Stedelijke Gasfabriek te Kampen

[1]

Aan den Gemeenteraad van Kampen,

Een belangrijk lek in den nieuwen grooten gashouder, waarvan het bestaan in den zomer van 1886 bleek en waarvan de herstelling waarschijnlijk aanzienlijke uitgaven zal vorderen, gaf het lid onzer commissie, den heer W. G. BOELE, aanleiding tot een onderzoek naar de geschiedenis van de stichting van den nieuwen gashouder en al hetgeen daarop betrekking had. De omstandigheden dat de gashouder, nauwelijks drie jaren in gebruik, een zoo groot gebrek vertoonde, en dat tijdens de stichting, althans vóór de oplevering, een lek op zeer gebrekkige wijze is gedicht, wat eerst voor korten tijd aan onze commissie bekend werd, moesten de aandacht trekken.

De Commissie van bijstand in het beheer der gasfabriek stelt er prijs op dat de Gemeenteraad met de toedracht der zaak bekend worde opdat haar — die in ‘t geheel niet gekend werd in hetgeen bij de stichting van den nieuwen gashouder voorviel, en des-

[2]

tijds geene declaratiën, de fabriek betreffende welke ook, in handen kreeg om te beoordeelen of de betaling daarvan al dan niet behoorde te geschieden — niet soms iets in dezen moge worden verweten en meer speciaal de mindere opbrengst van de gasfabriek bij het einde van dit dienstjaar, noodzakelijk gevolg van de te maken herstellingskosten, niet aan andere oorzaken worde toegeschreven.

De Commissie van bijstand in het beheer der Gasfabriek te Kampen:

EBBINGE,

Voorzitter.

J. G. HISSINK,

Secretaris.

KAMPEN, Maart 1887.

[3]

Aan de Commissie van bijstand in het beheer der Stedelijke Gasfabriek te Kampen,

Mijne Heeren!

De treurige toestand waarin zich de nieuwe in 1882 en ‘83 gemaakte groote gashouder bevindt, heeft mij genoopt in de notulen der commissie, het copie-brievenboek en de voorhanden brieven een onderzoek in te stellen, waarvan ik de eer heb aan mijne medeleden een verslag te geven.

De commissie had in 1882 aan den Heer Bruinisse Troost te Sneek opgedragen bestek en teekening te leveren en toezicht te houden tot het maken van eenige werken, noodig voor de gasfabriek. Onder die werken behoorde een groote gashouder met ijzeren onderkuip; zie notulen 27 Dec. '81, 14 Jan., 25 Febr., 15, 18, 22 en 23 April ‘82.

In die laatste vergadering (23 April ‘82) verklaarde de Heer B. Troost, dat hij de verantwoordelijkheid voor de uitvoering der te verrichten werkzaamheden op zich nam, en de kosten van opzicht zal betalen, als hij van alles, dat onder zijne leiding gemaakt wordt, 5% van de aannemingssom erlangt; de commissie heeft daarin toegestemd.

[4]

Den 18 Mei 1882 (de notulen hebben abusivelijk (1881) een schrijffout) wordt volgens vastgesteld bestek B den gashouder of stolp te maken van plaatijzer, benevens de onderkuip (voor het water tot afsluiting van het gas) van gegoten ijzeren platen, aan elkander geschroefd, met ijzercement gedicht enz. enz., aanbesteed aan M. van der Kuijl te Slikkerveer voor f 39360. — met inbegrip van het hang werk, gegoten ijzeren afsluitput enz.

Volgens dat bestek moest de aannemer van dit werk op den 29 Juli 1882 een aanvang maken met het stellen der kuipen (art. 15), den 18 Nov. 1882 moest het geheele werk, de stolp gasdicht en de kuipen waterdicht, ten gebruike worden opgeleverd; op eene boete van f 50 daags voor elken dag, dat de oplevering later plaats had. De oplevering heeft echter 90 dagen later d. i. 17 Febr. 1883 plaats gehad en daarvoor is den aannemer f 4500 boete opgelegd, omdat de fabriek in de wintermaanden veel schade had door gebrek aan gasberging; tengevolge daarvan moesten voor de meeste retorten de vuren altijd door worden aangehouden, terwijl bij het ontsteken der lichten gedurende den nacht alleen gas kon gemaakt worden.

De betalingstermijnen waren geregeld als volgt: de f 39360 zoude in 3 termijnen betaald worden, n.1. 4/10 der aannemingssom, als het geheele werk voltooid en waterdicht was opgeleverd (zie art. IV en XIX van van bestek B); 3/10 zes maanden later, als alles zich goed gehouden, of zich voordoende gebreken voldoende waren hersteld; 3/10 weer zes maanden later op dezelfde voorwaarden, dus 12 maanden na de oplevering, na afloop van den onderhoudstermijn, telkens op schriftelijke verklaring van den architect, met de directie

[5]

belast, dat de aannemer aanspraak heeft op betaling en met korting der onverhoopt verbeurde boeten en andere verschuldigde gelden.

De 1e termijn 4/10 ad f 11244 is betaald 16 Maart 1883,- zie bijl. gemeente rekening No. 795 dienst 1882.; het mandaat door Burgem, en Wethouders daartoe afgegeven dd. 6 Maart ’83 is zonder fiat of goedkeuring en zonder besluit van de. Commissie van bijstand in het beheer der Gemeente-gasfabriek afgegeven, met of op grond van eene aan het mandaat gehechte verklaring van den Heer Bruinisse Troost, inhoudende, dat de gashouder met kuip naar genoegen was afgewerkt en de boete voor het 90 dagen te laat opleveren à f 4500 was ingehouden.

Volgens aanteekening van den directeur in het gedrukt bestek, dat bij de brieven op het Gemeentehuis bewaard is, was van den 3en Maart 1883 waterverlies geconstateerd.

De afgegeven verklaring van den Heer Bruinisse Troost is daarmede in strijd; terwijl de notulen der vergadering van 23 Juni 1883 vermelden het volgende:

„De Directeur deelt mede, dat het waterverlies in den nieuwen gashouder (lees waterkuip) sedert 3 Maart tot heden 23 Juni 63 c.M. bedraagt, gelijkstaande met 280 stère p. m. waarvan aan den Heer Troost kennis is gegeven, die daarvan aan v. d. Kuijl mededeeling heeft gedaan, en ook in strijd zijn met de verklaring van den Heer Troost, ofschoon die verklaring van 24 Febr. dateert, is het bedrag eerst 16 Maart aan M. v. d. Kuijl betaald.

De 2e termijn 3/10 a f 11808 is betaald 15 Oct. 1883 dienst 1883, bijlage 673 op verklaring van den Heer Troost 1 Oct. 83, „dat de gashouder en kuip zich in

[6]

„goeden staat hebben gehouden, terwijl eenige gebreken „daaraan geheel naar genoegen volkomen zijn hersteld; „zoodat op grond van art. XIX des besteks gerust „kan worden uitbetaald;’’ de commissie van bijstand heeft geen besluit genomen en geene verklaring afgegeven tot betaling.

De 3e termijn 3/10 is in twee gedeelten betaald, en wel f 8856 in mindering der aannemingssom; voor dit bedrag is door Burg. en Weth. een mandaat afgegeven. 12 April 84, dienst 1883 bijlage 674, zondermdat daarbij eene verklaring of goedkeuring is gevoegd, noch van den Heer B. Troost, noch van de commissie van bijstand.

Het restant van den 3e of laatsten termijn f 2367 is op mandaat van Burg. en Weth. van 4 Juni 84, den 14 Juni aan M. v. d. Kuijl betaald, op verklaring van B. Troost dd. 22 Mei 84 waarin voorkomt: „De kuip vertoonde in den loop van het onderhoudsjaar eenig waterverlies en werd dit gebrek door den aannemer op eerste aanzegging hersteld. In het laatst van December j.l. na den hoogen vloed openbaarde zich dit opnieuw, doch in nog geringere mate en werd in de maand Februari door den aannemer met geringe middelen hersteld, waarna de kuip nu sedert bijna drie maanden volkomen waterdicht is en zelfs telkens bij regen overloopt.’’

„Daar de in het bestek bepaalde oorspronkelijke onderhoudstermijn reeds lang verstreken is, bestaat er geen bezwaar om aan den aannemer voornoemd het restant der aannemingssom uit te betalen, temeer omdat in de voorloopig ingehouden boete eene ruime waarborg is gelegen voor het onverhoopte geval, dat hetzelfde verschijnsel zich nog eens moogt voordoen.’’

[7]

De laatste zin is volkomen onjuist, want de boete is ingehouden voor de schade, die de fabriek heeft geleden, wegens 90 dagen gemis aan gasberging.

En de brief van M. v. d. Kuijl in ’t laatst van Mei 84 of 12 April? 1884 geschreven, waarin hij op betaling aandringt, houdt in, dat de kuip sedert 5 à 6 weken dicht is; de verklaring 22 Mei afgegeven, dat de kuip bijna 3 maanden volkomen waterdicht was, is ook uit andere brieven en stukken gebleken onjuist te zijn.

In de notulen van de Vergadering der Commissie d.d. 1 Maart 84 vindt men: „Adres van den aannemer M. v. d. Kuijl aan den Gemeenteraad d.d. 7 Febr. verzoekende hem de ingehouden boete f4500 terug te betalen, welk adres in handen dezer commissie is gesteld, De secretaris deelt mede, dat de Burgemeester dit adres om advies aan den Heer Bruinisse Troost heeft gezonden; wordt besloten, dat advies af te wachten.

In diezelfde vergadering wordt door het lid Boele gevraagd of de Commissie niet steeds besluiten moet tot betaling van de aannemingstermijnen en van alle rekeningen ten laste der fabriek, en of die besluiten niet in de notulen moeten vermeld worden; deze vraag wordt door den voorzitter A. Höfelt en de overige leden bevestigend beantwoord, alsmede verklaart de directeur, dat hij voortaan de ingekomen rekeningen zal overleggen.

Het blijkt echter uit de notulen, dat tot 1 Maart 84 wel in de notulen werd opgegeven de sommen, die wekelijks aan arbeidsloon werden uitgegeven, maar geen ingekomen rekeningen door de Commissie werden gezien of goedgekeurd, en dat al de tot heden betaalde aannemingstermijnen tot uitbreiding der fabriek

[8]

zijn betaald, zonder dat de Commissie deswege is gehoord, of hare goedkeuring daaraan heeft gegeven.

Het treurige feit, dat de ijzeren kuip des grooten nieuwen gashouders thans een belangrijk lek heeft, komt dus niet voor rekening der gascommissie.

Wel is het zeer bevreemdend, dat d.d. 23 Juni 83, toen reeds 16 Maart de 1e termijn van de aannemingssom was betaald, de Directeur als eene weinig beduidende zaak aan de Commissie meedeelt, dat er eenig waterverlies in de kuip was ontstaan van 3 Maart tot 23 Juni, dat echter later nimmer in eene vergadering volgens de notulen, over waterverlies of waterlek is beraadslaagd.

In een gedrukt bestek, dat bij de brieven op de Secretarie aanwezig is, is door den Directeur eigenhandig geschreven, onder art. XIX, „de kuip heeft van 3 Maart tot 11 Mei 1883 verloren 0.23 M. (zie brief aan B. Troost van 13 Mei) van

3 Maart tot 25 Juni 1883 verloren 0.64 M. (zie brief aan idem 25 Juni) van 3 Maart tot 21 Juli verloren 0.98 M. (zie brief aan idem 22 Juli ’83). Het antwoord op die brieven van den Heer Troost aan den Directeur vindt men niet en is van de afzending dier brieven of de antwoorden daarop niets in de notulen te vinden.

In een brief van 19 Juni ’83 schrijft de Heer B. Troost:

„In de maand Augustus vervalt de 2e termijn voor v. d. Kuyl en zal ik, nadat het ontbrekende zal zijn hersteld, een mandaat daarvoor afgeven,

De laatste termijn volgt dan nog 6 maanden later, wanneer alles zich goed zal hebben gehouden, en zal dan de tijd daar zijn, om te besluiten over de herhaalde aanvragen van dien aannemer, om kwijtschelding en restitutie der reeds vroeger beloopen boete;

[9]

in de notulen van 28 Juni ’83 wordt die brief vermeld met weglating van, nadat het onbrekende zal zijn hersteld (Mocht dat de Commissie niet weten ?).

Bij de stukken worden wel brieven van B. Troost gevonden, d.d. 8 Maart ’83, 23, 26 April, 16 Juni, 4, 8 Juli, 17 Oct. ’83; doch daarin wordt geen melding gemaakt van waterverlies of lek.

Den 17 Febr. 1884 schrijft B. Troost, „dat hij Donderdag of Vrijdag te Kampen zal zijn om den nieuwen gashouder met kuip, waarvan de onderhoudstermijn is verstreken, te inspecteeren. Met het certificaat van den laatsten termijn zal hij dan tevens advies geven voor de boete.’’

Die inspectie is zeker niet gunstig geweest; de notulen zwijgen echter van die inspectie; ook is volgens de notulen geen rapport ingekomen bij de commissie. Wel is er een brief van Troost d.d. 6 April, waarin aan ’t slot voorkomt: „met mijn rapport wacht ik nog eens; de waterdichtheid blijft voortdurend goed, zoodat ik hoop, dat alle zwarigheid is opgeheven.

Resumeerende is mij dus gebleken, dat de 1e termijn aan M. v. d. Kuijl is betaald op mandaat door B. en W. afgegeven, zonder toestemming of zonder gevraagd advies van de gascommissie, terwijl de aannemer niet had voldaan aan de bepaling van het bestek, vervat in art. 4, waterdicht opleveren; het certificaat van B. Troost was dus onwaar, dat ook de 2e termijn is betaald door Burg. en Weth. 15 Oct. ’83 zonder toestemming van de gascommissie; deze termijn had volgens de voorwaarden van het bestek en volgens schrijven van Troost reeds in Aug. moeten betaald zijn, terwijl duidelijk blijkt, dat de verklaring, door den Heer Troost afgegeven, onwaar is,

[10]

dat in mindering van den 3e termijn door Burg. en Weth. 12 April ’84 een mandaat is afgegeven voor f8856.— zonder verklaring van den Heer B. Troost en zonder toestemming of advies van de Commissie, terwijl 1 Maart ’84 in de vergadering der Commissie was besloten, dat alle betaling door haar zouden worden gefiateerd, dat voor het restant van den 3e termijn door Burg. en Weth. een mandaat is afgegeven groot f2367 gedateerd 4 Juni ’84, dat deswege in de Commissievergadering 30 Mei ’84 op advies van Bruinisse Troost is besloten het restant uit te betalen.

In deze vergadering was het lid Boele afwezig, dat echter de Commissie toen niet, door den Heer Troost, noch door den Voorzitter, die blijkens vroegere certificaten, telegrammen en brieven, wel bekend was met het lekken der kuip, daarmede schijnt te zijn in kennis gesteld.

(In diezelfde vergadering wordt besloten, aan den Heer Troost het restant van zijn salaris à f3824.30 uit te betalen) — dat de Directeur, blijkens brieven en aanteekeningen, wetende het herhaalde lekken der kuip, dat aan de Commissie heeft verzwegen, except in de vergadering van 23 Juni ’83, toen het als iets onbeduidends is voorgesteld.

Dat het de Commissie in de vergadering van Sept. 1886 is gebleken, dat de directeur wist, dat het lek in 83 en 84 door het inwerpen van paardenmest en cement is gestopt; (van dit feit is vroeger aan de commissie geen melding gemaakt.)

(De Heer Troost adviseert ook thans, tot dat middel voorloopig toevlucht te nemen.) Dat het middel, toen toegepast om het lek te stoppen, een tijdelijk

[11]

redmiddel, maar geene afdoende herstelling mag heeten, zooals de verklaring van den Heer Troost aangeeft.

Dat de Gemeente door deze treurige aangelegenheid schade lijdt en nog meer schade zal lijden, door het aanbrengen van volkomene herstellingen. Dat de kuip thans 5 c.M. per dag waterverlies heeft, en het pompen tot aanvulling van dat waterverlies minstens f 10.— per week bedraagt enz. enz.

Een en ander komt mij als lid der Commissie zóó vreemd voor, dat ik de eer heb aan de Commissie voor te stellen, een rechtsgeleerd advies te vragen of de schade, die de Gemeente daardoor ondervindt en lijdt, ook op deze of gene is te verhalen.

In verband hiermede zal m. i. nog onderzoek moeten gedaan worden, of de Directeur nog brieven heeft van den Heer Troost, of van den vorigen Burgemeester, hetgeen uit de stukken schijnt te blijken; verder of het copie-brievenboek van den Directeur, en de notulen van Burgemeester en Wethouders ook nog inlichtingen kunnen geven ten opzichte van brieven van Troost of v. d. Kuijl aan hen gericht, en stel ik voor aan eene Commissie op te dragen een nader onderzoek in te stellen enz.

Hoogachtend

Uw Medelid,

W. G. BOELE.

Kampen, 20 Dec. 1886.

Category(s): Geen categorie
Tags: , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *