211
2e kw.868-5-2-22
3e kw.4531424--1
4e kw.62631222-1
totaal292220714511435

     De verdeling van de verschillende vermogens (eerste regel) over de vier kwartieren in 1638 (kolom A) en 1677 (kolom B).

|pag. 17|

     Uit de afbeeldingen 6. blijkt, dat de daling van het totale vermogen, toegeschreven moet worden aan het afnemer van het aantal vermogens van 1.000 gld. en meer. Een mogelijke verklaring hiervoor zou kunnen luiden, dat velen op hun vermogen zijn ingeteerd. We zouden dan echter een groter aantal kleinere vermogens moeten constateren.
Dit is evenwel niet het geval. Integendeel, ook hier deed zich een daling voor. Waren er namelijk in 1638 nog 31 vermogens met een omvang van ƒ 500, in 1677 was dit aantal nog maar 11. Economisch moet dat betekend hebben, dat ook het aantal minder kapitaal nodig hebbende bedrijfjes moet zijn afgenomen.
     Een betere verklaring voor deze vermogensdaling is waarschijnlijk dan ook, mede gezien de bevolkingsdaling die zich in deze zelfde periode voordeed, dat velen met hun vermogen Hasselt verlaten hebben.
     Ook binnen de stad zelf deed zich een verschuiving voor. Het vierde kwartier, dat in 1638 nog het laagste vermogen per hoofd der bevolking bezat, is in 1677 bijna het rijkste geworden. Terwijl in elk ander kwartier een forse daling plaatsvond, nam het vermogen hier absoluut gezien zelfs iets toe. Alleen door de grote bevolkingstoename, welke gelijktijdig plaatsvond (afb. 5.), nam het vermogen per hoofd der bevolking iets af. Opvallend is verder hier, dat het vooral de vermogens van 3.000 gld. en meer zijn, die iets in aantal toenamen. Ik schrijf dit aan migraties binnen de stad toe.
De hier nog beschikbare ruimte moet het ook voor de rijkere burger aantrekkelijk hebben gemaakt om naar dit kwartier te verhuizen.
     Uit de afbeeldingen 6. blijkt voorts, dat het eerste kwartier tegen het eind van de zeventiende eeuw nog steeds het rijkste was. Dit blijkt ook uit het percentage van de in eigen bezit zijnde woningen (afb. 7.). Verder blijkt, dat vooral de wat grotere vermogens hier in aantal zijn afgenomen.

     Het laatste geldt ook voor het tweede kwartier, alleen dan in versterkte mate. Eind zeventiende eeuw is het hoofdelijk gezien het armste.
     In het derde kwartier heeft ook een opmerkelijke teruggang plaatsgevonden. Zo nam hier het aantal vermogens van ƒ 500 van 10 tot 0 af.
     Tenslotte is het opvallend, dat in alle vermogensklassen een daling in aantal zich voordeed, behalve in die van 10.000 gld. en meer. Nader onderzoek van de wijzen waarop deze kapitalen zijn geïnvesteerd, zou misschien tot een antwoord op het waarom kunnen leiden.

|pag. 18|

AFB. 7. Eigen woningbezit in 1682 73 [73. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2575.]

kwartieren1234totaal
41,7 %38 %32,3 %26,3 %34,4 %

     Niet alleen de kohieren der duizendste penning wijzen op een verslechteren van de economie in Hasselt gedurende de periode 1636-1677, maar ook de rekeningen van het Ensser-geld 74 [74. Dit geld werd geheven om het vuurbaken te Ens te doen onderhouden en geïnd van elke schipper, die de haven van Kampen, Zwolle, Hasselt, Blokzijl, Zwartsluis of Kuinre aandeed. Dit geschiedde voor en na de passage van het baken.] (afb. 8.).
Aan de hand van de door Vroom gegeven cijfers,75 [75. E. Vroom, Het Ensser-geld, V.M.O.R.G. 63e stuk (1948), p. 168-181.] kunnen we concluderen, dat een dieptepunt bereikt moet zijn na of tijdens (hiervan ontbreken gegevens) de oorlog van 1672. Tegen het eind van de zeventiende eeuw deden wat meer schepen Hasselt aan, zodat in deze periode een economische opleving moet hebben plaatsgevonden. Het grootste deel van deze scheepvaartsgroei moet worden toegeschreven aan de toenemende vraag naar turf. Deze werd uit de venen rondom Hasselt gestoken en via deze plaats naar het Westen vervoerd.76 [76. P.J. Teding van Berkhout jr., Register op het oud-archief van Hasselt, Zwolle 1883.]

AFB. 8.
Aantal schepen, dat in genoemde jaren Hasselt aandeed, berekend aan de hand van het Ensser-geld

16451671167516761695
670480320500930

     Ook uit de vuurstedengeldkohieren van 1675 77 [77. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2568.] en 1682 78 [78. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2575.] is het bovengenoemde economisch herstel af te lezen. Het in beide vermelde aantal paupers verminderde in 7 jaar tijds aanzienlijk (afb. 9.).

Paupers16751682
IIIIII
eerste kwartier3516,62813,3
tweede kwartier10929,88422,2
derde kwartier3518,5187,7
vierde kwartier6326,82810
totaal24222,415814,4

     kolom I = geschatte absolute aantallen
     kolom II = in procenten van het totaal uitgedrukt

|pag. 19|

     Het hoge percentage, paupers in beide jaren in het tweede kwartier aanwezig, benadrukt nog eens het feit, dat dit kwartier het armste was. Het economisch perspektief moet er voor dit kwartier somber hebben uitgezien. Het tegendeel moet gegolden hebben voor het vierde kwartier. De aanzienlijke daling van het aantal paupers hier, toont nog eens aan, dat dit kwartier nog economische veerkracht bezat.
 
 
3. Achttiende en begin negentiende eeuw.
 
 
3.1. Bevolking.
 
a. Tot 1748. Voor de eerste helft van de achttiende eeuw is het aantal
inwoners van Hasselt nog steeds niet met zekerheid vast te stellen.
We zijn voor deze periode dan ook nog aangewezen op het hoofdgeldkohier van 1723.79 [79. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2545.] Hierin komen 432 belastingplichtigen voor. Ten opzichte van de voorgaande eeuw is echter het aantal vrijstellingen uitgebreid. Slicher van Bath noemt de categorieën: vreemdelingen, krijgslieden en personen boven de zeventig jaar.80 [80. Slicher van Bath, Samenleving, p. 32.] Het hoofdgeldkohier van 1764 81 [81. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2688.] vermeldt daarnaast ook nog de groep van armen.
Aan de hand van de telling van de bevolking van 1748 82 [82. GA – Hasselt, OA inv. nrs. 724 – 726.] en het hoofdgeldkohier van 1749,83 [83. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2700.] waarin 421 hoofdgeldbetalenden voorkomen, kunnen we nagaan welk percentage van de totale bevolking hoofdgeld moest betalen. Het blijkt dan, dat dit voor 38,4 procent het geval was. Nemen we aan, dat in 1723 dit percentage identiek was, dan komen we tot een aantal van 1125 inwoners ($$\frac{432\times100}{38,4}\$$).
Enige voorzichtigheid lijkt mij hier wel op zijn plaats. Bovengenoemd percentage is nogal afhankelijk van de conjunctuur. Begeeft deze zich in neerwaartse richting, dan stijgt daarmee de groep armen in aantal en wordt het percentage lager. Een dergelijke ontwikkeling heeft zich in de loop van de achttiende eeuw voorgedaan, zodat het niet onmogelijk moet worden geacht, dat in 1723

|pag. 20|

het percentage hoofdgeldbetalenden iets hoger moet zijn geweest dan 38,4. Het geschatte bevolkingsaantal valt hierdoor ook iets lager uit.
 
 
b. Na 1748. Vanaf 1748 kunnen we beschikken over bronnen met exacte aantallen. Een nauwkeurige demografische ontwikkeling van 1748 tot en met 1812 kan hierdoor geschetst worden.

AFB. 10. Aantal inwoners van Hasselt van 1748 tot en met 1812.

1748 87 [87. GA - Hasselt, OA inv. nrs. 724-726.]1795 86 [86. RA - Overijssel, Statenarchief, inv. nrs. 5320-5342.]1809 85 [85. GA - Hasselt, OA inv. nrs. 727.]1812 84 [84. RA - Overijssel, Statenarchief, inv. nrs. 4205 (oude nummering).]
eerste kwartier242240259210
tweede kwartier417434426389
derde kwartier217205226234
vierde kwartier221245249274
totaal1097112411601107

     In 1795 is de bevolking ten opzichte van 1748 met 2,5 % gegroeid.
Deze groei moet volgens mij toegeschreven worden aan de vestiging van een kostschool in het vierde kwartier, welke in 1771 84 [84. P.J. Teding van Berkhout jr., Register op het oud-archief van Hasselt, Zwolle 1883.] plaatsvond en waardoor het inwonertal met 34 verhoogd werd. Het verdwijnen ervan 85 [85. De school moet voor 1814 opgehouden hebben te bestaan, omdat toen tot sloop van het gebouw werd overgegaan. Bovendien is in de telling van 1812 niets meer van haar terug te vinden.] vormt een mogelijke verklaring voor de teruggang, die zich na 1809 voordeed. De bevolkingstoename van 3,2%, die zich tussen 1795 en 1809 voltrok, laat zich niet verklaren. Ze was echter maar tijdelijk van aard.
     Gedurende de gehele achttiende eeuw vertoont de totale bevolkingsomvang een tamelijk stabiel beeld.
     Binnen de stad zelf deden zich wèl verschuivingen voor. In de eerste helft van de achttiende eeuw nam de bevolking van het eerste en tweede kwartier vergeleken met 1682, ten koste van het vierde kwartier toe.
In 1812 echter is de situatie bijna weer identiek aan die van 1682.

|pag. 21|

     De bevolkingsomvang moge dan in de achttiende eeuw alleen maar aan lichte schommelingen onderhevig zijn geweest, en daardoor weinig spectaculair zijn, in de bevolkingssamenstelling deden zich wel enige in het oog lopende veranderingen voor. Zo nam het gemiddelde aantal kinderen per gezin tussen 1748 en 1812 toe van 1,4 tot 1,8.
     De telling van 1748 geeft ons hierbij wat meer inzicht in de kinderrijkdom. In afbeelding 11 vinden we in de kolommen het aantal gezinnen met het bijbehorend aantal kinderen weergegeven. In de laatste kolom wordt tenslotte de gemiddelde kinderrijkdom binnen gezinnen met kinderen aangegeven.

AFB. 11.

kinderaantal0123456789gemiddeld
eerste kwartier10141572331--2.5
tweede kwartier22242010763--12.5
derde kwartier14181063-1--12.1
vierde kwartier20181271-1---1.9
totaal6674573013981022.3

     De groei, die zich in het eerste en tweede kwartier in de eerste helft van de achttiende eeuw voordeed, laat zich aan de hand van het hoge aantal kinderen, dat gemiddeld in gezinnen met kinderen voorkwam, verklaren. De daling van de bevolking, die zich tegelijkertijd in het vierde kwartier voltrok, is nu ook beter te begrijpen. Dat overigens dit gemiddelde in het eerste en tweede kwartier zo hoog ligt, komt vooral door het hoge aantal gezinnen met vier of meer kinderen.
     Nader onderzoek leert bovendien, dat in gezinnen met ouders, die een vermogen van 100 gld. en meer bezaten het aantal kinderen hoger was dan bij ouders zonder vermogen.86 [86. Chr. Vandenbroeke, Seksualiteit en huwelijksbeleving in Vlaanderen, Spiegel Historiael 1979, nr. 7/8, p. 431. Vandenbroeke is hier eenzelfde mening toegedaan.] De gemiddelde kinderrijkdom van gezinnen met kinderen was bij de eerste genoemde groep zelfs 2,8. Bij ouders, die een vermogen hadden van 1.000 gld. en meer, bedroeg deze zelfs 2,9.
     Aangezien in het eerste en tweede kwartier procentueel gezien de meeste ouders met een vermogen van ƒ 100 en meer woonden (in het eerste kwartier behoorde 36 % van de ouders tot deze klasse en in het tweede 23 %; terwijl in het derde en vierde respectievelijk het percentage 21 en 10 bedroeg), kunnen we voor een deel verklaren waarom juist de kinderrijkdom hier het grootst was.

|pag. 22|

     Naast een toename van het gemiddelde aantal kinderen per gezin, kunnen we in de tweede helft van de eeuw ook een toename van de groep van zeventig jaar en ouder constateren. In het hoofdgeldkohier van 1767.87 [87. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2694.] komen 15 personen voor die omdat zij ouder zijn dan 70 niet belastingplichtig meer zijn. Op een lijst van 1799, waarop naam en leeftijd wordt genoemd van een ieder die moest bijdragen in de kosten van de burgerbewapening, komen de namen van 25 personen voor, (afb. 12.)88 [88. GA – Hasselt, OA inv. nr. 801.] die allen deze leeftijd bereikt hadden. Deze groep moet zelfs nog groter zijn geweest, omdat alleen zij, die aan het hoofd van een huishouden stonden, erop voorkomen.

AFB. 12. Aantal gezinshoofden per leeftijdsklasse.

18-1920-2930-3940-4950-5960-6970-7980-89totaal
33943604434232248
1,215,717,324,217,813,79,30,8100 %

     Opvallend is de oververtegenwoordiging van de leeftijdsgroep 40-49.
Mede hierdoor valt de gemiddelde leeftijd van de gezinshoofden nogal hoog uit. Die bedroeg maar liefst 48 jaar. Verder blijkt, dat 65 procent ouder was dan 40 jaar.
     Toch lijkt me van een vergrijzing van de bevolking geen sprake geweest te zijn. Daarvoor steeg het percentage kinderen ten opzichte van de gehele bevolking te zeer. Dit nam namelijk van 40,8 in 1748 (waarvan 53 % jonger dan 10 jaar en 47 % ouder dan deze leeftijd) tot 51 in 1812 toe. Het gemiddelde aantal kinderen per gezin steeg tegelijkertijd, zoals we al zagen, van 1,4 tot 1,8. Deze stijging moet naar mijn mening toegeschreven worden, aan een daling van de kindersterfte. Aan het aantal gedoopte kinderen te zien, is er van een grote stijging van het geboortecijfer zeker geen sprake geweest. (afb. 13.).

|pag. 23|

AFB. 13. Index van het aantal gedoopte kinderen.89 [89. RA – Overijssel, doopboeken van Hasselt, inv. nrs. 200-202.]
1741 – 1750 = 100

1741-17501751-17601761-17701771-17801781-1790
1001061037897
1791-18001801-18101811-1812 94 [94. Een afwijking van maximaal 8 % is mogelijk voor de periode 1795 - 1810, omdat de doopboeken enkel leden van de Hervormde kerk betreffen.]
10199108

     Deze daling van de kindersterfte moet ook konsekwenties gehad hebben voor het sterftecijfer. Ook dit moet gedaald zijn. De toename van de groep van 70 jaar en ouder wijst ook in die richting.
     Verder lijkt mij aan de hand van afbeelding 12 de conclusie gerechtvaardigd, dat de gemiddelde huwelijksleeftijd voor mannen (op hen had de lijst van 1799 90 [90. GA – Hasselt, OA inv. nr. 801.] voor het merendeel betrekking) boven de 20 moet hebben gelegen.
     Ook in de verhouding mannen : vrouwen veranderde er iets (afb. 14).

AFB. 14. Verhouding mannen : vrouwen

1748
1812
IIIIIII + IIIII
vrouwen260464822865
mannen260181821721
totaal520646644586
vrouwenoverschot: 8,9%vrouwenoverschot: 10,3%

kolom I = getrouwden
kolom II = weduwen / weduwnaars
kolom III = alleenstaanden

     Gedurende de tweede helft van de achttiende eeuw en begin negentiende eeuw is er dus van een vrouwenoverschot sprake geweest. Dit overschot is zelfs in deze periode iets gestegen. In hoeverre een meisjesoverschot hierop van invloed is geweest, is niet te bepalen.
Maar in 1812 waren er 4 procent meer meisjes dan jongens.

|pag. 24|

     Uit afbeelding 14 blijkt ook, dat het aantal gezinnen in deze periode is teruggelopen. Aangezien de bevolking stabiel in aantal is gebleven in deze jaren, moeten dus de gezinnen groter zijn geworden.
Dit blijkt ook uit de toename van het behuizingscijfer. Was deze in 1748 nog 3,5 p/h, in 1795 was deze toegenomen tot 4,3 p/h. Voor de helft is deze stijging toe te schrijven aan het toenemen van het gemiddelde aantal kinderen per gezin. De toename van het aantal dienstboden 91 [91. GA – Hasselt, OA inv. nr. 700.] droeg verder bij tot een stijging van 0,1 p/h.
     Dit alles moet tot gevolg hebben gehad, dat een groot aantal panden onbewoond zijn geweest. Ondanks het feit dan ook, dat de bevolkingsomvang stabiel is gebleven, moet er toch van een vertrekoverschot sprake zijn geweest. Het toegenomen kindertal en de
daling van het sterftecijfer moeten dit grotendeels weer gecompenseerd hebben.
 
 
3.2. Economie.
 
     Eind achttiende eeuw schreef men over Hasselt:
          ”Het kan niet als volkrijk opgegeven worden, daar men er niet
          meer dan ruim elfhonderd zielen vindt; en dat het, wel verre
          van fraaiheid of rijkdom te vertoonen, eer de merkteekenen
          van verval draagt.92 [92. Tegenwoordige staat van Overijssel, Leiden 1803, IV Deel, eerste stuk, p. 206.]
     In deze eeuw zet dan ook de achteruitgang zich verder voort. Was het totale vermogen, volgens het kohier der duizendste penning, in 1677 93 [93. GA – Hasselt, OA inv. nr. 700.] nog 142.500 gld, in 1750 was dit volgens een soortgelijke bron 94 [94. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2555.] tot 89.876 gld gedaald. Waarbij we dan ook nog moeten bedenken, dat hierin ook vermogens van 50 tot 500 gld waren opgenomen. Dit in tegenstelling met het kohier van 1677. Het aandeel per hoofd der bevolking in dit vermogen daalde aanzienlijk (afb. 15.)

AFB. 15. Het totale vermogen van Hasselt over de bevolking verdeeld. (1750)

IIIIIIIVV
eerste kwartier40.500 gld193 gld18.495 gld76 gld- 60,6 %
tweede kwartier37.000 gld102 gld20.900 gld50 gld- 50,9 %
derde kwartier26.000 gld138 gld23.776 gld110 gld- 27,5 %
vierde kwartier39.000 gld166 gld26.705 gld121 gld- 27,1 %
totaal142.500 gld143 gld89.876 gld82 gld- 42,7 %


|pag. 25|

kolom I = vermogen per kwartier (1677)
kolom II = vermogen per hoofd der bevolking (1675 / 1677)
kolom III = vermogen per kwartier (1750)
kolom IV = vermogen per hoofd der bevolking (1748 / 1750)
kolom V = daling of groei van het vermogen per hoofd der bevolking in procenten.

     Ten opzichte van 1677 heeft zich nu in elk kwartier een daling voorgedaan. Evenals in 1677 was het eerste kwartier daarbij koploper. De positie van rijkste kwartier werd door het vierde overgenomen van het eerste. Het derde en het vierde kwartier hebben zich het beste economisch weten te handhaven.
     Deze daling, welke in de omvang van het totale vermogen plaatsvond, werd voor het grootste gedeelte veroorzaakt door het wegvallen van de grote vermogens (afb. 16.). Dit door vertrek van vermogende burgers.95 [95. GA – Hasselt, OA inv. nr. 733 (Akten van opzegging van het burgerschap)] Alleen al in het eerste kwart van de achttiende eeuw vloeide op deze wijze meer dan 40.000 gld weg.96 [96. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2546.] Voor een deel richtte deze kapitaalvlucht zich op Zwolle en Deventer. Verder heeft blijkbaar ook intering op het vermogen plaatsgevonden (blz. 29.).

AFB. 16. Aantal vermogens van 1000 gld en meer.

1.000-2.0002.000-3.0003.000-5.0005.000-10.00010.000 en meer
1675227545
172444-43
175012322-
180892---

     Hoe slecht het met de economie ging, kan ook wel worden opgemaakt uit de daling van het aantal smidsen, ovens, brouwketels en pannebakkerijen (afb. 17.).97 [97. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2575 en 2581.]

AFB. 17. Aantal ovens, smidsen, brouwketels en pannebakkerijen.

ovenssmidsenbrouwketelspannebakkerijen
168215932
175264--


|pag. 26|

     Alleen werd in de eerste helft van de achttiende eeuw de positie van Hasselt als verkeerscentrum nog niet aangetast. Als we naar het Ensser-geld kijken, dan zien we in 1745 zelfs een vooruitgang ten opzichte van 1695 van bijna 13 procent. (afb. 18.)98 [98. E. Vroom, Het Ensser-geld, V.M.O.R.G. 63e stuk (1948), p. 168-181.]

AFB. 18. Ensser-geld (1695 – 1745)

169517451800
Aantal schepen9301050560

Het belang van Hasselt als verkeerscentrum binnen Overijssel steeg als volgt:

AFB. 19. Index van het belang van Hasselt als verkeerscentrum binnen Overijssel. (1700 = 100)

1700172517751793 104 [104. Slicher van Bath, Samenleving, p. 223 (passagegeld)]
100127260259

Meer dan ooit werd Hasselt afhankelijk van zijn gunstige geografische ligging. Toch profiteerde men zelf er te weinig van. Daarom vond het stadsbestuur het dan ook noodzakelijk om met deze ligging de economie weer wat op te vijzelen. In 1720 werden pogingen in het werk gesteld om tot een commercie-, navigatie- en assurantiecompagnie te komen.
Om de inschrijving op een kapitaal van ƒ 8.000.000 vol te krijgen maakte men reclame met de ligging van de stad.99 [99. W.J. Formsma, De windhandel van 1720 in Overijssel, V.M.O.R.G. 60e stuk (1945), p. 115-117.] De poging liep echter op niets uit.
     In de tweede helft van de achttiende eeuw moet de economie er nog zorgelijker hebben uitgezien dan in de eerste helft. Het totale vermogen van de bevolking bedroeg toen nog maar 73.050 gld.100 [100. GA – Hasselt, OA inv. nr. 717.]
Per hoofd der bevolking was dit 63 gld. Vermogens van 3.000 gld. en meer waren verdwenen (afb. 16.).
     In 1807 101 [101. GA – Hasselt, OA inv. nr. 715 (patentenlijst).] waren er nog maar 3 kooplieden, die elk een omzet hadden van boven de 5.000 gld. En waren er nog in 1752 in Hasselt vier
smidsen in bedrijf (afb. 17.), in 1795 waren dat er nog maar 2.102 [102. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 5320-5342.]
Een in 1724 in de voormalige kloostergebouwen opgezette zeepziederij,103 [103. F.A. Ebbinge Wubben, Maagdenklooster te Hasselt, O.A. 1851, p. 146] was in 1771 al weer verdwenen.
     Ook Hasselts aandeel in het scheepvaartverkeer verminderde (afb. 20).

|pag. 27|

AFB. 20. Ensser-geld (1745 – 1801.)104 [104. E. Vroom, Het Ensser-geld, V.M.O.R.G. 63e stuk (1948), p. 168-181.]

174517941795179617971798179918001801
Aantal schepen1050800680530500530530560660

     Uit deze cijfers blijkt, dat zich in de tweede helft van de eeuw een daling heeft voorgedaan. Vooral de Franse tijd is in dit opzicht opvallend, omdat de terugval zich toen zo snel voltrok.

     De economie van Hasselt is dan ook tegen het eind van de achttiende eeuw erg afhankelijk geworden van de eigen lokale markt, en die van de direkte omgeving van de stad. De lijst met patenten 105 [105. GA – Hasselt, OA inv. nr. 715 (patentenlijst).] toont dit aan.
 
 
     In 1791 werd er over Hasselt geschreven: ” De neeringloosheid heeft deze plaats haar welvaart doen verliezen.106 [106. E.H. ter Kuile, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst, deel IV, derde stuk, ‘s-Gravenhage 1974, p. 25.] Deze welvaartsdaling liet zich overigens niet alleen in de particuliere sektor gevoelen, maar uiteraard ook in de collectieve. In 1740 moest men tot rentereductie van de stadsschulden overgaan.107 [107. P.J. Tedding van Berkhout jr., Register op het oud-archief van Hasselt, Zwolle 1883.] Ook moest men herhaaldelijk stadsgoederen verkopen.
     Ook de sociale fondsen stonden voortdurend onder druk. Dit werd vooral veroorzaakt door het hoge percentage armen. Het hoofdgeldkohier van 1764 .108 [108. RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nr. 2688.] maakt melding van een aantal van 226. Wanneer we hiervan een dertigtal buiten beschouwing laten, omdat ze in het proveniershuis woonden, kunnen we het percentage armen bijna op 30 procent stellen.
     We kunnen dus. concluderen, dat binnen het tijdsbestek van drie eeuwen, de demografische, economische en sociale situatie van Hasselt een dieptepunt bereikt had tegen het eind van de achttiende eeuw.

|pag. 28|

AFB. 21. Een samenvattend overzicht.

afb-21

_________ = bevolkingsindex (1636 = 100)
– . – . – . = index van het vermogen per hoofd der bevolking (1638 = 100)


|pag. 29|

AFB. 22. Overzicht: spreiding van het bezit over de bevolking.

afb-22


|pag. 30|

Hoofdstuk 4. Conclusies.
 
1. Demografische ontwikkeling. Aan de hand van de methode van Van der Woude, hebben we kunnen vaststellen, dat in de zestiende eeuw de bevolking minimaal 804 en maximaal 1314 personen heeft omvat. Uitgaande van 234 weerbare mannen in 1535 en 276 in 1580, kunnen we concluderen, dat in deze periode de bevolking met ongeveer 18 procent moet zijn toegenomen. In 1672 was er van deze groei nog 8 procent over. (250 weerbare mannen). Allèèn al tussen 1636 en 1682 deed zich een daling van 6 procent voor. Bijna gedurende de gehele achttiende eeuw handhaafde zich de bevolkingsomvang op het niveau van 1682. Tegen het eind van de achttiende eeuw vond pas weer een stijging plaats. Een stijging echter, waarvan de oorzaken binnen het gezin gezocht moeten worden, omdat tegelijkertijd het aantal gezinnen met bijna 20 procent afnam.109 [109. GA – Hasselt, OA inv. nrs. 724-726.; RA – Overijssel, Statenarchief, inv. nrs. 5320-5342.]
     Eind zestiende eeuw moet dan ook het hoogste bevolkingsniveau bereikt zijn. De bevolking van toen schat ik ongeveer op 1200 zielen.
De zeventiende eeuw geeft daarop een bevolkingsvermindering te zien. In de achttiende eeuw vindt dan stilstand in de bevolkingsgroei plaats.
     Vanwege deze cijfers krijg ik niet de indruk, dat Hasselt gedurende deze 300 jaar, een dichtbevolkte stad is geweest.110 [110. In 1880 moeten bijna 2600 mensen het met dezelfde oppervlakte doen.] Vooral het vierde kwartier was relatief gezien dun bevolkt. Migraties binnen de stad hebben dit niet kunnen veranderen.
     In deze steeds weer klein blijvende samenleving, moet het garnizoen, dat soms even groot was als een kwart van de totale bevolking,111 [111. GA – Hasselt, OA inv. nrs. 773-777.] een grote plaats hebben ingenomen.
 
2. Slicher van Bath’s opvatting. Deze wijkt ten dele van het hierboven geschrevene af. Zo zou Hasselt, volgens de schrijver, een opzienbarende bevolkingsgroei doorgemaakt hebben tussen 1675 en 1723. Elders heb ik dat al weerlegd.
     Maar ook ten aanzien van de periode 1748-1795 lijkt het alsof Slicher van Bath een afwijkende mening heeft. Zo zou het inwonertal in 1748 volgens hem 1697 hebben bedragen.112 [112. Slicher van Bath, Samenleving, p. 63. Waarschijnlijk berust het aantal van 1697 inwoners op een verschrijving. Het op blz. 198 geschrevene is er namelijk mee in tegenspraak. Daar wordt tussen 1723 en 1795 een stilstand in de bevolkingsgroei geconstateerd,
Helaas is echter in de nieuwe druk (Utrecht 1977) hierin geen verbetering aangebracht.]
Daarentegen wordt

|pag. 31|

het aantal inwoners in 1795 wel correct weergegeven, zodat de indruk ontstaat, dat tussen 1748 en 1795 een aanzienlijke bevolkingsvermindering zich voorgedaan moet hebben. De bronnen wijzen echter anders uit.
     Uit dit alles kan dan gemakkelijk de indruk ontstaan, dat de bevolking van Hasselt pas tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw in aantal is teruggelopen. Zoals ik al aangetoond heb, vond deze terugloop al 150 jaar eerder plaats.
 
3. Relatie demografie – economie.
Het gaat hierbij om de vraag: hoe nauw is de onderlinge relatie in Hasselt geweest? Dan blijkt, dat de bevolkingsdaling geen gelijke tred hield met de daling, die in de economie moet hebben plaatsgevonden. De voortdurende kapitaalvlucht leidde immers tot een drastische inkrimping van een aantal economische aktiviteiten (afb. 17). Deze moeten weer op hun beurt geleid hebben tot een stijging van de werkloosheid (afb. 9 / blz. 27).
     De economische achteruitgang, die toch fors moet zijn geweest, is in verzwakte vorm terug te vinden in de daling, die in het bevolkingsaantal zich voordeed. Eigenlijk heeft ze meer de kwaliteit (minder rijken en meer armen) van de bevolking beïnvloed dan de kwantiteit.
De vraag echter, in hoeverre de economische neergang het geboortecijfer heeft beïnvloed, is moeilijk te beantwoorden. Wel moet tussen beide een relatie bestaan hebben (blz. 21.). Ook is gebleken, dat het in verschillende perioden tot een daling van het vestigingscijfer en tot een stijging van vertrekcijfer heeft geleid (blz. 11/25).

|pag. 32|

4. De bronnen. Voor het doen van schattingen van de bevolking in de zeventiende en begin achttiende eeuw kan men het beste de kohieren van het hoofdgeld gebruiken. De moeilijkheid is echter hierbij het bepalen van het percentage hoofdgeldplichtigen. Daartoe is het noodzakelijk, dat men de lijst eerst verifieert op haar volledigheid.
Het zo maar overnemen van de aantallen kan tot misverstanden leiden.113 [113. Slicher van Bath, Samenleving, p. 63.]
     De vuurstedengeldkohieren zijn voor dit doel wat minder geschikt.
De moeilijkheid schuilt hier in het bepalen van het behuizingscijfer.
Van een ervaringscijfer uitgaan 114 [114. F. Gorissen, Stede-atlas van Nijmegen, Arnhem 1956, p. 81.] lijkt mij nogal riskant.115 [115. H.J. Moerman, Salland’s bevolking in de vijftiende eeuw, V.M.O.R.G. 63e stuk (1948), p. 28. De schrijver gaat hier van een behuizingscijfer uit van 5 p/h.] Overigens moet men bij dit soort onderzoeken voorzichtig zijn met cijfermateriaal van elders. Het is lang niet altijd toepasbaar.

|pag. 33|

LITERATUUR:

Gebruikte afkortingen:

B.G.O. = Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel
0.A. = Overijsselsche Almanak
V.M.O.R.G. = Verslagen en mededelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis.

  1. J.I. van Doorninck, Het burgerboek van Hasselt 1463-1606, B.G.O. VI, Zwolle 1880.
  2. F.A. Ebbinge Wubben, Maagdenklooster te Hasselt, O.A. 1851.
  3. W.J. Formsma, Hasselt in de gewestelijke geschiedenis, V.M.O.R.G. 1942.
  4. W.J. Formsma, Hasselt in de overgangstijd van Spaanse naar Staatse zijde, 1576-1594, V.M.O.R.G. 1942.
  5. W.J. Formsma, De oude archieven der gemeente Hasselt, Assen 1959.
  6. W.J. Formsma, De windhandel van 1720 in Overijssel, V.M.O.R.G. 1945.
  7. Gemeente Hasselt, Enige aantekeningen omtrent Hasselt, Gemeente Hasselt.
  8. F. Gorissen, Stede-atlas van Nijmegen, Arnhem 1956.
  9. L. Guicciardijn, Beschrijvinghe van alle de Nederlanden, Amsterdam 1612.
  10. F.A. Hoefer, Aanteekeningen omtrent Hasselt, Oudheidkundig Jaarboek 1926.
  11. F.A. Hoefer, Eenige historische mededeelingen omtrent Hasselt, V.M.O.R.G. 1909.
  12. E.H. ter Kuile, De Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst, Deel IV, Derde stuk, ’s-Gravenhage 1974.
  13. H.J. Moerman, Salland’s bevolking in de vijftiende eeuw, V.M.O.R.G. 1948.
  14. E.H. Ridderinkhof, Hasselt aan het Zwartewater, Overijssels Jaarboek 1955.
  15. J.W. Schaap, Hasselt en zijn bindingen met het achterland in de middeleeuwen, V.M.O.R.G. 1978.
  16. D.M. van der Schrier, Gevolgen van bodemdaling in vroegere eeuwen voor de waterhuishouding in West-Overijssel in het algemeen en de omgeving van Hasselt in het bijzonder, V.M.O.R.G. 1978.

  17. |pag. 34|

  18. B.H. Slicher van Bath, Een samenleving onder spanning, Assen 1957 / Utrecht 1977.
  19. P.J. Teding van Berkhout jr., Register op het Oud-Archief van Hasselt, Zwolle 1883.
  20. Tegenwoordige staat van Overijssel, Leiden 1803, Deel IV.
  21. T. Telvoren, Kort en oprecht verhael van ’t geene gepasseert is voor en omtrent het capituleren van de stad Hasselt met de Vorst van Munster en Corvey, Hasselt 1672.
  22. D. van der Vlis, De bevolking van Kampen van het begin der vijftiende tot het begin der twintigste eeuw, V.M.O.R.G. 1974.
  23. E. Vroom, Het Ensser-geld, V.M.O.R.G. 1948.

________
Schmidt, F.W. (1979) De bevolking van Hasselt van begin zestiende eeuw tot en met begin negentiende eeuw. Een onderzoek naar de relatie tussen de demografische en economische ontwikkelingen van de stad. (Scriptie M.O.). Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Hasselt
Tags:

Comments are closed.