Jelis Knijff en Jelis Jelissen, kistenmaker in Zwolle en beeldsnijder te Kampen


|pag. 72|

Jelis Knijff en Jelis Jelissen, kistenmaker inZwolle en beeldsnijder te Kampen

Dirk J. de Vries

Het Zwolse Gemeente Archief bezit een uit 1560 daterend ontwerp van een schouw bestemd voor de raadzaal in het stadhuis (afb. 1).1 [1. Gemeente Archief (GA) Zwolle. TT 143, inkttekening 573 x 415 mm met grijze schaduwing. Met vriendelijke dank aan drs. Jeanine Otten die hielp bij de bestudering van het origineel.] Tot uitvoering in deze vorm is het nooit gekomen. Het ontwerp bleef anoniem, hoewel Erwin Panofsky in 1959 een toeschrijvingspoging deed.2 [2. E. Panofsky, ‘Introducing Benignus Campus with an excursion on three allegorical drawings probably copied after Antoine Caron’, Gazette des Beaux-Arts, Tombe LIII, 101(1959). pp. 259-270. Hij voert hierin de Keulse kunstenaar Benignus Campus op maar heeft geen historische argumenten voor activiteiten in de IJsselstreek.]

Afb. 1. Patroen van den schorsteen up die Raetkaemer - Anno domini 1560 - voor de raadzaal in het stadhuis van Zwolle, inkttekening toe te schrijven aan mr. Jelis Jelissen uit Kampen (Gemeente Archief Zwolle, foto Th.J. de Vries)

De tekening van de schouw is één van de oudste, bewaard gebleven ontwerpen van een interieurstuk in de Noordelijke Nederlanden.3 [3. Het ontwerp van Colijn de Nole voor een schouw in het Utrechtse stadhuis (Klein Lichtenberg) dateert uit 1553. Duidelijk blijkt dat hij niet alleen de uitvoerder maar ook de maker van het ontwerp was: "Colyn de Nole beeltsnijder, betailt die somme van twee ponden uuyt saicke hij duer beveel vanden oversten gemaict ende gelevert heeft gehadt een patroen waernae hij presenteerde een schoersteenmantel te maicken in de nye Camer van Cleyn-Lichtenberch. waervoer hem voer zyn arbeyt toe gevoucht is, alles vermoegens die belieftenissen des Rayts in date voirs. [30 okt, 1553] ende quytantie daertoe dienende, die voirgenoemde somme van 2 pond". M. Casteels. De beeldhouwers De Nole te Kamerijk, te Utrecht en te Antwerpen. Verhandelingen van de Kon. Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Klasse der Schone Kunsten. Nr. 16, Brussel 1961, p. 220.] De voorstelling past bij een reeks verbeteringen in en aan het oude stadhuis van Zwolle. Het Raadhuis werd samen met het Wijnhuis en de daarachter gelegen Raadstoren en Latijnse School tegen het midden van de 15de eeuw gebouwd.4 [4. G. Berends. ‘Het oude stadhuis van Zwolle’, Overijsselse Historische Bijdragen 95 (1980), pp. 94-117.] Zowel van de 15de-eeuwse nieuwbouw als van de aanpassingen in de 16de eeuw zijn vrij complete rekeningen in het archief beschikbaar.5 [5. Inmiddels zijn (complementair) de volgende rekeningen uitgegeven door F.C. Berkenvelder (m.m.v. S. Elte en W.A. Huijsmans) onder de titels Maandrekening van Zwolle 1399-1450, Zwolle 1970-1996 en Jaarrekening van Zwolle 1402-1410, Zwolle 1994-1997.] Deze bronnen bevatten echter geen expliciete uitgave voor een Patroen van den schorsteen up die Raetkaemer zoals onder de tekening geschreven staat. Toch kan uit de posten herleid worden wie er bij de verbeteringen betrokken waren, welk aandeel de in-en uitheemse ambachtslieden hadden en hoe ze in hiërarchie stonden ten opzichte van hun opdrachtgevers. Via zo’n contextuele benadering over een groot aantal jaren is het mogelijk de ontwerper, tevens de beoogde uitvoerder, te introduceren.

Werken aan het Zwolse stadhuis

Vanaf de bouw halverwege de 15de eeuw vindt aan de stedelijke gebouwen jaarlijks onderhoud plaats door lokale timmerlieden, leidekkers en glazeniers. Eén eeuw later ondergaan diverse ruimten van het oude stadhuis echter een meer ingrijpende opknapbeurt. Een en ander leidt zowel tot verbetering van het aanzien als tot vergroting van het comfort. Daarnaast zal rivaliteit met nabijgelegen steden een rol hebben gespeeld. Kampen kreeg namelijk een prestigieus nieuw raadhuis omstreeks 1545. Hasselt volgde in 1550. Zwolle had in de eerste helft van de 16de eeuw een ongelukkige oorlog met Kampen gevoerd (1521), krabbelde na de instelling van het centrale gezag onder Karei V (1528) weer op maar werd geconfronteerd met branden in het klooster Bethlehem (1546) en de aan Michael gewijde hoofdkerk (1548). In 1559 werd de vrede met Frankrijk (Vrede van Le Cateau Cambrésis) afgelezen en Philips II liet zich nadien vervangen door de nieuwe landvoogdes Margaretha, reden voor vreugdevuren: gecofft uth beueell van schepen ende raidt tot ein bewijs van bleytschap 4 theer tonnen, dair tho 4 q teers, dair tho 3 ribben dairup die tonnen gesat worden, Johan scheltzen und syn huysse dieselue tonnen gehaelt, bereit und up verscheiden plaetzen upgericht und angesteecken.6 [6. G.A. Zwolle, AAZ01-1691, p. 36 (3de mnd. 1559).]
In die tijd levert onder anderen Lambert Stuerman Bentheimer zandsteen ter reparatie van de loiue (uitbouw) op de Raadhuistoren. Stadsmetselaar meester Henrick bewerkt

|pag. 73|

daartoe de blokken samen met o.a. Michiel Bartolssen, een steenhouwer die in 1550 de leiding had bij de nieuwbouw van het stadhuis te Hasselt.7 [7. J. ten Hove, Het stadhuis van Hasselt, Kampen 1993, pp. 22-23.] Deze Bartolssen behoort tot een groep ambachtslieden en kunstenaars die waarschijnlijk op verschillende locaties in de Noordelijke Nederlanden werkten aan belangrijke projecten.

Het administratief centrum van de stedelijke boekhouding was de Schrijfkamer waar de cameraars zetelden. De onderkelderde ruimte bevond zich direct achter het Meentehuis in een smalle aanbouw die in de 19de eeuw nog Secretariskamer heet en pas in 1973 gesloopt is (afb. 2). In 1556 zorgde Gelis Kniff, kistemaicker, voor zes nieuwe ramen in die Schriffcamer en kwamen op de lezenaars, pulteren, nieuwe planken. In aansluiting hierop zorgde Henrick Janssoen, glasemacker, voor acht nieuwe glas-in-loodpanelen waarvoor hij speciaal glas gebruikte, respectievelijk 30 voet Normandijs en 26 voet Borgonis glas.8 [8. G.A. Zwolle, AAZOl-1915, pp. 85 en 90 (8e en 9de maand van de Maandrekening 1556).] Per voet kostte het Normandische glas 5 en het Bourgondische glas 4 Brabantse stuivers. Met het oog op de gewenste lichttoetreding in de kamer kan men zich voorstellen dat het hier om relatief helder glas gaat, zonder de gebruikelijke nogal sterke groene zweem.
Terwijl Jan Euerssen zomer 1559 grauwen stien voorbereidt ten behoeve van de Schrijfkamer breekt Jacob Gerssen de ruimte uit.9 [9. G.A. Zwolle, AAZ01-1559. pp. 57 e.v. (v.a. 7de mnd. 1559).] Meester Ewolt schildert in de zomer acht vinsters (luiken) van de kamer groen terwijl meester Henrick begint met de herinrichting en naar Amsterdam reist om daar 600 blauwe fluirstiene te kopen om het Meentehuis en de gang voor de Schrijfkamer te plaveien. Ten behoeve van de Schrijfkamer wordt een natuurstenen schouw aanbesteed voor een relatief klein bedrag van 5 daalders: Item Bistelinx dochter Man anbestadet van synen steen thouwen den schorsteen an die schreijfcamer vor viff enck. daler ende 12 st.b. vor die liste f6 gg 7 st.10 [10. G.A. Zwolle, AAZ01-1691, p. 66 (10de mnd. 1559).] De schoonzoon van Henrick Bisselinck, een oudere ‘klusjesman’, levert de natuursteen voor de schouw maar de post meldt niet wie het steenhouwerswerk verrichtte. Het ligt echter voor de hand hierbij aan de stadsmetselaar mr. Henrick te denken. Rond de Schrijfkamer gebeurt nog meer: er komen 3 dubbelde raempten, kozijnen voor 2½ goudgulden plus tien nieuwe glas-in-lood panelen van mr. Johan Staes, holdende 106½ voet 5 st.b. ƒ 19 gg 6½ pl. Voor de Schrijfkamer bevindt zich een loiue, een uitbouw of erker waaronder ook twee nieuwe glas-in-lood panelen aangebracht worden.

Afb. 2. Stadhuis Zwolle, zuidelijke aanbouw van het Meentehuis met links daarin de Schrijfkamer the in 1973 gesloopt werd; geheel links op de b.g. de vensters van de raadzaal (foto Th.J. de Vries, circa 1960)

|pag. 74|

Het is opnieuw Celis Kniff die in 1559 de Schrijfkamer van beschot (wagenschot) voorziet en enkele banken plus een portaal vervaardigt.11 [11. G.A. Zwolle, AAZ01, p. 84 (13de maand 1559), totaal 65 voet a 20 Brabantse stuivers, samen 46 gg 3½ st. 2 pl. waaraan voor 11 goudgulden ijzerwerk toegevoegd wordt.]
Deze werkzaamheden hebben te maken met fijne houtbewerking, met het ambacht van een meubelmaker, in die tijd kistemacker genaamd.

Wie was Jelis Knijff en wat deed hij nog meer voor de stad Zwolle?
Het vervolg van de rekeningen toont nog andere bezigheden van Jelis voor de stad. In de derde maand van het jaar 1560 wordt Kniff betaald voor meubelmakerswerk: twie taeffelen, drie schabellen, 2 sittens, een schabell taefell ende dat beschot by dat cruitzwerck in die schriffcamer.12 [12. G.A. Zwolle, AAZ01-1919, p. 46 (3de mnd. 1560).] Het geheel bedraagt circa 19 goudgulden en het is niet eens zeker dat het hier om de voornoemde Jelis Knijff gaat. Een jaar later duikt namelijk ene Albert Knijff in de rekeningen op. Laatstgenoemde maakt dan een wagenkist, twee nieuwe ramen in het stadhuis en vensterluiken in de keuken van het Mosterthuis.13 [13. G.A. Zwolle, AAZ01-1919, pp. 154, 166, 172 (1561. resp. 5de. 7de en 8e maand).]
De voor de hand liggende bloedverwantschap is op grond van het kaartsysteem in het Zwolse archief niet aan te tonen.
Voor zover bekend, verricht Albert Knijff alleen kistenmakerswerk 14 [14. Albert Knijff maakt in 1570 vensters (luiken) in Johan van Loens toren, op de Kamperpoort en het Meentehuis (G.A. Zwolle, AAZ01-1921, p. 88 en 106 (resp. 8e en 10de mnd. 170) en It. Albert knijff hefft vijff Schermen gemaickt, kost dat stucke, dat eene duere dat ander 20 st.b. f 3 gg. 16 st.b. (12de mnd., p. 118) waarop later stadswapens geschilderd worden (13de mnd., p. 127).
It. albert knijff gemaickt dat boert omme die ordinantie van die Schippers wesen up een brett gelymt 4 st.b.... Albert knijff van wagenschotte gemaickt drie vensteren an des Scherprichters Bonne... albert knijff een doere gemaickt up dat wacht toernken by Johan Meinen toerne... G.A. Zwolle, AAZ01-1921, p. 177, 234, 249 (resp. 1e 10de en 12de mnd. 1571).
Albert knijff gemaickt drie vensters up Sassenpoerte vijff voet ruijm lanck, ende aldaer een vermaeckt. It, noch up Tonnis toern een nije venster kisten f 3 gg. G.A. Zwolle, AAZ01-1921, p. 319 (6de mnd. 1572).]
en heeft hij evenmin een meestertitel. Voorlopig kan hij tot 1578 getraceerd worden in Zwolle, waar hij kennelijk woonde omdat hij onder oorlogsomstandigheden in 1572 twee verkenningen verrichtte voor de stad.15 [15. It. den 25 September uthgesant om kunde Albert knijff tot Raelte, ende Tonnis schorstienveger toe heine [Heino] bet. Int uytgaen elck 4 st.b... Item albert knijff betaelt up konde 10 st.b. G.A. Zwolle, AAZ01-1921, p. 340 en 355 (resp. 8e en 10de mnd. 1572).]

In 1563 kan Jelis Knijff opnieuw en met zekerheid getraceerd worden in verband met muurkasten in de keuken van het stadhuis; vanaf dit moment zien we dat hij de meester-titel draagt: mr. Jelis Knijff kistemaicker gegeven van die spinde te maicken in die kockene...16 [16. G.A. Zwolle, AAZO1-1919. p. 476 (13de mnd. 1563).]
In de Michaelskerk laat de stad in 1564 werken aan een Catharina-altaar 17 [17. In de Jaarrekening van 1564 (G.A. Zwolle. AAZ01-1692, z.p.) staat: Item den Wyelbisschop van Utrecht, knijff, geschenckt voer dat wyen van Sancte Catharinen althair 4 g Ende hem noch geschencket vant vormen nae older gewoonthe 2 Chrisforster gulden f 6 gg 10 st.b..
Het moet hier om Johannes Knijff, O.Min, gaan, cooptator van de Utrechtse bisschop en beoogde bisschop van Groningen, zie J.F.A.N. Weijling. Bijdrage tot de geschiedenis van de wijbisschoppen van Utrecht tot 1580. Utrecht 1951. pp. 308-310.]
en aan een nieuw schepengestoelte. Mr. Henrick verricht daartoe het nodige grondwerk terwijl mr. Christofer de kussenwercker zes nieuwe kussen vervaardigt. 18 [18. Voor het ontwerp van de kussen krijgt Mr. Jasper (van Condijt) betaald van dat patroen van dat kussenblatt, bij Mr. Jasper geschildert ende untworpen f 12 st.b. (G.A. Zwolle AAZ01-1919, p. 475; 3de mnd. 1564). Voor de uitvoering is mr. Christoffer verantwoordelijk: mr. Christoffer kussenmaicker hefft gewevet 6 stadt kussenblaede a 35 st.b. f 7 gg 11 st.b. (5de mnd. p. 485). Item bauen sint 6 kussenen tho reeckenschap gebracht daertho noch untfangen 2 kussenen ende voer elck kussen betaelt als bauen f 2 gg 13 st.b. (6de mnd., p. 492).
Item betailt Mr. Christoffer kussenwercker van een kussenblatt metten stadt waepen ende helm tecken f 2 gg bet. (7de mnd. 496); met dank aan drs. F.C. Berkenvelder voor de aanvulling op de tekst.]

Daarna treedt mr. Jelis aan: Item Mr. Jelis knijff hefft angenaemen dat nije gestoelte te maicken int nie schepenen capelle ende sall hebben van ellicken voet 20 st.b. dairup hem betailt 21[= 31!] voet f 22 gg 4 st.b..19 [19. G.A. Zwolle, AAZ01-1919, p. 481 (4de mnd. 1564).] Twee maanden later volgt de eindafrekening met mr. Jelis:
Item die nije schepen gestoelte is groet 57 voet, van elck voet bethaelt 20 st.b., waarvan bauen ther reeckenschap gebracht 31 voet, rest 26 voet, elck voet als baeuen, it. noch hefft knijff verdient 30 st.b. an sancte Catharinen altaer ende an dat pestileneen huisken int tsamen 19 gg 18 st.b. Item noch knijff bestaet twie spintgens int sittenwerck f 15 st.b.20 [20. G.A. Zwolle, AAZ01-1919, p. 492 (6de mnd. 1564).] Van dit meubilair bleef helaas niets bewaard. Aan de oostzijde (koor) van de Michaelskerk bevindt zich echter een uitbouw, vóór de restauratie van een verdieping voorzien, die het pestlijdershuisje wordt genoemd. Een eveneens nogal sterk gerestaureerde zandstenen lantaarn heeft een detaillering die in de 16de eeuw zou kunnen passen. In 1565 volgt de aanbesteding van een stadswagen waarbij die ledders vanden voirss waegen bestaedet an m. Elys knijff met een waegen kiste, twie bencken sonder dat ijserwerck ende dat snit werck sall hij becostigen f. 9 gg.21 [21. G.A. Zwolle, AAZ01-1920, p. 129 (13de mnd. 1565). Item tho den waegen laeten maicken 9 pundt touwes tot repen ende leisell dat punt 2 st.b. ende vier zelen tstuck 3 st.b. f 1 gg 2 st.b. Item den vurss waegen bestaet an mr. Jasper schilder swart te varwen die kiste ende bancken mede te verwen, voertz beide groete slangen [kanonnen] die laeden met oly verwe roet te verwen ende der stadt waepen daer up te stellen f 4 gg 21 st.b. (13de mnd. p. 129).]

Na het Raadhuis volgt in 1567 het Mosterthuis, het meest zuidelijke pand van het stadhuiscomplex, genoemd naar de laatste particuliere bewoner. Johan van Benthem levert het kruisswerck, de nieuwe kruisvensters van Bentheimer zandsteen,22 [22. G.A. Zwolle, AAZ01-1920, p. 322 (4de mnd., 1567) 100 voet kosten 7 Philips gulden.] waarop Meister Jelis Knijff gemaickt die venster, glaesramen ende doere unde etlich sittenwerck in Mostershuis hem te saemen by den Cameners anbestaet voer 24 Carolus gulden ft. 17 gg. 4 st.b. Item Mr. Johan Staes die glaesen gemaickt in Mostershuis in die raemten int voerhuis, dieselue die Cameners hem anbestaet, die voet voer 2 st.b. f 14 gg. 1 st.b. It. Mr. Jasper Schilder in Mostershuis die doeren, vensters ende Raemten groen geverwet, dairan verdient 5½ gg.23 [23. G.A. Zwolle, AAZ01-1920, p. 339 (7de mnd. 1567).]
Het valt op dat de glas-in-lood panelen in deze tijd niet meer direct (alleen in de bovenste) openingen van de kruisvensters worden geplaatst maar aan de binnenkant, in raemten. In de catalogus Kunst voor de beeldenstorm brengt men het ontwerp van de schouw in verband met gebrandschilderd glas, eveneens uit Zwolle afkomstig.24 [24. J.P. Filedt Kok, W. Halsema-Kubes en W.Th. Kloek (eds.), Kunst voor de beeldenstorm. Noordnederlandse kunst 1525-1580, ‘s-Gravenhage 1986, pp. 300-301.] Het ligt voor de hand dit soort prestigieus werk aan de bovengenoemde meester Johan Staes toe te schrijven. Zijn opdrachten liggen in dezelfde sfeer als die van mr. Jelis en zijn duidelijk exclusiever dan het jaarlijks opstoppen en vernieuwen dat andere lieden voor de stad mogen doen. In deze latere jaren wordt al het werk via aanbesteding aan mr. Jelis gegund, hetgeen mede als een blijk van vertrouwen kan worden opgevat (hierop komen we terug). In 1569 volgt het Wijnhuis: an Eelis knijff bestaedet twie raemten upt wijnhuis van een ijder gegeven 2½ gg f 5 gg. waarin 8 glasen, dat wil zeggen glas-in-loodpanelen aangebracht worden.25 [25. G.A. Zwolle, AAZ01-1920, p. 545 (5de mnd. 1569).] Hieruit volgt een beeld van twee grote kruisvensters, ieder met vier achterzetramen.
In hetzelfde jaar volgt een laatste opdracht, voor zover de rekeningen spreken, voor Knijff: Item Elys Knijff an bestadet eenen nyen stoell inder Schoelen up des Rectoers plaetze mit een pullempt dair voer betaelt 5½ gg.26 [26. G.A. Zwolle, AAZ01-1920, p. 586 (13de mnd., 1569).] Het moet hier om een lezenaar met een stoel gaan, bestemd voor de rector van de beroemde Latijnse school die achter het Zwolse stadhuis gelegen was. In dat jaar was mr. Johan van Lingen rector van de school.27 [27. J. Frederiks, Ontstaan en ontwikkeling van het Zwolse schoolwezen tot omstreeks 1700, Zwolle 1960, pp. 152-156. Zijn Latijnse naam luidde Johannes Lingius. In die periode waren er zo weinig leerlingen op de school dat Van Lingen en andere docenten financiële compensatie vroegen aan het stadsbestuur.]

Het valt op dat de naam van Jelis Knijff in de bronnen sterk verschillend wordt gespeld, afwijkender althans dan gemiddeld gebruikelijk binnen ruime taalkundige marges van het lokale middelnederlands. Dit maakt identificatie lastig.
Jelis Knijff staat in Zwolle met regelmaat en gedurende een lange periode in de stedelijke rekeningen vermeld. Het gaat niet over de eerder genoemde uitgaven voor onderdelen van het stadhuis, maar het betreft boetes, opbrengsten uit koeren.
Van 1531 tot en met 1575 betaalt hij geregeld boetes,28 [28. Uit het kaartsysteem van het G.A. Zwolle onder (G)e(e)li(j)s(s) Kni(j)ff in de jaren 1531, 1532, 1533, 1535, 1541, 1542, 1544, 1545, 1547, 1548, 1550, 1554, 1555, 1556, 1557, 1558, 1560, 1563, 1564, 1565, 1566, 1567, 1568, 1569, 1570, zijn vrouw in 1573, 1574 en 1575.] doorgaans bedragen van één of twee pond. De reden van betaling wordt helaas niet vermeld.29 [29. Over deze keuren in algemene zin: F.C. Berkenvelder, ‘Johan van den Mynnesten als schilder-diplomaat’, Verslagen en Mededelingen ORG 89 (1974), pp. 40-42.] Knijff was burger van Zwolle. Volgens het Burgerregister van die stad verkrijgt Jelys Knijff in 1531 namelijk het burgerrecht, waarbij Georgen van der Nijekercke borg voor hem staat.30 [30. G.A. Zwolle, AAZ01-412, p. 44. Omgekeerd staat Jelijs in hetzelfde jaar borg voor Georgen van der Nije(r)kercke(n).]

|pag. 75|

Ruzie in Kampen
Een andere bron laat weten dat Jelis Knijff op 8 oktober 1545 aanzat in de wijnkelder naast het eerder in dat jaar verbrande raadhuis te Kampen. Waarschijnlijk ten gevolge van een lekkende schoorsteen waren op vastenavond van dat jaar de oude, met wagenschot betimmerde raadkamer en de raadhuistoren volledig uitgebrand.31 [31. W. Nagge, Historie van Overijssel II, Zwolle 1908, pp. 168-169 (uitgegeven door F.A. Hoefer).] Diverse ambachtslieden uit Kampen en van buiten de stad waren betrokken bij de herbouw.32 [32. Chr. J. Kolman, Naer de eisch van ’t werck. De organisatie van het bouwen te Kampen 1450-1650, Utrecht 1993, pp. 269-273.]
Het werk werd zowel in dagloon als in termijnbetalingen na aanbesteding vergoed, zo ook de inbreng van kistemaker mr. Vrerick, Colijn de Nole, oorspronkelijk afkomstig uit Kamerijk, zou de natuurstenen schouw leveren vanuit zijn woonplaats Utrecht (afb. 3).
Op de bewuste avond van 8 oktober zaten Vrerick en Colijn aan een tafel, samen met Herman Glasemaker, Hendrick van Amedonk, chirurgijn, en Knijff van Zwolle. Er ontstond een woordenwisseling en daarop volgde een gevecht. Colijn de Nole getuigt: Ende soe sie ouer sich woerden hadden van der kunste, sachte mr. Vrederick voersz., hy wolde den gulden passer wthangen, daermede hij toenen wolde, meyster toe syne boeuen allen anderen. Ende sachte oick, hy hadde van

Afb. 3. Schouw van kalksteen (Baumberger ?) in het Raadhuis van Kampen door Colijn de Nole 1543-’45 (foto RDMZ 1993)

der stadt warck angenoemen, ende soe veer hij wuste dat hy tselue niet en solde oft muchte vollbrengen, ende een anderen in synen plaetse angenoemen solde worden, soe wolde hy allent en stucken slaen dat hy daer an gewrocht hadde, ende sachte hy wolde der stadt oer warck maicken ende leueren, alst hem gelieuede, want hij hadde Saters [charters] daer inne die stadt sich hadde verbonden ende hy niet.33 [33. J. Nanninga Uitterdijk, ‘Meester Frederik, de vervaardiger van ‘t snijwerk op het oude Raadhuis te Kampen’, Bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel V (1879), pp. 247-255 m.n. p. 249.]

Wat is hier aan de hand? Deze passage bevat allerlei informatie die thans beter geplaatst en verklaard kan worden dan in eerdere publicaties, nu we weten wie deze Knijff was. Recentelijk constateerde Kolman dat een deel van Vrericks werk inderdaad aangenomen, dus per contract vastgelegd was, maar het meeste daarvan in daghuur uitbetaald werd.34 [34. Kolman 1993, p. 271.] Het enige contract met hem dat bekend is, werd waarschijnlijk tijdens de uitvoering afgesloten en had betrekking op vierkant werck, de banken langs de kant. Doel was het gereedkomen daarvan alsnog te bevorderen via een contractuele binding.35 [35. Kolman 1993, p. 271.]
Andere getuigen meldden dat Vrericks tafelgenoten schamper woorden toespraecken, ende dat Mr. Vrederick daeromme sede: weert saicke dat die heeren van Campen [het stadsbestuur] dat werck twelck zy hem aenbesteedet hadden nyet en solden laeten volbrengen ende by hem volmaecken, soe were vuell verloeren onkosten gedaen, wanttet holt meer gekost hadde toe zaegen. Ende soe hy dat werck vast begonnen hadde, soe verhoepte hy sich tot de heeren van Campen well, dat zy hem dat solden laeten volendigen.36 [36. Nanninga Uitterdijk 1879, p. 254.]
Het is denkbaar dat mr. Vrerick ondanks het voorbereidende zaagwerk nog niet aan zijn verplichtingen kon voldoen en dat het stadsbestuur zinde op maatregelen. Door de wijze van opdrachtverlening aan verschillende kunstenaars in daghuur of via kleinere aanbestedingen, werd het risico van in gebreke blijven gespreid. Een andere kistenmaker, meester Zweer, was immers verantwoordelijk voor het maken van de sleutelstukken onder, en het golvende houten tongewelf boven de trekbalken in de raadzaal.37 [37. Kolman 1993, p. 271.] Zweer ontving daarvoor tenminste 333 herenpond maar beklaagde zich toch twee maal over zijn honorering waarop hij totaal 33 herenpond extra bedong.
Alleen Colijn de Nole had kennelijk een gunstig contract afgesloten voor het hele project. Het stadsbestuur betaalde hem voorde schouw ten minste 384 herenpond.38 [38. Kolman 1993, p. 269.]
Onder omstandigheden ervoer mr. Vrerick de aanwezigheid van kistenmaker Jelis Knijff waarschijnlijk als een bedreiging, hoewel het gevecht aanvankelijk tussen Herman glasemaker en Vrerick ging. Het lijkt echter geen toeval dat Vrerick, in een poging Herman met een mes te verwonden, juist Knijff in de hand trof, nadat hij eerder tegen zijn tafelgenoten had geroepen: ghy synt verreders, ende ick will bv v niet sitten!
Officiëel ging het vechtsel tussen M. Vreryck ende M. Knijff van Zwolle, hoewel zowel Colijn de Nole als Henrick van Amedonck en zijn knecht getuigden dat Knijff buiten de woordenwisseling stond. Pas nadat hij gewond was, greep Knijff Colijns rappier, die op de bank lag, en ging daarmee Vrerick te lijf, volgens sommigen om zich te verweren.
Andere getuigen zagen dat Knijff mr. Vrerick met twee houwen ontwapende en hem myt syn bloote mess rontomme der

|pag. 76|

taeffelen dreef onder het uitroepen van: du bouff du salste steruen.39 [39. Nanninga Uitterdijk 1879, pp. 252-253.] Colijn de Nole was duidelijk op de hand van Jelis Knijff. Hij maakte geen bezwaar toen Jelis zijn zwaard greep en noemde hem in zijn getuigenis onschuldig. Toen Colijn probeerde de strijders te scheiden, beet Vrerick hem toe: wat wilt ghy luesebusch hebben?40 [40. Nanninga Uitterdijk 1879, p. 251.]
Verder springt in het oog dat alle getuigen Vrerick een ‘meester’ noemen maar Knijff niet, uitgezonderd in één van de aanheftitels van de protocols. Tevens opvallend is dat er tijdens de ruzie in de wijnkelder ook knechten van de lokale meesters aanwezig waren maar dat zij niet aan dezelfde tafel zaten. Johan getuigt als knecht van chirurgijn mr. Hendrick en Johan Mensen als knecht van meester Vrerick. Hoewel de laatstgenoemde het vergaand voor zijn meester opneemt, veroordeelt de raad mr. Vrerick tot het betalen van de boete die Knijff eerder opgelegd kreeg. Jelis Knijff werd op deze manier recht gedaan.

Jelis Jelissen, beeldsnijder te Kampen

De Zwolse maandrekeningen van 1559 bevatten een post die ons op het spoor van de Kamper Jelis brengt, iemand die de meester-titel draagt en het vak van steenhouwen beheerst:
Item bestadet mit consent vanden Cameners an M. Gelis beldeschnider tcampen twie pyliers mit die tortuisen ende belden darup toe houwen gecomen vor dat wynhuus om Justitie criminaill darinne thalden, gecostet ft. 25 gg 2½ st. 21 2½ pl.41 [41. G.A. Zwolle, AAZ01-1691, p. 84 (13de mnd 1559).]
Het is vrijwel de laatste uitgave van schepen Wulff van Ittersum, als timmermeester in de dertiende maand van 1559 belast met de bouwzaken van de stad. Volgens de huidige tijdrekening heeft de betaling in januari van het jaar 1560 plaatsgevonden, net vóór het nieuwe politieke jaar dat in Zwolle begint op Paulo conversio, dat wit zeggen op 25 januari.42 [42. Berkenvelder 1996, pp. III-IV.]
De genoemde pijlers hebben te maken met rechtspraak die vóór het Wijnhuis in de open lucht bedreven werd. De belden, naar verwachting gehouwen voorstellingen zijn denkbaar als bekronende beelden boven op de pijlers of in de vorm van reliefs op de zijvlakken daarvan. Het kan om personificaties gaan, bijvoorbeeld om een voorstelling van Justitia.
Met tortuisen bedoelt men een inrichting om te pijnigen, wellicht een rekbank of martelboom tussen twee pijlers, omdat het volgens de uitgave niet om een enkelvoudige geselpaal gaat.43 [43. W. Schild, Alte Gerichtsbarkeit. Vom Gottesurteil bis zum Beginn der modernen Rechtsprechung, München 1985, pp. 74-76. Met dank aan Koen Ottenheym voor de verwijzing. Het woord tortuisen schept enige verwarring omdat het ook van toepassing zou kunnen zijn op (voorstellingen van) toortsen of een getordeerde vorm (van de pijlers?) suggereert?] De oudheidminnende Zwolse rechter Th. Heerkens noteerde in de 19de eeuw:
“De stoep van dit gedeelte was door een zwaren ijzeren boom afgesloten en voorts met een bank voorzien alwaar onder den bloten hemel tot genoegzaam het laatst der vorige eeuw voor de uitvoering eener lijfstraf de leden uit de regering zitting namen, en aan den veroordeelden het vonnis door den Secretaris wierdt voorgeiesen”.44 [44. R.A. Overijssel, Verzameling Heerkens 1, Zwolle in haren uitwendigen toestand van af haren aanleg tot in dezen tijd beschouwd, p. 86.] De bijbehorende zitbank wordt eveneens in 1559 gemaakt, gezien een uitgave van 9 Philips guldens voor benthemer steen gecomen an die sidtstede vor dat winhuis.45 [45. G.A. Zwolle, AAZ01-1691, p. 66 (10de mnd. 1559).] Stadsmetselaar mr. Henrick brengt tien dagen in rekening om de bank te maken. Waarschijnlijk mag mr. Henrick dit recht-toe-recht-aan werk maken, terwijl de beldesnider mr. Jelis uitvoering geeft aan figuratieve onderdelen. Met de inkorting van het Wijnhuis in 1840 en de latere afbraak van het gebouw, dan wel in een eerder stadium, ging de 16de-eeuwse richtplaats ook verloren.

Timmermeester Henrich van Holte opent de uitgaven van de derde maand in het jaar 1560 met een opmerkelijke post: Item den stienhouwer van campen uth beuell des raitz geschenct 1 dal[der]ft 1 gg 4 st 5½ pl.46 [46. G.A. Zwolle, AAZ01-1919, p. 46.]
Het moet hier opnieuw om mr. Jelis uit Kampen gaan, nu echter aangeduid als steenhouwer. Opmerkelijk is dat er geen materialen of arbeidsloon vermeld staan, zoals gebruikelijk in deze rekeningen. Het is een symbolisch bedragje zonder nadere verantwoording. Men kan hierin tevens lezen dat de gebruikelijke bevoegdheid van de timmermeesters (schepenen) en cameraars gepasseerd wordt door een opdracht van de raad. Het gaat om een unieke, afwijkende gang van zaken in vergelijking met de gebruikelijke wijze van uitbetalen en aanbesteden.47 [47. Waarin men zowel de Maand- als Jaarrekeningen dient te betrekken. De gewone Jaarrekening over 1560 ontbreekt helaas maar de Minuut-Jaarrekeningen zijn wel bewaard. Ter vergelijking zijn alle posten m.b.t. verbouwingen over de periode 1555-’64 geverifiëerd (AAZ01-1691 en 1692).]
In de reeks vernieuwingen aan het stadhuis speelt deze Jelis rond 1560 een bijzondere rol omdat het nu om speciaal steenhouwerswerk gaat. Met het bedragje dat de raad hem als stienhouwer van campen laat betalen kan bezwaarlijk iets anders bedoeld zijn dan een vergoeding voor het in 1560 gedateerde ontwerp van de schouw ten behoeve van de raads-

Afb. 4. Raadzaal Zwolle, schoorsteenstuk met Laatste Oordeel van anonieme schilder en lijst uit 1606 van Sweer Kistemaker (foto A.J. van der Wal RDMZ 1970)

|pag. 77|

zaal. Hoewel de gemeente Zwolle in het bezit kwam van het ontwerp, ging men om onbekende redenen niet over tot de uitvoering. Pas 46 jaar later leverde een nog onbekende schilder een voorstelling van het Laatste Oordeel, gevat in een rijk geornamenteerde houten lijst van Sweer Kistemaker (afb. 4).
In de jaarrekening van 1606 staat onder de bijzondere uitgaven vermeld: Item bet. an den Schilder vor het Oordeel In die Raetcaemer to schilderen 89 gg. 8 st. und an M. Sweer kistemaecker vor het peniel und die lysten 50 gg ƒ 139 gg 8 st.48 [48. G.A. Zwolle, AAZ01-1480, p. 69 (Jaarrekening 1606, Extraordinaris Uitgaven).] In tegenstelling tot de maker van de lijst ging het wat de schilder betreft kennelijk om de lokaal bekende kunstschilder.
Verdergaand contemporain onderzoek in de Zwolse rekeningen zal naar verwachting een toeschrijving kunnen opleveren.

Beschrijving van het ontwerp

Het ontwerp voor de schouw is getekend op een vel papier van 573 x 415 mm en was vroeger in vieren gevouwen. In dorso staat op één van de kwarten nog vaag te lezen Van een schoorsteen op de raadskamer. Dit schrift doet jonger aan dan het onderschrift Patroen van den schorsteen up die Raetkaemer op de beeldzijde dat overeen lijkt te komen met de datering in de laagste, centrale cartouche: Anno domini 1560.
Onder het onderschrift staat enigszins vaag een tekentje dat op de contour van een grote komma lijkt: hierin zou ook de dubbele belijning van een hoofdletter J gelezen kunnen worden.
Hierna zullen we zien dat deze mr. Jelis in Kampen doorgaans te boek staat als Jelis Jelissen, hetgeen interpretatie van het tekentje als een signatuur aannemelijk maakt.
De voorstelling is getekend in bruinzwarte inkt plus een grijze inkleuring voor accenten en schaduwen die steeds rechts van de brekende lijnen liggen (zie achteromslag). Dit komt overeen met de werkelijke situatie waarbij het licht links door grote, op het zuiden georiënteerde vensters valt (links op afb. 2).
Verder valt op dat er een centraal perspectief gehanteerd is om extra diepte aan de voorstelling te geven.

Een uitkragende lijst op consoles draagt een symmetrische, architectonische setting met pilasters en een hoogopgaande middenpartij die door een fries en driehoekig fronton afgesloten wordt. De smallere, flankerende schouderstukken bevatten rondboognissen met daarin beelden van Justitia links (geblindoekt met zwaard en weegschaal) en Prudentia rechts (voorzien van spiegel en slang). Tussen de twee hermen op de middelste pilasters is onder een rondboog de voorstelling van het Laatste Oordeel te zien. De plasticiteit die de nissen en flankerende personificaties kenmerkt, ontbreekt bij het Laatste Oordeel dat kennelijk bedoeld was als schilderstuk.
Op piëdestals boven de hermen, staan achter het fronton ter weerszijden twee geharnaste figuren met vaandels aan hun speren, ieder met het wapen van de stad (afb. 5). De banier van de linker figuur met open vizier toont opnieuw het stadswapen, terwijl de rechter figuur met gesloten vizier een beschaduwde vlag voert. Dit alles staat in het teken van de centrale voorstelling waar de doden op de voorgrond zojuist uit hun graven zijn opgestaan. De uitverkorenen zullen zich

Afb. 5. Detail van het schouwstuk t.b.v. de raadzaal in het stadhuis van Zwolle, Jelis Jelissen 1560 (foto auteur 2000)

ter rechter hand van God de Vader in het licht opstellen en de verdoemden aan de andere, donkere kant. De expressie van de naakte putti op de uitkragende lijst lijkt hiermee verband te houden. In de middenas, op een sokkel boven de Opperrechter staat Michael, de schutspatroon van de stad, die evenals Justitia is voorzien van een zwaard en een weegschaal.
Het geheel wordt verlucht met rolwerk, cartouches en tondi met koppen, griffioenen, leeuwenmaskers, vruchtbundels en vruchtvazen, etc. Rechts van de frontale schouw is een aanzicht getekend met het rechter zijvlak, zonder weergave van het hoekbeeldje of de hoger opgaande middenpartij.

Enigszins gestileerd zien we onder het ontwerp voor de boezemversiering de 15de-eeuwse, nog altijd aanwezige natuurstenen schouw waarvan het frontplaat in de 20e eeuw vernieuwd is. De ontwerper van 1560 nam niet de moeite om de drie wapenschildjes en de flankerende blakers uit 1449 af te beelden omdat deze onderdelen niet tot de opdracht behoorden.
In raadzalen treft men dikwijls afbeeldingen van het Laatste Oordeel aan omdat er recht werd gesproken. De compositie van het Laatste Oordeel op het ontwerp van 1560 komt aardig overeen met het schilderstuk dat mr. Ernst Maeler leverde in 1545 ter bekroning van mr. Vrericks burgemeestersbank in het stadhuis van Kampen (afb. 6) en die van het schilderij uit 1606 te Zwolle. Ondanks woelingen en reformatie is de geschilderde uitvoering van het thema tot in de 17de eeuw nauwelijks veranderd. Het geschilderde, kleurige effect van beide schilderijen is echter heel anders dan de meer lineaire opzet van het ontwerp uit 1560. Het lijnenspel van de figuren op het ontwerp van 1560 doet denken aan enkele muurschilderingen uit dezelfde tijd en omgeving. Het gaat om kerkelijke decoraties die vlak voor de beeldenstorm van 1566 vervaardigd zijn. Gemeenschappelijk kenmerk is een wat puntige en zwierige lijnzetting. Ook de muurschilderingen lijken lineair van (voor)tekening te zijn, voorzien van beperkte inkleuring. Als eerste moeten de flankerende muurschilderingen genoemd naast een niet meer aanwezig orgel tegen de

|pag. 78|

noordmuur van de Zwolse Broerenkerk (afb. 7). De voorstellingen dateren uit 1554 en tonen muzen (?) in nissen en architectonische kaders.49 [49. D.J. de Vries, ‘Kerk en klooster tot 1580’, in: A.J. Gevers en A.J. Mensema [eds.], De Broerenkerk te Zwolle, Zwolle 1989, p. 31.] Ook de voorstelling van een Maria met kind in het zuidelijke nevenkoor van de Bethlehemkerk te Zwolle heeft een vergelijkbare stijl (afb. 8). De datering van deze schildering zal rond 1550 liggen, kort na de brand die in 1546 woedde in de Bethlehemkerk. Tenslotte wijzen we op de voorstelling van het Laatste Oordeel uit 1549 op de noordmuur van de Lebuinuskerk te Deventer (afb. 9).50 [50. E.H. ter Kuile, De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Zuid-Salland, ‘s-Gravenhage 1964, p. 53 en afb. 102.]
Gelet op de beheerste tekenwijze kan men zich afvragen of het ontwerp van de Zwolse schouw niet door een schilder gemaakt kan zijn. Daarvan blijkt echter niets uit de Zwolse rekeningen. Schilders worden rond die tijd alleen betaald voor schilderwerk van hout of steen, hier algemeen aangeduid met stoffieren. Alleen voor het ontwerp van nieuwe kussens doet men een beroep op een schilder.51 [51. Item betailt van dat patroen van dat kussenblatt, bij Mr. Jasper [van Condijt] geschildert ende untworpen f 12 st.b. G.A. Zwolle, AAZ01-1919, p. 475 (3de mnd. 1564).]
Van beeldsnijder Colijn de Nole weten we dat hij in 1553 betaald werd voor het maken van het ontwerp voor een schouw in het Utrechtse stadhuis (zie noot 3). Ernst Maeler zorgde in 1545 voor enig stoffeerwerk van zijn schouw in Kampen. Ook het hoofdgestoelte en de raadsliedenbanken van Meester Vrerick in het Kamper stadhuis zijn voorzien van geschilderde ornamenten. Het is niet bekend of hij ze zelf aanbracht, dan wel dat er een schilder voor ingehuurd werd.
Helaas is het effect van die schilderingen goeddeels verloren gegaan (afb. 10).
De oorspronkelijke natuurstenen frontplaat in het Zwolse stadhuis was geschilderd, gezien een oude foto (afb. 11), Het is een aanpassing of modernisering in de trant van de lijst van 1606 maar dit schilderwerk lijkt, net als de kachel, eerder uit

Afb. 6. Raadzaal Kampen, gestoelte van de twee schepen die tot burgemeester waren gekozen gemaakt door mr. Vrerick en andere gezellen tussen 1543 en 1545; het Laatste Oordeel leverde Ernst Maeler in 1545 (foto A.J. van der Wal RDMZ 1974)

de 19de eeuw te dateren.
Uit dit alles blijkt dat er in de 16de eeuw interacties waren tussen de verschillende ambachten en dal men -ter verhoging van de expressiviteit- niet schuwde van elkaars technieken en vaardigheden gebruik te maken. Dit botste soms met afspraken over beroepsuitoefening, vastgelegd in gildenregels, waarop we later terugkomen.
Tenslotte is nog één onderdeel dat niet afgebeeld is op het ontwerp van 1560. namelijk het viertal gietijzeren haardplaten, aangebracht in de schouw van de Zwolse raadzaal (afb. 12).
Het zijn twee verschillende voorstellingen, iedere plaat met twee figuren boven elkaar: op de twee middelste platen staat IVSTICIA met zwaard en weegschaal boven de stadspatroon Michael. De buitenste haardplaten tonen boven een voorstelling van een gevleugelde FORTITVDO en daaronder een figuur met kelk (apostel?). Datering en maker zijn (nog) niet bekend maar de combinatie van de stadspatroon en de deugden wijst op een exclusief, 16de-eeuws ontwerp voor deze plaats.

Jelis Jelissen in Kampen

De in Kampen bewaard gebleven lijsten van gildemeesters, ambachtslieden die krachtens hun functie burger van de stad moesten zijn, geven de achternaam van mr. Jelis. Bij het Lucasgilde worden in de jaren 1552 en 1561 namelijk respectievelijk Jelis Jelisz. en Jelys Jelysz bildesnider genoemd. 52 [52. J. Nanninga Uitterdijk, ‘Het St. Lucas gilde te Kampen’, Bijdragen tot de geschiedenis van Kampen II (1875), pp. 47-66, m.n. pp. 55 en 56; zie ook G.A. Kampen, OA inv.nr. 309, fol. 34r en fol. 46v.]
Interessant is dat Jelys Jelyssen op 26 oktober 1559 tevens genoemd wordt als gildemeester van het metselaarsgilde en volgens een Kamper stedelijke rekening uit 1562 als steenhouwer een stadswapen vervaardigde.53 [53. Respectievelijk G.A. Kampen, OA inv. nr. 309, fol. 43v en OA inv. nr. 436, vriendelijke mededeling van Chris J. Kolman te Amerongen.] Deze ogenschijnlijke

Afb. 7. Flankerende, geschilderde voorstellingen van muzen(?) in nissen ter plaatse van het orgel tegen de noordmuur van de Broerenkerk in Zwolle, gedateerd 1554 (RDMZ)

|pag. 79|

tegenstelling in vakrichtingen vindt echter bevestiging in een conflict dat Chris J. Kolman in zijn proefschrift over de organisatie van het bouwen te Kampen vermeldt:
"In maart 1557 spanden de gildemeesters van het metselaarsgilde, te weten Henrick Balmaecker en Tyman van Coesfelt, een geding aan tegen steenhouwer en ‘beldesnider’ Jelis".
Tot die tijd viel het ‘subtyl werck’ van Jelis onder het ambacht van de beeldhouwers, sinds 1525 verenigd onder het St.-Lucasgilde. Kennelijk begaf hij zich nu ook op het terrein van het metselaarsgilde, hetgeen overeenkomt met de opdrachten van de stad Zwolle in 1559. Jelis wilde echter niet tot het Kamper metselaarsgilde toetreden. De raad oordeelde evenwel dat de meesters van het metselaarsgilde voor elke overtreding de rechtmatige boete mochten innen, zolang hij zich niet als geaccepteerd lid had aangemeld.54 [54. Kolman, 1993, pp. 96-97. Interessant punt is, dat de gemeenteraad uitspraak doet over de interpretatie van gildewetten en dat vervolgens het benadeelde gilde het recht heeft boetes te innen bij overtreding. Op grond van de autonome stedelijke rechten kan men zich in andere gevallen mogelijk voorstellen dat de stad inner is van een boete, een keur oplegt, bijvoorbeeld waar het overtredingen betreft indien een meester geen burger is of een vrouw die als zaakwaarnemer of weduwe van een elders werkzame meester opereer; vergelijk met F.C. Berkenvelder, ‘De gilden te Zwolle’, Overijsselse Historische Bijdragen 104 (1989), pp. 7-33 of J.C. Streng, ‘Stemme in staat’. De bestuurlijke elite in de stadsrepubliek Zwolle 1579-1795, Hilversum 1997, pp. 60-64.] Uit het voorgaande moge echter duidelijk zijn dat mr. Jelis toch tot het metselaarsgilde toetrad en het daar zelfs tot gildenmeester schopte in het jaar 1559.

Een soortgelijk conflict deed zich in 1532 voor te Utrecht. Colijn de Nole had zich daar in 1530 gevestigd als steenhouwer 55 [55. Kok e.a. 1986, pp. 300-301.] maar werd lid van het zadelaarsgilde waarin schilders en beeldsnijders opgenomen waren. Omdat hij ook beelden in steen vervaardigde, ontstond in 1532 een aanvaring met het Utrechtse steenbikkersgilde. Colijn de Nole weigerde (eveneens) lid van dat gilde te worden en kreeg daarin gelijk.
Zowel in Utrecht als in Kampen werden processen gevoerd en getuigen gehoord. Er waren problemen met de acceptatie van ambachtelijk gezien veelzijdige of juist theoretisch geschoolde meesters, mogelijk ook met vaklieden zonder

Afb. 8. Bethlehemkerk Zwolle, muurschildering hoog op de oostelijke sluitingsmuur van de zuidbeuk, midden 16de eeuw, thans afgenomen (foto RDMZ 1983)

Afb. 9. Grote- of St. Lebuinuskerk Deventer. Laatste Oordeel uit 1549 op de noordmuur van de noordelijke zijbeuk (foto RDMZ1951)

vaste verblijfplaats. Het verschijnsel van mobiliteit bestond echter in de middeleeuwen al, contrarie de overal geldende eis van burgerschap en gildendwang. De gangbare praktijk toont dat mobiliteit overkomelijk was, ook omdat men voor bepaalde of bijzondere opdrachten dikwijls niet over lokale menskracht beschikte.
In diverse steden ondergingen de gildenbepalingen aanscherping in de 16de eeuw, mogelijk als gevolg van veranderende werkwijzen. Als poort van Overijssel en verzamelplaats van vreemde ambachtslieden werd Kampen met diverse conflicten geconfronteerd, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het nabijgelegen Zwolle of Deventer. Als Zwolle in 1537 een meester zoekt voor de alsnog te bouwen lantaarn op de onvoltooide torenromp van de O.L.V. Kerk. betrekt men een uit Antwerpen afkomstige mr. Simon Penet in Kampen. Voor een contra-expertise worden Lambert van Noort en Jacob van der Borch uit Utrecht, eveneens via de noordelijke IJsselroute naar Zwolle gevoerd.56 [56. D.J. de Vries, "Soe dattet een Ewych Werck mach bliven’; de bouw van de Onze Lieve Vrouwetoren of Peperbus te Zwolle’, Jaarboek Monumentenzorg 1992, pp. 73-74.]
De twee laatstgenoemden kregen in Utrecht onenigheid over de interpretatie van de gildenregels die in 1542 resulteerde in een beroemde rechtszaak tussen de voormalige vennoten. De vraag was, of iemand die geen steenhouwer of ‘cleynsteker’ was en buiten het ambacht opereerde, toch mocht ontwerpen

|pag. 80|

en de bouw ordineren. Willem van Noort pleitte voor een ruimere benadering, die bijvoorbeeld gelegenheid gaf aan de werkwijze van Italiaanse, militaire architecten. De conservatieve tegenpartij, mr. Jacob van der Borch, kreeg steun via de getuigenis van de Kamper stadbouwmeester Reyner Lambrechts van Delft.57 [57. Idem, pp. 74 en 75 en Kolman 1993.]
Men kan zich voorstellen dat zittende ambachtslieden in Kampen niet gecharmeerd waren van concurrerende, passerende meesters, zie het gedrag van mr. Vrerick. Toch schuwde de stad Kampen zelf niet mensen als Colijn de Nole (voor de schouw in het raadhuis) en Alexander Pasqualini (vestingwerken) aan te trekken. In Kampen moet een levendig en relatief gunstig klimaat voor reizende kunstenaars/ ambachtslieden geweest zijn. In 1555 verplaatste de Zwolse steenhouwer en handelaar in Bentheimer zandsteen Lambert Stuerman zijn nering naar Kampen.58 [58. Fehrmann 1961-1962, p. 268.]

Uit een ander voorval te Kampen blijkt dat Jelis Jelissen in 1573 reeds gestorven was.59 [59. In 1579 wordt Jelis Knijff in Zwolle aangesteld als voogd over de kinderen van Willem Hendriksen en zijn overleden vrouw Griete.] Het gaat dan om een volgend principe, namelijk de vraag of een weduwe van een erkende gildemeester gerechtigd is om opdrachten aan te nemen. Om te bewijzen dat dit ongebruikelijk is, getuigen diverse betrokkenen:
“Metselaar Johan Hendricksz kwam vertellen dat zijn grootmoeder, de weduwe van stadsmetselaar Berent van Coesfelt, na de dood van haar man geen werk had aangenomen, totdat haar zoon na verloop van tijd het gilde had gewonnen. Die zoon, Herman Berentsz, bevestigde dit. Zowel Johan als Herman, als ook leidekker Thonis Hermansz, verklaarden verder dat de weduwen van leidekker Henrick en steenhouwer Jelis geen werk hadden aangenomen toen zij ‘in hoer weduwestoel’ zaten. De weduwe van Jelis had uiteindelijk een regeling met het gilde getroffen en voor het recht op het aannemen van werk betaald (‘daervan tovreden stellen’). Het is mogelijk dat het de gildemeesters in deze zaak om een vergelijkbare financiële regeling ging”, aldus Kolman.60 [60. Kolman 1993, p. 127.]

Afb. 10. Paneel met geschilderde voorstellingen op de bank midden in de Raadzaal te Kampen, circa 1545 (foto A.J. van der Wal RDMZ 1974)

Conclusie

Een probleem is dat de beperkte ontsluiting van de rijke archieven in Zwolle en Kampen 61 [61. In Zwolle is de situatie relatief gunstig dankzij het uitgebreide kaartsysteem maar hierin worden slechts enkele hoofdbronnen ontsloten.] vooralsnog een reconstructie van de families van Jelis Knijff en Jelis Jelissen in de weg staat. Het is zelfs niet uit te sluiten dat het hier om vader en zoon gaat. Kistenmaker Jelis Knijff werd in 1531 burger van Zwolle en raakte, net als Colijn de Nole, in 1543 betrokken bij een vechtpartij met mr. Vrerick. Deze mr. Vrerick werkte aan de banken voor nieuwe raadzaal in Kampen, terwijl Colijn de Nole in zijn Utrechtse atelier de beroemde schouw vervaardigde. Mr. Vrerick ervoer de aanwezigheid van concurrent Jelis Knijff uit Zwolle als een bedreiging hetgeen uitliep op een ruzie in de Wijnkelder van Kampen. Behalve Jelis Knijff zijn er in Zwolle omstreeks dezelfde tijd nog de kistenmakers Albert en Berent Knijff 62 [62. De laatstgenoemde was in 1560 getrouwd met ene Johan Bensinck, G.A. Zwolle Testamenten, p. 146 dd 25.05.1560.] bekend. Verder geeft het Zwolse kaartsysteem rond 1550 de namen van Willem, Anna en Berthe Knijff In een regest lezen we dat Jelis Knijff in 1557 een huis bezat in de Koestraat te Zwolle aan de kant van de stadsmuur 63 [63. Gelegen naast een huis van Gerrit van Spoell met Geze zijn vrouw, G.A. Zwolle, Regesten nr. 6329, dd. 13.4.1557.] en in een andere bron dat hij nog leefde in 1579.
Van Jelis Jelissen weten we niet meer dan dat hij gildenmeester en daarmee burger van Kampen was en dat zijn overlijden

Afb. 11. Schouw in de raadzaal te Zwolle, hier is de 15de-eeuwse frontplaat nog voorzien van een beschildering (P. Kramer Gzn RDMZ z.j.)

|pag. 81|

Afb. 12. Schouw in de raadzaal te Zwolle, vier gietijzeren haardplaten, midden 16de eeuw (foto A.J. van der Wal, RDMZ 1970)

daar in 1573 gememoreerd wordt. Mr. Jelis Jelissen leverde de natuurstenen pijlers van een pijnbank voor het Zwolse stadhuis en hij moet tevens de nimmer uitgevoerde schouw voor de raadzaal van het Zwolse stadhuis ontworpen hebben.
Een vage signatuur van een dubbele kapitale J lijkt de nieuwe toeschrijving te bevestigen. Net als Colijn de Nole, Arnt van Tricht en later Claes Jellesz. beheerste Jelis Jelissen zowel het snijden van beelden in hout, als ook het houwen in steen.
Jelis moet een eigenzinnige kunstenaar zijn geweest die ook beschikte over een vaardige hand van tekenen. De vergelijkbare veelzijdigheid bracht Colijn de Nole in 1532 in conflict met het Utrechtse gilde van metselaars en steenhouwers maar hij weigerde tevens dit gilde aan te nemen. Jelis Jelissen boog in 1557 echter voor een dreiging met boetes, werd lid van twee gilden en schopte het in beide organisaties tot gildenmeester.

Noten

De noten op pag. 81-82, zijn nu opgenomen als zijnoten.

___________
- Vries, D.J. de (2001) Jelis Knijff en Jelis Jelissen, kistenmaker in Zwolle en beeldsnijder in Kampen. Bulletin KNOB, 100 (2), 72-82.

Category(s): Kampen, Zwolle
Tags: , , ,

Comments are closed.