De Germaanse nederzetting te Denekamp binnen een regionaal archeologisch kader van de Romeinse tijd


Ad Verlinde

De Germaanse nederzetting te Denekamp
binnen een regionaal archeologisch kader van
de Romeinse tijd

Inleiding
Bij een bodemkundig onderzoek in 1967 aan de westzijde van het dorp Denekamp, op een terrein genaamd ‘de Borchert’, deed de Wageningse bodemkundige ir. W. van de Westeringh aardewerkvondsten onder het esdek. Deze scherven werden in 1969 aan de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (R.O.B.) ter hand gesteld voor determinatie. Het waren onmiskenbaar scherven van of nabij een Germaanse oftewel inheems-Romeinse nederzetting, op dat moment zelfs van de eerst bekende uit Twente. De vindplaats werd opgenomen in het Centraal Archeologisch Archief (CAA; sedert 1992 Archis) van de R.O.B.
Nauwelijks twee jaar nadat de nieuwe locatie met archeologische waarde was geadministreerd, werden de nieuwbouwplannen van de gemeente Denekamp voor ‘de Borchert’ bekend. Het daarop volgend overleg tussen de gemeente en de R.O.B. resulteerde in de afspraak, dat de R.O.B. zo snel mogelijk een opgraving op het terrein zou uitvoeren om de bouwplannen zo min mogelijk te vertragen, waarbij de gemeente al de noodzakelijke medewerking toezegde. Het was de directeur van de R.O.B., prof. dr. W.A. van Es, die besloot om het terrein grootschalig op te graven in de hoop, dat de nederzetting compleet of bijna compleet aan het daglicht zou komen. Aldus geschiedde. Van februari 1972 tot februari 1973 werd de noodopgraving uitgevoerd. Het werk werd financieel mede mogelijk gemaakt door een bijdrage van de gemeente Denekamp en door een belangrijk subsidie van de provincie Overijssel.
De opgraving op de Borchert was een van de laatste R.O.B.-opgravingen, die nog met de machinale hulp van een dragline (draadkraan) is uitgevoerd. Deze werkwijze is inmiddels bij de industriële archeologie onder te brengen. Begin jaren zeventig is bij machinale opgravingen overgegaan op de nieuw ontwikkelde hydraulische kranen. Het grootste nadeel van het oude machinale opgraafsysteem bestond uit het voorttrekken van de graafbak over het schaafvlak, waardoor vervolgens relatief veel handmatig schaafwerk met de spade moest worden uitgevoerd voor het vlak ‘leesbaar’ werd.
In dit artikel kan gezien de beschikbare tijd en ruimte slechts een beknopte weergave van de opgravingsresultaten en uitwerkingsproblemen worden gegeven. Daarbij worden enkele verschijnselen, die aan de opgraving te Denekamp een bijzonder aspect verleenden, benadrukt. Dat betreft de aanwezigheid van drie wigvormige (vang)kuilen, de vondst van een uitzonderlijke loden baar en de aanwezigheid van een fraaie bodemgelaagdheid (stratigrafie) en veel met de bewoning gelijktijdige verstuivingen. Hierdoor zijn onder meer subtiele sporen aangetroffen van ploeg en eergetouw (een type ploeg, die de grond niet

|pag. 57|

keert), alsmede volgestoven indrukken van runderhoeven. Tevens wordt er naar gestreefd het karakter van de gevonden nederzetting vast te stellen en deze binnen de regio te plaatsen in zijn tijd. De talloze vondsten uit de nederzetting, die in het voorliggende geval primair een globale daterende waarde bezitten, zullen daarom nauwelijks behandeld worden.

Geografische en bodemkundige situatie
‘De Borchert’ is een hoog gelegen dekzandkop langs de oostzijde van het dal van de Dinkel. Onder meer om verkeersgeografische redenen is het van belang te weten dat langs het Dinkeldal, net als langs het Vechtdal, lintvormige zones van hoge dekzandgronden liggen, waarop vanaf de late Middeleeuwen vaak grote essen zijn aangelegd, hetzij aan één zijde van het dal hetzij aan beide zijden. ‘De Borchert’ vormt hierbij, evenals een andere voormalige, heden overbouwde es ‘de Klokkenberg’ in Denekamp een schakel in de genoemde essenlinten. De langgerekte zones met hoge gronden langs de Dinkel en andere rivieren vormden in feite natuurlijke wegen, waarlangs in de perioden vanaf de Midden of Nieuwe Steentijd nederzettingen voorkwamen. We hebben daarom te maken met smalle, langgerekte bewoonde stroken langs de rivieren (en stuwwallen), zoals in meerdere of mindere mate is aangetoond langs rivieren als de Vecht, Regge, Dinkel, Schipbeek, Berkel, Oude IJssel en waarschijnlijk eveneens langs de oostzijde van de IJssel. Ook de stuwwallen speelden een rol in de prehistorische en vroeg historische perioden. Zo zijn de Oost-Twentse stuwwallen in hoofdzaak opgebouwd uit Tertiaire klei en keileem met een eertijds zware bebossing, waardoor zij beschouwd moeten worden als een overigens te overwinnen barrière voor het oost-west verkeer. Meer bewoning was aanwezig op de laaggelegen zandige flanken van de stuwwallen.
Het oude dekzandoppervlak onder het één meter dikke esdek van de Borchert heeft een meer gevarieerd reliëf dan de oppervlakte van de es zelf, die koepelvormig over de ca 5 hectare grote dekzandkop ligt. Er zijn drie sectoren in het oude oppervlak te onderscheiden met een NO-ZW oriëntatie. Het deel van de dekzandkop binnen het opgravingsareaal omvatte in de (noord)westelijke sector een diepe, volgestoven depressie. Deze westelijke depressie moet al in het laat Glaciaal grotendeels zijn dichtgestoven op een centrale geulvormige verdieping na. Deze 1,5 m diepe geul is, blijkens vondsten uit het noordprofiel van de putten 6 en 10, pas dicht gestoven in de IJzertijd.
Direct ten oosten van de depressie lag een ca 25 m brede dekzandrug met daarop de oudste (woon)sporen en de westelijkste huizen en bijgebouwen van de Germaanse nederzetting, alsmede een drietal urnbijzettingen uit de vroege IJzertijd (ca 600 v. Chr.). Ten oosten van de rug, tevens onder het oostelijk deel van de nederzetting, was de dekzandkop enkele tientallen centimeters lager, maar daar was wel, in de luwte van de rug, een 20-60 cm dikke stuifzandlaag afgezet, waardoor het dekzand en het stuifzand ongeveer dezelfde NAP-hoogte bereikten. Opmerkelijk genoeg lag op deze stuifzandlaag het grootste deel van de opgegraven nederzetting. Ten oosten van en onder het oosten van de nederzetting duikt de dekzandkop flink omlaag, in welke zone dan ook andere afzettingen voorkomen: dikke, al dan niet vuile stuifzandlagen op modderige laag-

|pag. 58|

jes en een meters dik veenpakket, dat het grootste deel van het Holoceen vanaf ca 9000 v. Chr. omvatte. De meters diepe veendepressie wordt beschouwd als een Dinkelarm, die reeds in het laat Glaciaal werd geblokkeerd, waardoor de vorming van pollenrijke modderlaagjes en veengroei in stagnerend water plaats kon vinden.1 [1. Van Geel, Bohncke & Dee 1980/81.]
De lokale, doch ernstige verstuivingen dateren in hoofdzaak uit de IJzertijd.
Het begin van de verstuivingen kan namelijk als terminus post quem worden gedateerd door het overstoven veen in de oostelijke depressie. De bovenste veenlaag bleek dank zij een 14C-datering een ouderdom in kalenderjaren te hebben van 763-409 v. Chr.2 [2. Informatie van H. v.d. Plicht en B. van Geel.] Deze jongste van een serie dateringen van onder het stuifzand hoort dus ruwweg thuis in de vroege IJzertijd. De lokale verstuivingen zijn dus tijdens of na de vroege IJzertijd aangevangen. Dat wordt bevestigd door niet nauwkeurig te dateren IJzertijdscherven uit de stuifzandlagen zelf. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de aanvang van de lokale verstuivingen nader aangeduid kan worden rond de overgang van de midden- naar de late IJzertijd, wanneer de oudste bewoningssporen van omstreeks de 3e eeuw v. Chr., die zich op de dekzandrug naast het stuifzand bevinden, in de beschouwing worden betrokken.
De lokaal gezien behoorlijke verstuivingen moeten omstreeks het begin van onze jaartelling zijn opgehouden. Deze vaststelling is onder meer gebaseerd op het feit, dat er geen constructies van woningen en schuren in of onder het stuifzand lagen, maar wel op het stuifzand, dan wel ernaast op de dekzandrug. Ruwweg driekwart van de opgegraven constructies lag op het stuifzand. Dit gedeelte van de nederzetting is dateerbaar van de Ie tot halverwege de 3e eeuw na Chr., waaronder een huis van het type Noordbarge uit de Ie eeuw (zie sectie huisplattegronden). Naast deze archeologische aanwijzingen biedt ook een van de oudste waterputten op het stuifzand een goede handreiking naar de einddatering van het stuifzand. Het betreft een waterput in het noordoosten van de opgraving. Een 14C-datering van kernhout uit een houten plank van deze put (vondstnr. 1615) gaf als uitslag: 91 v. Chr. tot 75 na Chr. Een veel later, in 2001 uitgevoerde jaarringdatering op een andere plank van dezelfde put gaf een aanmerkelijk scherper resultaat voor de constructiedatum van de put: de veldatum van de boom waaruit deze plank afkomstig was kon gedateerd worden op 55 ± 6 na Chr. Normaliter is de waterput dus kort daarna aangelegd in het derde kwart van de Ie eeuw op het stuifzand. Vrijwel al het stuifzand lag er dus reeds tijdens de 2e helft van de Ie eeuw.
De ernstige verstuivingen hebben de bewoning ter plaatse en/of uit de buurt (zie hierna) niet langdurig onderbroken blijkens diverse grondsporen en vondsten in, onder en vooral op de stuifzandlagen. De grondsporen in en onder het stuifzand behoren alle tot agrarische sporen, namelijk die van ploeg en eergetouw, alsmede volgestoven indrukken van runderhoeven. Bouwsels in het stuifzand zijn niet vastgesteld, zij stonden alle erop of ernaast. Overigens zijn binnen een archeologische context uit Overijssel maar zelden zulke ernstige verstuivingen vastgesteld uit de tijd voor de Middeleeuwen. Vergelijkbaar zijn op dit moment slechts de lokale verstuivingen uit de opgravingen te Deventer-Epse en Ommen-Varsen, die eveneens uit de latere prehistorie dateren. 

|pag. 59|

Afb. 1

Denekamp. Karakteristiek profielfragment uit put 13. Legenda: nr. 1-3 = vaste grond; 4 = venige grond; 5 = oude cultuurlaag uit IJzertijd; 6 = akkergrond in oude cultuurlaag met ingeploegd stuifzand uit late Ijzertijd; 7 = lokaal stuifzand; 8 = grondsporen van bewoning, Ie-3e eeuw AD; 9 = jonge cultuurlaag, Ie-3e eeuw AD; 10 = paarsachtig regeneratielaagje, ontstaan tussen ca 250 en 1250 AD; 11 = bruine plaggenlaag (oudste deel es); 12 = recent verstoorde grijze plaggenlaag met recent loopvlak ter afsluiting. Schaal 1 : 40.

Tijdens de bewoningsfase zal (een arm van) de Dinkel net als tegenwoordig langs de zuidzijde van de dekzandkop hebben gestroomd. Het meest voor de hand liggende alternatief gezien de uitbreiding van de nederzetting, dat de rivier toen (ook) langs de oostzijde heeft gestroomd wordt gelogenstraft door de dikke en oude veenlagen in de oostelijke depressie. Dit veen kan niet in stromend water zijn gevormd, het pakket wijst op stilstaand water. Daarom denken we aan een lang vóór de bewoning geblokkeerde rivierarm. Maar het is zeker niet uit te sluiten, dat (een tak van) de Dinkel een tijdlang verder oostwaarts heeft gelopen.
Hoe het ook zij, de nederzetting op de Borchert was met zijn langgerekte noordoost-zuidwest vorm duidelijk georiënteerd op de pal ernaast gelegen veendepressie. Deze situering kan enige verwondering wekken, omdat een oriëntatie op het stromende rivierwater meer voor de hand had gelegen. We dienen hierbij wel aan te tekenen, dat het zuidelijk deel van de bewoning onder en bezuiden de huidige Ootmarsumsestraat niet kon worden opgegraven en we dus als zo dikwijls met een incomplete data-set moeten werken (afb. 2).

Bodem en cultuurlaag op de Borchert (afb. 1)
Bovenin het dekzand heeft zich in de loop van het Holoceen een bosgrond ontwikkeld. Deze oorspronkelijke bodem is door de bewoningsactiviteiten, verstuivingen en (sub)recente egalisaties inmiddels geheel verstoord of zelfs verdwenen. De bewoners van de Borchert hebben destijds dus een rijke grond langs de rivier uitgekozen. Ondanks de eeuwenlange bewoning en beakkering heeft er toch geen degeneratie van het bodemtype plaats gevonden tot een voor landbouw minder geschikte podsolbodem.
Een andere vorm van bodemdegeneratie zijn de op de Borchert alom aanwezige verstuivingen. In het opgravingsareaal hebben de verstoven zandvolumes het oorspronkelijk dekzandreliëf behoorlijk gewijzigd. De depressies zijn geheel of ten dele volgestoven en de nog te bespreken cultuurlaag heeft er over een groot deel van het terrein mede zijn omvang aan te danken. Vanuit het

|pag. 60|

opgravingsterrein is blijkens de grondsporen niet of nauwelijks zand weggestoven, maar zijn juist stuifzandlagen gevormd. Het zand is dus van elders aangestoven en dat is blijkens de stuifzand-stratigrafie uit westelijke richting aangebracht. Wij nemen dan ook aan, dat de menselijke verstoringen in het vegetatiedek (in casu boskap en ploegen) ten westen van de opgraving oorzaak zijn van het aangestoven zand in de nederzetting. Juist het terrein ten westen van de opgraving was echter bij een recente ruilverkaveling reeds geëgaliseerd, ondanks het esdek erboven, zodat geconcludeerd moet worden, dat daar het hoogste terreingedeelte heeft gelegen. Ten westen van de opgraving zijn de eventuele grondsporen dan ook in hoofdzaak verdwenen.
De natuurlijke bodems onder het stuifzand en onder het pas in de Middeleeuwen ontstane esdek op de Borchert zijn onder invloed van de bewoning uit de IJzertijd en Romeinse tijd vergraven, verploegd en ‘vertreden’. Zij zijn in die staat als het ware gefossiliseerd onder de bedekkende lagen. Zo’n bodemlaag wordt in de archeologie ‘cultuurlaag’ genoemd. De cultuurlaag op de Borchert is 20-40 cm dik en is te karakteriseren als een humeuze, geheel gehomogeniseerde grondlaag, waarin zich veel meestal sterk gefragmenteerd nederzettingsafval bevindt, met name fragmenten van aardewerk, steen, ijzerslak en houtskool. Gezien de ploegdiepte van ca 10 cm uit de tijd voor de Middeleeuwen is een cultuurlaag van de vermelde dikte zeker groot te noemen. Deze dikte is, althans grotendeels, te verklaren door jarenlang in de akkers opgenomen stuifzand. Niet alleen op de Borchert, maar ook in andere locaties met stuifzandverschijnselen is het fenomeen van een (te) dikke cultuurlaag waargenomen.
Op de zandrug van de Borchert is in de cultuurlaag een tweedeling waarneembaar, namelijk een onderste groenachtig bruingrijze laag (deze kleur hangt samen met die van de oorspronkelijke bosgrond) en een bovenste midden-grijze laag. Boven en in de overstoven depressies splitst de cultuurlaag zich veelal in twee lagen, gescheiden door het stuifzand. De onderste cultuurlaag loopt in die gevallen met het oorspronkelijke reliëf mee, terwijl de bovenste cultuurlaag min of meer horizontaal verloopt. In de cultuurlaag, alsmede in diverse stuiflagen zijn dank zij de eigentijdse overstuivingen subtiele sporen als ploeg- en eergetouwsporen veelvuldig te zien geweest, alsmede indrukken van runderhoeven in overstoven modderlagen.

Esdek
In een groot deel van het opgravingsareaal was de cultuurlaag afgedekt met een humeus laagje, dat een zwak paarsachtige tint bezat. Dit oude oppervlak moet een stabiele fase vertegenwoordigen tussen het verlaten van de nederzetting in de 3e eeuw en de aanleg van de es in de late Middeleeuwen. De paarsige kleur van het laagje wordt door bodemkundigen toegeschreven aan eikenbegroeiing.
Het nederzettingsterrein lijkt daarom na het verlaten van het dorp een opschietend bos gedragen te hebben. In de complete profielen ligt op het paarse regeneratielaagje het oudste deel van het esdek, dat bestaat uit een roodbruine laag van iets kleihoudend zand. De roodbruine kleur wordt veroorzaakt door ijzer, die samen met het kleihoudende zand wijzen op plaggen, die zijn gestoken uit

|pag. 61|


|pag. 62|

een dal. Boven de roodbruine eslaag heeft het bovenste deel van het esdek gelegen, dat donkergrijs van kleur is. Dit soort grijs gekleurde esdekken wordt toegeschreven aan bemesting met heideplaggen, gestoken op hogere gronden.
Het bovenste, 40 cm dikke deel van het esdek is normaliter opgenomen in de recente en goed bemeste, zwarte bouwvoor of is zelfs bij de recente egalisatie geheel verstoord.

Omvang nederzetting (afb. 2)
De opgraving is uitgevoerd in 31 grote opgravingsputten (vaak met een omvang van 40 x 15 m), waarbij in de meeste gevallen drie tot vijf schaafvlakken boven elkaar zijn opgetekend, gewoonlijk met een onderlinge interval van 10 cm. Het opgegraven areaal had bij benadering de omtrek van een rechthoek van 140 x 120 m. Deze oppervlakte bedroeg 1,8 hectare, weliswaar een flink areaal ter grootte van twee voetbalvelden, maar desondanks te klein om het eertijds bewoonde areaal geheel bloot te leggen.
De oostelijke, noordelijke en noordwestelijke begrenzing van de nederzetting zijn met zekerheid vastgesteld. De begrenzing in het oosten werd bepaald door het natuurlijk reliëf, door de grote overstoven veendepressie. Maar een 60 meter lange, incompleet teruggevonden, zuid-noord lopende afscheidings- of omheiningsgreppel op het stuifzand vormt de eigenlijke oostgrens voor een deel van de nederzetting. Ook in het noordwesten loopt het oorspronkelijk reliëf duidelijk af en ontbreken de grondsporen. De noordgrens van de nederzetting is afgeleid van een sterke afname van grondsporen en door een in de noordelijkste put lopend, incompleet greppeltje, dat echter geen aansluiting op de voornoemde oostelijke omheiningsgreppel lijkt te hebben gehad gezien een groot hiaat ertussen.
Ten westen van de opgraving heeft een recente egalisatie vrijwel alle grondsporen uitgewist. Daar lag kennelijk het hoogste deel van het oorspronkelijk reliëf.
Toch bestaat de indruk dat er met de egalisatie weinig woonsporen verloren zijn gegaan, omdat in de westelijkste opgravingsputten nog wel redelijk wat grondsporen voorkwamen, maar niet behorend tot (herkenbare) structuren.
Om die reden is de westelijke sector van het opgravingsoverzicht dan ook leeg, het gaat er waarschijnlijk alleen om de ‘ruis’ direct buiten de nederzetting.
Het grootste kennishiaat ligt ongetwijfeld in het zuiden, richting de Dinkel.
Daar ligt het tracé van de Ootmarsumsestraat, die de zuidelijke grens van de opgraving bepaalde, terwijl het terrein ten zuiden van deze straat reeds was geëgaliseerd. Dat de bewoning in zuidelijke richting daadwerkelijk heeft doorgelopen, is af te leiden van het grote aantal grondsporen in de zuidelijkste putten, maar werd ook duidelijk in 1981, toen amateur-archeologen bij werkzaam-

Afb. 2
Denekamp-de Borchert. Overzichtsplattegrond van de opgraving met een minimaal aantal structuren. Het oostelijke tweederde deel van het opgravingsvlak ligt op lokaal stuifzand uit de late IJzertijd.
1 = wrs oudste huis, type Fochtelo; 2 = Ie-eeuws huis, type Noordbarge; 3 = vroeg 3e-eeuws huis, type Wijster/Peelo; 4 = klein huis, type Wijster/Peelo, ca 200.
A-C: vangkuilen in het westen. Datering bewoning: ca 250 BC-250 AD. Schaal 1 : 1000.

|pag. 63|

heden ten zuiden van de Ootmarsumsestraat nog een paar honderd scherven konden verzamelen. Op basis van al deze gegevens en aanwijzingen lijkt circa 75% van de woonsporen c.q. van het daadwerkelijk bewoonde areaal te zijn bloot gelegd. Sporen van activiteiten in het veld buiten de nederzetting en eventuele los liggende structuren vallen hier dus buiten. Het areaal met woonsporen lijkt zo circa 180 x 80 m groot geweest te zijn. Uit de opgraving zijn 63 grote vouwdozen met vondsten meegenomen naar het depot van de ROB.
In de opgraving zijn met name huisplattegronden, sporen van bijgebouwen, waterputten, (vang)kuilen, (stand)greppels van omheiningen en diversen aangetroffen. Deze grondsporen dateren bijna geheel uit de late IJzertijd en uit de Romeinse tijd (exclusief de 4e eeuw). Tot de IJzertijd behoren met name een zeer klein urnenveld uit de vroege IJzertijd en het westelijkste huis uit de opgraving. Grondsporen en vondsten ouder dan de IJzertijd ontbreken niet, maar zijn uitgesproken schaars. Post-Romeinse vondsten en grondsporen zijn ook aanwezig, maar zij kunnen tot de verschijnselen met een marginaal belang worden gerekend.

Huisplattegronden (afb. 3, 4 en 5)
Het exacte aantal huis- en boerderijplattegronden is niet aan te geven, omdat de opgraving niet het gehele woonareaal bestrijkt en omdat enkele (vermeende) structuren niet met een redelijke zekerheid tot huizen gerekend kunnen worden, zeker niet tot een welomschreven type. Ook zijn enkele huizen mogelijk uitgebouwd, waarbij de structuren nogal arbitrair tot één of meer huizen gerekend kunnen worden. Met deze problemen voor ogen zijn in het opgegraven areaal ca 18 huisplattegronden aanwijsbaar. Dit aantal betekent overigens geen dorp van zo’n omvang, onder meer door overlappende plattegronden en vanwege de beperkte levensduur van houten structuren en de tijdsduur van de bewoning, ca 250 v. Chr.-250 na Chr. Gemiddeld wordt de levensduur van houten huizen geschat op 25 jaar, waarop talloze factoren van invloed zijn.3 [3. Laatstelijk W.H. Zimmermann op een ROB-congres te Amersfoort, 11 december 2003.]
In de opgraving zijn de redelijk goed te reconstrueren huisplattegronden globaal te dateren op basis van het structuurplan van de dragende palen (het type), op grond van al dan niet duidelijk geassocieerd schervenmateriaal en vanwege de (stuifzand)stratigrafie. Het als het oudste beschouwde huis (17,5 x 5 m) is het westelijkste met een afwijkende oriëntatie. Er is een 14C-datering van de haard-

Afb. 3

Denekamp. Een huis uit de 1e eeuw, behorend tot het type Noordbarge (nr. 2). Huislengte: 36 m.

|pag. 64|

Afb. 4

Denekamp. Een vroeg 3e-eeuwse huisplattegrond (nr. 3).

plek in het huis bekend: 349-321 en 229-47 v. Chr. Deze structuur kan tot het type Fochtelo worden gerekend, omdat (dakvoetdragende) buitenpalen ontbreken. Opvallend ten opzichte van de Drentse huizen is de rij nokpalen in het stalgedeelte, waardoor dit huis niet drieschepig is.4 [4. Huijts 1992 en persoonlijke informatie van Waterbolk.] Het type Fochtelo wordt gedateerd tussen 250-100 v. Chr. en mogelijk ook later. Het huis uit Denekamp heeft dus ruimschoots de meeste kans om te dateren uit de late IJzertijd. Het heeft als enige ten opzichte van de latere huizen een afwijkende oriëntatie van ca 25 graden. Het bouwsel heeft bij toeval ook als enige boerderij duidelijk zichtbare veeboxen van 2 m breed in de stal. Naast deze duidelijke huisplattegrond komen er nog een paar palenconfiguraties voor, die eveneens kunnen wijzen op huizen uit de IJzertijd. In dit verband is het zeker opvallend, dat ook op het stuifzand een paar tweeschepige huizen lijkt voor te komen. Gezien hun ligging op het stuifzand kunnen zij feitelijk niet ouder zijn dan de Ie eeuw na Chr., maar de tweeschepigheid herinnert binnen dit kader wel aan de IJzertijd. Al eerder is overigens gebleken 5 [5. Verlinde 1999.] dat in Overijssel (en tevens in Gelderland) duidelijk meer dan in Drenthe twee- en vierschepige boerderijen voorkomen dank zij een rij nokpalen. Dat geldt kennelijk tevens voor de Ie eeuw na Chr., welke periode ook in ceramologisch opzicht nauw op de IJzertijd aansluit.
Een van de opvallendste huizen is het langste huis van 36 meter met wandsleuven (afb. 3). Het ligt in het midden-oosten van de opgraving. Het lijkt erop dat dit huis, waarin duidelijk drie ‘compartimenten’ zijn te onderscheiden, in het noorden is uitgebouwd met een 10 meter lang en drieschepig segment zonder wandgreppels. In de wandgreppels van het zuidelijk huissegment kwamen sporen van staken voor, die op vlechtwerkwanden duiden. Het huis behoort onder meer vanwege zijn, in Overijssel zeldzame, wandgreppels tot het type Noordbarge. De fraaiste parallel voor dit huis is huis 6 uit Noordbarge.6 [6. Huijts 1992, p. 102.] Dit huistype wordt gedateerd in de Ie eeuw na Chr., mogelijk met een eerdere aanvang. Omdat het Denekampse huis op het stuifzand is gelegen, is een Ie-eeuwse datering op zijn plaats.
Gezien het voorgaande moeten er ca zes tot acht plattegronden dateren uit de

|pag. 65|

Afb. 5

Denekamp. Het zuidelijkste van de drie kleine huizen uit de 2e-3e eeuw (nr. 4). Alleen de zwarte grondsporen behoren tot het huis.

tijd voor de 2e eeuw. Dit kan goed overeenstemmen met de sterke IJzertijd inslag van het voltallige vondstmateriaal. Vanaf de overgang 1/2e eeuw vinden er vervolgens onder meer in oostelijk Nederland allerlei archeologisch traceerbare veranderingen plaats: de opkomst van andere huistypen (met name van de typen Wijster en Peelo), hutkommen, diepe waterputten en een ander en rijker geschakeerd assortiment aan vondstmateriaal. In de opgraving vinden we daarvan ook de weerslag terug.
In Denekamp is een vijftal grote boerderijen, drie tot vijf middelgrote en een drietal kleine exemplaren in te delen bij de genoemde Drentse typen Wijster en/of Peelo. Met name de grote en kleine vertegenwoordigers laten een regelmatig patroon van grondsporen zien. De grote boerderijen hebben een regelmatige plaatsing van de dakdragende posten, relatief dicht naast elkaar staande wandpalen en vaak een tweedeling in de grote plattegronden. Maar diverse karakteristieken van de Drentse typologie zijn hier niet of nauwelijks aangetroffen, zoals vaak afgeronde korte wanden (de afsluitingen), naar binnen geplaatste palen bij de toegangen, ingangskuilen, terwijl vanaf de overgang 2/3e eeuw dubbel uitgevoerde buitenstijlen kunnen voorkomen op vaste plaat-

|pag. 66|

sen in de plattegronden. Deze en andere kenmerken geven net als bij de IJzertijd-huizen aan, dat de Overijsselse plattegronden gewoonlijk goed zijn in te delen bij de Drentse typologieën, maar dat zij daarbinnen vaak een eigen ‘suborde’ met regionale kenmerken vertonen.
In de opgraving is naast de (vrij) lange boerderij-plattegronden tevens een drietal korte, rechthoekige huisjes aangetroffen van gemiddeld 6,5 x 5,5 meter.
Door die afmetingen komen zij overeen met soortgelijke huisjes uit Wijster (Dr.). Maar net zoals bij de grotere boerderijen uit Denekamp missen zij enkele van de voornoemde Drentse karakteristieken. Het grootste exemplaar van de kleine huizen moet zelfs tweeschepig zijn geweest in plaats van drieschepig.
Het kleinste van de drie huizen vertoont dank zij een standgreppeltje mogelijk een binnenverdeling, die aansluiting kan hebben op een verder niet zichtbare drieschepigheid (afb. 5). De andere huizen geven daarover geen indicatie. Deze kleine huizen missen duidelijk een stalgedeelte en moeten alleen een woonfunctie gehad hebben. Nadere aanduidingen over de functie en status van de bewoners ontbreken helaas.
Een laatste opmerking over de huizen/boerderijen, welke beide begrippen in de archeologie vaak door elkaar worden gebruikt, behelst het opvallend grote aantal gevonden haardplekken in Denekamp. Gewoonlijk worden zij slechts zo nu en dan gevonden, zonder twijfel vanwege hun ondiepe aanleg. Maar in Denekamp zijn in het middenschip van de meeste huizen kuilen van 1,5 meter doorsnede aangetroffen met daarin vondsten als houtskool, leem, nederzettingsafval en vaak oerbrokken. Deze diepe haardplekken (minimaal 25 cm t.o.v. het loopvlak) zijn zeker opmerkelijk te noemen. Zij geven naast de huisconstructie een extra aanwijzing voor het woongedeelte van de boerderijen, meestal in het noordoosten gelegen, en zij vormen een element van de in hoge mate onbekende huisindeling.
Wanneer de vorenstaande alinea’s worden samengevat, kan er in Denekamp sprake zijn van 10-12 huizen c.q. boerderijen uit de periode van ca 100-250.
Uitgaande van de gemiddelde levensduur van 25 jaar voor een huis, zijn er in dat geval zes huisgeneraties aanwezig. Bij 10-12 huizen betekent dat ca twee exemplaren tegelijkertijd. Wanneer wordt ingecalculeerd dat niet het gehele bewoonde areaal is opgegraven, kan gedacht worden aan gemiddeld drie huizen tegelijkertijd. Gaan wij wederom uit van een gemiddelde schatting, nu van zes bewoners per woning zoals dat voor de Middeleeuwen geldt of lijkt te gelden, dan levert dat een aantal dorpsbewoners op van ca 18. Bij dit resultaat verrast niet zozeer de dorpsgrootte, als wel het aantal van duizenden grondsporen en vondsten, dat een klein groepje mensen gedurende enkele generaties op hun woonplek in de ondergrond heeft achter gelaten.

Bijgebouwen
Werkschuurtjes met de aanduiding ‘hutkommen’ worden, althans in Nederland, vanaf de overgang 1-2e eeuw of iets eerder regelmatig in opgravingen aangetroffen. Het betreft vanaf die tijd een nieuw verschijnsel in onze archeologische registratie. Archeologisch vallen zij op omdat de betreffende hutkommen een verdiepte bodem bezitten, daardoor een groot en duidelijk grondspoor ach-

|pag. 67|

terlatend, waar niet zelden archeologisch interessante vondsten mee geassocieerd zijn. Op de Borchert is er een tiental aangetroffen. Hutkommen worden algemeen toegeschreven aan verdiepte werkschuurtjes, overigens zonder de uitsluiting van andere functies zoals die van wonen en (kelder)opslag. Hier in Denekamp zijn de mogelijke functies niet nader aan te duiden, maar elders konden hutkommen soms worden toegeschreven aan een weefschuurtje of aan een smidse (ijzer en brons). Verder kunnen in het algemeen hutkommen bedoeld zijn geweest voor functies als kleimodellering (ceramiek), steenbewerking, houtbewerking en vlechtactiviteiten, waarvoor aanduidingen echter ontbreken. Het nut van de verdiepte vloeren zou samenhangen met het bewerkstelligen van een vrij gelijkmatige, koele en vochtige sfeer in de hutkommen, welk nut al direct bij de behandeling van organische materialen duidelijk is.7 [7. Zie bv. Zimmermann, diverse verhandelingen.]
Hutkommen met (onder meer) een functie van ambacht en huisvlijt komen voor tot in of tot de 10e eeuw. Daarna vinden we in Nederland soms nog wel grotere, soortgelijke ingravingen, maar met een min of meer duidelijke woonfunctie, zoals de 12e-eeuwse ‘hutkom’ te Ommen-Varsen. Intussen is wel duidelijk dat de vroegtijdig in diverse talen geïntroduceerde benamingen voor het fenomeen in functioneel opzicht onterecht zijn of op zijn minst een zekere mate van onvolledigheid inhouden. Zie de begrippen ‘hutkom’ (Nl), ‘sunken hut’ (E) en ‘Grubenhaus’ (D).
De meeste hutkommen in Denekamp liggen opmerkelijk genoeg op een rij in het zuidwesten van de nederzetting, juist buiten het stuifzand. De vierkante tot rechthoekige ingravingen meten gemiddeld 3,5 x 3 m bij een diepte van ca 0,5 m ten opzichte van het oorspronkelijk loopvlak. Van de dragende constructie van de bouwsels boven de uitdiepingen zijn hier twee of geen paalkuilen terug gevonden. Vier- of zespalige hutkommen zijn dus kennelijk niet aangelegd op de Borchert. De in de kuilen geplaatste palen stonden direct buiten of binnen de ingraving. De wanden van de constructies moeten van planken of gespleten stammetjes zijn opgebouwd of van een soort vakwerk (met klei bestreken vlechtwerk, maar zonder balkindeling). Het dak zal bedekt zijn geweest met riet of stro of heideplaggen, zoals dat in principe bij alle grotere en kleinere bouwsels uit de pré- en protohistorie het geval moet zijn geweest. Het is goed mogelijk, dat er ook ondiepe hutkommen zijn geweest van minder dan 25 cm diepte. In dat geval zouden slechts de (twee) dragende daksteunen van de constructie resteren.
Zeer algemeen in en bij nederzettingsopgravingen vanaf de IJzertijd zijn grondsporen van schuren, hooibergen en -mijten en spiekers. Bij niet omheinde nederzettingen uit de IJzertijd en Romeinse tijd worden er gewoonlijk twee tot driemaal zoveel plattegronden van bijgebouwen aangetroffen als van huizen/boerderijen. Met de Oost-Nederlandse term(!) spieker worden schuurtjes bedoeld voor de oogstberging, gewoonlijk met een verhoogde bergingsvloer. De meest bekende bijgebouwen bestonden uit vier tot acht dragende palen, zodat de daardoor veroorzaakte paalkuilen het enige is wat gewoonlijk van hen als grondspoor wordt terug gevonden in opgravingen. Het is uit de paalkuilen (soms nog met paalgatverkleuringen erin) in de opgravingsvlakken meestal niet ondubbelzinnig uit te maken welke functie de structuren

|pag. 68|

destijds hebben vervuld. Naast de voornoemde, algemeen bekende bijgebouwen bestonden er ook dergelijke en andere structuren met minder dragende palen, namelijk met één, twee of drie. De twee eerstgenoemde zijn altijd, respectievelijk meestal moeilijk aantoonbaar, en worden daarom doorgaans niet behandeld, tenzij er bijvoorbeeld een voldoende diepe greppel om de structuur heen lag. De driehoekige configuraties worden vaak over het hoofd gezien, omdat zij niet in een rechthoekig kader vallen. Bij de driepalige structuren dient men te bedenken, dat de door de palen veroorzaakte paalkuilen de hoekpunten dienen te vormen van een gelijkzijdige driehoek, waarbij de vloer, de wanden en de kap van het bouwsel een hexagonale omtrek bezitten. De drie steunpalen staan dus om en om midden bij de zijwanden. Het werkelijkheidsgehalte van deze uitleg behoevende structuren is eenvoudig aan te geven.
Zowel tegenwoordig in oostelijk Nederland als elders in Europa in historische perioden zijn met name hooibergen c.q. kapbergen bekend met het gewraakte aantal dragende palen.8 [8. Goutbeek & Jans 1988, Zimmermann 1991 e.a.] Ook de aanwezigheid van reparatiepalen bij driepalige structuren uit Zwolle-Ittersumerbroek vormen een beeldend argument ten gunste van hun bestaan destijds,9 [9. Mededeling Waterbolk aan Clevis.] alsmede het op rijen voorkomen in andere opgravingen, zoals te Borne. In Denekamp zijn, en dat mag normaal worden genoemd, de sporen van tientallen bijgebouwen aangetroffen, waarbij slechts weinig driepalige. Wij hebben de indruk, dat deze verschijningsvorm veelvuldig in de IJzertijd en de (vroege) Middeleeuwen voorkwam, maar niet of weinig in de Romeinse tijd, wederom uitgezonderd de Ie eeuw.

Niet overkapte structuren en omheiningen
Verspreid in de opgraving is een vijftal halfovale, open omheininkjes aangetroffen. De structuurtjes bestaan gemiddeld uit een tiental dicht opeen liggende paalkuilen, die een kleine ruimte van ca 1,5 x 2 m omsluiten. De openingen zijn niet georiënteerd op een bepaalde windrichting. Echter, vier van de vijf toegangen wijzen, al dan niet toevallig, globaal naar het oudste huis (ca 1-2e eeuw v. Chr.). Maar twee of drie van de omheininkjes zijn zeker later dan dat huis omdat zij op het stuifzand liggen. De structuurtjes zijn als type ook uit andere opgravingen bekend, zoals te Deventer-Colmschate en Zwolle-Ittersumerbroek. Hun datering is slechts algemeen aan te geven als IJzertijd en (begin) Romeinse tijd. Naar verwachting zijn de omheininkjes uit palen en vlechtwerk opgebouwd en kunnen zij tijdelijk als opvang voor een of enkele huisdieren hebben gediend.
In het zuidoosten van de opgraving komt een stelsel van omheiningsgreppels voor, dat waarschijnlijk een half-ovale ruimte heeft afgescheiden met een diameter van ca 40 meter. De greppels, waarin palen stonden, waren meer dan 40 cm diep uitgegraven en zijn relatief jong omdat zij diverse structuren op het stuifzand versnijden, zoals een kleine waterput en een hutkom. De afgescheiden ruimte kan niet anders dan als veekraal worden geïnterpreteerd. In het opgegraven deel is geen toegang(s-structuur) aanwijsbaar. De kraal ligt op het stuifzand en kan dus geen relatie hebben met de volgestoven indrukken van runderhoeven onder het stuifzand, die tientallen meters noordelijker in de opgraving waren gelegen. Deze indrukken worden hierna besproken.

|pag. 69|

In het noordoosten van de opgraving zijn resten van een soortgelijke afscheidingsgreppel aangetroffen. Deze lineaire structuur is, afgezien van werkelijke onderbrekingen, over een lengte van bijna 60 meter te vervolgen. Een ander greppelfragment (in put 28) lijkt op het eerste gezicht de nederzetting in het noorden af te grenzen. Erg overtuigend is die greppel echter niet, want hij is veel ondieper dan de vorige greppels en er stonden vermoedelijk planken in.
Bovendien eindigt de greppel aan de oostzijde zonder zichtbare reden, waardoor een onderbreking van niet minder dan 30 meter aanwezig was, als deze greppel aansluiting gehad zou hebben op de noordoostelijke afscheiding.

De drie wigvormige (vang)kuilen (afb. 6 en 7 en 8)
Morfologie en datering
In het westen van de opgraving is een drietal rechthoekige, diepe kuilen met V-vormige dwarsdoorsnede aangetroffen. Het opvallende karakter van deze kuilen werd benadrukt door sporen, die wijzen op een voormalige beschoeiing met planken. Feitelijke gegevens over deze voor Nederland unieke kuilen zijn verwerkt in een overzichtje aan het eind van dit artikel.
Samenvattend gaat het om drie kuilen, die in morfologisch opzicht duidelijk onderscheidbaar zijn van andere grondsporen en als zodanig formeel tot een aparte categorie gerekend moeten worden. De rechthoekige kuilen hebben afmetingen aan het oorspronkelijk loopvlak van ca 300-360 cm bij ca 160-190 cm. De kuildieptes vanaf het eigentijdse loopvlak bedragen ca 155-195 cm. De kuilen tonen een spits, V-vormig dwarsprofiel (hellingshoek: 70-75°), met of zonder een brede aanlegkuil in de bovenste 30 cm. Ook de wanden aan de kopse zijden lopen steil naar beneden. Bij twee van de drie kuilen zijn in de onderste 80 cm duidelijke plankvormige humeuze grondsporen langs de kuilwanden vastgesteld. Conform het V-vormige dwarsprofiel van de kuilen waren deze planken vanaf een ‘lijnvormige bodem’ schuin omhoog gesteld. Niet duidelijk is tot welke hoogte deze planken hebben gereikt.
Ten aanzien van de kuildateringen zijn er globale aanwijzingen voorhanden dank zij de stratigrafie en de aard van de kuilvullingen, meer nauwkeurige dank zij de aanwezigheid van scherven. De vondsten uit de drie kuilen lagen in de bovenste 50 cm van de kuilvullingen en houden duidelijk verband met het dichtgooien van de kuilen. De hoogst gelegen vondsten kunnen samenhangen met ‘nazakking’, die in dat geval niet wezenlijk zullen afwijken van de overige vondsten. In totaal betreft het 167 aardewerkscherven, die gedateerd kunnen worden van de Ie eeuw vóór Chr. tot en met de Ie eeuw na Chr. De grondsporen zelf tonen alleen door hun stratigrafische ligging en hun grondeigenschappen een voor de site ‘normaal’ type aan op grond van de volgende verschijnselen: hun aanwezigheid onder het esdek, de kuilvullingen bezaten de ‘zachte’ grondtoon van de oorspronkelijke bosgrond en de kuil-insteek vertoonde diffuse begrenzingen. De vullingen van de drie kuilen onderscheidden zich daarmee niet van die uit de andere grondsporen, behorend tot de IJzertijd en Romeinse tijd.

|pag. 70|

Afb. 6

Denekamp. Vangkuil A uit put 5, dat is de noordelijkste van de drie. Vijf horizontale doorsneden van boven naar beneden en twee profielen uit benedendeel kuil. In de drie onderste vlakken zijn de sporen van een vergane bekisting aanwezig.

|pag. 71|

Afb. 7

Denekamp. Foto van opgravingsvlak onderin vangkuil A, met humeuze sporen van vergane planken.

Interpretatie algemeen
Na de morfologische beschrijving en de datering kunnen er vervolgens enkele eigenschappen over de kuilen worden vermeld, die al dan niet indirect kunnen bijdragen aan een interpretatie. Onder een vuile bovenlaag toonden de wat dieper gelegen, vrij schone kuilvullingen weinig gedifferentieerde opvullingslagen en bevatten geen vondsten. Wel waren enkele normale grondverzakkingsstructuren van grote kuilen zichtbaar, maar zeker niet opvallend vanwege de nogal uniforme grondtoon van de opvullingslagen. Deze gegevens suggereren, dat de kuilen niet geruime tijd hebben opengelegen, maar dat zij na een kortstondig gebruik zijn dichtgegooid, mogelijk zelfs met hetzelfde zand, dat voor het uitgraven van de kuilen werd verwijderd. De voornoemde vondsten bovenuit de kuilen kunnen gerekend worden tot normaal nederzettingsafval, dat hier noch specifieke kenmerken vertoont, noch een aparte vorm van verwering of beschadiging draagt. Om deze reden en omdat zij secundair dan wel laat in de kuilvullingen terecht kwamen, kunnen zij geen indicaties bieden voor een bepaalde functie. Daarvoor zijn wij aangewezen op de vorm en constructie van de kuilen.
De interpretatie van deze opmerkelijke kuilen heeft dan ook problemen opgeleverd, ook omdat ze niet alleen voor Nederland onbekende verschijnselen voorstellen. Nieuw gesignaleerde archeologische verschijnselen leveren immers

|pag. 72|

doorgaans reacties op van twijfel over de betrouwbaarheid van de veldwaarnemingen of de (re)constructies, over de datering en/of over de gegeven interpretatie, al dan niet terecht. Zulke reacties, die vaak in de vorm van ‘statements’ worden afgegeven, verhullen overigens niet zelden het onvermogen van de critici tot een positieve bijdrage aan het probleem door het ontbreken van (steekhoudende) argumenten. In het onderhavige geval is het dan ook bepaald een gelukkige omstandigheid, dat er drie exemplaren van het fenomeen zijn aangetroffen in plaats van één en dat de, overigens duidelijke, veldwaarnemingen niet afhankelijk waren van één persoon. Het is hier verder op zijn plaats om te wijzen op de iets afwijkende morfologie van kuil C uit put 27, die boven de taps toelopende kuil nog een ruime ‘aanlegkuil’ bezat en geen sporen van een voormalige houten beschoeiing vertoonde.
Wel is er een kritische noot naar voren te brengen over de datering van de Denekampse kuilen. Het is theoretisch mogelijk, dat de kuilen na de Ie eeuw, tot in de Vroege Middeleeuwen (ca 100-1000 na Chr.) zijn gegraven, in welk geval eenzelfde type grondspoor als nu is vastgesteld ontstaan zou kunnen zijn.
De ter plekke aanwezige scherven van rond het begin van onze jaartelling zouden in dat geval secundair door verspitting in de latere kuilen terecht gekomen zijn, zonder een eigentijdse toevoeging van afval. Dat principe is een algemeen bekende, mogelijke complicatie bij de archeologische datering van grondsporen. In het geval van Denekamp gaat het echter om relatief veel scherven op een kleine oppervlakte, terwijl er ook geen extra verweringsverschijnselen op het aardewerk aanwezig zijn. Deze daarom onwaarschijnlijke optie zou verder niets oplossen ten aanzien van de unieke vormgeving en functietoeschrijving van de kuilen. Overigens zou een andere datering van de kuilen dan de eeuwen rond het begin van onze jaartelling van aanmerkelijk belang zijn, gezien de uiteenlopende dateringen van morfologische (benaderings)parallellen elders, waarover hierna meer.

Functietoeschrijving van andere wigvormige kuilen
Over de interpretatie van de drie bijzondere kuilen uit Denekamp bieden alleen de vorm en constructie, zoals boven is gesteld, een aanwijzing. Enige literatuur over (grote) kuilen met een V-vormige dwarsdoorsnede vermag de discussie over de Denekampse kuilen aanmerkelijk te verlevendigen. Daarbij komen de functies van looikuilen en vangkuilen als de meest serieuze mogelijkheden naar voren. Vooral deze hypothesen worden hieronder nader besproken, niet in het minst door het ontbreken van aanwijzingen ten gunste van andere mogelijkheden. Ter toelichting: onder looikuilen worden kuilen van welke vorm dan ook verstaan, die gewoonlijk een looiende, tevens stinkende, vloeistof van dierlijke (urine) of plantaardige (eek) herkomst bevatten, waarin huiden en andere organische stoffen geconserveerd kunnen worden. Vangkuilen, in dit verband een beter alternatief voor de term ‘valkuilen’, zijn bedoeld om in passieve zin wild te vangen, los van de precieze bedoeling ervan.
A. Ten aanzien van de eerstgenoemde mogelijke functie heeft van de Velde een grondige studie verricht naar de zogeheten ‘Schlitzgruben’ (D) of ‘slits’ (E) uit het vroeg en midden Neolithicum (5e en 4e eeuw v. Chr.) van Midden-

|pag. 73|

Europa.10 [10. P. v.d. Velde 1973.] Genoemd wigvormig kuiltype is daar vrij frequent aangetroffen bij nederzettingsopgravingen op de löss. De tweeëntwintig door hem behandelde kuilen uit Hienheim in Zuid-Duitsland bezaten een min of meer rechthoekige tot ovale omtrek, hadden afmetingen van 160-282 cm (L) x 25-70 cm (B) x 56-138 cm (D onder het hoogste schaafvlak). Twee kuilen hadden echter een significant grotere breedte van ca 120 cm. Bindend element voor het kuiltype is de lange, smalle omtrek en de steilwandige, spits toelopende tot wigvormige dwarsdoorsnede. Aan deze morfologie is dan ook de aanduiding van spleetvormige kuilen ontleend. Te Erfurt, in Zuidoost-Duitsland, zijn in de löss zo’n vijfentwintig soortgelijke kuilen met V-vormige dwarsdoorsnede opgegraven in vroeg en midden Neolithische context.11 [11. Lippmann 1985.] Gemiddeld genomen hadden deze rechthoekige, spleetvormige grondsporen afmetingen van 280 (L) x 35 (B) x 125 (D) cm. Het morfologische beeld voor deze niet zeldzame grondsporen is met deze twee voorbeelden voldoende bepaald.
Bij de onderhavige Neolithische, meestal uitgesproken smalle kuilen wijkt met name de breedte dus beduidend af van de drie Denekampse kuilen in het dekzand. Men kan zich hierbij zelfs afvragen of zulke smalle, diepe kuilen wel gegraven of uitgestoken kunnen zijn in de löss. Omdat er bovendien sprake is

Afb. 8

Reconstructie-tekening van een vangkuil met eland uit Lapland. Naar Ahrens/Westfal.

|pag. 74|

van onregelmatige kuilwanden en omdat ze zonder enige vorm van ordening in en nabij vele nederzettingen op de löss (niet op zandgronden) bij tientallen zijn aangetroffen, zou een natuurlijke verklaring van een spleetvormingsproces, van gefaseerd ontstane krimpscheuren wellicht tot de mogelijkheden hebben kunnen behoren. Echter, de redelijk uniforme en beperkte lengte van de grondsporen en de niet te vergelijken duidelijke krimpscheuren elders vormen overtuigende tegenargumenten. Daar deze of een andere natuurlijke verklaring niet opgaat, worden de derhalve als kuilen geïdentificeerde grondsporen in de literatuur meestal verklaard als een soort vang- of valkuilen, als looikuilen (al dan niet met een looiende vloeistof van dierlijke of plantaardige aard), als rituele kuilen en laatstelijk ook als kuilen onder een weefraam.12 [12. Gronenborn 1989.] Als meest waarschijnlijke hypothese wordt echter de functie van looikuilen aangehouden, maar archeologen komen wegens gebrek aan bewijs en parallellen bepaald niet zonder grote aarzelingen tot hun mening. Er is dan ook zeker ruimte voor een andere verklaring, zoals in de discussie hierna zal worden toegelicht.
B. Voor de als tweede genoemde mogelijke functie van de wigvormige kuilen uit Denekamp, die van vangkuilen voor (groot) wild, moeten wij net als bij de ‘looikuilen’ ver buiten de Twentse regio zoeken. Opgegraven vangkuilen, zeker van het type met een wigvormige dwarsdoorsnede, ontbreken namelijk in Nederland of zijn niet als zodanig herkend en geïnterpreteerd. Frequente navraag bij collega’s leverde in elk geval geen parallellen op. Voor morfologische parallellen elders gaat het dan in eerste instantie om de vrij algemeen bekende vang- of valkuilen uit Lapland.13 [13. C. Ahrens 1990 met verwijzing naar U. Westfal 1987 in het tijdschrift Norbotten.] In die landstreek zijn zelfs hele systemen opgegraven en verkend van 2 m diepe V-vormig ingegraven kuilen (2-3 m breed), bestemd voor de vangst van elanden; naast een houten kuilwandbeschoeiing was op de kuilbodem kennelijk nog een extra houten constructie aangebracht om de poten van het gevangen wild klem te zetten. Deze kuilen dateren uit de Midden Steentijd (ca 4.000 jaar v. Chr.). Uit Lapland zijn ook vergelijkbare kuilsystemen bekend uit de Middeleeuwen, in welke tijd de rendieren het beoogde doelwit vormden. In deze subarctische regio werd de vangmethode dus toegepast door mensen, die niet van de landbouw leefden, maar vooral van de jacht of het op nomadische wijze houden van dieren. Uit Lapland zijn dus fraaie archeologische parallellen bekend voor de Denekampse kuilen, maar uit andere perioden dan de IJzertijd/vroeg Romeinse tijd.

Uit Zuidoost-Nederland is een aantal historische gegevens over wolfskuilen uitgezocht.14 [14. Schrijnemakers 1986.] Het bovenstaande probleem is daar dus ingeperkt tot wolven als bejaagde diersoort en tot de periode van de 14e tot in de 19e eeuw. Er worden diverse typen vangkuilen toegelicht, maar het ‘Denekampse type’ staat er niet (herkenbaar) bij. Wel wordt vermeld, dat tot het eind van de 16e eeuw takken en loof als kuilafdekking werden gebruikt. Ook bij historische vermeldingen van wolfskuilen uit Noorwegen 15 [15. R. Orten Lie, schriftelijke informatie.] en Zwitserland ontbreken de wigvormige vangkuilen.
Oudere historische gegevens over wolfskuilen staan vermeld in Latijnse teksten van de Westgotische, Saksische en Frankische wetgeving met de algemene term ‘fossae’ of ‘foveae’,16 [16. Zie de Leges Barbarorum uit einde 5e tot begin 9e eeuw.] terwijl de oudst bekende beschrijving van een

|pag. 75|

wolfskuil staat vermeld in het jachtboek van de Griekse wijsgeer Xenophon uit de tweede helft van de 4e eeuw v. Chr..17 [17. noot 14 dubbel?]

Discussie over de interpretatie van wigvormige kuilen
De aangehaalde literatuur geeft nu aanleiding om de functietoeschrijving aan de Denekampse kuilen nog eens kritisch te beschouwen. Als we de bepaald onzekere interpretatie van de Duitse wigvormige ‘Schlitzgruben’ uit de Nieuwe Steentijd als looikuilen navolgen, is het denkbaar dat de drie grote Denekampse kuilen een latere en verbeterde versie van zulke looikuilen voorstellen.
Dit te meer, omdat er uit de latere Middeleeuwen en nadien (vanaf ca de 10e eeuw) ook als looikuilen geïnterpreteerde kuilen met andere vormen (platte bodems) bekend zijn, zoals te Hengelo-Hasselo,18 [18. Jaarverslag R.O.B. 1989, p. 138.] Deventer en andere middeleeuwse binnensteden. De planken beschoeiingen van de Denekampse kuilen kunnen dan onder meer tot doel hebben gehad om de ten opzichte van de löss relatief losse zandgrond tegen inzakken te beschermen en om het looivocht (enigermate) vast te houden.
Voor deze alleszins aanvaardbare zienswijze is één belangrijk tegenargument aan te voeren, namelijk het totaal ontbreken van (brede) wigvormige kuilen of van kuilen in welke vorm dan ook, die als ‘looikuilen’ geïnterpreteerd (kunnen) worden in of bij de talrijke elders opgegraven nederzettingen van voor ca de 10e eeuw. Het verschijnsel ‘looikuilen’ vormt kennelijk vanaf de 10/11e eeuw een nieuw optredend fenomeen, net zoals bijvoorbeeld de hutkommen sedert het einde van de 1e eeuw een nieuw verschijnsel vormen. Het optreden van ‘looikuilen’ in de latere Middeleeuwen heeft betrekking op grote, (eertijds) beschoeide kuilen met een vlakke bodem, waarbij de functie van looikuilen soms aantoonbaar was, soms verondersteld werd. Deze omschrijving sluit naadloos aan op overgeleverde kennis van looikuilen met platte bodems van meer recente datum.19 [19. Informatie van P. van de Velde.] Wigvormige kuilen komen in deze weergaven niet voor.
Als men in de Denekampse kuilen gelooid zou hebben, waarbij looien als een regulier proces beschouwd mag worden, zou het alleen hier dus op een unieke wijze zijn gebeurd. Dat is niet erg aannemelijk te achten, mede omdat er naast/onder de Denekampse kuilen geen (bruinachtige) sporen van insijpeling van (tanend) vocht vielen vast te stellen. Om deze laatste bewering ter verkrijging van een grotere mate van zekerheid afdoende af te handelen, zouden grondmonsters op fosfaat- en zwavelgehalte geanalyseerd dienen te worden.
Dat is helaas net als bij de ‘Schlitzgruben’ niet gebeurd.20 [20. Gepubliceerde aanbeveling van P. v.d. Velde, 1973 en recente informatie.]
Aansluitend op de looikuil-hypothese dienen nog enkele opmerkingen over de weefkuil-interpretatie van Gronenborn te worden gemaakt. Deze interpretatie heeft net als die van het looien alleen betrekking op de vroeg Neolithische ‘Schlitzgruben’. Het weefkuil-idee wordt primair gedragen door een curieuze afbeelding op een late Bronstijd vaas uit Sopron, gelegen bij de Oostenrijks- Hongaarse grens. In deze afbeelding zou langs een min of meer wigvormige, diepe kuil een uitgesproken groot weefraam zijn geplaatst, waarbij de verzwaringen aan de hangende draden, de schering, zich duidelijk beneden het ‘loopvlak’, in de kuil bevonden. De methode zou op zich ongetwijfeld toepasbaar zijn, maar er zijn nauwelijks of geen aanwijzingen voor zijn historische

|pag. 76|

authenticiteit gevonden. Er valt voor deze hypothese verder een reeks bezwaren aan te voeren, waarvan hier slechts worden genoemd het grote tijdshiaat tussen het vroege Neolithicum en de late Bronstijd, het weven in de buitenlucht en de gevarieerde afmetingen van de wigvormige kuilen, zoals 25-120 cm voor de breedte. Ten aanzien van de bredere en langere en aanzienlijk later gedateerde wigvormige en beschoeide kuilen uit Denekamp stapelen de bezwaren zich te veel op.
De verklaring van vangkuilen voor de drie Denekampse kuilen is vooral ingegeven door de planken beschoeiing van de V-vormige kuilwanden, de diepte en afmetingen van de kuilen, alsmede door fraaie parallellen uit Scandinavië. Dieren die in deze kuilen, al dan niet voorzien van lokaas, vielen, kwamen onherroepelijk klemvast te zitten tussen de planken wanden. Vanwege de vangkuil- parallellen en vanwege een negatief argumenten-saldo ten gunste van andere toepassingsmogelijkheden 21 [21. Zie hierboven en P. v.d. Velde 1973.] dient ons inziens dan ook een aanmerkelijk hogere kanswaarde aan de vangkuilverklaring voor de Denekampse kuilen te worden toegekend. Op grond van het hierna nog te bespreken zeldzame voorkomen en vanwege de landbouweconomie in de IJzertijd/Romeinse tijd zou daarbij met name gedacht kunnen worden aan de bestrijding van overlast veroorzakende dieren, meer dan aan een jachtmethode met als doel een aanvulling op het dieet.
Doorbordurend op deze hypothese is het vervolgens van belang na te gaan om welke dieren uit de tijd van rond het begin van onze jaartelling het dan zou kunnen gaan. Zoals we hierboven zagen hadden de drie rechthoekige Denekampse kuilen, waarvan er tenminste twee beschoeid waren, afmetingen aan het oorspronkelijk loopvlak van ca 300-360 cm bij ca 160-190 cm en kuildieptes van ca 155-195 cm. Uitgaande van deze afmetingen zijn voor oostelijk Nederland dan de volgende dieren te vermelden: eland, ree, edelhert, oeros, wild zwijn, beer en wolf.22 [22. Informatie van R. Lauwerier.] Van deze dierenreeks lijken de twee laatst vermelde diersoorten minder als primair doelwit in aanmerking te komen gezien hun ontsnappingskansen. Wat wolven betreft zou een vangkuil van nauwelijks twee meter diepte inderdaad onvoldoende zijn als men in gedachte houdt dat een minimale diepte van 3 meter voor beschoeide wolfskuilen met vlakke bodems noodzakelijk is. Maar hier in Denekamp zijn de kuilen steil wigvormig, wat de spronghoogte uit de kuil aanzienlijk zou bemoeilijken. Ook kunnen archeologisch niet aantoonbare hulpmiddelen zijn toegepast, zoals het (gedeeltelijk) invetten van de planken of de insteek van doornige takken bovenin de kuil. In elk geval blijkt het niet mogelijk om het doel van de kuilen binnen het kader van de vanghypothese nader aan te duiden.
De betrekkelijke uniciteit van de brede, wigvormige kuilen in Nederland blijft ondanks (benaderings)parallellen van elders verbazing wekken. Elke verklaring is daardoor op voorhand nogal uitzonderlijk. Wellicht is het verschijnsel nog enigszins begrijpelijk in de wetenschap, dat vangkuilen veelal, maar zeker niet consequent,23 [23. Historische voorbeelden uit Zwitserland.] buiten een feitelijk bewoond areaal werden aangelegd, waardoor zij in opgravingen slechts bij groot toeval gevonden worden en als zodanig herkend. Met andere woorden, binnen dit kader is het mogelijk, dat de Denekampse kuilen een redelijk normaal verschijnsel in hun tijd hebben gevormd,

|pag. 77|

maar zij zouden hier uitzonderlijkerwijs ontdekt zijn dankzij hun ligging langs de rand van een nederzettingsareaal. Te Denekamp is dankzij de ceramische datering van de drie kuilen aangetoond, dat zij gelijktijdig zijn met een deel van de nederzetting. We worden hier dus niet geconfronteerd met twee geheel verschillend te dateren verschijnselen, die bij toeval naast elkaar zijn komen te liggen. Voor de verklaring van de ‘uniciteit’ is het desondanks niet uit te sluiten, dat we hier te maken hebben met experimenten van de bewoners, waarbij de resultaten van de vrij bewerkelijke constructies niet van dien aard waren, dat het elders in de maatschappij navolging kreeg. Tenslotte zij hier nog een opmerking gemaakt over ontdekkingskansen en herkenningskansen. Uit de historische literatuur is namelijk af te leiden, dat er vanaf de latere Middeleeuwen tot in de 19e eeuw honderden wolfskuilen, zeer waarschijnlijk zonder V-vormige dwarsdoorsnede, in Nederland gegraven moeten zijn. In de archeologische literatuur komen zij echter niet voor.
De drie wigvormige kuilen uit Denekamp liggen pal ten westen van de nederzetting uit de late IJzertijd en de Romeinse tijd. Tevens liggen zij langs de volgestoven depressie in het westen, op het dekzand en tevens buiten het stuifzand. Hun verspreiding kan dan ook in geologisch en geografisch opzicht uniform genoemd worden. Zij liggen 30-50 m uit elkaar met een verschillende oriëntatie, die onafhankelijk is van de lokale bodemgesteldheid.
Nauw verband houdend met het bovenstaande rijst dan de vraag, bij welke behuizingen de vangkuilen uit Denekamp behoord kunnen hebben en daarmee ook op welke afstand de kuilen van de bewoning zijn gegraven. Daar blijkt geen duidelijk antwoord op te geven vanwege enkele rekbare dateringen. Zoals boven gesteld valt de scherpst mogelijke datering van de kuilen in de Ie eeuw v. Chr/Ie eeuw n. Chr. op grond van het geassocieerde schervenmateriaal. De bewoning op het stuifzand is vanaf de Ie eeuw (zie o.m. datering waterput) aangevangen. De wigvormige kuilen kunnen dus even goed behoord hebben bij één of enkele vroege huizen op het stuifzand als bij één of enkele wat oudere huizen buiten het stuifzand. De derde mogelijkheid is dat de vangkuilen (en eventueel ook de agrarische sporen in en onder het stuifzand) behoren bij één of enkele onbekende huisplattegronden buiten de opgraving, al dan niet gelegen op het dekzandkopje van de Borchert.
Het verschijnsel van de wigvormige kuilen maakt in het licht van de aangedragen interpretatie deel uit van het algemene probleem, dat men wilde dieren buiten de nederzetting en buiten het gecultiveerde areaal wilde houden, terwijl de gedomesticeerde dieren beschermd en binnen de nederzetting moesten blijven, dan wel gecontroleerd erbuiten. Dit dilemma wordt hier in Denekamp nog eens benadrukt, omdat de nederzetting op de Borchert zeer waarschijnlijk niet geheel omgeven was door omheiningen. Hetzelfde geldt zeker voor de wat oudere, vrij liggende, zwervende erven.
In dit hoofdstuk is erop gewezen, dat de lange, brede, diepe en beschoeide wigvormige kuilen uit Denekamp (en Lapland) in principe geschikt waren voor het vangen van groot wild. Gezien het kader van de tijdsbepaling van de kuilen uit Denekamp het meest waarschijnlijk voor het vangen van voor overlast zorgend wild. Voor de vroeg Neolithische en soortgelijke, maar in alle opzichten klei-

|pag. 78|

nere en (waarschijnlijk) niet beschoeide wigvormige kuilen zou eveneens een dergelijke functie van toepassing kunnen zijn, zoals in de literatuur ook is geopperd. Maar dan wel met de toevoeging ‘voor klein(er) wild’ en/of ongewenst gedierte. De ‘Schlitzgruben’, met een minimale breedte van ca 25 cm, kunnen in dit verband bezien hebben gediend voor het wegvangen en bestrijden van ongewenste kleinere dieren, zoals knagend, gravend, rovend en kruipend gedierte. Deze passieve vangmethodiek voor klein gedierte, indien destijds toegepast, was dan kennelijk alleen in zwang bij diverse vroeg- en midden Neolithische culturen, omdat ze nadien niet zijn aangetroffen. De grotere wigvormige vangkuilen blijken daarentegen in allerlei perioden voor te komen.
Het betreft waarschijnlijk een voor deze functie voor de hand liggend kuiltype.
Helaas is de vanghypothese niet direct aantoonbaar, hetgeen overigens eveneens geldt voor de alternatieve verklaringen. De brede vangkuilen en de ‘Schlitzgruben’ vertegenwoordigen in elk geval formeel twee varianten van de uitzonderlijke groep van wigvormige kuilen.

Waterputten/watervoorziening
De opgraving op de Borchert heeft weinig diepe waterputten opgeleverd, feitelijk slechts twee. Aangaande de tijd vóór de 2e eeuw behoeft dat weinig verwondering te wekken, omdat in ons gewest slechts weinig waterputten uit de tijd vóór de 2e eeuw gevonden zijn, en al helemaal geen diepe putten van ca 3 meter of meer (in Raalte-Raan een ondiepe, Ie-eeuwse vlechtwerkput). Dat verschijnsel vormt met andere zaken een vrijwel nieuw en strategisch element na de Ie eeuw. Als (diepe) waterputten ontbreken, of beter, lijken te ontbreken, bestaat de neiging om het probleem van de waterbehoefte op te lossen met de veronderstelling, dat men water putte uit nabij stromend water. Deze zeker niet onlogische gedachtegang is pas onlangs onder druk komen te staan met de theorie over en zelfs vondsten van ondiepe waterputten aan de voet van relatief hooggelegen bewoonde arealen.24 [24. Informatie van B. Groenewoudt.] Op die laaggelegen plaatsen werd echter tot op heden zelden gegraven, en bijgevolg werden eventuele structuren aldaar niet gevonden. Dit facet van grondsporen uit ‘wetlands’ zal in de naaste toekomst zeker meer aandacht krijgen.
Diepe waterputten in Germaanse nederzettingen vanaf de 2e eeuw AD bestonden meestal uit een uitgeholde boomstam (twee uitgeholde helften tegen elkaar geplaatst) of uit een vierkante bekisting van planken tussen hoekpalen. Maar de twee relatief diepe, overeenkomstige putten op de Borchert (uit de opgravingsputten I en 24) wijken hier vanaf. Ze waren slechts ca 2 meter diep en geheel of ten dele opgebouwd van aangespitste, verticaal of scheef ingestoken planken. Bovendien is de waterput uit put 24 met behulp van jaarringen gedateerd op 55 +/- 6 jaar na Chr., zoals boven reeds vermeld.
Elders in de opgraving lagen nog twee als ondiepe waterputten te interpreteren kuilen van nog geen meter diep. Die uit put 26 is waarschijnlijk beschoeid geweest met een kleine boomstam, de andere uit put 24 was onbeschoeid en bezat een veenbodem. Al met al biedt de nederzetting een vrij ongewoon beeld ten aanzien van de watervoorziening.

|pag. 79|

Sporen van akkerbouw en veeteelt (afb. 9)
In en onder het stuifzand boven het noordwestelijk gedeelte van de grote veendepressie lag een opmerkelijke serie sporen van de ploeg en van het eergetouw.
Evenals de wat oostelijker gelegen volgestoven koeienpootindrukken is de aanwezigheid van dit soort subtiele grondsporen van maximaal 10 cm diepte te danken aan de eigentijdse overstuivingen. In Overijssel zijn vergelijkbare sporen nergens anders bekend geworden, maar in diverse opgravingssites uit Noord-Holland zijn zij eveneens waargenomen dank zij stuivend duinzand, met name op Texel, in Castricum, Uitgeest en Santpoort.
Ter toelichting zij hier vermeld, dat het eergetouw (Deens en Engels: ard; Duits: Hakenpflug) een primitieve ploeg voorstelt, die alleen is voorzien van een soort ploegmes of schaar; dat ‘mes’ moet vervaardigd zijn geweest van hout, been of gewei, omdat (afgesleten) stenen en metalen messen niet gevonden zijn. Deze eenvoudige ploeg kan de grond daarom alleen open krassen, open snijden. De ‘ploegsporen’ van het eergetouw bestaan dan ook alleen uit lang doorlopende, ondiepe krassen of snijsporen.
Deze werden veelal in twee dwars op elkaar staande richtingen aangebracht, dit in tegenstelling tot Denekamp, waar meestal per opgravingsvlak slechts één richting bij het eerden werd gezien. In put 19 vlak 5 (net onder of onderin het stuifzand) werd waargenomen, dat eergetouwsporen scheef door een aantal ploegvoren liepen, dus (iets) jonger waren. Beide waarnemingen lijken aan te geven, dat per ploegsessie, mogelijk per jaar, slechts één richting werd aangehouden. Dwars op elkaar staande eerdsporen zouden dan uit verschillende jaren kunnen dateren.
In het gaaf lijkende profiel van put 13 meten de eergetouwkrassen niet meer dan 8 cm diepte. Het ploegtype is dankzij aangetroffen grondsporen bekend vanaf omstreeks 3000 v. Chr. en heeft blijkens historische vermeldingen in het Middelnederlands en in de talen van de omliggende landen voortgeleefd tot aan het einde van de Middeleeuwen.25 [25. V.d. Poel 1961.] Genoemd ploegtype heeft in zijn lange gebruiksperiode ongetwijfeld talloze verschillende constructies gehad, zodat de term hier in zeer algemene zin wordt gebruikt.
In de loop van de IJzertijd, in onze streken waarschijnlijk na 500 v. Chr., werd een nieuw ploegtype geïntroduceerd, dat de akkergrond niet alleen open sneed, maar de zode ook keerde. Dit gebeurde met een extra voorziening aan de ploegconstructie, namelijk van een rister, destijds in de vorm van een gebogen houtconstructie (al dan niet met ijzerbeslag). Het genoemde ploegprincipe is met talloze veranderingen en verbeteringen toegepast tot in recente tijd. In het opgravingsvlak levert zo’n ploeg een dikker en ‘wolliger’ spoor op dan de ferme krassen van het eergetouw. In het profiel kunnen daarbij ondergeploegde grondschollen of zoden waargenomen worden (afb. 9)
De ploeg- en eergetouwsporen in Denekamp zijn vastgesteld en opgetekend in de aan elkaar grenzende putten 9, 13, 19 en 25. De hoofdrichting is NNO-ZZW, maar de ploegrichting toonde opmerkelijk genoeg een boogvormig verloop. De ligging van de akker(s) was in elk geval globaal aangepast aan het natuurlijk reliëf en helde zwak af naar het oosten, conform de oppervlaktesituatie onder het stuifzand. De omvang van de akker(s) bleek niet goed te bepalen, maar de ploegsporen waren waarneembaar over een oppervlakte van circa 40 bij 35 m.

|pag. 80|

Afb. 9

Denekamp. Hetzelfde profieltype als in afb. 1. Zie ondergeploegd stuifzand uit late Iizertijd bovenin de modderige laag.

Dit moeten dus de minimale afmetingen van het akkertje voorstellen, waarbij wij niet willen suggereren dat het akkertje alleen een rechthoekige omtrek gehad kan hebben. De verbouwde gewassen zijn niet vastgesteld.
Heel bijzonder was de vaststelling dat de akkers in de stuifperiode met zowel het eergetouw als de ploeg zijn bewerkt. De landbouwers hadden, en dat is het opmerkelijke gegeven, kennelijk (ook toen) de beschikking over beide typen ploegen. Daarbij is in Denekamp geconstateerd, dat het eergetouw gebruikt is in de goede, min of meer humeuze akkergronden, terwijl de meer ontwikkelde (keer)ploeg werd ingezet in de moeilijkere situaties, met name in de overstoven akkers. In het profiel van put 9 is dat laatste fraai te zien, waar bovenin de zwarte, humeuze laag stuifzand is ingeploegd. Het ondergeploegde stuifzand ligt er als dakpansgewijs gelegen schollen in de directe ondergrond.
De datering van de hier besproken ploeg- en eergetouwsporen in het stuifzand is dank zij de hierboven besproken stratigrafie in elk geval te dateren in de tijd vóór de Ie eeuw. Daarbij komt de late IJzertijd als het meest aannemelijke tijdvak naar voren en daarmee een associatie met het vroegste huis uit de opgraving. De Denekampse ploegsporen zouden daarmee een ouderdom bezitten, overeenkomstig met die uit de genoemde Hollandse sites.
Het lijkt inmiddels een merkwaardige zaak, dat men circa 2000 jaar lang, van ca 500 v. Chr. tot 1500 na Chr., een oud ploegtype heeft gehandhaafd naast de aanwezigheid van een beter type met rister.

|pag. 81|

De verklaring hiervoor kan zijn, dat technisch-economische overwegingen hierbij de reden hebben gevormd. Immers, een eergetouw was eenvoudiger te construeren dan een ploeg en vanwege de grondweerstand is een eergetouw met minder energie voort te trekken dan een ploeg met rister. Vertaald in economische termen was het eergetouw dus zeker goedkoper dan de verbeterde ploeg. Bovendien is het denkbaar, dat in veel gevallen de inspanningen voor een goed geploegd stuk land niet opwogen tegen de mogelijk daardoor te verkrijgen grotere oogst. De beperking hiervoor bij uitstek kan het vroeger steeds aanwezige probleem van een mesttekort zijn geweest.
De eenmaal binnen gehaalde oogst(en) werden althans voor een belangrijk deel bewaard en opgeslagen in spiekers of schuurtjes, van welke bouwseltjes talrijke paalkuilen zijn weergevonden. Uit opgravingen elders in den lande, bijvoorbeeld te Deventer-Colmschate, is duidelijk geworden, dat die opslagruimtes niet alleen in de nederzettingen zelf voorkwamen.
Aanwijzingen voor veeteelt zijn op vele locaties aangetroffen, zoals de aanwezigheid van bot- en gebitsresten van huisdieren, de aanwezigheid van stallen en veeboxen in de boerderijen en soms veekralen erbuiten; in Raalte-Heeten zijn bovendien diergraven opgegraven. In Denekamp komt daar een zeldzaam grondspoor bij, namelijk de volgestoven hoefindrukken van runderen, waargenomen in het oosten van de putten 9 en 19. De beesten hebben in de zwarte, humeuze en kennelijk nogal zachte laag onder het stuifzand talloze indrukken achter gelaten, welke indrukken kort daarna door het vaalgele stuifzand zijn opgevuld. De grondsporen hebben op zich weinig informatieve waarde, maar hun voorkomen als nietige, ondiepe grondsporen mag opmerkelijk worden genoemd en zij verlevendigen het reeds opgebouwde beeld. De datering van deze indrukken is wederom afgeleid van de stratigrafie. Ze zijn ouder dan de I- 3e-eeuwse bebouwing op het stuifzand. Net als de stratigrafisch even oude ploeg- en eergetouwsporen is een associatie met de oudste, late IJzertijd boerderij het meest waarschijnlijk.

De loden baar (afb. 10)
Waarschijnlijk het meest curieuze voorwerp van de opgraving stamt uit een afvalkuil in put 15. Deze kuil lag tussen een van de huizen en de oostelijke omheining. De kuil bevatte naast enkele ca 2e-eeuwse vondsten een loden baar (nr. 799A), die ca 15 cm boven de kuilbodem lag. De datering van deze baar zal dan ook 2e eeuw zijn. De baar bezat een ovale omtrek, een bijna vlakke, korrelige boven- en onderzijde, een dikte van 4,5 cm en concave zijden met verticale gietgroefjes. Er was ca 7% van de grondstofmassa afgesneden, waardoor het restgewicht van de baar nog ‘slechts’ 5486 gram bedroeg. Oorspronkelijk moet de baar ca 5886 gram gewogen hebben, gelet op het geringe, afgesneden percentage. De gewichtstoename als gevolg van het oxidatieproces is moeilijker in te schatten, omdat de (waarschijnlijk geringe) dikte van de oxidatiekorst niet bekend is. Aan dit probleem is dan ook voorbij gegaan omdat wel duidelijk is, dat het om een marginaal probleem gaat; loodwit weegt ca 10 % meer dan lood. Het benaderde totaalgewicht van de baar lijkt erop te wijzen, dat men het Romeinse pond als eenheid bij de gegoten massa heeft gebruikt. Voor het

|pag. 82|

Afb. 10

De 2e-eeuwse loden baar, waarschijnlijk een Germaanse omsmelting van ‘Romeins’ lood.

genoemde pond wordt afgerond 327 gram gehanteerd. De Denekampse baar zou daarmee 18 Romeinse ponden hebben kunnen wegen.
De toepassing van het Romeinse pond als eenheid voor een loodmassa hoeft niet veel verwondering te wekken in het besef, dat het gemijnde looderts hoogstwaarschijnlijk afkomstig is uit de Eifel of het Sauerland, beide binnen het Romeinse rijk gelegen. Bovendien zijn uit het midden-Rijngebied en omgeving allerlei Romeinse importen afkomstig, die onder meer hun weg vonden naar noordelijk Nederland. Ook werd lood in onze streken pas vanaf de Romeinse tijd gebruikt. Maar het is wel opmerkelijk te achten, dat de vorm van de Denekampse baar elders niet bekend is, noch uit de veronderstelde her-

|pag. 83|

komstgebieden, noch elders in de potentiële afzetgebieden. Dat laatste geldt eveneens voor een uniek vorm gegeven, Germaanse, 3 cm dikke, ronde loodbaar (4420 gram) met uitgespaard centrum uit Albersloh, Kreis Münster.26 [26. Wilhelmi 1974.]
Toch zijn er uit een productiegebied, en wel uit Brion in het Hochsauerland-kreis, minimaal tien loodbaarvormen bekend van een lager gewicht en zonder gietgroefjes, zoals doorboorde kegels, een ‘platte kegelvorm’, rechthoeken, spinklosvormen, weefgewichtvormen, platte staven en plat-ovaalvormige stukken, daterend uit de I-2e eeuw.27 [27. Expositie Landesmuseum Westfalen für Archäologie, Herne.] Er is daarom wel verondersteld, dat het bij de baar uit Denekamp zou gaan om een inheemse omsmelting van Romeins lood.28 [28. Brongers & Woltering 1978.] Deze bewering is zeker niet ongegrond te noemen in het licht van het bovenstaande en vanwege de diverse verschillen tussen de talrijke loodbaren uit (Romeinse) productiegebieden en de schaarse exemplaren uit (Germaanse) afzetgebieden.
Tot slot rijst de vraag, wat had men in een Germaans dorp met lood, dat niet tot een eindproduct was verwerkt? Binnen het Romeinse rijk vond lood veel toepassing bij de legioenen, ‘in de bouw’, zoals bij thermen en bij de vervaardiging van loden of met lood gelegeerde voorwerpen. De schaarse loden voorwerpjes in de inheemse samenleving, zoals spinklosjes en andere gewichtjes zullen vooral als eindproducten in deze samenleving terecht zijn gekomen. Loden voorwerpjes van Germaanse origine zijn niet eenvoudig aan te wijzen, zeker niet als het inheemse imitaties van Romeinse producten betreft. Men zou het metaal nog het eerst mogen verwachten in de gereedschappenset van een inheemse (brons)smid. Deze ambachtslieden smolten toch al metaal, met name bronsschroot (en vermoedelijk ook Romeinse munten), zoals onder meer bij de opgraving van een inheems-Romeinse nederzetting te Bathmen (Ov.) is gebleken.29 [29. Jaarverslag R.O.B. 1995/6, p. 232.] In deze entourage lijkt de loodtoepassing dan ook zijn beslag gevonden te hebben, namelijk in de toevoeging van lood (smeltpunt; 327 graden) aan brons om een smeltpuntverlaging te bewerkstelligen. Ook bij het solderen van sieraden kan het metaal van nut zijn geweest. Zie hiertoe de technische uiteenzetting van de bijzondere etage-fibula (mantelspeld) uit Raalte-Heeten.30 [30. Verlinde & Erdrich 1998.]
In de nederzetting van Denekamp is van dit alles, uitgezonderd lokale ijzerbewerking, nauwelijks iets gebleken. Hier kan slechts geconstateerd worden, dat men een ‘dure’, zeldzame loodbaar na slechts enig gebruik in een afvalkuil heeft geworpen, evenals het geval was met de meest nabije en gave ‘parallel’ uit Kreis Münster. Het ontlokt ons dan ook de opmerking, dat de bijzondere vondst als een ‘germaanse miskoop’ beschouwd kan worden.

Beknopt provinciaal overzicht van de Romeinse tijd (ca 12 v. Chr-450 n. Chr)
Momenteel kennen we in de provincie Overijssel de locaties van circa 50!! Germaanse nederzettingen, als de Ie eeuw wordt meegeteld. Het probleem van deze eeuw, althans van zijn herkenning, is tweeledig. Allereerst het feit, dat de meeste locaties slechts ‘bekend’ zijn dank zij een beperkt aantal vondsten, gewoonlijk aardewerkscherven. Daar de Ie eeuw na Chr. in de gewesten ten noorden van de Rijn in materiële zin nog sterk aansluit op de IJzertijd (ca 800 v. Chr.-o), is deze eeuw vaak niet aantoonbaar in kleine schervenspectra en

|pag. 84|

nogal lastig in middelgrote vondstgroepen. Onder de talrijke vindplaatsen met (onder meer) IJzertijd scherven kunnen dus meerdere locaties zijn, waar ook de Ie eeuw bij is vertegenwoordigd. Fraaie voorbeelden hiervan zijn de locaties te Haaksbergen-Buurse en Raalte-Raan. Het tweede probleem behelst de term ‘nederzetting’ in kwantitatieve zin. In de IJzertijd en de Ie eeuw kwam het blijkens bodemonderzoek niet zelden voor, dat een boerderij in zijn eentje in het veld was gelegen. Deze ‘nederzettingen’ worden tegenwoordig met de term ‘zwerferven’ of ‘zwervende erven’ aangeduid, een toepasselijke aanduiding, omdat de bewoners niet langdurig en vast op één terrein woonachtig waren, maar na een zekere tijd, al dan niet met medeneming van onderdelen van het huis, elders een woning neerzetten. Dit verschijnsel van zwerferven lijkt in het verdere verloop van de Romeinse tijd nauwelijks meer voor te komen. Terreinen met aangetoonde Germaanse bewoning kunnen dus grote verschillen vertonen met betrekking tot het aantal huizen en de tijdsduur.
Van de vijftig bekende nederzettingslocaties, naar schatting zal het dubbele aantal hiervan nu (nog) onbekend zijn en ten dele ook blijven, zijn er vijftien voor een deel opgegraven, meestal kleinschalig in proefsleuven of tijdens werkzaamheden van anderen. Dat betekent dus, dat van die nederzettingen getekende deeloverzichten bestaan, gewoonlijk zeer incomplete. Slechts drie nederzettingen uit Overijssel zijn op grote schaal (d.w.z. minimaal I hectare) en uiteraard machinaal, opgegraven voordat ze overbouwd werden, namelijk die van Denekamp-de Borchert (1972), Deventer-Colmschate (1984-86, plus recente aanvullingen) en Raalte-Heeten (1994, plus recente aanvullingen); het betreft grote opgravingen door de R.O.B. met provinciale en gemeentelijke steun. Dat in 1960 pas de eerste Germaanse nederzetting uit Overijssel (Dalfsen-Welsum) werd bloot gelegd, geeft tevens aan, dat de archeologische kennis van de onderhavige periode in onze provincie nog van betrekkelijk recente datum is.31 [31. Van Beek & van Es 1964.] Bovendien zijn de meeste opgravingen slechts (zeer) onvolledig en provisorisch gepubliceerd wegens chronisch tijdgebrek c.q. onderbemensing.
Waarvan akte!
Over de begravingen uit de Romeinse tijd staan ons weinig gegevens ter beschikking. Wel is duidelijk dat er alleen aanwijzingen voor crematiegraven aanwezig zijn. Vóór 1970 waren er in Overijssel alleen enkele bij toeval gevonden urnen bekend.32 [32. Zie de catalogus bij van Es & Verlinde 1977; dit geringe aantal urnen uit de Romeinse tijd dient niet verward te worden met het grote aantal urnen uit de late Bronstijd/vroege IJzertijd.] Daar zijn in de afgelopen dertig jaar enkele kleine, meestal wel opgegraven sites bij gekomen, zoals te Saasveld en Wierden.
Opmerkelijk genoeg ging het daarbij om plekken met slechts één crematie en om arme, middelgrote grafvelden van oorspronkelijk waarschijnlijk 10-40 bijzettingen. Alleen in Deventer-Colmschate (1984) is een groot en ‘rijk’ grafveld ontgraven, dat direct daarna door een grote woonwijk werd overbouwd. Weer een noodopgraving pur sang! In principe is van deze bijzettingen uit Overijssel te zeggen, dat alle meegegeven voorwerpen zijn verbrand, uitgezonderd eventuele urnen, alsmede voor de Ie eeuw ook eventuele bijpotjes. De Ie-eeuwse bijzettingen sluiten goed aan op de begravingsgebruiken uit de IJzertijd, waarbij in dit geval wordt bedoeld, dat de in ondiepe kuiltjes gedeponeerde crematiehoopjes arm zijn en hoogstens over enig aan de IJzertijd herinnerend aardewerk beschikken. Vanaf de 2e eeuw komen er naast arme crematiegraven ook

|pag. 85|

‘rijke’ graven voor en met een grotere diversiteit aan verbrande bijgaven: naast inheems en import aardewerk tevens benen en metalen voorwerpen; soms ook botresten van huisdieren en vis als getuige van een meegegeven maaltijd. Over het rijke grafveld uit Colmschate valt meer te zeggen dan over alle andere inheems-Romeinse graven uit Overijssel bij elkaar. Deze site lijkt daarom niet representatief voor de provincie,33 [33. Verlinde & Erdrich, voorzien in 2005.] maar kan dat wel zijn voor de IJsselstreek, gezien de meer opvallende graven uit Zutphen en Zwolle-Oldeneel. Het bijzondere grafveld van Colmschate lag 200 meter van de bijbehorende, omheinde nederzetting af.
Munten en muntschatten komen voor het eerst voor in en kort voor de Romeinse tijd. De muntschatten uit Overijssel zijn alleen bekend uit de westelijkste en de oostelijkste delen; Steenwijk-Onna, Diepenveen-zuid, Denekamp en net over de Duitse grens bij Brandlecht en Ringe in de Niedergrafschaft Bentheim.34 [34. Bakker 1993.] Helaas zijn deze vaak uit ruim 300 zilveren munten (denarii) bestaande depots, op Diepenveen na, al vóór de 20e eeuw gevonden, met alle consequenties van dien voor behoud en documentatie. De goudschat uit de IJssel bij Olst wordt gewoonlijk aan de muntdepots toegevoegd, omdat de betreffende inheemse halsringen uit ca 400 n. Chr. vervaardigd moeten zijn uit tientallen omgesmolten gouden munten. Net als bij een vergelijkbaar gouddepot uit Beilen (Dr.) zal het gaan om een Romeinse diplomatieke gift of omkoopsom aan een lokale heerser, een ‘chief’.
Wat geldt voor de muntschatten, blijkt in principe ook op te gaan voor losse muntvondsten en andere metalen voorwerpjes van Romeins fabrikaat of omsmeltingen daarvan. Het betreft meestal vondsten vanaf ca 1980, gedaan met de metaaldetector. Hun verspreiding ligt primair in het westen van Overijssel (inclusief Steenwijk) en eveneens ter weerszijde van de Duits-Twentse grensstreek (vooral aan gene zijde), met daartussen in het grootste deel van Overijssel, waarbinnen nauwelijks aanwijzingen voor bovenmodale zaken gevonden zijn. De westelijke Vechtstreek vormt als enig gebied hierbinnen nog enigszins een uitzondering. De relatief ‘rijke’ gebieden van Overijssel (en vooral het aangrenzende deel van Duitsland) mogen zich ook nog eens verheugen in de aanwezigheid van allerlei andere bijzonderheden, zoals enkele huizen in Romeinse bouwtrant (Colmschate en Heek-D), het Mercuriusbeeldje uit Dalfsen, het vermoedelijke heiligdom Wijhe(VIH), de ijzer-industrie van Heeten-Wesepe en een daarmee samenhangend scala aan modieuze vondsten; verder in het algemeen een hele reeks ‘importen’ van Romeins aardewerk. Zo is bij een opgraving te Heek (D) langs de boven Dinkel meer terra sigillata (rood, gestempeld aardewerk) gevonden dan uit heel Overijssel bekend is.35 [35. Opgraving C. Finke 1988.]
Uit oostelijk Twente stamt uit een opgraving te Buurse de enig bekende Ie-eeuwse terra sigillata vorm uit Overijssel,36 [36. Archeologische Kroniek van Overijssel over 1991, OHB 1992.] uit Denekamp de bijzondere loden baar, terwijl bij Oldenzaal enkele opvallende metalen voorwerpjes uit de vroeg-Romeinse tijd zijn gedetecteerd, onder meer een gordelring en een zogeheten ‘Keltisch regenboogschoteltje’, terwijl er helaas niet verifieerbaar ook ‘een gouden Romeinse penning’ gevonden zou zijn voor de 20e eeuw.37 [37. J.A. Ort 1901, Oldenzaal tijdens de Salische Franken, p. 172.]
Deze vondsten en hun selectieve verspreiding lijken een duidelijke verklaring te hebben, namelijk een verkeersgeografische. Het enige voorbehoud bij deze

|pag. 86|

uitspraak dient nog gemaakt te worden met een verwijzing naar de onevenwichtige verspreiding van het onderzoek aan de locaties uit de Romeinse tijd.
Bij toeval vond namelijk het meeste onderzoek plaats in de als ‘rijk’ aangeduide streken van ons gewest. Desondanks bevestigen de toevalsvondsten en detectorvondsten de indruk van het beeld dat door de opgravingen verkregen is. Dat beeld laat dus in de Romeinse tijd een evident zwaartepunt zien langs de IJssel en ter weerszijde van de Duits-Twentse grens: langgerekte, zuid-noord lopende, strookvormige arealen. Dat deze langgerekte arealen samenvallen met belangrijke routes uit die tijd is begrijpelijk, temeer omdat de verspreiding van kennis, ideeën en (bijzondere) mobilia samenhangen met verkeer. Dat de route ten oosten van de Duits-Twentse grens een belangrijke en door natuurlijke omstandigheden bepaalde route was (lage waterscheiding), was ook al duidelijk geworden bij de uitwerking van de urnenveldentijd omstreeks de 8e eeuw v. Chr. Zo’n verkeersroute manifesteert zich archeologisch door een langgerekt gebied met een ‘bandbreedte’ van een dagtocht (stel 25 km) ter weerszijde van de route, wanneer er geen natuurlijke belemmeringen aanwezig zijn, zoals de loop door een toegankelijk dal of langs een moeras. De Oosttwentse vondsten dienen gezien te worden als de westelijke periferie van de zone langs een Westfaalse route.
De route langs de oostzijde van (en over?) de IJssel, voor welk tracé pas vanaf de Romeinse tijd aanknopingspunten bekend zijn, lijkt aan de westkant van de rivier geen of weinig invloed gehad te hebben, omdat het gebied tussen de IJssel en de Oostveluwezoom zich niet best leende voor een doorkruising. De doorgaande transportmogelijkheid langs (en over?) de IJssel moet niet in de laatste plaats van belang zijn geweest als verbinding tussen de Romeinse noordgrens langs de Rijn (de limes) enerzijds en Friesland resp. de kust anderzijds. De route blijkt op grond van vondsten een fors hiaat te tonen tussen Zwolle en Steenwijk, in het destijds grotendeels moerassige gebied. In dit gebied zijn überhaupt nauwelijks aanwijzingen gevonden voor menselijke aanwezigheid uit de latere prehistorie en de Romeinse tijd.38 [38. Verlinde & Erdrich 2005.]
In het licht van het vingervormige verspreidingspatroon van ontsluitings- en verkeersroutes met een zuid-noord beloop en daarmee samenhangende vondsten, kan voorzichtig iets worden gezegd over de vraag of ‘de Romeinen’ ooit op Overijsselse bodem actief zijn geweest. Directe aanwijzingen daarvoor ontbreken tot op heden in elk geval. Maar als er ooit legertroepen onder Romeins commando door deze contreien zijn gepasseerd, moet het langs en/of over de IJssel zijn geweest, op weg naar Friesland of vice versa. Deze passage kan hét alternatief voor de Flevo-route over water hebben gevormd! Maar de IJsselroute, dat dient goed beseft te worden, moet vooral en primair een inheemse aangelegenheid zijn geweest. Voor het uiterste oosten van Twente moet eenzelfde kans op betreding door ‘de Romeinen’ nihil geacht worden, omdat de Westfaalse route, die waarschijnlijk maar niet aantoonbaar door hen gebruikt zal zijn geweest, te ver af lag van oostelijk Twente en omdat er geen reden geweest kan zijn om vanaf die weg zo ver naar het westen ‘af te dwalen’. De kans, dat een of enkele Romeinse onderhandelaars of zakenlieden, in gezelschap van inheemse gidsen, soms tot in deze gebieden zijn doorgedrongen, biedt uiteraard een beter perspectief.

|pag. 87|

Terugkomend op de aanwezigheid van ‘Romeinse legertroepen’ is het voor Overijssel van belang een moment stil te staan bij de beruchte Varusslag uit 9 n. Chr. Pas omstreeks 1980 is duidelijk geworden, dat deze slag tussen drie Romeinse legioenen en een (tijdelijke) Germaanse stammenbond onder leiding van Arminius heeft plaats gevonden bij Kalkriese ten noorden van Osnabrück, ruim 60 km ten oosten van Denekamp gelegen. Daar werd het leger van commandant Varus op lastig terrein en vanuit een hinderlaag volgens een zorgvuldig beraamd plan afgeslacht door de stammenbond. Het is uitgesloten, dat deze ingrijpende gebeurtenis aan de Ie-eeuwse bewoners van Overijssel voorbij gegaan zou zijn. Dit temeer, omdat de stam der Tubanten waarschijnlijk betrokken was bij de samenzwering, waarbij direct aangetekend dient te worden, dat het lang niet zeker is, of de genoemde stam geheel of ten dele in oostelijk Overijssel woonachtig was.39 [39. Byvanck 1944.] In zijn geheel woonachtig in Twente (inclusief het vroeg middeleeuwse Noord-Twente) lijkt wel uit te sluiten, alleen al vanwege de in dat geval te beperkte omvang van de stam (zie hierna). Helaas blijkt de lokalisatie en afgrenzing van Germaanse stammen met archeologische middelen niet of nauwelijks mogelijk te zijn, terwijl met hulp van de Romeinse historische bronnen geografische arealen slechts zeer globaal te bepalen zijn. Ook de beide 3e-eeuwse altaarstenen uit Housesteads, bij de muur van Hadrianus in Noord-Engeland kunnen in deze geen uitsluitsel geven. Wel staat er op vermeld, dat Tuihanti waren ingedeeld bij een Friese ruiterafdeling van het Romeinse leger.
Het bovenstaande roept de vraag op, hoeveel inwoners Overijssel in de Romeinse tijd telde en hoe groot een Germaanse stam zou kunnen zijn. De eerste vraag is nog enigszins te berekenen of in te schatten op grond van het boven genoemde aantal van vijftig bekende woonplekken plus naar schatting nog eens honderd onbekende nederzettingen met een gemiddelde bezetting van ca 20 inwoners per dorp, zoals dat voor Denekamp berekend werd. Dat zou 150 x 20 = 3000 inwoners opleveren. Wij hebben de neiging om dit aantal eerder te verhogen dan te verlagen, omdat de schatting/berekening van het aantal inwoners uit de urnenveldentijd ook rond het vermelde aantal uitkwam, maar dan op basis van grafvelden. Over de omvang van een stam moet duidelijk een vager antwoord worden gegeven, onder meer omdat de omvang van hun woonareaal niet bekend is, de naamsaanduidingen van vreemde schrijvers indirect zijn en omdat de ‘stam’-aanduidingen soms aantoonbaar kunnen wisselen, zoals bij begrippen als Friezen en (al dan niet Salische) Franken. Een uiterste minimum van 3000 personen voor een (Germaanse) stam lijkt de enige te noemen schatting op grond van het bovenstaande.
Bij de huidige stand van onze kennis is het inmiddels duidelijk, dat het politieke en economische zwaartepunt van Overijssel tijdens de Romeinse tijd in Zuidwest-Salland lag: Colmschate met een dubbelnederzetting en een voor de regio opvallend grafveld langs een uitstulping van het IJsseldal, als ‘voorloper’ van de latere ‘portus’ Deventer; Heeten/Wesepe met een ‘booming’ ijzerindustrie uit het begin van de 4e eeuw (inclusief externe voedselvoorzieningen), waarschijnlijk in het kader van militaire voorbereidingen van de Franken, de muntschatten van Olst (ca 400) en Diepenveen (eind 2e eeuw), alsmede talloze

|pag. 88|

opmerkelijke vondsten en grondsporen uit dit gebied. Hier komt bij dat naar analogie van de goudschat uit Beilen (Dr.) de goudschat uit Olst ook aan een ‘chief ’ kan worden toegeschreven. Het zou zeker niet misstaan, als dit stamhoofd(?) in Heeten of Colmschate zijn residentie heeft gehad. In dit kader is het vermeldenswaard en misschien ook wel verwonderlijk, dat de meeste ingrediënten voor de vermelde inzichten pas vanaf de jaren tachtig bekend zijn geworden.
Al het bovenstaande samenvattend is te stellen, dat een toch vrij grote opgraving als die uit Denekamp het grootste deel van een gemiddeld Germaans dorpje heeft bloot gelegd, waarmee dan een tipje van de sluier over de bijbehorende samenleving is aangeroerd. Denekamp, enerzijds dan een gemiddeld Germaans dorp, anderzijds een duidelijk curieuze woonplek.

Overzicht gegevens vangkuilen
– Rechthoekige kuil A in put 5 met spits V-vormig dwarsprofiel, opgegraven met 8 getekende vlakken.
– Ligging in/naast de oostelijke randzone van de (reeds volgestoven ?) westelijke, zuid-noord lopende ‘geul’. Oriëntatie: O-W.
– Lengte kuil in vlak 6: 260 cm. Geëxtrapoleerde lengte aan loopvlak (zonder eventuele aanlegkuil): ca 300 cm.
– Breedte kuil van I0 cm in vlak 8 tot I50 cm in vlak 2. Geëxtrapoleerde breedte aan loopvlak: I90 cm. De kuil geert als enige van oost naar west.
– NAP-hoogte vlak I: 24.98 m; NAP-hoogte diepste punt (iets onder vlak 8): ca 23.30 m. Gemeten kuildiepte: I70 cm. Gereconstrueerde kuildiepte vanaf het oorspronkelijk loopvlak: ca I95 cm.
– De diepst gelegen 70-90 cm van de hellende kuilwanden waren beschoeid met planken en paaltjes, nog zichtbaar als humeus grondspoor.

– Rechthoekige kuil B in put I6 met spits V-vormig dwarsprofiel, opgegraven met 5 getekende vlakken en 2 profielen.
– Ligging op de dekzandmg zonder stuifzand- of bodemstratigrafie. Oriëntatie: NO-ZW.
– Lengte kuil: 215 cm in vlak 6 tot 320 cm in vlak I. Geëxtrapoleerde lengte aan loopvlak (inclusief aanzet aanlegkuil): ca 360 cm.
– Breedte kuil: van 10 cm in vlak 6 tot 110 cm in vlak I. Geëxtrapoleerde breedte aan loopvlak: 150 cm.
– NAP-hoogte vlak I: 24.85 m; NAP-hoogte diepste punt (in dwarsprofiel): 23.15 m. Gemeten kuildiepte: 170 cm. Gereconstrueerde kuildiepte vanaf het oorspronkelijk loopvlak: ca 195 cm.
– De diepst gelegen 80 cm van de hellende kuilwanden waren nog zichtbaar beschoeid met alleen planken als humeus grondspoor. De oorspronkelijke hoogte van de beschoeiing is onbekend.
– Het getekende dwarsprofiel is strak V-vormig, maar met een soort verbrede aanlegkuil in de bovenste 40 cm (onder hoogste getekende vlak). Ook in het langsprofiel staan de planken schuin naar beneden.

|pag. 89|

– Rechthoekige kuil C in put 27 met spits verlopend dwarsprofiel, opgegraven met 3 getekende vlakken en 2 profielen.
– Ligging pal ten westen van de (reeds volgestoven?) westelijke ‘geul’. Oriëntatie: Z-N.
– Lengte kuil: van 270 cm in vlak 3 tot 305 cm in vlak 2. Geëxtrapoleerde lengte aan loopvlak (exclusief eventuele aanlegkuil): ca 310 cm.
– Breedte kuil: van 20 cm in vlak 3 tot 150 cm in vlak I. Geëxtrapoleerde breedte aan loopvlak (inclusief aanlegkuil): ca 160 cm.
– NAP-hoogte vlak I: 25.15 m; NAP-hoogte diepste punt (in profiel): 23.85 m. Gemeten kuildiepte: 130 cm. Gereconstrueerde kuildiepte vanaf het oorspronkelijk loopvlak: ca 155 cm.
– Geen beschoeiing met planken (en paaltjes) van de kuilwanden waargenomen.
– Brede aanlegkuil bovenin het grondspoor met een smalle, trechtervormige, I m diepe basiskuil, die een zeer smalle bodem op het diepste punt bezit.

Dankwoord
Het schaafwerk en overige handmatige grondverzet is op volhardende wijze verricht door vier plaatselijk beschikbare grondwerkers/voorgravers. Het grootschalige, machinale grondverzet werd uitgevoerd door de firma de Wit, gespecialiseerd in opgravingen. De technische leiding van de opgraving is lange tijd uitgevoerd door A. Buisman en H. ter Schegget, voor korte tijd door de heren van Duijn, G. van Haaff, M. de Haan, R. Lutter en A. van Pernis, allen veldtechnici van de R.O.B. De wetenschappelijke leiding was in handen van de auteur dezes in zijn functie van provinciaal archeoloog voor Overijssel. Ook mag niet onvermeld blijven, dat van geologisch-botanische zijde veel aandacht aan de opgraving is besteed door een team van de Universiteit van Amsterdam onder leiding van dr. Th. van der Hammen.
Bij de uitwerking van de opgravingsgegevens vanaf de veldtekeningen mocht de auteur zich achtereenvolgens verheugen in de collegiale assistentie van A. Buisman en H. ter Schegget, hetgeen de kwaliteit van dit werkstuk ten goede is gekomen en de voorbereidingstijd heeft verkort. Discussies met collega’s van diverse huize zou de auteur node hebben gemist.

|pag. 90|

Literatuur
Ahrens, C. 1990: Wiederaufgebaute Vorzeit, archäologische Freitichtmuseen in Europa. Neumünster, Karl Wachholtz Verlag.
Bakker, J.A. 1993: De Romeinse muntschatten van Brandlecht (1620), Ringe (1654/55) en Emsbüren (voor 1713) in eigentijdse berichten. Jaarboek voor Munt- en Penningkunde 80, p. 5-21.
Beek, R. van & W.A. van Es 1964: Nederzettingssporen uit de laat-romeinse keizertijd bij Dalfsen (Ov.). WesterheemBrongers, J.A. & P.J. Woltering 1978: De prehistorie van Nederland, economisch-technologisch. Haarlem. Fibula.
Byvanck, A.W. 1944: Excerpta Romana, de bronnen der Romeinsche geschiedenis van Nederland. ’s-Gravenhage.
Es, W.A. van 1967: Wijster, a native village beyond the imperial frontier. Palaeohistoria 11, Groningen.
Es, W.A. van en A.D. Verlinde 1977: Overijssel in Roman and early-Medieval times. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 27, p. 7-89.
Geel, B. van, S.J.P. Bohncke en H. Dee 1980/1981: A Palaeoecological study of an upper glacial and Holocene sequence from ‘de Borchert’, the Netherlands. Review of Palaeobotany and Palynology 31, p. 367-448.
Goutbeek, A. & E. Jans 1988: Hooibergen in Oost-Nederland. Opkomst, gebruik en typologie. Kampen.
Gronenborn, D. 1989: Neue Überlegungen zur Funktion von Schlitzgruben. Archäologisches Korrespondenzblatt 19, p. 339-342.
Huijts, C.S.T.J. 1992: De voor-historische boerderijbouw in Drenthe. Reconstructiemodellen van 1300 vóór tot 1300 na Chr. Arnhem.
Jaarverslag ROB 1972, p. 15-17 (Denekamp).
Lippmann, E. 1985: Neolithische Schlitzgruben von Erfurt. Ausgrabungen und Funde Band 30 Heft 5, p. 203-207. Berlin.
Poel, J.M.G. van der 1960/61: De landbouw in het verste verleden. Berichten Rijksdienst Oudheidkundig Bodemonderzoek 10-11, p. 125-194.
Poel, J.M.G. van der 1961: Middeleeuwse ploegen in de Nederlanden. Handelingen van het XXIVe vlaams filologen congres 1961, p. 405-408.
Schrijnemakers, A. 1986: De verklaring van Wolf-toponiemen aan de hand van plaats-, straat- en veldnamen uit Nederlands-Limburg. Naamkunde 18, afl. 1-4, p. 77-102. Leuven/Amsterdam.
Velde, P. van de 1973: Rituals, Skins and Homer: the Danubian ’Tan-Pits’. Analecta Praehistorica Leidensia 6, p. 50-65.
Verlinde, A.D. 1973: Een Germaanse nederzetting te Denekamp. t Inschrien 5, p. 33-36.
Verlinde, A.D. 1999: Isolated houses in Overijssel during the transition from prehistory to proto-history. In discussion with the past, archaeological studies presented to W.A. van Es (ed. H. Sarfatij, W.J.H. Verwers & P.J. Woltering), p. 77-86. Zwolle/Amersfoort.
Verlinde, A.D. 1979-2002. Archeologische kroniek van Overijssel over de jaren 1977-2001. Overijsselse Historische Bijdragen 94-117.
Verlinde, A.D. & M. Erdrich 1998: Eine germanische Siedlung der späten Kaiserzeit mit umwehrter Anlage und umfangreicher Eisenindustrie in Heeten, Provinz Overijssel, Niederlande. Germania 76, 2e Halbband, p. 693-719.
Verlinde, A.D. & M. Erdrich 2005: Het Germaanse grafveld te Deventer-Colmschate, opgraving 1984. Nederlandse Archeologische Rapporten 22, in voorbereiding.
Vin, J.P.A. v.d. 1996: Die Fundmünzen der römischen Zeit in den Niederlanden. Abt. II Provinzen Groningen, Drenthe, Overijssel, Flevoland. Berlin.
Waterbolk, H.T. 1980: Hoe oud zijn de Drentse dorpen? Problemen van nederzettingscontinuïteit in Drenthe van de bronstijd tot de middeleeuwen. Westerheem 29, p. 190-212.
Westeringh, W. van de 1970: De opbouw van enige essen bij Denekamp. Landbouwkundig Tijdschrift jaarg. 82 nr. 7, p. 283-288.
Wilhelmi, K. 1974: Ein Bleiringbarren aus der Kaiserzeitsiedlung Albersloh, Kr. Münster. Germania 52, 2e Halbband, p. 473-478.
Zimmermann, W.H., 1991: Erntebergung in Rutenberg und Diemen aus archäologischer und volkskundlicher Sicht. In: Néprajzi értesitö (red. Attila Selmeczi Kovács), T. Hoffmann-Festschrift, p. 71-104. Budapest.

|pag. 91|

Noten

De noten zijn nu in de tekst opgenomen als zijnoten.


|pag. 92|

__________
– Verlinde, A.D. (2004) De Germaanse nederzetting te Denekamp binnen een regionaal archeologisch kader van de Romeinse tijd. Overijsselse Historische Bijdragen, 119, 57-92.

– bron: Historisch Centrum Overijssel

Category(s): Denekamp
Tags: , ,

Comments are closed.