Minnaars der deugdbevordering : De maatschappij tot nut van ’t algemeen in zwolle van 1789 tot 1814


|pag. 1|

MINNAARS DER DEUGDBEVORDERING

DE MAATSCHAPPIJ TOT NUT VAN ’T ALGEMEEN IN ZWOLLE
VAN 1789 TOT 1814

J.H. Drentje
ZWOLLE

MO—scriptie geschiedenis
Noordelijke Leergangen
Zwolle, 5 mei 1987

Onder begeleiding van:
Dr. G. Groenhuis


|pag. 2|

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING blz. 3
2. ALGEMENE ACHTERGRONDEN blz. 6
3. DE EERSTE PERIODE: 15 september 1798 tot juni 1799 blz. 11
3.1. TWEE ZWOLSE DICHTERS blz. 15
4. DE TWEEDE PERIODE: 30 juni 1799 tot december 1803 blz. 18
4.1. DE COMMISSIE VAN ONDERSTAND blz. 22
4.2. HET NUT EN HET LAGER ONDERWIJS blz. 30
4.3. DE LEESBIBLIOTHEEK EN DE ALMANAK blz. 35
4.4. EEN ANALYSE VAN DE TWEEDE PERIODE blz. 37
5. DE DERDE PERIODE: 1804 tot 12 januari 1814 blz. 40
6. DE SAMENSTELLING VAN DE LEDEN blz. 44
7. SLOTBESCHOUWING blz. 50
NOTEN blz. 54
GERAADPLEEGDE LITERATUUR blz. 65
BIJLAGEN blz. 67

 
De titel ‘Minaars der deugdbevordering’ is ontleend aan een
artikel dat Jacob Doijer op 2 maart 1799 in de Zwolse Courant
schreef.

|pag. 3|

1. INLEIDING

Op 16 november 1784 werd op initiatief van de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuijzen te Edam het ‘Genootschap van Kunsten en Wetenschappen’ onder de zinsspreuk ‘tot nut van ’t algemeen’ opgericht1 [1. In 1787 werd de zetel van het Nut verplaatst naar Amsterdam; naar aanleiding van moeilijkheden met het stadsbestuur van Edam werd de naam gewijzigd in ‘Nederlandsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Op 14-15 augustus 1798 werd op de jaarvergadering besloten ‘Nederlandsche’ te vervangen door ‘Bataafsche’, wat op 12-13 augustus 1806 weer ongedaan werd gemaakt. Sindsdien wordt gesproken van de ‘Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’, ook wel kortweg ‘het Nut’ genoemd: Gedenkschriften der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen voor de eerste vijfentwintig laren van haar bestaan (Amsterdam 1809) 34 en 56.]. Bewogen door ‘een teder medelijden over de staat des gemeenen mans in ons Vaderland’ stond het de stichter voor ogen door middel van verspreiding van nuttige kennis de onkunde van de volksklasse te bestrijden2 [2. Het citaat is afkomstig uit een circulaire waarin de oprichting van het Nut bekend werd gemaakt: aangehaald door Th. Jorissen, ‘Het genootschap van kunsten en wetenschappen onder de zinsspreuk tot nut van ’t algemeen 1784-1787’, in; Gedenkboek van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Amsterdam 1934) 27.]. De onkunde werd gezien als de bron van zedeloosheid; kennisverrijking zou morele verheffing tot gevolg hebben en de ‘gemeene man’ tot een nuttige burger van de samenleving melken. Op tal van manieren zou het Nut het gestelde doel proberen te bereiken: door het uitschrijven van prijsvragen, het houden van verhandelingen, het op de markt brengen van goedkope, gepopulariseerde en toch wetenschappelijke geschriften en het stichten van bibliotheken, waar de ‘minvermogende klasse’ kosteloos terecht kon3 [3. In Haarlem werd in 1791 de eerste volksbibliotheek opgericht, nadat gebleken was, dat de verspreiding van brochures niet zo succesvol verliep. Dit Haarlemse voorbeeld is door vele Departementen nagevolgd. C.A. Steenbergen, ‘Onze volksbibliotheken toen en nu’, in: Gedenkboek (Amsterdam 1934) 150.]. Het Nut maakte zich tevens sterk voor de verbetering van het lager onderwijs, hetgeen tot uiting kwam in het uitgeven van schoolboeken, het zorgdragen voor een deugdelijke opleiding van onderwijzers en het stichten van Nutsscholen, waarin de gewenste verbeteringen gerealiseerd werden; het opvoeden tot een deugdzaam leven kon het beste jong beginnen4 [4. H.F.J.M. van den Eerenbeemt Streven naar sociale verheffing in een statische stad; een kwart eeuw arbeid van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen te Bergen op Zoom 1791-1816 (Nijmegen 1963) 43.].

     Al snel na de oprichting in 1784 kwamen in verschillende steden afdelingen van het Nut, Departementen genoemd, van de grond, die ieder in hun eigen stad activiteiten ten behoeve van de volksklasse ontwikkelden. In deze scriptie zal een beschrijving worden gegeven van de Nutsbeweging in Zwolle in de periode van 1789 tot 1814. De geschiedenis van het Nut in Zwolle valt globaal in vier periodes uiteen.
     Op 15 september 1789 werd in Zwolle voor het eerst een Departement opgericht, dat echter na zijn eerste gewone vergadering door de Zwolse Magistraat werd verboden vanwege de aanwezigheid van een aantal bij de Magistraat als Patriotten bekend staande leden. Dit verbod verhinderde niet, dat een aantal leden aangesloten bleef bij de landelijke Maatschappij, waarmee zij via een door hen aangesteld ‘corresponderend lid’ in contact bleven staan. Over deze eerste periode was door het ontbreken van een archief weinig bekend. De meeste nieuwe gegevens zijn geput uit de archieven van het hoofdbestuur van het Nut, dat vanaf 1787 in Amsterdam zetelde. De correspondentie met Zwolle is hierin bewaard gebleven.
     Op 30 juni 1799 werd opnieuw een Departement opgericht, dat zich op 21 mei 1800 om financiële redenen van de landelijke Maatschappij afscheidde en tot 28 januari 1814 onder de naam ‘Zwolsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen’ bleef voortbestaan. De periode van 1799 tot 1814 is in twee periodes

|pag. 4|

verdeeld, omdat na 1803 de activiteiten van het Nut in Zwolle een verandering van karakter ondergingen.
Van deze Zwolse Maatschappij is alleen het kasboek bewaard gebleven. Het kasboek bevat de namen van de leden, zodat onderzoek gedaan kon worden naar hun achtergronden. In belangrijke mate is bovendien geput uit de archieven van het stadsbestuur en uit de Zwolse Courant, waarin tussen 1800 en 1803, de periode waarin het Nut het meest actief was, regelmatig berichten van de Zwolse Maatschappij verschenen.
Voor de derde periode, na 1803, is het bronnenmateriaal zeer schaars, zodat vrijwel alleen op grond van een analyse van de inkomsten en uitgaven die in het kasboek zijn vermeld, iets gezegd kan worden over de activiteiten van het Nut.
     Op 28 januari 1814 werd de Zwolse maatschappij opgeheven. De Nutsgedachte leidde in Zwolle echter een taai leven. Op 2 maart 1815 werd opnieuw een Maatschappij opgericht, ditmaal weer als Departement van de landelijke Maatschappij. Dit Departement, dat tot 1981 een actief bestaan leidde, valt buiten ons onderzoek, dat zich tot de eerste drie periodes beperkt.
Geprobeerd zal worden de door het Nut in Zwolle ontplooide activiteiten te analyseren en te relateren aan de ontwikkelingen in de Zwolse samenleving. In het bijzonder na 1795 levert dit laatste problemen op, daar naar de Bataafse en Franse tijd in Zwolle nauwelijks onderzoek is gedaan. Misschien dat de soms globaal interpretatieve opmerkingen over Zwolle in deze tijd een aanzet kunnen zijn voor verder onderzoek.

     De Utrechtse historicus W.W. Mijnhardt ziet het Nut als de exponent van een nieuw cultuur- en beschavingsideaal, dat zich in de tweede helft van de achttiende eeuw ontwikkelde en waarvan de ideeën over mens, maatschappij en godsdienst in het teken stonden van de Nederlandse Verlichting5 [5. W.W. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’ in: Om het algemeen volksgeluk; twee eeuwen particulier initiatief (Edam 1984) 189.]. In hoofdstuk 2 zal het verband tussen het Nut en de Nederlandse Verlichting besproken worden. Ziet Mijnhardt in het Nut een authentieke uiting van het Nederlandse Verlichtingsdenken, door L.F. van Loo wordt het beschavingsoffensief van het Nut anders beoordeeld6 [6. L.F. van Loo, ‘De armenzorg in de Noordelijke Nederlanden’ in: AGN dl. 10 (Haarlem 1981) 418.]. Van Loo ziet het Nut als een vereniging die opgericht is door een deel van de burgerij of middenklasse, dat zich in het laatste kwart van de
achttiende eeuw bedreigd zou hebben gevoeld door het groter worden van de kloof tussen arm en rijk en dus het kleiner worden van de middenklasse. Vanuit dat ‘bedreigd-voelen’ zouden deze burgers ten eigen bate een beschavingsoffensief hebben ontwikkeld met als doel de volksklasse te disciplineren door haar onder andere de deugd van de acceptatie van het standenonderscheid bij te brengen.
In deze scriptie zal bekeken worden of wat de Zwolse leden verbond en hen inspireerde zich in te zetten voor de volksklasse overeenkomt met de visie van Mijnhardt of met die van Van Loo. Of in Zwolle de middenklasse tegen het einde van de achttiende eeuw kleiner is geworden, is niet nagegaan. Hiervoor is een aparte studie nodig.
     Mijnhardt constateert op basis van vooral Utrechtse gegevens een ontwikkeling in de aanhang van het Nut vanaf 1784 tot ongeveer 18147 [7. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 213-214.]. Met deze ontwikkeling hangt een overbrugging rond 1814
samen van de kloof tussen het verlichte en het klassieke beschavingsconcept van voor 1795. Beide zaken zullen in hoofdstuk

|pag. 5|

2 nader uitgewerkt worden. De ontwikkelingen die Mijnhardt onder andere voor Utrecht signaleert zullen vergeleken worden met de Zwolse gegevens.

     De scriptie is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 zal het Nut als organisatie in een breder perspectief worden geplaatst, waarbij de samenhang met de Nederlandse Verlichting en de economische achteruitgang in de achttiende eeuw besproken zal worden. Tevens zal in dit hoofdstuk de visie van Mijnhardt op de aanhang van het Nut besproken worden. In hoofdstuk 3, 4 en 5 zullen achtereenvolgens de drie in deze inleiding genoemde periodes behandeld worden. In hoofdstuk 6 zal verslag gedaan worden van het onderzoek naar de aanhang van het Nut en de achtergronden van de leden, waarna in hoofdstuk 7 de slotbeschouwing volgt.

|pag. 6|

2. ALGEMENE ACHTERGRONDEN

In de inleiding is gesproken over een samenhang van Nut met de Nederlandse Verlichting. Dat er van een Nederlandse Verlichting sprake is geweest, is nog niet zo lang geleden geconstateerd. De achttiende eeuw droeg in de oudere historiografie het stempel van een zelfgenoegzame periode waarin verval en lamlendigheid de boventoon voerden. Deze verguizing was vooral te wijten aan de eenzijdige aandacht voor de politieke en economische ontwikkelingen in de achttiende eeuw, die vergeleken werden met die van de zeventiende eeuw en derhalve nauwelijks tot de verbeelding spraken. De beschrijving van de cultuur in de achttiende eeuw leed onder dit negatieve stempel8 [8. W.W. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting: een terreinverkenning’ in: Figuren en figuraties: acht opstellen aangeboden aan J.C. Boogman (Groningen 1979) 1.].
Daarbij komt nog dat de Verlichting in Nederland vergeleken werd met wat de grote ‘philosophes’ met name in Frankrijk presteerden. In 1972 verscheen het eerste overzicht van de geestelijke stromingen in Nederland tijdens de Verlichting van de hand van H.H. Zwager9 [9. H.H. Zwager Nederland en de Verlichting met een inleiding van R. van Gelder (Haarlem 1980).]. Door echter in navolging van onder andere Peter Gay10 [10. Peter Gay The Enlightment: an interpretation (Londen 1967-1970) 2 dln.] vooral de opvattingen van de grote ‘philosophes’ in aanmerking te nemen, ontwikkelde Zwager volgens Mijnhardt een eenzijdig en te modern beeld van de Europese Verlichting11 [11. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting: een terreinverkenning’, 4.]. De polariteit tussen Verlichting en religie is volgens Mijnhardt een Frans stereotype. Zowel in Engeland als in Duitsland lag de nadruk op verzoening van rede en openbaring. “Voor de meeste gematigde Verlichters betekende een religieuze opvoeding in de eerste plaats een sociale opvoeding, zodat een pleidooi voor de pokkeninenting een even gerechtmatigd onderwerp voor een preek werd als een nadere explicatie van de bruiloft te Kana”12 [12. W.W. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting in Europees perspectief’, Theoretische geschiedenis 10 (1983) 340.].
Zwager achtte een studie van de Nederlandse Verlichting niet goed mogelijk: “Het zou neerkomen op een portrettengalerij van
vergetenen met ten naaste bij het nut van een verhandeling over Wijnbouw boven de Moerdijk”13 [13. Zwager, Nederland en de Verlichting 17.]. Hij gaf zijn boek veelzeggend de titel Nederland en de Verlichting.
     Het recente onderzoek naar de Nederlandse Verlichting, gestimuleerd door de oprichting van de Werkgroep Achttiende Eeuw (1968), leidde tot het inzicht dat de Verlichting in de Republiek weliswaar veel te danken had aan het buitenland, maar dat van een overwegend Franse invloed geen sprake was. Vooral Engelse, Duitse en Schotse schrijvers vonden in de Republiek gehoor. John Locke’s opvattingen bijvoorbeeld over verdraagzaamheid en zijn empirische kennis-theorieën werden gewaardeerd omdat ze op een Christelijk fundament berustten14 [14. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting: een terreinverkenning’, 9.]. Radicale stromingen als determinisme en materialisme die na 1740 in de Europese Verlichting aan bod kwamen, werden in de Republiek als een gevaar voor de godsdienst beschouwd. De Nederlandse Verlichtingsgeest, die uit de verschillende spectatoriale tijdschriften sprak, kenmerkt zich door gematigdheid en spoorde tot deugdzaamheid en godsdienstigheid aan15 [15. R. van Gelder, ‘Inleiding’ in: H.H. Zwager Nederland en de Verlichting 13-14.].
     Op godsdienstig terrein was het vooral de zogenaamde fysico-theologie die de belangstelling had: de werken der natuur dienen als bewijs voor het bestaan van een goedgunstige Schepper. Bernard Nieuwentyt had in zijn boek Het recht gebruik der wereltbeschouwingen ter overtuiginge van ongodisten en ongelovigen (Amsterdam 1715) in de Republiek de basis gelegd voor deze

|pag. 7|

synthese tussen empirische natuurwetenschap en theologie16 [16. Mijnhardt, ‘De Nederlandse Verlichting: een terreinverkenning’, 11]. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd aan de natuurkunde ook moralisme verbonden: “Al deze werken ademen de geest van de Verlichting die meende orde te kunnen scheppen in het menselijk hart, door het te confronteren met de orde in de natuur”17 [17. J. Bots Tussen Descartes en Darwin; geloof en natuurwetenschap in de achttiende eeuw in Nederland (Assen 1972) 114.].
De maatschappij werd opgevat als een door de Schepper ingestelde natuurlijke en harmonische orde, waarin een ieder zijn plaats had en zich bewust diende te zijn van de verplichtingen ten opzichte van zijn medemens en de samenleving. Het mensbeeld kreeg een optimistisch karakter: door uitgebreid en systematisch aan zijn opvoeding te werken, kon de mens zichzelf vervolmaken18 [18. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 192.].

     In het Nut kwamen deze aspecten van de Nederlandse Verlichting bij uitstek tot uiting. Voor ogen stond, in de woorden van de voorzitter van het Zwolse Departement van 1799 J.F. Serrurier: “Een land waarin elk de nijvere waarnemning van zijn beroep hoger schat dan ampten of waardigheden. Een land waarin niemand van het zweet zijnes broeders begeert te leven, maar waar elk dat voedsel voor lief neemt en verkiest dat eigen arbeid hem heeft verschaft. Een land waar rijkdom geen verdienste, onverschulde armoe geen schande is ... waar in elk huisgezin liefde, vrede en eendracht woont, waar men alomme teedere ouders, trouwe echtgenoten, dankbare kinderen, hartelijke vrienden vindt ... waar elk aan zijn zedelijke vervolmaking met ijver werkt en daardoor mede de grond legt tot die algemeene grote hervorming, die de wens is van alle mensenvrienden, maar die door geen wetten of omwentelingen kan bewerkt worden. Een land eindelijk waar elk op grond van die eeuwig ware en schone beginselen zijn huislijk geluk vestigt en waar uit de grond van bizonder geluk, algemeen volksgeluk voortspringt”19 [19. Gemeentearchief Zwolle (GAZ), Persoonlijk archief (PA) 1151, ‘Redevoering uitgesproken in de grote kerk te Zwolle 19 december 1799 op het nationale feest door J.F. Serrurier’, 15-16.]. Kortom: een deugdzame natie20 [20. B. Kruithof, ‘De deugdzame natie; het burgerlijk beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen tussen 1784 en 1860’, Symposion II (1980) 26.].
     Het Nut wordt door Mijnhardt in zijn bijdrage aan het gedenkboek Om het algemeen volksgeluk dat in 1984 naar aanleiding van het tweehonderd-jarig bestaan van het Nut verscheen, besproken als onderdeel van de genootschapsbeweging, die als Europees verschijnsel relatief laat in de Republiek aansloeg door het ontbreken van een centraal gezag, dat zoals in het buitenland veelal gebeurde, het initiatief nam tot het oprichten van grote geleerde genootschappen21 [21. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 189-190.].
De eerste omstreeks 1750 in de Republiek opgerichte genootschappen waren elitair van karakter: de leden werden voornamelijk gerecruteerd uit het regentenpatriciaat en uit groepen die deelnamen aan de traditionele geleerdencultuur22 [22. Ibidem, 191.]. De vele later opgerichte natuur- en letterkundige genootschappen, de tweede generatie, bestonden veel meer uit personen die hun intellectuele vorming te danken hadden aan de talrijke Nederlandstalige boeken, die in de loop van de achttiende eeuw op de markt werden gebracht.
In deze kringen ontwikkelden zich verlichte ideeën over mens, maatschappij en godsdienst, resulterend in een nieuw cultuur- en beschavingsideaal, waarvan het Nut de exponent was23 [23. Ibidem, 189.]. Het nieuwe van het Nut ten opzichte van deze tweede generatie genootschappen was dan ook niet het gepropageerde beschavingsideaal, maar het als organisatie zelf zorg willen dragen, naast de overheid, voor de welvaart in de samenleving; in andere genootschappen bleef het dikwijls bij het uitschrijven van prijsvragen en het beoordelen van de inzendingen24 [24. Ibidem, 195.].

|pag. 8|

     De hierboven genoemde welvaart was in de loop van de achttiende eeuw immers een probleem geworden. Door tijdgenoten werd veelvuldig geschreven en geklaagd over de achteruitgang van de economie in de Republiek. In de recente historiografie wordt het beeld van een algemene economische achteruitgang echter gerelativeerd25 [25. Joh. de Vries De economische achteruitgang van de republiek (Leiden 1980) 167-171.]. Door de toenemende concurrentie van vooral Engeland en Frankrijk verloor de Republiek haar leidende positie, die zijn basis had in de voor haar gunstige omstandigheden in de zeventiende eeuw. De handel en de financiële sector lieten dan ook een relatieve achteruitgang zien, maar wisten zich tot ver in de achttiende eeuw absoluut redelijk te handhaven. De landbouw beleefde als gevolg van de stijging van de graanprijzen zelfs een periode van bloei. Van een sterk verval was wel in de meeste sectoren van de nijverheid en in de visserij sprake. In de nijverheid kon men moeilijk concurreren met buitenlandse producten, die goedkoper waren, doordat gebruik werd gemaakt van nieuwe technische vindingen, die vooral in Engeland werden toegepast.
     Het verval in de nijverheid had een structureel verlies van werkgelegenheid tot gevolg. Het probleem van het pauperisme, vooral in de zeeprovincies en de grote steden, baarde de verlichte tijdgenoten extra zorgen, omdat zij armoede als een verschijnsel zagen dat niet in de samenleving thuishoorde: de redelijke mens moest in staat zijn de armoede uit te bannen26 [26. Van den Eerenbeemt, Streven naar sociale verheffing 59.]. Aangezien men nauwelijks kijk had op de structurele oorzaken van de economische problemen, het onderscheid tussen een relatieve en een absolute achteruitgang werd bijvoorbeeld niet gemaakt, zag men het armoedeprobleem vooral als een kwestie van de moraal27 [27. Van Loo, ‘De armenzorg in de Noordelijke Nederlanden’, 418]. De Nederlandse verlichting had ten gevolge van de economische achteruitgang een sterk moraliserende inslag, waarbij de godsdienst onmisbaar werd geacht voor de bestrijding van de zedeloosheid, die men tot voornaamste oorzaak van de achteruitgang bestempeld had28 [28. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 193.]. Het geëigende middel om dit probleem te bestrijden leek dan ook werkverschaffing, die mensen in staat zou stellen in hun eigen onderhoud te voorzien en voorkomen moest dat armen tot een staat van indolentie zouden afglijden, slechts in leven gehouden door kerkelijke armenzorg en liefdadigheid29 [29. H.F.J.M. van den Eerenbeemt. Armoede en arbeidsdwang. Werkinrichtingen voor onnutte Nederlanders in de Republiek 1760-1795: een mentaliteitsgeschiedenis (Den Haag 1977) 30-31.].
     Tegen deze achtergrond trachtte het Nut een beschavingsoffensief te ontwikkelen door de ‘gemeene man’ te onderwijzen, hem boeken ter beschikking te stellen en soms ook aan werk te helpen. De nieuwe actieve aandacht voor de volksklasse, ‘ook nutte burgers van de burgermaatschappij te noemen’30 [30. Zwolsche Courant 30 januari 1801], zou wel tot morele verheffing, maar niet tot een af te keuren zucht naar standsverwisseling mogen leiden: wel vooruit, maar niet omhoog31 [31. Kruithof, ‘De deugdzame natie’, 26.].
In de harmonisch geordende wereld had iedereen een eigen plaats.
     Het Nut stelde sociaal-educatieve doelen en hield zich buiten de politiek. Het stond nadrukkelijk tolerantie in godsdienstige en staatkundige kwesties voor; partijzucht mocht de onderlinge verhoudingen niet vertroebelen, juist op samenwerking kwam het aan. De gepropageerde verdraagzaamheid en de organisatie-vorm van het oprichten van lokale Departementen, die weliswaar met de landelijke Maatschappij verbonden waren, maar een relatief zelfstandig bestaan konden leiden, droegen tot het succes en de verspreiding van de Nutsgedachte bij32 [32. Ibidem, 23-24.].
     Het beschavingsideaal van het Nut was inclusief van karakter:

|pag. 9|

voor het welvaren van de staat werden deugd, goede zeden en daarom een zekere mate van ontwikkeling van alle burgers noodzakelijk geacht33 [33. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 193.] Het inclusieve karakter kwam ook tot uiting in de ledenrecrutering. Veel patriotten en dissenters werden bijvoorbeeld lid. Toch valt het Nut volgens Mijnhardt niet te beschouwen als een strijdgroep tegen de aristocratie, de Prinsgezinden en de heersende Hervormde Kerk, omdat het Nut zich buiten de politiek hield en leden van de traditionele elites niet uitsloot34 [34. Ibidem, 197.]. Mijnhardt geeft een verklaring voor het geringe aantal leden afkomstig uit de traditionele elites die in verband staat met de kloof tussen het verlichte en het klassieke beschavingsconcept voor 1795, die in de loop van de Franse tijd werd overbrugd35 [35. Ibidem, 213-214.]. Zij luidt als volgt.
     Dat vertegenwoordigers van de traditionele elites zich minder tot het Nut aangetrokken voelden, hangt samen met hun intellectuele vorming, die zij voornamelijk hadden gekregen op de Latijnse scholen en de universiteiten, die bolwerken waren van het klassieke beschavingsideaal: de klassieken werden als voornaamste bron voor wetenschap en persoonlijkheidsvorming gezien. In deze kringen was men minder geneigd kunsten en wetenschappen als een zaak voor alle burgers te zien, eerder als een prerogatief van de elite. Kunsten en wetenschappen werden ook niet onderworpen aan de verlichte conceptie van utiliteit: het doel van elk handelen moet worden nagegaan en rationeel te verantwoorden zijn. Het beleefde genoegen was daarentegen al voldoende rechtvaardiging voor intellectuele of artistieke activiteit.
Degenen die het initiatief tot het Nut namen, waren veelal afkomstig uit de middengroepen. Zij waren zonder politieke macht of invloed en wat hun denken betreft een product van de nieuwe leescultuur, die in het teken stond van de Nederlandse Verlichting en hadden in mindere mate het traditionele opleidingscurriculum doorlopen.
     Na 1795 trad volgens Mijnhardt hierin een verandering op. Het Nut werd na de Bataafse revolutie respectabel, wat ondermeer blijkt uit het feit dat het Nut een gewaardeerde gesprekspartner van de overheid werd. Het grotere aanzien uitte zich ook in de samenstelling van de leden. In Utrecht werden bijvoorbeeld veel meer personen van de politieke elite lid, nam het percentage hervormden toe terwijl het percentage protestantse dissenters daalde en werd de beroepssector van de vrije beroepen (artsen, advocaten, notarissen, procureurs) het grootst in plaats van de sector handel en nijverheid, die voor 1795 het sterkst vertegenwoordigd was geweest. Ook het aantal personen dat een universiteit of hogeschool had bezocht, nam toe36 [36. Ibidem, 212.].
     Deze verschuiving heeft volgens Mijnhardt tot gevolg gehad, dat er in de loop van de Franse tijd een symbiose ontstond tussen het verlichte en het klassieke beschavingsideaal, bijvoorbeeld tot uiting komend in het tekenonderwijs van het Nut in Den Haag, Haarlem en Amsterdam, waarbij nu het accent werd gelegd op de ontwikkeling van het schoonheidsgevoel in plaats van op de ambachtelijke, ‘nuttige’ aspecten37 [37. Ibidem, 213-214.]. De oorspronkelijke doelstelling van het Nut van verbreiding van kennis en deugd bleef gehandhaafd, maar de kloof tussen beide beschavingsconcepten was rond 1815 overbrugd38 [38. Ibidem.].

|pag. 10|

     Het werkelijke nut van de volksontwikkelingsactiviteiten moet overigens volgens Van Loo betwijfeld worden39 [39. Van Loo, ‘De armenzorg in de Noordelijke Nederlanden’, 431.]. Voor een succesvolle volksontwikkeling moet de doelgroep immers een goede economische basis, een zekere schoolopleiding en de nodige vrije tijd hebben. Het grootste gedeelte van de bevolkingsgroep waarop Nut zich richtte had deze kenmerken niet. Het Nut kwam vaak niet verder dan moraliserende preken.
Op het terrein van het onderwijs hadden de Nutsactiviteiten meer substantiële gevolgen. Al voor de onderwijswetgeving van 1801, 1803 en 1806 lanceerde het Nut allerlei voorstellen voor de verbetering van het lager onderwijs en bracht die zelf in praktijk op de eigen Nutsscholen. Na 1795 kon het Nut dan ook als een arsenaal van medewerkers en als braintrust voor de overheid fungeren. Veel van wat men in Nutskringen aan verbeteringen wenste, werd in de onderwijswetgeving verwerkt40 [40. H.C. de Wolf, ‘Onderwijs en opvoeding in de Noordelijke Nederlanden 1795-1813’ in: AGN dl. 11 (Bussum 1983) 41.].
     Hoewel aan veel projecten van het Nut op het gebied van de armenzorg (werkverschaffing en dergelijke) een kort leven beschoren was, vindt H.J.F.M. Van den Eerenbeemt in zijn studie over het Departement te Bergen op Zoom, dat het Nut een verfrissende inbreng in de stedelijke samenleving had: de eerste aanzetten werden gegeven tot een gezamenlijk welvaartsstreven en er ontwaakte een sociaal-pedagogisch besef41 [41. Van den Eerenbeemt, ‘Streven naar sociale verheffing’, 169.].

|pag. 11|

3. DE EERSTE PERIODE: 15 september 1789 tot juni 1799

Zoals reeds in de inleiding is vermeld, vond de oprichtingsvergadering van het eerste Zwolse Departement op 15 september 1789 plaats42 [42. Gemeentearchief Amsterdam (GAA), Persoonlijk archief (PA) 211, inv. no. 317, ‘Ingekomen stukken bij het hoofdbestuur; brief van Th. Revius 17 september 1789’, 217.]. Initiators waren de uit Rotterdam afkomstige geneesheer Dr. Lambertus Nolst, die Rotterdam vanwege zijn bemoeienis met de Patriotse opstand van 1787 had moeten verlaten en Ds. Jacobus Revius, hervormd predikant te Windesheim.
Zij hadden al eerder pogingen gedaan een Departement op te richten. Deze keer was het hen gelukt twaalf mensen te verzamelen die er hun schouders onder wilden zetten. Nolst werd gekozen tot voorzitter, Theodorus Revius, apotheker te Zwolle, tot secretaris.
Tijdens die eerste vergadering werden de huishoudelijke wetten van het Zwolse Departement vastgesteld, waarvan een kopie naar Amsterdam werd verzonden om te zien of ze niet strijdig waren met de Algemene Wetten van de Maatschappij43 [43. Van de wetten is geen exemplaar bewaard gebleven in de archieven van het hoofdbestuur.].
De eerste gewone vergadering werd vastgesteld op dinsdag 13 oktober. Lambertus Nolst zou dan een verhandeling houden. Waarschijnlijk is er op deze oprichtingsvergadering meteen een rooster gemaakt van personen die op komende vergaderingen een verhandeling zouden moeten houden; de trijpfabrikant Jacob Doijer zou als tweede aan de beurt zijn44 [44. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Jacob Doijer 26 dec. 1789’, 61.].
Bij de eerste gewone vergadering zouden ook niet-leden aanwezig mogen zijn om met het Nut kennis te maken. Met het oog daarop vroeg Nolst aan het hoofdbestuur in Amsterdam een nauwkeurige opgave van de door het Nut uitgegeven werkjes om de bezoekers daarmee ‘te trachten te animeeren’45 [45. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van L. Nolst 17 sept. 1789’, 217.].
Het nieuws van de oprichting van een Departement in Zwolle had, blijkens een brief van de secretaris aan Amsterdam, al voor de vergadering van 13 oktober een toename van het aantal leden tot gevolg. Hij meldde tevens dat na het afhandelen van de hoofdzaken het alle leden toegestaan was te roken en wijn te drinken. Over de ledenaanwas maakte hij zich dan ook weinig zorgen46 [46. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Th. Revius 1 okt. 1789’, 219.].
Met deze oprichting op 15 september 1789 behoort het Zwolse Departement tot een der vroege Departementen, zeker buiten Holland. In totaal waren er in 1789 nog elf andere Departementen. De secretaris zag de oprichting als een voorbeeld voor anderen in de omgeving van Zwolle.
     Dat we weten, dat die eerste vergadering op 13 oktober nog gehouden is, danken we aan een enthousiaste brief, die de secretaris direct de volgende ochtend na de vergadering aan het hoofdbestuur in Amsterdam schreef. Hij meldde trots, dat het aantal leden gestegen was tot 26 en dat de heer Nolst ‘een treffelijke verhandeling over de vooroordelen’ had gehouden47 [47. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Th. Revius 14 oktober 1789’, 221.].
Welke vooroordelen Nolst die avond behandeld heeft, vermeldde de secretaris niet. Het is niet ondenkbaar, dat Nolst gesproken heeft over zijn plan de vooroordelen bij de boeren tegen de moderne behandeling van bepaalde ziektes en de inenting tegen pokken te bestrijden door een boekje met informatie uit te brengen. Nolst schreef hier tenminste een paar maanden later een brief over aan het hoofdbestuur. Hij legde er vooral de nadruk op dat het voorlichtingsmateriaal geschreven moest zijn in de streektaal en in voor de ‘landsman’ begrijpelijke bewoordingen48 [48. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van L. Nolst 21 mei 1790’, 195.].

|pag. 12|

Diezelfde avond, terwijl de brief van Theodorus Revius nog onderweg was naar Amsterdam, zou de Zwolse Magistraat echter een domper op de vreugde zetten.
     Al eerder had de Magistraat, na de met hulp van het Pruisische leger bedwongen Patriotse opstand van 1787, ‘sociëteiten, gezelschappen of bijeenkomsten’ verboden, die in het verleden broeinesten van oppositie tegen de Oranje-gezinde regering waren geweest49 [49. GAZ AAZ01, inv. no. 220, ‘Resolutiën van Schepenen en Raden 15 sept. 1788’, 221.]. P.J. Lettinga stelt in zijn studie over de Zwolse Patriottenbeweging, dat er in Zwolle na 1787 geen sprake is geweest van een echte vervolging van Patriotten50 [50. P.J. Lettinga, De Zwolse Patriottenbeweging, (Scriptie MO Noordelijke Leergangen Zwolle 1981) 41.]. Blijkens het optreden van de Zwolse Magistraat tegen het Nut was men echter wel zeer beducht voor samenscholingen van personen die als Patriotten bekend stonden. Woensdagavond 14 oktober sloot de Magistraat de kastelein in, van wie het Nut een ruimte voor de vergaderingen had gehuurd. De heren wilden weten wat er de avond tevoren gebeurd was en wie er aanwezig waren geweest. De kastelein noemde de namen van enige bestuursleden, waaronder de naam van Nolst. Nolst werd
vervolgens op het stadhuis ontboden en hield daar een pleidooi, waarin hij het onschuldige karakter van de Nutsactiviteiten beklemtoonde. Dit had tot gevolg dat niemand werd vastgehouden.
Het bestuur van het Nut stelde meteen een request op, waarin om toestemming voor het voortzetten van de vergaderingen werd gevraagd. De Magistraat hield de zaak drie weken in beraad, tijdens welke periode geen vergaderingen gehouden mochten worden en nam de papieren en notulen in beslag. Op 15 november 1789 deed de Magistraat uitspraak51 [51. Deze gegevens zijn ontleend aan een brief van Th. Revius waarin hij het hoofdbestuur over de gang van zaken informeerde. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Th. Revius in dec. 1789’, 223.].
     Hoewel in de papieren niets te vinden was geweest dat ‘tegen de thans plaatshebbende constitutie’ zou strijden en het duidelijk was geworden dat het niet de bedoeling van het Nut was zich met politieke kwesties in te laten, was de Magistraat toch van mening ‘dat de ondervinding nochtans geleerd heeft, dat uit verscheidene genootschappen en bijeenkomsten onder geheel andere voorgevens ... opgericht, zijn voortgesproten zodanige handelingen waardoor de Troublen in het Vaderland en in deze stad zijn veroorzaakt of aangezet52 [52. GAZ AAZ01, inv. no. 96, ‘Resolutiën van Schepenen en Raden, 15 nov. 1789’, 8-9.]. Daarbij vond de Magistraat dat de gemoederen in de stad sinds 1787 nog niet voldoende tot bedaren waren gekomen om dergelijke bijeenkomsten te kunnen toestaan, vooral niet ‘als wanneer dezelve .. zijn samengesteld uit leden van welke sommige zich in vorige onlusten, de oproerige beweegingen als voorgangers en bestuurders ... van de misleide menigte hebben opgeworpen’53 [53. Ibidem.].
     Onder de leden bevonden zich een aantal bekende Zwolse Patriotten. Nolst zelf is hier waarschijnlijk niet bedoeld. De Magistraat sprak in zijn resolutie juist zijn vertrouwen uit in Nolst en Jacob Revius. Het lijkt erop, dat pas in 1790 meer omtrent Nolst bij het stadsbestuur bekend werd gezien het feit dat hij toen problemen kreeg met betrekking tot de toestemming om in Zwolle te verblijven54 [54. Ibidem, 25 april 1790, 157-159.].
De op grond van genoemde namen in de correspondentie met het hoofdbestuur gereconstrueerde ledenlijst bevat een aantal namen van personen van wie bekend is, dat zij een actieve rol hebben gespeeld bij de gebeurtenissen in 1787: de hervormde dominee Jacob Kantelaar, die Almelo vanwege zijn Patriotse activiteiten had moeten verlaten, C.J. Zebinden, Dionisus Werner, Lambert Linthorst, Valentijn Bouwmeester, baron A.W. van Pallandt en de boekdrukkers H.J. en W. van Cleeff.

|pag. 13|

Ondanks het feit dat het Nut zich buiten de politiek wilde houden, werd het door een wantrouwende Magistraat verboden.

Een aantal leden bedankte onmiddellijk toen er problemen met de Magistraat ontstonden, anderen wilden op de een of andere manier nog bij de landelijke Maatschappij betrokken blijven. Het hoofdbestuur deed hiertoe een paar suggesties: de Zwollenaren konden als Departement blijven bestaan met elkaar in contact staand door middel van correspondentie, of men kon een Departement te Kampen oprichten en de Zwolse leden daarbij inlijven55 [55. GAA PA 211, inv. no. 5, ‘Handelingen en besluiten der hoofdbestuurders van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, jan. 1790’, 113.]. De achttien overgebleven leden wilden echter op geen enkele manier het stadsbestuur de indruk geven dat zij zich niets aantrokken van het verbod en stelden daarom voor via een door henzelf gekozen lid door middel van correspondentie met het hoofdbestuur in contact te blijven. Lambertus Nolst werd alszodanig aangesteld. Het optreden van de Magistraat had de leden behoorlijk schrik aangejaagd, want zij vroegen zelfs of het hoofdbestuur Nolst zelf wilde benoemen uit vrees dat het stadbestuur het hen misschien ‘te kwade zou houden’56 [56. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Th. Revius, 4 maart 1790’, 194.].
Nolst kon zich niet direkt aan zijn taak kwijten, omdat hij begin 1790 problemen met de Magistraat kreeg, toen er berichten over hem uit Rotterdam binnen waren gekomen over zijn Patriotse activiteiten aldaar. Nolst beloofde de Zwolse bestuurders plechtig zich ‘als een stil, gehoorzaam aan de tegenwoordige constitutie onderworpen ingezetene’ te zullen gedragen57 [57. Zie noot 54.]. Om problemen met het stadsbestuur te voorkomen verzocht hij het hoofdbestuur de kwitanties, die hij nodig had voor het innen van de contributie, zelf te ondertekenen58 [58. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van L. Nolst, 21 mei 1790’, 195.]. De functie van corresponderend lid bestond voornamelijk uit het innen van de contributie en het onder de leden verspreiden van de door de landelijke Maatschappij uitgegeven werkjes ten behoeve van de volksklasse, die door leden kosteloos werden ontvangen.
     Met die verspreiding van de werkjes van het Nut onder de Zwolse leden ontstonden problemen, die zouden uitgroeien tot een kleinsteedse ruzie. Joannes Veltkamp, van beroep chirurgijn, klaagde in een brief van 23 november 1791 aan het hoofdbestuur over de slechte bezorging van de ‘deeltjes’. Sommige leden hadden boekjes dubbel, die anderen nog nooit ontvangen hadden59 [59. GAA PA 211, inv. no. 319, ‘Ingekomen stukken bij het hoofdbestuur; brief van Joannes Veltkamp 23 nov. 1791’, 760.].
Ook de trijpfabrikant Jacob Doijer schreef een brief aan het hoofdbestuur, waarin hij erop wees dat Nolst zijn taak niet goed vervulde, waar Nolst volgens Doijer echter weinig aan kon doen, omdat hij een druk bezet man was. Toch vond Doijer een dergelijke ‘sloffe’ behandeling ongunstig voor de band tussen de leden en stelde hij het hoofdbestuur voor in vriendelijk overleg met Dr. Nolst een ander als corresponderend lid aan te stellen, waarvoor Doijer zich tevens aanbood60 [60. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Jacob Doijer, 2 febr. 1792’, 766.]. Het hoofdbestuur ging op de suggestie van Doijer in en vroeg Nolst met de benoeming van Doijer in te stemmen.
     Nolst reageerde woedend. Hij wees de beschuldiging van slechte bezorging van de werkjes van de hand: de schuld lag in Amsterdam zelf, hij kreeg sommige werkjes niet opgestuurd. Wat hem zeer verbaasde was, dat juist Jacob Doijer benoemd was. Doijer was namelijk een van de eersten geweest, die in oktober 1789 toen er problemen met de Magistraat rezen, bedankt hadden. Bij zijn weten was Doijer helemaal geen lid. Nolst wist blijkbaar niet, dat

|pag. 14|

Doijer zich in een brief van 26 december 1789 weer bij de landelijke Maatschappij als lid had aangemeld61 [61. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Jacob Doijer 26 dec. 1789’, 61.]. Ook vond Nolst, dat hij op zijn minst vooraf in kennis gesteld had moeten worden van de klachten, zodat hij zich had kunnen verdedigen. Nolst bedankte als lid62 [62. 62?].
     Doijer kreeg, toen hij in zijn nieuwe functie de leden langs ging om te vragen welke werkjes zij nog niet hadden ontvangen, al snel door dat een aantal leden op de hand van Nolst was. Dit waren volgens Doijer vooral leden, die tot ‘de kring van Nolst’ behoorden, waarvan hij volgens eigen zeggen geen deel uitmaakte. Door sommigen van hen werd hij slechts na lang aandringen ontvangen. Doijer had er lucht van gekregen, dat deze leden een protestbrief aan het hoofdbestuur wilden schrijven. Om hen een slag voor te zijn lichtte hij het hoofdbestuur hierover in en zette hij zijn eigen nobele motieven uitvoerig uiteen, waarbij hij de nadruk legde op de twistzucht en haarkloverij van de vrienden van Nolst. Hij was tevens bang voor zijn goede naam nu het gerucht rondging, dat hij zich als vervanger van Nolst zou hebben aangeboden, wat hij stellig ontkende (!):” Ook zelfs om aan mijn familieleden, hier en elders, bijzonderlijk aan mijn schoonbroeder Professor van Hesslink en aan mijn neef P. Schoonegevel niet in een verkeerd daglicht te komen.”63 [63. GAA PA 211, inv. no. 319, ‘Brief van Jacob Doijer, 22 maart 1792’, 776.]
     De door Doijer aangekondigde brief werd inderdaad verzonden, ondertekend door zeven mensen. ‘De kring van Nolst’ lijkt voornamelijk te hebben bestaan uit Patriotten: zes van de
ondertekenaars zijn bekende Zwolse Patriotten. De brief zelf bevatte grotendeels dezelfde bezwaren die Nolst had genoemd. De schrijvers wilden dat de zaak werd rechtgezet, anders zouden zij ook als lid bedanken. In Patriotse bewoordingen verklaarden zij: “Dewijl de ondergetekenden rondborstig moeten verklaren een billijke afkeer te hebben van alle kabalen en willekeurige handelingen en onrechtvaardige verklaringen ... te hebben.”64 [64. GAA PA 211, inv. no. 319, ‘Brief van Dion. Werner e.a., 22 maart 1792’, 780.]
     Het hoofdbestuur deed nog een poging tot bemiddeling. Jacob Kantelaar werd gevraagd de zaak te onderzoeken65 [65. GAA PA 211, inv. no. 6, ‘Handelingen en besluiten van het hoofdbestuur’, 91.]. Hoe de verlichte hervormde dominee Jacob Kantelaar betrokken is geraakt bij het Zwolse Nut is onduidelijk. Volgens de over hem bekende gegevens zou hij na in 1787 uit Overijssel verbannen te zijn vanwege zijn Patriotse activiteiten tot 1792 in Amsterdam hebben gewoond, waarna hij naar Kampen verhuisde. Hij wordt echter al in 1789 als Zwols lid vermeld. Wat van die bemiddelingspoging terecht is gekomen, is niet bekend, evenmin als het duidelijk is waarom het hoofdbestuur zo gemakkelijk Nolst passeerde en op de suggesties van Doijer inging. In ieder geval bleef Doijer als nieuw corresponderend lid aangesteld. Hij vervulde die functie tot de oprichting van een nieuw Zwols Departement in 1799. Het aantal leden dat hij vertegenwoordigde slonk voortdurend; eind 1798 waren er nog twee over.
     Deze ruzie laat zien, hoeveel waarde de Nutsleden zelf hechtten aan de geschriften van het Nut, die eigenlijk helemaal niet voor hen geschreven waren, maar voor de volksklasse. Het Nut fungeerde niet alleen als instrument voor volksverliching, maar ook als medium voor de bevrediging van de eigen culturele behoeftes66 [66. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 200.].
Toen een actief bestaan van het Nut in Zwolle in 1789 door de Magistraat werd verhinderd, bleef het lidmaatschap en het lezen van de publicaties van het Nut begerenswaardig. Als het Nut

|pag. 15|

slechts opgericht zou zijn om de volksklasse ten eigen bate te disciplineren, zou hiertoe geen reden hebben bestaan.

3.1. TWEE ZWOLSE DICHTERS

Zoals in hoofdstuk 2 beschreven is, stelt Mijnhardt dat veel Nutsleden voor 1795 wat hun mentaliteit betreft een product waren van de nieuwe leescultuur, die tot uiting kwam in de enorme groei van de markt voor Nederlandstalige boeken en tijdschriften in de loop van de achttiende eeuw. Deze leden hadden in mindere mate het traditionele opleidingscurriculum doorlopen (Latijnse school en universiteit). Een opmerkelijk fenomeen noemt Mijnhardt in dit verband het verschijnsel van de autodidact67 [67. Ibidem, 199.]. Van dit verschijnsel troffen we in deze eerste periode twee aardige voorbeelden aan: Jacob Doijer en Gerrit Costers.
     Jacob Doijer onderhield een briefwisseling met het hoofdbestuur van het Nut in Amsterdam van 4 september 1789 tot 10 september 1801. Een belangrijk deel van die correspondentie betrof het het reilen en zeilen van het Nut in Zwolle. Een groter gedeelte bevatte echter mededelingen van Doijer over zijn eigen pennevruchten. Van tijd tot tijd stuurde hij dichtwerkjes, liedjes en verhandelingen op naar Amsterdam in de hoop ze gedrukt te krijgen in een van de publicaties van het Nut.
Jacob Doijer had, voor zover bekend is, de Latijnse school niet bezocht. Hij was van beroep trijpfabrikant en was daardoor niet onbemiddeld, maar ook niet rijk. Hij speelde voor 1795 geen rol in het politieke leven in Zwolle, wat ook al niet mogelijk was gezien zijn lidmaatschap van de Doopsgezinde Gemeente. Wel was hij in Zwolle Nutsman van het eerste uur.
     Al voor de oprichting van het Zwolse Departement in 1789 zond hij ‘een nieuwe zede lijke vertelling’ op voor de jeugd in de hoop, dat deze gebruikt zou kunnen worden voor een van de Mengelwerkjes van de Maatschappij68 [68. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Jacob Doijer, 4 sept. 1789’, 59.]. Hij kreeg zijn vertelling teruggestuurd; zijn werk was niet geschikt. Dit zou het lot van al zijn literaire arbeid zijn, die hij ter beoordeling naar Amsterdam stuurde. Onvermoeibaar bleef hij het echter proberen. Zijn geschriften zelf zijn niet bewaard gebleven in de archieven van het hoofdbestuur, omdat hij alles op zijn verzoek teruggezonden kreeg. Wel worden er in Doijer’s brieven titels van zijn geschriften genoemd, die een indicatie zijn van de thema’s die zijn belangstelling hadden.
     In december 1789 stuurde hij een uitgewerkte versie van zijn spreekbeurt op, die hij voor de tweede vergadering van het Zwolse Departement had voorbereid en niet had kunnen houden, vanwege het verbod dat het Nut trof. Zijn oogmerk bij het schrijven was: “Om al wat waarachtig, al wat eerlijk, al wat rechtvaardig, al wat rein, al wat lieflijk is en al wat wel luidt, zo er enige deugd is, zo er enige lof is, daarin te betrachten”.69 [69. Doijer citeert hier Philippenzen 4:8-9. GAA PA 211, inv. no. 317, ‘Brief van Jacob Doijer, 26 dec. 1789’. 61.]
Achtereenvolgens verzond hij: proeven van gepaste voorschriften op de scholen, een bundel volksliedjes op bekende wijsjes, verzen in voor en tegenbeelden van deugd en en ondeugden, onderschriften voor

|pag. 16|

een samen te stellen prentboek met afbeeldingen van deugden en ondeugden en dichtmatige en enigszins opgehelderde en uitgebreide naarvolging van uitgezochte, zedekundige spreuken uit het spreukenboek van Salomo. In zijn toelichting op dit laatste werk, vermeldde hij dat hij hiervoor gebruik had gemaakt van wat Engelse theologen de laatste tijd over Salomo hadden geschreven70 [70. GAA PA 211, inv. no. 322, ‘Ingekomen stukken; brief van Jacob Doijer 31 mei 1794’.].
     Soms kreeg hij uit Amsterdam aanwijzingen over wat er aan zijn werk mankeerde: hij schreef te ingewikkeld. Zeer nederig en dankbaar gaf hij dan zijn beoordelaars gelijk:” Intussen zijn de daarvoor opgegevene redenen gegrond voorgekomen en ik bedenk hoe het wel degelijk een bijzondere bekwaamheid vereist, zich naar de aard en denktrant en smaak van het gemeen te schikken, zonder in deszelfs laagheden te vervallen, maar integendeel tot verbetering te werken van deszelfs verstand en zeden.”71 [71. GAA PA 211, inv. no. 319, ‘Brief van Jacob Doijer, 18 jan. 1791’, 756.] Een hoge pet had Doijer niet op van het gemeen tot wiens nut hij wilde schrijven. De voortdurende afwijzingen begonnen hem op den duur te steken. Hij overwoog zelf zijn werk te laten drukken, wat hem door Amsterdam ontraden werd. Vooral over zijn bewerkte ‘Spreuken van Salomo’ was hij zeer tevreden. Toen hij die ook weer teruggestuurd kreeg, won hij de raad in van ‘een der bevoegdste Beoordelaars van de Letteren’. Doijer doelde hier op Rhijnvis Feith. Feith vond de bewerkte Spreuken geschikt om in handen van het publiek te komen. Doijer heeft het werk vervolgens bij Tijl laten drukken72 [72. GAA PA 211, inv. no. 326, ‘Ingekomen stukken; brief van Jacob Doijer, 4 maart 1789’.]. Toen in 1799 in Zwolle opnieuw een Departement van de grond kwam, werd Doijer al snel lid en leende hij zijn pen voor de Nutsidealen. In de Zwolse Courant verschenen van hem twee verhandelingen, die later nog besproken zullen worden. Bij Tijl verscheen van hem nog een dichtwerk, dat hij had voorgedragen op een vergadering van het Zwolse Departement: ‘Dichterlijk tafereel van de Natuur of Schepping, zedelijk toegepast door J. Doijer’73 [73. Zwolse Courant 14 maart 1801.].
     Jammergenoeg zijn geen van de hier genoemde werken in archieven aangetroffen. Uit de titels kan evenwel opgemaakt worden, dat zijn geschriften in het teken stonden van het verlichtingsdenken zoals dat in Nederland gestalte kreeg, waarbij bij Doijer vooral het accent gelegen lijkt te hebben op de deugdzaamheid, die verbonden is met de godsdienst en de natuur.

     Een ander Nutslid, dat zijn pen aan de muze wijdde was Gerrit Costers. Ook hij was doopsgezind en had de Latijnse school niet bezocht. Van beroep was hij assistent op de postwagen, wat erop wijst, dat hij beslist niet tot de bovenlaag van Zwolle behoorde. Zijn gedicht is wel bij zijn brief aan het hoofdbestuur bewaard gebleven74 [74. GAA PA 211, inv. no. 319, ‘Brief en gedicht van Gerrit Costers 27 maart 1792’, 783.]. Zijn ‘Lentezang’, die als bijlage 2 is opgenomen, is tevens het enige gedicht dat Costers heeft opgestuurd en is voor zover bekend nooit gepubliceerd.
     Het gekunstelde rijm van dit gedicht en de soms gewrongen zinsconstructies wijzen erop dat, Costers een zondagsdichter was. Toch is het de moeite van het lezen waard om te zien hoe een betrekkelijk eenvoudige assistent op de postwagen, heeft geprobeerd uit te drukken wat de fysico—theologie behelst: uit de natuur zelf blijkt het bestaan van God, liefde voor de natuur leidt tot liefde voor God. Dit komt vooral in de laatste strofe van het gedicht naar voren:

|pag. 17|

’k kan in Moeder Natuurs Wezen,
Overal haar Schepper lezen,
Wijsheidsblijken zonder tal.
Zijn verspreid door ’t gansch Heelal.”

Het Nut fungeerde zoals gezegd ook als medium voor de bevrediging van de culturele behoeftes van de eigen leden75 [75. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 200.]. Schrijven en gelezen willen worden maakten hier blijkens deze twee voorbeelden onderdeel van uit.

|pag. 18|

4. DE TWEEDE PERIODE: 30 juni 1799 tot december 1803

De Bataafse revolutie van 1795 betekende een voortzetting van wat twintig jaar tevoren met de Patriottenbeweging was begonnen. Het succes van de revolutie was mogelijk, doordat Frankrijk, waar de nieuwe orde had gezegevierd, de hegemonie in het westen van Europa had verworven76 [76. C.H. de Wit, ‘De Noordelijke Nederlanden in de Bataafsche en Franse tijd 1795-1813’, in: AGN deel 11 (Bussum 1983), 158.]. De verdeeldheid, die al snel onder de Patriotten ontstond over de gewenste staats- en regeringsvorm kan hier buiten beschouwing gelaten worden. In ieder geval kwam een aantal zaken tot stand, die van belang voor het Nut waren. De scheiding tussen de Staat en de Hervormde Kerk werd een feit: er kon geen
bevoorrechte kerk meer geduld worden77 [77. Ibidem, 167.]. Dat betekende dat Nutsleden, die lid waren van andere kerken dan van de Hervormde Kerk nu volledig toegang kregen tot overheidsfuncties. De Staat ging zich nu ook actief met onderwijs en volksopvoeding bezighouden. Dit blijkt ondermeer uit de staatsregeling van 1798, waarbij een een ‘Agentschap van Nationale Opvoeding’ werd ingesteld, waaronder begrepen werden: de geneeskundige regelingen, de vorming van de nationale zeden en de bevordering van openbaar onderwijs en kunsten en wetenschappen78 [78. De Wolf, ‘Onderwijs en opvoeding’, 37.]. Vooral tijdens het agentschap van J.H. van der Palm kreeg dit nadrukkelijk gestalte. Het Nut werd een gewaardeerde gesprekspartner van de overheid. Veel Nutsmannen kwamen in de regeringscolleges terecht, vooral in de eerste radicalere fase van de Bataafse tijd. De verschillende onderwijswetten kwamen in nauw overleg met het Nut tot stand79 [79. Ibidem.].

Jacob Doijer, die direct na de omwenteling in Zwolle betrokken raakte bij het bestuur van de stad, verlangde naar de oprichting van een nieuw Zwols Departement. In 1798 schreef hij hierover aan het hoofdbestuur, dat het Nut in Zwolle niet veel bijval ontmoette, omdat volgens hem de Zwolse burgerij niet gemakkelijk te interesseren was voor ‘onderwerpen van Verlichting en beschaving in het stuk van opvoeding en zeden, vooral ten dienste des gemeenen mans en van het zozeer hervorming behoevend schoolwezen’80 [80. GAA PA 211, inv. no. 326, ‘Ingekomen stukken bij het hoofdbestuur; brief van Jacob Doijer 4 maart 1798’.]. In een artikel in de Zwolse Courant van 2 maart 1799 hield hij een pleidooi voor de oprichting van een nieuw Departement81 [81. Zwolse Courant 2 maart 1799.].
     Hij sprak in dit artikel zijn zorg uit over de opvoeding en karaktervorming van de jeugd, die zijns inziens veelal voor deugnieterij en verkwisting leefde. Hij zag een scherp contrast tussen de nieuwe Staatregeling van 1795, gebaseerd op de beginselen van vrijheid en gelijkheid en de dagelijkse praktijk van de opvoeding. Hij gaf een uitvoerige opsomming van deugden die in de opvoeding centraal zouden moeten staan: de leerzucht, de naarstigheid, de spaarzaamheid, de liefde tot orde, de ondergeschiktheid aan billijke wetten en rechtmatig gezag, wakkerheid en gedienstigheid, trouw en rechtvaardigheid. De jeugd zou immers de toekomst gaan bepalen; als er niets veranderde dan strekte dit volgens Doijer ‘tot een uitzicht zo mishaaglijk duister’82 [82. Ibidem.]. Als echter de ouderen het juiste voorbeeld zouden geven, dan zou hiervan een ‘heerlijke’ invloed op de republiek uitgaan, ‘die voornamelijk bestaat door de koophandel, de landbouw en de fabrieken’83 [83. Ibidem.]. Hier legde Doijer expliciet de relatie tussen

|pag. 19|

‘deugdbevordering’ en economische vooruitgang.
In het kader van de deugdbevordering wees hij op de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, die al voor de ondergang van de ‘dwangregering’ op dit terrein haar sporen had verdiend. Doijer vroeg zich af, of Zwolle soms weinig ‘minnaars der deugdbevordering’ telde, omdat het verboden eerste Departement nog niet in volle luister was hersteld.
     Uit zijn artikel blijkt niets van een zich persoonlijk bedreigd voelen, nergens noemt hij het kleiner worden van de middenklasse. Hij maakt zich zorgen over het morele peil van de volksklasse en acht een beschavingsoffensief heilzaam voor de economie, die het bestaan van de Republiek waarborgt. De liefde voor orde, de ondergeschiktheid aan rechtmatig gezag zijn in zijn denken geen deugden speciaal bedacht voor de volksklasse, maar universeel van karakter.

Op 4 juni 1799 ’s avonds om 5 uur in de Nieuwe Concertzaal aan de Bloemendaalstraat vond de oprichting van het Zwolse Departement van de Bataafse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen plaats. Initiatiefnemers hiertoe waren: J.F. Serrurier, J. ter Pelkwijk, de doopsgezinde predikant Assuerus Doijer, L.H.C. Nilant en J. Schnebbelie. In totaal waren twintig mensen bij de oprichtingsvergadering aanwezig.
Jacob Frederic Serrurier werd gekozen tot voorzitter. Serrurier was van 1795 tot 1798 Waals predikant in Zwolle geweest, maar aangezien hij wat zijn toehoorders betreft al te vrijzinnig preekte, werden zijn diensten steeds slechter bezocht. Hij had in zijn jeugd al geen liefde voor het ambt gehad; het was meer een besluit van zijn vader geweest. Toen hij in 1798 de kans kreeg een ijzerhandel over te nemen, greep hij deze met beide handen aan. Hij zou in 1801 benoemd worden tot Departementaal schoolopziener, werd in 1805 lid van de Raad van Financiën in Overijssel en maakte in 1808 deel uit van een door koning Lodewijk Napoleon benoemde commissie, die een belastinghervorming moest voorbereiden.
De doopsgezinde vermaner Assuerus Doijer werd aangesteld als penningmeester. Jan ter Pelkwijk als secretaris. Ter Pelkwijk meldde de oprichting aan het hoofdbestuur in een brief van 30 juni 1799, waarin hij de hoop uitsprak, dat het ledental spoedig in een redelijke verhouding zou staan tot de omvang van de Zwolse bevolking.
     In korte tijd ontplooide dit Departement een aantal activiteiten, waaronder het openen van een bibliotheek en een Nutsschool en het verschaffen van extra voorzieningen voor de armen in de stad. Deze activiteiten zullen in de komende paragrafen uitvoerig worden besproken.
De halfjaarlijkse contributie bedroeg f 5,50. Een nieuw lid betaalde f 2,00 intredegeld. Omdat er van dit Departement geen huishoudelijk wetten bewaard zijn gebleven, is niet bekend hoe nieuwe leden werden aangenomen; dit zal zoals bij andere Departementen gebruikelijk was door middel van ballottage zijn gebeurd.
Men vergaderde meestal op de tweede dinsdag van de maand vanaf half zes. De vergaderingen werden in het begin vrij vaak in de Zwolse Courant aangekondigd. Een enkele keer werd er een

84 [84. 84?]85 [85. 85?]86 [86. 86?]

|pag. 20|

buitengewone vergadering bijeengeroepen87 [87. Zwolse Courant 30 april 1803.]. Men kwam bijeen in de Nieuwe Concertzaal, een soort café, dat als ontmoetingsplaats van Patriotten bekend stond88 [88. Thom. J. de Vries, Geschiedenis van Zwolle deel 2 (Zwolle 1961), 151.]. Er werd een kistje angeschaft om de papieren in te bewaren en een timmerman kreeg opdracht om een spreekgestoelte te timmeren89 [89. GAZ Verenigingsarchief (VA) 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven van het Departement Zwolle der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en de Zwolsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen 1800-1814; 19 aug. 1799 en 20 maart 1800’.]. Bij de boekdrukkers H. Tijl en J. de Vri, die lid van het Nut waren, liet men nogal eens wat drukken: kwitanties, wetten van het Departement, naamlijsten en kaartjes90 [90. Ibidem, 6 mei 1801.].
Het Nutswerk werd verdeeld over verschillende commissies: de commissie van onderstand, die zich bezig hield met voedselvoorziening en werkverschaffing, de schoolcommissie, de commissie tot de leesbibliotheek en de commissie tot de Almanak, die slechts korte tijd bestond. Iedere commissie kreeg een halfjaarlijks bedrag toegewezen, waarvan de activiteiten bekostigd moesten worden.
Over bestuurswisselingen is weinig bekend. Het penningmeesterschap wisselde veelvuldig. Serrurier trad begin 1801 af als voorzitter, omdat hij het te druk had met zijn werkzaamheden voor de commissie van onderstand. In zijn plaats werd J.A. de Vos van Steenwijk voorzitter, Ter Pelkwijk was toen nog secretaris91 [91. GAZ AAZ01, inv. no. 583, ‘Ingekomen stukken; brief van J.A. de Vos van Steenwijk 15 jan. 1801’.]. In 1809 wordt Serrurier weer als voorzitter genoemd.

Jan ter Pelkwijk had zoals gezegd de hoop uitgesproken, dat het aantal leden spoedig in een redelijke verhouding zou staan tot de omvang van de Zwolse bevolking. Welk aantal leden hij hierbij voor ogen had, is onbekend; in ieder geval viel het aantal leden nogal tegen. Begin 1800 telde het Zwolse Departement 31 leden, mei 1800 waren er 45 leden (zie bijlage 1, tabel 1). Serrurier schreef in een brief aan het hoofdbestuur, dat het Zwolse Departement zich wat het financiële betreft van de landelijke Maatschappij wilde afscheiden. Het Zwolse Nut wilde namelijk een aantal projecten beginnen en die in de toekomst kunnen voortzetten, waarvoor veel geld nodig was. Aangezien het ledental tegenviel en de contributie volgens Serrurier al maximaal was, kon men de f 2,50 die voor ieder Zwols lid aan de landelijke Maatschappij betaald moest worden, niet missen. Serrurier benadrukte in zijn brief, dat het alleen om financiële redenen was, dat het Zwolse Departement zich wilde afscheiden92 [92. GAA PA 211, inv. no. 327, ‘Ingekomen stukken bij het hoofdbestuur; brief van J.F. Serruerier 21 mei 1800’.]. Het hoofdbestuur ondernam nog een poging om het Zwolse Departement te behouden; er werden inlichtingen gegeven over de redenen voor de quota’s die per lid betaald moesten worden93 [93. GAA PA 211, Inv. no. 7, ‘Handelingen en besluiten van het hoofdbestuur 24 mei 1800’.].
Jacob Doijer, die al snel lid van het nieuwe Departement was geworden, had in 1799 zijn corresponderend lidmaatschap beëindigd. Hij kon zich echter in het geheel niet vinden in het besluit van het Zwolse Nut zich af te scheiden. In een brief aan het hoofdbestuur schreef hij dat het bestuur het voorstel geheel onverwachts in een vergadering naar voren had gebracht; zijn verzet ertegen was vruchteloos gebleven. Doijer was bang, dat een dergelijke afscheiding tot de uiteindelijke ondergang van de landelijke Maatschappij zou leiden, als dit voorbeeld door andere Departementen zou worden nagevolgd. Een afscheiding strookte in het geheel niet met zijn opvattingen over de noodzaak tot algemene samenwerking en algemene zedelijke verbetering. In verband met zijn afkeer van plaatselijke verdeeldheid wilde hij van zowel het Zwolse Nut als van de landelijke Maatschappij lid blijven94 [94. GAA PA 211, inv. no. 327, ‘Brief van Jacob Doijer 25 mei 1800’.].

|pag. 21|

Doijer hoopte nog op hereniging of tenminste op vriendschappelijke betrekkingen. Hij bood het hoofdbestuur aan hen op de hoogte te houden van de activiteiten van het Zwolse Nut. De verhoudingen tussen Amsterdam en Zwolle zouden echter verslechteren.
     Serrurier had in zijn brief geschreven, dat er nog wel, voor de 8 leden die in augustus 1799 lid waren, contributie betaald zou worden. Het hoofdbestuur beschuldigde het Zwolse Nut nu van achterhouding van penningen, daar zij dachten dat er in augustus meer personen lid waren geweest. Het hoofdbestuur had hierin gelijk: in augustus 1799 waren er 29 leden (zie bijlage 1, tabel 1). Het Zwolse Nut betaalde uiteindelijk maar voor 8 leden.
Jacob Serrurier herinnerde zich de zaak in zijn memoires aldus: “Om deze tijd nam ik, met enige andere jonge lieden deel aan het oprichten van een Departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, dat zich echter spoedig weer van de Moedermaatschappij afscheidde, omdat die vereniging een goed deel onzer inkomsten verslond zonder ons veel nut te brengen.”95 [95. GAZ PA 1151, ‘Levensschets Serrurier’, 52.]
     Tot de ondergang van de landelijke Maatschappij heeft de Zwolse afscheiding zoals bekend niet geleid, wel was de unieke situatie ontstaan van een geheel onafhankelijke Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

|pag. 22|

4.1. DE COMMISSIE VAN ONDERSTAND

In hoofdstuk 2 is reeds geschreven, dat er vooral in de nijverheid in de loop van de achttiende eeuw steeds duidelijker van verval sprake was. In de eerste helft van de achttiende eeuw was de economische situatie in Zwolle vrij rooskleurig geweest: de stad was een markt- en verzorgingscentrum voor de wijde omtrek en een belangrijk verkeersknooppunt. De factoors op de Dijk verzorgden een omvangrijke doorvoerhandel van en naar Duitsland96 [96. Lettinga, ‘De Zwolse Patriottenbeweging’, 2.].
In de tweede helft van de achttiende eeuw trad er verval op. Waren er bijvoorbeeld in 1726 nog 226 weversknechten, in 1795 waren het er nog maar 105. De havenfunctie van Zwolle was gedaald van 17,7% tot 11,4%97 [97. Ibidem, 3.].
De economische moeilijkheden blijken ook uit de bevolkingsontwikkeling. Tussen 1675 en 1748 verdubbelde het inwonertal van Zwolle tot ongeveer 12.000. In 1795 woonden er nauwelijks meer mensen in Zwolle (12.220); er is duidelijk sprake van een stagnatie, die samenhangt met de economische achteruitgang. Tussen 1795 en 1809 was er sprake van een lichte bevolkingsgroei; in 1809 waren er 12.892 inwoners. Onduidelijk is waaraan deze groei moet worden toegeschreven. Ongetwijfeld zijn de economische problemen in de loop van de Franse tijd verscherpt, in het bijzonder toen het Continentale Stelsel steeds strakker werd doorgevoerd98 [98. De Wit, ‘De Noordelijke Nederlanden 1795-1813’, 186.].
     Naar de armoede en de armenzorg in de tweede helft van de achttiende eeuw en begin negentiende eeuw is nog geen onderzoek gedaan. Alleen de formele organisatiestructuur van de armenzorg is bekend. Lettinga schat het aantal bedeelden in 1795 op 1150, wat 9,5% van de totale bevolking in 1795 is99 [99. Lettinga, ‘De Zwolse Patriottenbeweging’, 4.]. In 1806 bedroeg het aantal bedeelden volgens een opgave aan het stadsbestuur in totaal 1427, wat 11% van de totale bevolking in 1809 is100 [100. GAZ AAZ01, inv. no. 113, ‘Register van resoluties van Schepenen en Raden 30 sept. 1806’, 477-478.]. Noordegraaf noemt een dergelijk percentage wel aanzienlijk, maar er is bij een percentage bedeelden tussen de 10 en 15 % geen sprake van een extreme noodsituatie101 [101. L. Noordegraaf, ‘Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813’, in: AGN deel 10 (Haarlem 1981), 375.].
De ondersteuning van de armen was in Zwolle verdeeld over de diverse kerkgenootschappen en de stadsarmencamer, die in 1806 het grootste aantal armen bedeelde: 810 personen. De hervormde armencamer bedeelde 300 personen (3% van het aantal hervormden in 1809102 [102. GAZ AAZ01, inv. no. 419, ‘Kladtabel van de aantallen inwoners der diverse godsdienstige gezindten in de verschillende wijken 1809’.]), de rooms-katho1ieke armencamer bedeelde 250 personen (9% van het aantal leden in 1809), de Lutherse Kerk droeg de zorg voor 35 personen (10% van het aantal leden in 1809), de Doopsgezinde Gemeente bedeelde 16 personen (maar liefst 27% van het aantal leden in 1809) en de Joodse Gemeente verzorgde 16 armen (5% van het aantal Joden in de stad). Deze gegevens kunnen een vertekend beeld geven van het werkelijke aantal bedeelden per kerkgenootschap, omdat het nogal eens voorkwam dat armen aan de stadarmencamer werden overgedragen, als men ze zelf niet goed kon onderhouden.
     In het algemeen hadden de hervormde armencamers door de scheiding tussen Kerk en Staat van 1796 een deel van hun fondsen verloren, waardoor zij in financiële moeilijkheden waren gekomen.
In 1801 wijzigde deze situatie zich, toen er een nieuwe staatsregeling werd doorgevoerd, die veel van de ‘oude toestanden’

|pag. 23|

deed terugkeren. Na 1801 konden de belangen van de hervormden weer rustig aan de Staat worden toevertrouwd103 [103. A. de Groot, ‘Socio-cultureel en godsdienstig leven in de Noordelijke Nederlanden 1795-1813’, in: AGN deel 11 (Bussum 1981), 16-17.]. Dit blijkt ook in Zwolle. De hervormde armencamer deed vanaf 1801 veelvuldig een beroep op het stadsbestuur om financiële bijstand. Begin 1801 melden de diakenen f1760,00 schuld te hebben; ter dekking hiervan kreeg men van de Municipaliteit f800,00104 [104. GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register van resoluties van de Municipaliteit 20 febr. 1801’, 315.]. Begin 1802 werd f1000,00 gevraagd, omdat men anders de bedeling niet voort kon zetten105 [105. GAZ AAZ01, inv. no. 110, ‘Register van resolties van de Municipaliteit 5 jan. 1802’, 77.]. In januari 1803 was er nog maar f7,00 in kas. De hervormde diakenen wezen op de te geringe inkomsten en de hoge uitgaven als gevolg van duurte. Zij vroegen f2000,00 steun en kregen f1000,00, waarbij het stadsbestuur wel vermeldde, dat met deze betalingen niet eeuwig doorgegegaan kon worden106 [106. GAZ AAZ01, inv. no. 111, ‘Register van resoluties van Schepenen en Raden 14 juni 1803’, 195.].
De relatie tussen het stadsbestuur en de hervormde armencamer is in deze periode bijzonder innig te noemen. Toen de hervormden begin 1804 vroegen om van de stadsarmencamer gebruik te mogen maken, werd dit toegestaan: “Om alles te contribueren wat ter bevordering zou kunnen strekken van de goede harmonie tussen de leden der beide armenstaten”107 [107. Ibidem, 7 april 1804, 503-505.]. Een dergelijke relatie werd niet met andere kerkgenootschappen onderhouden, die het financieel niet minder moeilijk hadden. De lutherse armenstaat had bijvoorbeeld nauwelijks fondsen en was afhankelijk van de toegestane collectes in de stad. Zij had vanwege geldgebrek een aantal armen aan de stadsarmencamer moeten overdragen108 [108. GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register 24 aug. 1801’, 509.]. In het algemeen wilden kergenootschappen graag hun eigen armen blijven bedélen, omdat zij daarin ondermeer een middel zagen om de eigen aanhang te behouden, wat in deze periode, vooral in de winter, problematisch kon zijn vanwege gebrek aan geldmiddelen109 [109. Van Loo, ‘De armenzorg in de Noordelijke Nederlanden’, 417.].

In deze situatie van een toegenomen aantal bedeelden sinds 1795, duurte van de levensmiddelen, financiële problemen bij de verschillende armenstaten om hun armen, vooral in de winter, te bedélen, startte het Nut een aantal activiteiten op het gebied van de armenzorg. Het Nut zou enerzijds proberen te zorgen voor extra steun aan de armen gedurende de wintermaanden en het bédelen tegen te gaan, anderzijds om te komen tot een in de ogen van het Nut meer doelmatige vorm van armenzorg: werkverschaffing. In de winter van 1799/1800 waren de activiteiten van de commissie van onderstand nog bescheiden in omvang geweest. Het Weversgildehuis was voor wie spinnen en breien wilde, opengesteld; het Nut zorgde voor verlichting en verwarming110 [110. Zwolse Courant 9 jan. 1800.].
Voor de winter van 1800/1801 was men veel meer van plan. De commissie wilde ook nu een ruimte verwarmen en voor verlichting zorgen, maar daarbij zelf voor spin- en breiwerk zorgen. Deze werkverschaffing zou begin 1801 uitlopen op het oprichten van een kousenfabriek.
Tevens wilde het Nut in het groot levensmiddelen inkopen, die gedurende de winter voor inkoopsprijzen aan de armen zouden worden verkocht. Voor deze aankoop had het Nut een grote som gelds nodig, die voorgeschoten zou moeten worden door bemiddelde Zwolse burgers. Langs de huizen werden briefjes rondgebracht, waarop men voor tenminste f20,00 kon intekenen. Na maximaal zes maanden zouden de intekenaars hun geld terugkrijgen. Het Nut maakte in de Zwolse Courant bekend bij de diverse armenstaten inlichtingen te zullen vragen over wie de grootste behoefte aan deze voorziening zouden hebben111 [111. Ibidem, 11 okt.]. Op 25 oktober 1800 meldde het Nut in de Courant,

|pag. 24|

dat er slechts 40 behoorlijk ingevulde en ondertekende briefjes waren ontvangen. Dit kleine aantal intekenaars bracht samen wel de som van f3000,00 op. Een klein aantal welgestelden steunde dit project blijkbaar112 [112. Ibidem, 25 okt.].
     Aangezien het Weversgildehuis in de Nieuwstraat op 29 oktober van dat jaar in gebruik was genomen als Nutsschool, vroeg het Nut aan de Municipaliteit om een ander gebouw. In het verzoek hierom werd uiteengezet, dat het Nut gedurende de winter iets aan de ergste noodlijdendheid van de ‘schamele gemeente’ wilde doen met het oog op de tijdsomstandigheden van duurte en gebrek. Het Fraterhuis in de Goudsteeg werd toegewezen. Dit gebouw zou door het Nut echter direct ontruimd moeten worden, als het nodig was voor de inkwartiering van troepen die de stad aandeden113 [113. GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register 15 okt. 1800’, 119-121.].
     Naar voorbeeld van wat in Engeland en Duitsland gebeurde, wilde de commissie van onderstand de armen gedurende de winter een goedkoop soort brood bezorgen, dat ‘even smakelijk is als gezond, maar beter koop dan gewoon brood’114 [114. Ibidem, 24 nov. 1800, 171.]. Om dit brood te mogen bakken, waren een aantal ontheffingen nodig van bepalingen, die voor het bakken en verkopen van brood waren vastgesteld. De Municipaliteit honoreerde het verzoek om de ontheffingen en stelde tevens op eigen initiatief de rogge, die voor het brood nodig was, vrij van de accijns die betaald moest worden voor het gebruik van het stadsgemaal115 [115. Ibidem].
     Voor en tijdens de winter van 1800/1801 maakte het Nut veelvuldig gebruik van de Zwolse Courant om de verschillende plannen aan te kondigen. In de Zwolse Courant van 8 november werd een uittreksel uit de Oeconomische Corant (het orgaan van de Agent van Nationale Economie) geplaatst, waarin vermeld werd, dat in het Engelse Clerkenwell dagelijks 6000 etensporties waren uitgedeeld, waarmee 3400 gezinnen in de winter waren onderhouden. Deze gaarkeuken ging uit van een zogenaamde ‘Rumfordse Maatschappij’. Graaf van Rumford was in 1790 in München met een werkverschaffingsproject van start gegaan en had een op wetenschappelijke wijze samengestelde soep geïntroduceerd, die armen van de noodzakelijke voedingsstoffen voorzag. Zijn activiteiten kregen hier te lande grote bekendheid en werden veelvuldig nagevolgd116 [116. Van den Eerenbeemt. Armoede en arbeidsdwang 55-56.].
Naar Engelse en Duitse voorbeelden startte het Nut ook een ‘Rumfordse Soepkokerij’ in Zwolle. Vanaf 2 december 1800 tot 28 maart 1801 werd in het Fraterhuis soep gekookt. Deze voedzame soep bestond uit: witte bonen, groene erwten, gepelde gerst, aardappelen en spek. Een snee roggebrood completeerde de maaltijd. Aanvankelijk werd er drie keer per week gekookt. Vanaf 7 januari werd er zes keer per week gekookt, waarvan drie dagen speciaal voor zieken (dinsdag, donderdag en zaterdag en voor zieken maandag, woensdag en vrijdag)117 [117. Zwolse Courant 6 juni 1801.].
De soepkokerij was als volgt georganiseerd. Welgestelden konden zogenaamde ‘lootjes’ kopen, die een stuiver kostten. Het was de bedoeling dat de lootjes aan een arm huisgezin of aan een bedelaar werden gegeven. Een lootje kon door een arme een dag voor er gekookt werd tussen 4 en 5 uur ’s middags ingewisseld worden tegen een ‘eetbriefje’. Voor een eetbriefje werd de volgende dag om 12 uur ’s middags in het Fraterhuis een portie soep uitgereikt. Een behoeftige kon ook zelf een dag tevoren voor een stuiver een eetbriefje kopen. De commissie van onderstand wist op deze manier

|pag. 25|

precies voor hoeveel mensen er de volgende dag gekookt moest worden.

Doordat het Nut haar activiteiten gedurende de winter van 1800/1801 uitgebreid in de Zwolse Courant evalueerde, is het mogelijk iets te zeggen over het verloop van de verschillende projecten (de inkoop van levensmiddelen, de verkoop van brood, de soepkokerij en de werkverschaffing)118 [118. Ibidem.].
     In totaal had men gedurende de winter 6500 etensporties uitgereikt, wat volgens de commissie neerkwam op het voeden van 100 mensen op 65 dagen. De commissie vond dit aantal teleurstellend, zeker vergeleken met het aantal armen in de stad. Het ongenoegen met het geringe gebruik dat van de soepkokerij werd gemaakt, had het Nut al eerder in de Zwolse Courant kenbaar gemaakt door een bericht te plaatsen over het succesvolle verloop van een zelfde project in Haarlem: “En wat de zaak betreffende in deze stad ... vond dit beginsel maar een krachtdadige ondersteuning.”119 [119. Ibidem. 17 dec. 1800.] Voor de geringe deelname gaf de commissie twee oorzaken aan: degenen, die geacht werden de meeste behoefte te hebben aan de voorziening, hadden er nauwelijks gebruik van gemaakt en de diverse armenstaten hadden vrijwel niet van de Nutsinstelling geprofiteerd.
     De eerst genoemde oorzaak kan besproken worden aan de hand van drie gesprekken tussen Griet, een bedelaarster, Janna, een schoonmaakster en haar man Gerrit, die het Nut begin januari 1801 in feuilletonvorm in de Zwolse Courant publiceerde. De gesprekken werden gesitueerd in ‘de kromme Jakke’, destijds een arme buurt. Zoveel mogelijk is geprobeerd de taal en gedachtenwereld van ‘het gewone volk’ te benaderen. Deze drie gesprekken zijn als bijlage 3 opgenomen, omdat ze een vrij gedetailleerd beeld geven van de voedselvoorziening en de bedoelingen daarvan. Bedacht moet natuurlijk wel worden, dat de stukken, hoewel tamelijk realistisch van karakter, toch een interpretatie van een Nutslid blijven van het doen en denken van de volksklasse.
     Uit de drie gesprekken kan in ieder geval afgeleid worden, dat het Nut veronderstelde, dat ‘de schamele gemeente’ een aantal vooroordelen tegen de soep had: men had er in Zwolle nog nooit van gehoord en de samenstelling van de soep leek verdacht. In het tweede gesprek tussen Gerrit, die inmiddels tot de soep ‘bekeerd’ was en Griet, die er niets van wilde weten, worden de argumenten van Griet tegen de soep door Gerrit op ironische wijze als vooroordelen ontmaskerd. Gerrit is hier duidelijk afgeschilderd als de redelijke, verlichte persoon, die zijn oordeel op feiten baseert.
Uit het eerste gesprek blijkt, dat ook de winkeliers bezwaren hadden tegen de spijskokerij. Zij zagen liever het bédelen, dan kon de bedelaar immers zijn geld zelf besteden en een winkelier ook bestaan. Griet leefde van het bédelen, net als haar kreupele zoon en haar dochter. Zij maakte zich er boos over, dat ‘die grote lui’ geen geld meer gaven, maar lootjes.
Janna verdiende als schoonmaakster acht stuivers in de week.
Gerrit, die voor zijn werk afhankelijk was van bevaarbaar water, verdiende een daalder en hun dochter bracht vier stuivers binnen door voor rijke mensen boodschappen te doen. Janna had van ‘haar mevrouw’ een lootje gekregen en na veel aarzelingen van de soep

|pag. 26|

geproefd. Nu maakte zij verstandig gebruik van de Nutsvoorziening. Door voor drie stuivers drie eetbriefjes te kopen was voor een goede middagmaaltijd gezorgd en hield ze geld over voor koffie.
Ook zou ze geld overhouden voor het geval er iemand ziek werd, of als Gerrit door de vorst niet zou kunnen werken.
     Deze gesprekken hadden ongetwijfeld een dubbele bedoeling. Enerzijds om mensen uit de lagere klasse, voorzover de krant tenminste door hen gelezen werd, over te halen de soep te eten en anderzijds om welgestelde burgers aan te sporen lootjes te kopen en die aan behoeftigen uit te delen, zodat zij kennis met de soep konden maken. In ieder geval zouden de lootjes het geld, dat gegeven werd aan bedelaars, moeten vervangen. In het verslag van de activiteiten zette de commissie de voordelen van de soepkokerij op een rij:
“     1) Aan vele onwaardige bedelaars is het middel ontnomen,
     waardoor zij anders aan hun weldadige stadsgenoten
     liefdegaven afpersen en dit tot slechte oogmerken besteden.
     2) De waarlijk behoeftige, met teveel eerzucht om aalmoezen
     aan te nemen, kan voor de geringe som van een stuiver een
     middagmaal houden zonder daarvoor aan iemand enige
     verplichting te hebben.”120 [120. Ibidem, 6 juni 1801.]
Spaarzaamheid, met beleid het huishouden bestieren en zelfrespect worden als deugden aangeprezen en alszodanig gestimuleerd, bédelen wordt als onwaardig gezien en zou bestreden moeten worden.
     De tweede reden, die het Nut voor het geringe succes van de voedselvoorziening noemde, was het zich afzijdig houden van de diverse armencamers. In de beschikbare kasboeken van de kerkgenootschappen en in de rekeningen van de stadsarmencamer zijn geen uitgaven voor eetbriefjes of lootjes aangetroffen. Het is niet mogelijk voor deze houding van de armencamers een verifieerbare verklaring te geven bij gebrek aan bronnen, waaruit iets over de mening van de kerkgenootschappen over de voorziening van het Nut kan worden afgeleid. Misschien zagen de armbesturen de noodzaak van samenwerking met het Nut niet in en werd de spijskokerij als een extra voorziening naast de gewone bedéling opgevat. De moeilijke financiële situatie liet waarschijnlijk extra uitgaven niet toe. Al gezegd is, dat armbesturen niet graag armen uit handen gaven. Nutsleden maakten daarbij nauwelijks deel uit van de verschillende kerkelijke armbesturen. Assuerus Doijer was in de winter van 1800/1801 de enige Zwolse predikant, die lid van het Nut was.
     De Municipaliteit steunde de voedselvoorziening in deze winter wel door op 11 januari 1801 een eenmalige schenking van f600,00 te doen121 [121. GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register 11 jan. 1801’, 244-249.]. Jacob Doijer, van 1798 tot 1802 lid van het stadsbestuur, had al eerder in een raadsvergadering voorgesteld het Nut financieel te steunen. Op zijn voorstel is toen niet ingegaan. De Municipaliteit ontving echter een missive van de Agent van Nationale Economie, waarin met het oog op de hoge prijzen van de levensmiddelen en de lage lonen als gevolg van de langdurige oorlog, de stadsbesturen werden opgeroepen tijdens de wintermaanden pogingen tot extra ondersteuning te doen. Het stadsbestuur was op de hoogte van het Nutswerk op dit terrein en besloot onder lof- en dankzegging het Nut eenmalig f600,00 te schenken. Het Nutswerk werd door het stadsbestuur duidelijk als een vorm van extra ondersteuning naast de gewone bedéling gezien.

|pag. 27|

Men overwoog niet met het Nut samen te werken, maar was tevreden met het privé-initiatief. Van den Eerenbeemt constateert in zijn studie over het Departement te Bergen op Zoom een zelfde houding van het stadsbestuur122 [122. Van den Eerenbeemt, Streven naar sociale verheffing 161.].
     In hetzelfde verslag van 6 juni 1801 werden ook de andere activiteiten geëvalueerd. In het groot waren turf en aardappelen ingekocht. De prijs van turf was gedurende de winter laag gebleven als gevolg van de korte vorstperiode, zodat de verkoop tegen inkoopsprijs minder aan het gestelde doel van lastenverlichting had beantwoord. De verkoop van aardappelen was daarentegen een succes geweest. Niet alleen waren de ingekochte aardappelen van een uitstekende kwaliteit geweest, maar de winkeliers waren ook gedwongen hun eigen aardappelen met minder winst te verkopen als gevolg van de lage Nutsprijzen.
     De pogingen tot werkverschaffing in het Fraterhuis waren uitgegroeid tot een kousenfabriek ‘waar niet slechts gelet wordt op de voordelen van de fabrikeur, maar ook op de behoeften van diegenen die daar in het zweet hunnes aanschijns hun arbeid verrichten’123 [123. Zwolse Courant 6 juni 1801.]. De fabriek stelde volgens de commissie van onderstand weliswaar nog weinig voor, maar als er meer geld ter beschikking zou komen, kon de fabriek tot ‘een heerlijk gebouw’ uitgroeien. Waar deze fabriek gevestigd was, is niet bekend.
     Tot slot van deze bespreking van de activiteiten van de commissie van onderstand gedurende de winter 1800/1801 kan nog iets gezegd worden over de verkoop van het goedkope, maar voedzame brood. De pachter van het stadsgemaal had moeite met het opbrengen van zijn pacht. De bakkers hadden door de duurte minder brood verkocht en dus minder rogge hoeven te malen. Daarbij hadden de armen volgens de pachter zelf alle mogelijke middelen uitgedacht om zich te voeden. Zij hadden vooral hun toevlucht tot aardappelen genomen en brood van witte zemel en gerst gemaakt, dat zij bij de Grutters kochten, die voor het malen van hun gerst geen accijns hoefden te betalen. Werd er dus minder brood verkocht en de accijns ontweken door andere grondstoffen voor brood te gebruiken, nu was het Nutsbrood ook nog vrijgesteld van de accijns op het gebruik van het gemaal. Hoe nuttig en prijzenswaardig de pachter het initiatief van het Nut ook vond, hij was er door gedupeerd. Daarbij kochten zijns inziens vooral mensen het brood, die niet tot de allerarmsten behoorden. Hij had het Nut hierover aangesproken en er was geprobeerd hier iets tegen te doen. Dit was niet gelukt, omdat mensen van armen gebruik maakten om het brood voor hen te kopen.
     De omvang van de broodverkoop van het Nut zal echter niet zo groot geweest zijn, dat de pachter juist daardoor gedupeerd werd. Veel eerder zal er gewoon minder brood zijn verkocht door de duurte, waardoor minder gebruik van het gemaal is gemaakt. In deze moeilijke situatie voor de pachter lijkt het Nutsbrood de steen des aanstoots te zijn geworden. Iets dergelijks zal ook het geval zijn geweest bij de winkeliers, die, zoals beschreven in het eerste gesprek ‘in de kromme Jakke’, over het geven van lootjes aan bedelaars in plaats van geld klaagden.
Interessant is het beeld dat de pachter geeft van de voorzieningen, die armen zelf troffen om aan de kost te komen: door meer aardappelen te eten en een ander soort brood te bakken.
De Municipaliteit trof een gunstige regeling met de pachter124 [124. GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register 16 april 1801’, 380.].

|pag. 28|

     Geconcludeerd kan worden dat het Nutswerk in deze winter in ieder geval veelvuldig onderwerp van gesprek is geweest, maar weinig steun ondervond. Winkeliers zullen geklaagd hebben over het geven van lootjes aan bedelaars in plaats van besteedbaar geld, bakkers zullen geklaagd hebben over de concurrentie van het goedkopere Nutsbrood, de pachter van het stadgemaal voelde zich gedupeerd en zal het gerucht verspreid hebben dat de verkeerde mensen van het Nutsbrood profiteerden, de verkopers van aardappelen zullen de lagere prijzen voor hun piepers beslist niet gewaardeerd hebben, de armbesturen hadden hun redenen om zich afzijdig te houden en de ‘schamele gemeente’ zelf voelde er in het algemeen weinig voor zich de Nutssoep op te laten scheppen: zij
troffen hun eigen voorzieningen.
In totaal besteedde de commissie van onderstand gedurende deze winter f1015,00125 [125. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven’.].

Met een beroep op het redelijk inzicht van de stadgenoten kondigde het Nut in oktober 1801 haar plannen voor de winter 1801/1802 aan. Het hoofddoel was opnieuw: “De arme te ondersteunen zonder de bedelarij te bevorderen”126 [126. Zwolse Courant, 21/24/28 okt.]. Uit het ontwerp voor die winter kan worden afgeleid, dat er in de vorige winter problemen met de inkoop van de voedingswaren voor de soepkokerij waren geweest; men wist toen een dag van tevoren voor hoeveel mensen moest worden gekookt. Het nieuwe systeem was er op gebaseerd, dat voor de winter begon al bekend zou zijn voor hoeveel mensen gekookt moest worden. Het Nut richtte zich nu uitsluitend op de welgestelde burgers, die voor vijf gulden en tien stuivers 72 eetbriefjes konden kopen. Twaalf weken lang zou op zes dagen in de week gekookt worden; ieder afzonderlijk eetbriefje was gedagstempeld. Het was de bedoeling, dat iemand die een aandeel van 72 eetbriefjes kocht, dit aan een arm huisgezin zou schenken. Zo’n gezin zou dan gedurende de hele winter van voedsel zijn voorzien. Er zou nu niet alleen soep worden gekookt, er zou worden geprobeerd de maaltijden te variëren, als de prijzen van de levensmiddelen dit toe lieten.
Het Nut wilde graag met iedereen samenwerken. Op vastendagen zou het voedsel zo bereid zijn, dat ook rooms-katholieken er gebruik van konden maken. Ook vroeg het Nut de armbesturen vooral hun kritiek op de plannen kenbaar te maken, zodat daarmee rekening gehouden kon worden.
De commissie van onderstand ging weer langs de deuren om de Zwolse burgers de gelegenheid te geven voor een aandeel van 72 eetbriefjes te tekenen. Het aantal intekeningen viel erg tegen; slechts 50 à 60 kochten een aandeel127 [127. Ibidem.]. In november 1801 waren er 59 Nutsleden, zodat verondersteld moet worden, dat erg weinig personen buiten de eigen kring het Nutswerk wilden steunen. De voedselvoorziening heeft wel doorgang gevonden. Aan de commissie van onderstand werd gedurende die winter in totaal f400,00 betaald. Dit is tevens de laatste winter geweest, dat het Nut op het terrein van de armenzorg actief was128 [128. Waar de voedselvoorziening in de winter van 1801/1802 heeft plaatsgevonden, is niet bekend. Het Nut heeft in maart 1801 het Fraterhuis moeten ontruimen. Dit blijkt uit een brief van de Municipaliteit aan de Agent van Oorlog, waarin om de bouw van kazernes werd gevraagd. Als er teveel troepen in de stad waren, was het stadsbestuur gedwongen voor de inkwartiering gebouwen op te eisen. Het Nut is hier ook slachtoffer van geworden. Aangezien er in deze winter wel gekookt werd, zal het Nut een andere plek gevonden hebben. GAZ AAZ01, inv. no. 524, ‘Register van uitgaande brieven 27 maart 1801’.]. Voor de winter van 1802/1803 goed en wel begonnen was, werden de gereedschappen voor de spijskokerij verkocht129 [129. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven 22 dec. 1802’.].
     Van de opgezette kousenfabriek is weinig bekend. Aangezien er in de zomer van 1801 een bedrag van f150,00 aan de commissie van onderstand werd uitgekeerd, is er vermoedelijk ook in de zomer in

|pag. 29|

de fabriek gewerkt. Van augustus tot december 1802 werd aan de commissie nog f259,23 uitbetaald, terwijl er toen geen spijskokerij in gebruik was. Eind december 1802 werden de gereedschappen van de spijskokerij en van de kousenfabriek voor f32,11 verkocht. Uit dit geringe bedrag kan worden opgemaakt, dat de fabriek niet veel heeft voorgesteld. Voorafgaand aan de verkoop van de gereedschappen werden er ook 1132 paar kousen voor f889,90 van de hand gedaan, wat neerkomt op een prijs van ongeveer zeventien stuivers per paar130 [130. Ibidem, 4 november 1802 en 11 dec. 1802.]. De grote voorraad kousen, die ineens werd verkocht, wijst erop, dat het product niet goed verkoopbaar is geweest. Van den Eerenbeemt stelt in zijn studie over dergelijke werkverschaffingsprojecten, dat een vlotte omzet bij deze ondernemingen, die over weinig kapitaal beschikten, noodzakelijk was om het in grondstoffen gestoken geld binnen korte tijd weer beschikbaar te hebben voor verdere aankopen131 [131. Van den Eerenbeemt, Armoede en arbeidsdwang 35.].
Dergelijke projecten gingen meestal door een samenspel van factoren ter ziele. De armen die in de fabriek werkten, hadden meestal weinig werkervaring, waardoor het product een lage kwaliteit kon hebben. Het niet alleen winst willen maken leidde dikwijls tot een te dure bedrijfsvoering en dus te dure producten. Tenslotte koos men vaak het breien van kousen als werkverschaffing, omdat dit makkelijk te leren en arbeidsintensief was, terwijl juist in de sector van de textielnijverheid sprake was van concurrentie van het goedkopere machinale product uit het buitenland132 [132. Ibidem, 34-35.].

Overzien we de activiteiten van de commissie van onderstand, dan kan geconcludeerd worden, dat het Nut voor zichzelf een taak zag weggelegd om de armen gedurende de winter extra te ondersteunen en tevens om tot een bestrijding van het armoedeprobleem te komen door middel van werkverschaffing. Armoede moest ‘onverschulde armoê’ zijn; als er geen werk was, kon het Nut proberen daarvoor te zorgen.
De steun in de Zwolse samenleving voor de initiatieven van het Nut was gering. Alleen de Municipaliteit steunde daadwerkelijk door een schenking te doen, maar ook zij werkte niet met het Nut samen. Voor het slagen van dergelijke projecten als door het Nut ontwikkeld zou juist samenwerking tussen het Nut en de verschillende armenstaten noodzakelijk zijn133 [133. Ibidem, 34.]. Een dergelijke samenwerking kwam wel in 1820 tot stand in de ‘Armeninrichting’ van de gemeente, waarin werkverschaffing en onderwijs aan de behoeftigen hand in hand gingen. Burgemeester A.J. Vos de Wael, op 19-jarige leeftijd in 1806 lid van het Nut geworden, maakte zich hiervoor sterk. Tal van andere Nutsleden waren bij dit werkverschaffingsproject betrokken. Ook de verschillende armenstaten waren vertegenwoordigd.
In de jaren na de Franse tijd zag het stadsbestuur veel duidelijker een taak voor zich weggelegd om iets aan de bestrijding van het armoedeprobleem te doen. In de periode van 1799 tot 1803 stond het Nut hierin vrijwel alleen.

|pag. 30|

4.2. HET NUT EN HET LAGER ONDERWIJS

In 1795 werden opvoeding en onderwijs verheven tot nationale belangen. In de Franse tijd werd een begin gemaakt met staatsbemoeienis met het onderwijs, die sindsdien niet meer is verdwenen134 [134. De Wolf, ‘Onderwijs en opvoeding’, 36.]. Er kwamen in deze tijd drie wetten op het lager onderwijs tot stand (1801, 1803 en 1806). Het Nut kon bij de
onderwijshervorming in de Franse tijd als arsenaal van medewerkers en als ‘braintrust’ voor de overheid fungeren, omdat het Nut al voordien op de eigen scholen allerlei voorstellen tot verbetering in praktijk had gebracht. De hervormingen betroffen onder andere de verbetering van de opleiding van de onderwijzers en de vernieuwing van de leermiddelen. Tevens kwam er toezicht op de lagere scholen door zogenaamde Districtsschoolopzieners tot stand en in de steden werden plaatselijke schoolbesturen samengesteld. Het Nut was voorstander van een nieuwe didactische aanpak. Lagere scholen waren meestal eenmansscholen, waarin grote aantallen leerlingen van verschillende leeftijden dicht opeengepakt in een klaslokaal zaten. Deze heterogene samenstelling noopte tot hoofdelijk onderwijs. Het Nut stond de invoering van klassikaal onderwijs voor; kinderen van dezelfde leeftijd zouden in een klas moeten zitten. Deze vorm van onderwijs, waarbij het schoolbord als hulpmiddel bij klassikale instructie werd ingevoerd, zou in de toekomst onderwijs aan veel meer kinderen mogelijk maken.
In de Nutspedagogie lag de nadruk op het onderkennen van de specifieke kenmerken van het kind; gelet moest worden op het met de leeftijd samenhangende ontwikkelingsniveau van het kind, waarop het onderwijs toegesneden moest zijn.
Het was de bedoeling, dat onderwijs tot inzicht leidde, niet tot braaf gedrag, dat afgedwongen werd door middel van lijfstraffen, waartegen het Nut zich dan ook verzette.
Godsdienstonderwijs was voor de zedelijke vorming van het kind wel van groot belang, maar het Nut was geen voorstander van leerstellig godsdienstonderwijs. Het godsdienstonderwijs van het Nut had een algemeen karakter; men hechtte weinig waarde aan wat de kerken verdeeld hield, juist op tolerantie kwam het aan.
     Voor een beschrijving van de situatie van het lager onderwijs in Zwolle en de invloed van de verschillende onderwijswetten is eigenlijk een aparte studie nodig. In deze paragraaf zal een globaal beeld van de situatie in het lager onderwijs in Zwolle geschetst worden en de betrokkenheid van het Nut of van Nutsleden bij de onderwijsvernieuwing besproken worden.

Een paar gegevens over het lager onderwijs in Zwolle zijn bekend. In 1799 waren er twaalf (lagere) schoolhouders. Zij hadden gemiddeld 60 kinderen in de klas, een voor die tijd normaal aantal135 [135. E.P. de Booy, Kweekhoven der wijsheid: basis- en vervolgonderwijs in de steden van de provincie Utrecht van 1586 tot het begin van de negentiende eeuw (Zutphen 1980), 33.]. Alleen de Stadsarmenschool had twee onderwijzers, die samen aan 268 kinderen lesgaven136 [136. GAZ AAZ01, inv. no. 914, ‘Stukken betreffende het onderwijs 1777-1804’.]. In het algemeen waren in veel steden de leerlingenaantallen van de Stadsarmenscholen in de loop van de achttiende eeuw gestegen, zodat lesgeven aan een dergelijke school een zeer zware taak was137 [137. De Booy, Kweekhoven der wijsheid 34.]. De kinderen van rijke ouders kregen meestal huisonderwijs of gingen naar een kostschool.
De gemiddelde leeftijd van de lagere schoolhouders was niet hoog:

|pag. 31|

38 jaar. Zij konden bijna allemaal prachtig schoonschrijven, blijkens hun zelf geschreven aanvragen voor de jaarlijkse gratificatie van het stadsbestuur aan schoolhouders, die gratis lesgaven aan kinderen van arme ouders138 [138. GAZ AAZ01, inv. no. 898, ‘Rekwesten betreffende ondersteuning en toelagen voor schoolmeesters 1805’.]. Alleen Hendrika Broese, de enige vrouw, kon gelet op haar aanvraag zelf nauwelijks schrijven. Zij was kreupel en kon derhalve niet in haar eigen onderhoud voorzien. Daarom (!) was ze met haar zuster een schooltje begonnen139 [139. Ibidem]. Of dat een lagere school, of een matressen school betrof is onduidelijk.
Onderwijzers hadden het in de regel niet breed. Van de twaalf
onderwijzers die in 1807 een patent als lagere schoolhouder hadden, had een er een kruidenierswinkeltje bij en was een ander tevens boekdrukkersknecht. De vrouwen van drie schoolhouders runden een ‘braaischooltje’, waarmee zij iets bij verdienden140 [140. GAZ AAZ01, inv. no. 4578 en 4579, ‘Register van door het stadsbestuur afgegeven patenten om gedurende een jaar een beroep of bedrijf uit te oefenen’.].
     Het onderwijs in Zwolle had sinds de omwenteling van 1795 steeds te lijden gehad van de inkwartiering van troepen, die Zwolle op hun marsroute aandeden. Omdat er te weinig kazernes waren, moest van tijd tot tijd de Stadsarmenschool of de Latijnse school ontruimd worden. Er werd dan een ander gebouw in gebruik genomen worden, of, in het geval van de Latijnse school, er werd huisonderwijs gegeven141 [141. Zie voor de stadsarmenschool GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register 11 dec. 1800’, 197 en voor de Latijnse school. ibidem, 17 juni 1801, 441-446.]. Toen de Latijnse school in 1801 weer in gebruik genomen werd en de daar opgeslagen militaire spullen verplaatst werden naar de Stadsarmenschool, richtten de Scholarchen, een commissie uit de Municipaliteit belast met het toezicht op de Nederduitse en Franse scholen, zich bezorgd tot de Municipaliteit. Zij vonden, dat het onderwijs in Zwolle te veel te lijden had van de inkwartiering, terwijl er juist nu overal in het land hervormingen in scholen werden doorgevoerd. De Zwolse schoolmeesters hadden volgens de Scholarchen weinig zin in verbeteringen, waartoe zij ook niet werden aangespoord, ‘zodat bij dezelven schier alles blijft voortgaan op de oude voet’142 [142. Ibidem, 17 juni 1801, 441-446.]. De enige positieve uitzondering hierop was volgens hen de door het Nut opgerichte school. “Daar schijnt in het kort alrede een rigting gegeven te zijn welke in de daad een schoon voorbeeld kan verstrekken voor alle Nederduitsche schoolmeesters alhier, tenminste een klaar bewijs leverende van wat er in deze al tot verbetering verrigt kan worden”143 [143. Ibidem.]
De Scholarchen zagen het Nut als de enige groepering, die zich voor de verbetering van het lager onderwijs inzette. Met een beroep op soortgelijke gevallen in andere steden, stelden zij voor samen met de schoolcommissie van het Nut een ontwerp voor de onderwijshervorming samen te stellen. De Municipaliteit verwierp dit voorstel tot samenwerking echter; de Scholarchen moesten zelf wel hun gedachten over hervormingen blijven laten gaan.
     De geprezen Nutsschool was gevestigd in het daartoe aangepaste Weversgildehuis in de Nieuwstraat en was op 27 oktober 1800 geopend144 [144. Zwolse Courant 11 okt. 1800.]. Onder toezicht van de schoolcommissie van het Nut werd er lesgegeven in ’lezen, schrijven, rekenen en enige andere nuttige wetenschappen, waardoor verstand en hart der jeugd kunnen gevormd en verbeterd worden145 [145. Ibidem, 11 okt.]. Gezien de omschrijving ‘enige andere nuttige wetenschappen’ werd er geen leerstellig godsdienstonderwijs gegeven.
Als schoolmeester was Cornelis Bosch aangesteld, die tevoren ondermeester te Zalk was geweest. Om aan de Nutsschool te mogen lesgeven, moest hij eerst een examen afleggen. Dit werd afgenomen

|pag. 32|

door de Nutsleden Serrurier, Ass. Doijer en Sicco van Ommeren, toen eerste praeceptor van de Latijnse school146 [146. Ibidem, 8 okt.]. Deze drie Nutsleden hadden hiertoe een volmacht gekregen van de Agent van Nationale Opvoeding J.H. van der Palm. De Municipaliteit werd gevraagd het examen bij te wonen om aan deze gebeurtenis meer publiciteit te geven147 [147. GAZ AAZ01, inv. no. 581, ‘Ingekomen stukken 24 sept. 1800’.]. Het stadsbestuur besloot dit aan de leden zelf over te laten en vaardigde niemand officieel af148 [148. GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register 27 sept. 1800’, 93.].
Het Nut wilde duidelijk reclame maken voor het deugdelijk examineren van onderwijzers. In de Zwolse Courant van 8 oktober werd van het examen verslag gedaan en tevens vermeld dat er enige leden van Municipaliteit aanwezig waren geweest. Iedereen was zeer voldaan over het afgenomen examen.
Aan de schoolcommissie werd in deze tijd f250,00 uitgekeerd, waarvoor leermiddelen en dergelijke aangeschaft zullen zijn. Van de Nutsschool zelf is erg weinig bekend door het ontbreken van archiefmateriaal.
     Wilde de Municipaliteit aanvankelijk niet met het Nut samenwerken, door de onderwijswet van 1801 zou dit min of meer toch gebeuren. De Scholarchen berichtten de Municipaliteit, dat in de wet bepaald was, dat er een plaatselijk schoolbestuur moest worden aangesteld, dat toezicht op de lagere scholen zou houden en aan schoolhouders examens zou af nemen149 [149. Deze bepaling betrof de bijzondere scholen, de openbare scholen zouden onder het Departementaal schoolbestuur vallen. In de praktijk lijkt het er op, dat het plaatselijk schoolbestuur zich met beide bezighield. Wie nu precies op welke school invloed had, is in het algemeen vrij onduidelijk.]. In de wet was niet bepaald uit welke personen zo’n schoolbestuur zou moeten bestaan: uit leden van de Municipaliteit, of uit andere personen. In een brief aan Van der Palm vroeg de Municipaliteit om opheldering hierover. Zij dacht er zelf aan om de Scholarchen, die vanouds al toezicht hielden, hiermee te belasten150 [150. GAZ AAZ01, inv. no. 525, ‘Register van uitgaande brieven, 7 juli 1801’.]. Van der Palm raadde dit af. Hij adviseerde mensen te benoemen, die voldoende tijd hadden om de scholen regelmatig te bezoeken en examens af te nemen151 [151. GAZ AAZ01, inv. no. 582, ‘Ingekomen stukken, 9 juli 1801’.]. Het plaatselijk schoolbestuur werd uiteindelijk in samenspraak met de Districtsschoolopziener en voorzitter van het Zwolse Nut J.F. Serrurier samengesteld uit de drie Nutsleden: Jan ter Pelkwijk, Sicco van Ommeren en de kunstschilder Derk-Jan van der Laan. Ook de plaatselijk schoolcommissie, die pas in 1805 naar aanleiding van de nieuwe wet van 1803 werd benoemd, bestond op de hervormde predikant Cornelis Fortuin na uit Nutsleden: Ass. Doijer en S. van Ommeren152 [152. GAZ AAZ01, inv. no. 113, ‘Register van resoluties van Schepenen en Raden, 5 mei 1805’, 501.]. De commissie die in 1806 werd benoemd in verband met het bedanken van Doijer en Fortuin en de nieuwe wet van 3 april 1806 bestond weer geheel uit Nutsleden: S. van Ommeren, Mr. L. Rietberg, Mr. B. Eekhout, Mr. E.L.A. Vos de Wael153 [153. GAZ AAZ01, inv. no. 114, ‘Register van resoluties van Schepenen en Raden, 26 dec. 1806’, 22—23.]. Op grond van de beschikbare bronnen kan eigenlijk alleen iets gezegd worden over het eerste plaatselijke schoolbestuur van 1801.
     Het kersverse schoolbestuur gaf te kennen graag aan het werk te willen en vroeg bij de Municipaliteit alle bepalingen en wetten op die voor de Nederduitse scholen in de stad golden. Tevens vroeg het schoolbestuur om een aantal faciliteiten. Het kreeg een kamer op het raadhuis, schrijfmateriaal en een roedendrager toegewezen154 [154. GAZ AAZ01, inv. no. 109, ‘Register 17 sept. 1801’, 544-545.]. Het schoolbestuur begon met het inventariseren en examineren van de schoolhouders in de stad. Het trof twee schoolhouders aan, die geen toestemming van de Municipaliteit hadden om school te houden. Beide schoolhouders werden geëxamineerd. Een van hen zakte weliswaar voor het examen, maar hij mocht blijven lesgeven, omdat verwacht werd, dat hij voor een tweede examen wel zou slagen als hij zijn kennis wat bij spijkerde.
De andere onderwijzer was ‘geheel van alle kundigheden ontbloot’

|pag. 33|

en kreeg een verbod om les te geven155 [155. GAZ AAZ01, inv. no. 582, ‘Ingekomen stukken 5 okt 1801’.].
     Het schoolbestuur deed ook voorstellen tot verbeteringen aan de schoolhouders. Helaas is de inhoud van de voorstellen niet bekend.
     De bemoeienis van het bestuur met de schoolhouders leverde al snel problemen op. De schoolmeester van de Stadsarmenschool had te kennen gegeven, dat het hem door de hervormde diakenen verboden was op vragen van het schoolbestuur in te gaan156 [156. GAZ AAZ01, inv. 110, ‘Register van resoluties van de Municipaliteit, 28 okt. 1801’, 22-24.]. Deze tegenstand is niet onbegrijpelijk. Van Jan ter Pelkwijk is bijvoorbeeld bekend, dat hij al vroeg ervoor pleitte, dat er op scholen geen gebruik mocht worden gemaakt van boeken, die een leerstellig-godsdienstige inhoud hadden, omdat hierover door de verschillende gezindten anders werd gedacht en het godsdienstonderwijs juist de tolerantie moest bevorderen157 [157. G. Luttenberg, Levensberigt van Jan ter Pelkwijk (Zwolle 1835), 28.]. De hervormden zullen in dit uit Nutsleden bestaande schoolbestuur een bedreiging hebben gezien van hun invloed op de verschillende scholen in de stad. De Municipaliteit verplichtte de schoolhouder echter om mee te werken, welk besluit ook aan de hervormden ter kennis werd gesteld.
     Begin 1802 was het schoolbestuur redelijk tevreden over zijn activiteiten. De grootste gebreken waren verholpen en de onderwijzers waren geëxamineerd. Het schoolbestuur stelde nu voor om jaarlijks prijzen aan de beste leerlingen van de lagere scholen uit te reiken. Dit had tot doel ‘de eergierigheid’ op te wekken, die volgens het schoolbestuur de sterkste drijfveer tot leergierigheid en goed gedrag was. Straffen had weinig zin: “En alle andere straffen, met hoeveel gematigdheid en voorzichtigheid ook toegepast, zullen nimmer nalaten schadelijke uitwerksels te hebben op het zedelijk bestaan te veroorzaken.”158 [158. GAZ AAZ01, inv. no. 110, ‘Register 27 jan. 1802’, 111-113.] Er werd in Zwolle nog gebruik gemaakt van lijfstraffen. Hiertegen verzette de Nutspedagogie zich. Het alternatief van het stimuleren van de eerzucht door prijsuitreikingen, zou volgens het schoolbestuur ook ingesteld moeten voor de de schoolhouders zelf om hun hervormingsdrift aan te wakkeren. De Municipaliteit steunde het voorstel en stelde een bedrag van f150,00 ter beschikking159 [159. Ibidem]. Op zichzelf is niet bekend of de prijzen ooit zijn uitgereikt. Erg waarschijnlijk is dit niet, daar er geen berichten over in de Zwolse Courant zijn verschenen, wat bij dergelijke prijsuitreikingen gebruikelijk was gelet op de verslagen van prijsuitreikingen aan leerlingen van de Latijnse school.
     Het bronnenmateriaal na 1802 over het schoolbestuur en de latere schoolcommissies is zo fragmentarisch, dat er weinig over het verdere verloop van de onderwijsvernieuwing gezegd kan worden. We ontkomen echter niet aan de indruk, dat deze in de Bataafse en Franse tijd niet erg succesvol is verlopen.
Er werden wel regelmatig onderwijzers geëxamineerd, wat de kwaliteit van het onderwijs ten goede zal zijn gekomen160 [160. Bijvoorbeeld: GAZ AAZ01, inv. no. 111, ‘Register 13 april 1803’, 130-131. en GAZ AAZ01, inv. no. 113, ‘Register 1 febr. 1806’, 258.]. De Scholarchen toonden zich hierover in 1805 tevreden161 [161. GAZ AAZ01, inv. no. 113, ‘Register 12 aug. 1805’, 86-88.]. Invloed op de inhoud en de didactiek van het onderwijs zal echter minder makkelijk tot stand zijn gekomen. In dit verband is het opmerkelijk, dat geen enkele schoolhouders lid van het Nut werd.
Ass. Doijer bedankte na een jaar in de schoolcommissie van 1805 zitting te hebben gehad voor zijn post, omdat hij bij de uitoefening van zijn taken op onoverkomelijke moeilijkheden stuitte162 [162. GAZ AAZ01, inv. no. 585, ‘Register van ingekomen stukken; brief van Ass. Doijer 5 mei 1806’.]. Jammergenoeg vermeldt hij in zijn brief hierover aan het stadsbestuur niet om welke moeilijkheden het ging. Serrurier

|pag. 34|

meldde in 1806 aan het stadsbestuur, dat een aantal schoolhouders zich niet bij hem had gemeld om een bewijs van algemene toelating te krijgen163 [163. Ibidem, ‘Brief van Jacob Serrurier 5 mei 1806’.] en in 1810 riep de Landdrost van Overijssel het stadsbestuur op, er goed op toe te zien, dat de onderwijzers zich aan het reglement van 1806 hielden164 [164. GAZ AAZ01, inv. no. 115, ‘Register van de handelingen van de burgemeester, later maire, 13 nov. 1810’, 571.].
Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat de overheidsbemoeienis met het onderwijs tot aanpassingsproblemen heeft geleid bij de onderwijzers, die tot dan toe baas in eigen huis waren geweest. Gerrit Luttenberg schreef in 1835 een boekje naar aanleiding van het overlijden van Jan ter Pelkwijk. Volgens Luttenberg was de invoering van de onderwijswetten met moeilijkheden gepaard gegaan, die hun oorzaak hadden in ‘de onkunde en de vooroordelen der onderwijzers en de vooringenomenheid van de ouders met de vroegere leermethode’165 [165. Luttenberg, Levensbericht, 30-31.]. Dit beeld komt overeen met wat E.P. de Booy in haar studie over het onderwijs in de provincie Utrecht concludeert: “In wezen is het onderwijs in de jaren 1795-1815 lang niet zo sterk veranderd als men na lezing van de nieuwe schoolwetten zou denken.”166 [166. De Booy, Kweekhoven der wijsheid. 212.]
     De Nutsschool zelf heeft het niet lang uitgehouden. Tot 11 augustus 1804 werden er van tijd tot tijd bedragen aan de schoolcommissie uitgekeerd, ongeveer f150,00 per jaar. In april 1803 is er nog een tweede schoolmeester aangetrokken, W. Lubbers167 [167. GAZ AAZ01, inv. no. 111, ‘Register 13 april 1803’, 130-131.], maar rond 1806 is de school waarschijnlijk opgeheven. Cornelis Bosch vertrok toen naar Kampen168 [168. GAZ AAZ01, inv. no. 113, ‘Register 1 febr. 1806’, 259.]. Ook Luttenberg noemt het mislukken van de Nutsschool. Jan ter Pelkwijk zou in die tijd ‘zijn hoornen krom gestoten’ hebben169 [169. Luttenberg, Levenbericht, 38.]. Helaas is hier niet meer over bekend.
     In ieder geval kan geconcludeerd worden, dat ook in Zwolle het Nut als ‘braintrust’ en als arsenaal van medewerkers bij de onderwijsvernieuwing fungeerde. Hoewel de Municipaliteit aanvankelijk geen samenwerking met het Nut wenste, werden de Nutsleden toch de belangrijke figuren in de plaatselijke schoolcommissies. In deze periode is een begin met de verbetering van het lager onderwijs gemaakt, wat later een duidelijker vervolg kreeg. Het is niet toevallig, dat Ter Pelkwijk zijn roem voornamelijk dankt aan zijn onderwijsactiviteiten na 1814.

|pag. 35|

4.3 DE LEESBIBLIOTHEEK EN DE ALMANAK

‘De nieuwsgierigheid is de menschen zo natuurlijk eigen, dat men zou kunnen zeggen: doe hen de regte smaak in het ware en in het
schone verkrijgen en daar is bijkans niets meer nodig dat hunne smaak zich uitstrekke tot de nutste wetenschappen’170 [170. Zwolse Courant 27 jan. 1801.]. Deze optimistische woorden schreef Jacob Doijer begin 1801 in de Zwolse Courant. Doijer was in die tijd lid van de commissie tot de leesbibliotheek, die op 17 juni 1800 met het uitlenen van boeken was begonnen. De bibliotheek was in de kerkekamer van de Doopsgezinde Gemeente ondergebracht, waar aanvankelijk van maandag tot en met vrijdag werd uitgeleend.
De commissie beoogde met de bibliotheek twee dingen: enerzijds om
mensen, die geen boeken konden kopen de mogelijkheid te geven gratis boeken te lenen, anderzijds om anderen, die opzichzelf wel boeken konden betalen, de mogelijkheid te geven nieuwe boeken in te zien ‘van welks bestaan zijn anders onkundig waren gebleven’171 [171. Ibidem, 8 okt. 1800.]. Een dergelijke volksbibliotheek was een primeur voor Zwolle172 [172. Zie noot 3.]. Voor de aanschaf van boeken besteedde de commissie begin 1800 f100,00; in totaal werd er uit de algemene kas in de periode van 1800 tot 1807 f725,00 aan de bibliotheek besteed. Na 1807 is de uitleen van boeken waarschijnlijk gestopt en werden de boeken ter beschikking gesteld van de schoolonderwijzers in de stad173 [173. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven 28 jan. 1814’.].
Toen het Nut in Zwolle op 28 januari 1814 werd opgeheven, werd besloten de boeken definitief aan de schoolonderwijzers af te staan. Dit is echter niet gebeurd. De collectie is in zijn geheel aan het nieuwe Zwolse Departement van 1815 overgedragen174 [174. GAZ VA 005, doos 1, ‘Brief van G. Spijkerman 23 aug. 1852’.]. De collectie bevatte toen 147 boeken175 [175. GAZ VA 005, doos 24, ‘Overzigt van de toestand der leesbibliotheek van het Departement Zwolle der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen vanaf haar oprichting tot en met 1865’, stuk nr. 4.]. Er is geen catalogus of iets dergelijks bewaard gebleven.
Hoeveel gebruik er van de bibliotheek is gemaakt en door wie is niet bekend. Uit het feit, dat rond 1807 de boeken ter beschikking werden gesteld aan de scholen, kan worden opgemaakt, dat het aantal gebruikers niet erg groot is geweest. Op de scholen is een aantal boeken in ieder geval wel gebruikt. Dit blijkt uit twee uitgaven in het kasboek voor het opnieuw inbinden en in orde brengen van een aantal boeken176 [176. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven 18 okt. 1811 en 7 febr. 1812’.].

Het Zwolse Nut was ook betrokken bij het opzetten van de ‘Overijsselsche Almanak’, die voor het eerst voor het jaar 1802 werd uitgegeven en door Tijl werd gedrukt. De jaren daarna had de Almanak als ondertitel ‘tot Nut van ’t Algemeen’. Uit het kasboek blijkt, dat er begin 1801 een commissie tot de Almanak is gevormd, die de uitgave van de almanak de eerste twee jaar financierde177 [177. Ibidem, 31 dec. 1801 en 31 dec. 1803.]. De almanakken vanaf 1803 werden geheel zelfstandig door Tijl verzorgd.
De almanak was niet duur. Hij kostte slechts twee stuivers, terwijl bijvoorbeeld voor de almanak van de landelijke Maatschappij acht stuivers betaald moest worden. De uitvoering was dan ook eenvoudig en hij was van een beknopt formaat (circa 9 bij 10 centimeter).
De almanak bevatte wat in dergelijke almanakken meestal wordt aangetroffen, onder andere: een hovenier, waarin te lezen was wat

|pag. 36|

er iedere maand in de tuin gedaan kon worden, een tafel van zonsop- en zonsondergang met enige kenmerken van verschillende weertypes, de beschrijving van het planetenstelsel, een wereldkroniek, de joodse en roomse feestdagen en gegevens over aankomst en vertek van postwagens, karren, schepen, trekschuiten, posten, boden enzovoorts178 [178. Zwolse Courant 18 dec. 1802.].
Ook was in deze almanak een naamregister opgenomen van onder andere: de leden van de Departementaal Bestuur van Overijssel, het Hof van Justitie, de Magistraten van grote en kleine steden, ambtenaren, drosten en schouten179 [179. Van de Almanak zijn een aantal jaargangen bewaard gebleven en ondergebracht in de collectie van Almanakken van de Atheneum bibliotheek te Deventer onder nummer V275, bevattende de Almanakken voor 1802, 1804, 1807, 1810, 1815, 1821, waarna de Almanak de naam ‘Almanak voor de provincie Overijssel’ kreeg, die later is voortgezet als het ‘Jaarboek voor de provincie Overijssel’.].
     In de eerste uitgave voor 1802 meldden de uitgevers ook het ‘nut en vermaak’ van de lezers op het oog te hebben. Dit kwam vooral tot uiting in de zogenaamde Mengelwerkjes achterin de
almanak, die geheel in het teken van de Nutsfilosofie stonden.
De gedichten, die werden geplaatst, zijn zeer waarschijnlijk door Zwollenaren of personen uit de omgeving geschreven. Veel gedichten zijn niet ondertekend, onder een aantal worden initialen vermeld: F.C.0. en O.A. Een schrijver noemde zich ‘Tubantinus’ (Twentenaar); alleen D.L. van Ferney uit Hasselt schreef zijn naam onder zijn ‘Bespiegeling over dood en graf’ (1807). Van Ferney was een jaar lid van het Nut geweest.
In de Mengelwerkjes van 1802 kwamen onder andere de deugd van de gastvrijheid, de arbeidslust, de Christelijke zede leer en de
vlijtige landsman aan de orde. Tevens werden er adviezen gegeven voor de behandeling van scheurbuik en rode loop. In 1804 werden de spaarzaamheid en het huwelijksgeluk (‘Als mijn wijfje mij maar mint’) behandeld. De mengelwerkjes van 1807 stonden geheel in het teken van het geloof in en het vertrouwen op God. In 1810 stonden de verderfelijkheid van de drankzucht en de goklust centraal. Vooral het gebruik van jenever werd onraden, hollands bier werd minder bezwaarlijk geacht. In ‘Het Besluit’ van 1810 gaf F.C.0. het oogmerk van de gedichten aan: “Wij zochten ’t Nut van ’t Algemeen”.
De almanak is jaarlijks tot en met 1810 verschenen. In 1811 werd de uitgave door de Franse wetten op de boekdrukkerij en de boekhandel onmogelijk gemaakt, aldus Tijl in de almanak voor 1815, toen weer met de uitgave werd begonnen.

|pag. 37|

4.4. EEN ANALYSE VAN DE TWEEDE PERIODE

Al vermeld is, dat de reden voor de afscheiding van de landelijke Maatschapij het tegenvallende aantal leden was. In de loop van 1800 en vooral na de winter van 1800/1801 steeg het aantal leden tot een maximum van 59 leden. Dit aantal bleef tot november 1802 redelijk stabiel; hierna nam het aantal leden sterk af, tot in november 1803 een dieptepunt van 32 leden werd bereikt (zie bijlage 1, tabel 1). Het verloop van het ledental weerspiegelt duidelijk het uiteindelijk mislukken van de activiteiten van het Nut op het gebied van de armenzorg.
De steun uit de Zwolse samenleving die het Nut in deze periode ontving, was niet groot; het maximum aantal leden van 59 is opzichzelf al niet hoog, het voorschot dat in 1800 nodig was om aardappelen en turf in het groot in te kopen werd door 40 personen opgebracht, slechts 50 à 60 mensen kochten voor de winter van 1801/1802 een aandeel voor de soepkokerij en de armbesturen hielden zich afzijdig.
Jacob Serrurier beschreef in zijn levensschets de periode van 1799 tot 1803 als volgt; “Wij bleven dus op onszelf als Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en ik was geen harer minst werkzame leden tot verbetering van het onderwijs, de doelmatige ondersteuning van behoeftigen en de verlichting van de gemeenen man en voorts werden er redevoeringen en verhandelingen gehouden.
Zulks een inrichting was in Zwolle nodig, want de wetenschap was er in geen achting, vadsigheid, vooral onder de hoge standen vrij algemeen en geen zucht voor het algemeen welzijn. Men was rechtzinnig gereformeerd en leidde voorts een lui lekker leven.
Daarom was de deelneming dan ook in dat genootschap verscheidene jaren niet groot en de bijstand van het stedelijk bestuur nog geringer, zodat wij wel door goede voorbeelden goed zaad voor de toekomst strooiden, maar voor het tegenwoordige aan onze instelling niet de nodige uitbreiding konden geven”180 [180. GAZ PA 1151, ‘Levensschets van J.F. Serrurier’, 52-53.].
Interessant in deze analyse van het mislukken van het Nutswerk is de opmerking van Serrurier, dat men in Zwolle vooral rechtzinning gereformeerd was. Er was blijkbaar een tegenstelling tussen personen, die open stonden voor de nieuwe theologische inzichten naar aanleiding van de ontwikkelingen in de natuurwetenschap en personen, die bij de ‘rechte leer’ van het zonde-genade schema bleven. 72,1% van de Zwolse bevolking was in 1809 hervormd; in dit percentage zijn de Waals gereformeerden meegerekend (de Waalse Kerk was erg klein). In de periode van 1799 tot 1803 was 49,3% van de Nutsleden hervormd en 19,7% Waals. Getalsmatig vindt de door Serrurier gevoelde tegenstelling dus geen duidelijke ondersteuning. Wel is het opmerkelijk, dat geen enkele hervormde predikant van 1799 tot 1814 lid van het Nut werd en dat er vrijwel geen Nutsleden waren, die een belangrijke functie binnen de Hervormde Kerk bekleedden. In de paragraaf over het onderwijs is geschreven, dat de hervormde diakenen de schoolmeester van de Stadsarmenschool verboden op vragen van het Nut in te gaan, waaruit ook een tegenstelling blijkt.
Uit deze gegevens krijgen we de indruk, dat het meer verlichte beschavingsideaal slechts bij een klein deel van de Zwolse

|pag. 38|

bevolking aansloeg en dat er een spanningsveld bestond tussen het leerstellig gereformeerde denken en het algemeen-godsdienstige karakter van het Nut, waar de fysico-theologie in de belangstelling stond. Een andere kijk op de godsdienst impliceerde ook een andere kijk op de mens en de maatschappij en bepaalde dus in belangrijke mate de waardering voor het Nut. In Utrecht werden bijvoorbeeld wel zes hervormde predikanten lid van het Nut181 [181. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’.]; het isolement van het Nut ten opzichte van de hervormde kerk lijkt dan ook typerend voor de Zwolse situatie.
     Serrurier gaf voor het mislukken van de Nutsactiviteiten ook de schuld aan de geringe steun van het stadsbestuur. Dit lijkt enigszins overdreven: de Municipaliteit stelde het Fraterhuis ter beschikking, stelde het Nutsbrood vrij van accijns op het gebruik van het stadsgemaal en schonk f600,00. Toch werkte het stadsbestuur niet met het Nut samen op het terrein van de armenzorg, terwijl daar, gezien het gestegen aantal bedeelden in de stad en de moeite van de armbesturen om de armen te onderhouden, genoeg aanleiding voor was. Ook op het gebied van de onderwijsvernieuwing werd samenwerking met het Nut afgehouden. Toen het stadbestuur gevraagd werd aanwezig te zijn bij het afnemen van het examen aan de schoolmeester Cornelis Bosch, vaardigde men niemand af. De leden moesten zelf bepalen of ze er heen gingen. Dit zou er op kunnen wijzen, dat de meningen over het Nut verdeeld waren.
     De Municipaliteit, die van januari 1798 tot november 1802 zitting had, bestond uit 10 leden, waarvan er aanvankelijk 2 lid van het Nut waren: D.J. van der Laan (in 1800 door Gerrit ten
Caten, ook Nuts lid, vervangen) en Jacob Doijer. Begin 1800 werden
nog twee leden van de Municipaliteit lid van het Nut: J. van Lill, die in december 1801 alweer bedankte en A.H.H. Queyssen, die tot 1806 lid bleef. De stadsbesturen van 1795 tot 1798 waren in veel sterkere mate uit Nutsleden samengesteld; dikwijls bestonden ze voor meer dan de helft uit personen, die in 1799-1800 lid van het Nut werden. In het stadsbestuur, dat vanaf 2 november 1802 zitting had, was het aantal Nutsleden gering: 2 van de 12 burgemeesters waren lid. Er is geen studie voor handen, die het karakter van de veelvuldige bestuurswisselingen vanaf 1795 beschijft, waardoor aan de klacht van Serrurier over de geringe hulp van het stadsbestuur meer reliëf gegeven zou kunnen worden.
De Municipaliteit, die van 1798 tot 1802 zitting had, heeft waarschijnlijk enige bestuurlijke rust gebracht; voor 1798 was het een komen en gaan van besturen geweest. Van enig ‘revolutionair’ elan lijkt echter geen sprake meer geweest te zijn. De Municipaliteit ontwikkelde zelf nauwelijks activiteiten op het sociaal-economische vlak. Men bewandelde de oude vertrouwde wegen van bedeling en werkte hierbij als vanouds broederlijk met de hervormden samen. Op de initiatieven van het Nut reageerde het stadsbestuur op zichzelf niet negatief, maar men nam geen deel aan de activiteiten. Vooral hierover lijkt Serrurier teleurgesteld te zijn geweest.
     Tot slot van deze analyse kan nog de vraag worden gesteld, hoe het mogelijk is dat het Nut weinig steun ondervond in een stad als Zwolle, waarin de Patriottenbeweging toch bijzonder sterk ontwikkeld was. Het is echter onjuist ‘Patriots’ en ‘Verlicht’ als equivalenten te beschouwen. Het steunen van de Patriotse zaak, kon

|pag. 39|

uit tal van motieven geschieden. In een bespreking van wat het onderzoek naar de Patriottentijd in tien Overijsselse steden heeft opgeleverd merkt de historicus M.A.M. Franken op, dat het in Zwolle vergeleken met Deventer in het Patriotse kamp ontbrak aan een intellectuele, ideologisch bezielde elite182 [182. M.A.M. Franken, ‘Slotbeschouwing’, Overijsselse Historische Bijdragen 99 (1984), 213.]. Een aanwijzing hiervoor is het ontbreken van een echte genootschapstraditie in Zwolle voor 1815. Voor de oprichting van het Nut in 1799 zijn er waarschijnlijk wel een paar leesgezelschappen geweest en was er een sociëteit, waarvan vooral patriotten lid waren183 [183. Lettinga, De Zwolse Patriottenbeweging, 66.], maar een echte genootschapsbeweging lijkt in Zwolle vooral na de Franse tijd op gang gekomen te zijn. Juist van een dergelijke intellectuele elite met interesse in verlichte onderwerpen, gewend aan de samenwerkingsvorm van een genootschap, zou het Nut het moeten hebben. Ook volgens Serrurier ontbrak het hieraan gezien zijn beschrijving van de hogere standen in Zwolle.

|pag. 40|

5. DE DERDE PERIODE: 1804 tot 28 januari 1814

Na het dieptepunt van 1803 als gevolg van het teleurstellende verloop van de Nutsactiviteiten, ging de Zwolse Maatschappij vrijwel geheel het accent leggen op de bevrediging van de culturele behoeften van de eigen leden. Om te beginnen werd er in december 1803 f100,00 besteed voor de aankoop van ‘physische instrumenten’184 [184. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven 31 dec. 1803’.]. Dergelijke instrumenten werden gebruikt voor demonstraties tijdens natuurkundige verhandelingen. Deze belangstelling voor de natuurkunde was ontstaan door de grote ontdekkingen in de achttiende eeuw op gebieden als de mechanica, de sterrenkunde, de aardrijkskunde en de scheikunde. De verlichte mens wilde liever naar aanleiding van eigen waarnemingen proefondervindelijk conclusies trekken, dan in het een of ander a priori ‘blind’ geloven. Deze belangstelling voor de natuurkunde hing, zoals op verschillende plaatsen al is gezegd, nauw samen met ideeën over de godsdienst. In veel steden waren dan ook natuurkundige genootschappen opgericht, die bijeenkomsten organiseerden, waarbij natuurkundige proeven werden gedaan. Serrurier klaagt in zijn levensschets over de geringe belangstelling voor de wetenschap bij de Zwolse burgers, waarbij hij telkens de godsdienst betrekt: “Want in de koppen van de Zwolsche mensen zag het er al heel duister uit. Voor al wat wetenschap was, was er bitter weinig smaak en in godsdienstige begrippen was men zo bekrompen als nergens”185 [185. GAZ PA 1151, ‘Levensschets van J.F. Serrurier’, 44.]. Met de aankoop van natuurkundige instrumenten heeft het Zwolse Nut die ‘smaak’ denkelijk willen beïnvloeden en ging het gedeeltelijk als een natuurkundig genootschap fungeren. In totaal werd er tussen december 1803 en januari 1806 f500,00 aan de aankoop van instrumenten besteed. De verhandelingen trokken belangstelling; na 1804 begon het ledental weer te stijgen (zie bijlage 1, tabel 1).
Het aantal leden zou echter tot ver boven het hoogtepunt van 59 leden in 1801 uitstijgen, nadat in 1805 werd begonnen met het houden van muziekuitvoeringen tijdens de vergaderingen. In het kasboek lopen de betalingen aan muzikanten hoog op: f65,00 in 1806, f137,97 in 1807, f308,96 in 1808, f253,07 in 1809, f231,18 in 1810. In 1811 en 1812 raakte de Maatschappij in verval, zoals nog besproken zal worden.

Er bestond in Zwolle, voor zover bekend is, geen vast orkest. Er werd voor de Nutsvergaderingen telkens een orkest gevormd van verschillende veelal in de stad wonende muzikanten. De muzikanten ontvingen een uitnodiging en repeteerden voor de Nutsavond een keer samen. Zowel voor de uitvoering als voor de repetitie werden zij betaald, meestal niet meer dan f2,00 per keer. Vooral de stadsorganist J.C. Röhner lijkt in dit orkest een centrale figuur geweest te zijn blijkens de vele betalingen aan hem. Röhner was een kleurrijke figuur in Zwolle. De stadshistoricus Thom. J. de Vries meldt onder andere over hem, dat hij ’s zondags in de Grote Kerk, zodra de predikant ging preken, snel naar de katholieken ging, om daar in vlot tempo de mis te spelen, waarna hij, gered door de breedsprakigheid van de predikant, nog net op tijd op het orgel terugkwam om de dienst af te spelen186 [186. De Vries, Geschiedenis van Zwolle dl. 2, 168.]. In 1807 kwamen er

|pag. 41|

klachten over hem bij het stadsbestuur binnen: hij zou te laat op het orgel verschijnen en niet opgegeven liederen spelen187 [187. GAZ AAZ01, inv. no. 114, ‘Rgeister, 20 maart 1807’, 96.].
Rhijnvis Feith, die al sinds 1800 lid van het Nut was, hield in deze periode twee redevoeringen voor het Nut in de Lutherse Kerk188 [188. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven 13 febr. 1806 en 26 jan. 1808’.]. De aanwezigheid van deze bekende schrijver zal het Nut een extra cachet hebben gegeven. Het Nut werd in deze periode een tamelijk elitair gezelschap, met veel leden die een hoge functie bekleedden bij het Departementaal Bestuur van Overijssel, of lid waren van de rechtbank, of in Zwolle een advocatenpraktijk uitoefenden. In het hoofdstuk over de samenstelling van de leden zal hier uitvoerig op ingegaan worden.
     De heren deden het gewone verenigingswerk steeds minder zelf.
Ene Christoffer Eben werd betaald voor het bij de leden ophalen van de contributie en het rondbrengen van de kwitanties; voor iedere kwitantie kreeg hij een stuiver. Hij paste ook op de kaartjes bij de deur en kreeg voor het op verschillende vergaderingen rondgaan met de hoed bij de ‘heren muziekliefhebbers’ f2,16 betaald189 [189. Ibidem, 7 april 1806.].
In 1810 schreef de penningmeester de namen van de leden zelf niet meer in het kasboek. Voor dit werkje werd aan iemand zes stuivers per bladzijde betaald190 [190. Ibidem, 19 jan 1810.].
Bij het kasboek is een apart gedrukte naamlijst van de leden van november 1809 bewaard gebleven191 [191. Ibidem, ‘Naamlijst van de leden der Zwolse Maatschappij 1 nov. 1809’.]. Hierop staan tevens de namen van de bestuursleden vermeld: Jacob Serrurier als voorzitter, L. Rietberg, van beroep advocaat, als secretaris en A. van Goudoever, rector van de Latijnse school, als penningmeester. J.C. Röhner en W. van Barneveld, apotheker te Zwolle, worden als ereleden vermeld. Röhner zal deze eer te beurt zijn gevallen vanwege zijn muzikale bijdragen en Van Barneveld vanwege zijn natuurkundige verhandelingen. De ledenlijst, die nu 90 namen telde, bevatte tevens het programma voor de komende maanden. Aangekondigd werden: een redevoering van Van Goudoever, een muzikale verhandeling van Röhner, een verhandeling van de boekdrukker Hendrikus Tijl en een natuurkundige verhandeling van Van Barneveld.
Het Nut kwam nu op de eerste en de derde dinsdag van de maand bijeen. Bij natuurkundige verhandelingen werd de vergadering om 6 uur geopend, bij gewone vergaderingen een half uur later. De proefnemingen zullen extra tijd in beslag genomen hebben.
     Serrurier was via zijn ijzerhandel steeds meer in de handel in effecten verzeild geraakt. Gedurende de korte vrede van Amiens (1802), waren veel fondsen gestegen en ontstond op de Amsterdamse beurs een uitgebreide speculatie. De op zakelijk terrein onervaren Serrurier nam hieraan deel, omdat hij dacht dat de vrede wel zou aanhouden. Toen de oorlog echter weer uitbrak en veel fondsen kelderden, raakte hij diep in de schulden. In totaal bedroeg zijn schuld f90.000. Van zijn schoonvader had hij het ‘Roode Huis’, een buitengoed, geërfd, waar hij zich op terugtrok en zijn oude hobby, de landbouw, weer ging uitoefenen. Hij moest zeer zuinig leven en een lucratief baantje in overheidsdienst zien te krijgen om zijn schulden af te lossen. In 1805 werd hij lid van de Raad van Financiën in Overijssel, wat hem het aanzienlijke tractement van f2500,00 per jaar op leverde, net genoeg om de rente over zijn schulden te betalen. Serrurier leidde dus een zorgelijk bestaan, wat hij voor de buitenwereld zorgvuldig verborgen hield. Over zijn sociale leven in 1807 schreef hij: “In gezelschap was ik dus

|pag. 42|

altijd vrolijk en met mijn redevoeringen in ’t Nut van ’t Algemeen, waar het thans zeer briljant was daar de dames er ook kwamen, amuseerde ik niet slechts mijn toehoorders, maar wat meer is, mijzelf in de eerste plaats. Ik had pret onder het opstellen en vervolgens onder en na het uitspreken”192 [192. GAZ PA 1151, ‘Levensschets J.F. Serrurier’, 65.]. Een voorlezing op een Nutsvergadering fungeerde voor Serrurier als een vorm van ontspannning. Veel van zijn kennissen hadden het ook niet makkelijk; zij beklaagden zich bij hem over verliezen, die hij natuurlijk maar een kleinigheid vond vergeleken met zijn schulden193 [193. Ibidem, 68.]. Van de Nutsleden H. Potgieter en F.W. Thorbecke, de vader van de bekende staatsman J.R. Thorbecke en H.H. Schaapman is ook bekend, dat hun zaken in deze tijd niet best gingen. In het algemeen verslechterde de economische situatie door de oorlogen en na 1806 door de invoering van het Continentale Stelsel.
     De doelstelling van het Nut om tot nut van het algemeen werkzaam te zijn, verdween in deze periode geheel naar de achtergrond. Na 1803 ontwikkelde het Nut geen activiteiten meer waarbij de volksklasse centraal stond; slechts het vermaak en de interesses van de leden kregen de aandacht. Misschien hadden veel Nutsleden het in deze tijd al druk genoeg met het behartigen van hun eigen belangen.
     In 1811 en 1812 werd veel minder aan de muzikanten betaald. De uitgaven in die jaren aan de koster van de Lutherse kerk en aan de ‘balkentrapper’, een persoon die de blaasbalgen van het pijporgel bediende, wijzen er op dat er een paar orgelconcerten zijn georganiseerd194 [194. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven 11 febr. 1811, 20 mei 1811, 20 maart 1812 en 20 april 1812’.]. Het aantal leden daalde echter. Achter de namen van de leden werd nu vermeld of ze bedankt hadden, wat daarvoor ongebruikelijk was; iemand werd gewoon niet meer als contribuant genoteerd. In 1810 waren er 90 personen lid. In 1811 daalde het aantal leden tot 78, waarna er in 1812 veel leden bedankten. Eind 1812 waren er nog 53 leden over, die formeel tot de opheffing op 28 januari 1814 lid bleven (zie bijlage 1, tabel 1). Na april 1812 worden er in het kasboek geen uitgaven van belang vermeld, zodat aangenomen moet worden dat er geen Nutsvergaderingen meer gehouden zijn.
     Op 28 januari 1814, toen Napoleon vrijwel verslagen was en het Oranjehuis zijn rentrée maakte, Willem I landde op 30 november 1813 in Scheveningen, werd de Zwolse Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen opgeheven. Besloten werd de boeken van de Maatschappij die al eerder ter beschikking van de onderwijzers waren gesteld, nu geheel af te staan195 [195. Zie noot 173 en 174.]. Het geld dat de verkoop van de natuurkundige instrumenten en andere eigendommen van het Nut op zou leveren, zou aan de aankoop van nieuwe boeken voor de onderwijzers in de stad worden besteed. Het geld, dat nog in kas was, f500,00, werd aangeboden aan ‘Zijne Koninklijke Hoogheid, de Heer Prins van Oranje Nassau als een offer aan het Vaderland in dit belangrijk tijdstip’196 [196. GAZ VA 005, doos 1, ‘Ontvangsten en uitgaven 28 jan 1814’.]. Deze gulle gift van het Nut aan de prins, weldra koning, terwijl toch vele Nutsleden de omwenteling van 1795 met vreugde hadden begroet en zelf deel van de nieuwe besturen hadden uitgemaakt, behoeft niet te verbazen. De Fransen waren in de loop van de tijd steeds impopulairder geworden vanwege de vele oorlogen, de conscriptie en het steeds sterker wordende dirigisme, vooral tijdens de inlijving bij het Keizerrijk (1810-1813), toen ook het Continentale Stelsel steeds strakker werd doorgevoerd. Nederland had geen baat meer bij de Fransen.

|pag. 43|

“Tussen half november 1813 en maart 1814 zijn de Noordelijke Nederlanden verbouwd tot een politieke woning die een sfeer van eenheid en verbondenheid ademde”197 [197. J.A. Bornewasser, ‘De zelfstandige eenheidsstaat in de Noordelijke Nederlanden gegrondvest 1813-1814’, in: AGN dl. 11 (Bussum 1981), 208.]. De komst van de prins
betekende niet, dat de situatie van voor 1795 werd hersteld. De prins verzoende zich met de Patriotten van weleer, vrijwel het gehele ambtenarenapparaat kon aanblijven. Veel van wat aan wetgeving en organisatievormen in de Franse tijd tot stand was gekomen, bleef gehandhaafd. Daarbij maakte Willem de nationale onderwijs- en welvaartspolitiek waarmee in de Bataafse en Franse tijd was begonnen, tot hoeksteen van zijn eigen beleid. “Menigeen was tot de overtuiging gekomen dat door mee te doen de democratische belangen minder gevaar liepen, dan door alles over te laten aan de erfgenamen van de aristocratisch-oligarchische traditie”198 [198. Ibidem. 213.]. Een dergelijke overweging lijkt ook aan dit Zwolse gebaar ten grondslag te hebben gelegen. Overigens waren natuurlijk niet alle Nutsleden voor 1795 anti-Oranje geweest: baron B.H. Bentinck, die vanaf 1807 lid was, stond bijvoorbeeld als een fervente Oranjeklant bekend.
     Serrurier beschreef de terugkomst van de prins aldus: “En zij die tevoren tegen de stadhouderlijke partij geweest waren, vonden geen vrijheid zich daartegen te verzetten. Want aan die verschillende begrippen over de beste regeringsvorm hechtten wij weinig waarde meer”199 [199. GAZ VA 1151, ‘Historische herinneringen van J.F. Serrurier’, 121.]. Serrurier was teleurgesteld over wat de beginselen van vrijheid, gelijkheid en broederschap in de praktijk hadden opgeleverd. Hij zou in zijn verdere leven de persoonlijke kwaliteiten en de betrouwbaarheid van bestuurders belangrijker vinden dan de regeringsvorm.
     Waarom het Nut in 1811 en 1812 veel leden verloor en waarom men de Maatschappij na anderhalf jaar op non-actief te hebben gestaan op het moment van het herstel van de souvereine staat in 1814 ophief, kan niet achterhaald worden door de aard van het bronnenmateriaal: in een kasboek vermeldt men deze zaken niet. Het Nut was in ieder geval na 1803 van haar oorpronke1ijke doelstelling afgeweken en voornamelijk onderdeel van het culturele uitgaans— en ontspanningsleven van de hogere klasse geworden. De opheffing betekende echter niet, dat het Nut definitief uit de Zwolse samenleving verdween. In maart 1815 werd al weer een nieuw Departement opgericht, waar veel Nutsleden uit deze periode zich bij aansloten. In dat Departement hadden het onderwijs, de zedelijke verbetering van de volksklasse en de bestrijding van het armoedeprobleem weer volop de aandacht en verliepen de ontwikkelde activiteiten veel succesvoller dan in deze periode.

|pag. 44|

6. DE SAMENSTELLING DER LEDEN

Van het in 1789 opgerichte Departement is geen ledenlijst bewaard gebleven. Toch kon op basis van genoemde namen in de correspondentie van Th. Revius, L. Nolst en J. Doijer met het hoofdbestuur een ledenlijst van 25 personen worden gereconstrueerd. Onder de leden bevond zich een belangrijk aantal Patriotten, zoals in hoofdstuk 3 beschreven is. Geen van de 25 leden was in deze eerste periode betrokken bij het stadsbestuur. Bij de onderverdeling in verschillende beroepsgroepen blijkt dat de grootste groep werkzaam was in de sector van handel en nijverheid: 15 personen (zie voor de gegevens over de beroepenstructuur bijlage , tabel 2). We treffen ondermeer een looier, een grutter, een koopman in granen, een brander, een zilversmid, een horlogemaker en een trijpfabrikant aan.
De sector van de vrije beroepen (artsen, advocaten, procureurs, chirurgijns) bevatte 3 personen: de stadsdocter L. Nolst, de chirurgijn Joannes Veltkamp en de van zijn Zwolse geschiedenissen bekende advocaat dr. B.J. van Hattum. Een lid was van adel: A.W. van Pallandt, de drost van Isselmuden.
Dat het Nut leden van de traditionele elite niet uitsloot, blijkt uit het lidmaatschap van tenminste twee hervormde predikanten: Jacob Revius, predikant te Windesheim en Jacob Kantelaar. Van M. Renssen is niet bekend van welke kerk hij predikant was. Hij was buiten Zwolle woonachtig.
60% van de leden was hervormd, 8% waals, een lid was katholiek (Van Hattum) en 20% was doopsgezind. In 1809 was slechts 0,5% van de Zwolse bevoling doopsgezind200 [200. GAZ AAZ01, inv. no. 419, ‘Kladtabel van de aantallen inwoners der diverse godsdienstige gezindten in de verschillende wijken’. Deze gegevens kunnen zonder grote bezwaren in verband worden gebracht met de percentages van 1789, daar de Zwolse bevolking tussen 1748 en 1809 vrij constant bleef; belangrijke verschuivingen in de getalsverhoudingen tussen de verschillende godsdiensten lijken onwaarschijnlijk.], zodat van een duidelijke oververtegenwoordiging gesproken kan worden (zie voor de gegevens over de godsdienst bijlage 1, tabel 3).
     De typering van Mijnhardt van de aanhang van het Nut voor 1795, zoals die in hoofdstuk 2 is uiteengezet, komt goed overeen met deze gegevens. Het zijn voornamelijk personen uit de middengroepen, vooral werkzaam in de sector handel en nijverheid, zonder macht of invloed, die lid werden. Hiermee wil niet gezegd zijn, dat alle leden tot dezelfde sociale laag behoorden. Sommige leden behoorden bijvoorbeeld tot de hogere middenklasse, zoals Nolst, Van Hattum, Van Pallandt en de predikanten, maar ook zij stonden buiten het bestuur, waarschijnlijk vanwege hun nauwe banden met de Patriottenbeweging. Zij hadden wel het traditionele opleidingscurriculum doorlopen.
Wat de godsdienst betreft is de samenstelling inclusief: het aantal dissenters is verhoudingsgewijs erg groot. Opvallend is, dat er geen hervormde predikanten uit Zwolle lid werden.

De leden van het Nut uit de tweede periode (1799-1803) waren in veel sterkere mate bij het stadsbestuur betrokken. In de periode van 1795 tot 1802 was 41% van het aantal bestuurders lid van het Nut; na 1802 waren Nutsleden in mindere mate bij het stadsbestuur betrokken. Vooral in de eerste radicalere jaren na de omwenteling zaten dus veel personen, die in 1799-1800 lid van het Nut werden in het stadsbestuur201 [201. De namen van de personen die tussen 1787 en 1814 deel van het stadsbestuur uitmaakten worden vermeld in: Bijdragen tot de geschiedenis van Overijssel IIb (Zwolle 1875), 4-29.]. De grootste groep (39,5%) was werkzaam in de sector handel en nijverheid, waarbij het vooral om

|pag. 45|

kooplieden en fabrikeurs ging; er waren slechts drie winkeliers en een ambachtsman lid. De sector van de vrije beroepen was vrij klein (4%). In totaal had 24% een vrij belangrijke bestuurlijke of ambtelijke functie bij de gemeente of bij de provincie. Drie van de vijf onderwijzers die lid waren, gaven les aan de Latijnse school, de andere twee waren Franse meesters. De drie predikanten die in deze periode lid waren, behoorden tot de protestantse dissenters. Twee predikanten waren Luthers, een was doopsgezind. Met het oog op het lidmaatschap van twee Lutherse predikanten, Meyer en Sartorius, is het opmerkelijk dat naast henzelf nog slechts twee andere leden Luthers waren: 5,6% (in 1809 was 2,8% van de totale bevolking Luthers). De doopsgezinden waren relatief weer sterk oververtegenwoordigd: 9,9% (1809: 0,5%). Aangezien 22% van de Zwolse bevolking in 1809 katholiek was, valt de 7% katholieke Nutsleden tegen. De aarzelende houding van katholieken om lid van het Nut te worden, kan verklaard worden uit het feit, dat zij eigenlijk nog maar zeer kort bezig waren uit hun maatschappelijk isolement te treden202 [202. Van den Eerenbeemt, Streven naar sociale verheffing 283.]. Dit lage percentage katholieken is dan ook niet specifiek voor Zwolle; in Utrecht was het bijvoorbeeld slechts 1%203 [203. Mijnhardt, ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, 212.]. De grootste groep was hervormd, 49,3%. In 1809 was 72,1% van de Zwolse bevolking hervormd. Dit lijkt een duidelijke ondervertegenwoordiging. 19,7% van de Nutsleden was echter Waals gereformeerd. De Waalsen zijn in de telling van 1809 bij de hervormden gerekend. Opgeteld was 69% van de Nutsleden gereformeerd, wat een goede afspiegeling van de Zwolse bevolking zou zijn. Bedacht moet echter wel worden, dat de Waalse Kerk vrij klein was (ongeveer 100 leden) en voornamelijk de deftige ingezeten van de stad als lid had. De conclusie moet dan ook luiden, dat van de gereformeerden het percentage Waals gereformeerden opvallend hoog is en het percentage hervormden vrij laag.
Er waren geen joden lid van het Nut. Dit was niet mogelijk, omdat de leden een Christelijke godsdienst moesten belijden. In dit opzicht was de samenstelling van de Nutsleden niet inclusief.
Vijf leden waren in deze periode van adel en circa 34% had een universiteit of hogeschool bezocht.

Na 1803 zien we een aantal verschuivingen. We schreven al dat weinig Nutsleden na 1802 betrokken waren bij het stadsbestuur.
Daarentegen nam het aantal personen dat betrokken was bij het bestuur van de provincie toe. De landdrost van Overijssel, baron B.H. Bentinck werd bijvoorbeeld lid. Het aandeel van de sector handel en nijverheid daalde relatief, maar bleef absoluut vrijwel gelijk; ook nu betrof het voornamelijk kooplieden en fabrikeurs.
Het aantal renteniers verdubbelde. Zeer sterk nam het percentage van de vrije beroepen toe: van 4,2% naar 20,2%. Vooral veel advocaten en procureurs werden lid. Wat de predikanten en de onderwijzers betreft, veranderde er vrijwel niets. Alle onderwijzers waren nu echter betrokken bij de Latijnse school; de hele staf was lid. Bij de godsdienstige samenstelling valt vooral het percentage Waals gereformeerden op, dat van 19,7% tot 24,8% steeg. Ook het percentage rooms-katholieken nam toe: van 7% naar 11,9%. Verhoudingsgewijs daalde het percentage dissenters, hun aantal bleef absoluut vrijwel gelijk. In deze periode waren maar liefst 14 leden van adel en had circa 45% een universiteit of

|pag. 46|

hogeschool bezocht.

Beschouwen we deze gegevens over de gehele periode van 1789 tot 1814, dan worden de conclusies van Mijnhardt naar aanleiding van gegevens over de aanhang van het Nut in Utrecht bevestigd. Voor 1795 werden personen lid, die geen politieke macht of invloed hadden. Er waren wel vijf personen lid, die het traditionele opleidingscurriculum hadden doorlopen. Het betrof hier voornamelijk patriotten. De ledenrecrutering had een inclusief karakter, hervormden en dissenters werden lid. Na 1795 steeg het aanzien van het Nut blijkens de vele leden die vooral in de eerste jaren na 1795 deel uitmaakten van het stadsbestuur en later van het Departementaal Bestuur van Overijssel. Het percentage van de sector van de handel en nijverheid werd steeds kleiner, vooral na 1803 toen de sector van de vrije beroepen erg groot werd. Een toegenomen aanzien blijkt in Zwolle ook uit het hoge percentage Waals gereformeerden dat van 1799 tot 1814 lid was. In Zwolle werden geen hervormde predikanten lid van het Nut, wat vergeleken met andere Departementen opmerkelijk is. Ook het percentage hervormden is opzichzelf niet hoog. Er lijkt in Zwolle een kloof te hebben bestaan tussen het Nut en de vertegenwoordigers van de Hervormde Kerk. Het percentage protestantse dissenters daalde, maar er bleef sprake van een duidelijke oververtegenwoordiging.
Het stijgende aaantal katholieke leden wijst toch op een voorzichtige emancipatie.
Het toegenomen aanzien leidde in Zwolle niet tot een grote aanwas van leden. De steun die het Nut in de periode 1799-1803 uit de Zwolse samenleving ontving was gering; na 1804 steeg het aantal leden aanzienlijk. Voor deze stijging zal aan het eind van dit hoofdstuk een verklaring worden gegeven.

Mijnhardt noemt onder andere de Latijnse school voor 1795 een bolwerk van het klassieke beschavingsideaal. In de periode van 1799 tot 1814 lijkt de Latijnse school eerder een Nutsbolwerk geweest te zijn. Dit gegeven zou samen met het hoge percentage gestudeerden, zeker na 1803, kunnen wijzen op een overbrugging van de kloof tussen het verlichte en het klassieke beschavingsideaal van voor 1795. Als zoiets zou hebben plaatsgevonden, dan zou dit na 1803 moeten zijn gebeurd: voor 1803 stond uitsluitend de verheffing van de ‘schamele gemeente’ centraal en is er niets dat op een nieuwe waardering van de klassieken wijst. Daar er geen teksten of titels van voordrachten bewaard zijn gebleven, kan een symbiose tussen de twee beschavingsidealen niet worden aangetoond. Onderzoek naar het in 1815 opgerichte Departement zou hier soelaas kunnen bieden.
Het verlichte beschavingsideaal, waarvan het Nut een exponent was, sloeg in Zwolle aan bij een aantal apothekers, kooplieden, fabrikeurs, artsen, juristen, renteniers, onderwijzers, baronnen en jonkheren. Wat dit gemengde gezelschap gemeen lijkt te hebben gehad, is een belangstelling voor wat de Verlichting aan denkbeelden had voortgebracht. Belangstelling voor de natuurwetenschap en de ‘natuurlijke religie’ gingen hierbij hand in hand. Jacob Doijer en Serrurier klaagden erover, dat deze onderwerpen in Zwolle weinig belangstelling hadden; volgens Serrurier was men in Zwolle vooral rechtzinnig gereformeerd.

|pag. 47|

De meerderheid van de Zwolse leden had niet doorgeleerd; zij zullen hun intellectuele vorming te danken hebben gehad aan de vele Nederlandstalige boeken die in het kader van de Nederlandse Verlichting stonden. Anderen, zoals Serrurier, hadden gestudeerd. Serrurier was in 1789 in Leiden theologie gaan studeren: “Ik leerde op al die colleges al weder regt weinig nuttigs, doch ik las veel. Ik was namelijk terstond in een leesgezelschap gekomen . . . hier kreeg ik voedsel voor verstand en hart ... Schiller, Wieland en Göthe werden meer genoemd dan Calvinus, Coccejus en Vitringa.”204 [204. GAZ VA 1151, ‘Levensschets J.F. Serrurier’, 14.] Een andere kijk op de godsdienst en de wetenschap impliceerde ook een andere kijk op de maatschappij en op de problemen die zich daarin voordeden. De oplossingen die het Nut voorstond voor het armoedeprobleem werden bepaald door het wereldbeeld van de Nederlandse Verlichting.

Geprobeerd is de welstand van de Nutsleden uit de periode 1799-1814 te bepalen. Er zijn voor de Franse tijd weinig bruikbare fiscale bronnen op grond waarvan iets gezegd kan worden over de welstand van de Nutsleden in relatie tot die van de Zwolse bevolking. Een bruikbare bron is echter de quotisatie die in 1808 heeft plaatsgevonden voor de geldheffing van f3.000.000, die opgebracht moest worden om de rente en aflossing van de staatslening van f30.000.000 te betalen. Overijssel werd gequotiseerd voor f120.000 en Zwolle voor f19.000205 [205. GAZ AAZ01, inv. no. 4553, ‘Stukken betreffende de heffing van 30 miljoen 1808’.]. Het was de bedoeling, dat ieder hoofd van een huisgezin of lid van een huisgezin dat een eigen bestaan leidde, een bijdrage zou leveren ‘elk naar zijn stand, verteringen en andere bekende omstandigheden’206 [206. Rijksarcief in Overijssel (RAO), Statenarchief, inv. no. 6979, ‘Ingekomen stukken bij de Landdrost en Assessoren’, 7.]. Er diende rekening gehouden te worden met gehuwden met veel kinderen. Iemand betaalde in de plaats waar hij in 1807 beschreven was geweest in de zogenaamde beschreven middelen207 [207. GAZ AAZ01, inv. no. 4553, ‘Stukken betreffende de heffing’.]. Deze heffing van drie miljoen is als directe belasting eenmalig geweest. Voor 1809 werd besloten het geld op te brengen door middel van een verhoging van sommige indirecte belastingen208 [208. RAO, Statenarchief, inv. no. 6815, ‘Ingekomen stukken bij de kwartierdrost van het tweede kwartier’.].
In totaal werden in Zwolle 3155 personen aangeslagen (24% van de Zwolse bevolking in 1809209 [209. noot 208?]). De quota varieerden van f0,50 tot f175,00. Er waren slechts vijf personen die vonden dat ze te hoog waren aangeslagen. Het protest werd in vier gevallen afgewezen, waaronder het protest van het Nuts lid J.H. de Bruin; zijn aanslag van f60,00 was gebaseerd op zijn ‘uiterlijke verteringen’, het feit dat hij in een van de beste huizen woonde en zijn levenswijze210 [210. GAZ AAZ01, inv. no. 4553, ‘Stukken betreffende de heffing’.]. De bepaling van de hoogte van het te betalen bedrag was dus betrekkelijk oppervlakkig van aard. Daarbij moest precies f19.000 worden opgebracht, wat tot gevolg gehad zal hebben, dat er af en toe geschoven zal zijn met personen in diverse betalingsklassen om het bedrag rond te krijgen. Gezien het geringe aantal protesten lijkt het aannemelijk dat er eerder te laag dan te hoog is aangeslagen.
     De Nutsleden die in 1808 werden aangeslagen, zijn onderverdeeld in een groep die in de periode 1799-1803 lid was en in een groep die in 1804-1814 lid was. Van de Nutsleden uit de periode 1799-1803 werden er in 1808 36 aangeslagen (51% van het aantal
Nutsleden uit die periode). Van de 109 Nutsleden uit de periode 1804-1814 werden er in 1808 62 aangeslagen (57% van het aantal Nutsleden uit die periode). Deze steekproef kan dan ook niet meer

|pag. 48|

dan een indruk van de welstand van de Nutsleden geven.
     In de groep van 2562 personen, die tussen f0,50 en f4,00 betaalde (81,4% van het totale aantal) treffen we geen Nutsleden aan. De percentages genoemd in tabel 5 van bijlage 1 zijn gebaseerd op de resterende 586 personen (18,6% van het totaal), die tussen f6,00 en f175,00 betaalden (586 personen = 100%).
De Nutsleden uit de periode 1799-1803 zijn in groep A (f6,00 tot f10,00) duidelijk ondervertegenwoordigd: 22,2% van de Nutsleden staat tegenover 57,8% van het totaal. De meeste Nutsleden treffen we in groep B aan (f20,00 tot f50,00): 41,7% tegenover 24,7% van het totaal, wat een oververtegenwoordiging is. In de twee hoogste groepen zijn de Nutsleden eveneens oververtegenwoordigd: in groep C (f60,00 tot f100,00) zit 25% van de Nutsleden, terwijl deze groep 12,2% van het totaal uitmaakt en in groep D (f125,00 tot f175,00) die 5,3% van het totaal uitmaakt, zit 11,1% van de Nutsleden.
De Nutsleden behoorden in deze periode duidelijk overwegend tot de gegoede burgerij, met een verhoudingsgewijs groot aantal leden, dat tot de rijkste inwoners van Zwolle behoorde. Van de acht personen in de laagste groep A, waren zes personen werkzaam als koopman of fabrikeur; niet uitgesloten moet worden, dat deze mensen in de loop van de Franse tijd door de verslechterende economische situatie zijn verarmd.
     Bezien we de gegevens over de Nutsleden uit de periode 1804 tot 1814, dan valt een nog veel sterkere oververtegenwoordiging op in de groepen C en D, terwijl het percentage van groep B afnam en van A vrijwel gelijk bleef. Deze indicatie van een toegenomen welstand valt samen met de geconstateerde verschuiving in de beroepenstructuur: meer leden werkzaam in de sector van de vrije
beroepen, meer renteniers en hoge ambtenaren in dienst van de provincie. Negen van de dertien personen in de laagste groep waren opnieuw werkzaam in de sector handel en nijverheid, waaronder Potgieter, Schaapman en Thorbecke, van wie bekend is dat hun zaken in de Franse tijd niet goed liepen. In deze periode kreeg het Nut nog duidelijker elitaire trekken. Bijna de helft van de Nutsleden behoorde tot de 100 rijkste personen van Zwolle.
Voor beide periodes geldt, dat er geen Nutsleden tot de groep behoorden van de ruim 80% Zwollenaren, die minder dan f6,00 betaalden. In de kleine groep waaruit de Nutsleden werden gerecruteerd, vinden we nauwelijks winkeliers of ambachtslieden; zij betaalden overwegend minder dan zes gulden. Bij de bespreking van de beroepenstructuur bleek ook dat dergelijke mensen na 1799 nauwelijks lid waren. Voor 1799 waren er wel meer ambachtslieden lid. Jammergenoeg is het bij gebrek aan geschikte fiscale bronnen niet mogelijk de welstand te bepalen van de leden uit de eerste periode.
Hoe moet nu de aanhang van het Nut gekarakteriseerd worden? Van Loo stelt, zoals in de inleiding is geschreven, dat het Nut een initiatief was van een deel van de burgerij of middenklasse. Nu kent de burgerij als groep vele schakeringen en is het onduidelijk wat Van Loo onder middenklasse verstaat. Voor 1795 werd niemand van de politieke elite lid, maar wat maatschappelijke positie betreft laten zich de stadsdocter en de grutter niet gemakkelijk op een lijn zetten, netzomin als de drost van Isselmuden tot dezelfde sociale laag behoorde als de horlogemaker. Het Nut vond

|pag. 49|

aanvankelijk zijn aanhang derhalve in de middengroepen, die zowel de ambachtsman en de winkelier bevatten als de stadsdocter en de advocaat. Na 1795 recruteerde het Nut zijn leden overwegend uit de elite, zonder dat er ook dan sprake is van homogeniteit. De opvattingen van Mijnhardt doen veel meer recht aan de verscheidenheid binnen de aanhang van het Nut en de verschuivingen die daarin optreden.

In 1802 werd in Zwolle de Grote Sociëteit opgericht: een ontmoetingsplaats van de aanzienlijke burgers, die daar de kranten konden inzien, hun pijp roken en biljarten. Het intredegeld voor een nieuw lid was zeer hoog: f21,00. Ook de halfjaarlijkse contributie was aanzienlijk: f7,50211 [211. GAZ VA 001, nog niet geïnventariseerd, ‘Reglement van de Sociëteit 19 mei 1805’.]. Van de Nutsleden uit de periode 1799-1803 werd 42,3% vrijwel direct lid van de sociëteit, na 1804 was dit maar liefst 68,8%212 [212. Simon Schama, Patriots and liberators; revolution in the Netherlands 1780-1813 (New York 1977), 69.]. Aangezien er verder geen genootschappen uit deze tijd bekend zijn, lijkt het er op, dat het Nut en de Grote Sociëteit als belangrijkste instellingen fungeerden voor het uitgaansleven van de hogere klasse. Veelvuldig kwam het voor, dat iemand die zich in Zwolle kwam vestigen, kort na elkaar lid van het Nut en van de Sociëteit werd. Dit kan enig licht werpen op de toename van het aantal leden vooral na 1805.
     In 1802 was Zwolle definitief de hoofdstad van het Departement Overijssel geworden en daardoor sterker dan voorheen een bestuurlijk en administratief centrum. Op verschillende plaatsen is al gezegd, dat na 1802 Nutsleden een geringe rol in het bestuur van de stad speelden. Daarentegen bekleedden veel Nutsleden wel hoge functies in het Departementaal bestuur of waren als ambtenaar daaraan verbonden. Zo was het Departementaal Bestuur in 1807 vrijwel geheel uit Nutsleden samengesteld: B.H. Bentinck, A.C.W. van Haersolte, J.W.A.J. van Lochteren Stakebrand en C.W. Sloet. Ook de Raad van Financiën bestond vrijwel geheel uit Nutsleden. Ongetwijfeld heeft de aanwezigheid van dergelijke belangrijke figuren tot een sneeuwbaleffect geleid, waardoor de stijging van het aantal leden na 1803 verklaard kan worden. Er werden bijvoorbeeld veel jonge personen lid, die zich als advocaat of procureur in Zwolle kwamen vestigen of na hun studie elders in Zwolle terugkwamen (zie bijlage 1, tabel 4). Door lid van het Nut te worden kon zo iemand de belangrijke figuren voor zijn beroepspraktijk en carrière ontmoeten. Veel van deze jonge lieden kunnen na de Franse tijd in hoge functies worden aangetroffen. Een aardig voorbeeld is de latere burgemeester Mr. A.J. Vos de Wael, die op 19-jarige leeftijd in 1806 lid van het Nut en de Sociëteit werd. In 1807 had hij een patent als advocaat, in 1810 was hij verbonden aan het bureau van het Landdrostambt en begon zijn bestuurlijke carrière.

|pag. 50|

7. SLOTBESCHOUWING

Het heeft tot 1815 geduurd voor er In Zwolle een succesvol Departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen van de grond kwam. In 1789, toen dit voor het eerst geprobeerd werd, nam de Magistraat het voornemen van het Nut zich buiten de politiek te houden niet serieus vanwege het feit, dat er onder de leden een aantal Patriotten was, die een rol in de gebeurtenissen van twee jaren daarvoor hadden gespeeld. Derhalve werd het Departement verboden.
In de periode, die tussen dit verbod en de oprichting van een nieuw Departement in juni 1799 lag, bleven de Zwolse leden, die het nog aandurfden, lid van de landelijke Maatschappij, zodat de Nutsgedachte niet geheel uit Zwolle verdween. Hoewel deze leden geen activiteiten ten behoeve van de volksklasse konden ontplooien, stelden zij wel prijs op hun lidmaatschap en het ontvangen van de werkjes die het Nut landelijk uitgaf. Het Nut had weliswaar de morele verheffing van de volksklasse tot doel, maar fungeerde tevens als instrument voor de bevrediging van de culturele behoeften van de leden, waarvan schrijven en gelezen worden blijkens de literaire arbeid van Jacob Doijer en Gerrit Costers deel uitmaakten; uit hun werk ademde de geest van de Nederlandse Verlichting.
     Vier jaar na het tot stand komen van de Bataafse Republiek werd opnieuw een Departement opgericht, dat zich om financiële redenen van de landelijke Maatschappij afscheidde. In deze studie is uitvoerig ingegaan op de door dit Zwolse Nut ontwikkelde activiteiten, waarbij voortdurend een verklaring gegeven moest worden voor het mislukken daarvan. Het nieuwe beschavingsideaal, dat in sterke mate bepaald was door de Nederlandse Verlichting, sloeg maar bij een klein deel van de Zwolse bevolking aan. De ontwikkelde activiteiten op het gebied van de armenzorg ondervonden weinig steun buiten de eigen kring. Noch armencamers, noch de Municipaliteit werkten met het Nut samen. Wat de Municipaliteit betreft geldt, dat zij in deze periode vrijwel geen activiteiten op het sociaal-economische vlak ontplooide. Op het terrein van de armenzorg hield men vast aan de traditionele bedeling en werkte men met de hervormde diakonie samen. Het voedselvoorzieningsprojeet van het Nut werd wel als extra voorziening in extra moeilijke tijden gesteund. Het Nut wilde echter meer dan een doekje voor het bloeden zijn. Het wilde het bédelen tegengaan, de arme zelfrespect bijbrengen en hem werk verschaffen. Dit mislukte door de geïsoleerde positie van het Nut.
     In het hoofdstuk over het onderwijs bleek, dat het Nut zich vrijwel als enige in Zwolle inzette voor de verbetering van het lager onderwijs en zo als voorbeeld gezien kon worden door de Scholarchen, die met het Nut wilden samenwerken. De Municipaliteit wilde dit echter niet. Toch zouden Nutsleden naar aanleiding van de verschillende onderwijswetten de belangrijke figuren in de Plaatselijke schoolcommissie worden. Dat Jacob Serrurier Districtsschoolopziener was, is hier ongetwijfeld van invloed op geweest. De activiteiten van het eerste plaatselijke schoolbestuur naar aanleiding van de wet van 1801 stonden geheel in het teken van wat het Nut aan veranderingen op de scholen voorstond. Het

|pag. 51|

bestuur kwam al snel in botsing met de hervormde diakenen, die de schoolmeester van de stadsarmenschool verboden op vragen van de bestuursleden in te gaan. Hier lijkt een kleine schoolstrijd te hebben plaatsgevonden, waarbij het algemeen-godsdienstige karakter van het Nut in conflict kwam met de belangen van de hervormden op het gebied van het leerstellig godsdienstonderwijs.
In het algemeen lijkt de bemoeienis van de diverse schoolcommissies met de didactiek en de inhoud van het onderwijs in deze periode niet erg succesvol te zijn geweest. De modelschool van het Nut zelf werd na een aantal jaren opgeheven. Ook op het terrein van het onderwijs heeft het Nut zich waarschijnlijk in een betrekkelijk geïsoleerde positie bevonden; er werden bijvoorbeeld geen schoolhouders lid van het Nut.
     Op verschillende plaatsen is geconstateerd, dat het Nut nauwelijks relaties onderhield met vertegenwoordigers van de Hervormde Kerk. Door Serrurier werd het rechtzinnig gereformeerde karakter van de hogere standen zelfs als een oorzaak voor het mislukken van de activiteiten gezien. Hij klaagde over een geringe belangstelling in Zwolle voor ‘de wetenschap’. Er zullen in Zwolle natuurlijk veel meer personen geweest zijn met belangstelling voor de wetenschap dan er Nutsleden waren, maar waar het hier om lijkt te hebben gegaan, is de belangstelling voor de ‘verlichte wetenschap’, de natuurwetenschap, die nauw samenhing met godsdienstige overtuigingen, die omschreven zijn als de fysico-theologie. Een optimistische kijk op de mogelijkheden van de mens, het besef van zijn verantwoordelijkheden ten opzichte van de samenleving werden hierdoor bepaald. Juist de ‘gemeene man’, die ook onderdeel van de harmonische ordening van de schepping was, moest centraal staan, nu armoede en pauperisme toenamen en zedelijk verval, bédelen, drankmisbruik en goklust in de hand werkten. Het Nut zag het als zijn plicht de omstandigheden voor de volksklasse te verbeteren en verwachtte hiervan een positieve invloed op de economie als geheel. Het ontbreken van een genootschapstraditie en een intellectuele elite in Zwolle met belangstelling voor de Verlichting, zijn als mogelijke oorzaken genoemd voor de geringe steun die het Nut ondervond.
     Na het dieptepunt in 1803 kwamen de culturele behoeften van de eigen leden centraal te staan. Het Nut heeft waarschijnlijk de belangstelling voor de natuurwetenschap in Zwolle willen stimuleren door de aankoop van natuurkundige instrumenten, die gebruikt werden tijdens verhandelingen over de fysische wereld.
Ook werden er muziekuitvoeringen georganiseerd en mochten de dames hun heren gezelschap houden tijdens vergaderingen, die steeds meer de functie kregen van ontmoetingsplaats voor de hogere standen. Het ledental steeg na een aantal jaren aanzienlijk, waarbij vooral het grote aan personen opviel, dat een hoge functie bekleedde bij het Departementaal Bestuur van Overijssel. Lid worden van het Nut en van de in 1802 opgerichte Grote Sociëteit lijkt voor veel jonge meesters in de rechten die zich in Zwolle vestigden, de entrée geweest te zijn in de hogere kringen. In deze periode werd het nut voor het algemeen echter uit het oog verloren.
     In Zwolle kwam in 1815 een nieuw Departement van de grond, dat veel succesvoller was, in een periode waarin ook het stadsbestuur duidelijker een beleid ging voeren op het sociaal-economische

|pag. 52|

terrein. Misschien is dat ook niet 20 verwonderlijk; veel Nutsleden uit de periode 1799-1814 waren toen weer nauw betrokken bij het stadsbestuur. Na 1814 lijken de relaties tussen het Nut en de plaatselijke overheid zodanig geweest te zijn, dat het Nut veel vastere grond onder de voeten kreeg.
     Het werkelijke nut van de activiteiten voor de volksklasse was marginaal. In de paragraaf over de commissie van onderstand is beschreven hoe weinig armen uit eigen initiatief van de voedselvoorziening gebruik maakten en hoe ze gedurende de winter vooral hun eigen voorzieningen troffen. Ook het bereik van de leesbibliotheek is waarschijnlijk gering geweest.
Ingestemd kan worden met de conclusie van Van den Eerenbeemt naar aanleiding van zijn studie over het Departement te Bergen op Zoom, zoals die in hoofdstuk 2 is weergegeven. Het Nut speelde ook in Zwolle een initiërende rol op het gebied van de volksontwikkeling door het stichten van de eerste volksbibliotheek, de onderwijsactiviteiten en het nadrukkelijk aan de orde stellen van het armoedeprobleem. Het enthousiasme van het Nut vond zijn neerslag in de Zwolse Courant, die wat het Zwolse nieuws betreft in die jaren bijzonder saai was. Alleen in periode waarin het Nut actief was, treffen we opiniërende artikelen, plannen, verslagen, mededelingen en zelfs een feuilleton aan. Het Nut was in ieder geval spraakmakend.
     De omschrijving van Mijnhardt van de ledenrecrutering van het Nut voor en na 1795 bleek ook van toepassing op de Zwolse situatie. De samenstelling van de leden had een inclusief karakter, in principe werden alleen joden van het lidmaatschap uitgesloten. Hoewel dus vrijwel iedereen lid kon worden, werden toch, vooral vanaf 1799, de welgestelde ingezetenen lid. In 1789 troffen we nog veel winkeliers en ambachtslieden aan; na 1799 was dit een uitzondering. Het aanzien van het Nut was na de omwenteling van 1795 duidelijk gestegen. Daarvoor maakten de Nutsleden geen deel uit van het stadsbestuur, daarna waren zij in de eerste radicalere periode van de Bataafse republiek zeer sterk bij het stadsbestuur betrokken. Na 1802 was dit niet meer het geval en valt vooral de verstrengeling met het Departementaal Bestuur van Overijssel op.
Niet aangetoond kon worden of er in de loop van de Franse tijd een symbiose is ontstaan tussen het verlichte en het klassieke beschavingsconcept. Wel is het opmerkelijk, dat de Latijnse school na 1795 een bolwerk van Nutsleden was. Een studie van het in 1815 opgerichte Departement zou misschien een antwoord kunnen geven op de vraag of een dergelijke symbiose zich later heeft voorgedaan.
     Nergens in deze studie is gebleken dat het Nut bestond uit dat deel van de middenklasse, dat zich bedreigd zou hebben gevoeld door het kleiner worden van die middenklasse en daarom ten eigen bate een beschavingsoffensief zou hebben ontwikkeld om de volksklasse te disciplineren. Deze mening van Van Loo houdt geen rekening met de historische context van de Nederlandse Verlichting in de achttiende eeuw, waarbinnen het Nut opgevat moet worden. Het opvoeden tot deugdzaamheid, dat in het beschavingsoffensief centraal stond, had geen dubbelzinnig, samenzweerderig karakter, waarbij het eigen belang voorop stond, maar maakte deel uit van de eigen levensovertuiging. Anders kan niet worden verklaard, waarom

|pag. 53|

Nutsleden zozeer prijs stelden op het bijwonen van de vergaderingen, het lezen van de uitgaves van het Nut en het houden van verhandelingen voor eigen publiek. De eigen culturele behoeften en het beschavingsoffensief lagen in eikaars verlengde.
Bij de behandeling van de achtergronden van de leden bleek, dat de leden beslist niet allemaal tot dezelfde sociale laag behoorden en dat Van Loo het feit dat veel leden na 1795 deel uitmaakten van de elite niet in zijn opvatting verdisconteert. De uitsluitend economische verklaring van het kleiner worden van de middenklasse voor de activiteiten van het Nut gaat mank, omdat de verschillende leden beslist niet dezelfde economische positie innamen. Van Loo verzuimt te vermelden waar de Nutsleden zich nu precies bedreigd door voelden. Waren zij bang voor een opstand van de paupers, of was men bang zelf tot de volksklasse te zullen afglijden of
vreesde men de totale ineenstorting van de standenmaatschappij en welk deel van de middenklasse voelde zich bedreigd en welk deel niet?
     Het is de verdienste van Mijnhardt te noemen, dat hij het Nut in verband met de genootschapsbeweging bespreekt, waarin zich een verlicht beschavingsideaal ontwikkelde, dat tegen de achtergrond van de economische achteruitgang bij het Nut tot een aantal
activiteiten leidde. Wat de Nutsleden verbond en hen onderscheidde van andere burgers was een belangstelling voor de Nederlandse Verlichting, waarbij voor het Nut lijkt te gelden wat Simon Schama schrijft over de rol die de religie bij de Patriotten speelde:
“The role played by religious and moral doctrine as a medium for the legitimation of political (bij het Nut: sociale) views was very particular to the Netherlands ... And it was from this peculiarly Dutch amalgam of natural-rights reasoning and popular evangelism that Patriot ideology drew its strong moral ethos”213 [213. Simon Schama, Patriots and liberators; revolution in the Netherlands 1780-1813 (New York 1977), 69.].

|pag. 54|

NOTEN

Noten op pag. 54 t/m 64 zijn nu als zijnoten in de tekst opgenomen.

In het orgineel word noot 1541 en 1542 aangegeven in deze digitale versie gaat de nummering door.

Van de volgende noten is niet duidelijk waar ze horen:

62. GAA PA 211, inv. no. 319, ‘Brief van L. Nolst, 19 febr. 1793’, 770.
84. W.A. Elberts, Historische wandelingen in en om Zwolle (Zwolle 1983), 80.
85. GAZ PA 1151, ‘Levensschets Jacob Frederic Serrurier’.
86. GAA PA 211, ‘Ingekomen stukken bij het hoofdbestuur; brief van J. ter Pelkwijk 30 juni 1799’.
208: RAO, Statenarchief, inv. no. 6608-6610, ‘Register van de quotisatie van de ingezetenen van Zwolle’.


|pag. 65|

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Booy, Engelina Petronella de, - Kweekhoven der wijsheid: basis- en vervolgonderwijs in de steden van de provincie Utrecht van 1586 tot het begin van de 19e eeuw (Zutphen 1980).
Bornewasser, J.A., - ‘De zelfstandige eenheidsstaat in de Noordelijke Nederlanden gegrondvest 1813-1814’, in: AGN deel 11 (Bussum 1983) 208-222.
Bots, J., - Tussen Descartes en Darwin; geloof en natuurwetenschap in de achttiende eeuw in Nederland (Assen 1972).
Eerenbeemt, H.F.J.M. van den, - Armoede en arbeidsdwang: werkinrichtingen voor ‘onnutte’ Nederlanders in de Republiek 1760-1795. een mentaliteitsgeschiedenis (Den Haag 1977).
Eerenbeemt, H.F.J.M. van den, - Streven naar sociale verheffing in een statische stad. Een kwart eeuw arbeid van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen te Bergen op Zoom (Nijmegen 1963).
Elberts, W.A., - Historische wandelingen in en om Zwolle (Zwolle 1983r).
Franken, M.A.M., - ‘Slotbeschouwing’, Overijsselse Historische Bijdragen 99 (1984) 210-224.
Gay, Peter, - The Enlightment: an interpretation 2 delen (Londen 1967-1970).
Gedenkschriften der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen voor de eerste vijfentwintig jaren van haar bestaan (Amsterdam 1809).
Groot, A. de, - ‘Sociocultureel en godsdienstig leven in de Noordelijke Nederlanden 1795-1813’, in: AGN deel 11 (Bussum 1983) 14-35.
Jorissen, Th., - ‘Het genootschap van kunsten en wetenschappen onder de zinsspreuk tot nut van ’t algemeen 1784-1787’, in: Gedenkboek der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen 1784-1934 (Amsterdam 1934).
Kruithof, Bernard, - ‘De deugdzame natie. Het burgerlijk beschavingsoffensief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen tussen 1784 en 1860’, Symposion II (1980) 22-38.

|pag. 66|

Lettinga, P.J., - De Zwolse Patriottenbeweging 1780-1789 (Scriptie MO Noordelijke leergangen Zwolle 1981)
Loo, L.F. van, - ‘De armenzorg in de Noordelijke Nederlanden 1770-1854’, in: AGN deel 10 (Haarlem 1981), 415-434.
Luttenberg, G., - Levensberigt van Jan ter Pelkwijk (Zwolle 1835).
Mijnhardt, W.W., - ‘De Nederlandse Verlichting: een terreinverkenning', in: Figuren en figuraties. Acht opstellen aangeboden aan J.C. Boogman (Groningen 1979) 1-25.
Mijnhardt, W.W., - ‘De Nederlandse Verlichting in Europees perspectief', Theoretische geschiedenis 10 (1983) 335-348.
Mijnhardt, W.W., - ‘Het Nut en de genootschapsbeweging’, in: W.W. Mijnhardt en A.J. Wichers ed. Om het algemeen volksgeluk. Twee eeuwen particulier initiatief 1784-1984; gedenkboek ter gelegenheid van het tweehonderdjarig bestaan van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Edam 1984) 189-220.
Noordegraaf, L., - ‘Sociale verhoudingen en structuren in de Noordelijke Nederlanden 1770-1813’, in: AGN deel 10 (Haarlem 1981) 361-383.
Nijenhuis, Herman, - Volksopvoeding tusen elite en massa. Een geschiedenis van de volwasseneducatie in Nederland (Meppel 1981) .
Schama, Simon, - Patriots and liberators: revolution in the Netherlands 1780-1813 (New York 1977).
Steenbergen, C.A., - ‘Onze volksbibliotheken toen en nu', in: Gedenkboek der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen 1784-1934 (Amsterdam 1934).
Vries, Joh. de, - De economische achteruitgang van de Republiek (Leiden 1980r).
Vries, Thom. J. de, - Geschiedenis van Zwolle deel 2 (Zwolle 1961).
Wit, C.H.E. de, - ‘De Noordelijke Nederlanden in de Bataafsche en Franse tijd 1795-1813’, in: AGN deel 11 (Bussum 1983) 158-186.
Wolf, H.C. de, - ‘Onderwijs en opvoeding in de Noordelijke Nederlanden 1795-1813’, in: AGN deel 11 (Bussum 1983) 36-46.
Zwager, H.H., - Nederland en de Verlichting; met een inleiding van R. van Gelder (tweede druk; Haarlem 1980).

|pag. 67|

BIJLAGEN

Bijlage 1 Tabel 1: gegevens betreffende de ledenaantallen van de Zwolse Maatschappij tot nut van het Algemeen 1799-1814.


|pag. 68|

Tabel 2: Gegevens betreffende de beroepenstructuur van de leden van de Zwolse Maatschappij tot Nut van het Algemeen 1789 - 1814.

Beroepsklasse1789 -aantal1799 %1799 -aantal1803 %1804 -aantal1814 %
Handel en nijverheid12482839,53027,5
Renteniers57,0109,2
Vrije beroepen31234,22220,2
In dienst van de Gemeente68,554,6
In dienst van de Provincie281115,52018,3
Onderwijs5754,6
Predikanten31234,232,7
Militairen1411,421,8
Onbekend416912,71211,1
Totaal2510071100,0109100,0

Tabel 3: Gegevens betreffende de godsdienst van de leden van de Zwolse Maatschappij tot Nut van het Algemeen 1789 - 1814.

godsdienst1789 -aantal1799 %1799 -aantal1803 %1803 -aantal1814 %totale bevolking1809
Gereformeerd15603549,35045,9929572
Waals281419,72724,8
Doopsgez.52079,954,6590,5
Luthers45,654,63577,8
Katholiek14571311,9283822,0
Joods3432,7
Onbekend2868,598,2
Totaal2510071100,0109100,112.892100,0


|pag. 69|

Tabel 4: Gegevens betreffende de leeftijd der leden van de Zwolse Maatschappij tot Nut van het Algemeen op het moment van toetreding 1799 - 1814.

leeftijd1799 -aantal1803 %1804 aantal- 1814 %
18 - 291014,12936,3
30 - 391723,91113,8
40 - 49811,3810,0
50 - 6068,533,7
61 —11,456,3
Onbekend2940,82430,0
Totaal71100,080100,1

Tabel 5: Gegevens betreffende de gegoedheid van de leden der Zwolse Maatschappij

Bedragen1799 • aantal- 1803 %1804 -aantal1814 %geheel Zwolle aantal %
( ƒ 0,50ƒ4,002569- )
A ƒ 6,00ƒ10,00822,21321,033957,8
B ƒ 20,00ƒ50,001541,72133,914524,7
C ƒ 60,00ƒ100,00925,01727,47112,2
D ƒ 125,00ƒ175,00411,11117,7315,3
Totaal36100,062100,0586100,0


|pag. 70|

Bijlage 2 Lente Zang

Category(s): Zwolle
Tags: , ,

Comments are closed.