Hoofdstuk 4

HOOFDSTUK 4

DE POLITIEKE ONTWIKKELINGEN IN ZWOLLE 1848-1853

 

1. Inleiding 

Als uitvloeisel van de nieuwe grondwet werd in 1848 het directe kiesstelsel ingevoerd. In november van dat jaar vonden de eerste rechtstreekse verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats. Dat betekende dat de stemgerechtigden hun vertegenwoordigers zonder tussenkomst van anderen konden gaan kiezen. Het land werd daartoe in kiesdistricten verdeeld, waarbij het aantal inwoners van het district bepalend was voor het aantal te kiezen kamerleden. Het hoofdkiesdistrict Zwolle, waartoe behalve Zwolle ook Zwollekerspel, Zalk, Avereest, Hasselt, Dalfsen, Nieuwleusen en Staphorst behoorden,1 [1. J. Hagedoorn, ‘De stemmer stem, de kiezer kiest,...de stemmer kiest. Onderzoek naar stem- en kiesgedrag in Zwolle, 1839-1861’ in: Zwols Historisch Jaarboek 1985, 118.] mocht één kamerlid afvaardigen. Na het aannemen van de Kieswet in 1850 zou het kiesdistrict Zwolle uitgebreid worden en leverde het twee kamerleden.2 [2. Na het aannemen van de kieswet van 1850 bestond het Hoofdkiesdistrict Zwolle voor de tweede-kamerverkiezingen uit: Genemuiden, Hasselt, Nieuwleusen, Avereest, Dalfsen, Zwollekerspel, Zwolle, Kampen, Schokland, Grafhorst, IJsselmuiden, Wilsum, Kamperveen, Zalk en Veecaten, Oldebroek, Doornspijk, Elburg, Heino, Raalte, Wijhe, Olst, Hellendoorn, Hattem, Heerde. De vetgedrukte gemeenten liggen in Gelderland.]

In vergelijking met de doorgaans geleidelijk en gezapig verlopende politieke ontwikkelingen in Nederland, vormden de laatste twee maanden van 1848 een periode van grote dynamiek en bruisende politieke activiteiten.3 [3. Boogman, Rondom 1848, 72.] Dit gold echter alleen voor de geprivilegeerde burgers die zoveel belasting betaalden dat zij op grond van het voorlopige kiesreglement aan de verkiezing van de volksvertegenwoordiging deel mochten nemen. Ook onder de nieuwe grondwet bleef de census fungeren als criterium voor de selectie van een bepaalde gegoede bovenlaag van de bevolking die belang had bij een behoorlijk bestuur.4 [4. L. Blok en J.J.M. de Meere, ‘Welstand, ongelijkheid in welstand en censuskiesrecht in Nederland omstreeks het midden van de 19e eeuw’ in: Economisch en Sociaal-Historisch Jaarboek XLI (1978) 177.]

Vanaf deze eerste rechtstreekse verkiezing in november 1848 zouden er overal in het land kiezersvergaderingen gehouden worden. Deze bijeenkomsten dienden om kandidaten aan te wijzen waarop de stemmer zijn stem kon uitbrengen. Dit moest niet alleen voorkomen dat de stemmen zich tijdens de verkiezingen over vele verkiesbaren zouden verspreiden, maar zorgde er ook voor dat kandidaten met een bepaalde politieke voorkeur gekozen konden worden.

2. De verkiezingen voor de Eerste en Tweede Kamer in 1848 

De eerste kiezersvergadering in Zwolle vond op zaterdag 28 oktober plaats in het Odéon.
Met algemene toestemming van de 120 aanwezige kiesgerechtigden werd de leiding van de vergadering opgedragen aan De Gaay Fortman.5 [5. Overijssel 25, woensdag 1 november 1848.] Men besloot een op vrijdag 27 oktober in Overijssel gepubliceerd programma als beginselverklaring aan te nemen. In dat programma werd de nadruk gelegd op vereenvoudiging en bezuiniging en het veranderen van het onrechtvaardige belastingstelsel dat de burgerstand ten gronde richtte.6 [6. Overijssel 24, vrijdag 27 oktober 1848.] De vergadering benoemde, onder veel lofuitingen, Sloet tot Oldhuis tot kandidaat voor de Tweede Kamer. Voor de Eerste Kamer werden burgemeester Vos de Wael en Van Royen kandidaat gesteld. Dit was nodig omdat in 1848 bij uitzondering de kandidaat-leden van de Eerste Kamer rechtstreeks gekozen werden. Uit de kandidaat-leden zou de koning voor het laatst de Eerste-Kamerleden kiezen.

|pag. 30|

Vlak na deze eerste bijeenkomst organiseerden andere personen ook een aantal kiezersvergaderingen. De besturen van deze kiezersvergaderingen sloten zich echter op dinsdag 7 november aan bij het op de bijeenkomst van 28 oktober benoemde kiezersbureau, omdat zij, volgens Overijssel, hetzelfde nastreefden.7 [7. Overijssel 27, vrijdag 10 november 1848.] Een in 1850 in Zwolle verspreid liberaal pamflet geeft een duidelijker zicht op de verwikkelingen rond de eerste rechtstreekse verkiezingen:8 [8. Aan de kiezers te Zwolle, (Zwolle 1850), aanwezig in: ARA, Tweede Afdeling, Archiefstukken van mr. J.D. van Ketwich Verschuur (1819-1887) en zijn familieleden. 1803-1986. Inv. nr. 170.] De eerste bijeenkomst was georganiseerd door degenen die zich het meest met de ontwikkeling van de volksgeest hadden bezig gehouden. Vlak na die bijeenkomsten organiseerden anderen ook kiezersvergaderingen. Deze pogingen waren echter op niets uitgelopen omdat de daar openlijk uitgesproken beginselen gelijk waren aan die van de eerste vergadering. De ware redenen van die afzonderlijke bijeenkomsten konden, volgens het pamflet, niet hardop verkondigd worden in die vergaderingen. Onder druk van de kiezers, die geen versnippering wilden, sloot men zich aan bij het op de vergadering van 28 oktober benoemde verkiezingsbureau. De nieuw-aangeslotenen kregen echter geen zeggenschap over de te houden vergaderingen, want zij werden niet opgenomen in het leidinggevende bureau. Deze uitkomst had, volgens de schrijver van het pamflet,”(..) van vele nevenbedoelingen, die de goede zaak zoo zeer bederven, eens en voor altijd af geschrikt.”

Deze gebeurtenissen maken duidelijk dat er, ondanks het functioneren van één kiezersvergadering, vanaf november 1848 grote verdeeldheid heeft bestaan onder de Zwolse liberalen en degenen die daar voor door wilden gaan. Het conflict rond Overijssel zou in november 1849 de tegenstellingen nog duidelijker maken, waarna in 1853 de kiezersvergadering definitief zou splitsen.

Eén van de hoofdrolspelers bij de splitsing van 1853, trad ook in november 1848 naar voren: De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant meldde dat een aantal kiezers zijn stem wilde uitbrengen op J.L. baron van Haersolte van Haerst. Overijssel vond dat maar vreemd, aangezien daar op de kiezersvergadering niets van was gebleken.9 [9. Overijssel 28, vrijdag 17 november 1848.] Dat kon men, bij nader inzien, echter wel begrijpen: Van Haersolte had zijn afkeer van het liberale programma van de kiezersvergadering duidelijk laten blijken, met als gevolg dat zijn aanhang hem niet openlijk durfde te steunen. Het was in 1848 aantrekkelijk geworden om als “liberaal” te boek te staan: Het liberalisme had na de grondwetsherziening de wind mee. Vooral gematigden neigden ertoe naar liberale zijde op te schuiven, waardoor een grijs midden gebied10 [10. Boogman, Wacht op onze daden, 363.]

Hoe de politieke verhoudingen in 1848 lagen, wordt ook duidelijk uit de brieven van Van Deen aan Thorbecke. De pogingen van de Zwolse arts om Thorbecke in Zwolle verkozen te krijgen, waren op niets uitgelopen.11 [11. ARA, Archief Thorbecke, inv. nr. 56a, Van Deen aan Thorbecke, 9 november 1848.] De zaak was onmiddellijk voor Sloet tot Oldhuis beslist. Ook zonder kiezersvergadering zou Sloet gekozen zijn, aangezien zijn aanhang bijzonder groot was. De burgerij te Zwolle was Thorbecke echter wel zeer toegedaan, verzekerde Van Deen hem:12 [12. ibidem, brief nr. 473, Thorbecke aan Van Deen, 4 december 1848.] Als de zaak niet allang voor Sloet beslist was, was het zeer gemakkelijk geweest om Thorbecke te laten verkiezen. Van Deen had hem echter niet kandidaat gesteld om stemmenversnippering te voorkomen en om Sloet niet tegen te werken “En zijne benoeming zo ik geloof, ook zeer wenschelijk is”. Om zijn handelen aan Thorbecke te rechtvaardigen haalde Van Deen een uitspraak van de kastenmaker Kamphuis aan, “een man met zeer gezonde hersens”, die hem had verzekerd dat wanneer men Sloet niet had gehad, men alleen maar Thorbecke had willen verkiezen. Dat was de algemene opinie op de kiezersvergadering, volgens Kamphuis, die beweerde dat ongeveer

|pag. 31|

200 burgers in Zwolle die mening toegedaan waren. Volgens Van Deen was de behoudende partij in Zwolle ook erg sterk. Sloet wist echter deze club ook aan zich te binden, aangezien hij baron was. Hij werd dan ook namens het district Zwolle afgevaardigd naar de Tweede Kamer.

Van Deen had zich, op zijn inspanningen om Thorbecke verkozen te krijgen na, niet met de verkiezingen bemoeid “wijl ik zaken toch niet veranderen kan, en de aristocratie hier mij zeer vijandig is, wijl ze mij voor te liberaal beschouwt, als zoodanig wordt ook UWG en alle uwe vrienden beschouwd.” Blijkbaar vreesde Van Deen de macht van deze aristocratie, want hij verzocht Thorbecke nadrukkelijk om deze brieven geheim te houden evenals alles wat hij in de kranten had geschreven.

3. De verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1850 

Eind augustus 1850 vonden de eerste verkiezingen voor de Tweede Kamer plaats volgens de bepalingen van de nieuwe kieswet. Eind juli heerste in Zwolle op politiek terrein nog een diepe rust.13 [13. Aan de kiezers van Zwolle.] Volgens de schrijver van het pamflet Aan de kiezers te Zwolle werd de politieke rust aldaar niet veroorzaakt door een gebrek aan politieke belangstelling, aangezien ¾ deel van de kiezers vol vuur was voor hun nieuw staatkundig recht.14 [14. ibidem]
Niemand durfde of wilde echter een kiezersvergadering bijeenroepen, aangezien men bang was vereenzelvigd te worden met degenen die in 1848 pogingen deden alternatieve kiezersvergaderingen te organiseren. Personen, “met wie zij geene gelijkstelling wenschen”. Bovendien voelden de leden van het verkiezingsbureau dat in 1848 had gefunctioneerd zich niet bevoegd om nu een vergadering bijeen te roepen, aangezien de bepalingen omtrent de kiesgerechtigheid geheel veranderd waren. In het pamflet werd het oude bureau verzocht een middenweg te kiezen door wel een eerste bijeenkomst te organiseren, maar daar hun bevoegdheid over te dragen aan een nieuw te kiezen bureau. De schrijver stelde ook nog een aantal maatregelen voor die de kiezersbijeenkomsten op een hoger plan moesten tillen dan in 1848 het geval was geweest. Tot de vergaderingen mochten alleen kiezers toe gelaten worden en elke stemming over personen diende schriftelijk en geheim te geschieden. Dat laatste was volgens hem nodig om te voorkomen dat “het nijvere deel der burgerij” geïntimideerd zou worden door de maatschappelijk hoger geplaatsten. Voor plaatsing op de kandidatenlijst moesten alleen personen in aanmerking komen die een behoorlijk aantal stemmen hadden vergaard en de kandidatuur hadden aangenomen. Veel hing af, volgens de pamfletschrijver, van de samenstelling van het Bureau. “Men kieze daarin bezadigde, algemeen gewilde en geachte, met het leiden van groote vergaderingen min of meer vertrouwde personen die geene plaats bekleeden in de ligchamen, waarin verkiezingen moeten geschieden.” Een zo breed mogelijk publiek moest de vergaderingen kunnen bijwonen, daarom moesten in het Bureau alle beginselen, klassen, sekten en standen naar evenredigheid vertegenwoordigd zijn. Dit zou leiden tot “bedaarde en gematigde wrijving van gedachten, waardoor de waarheid bovenkomt” en het voorkwam dat een nauw aaneengesloten club de vergadering naar zijn hand zou zetten. De kiezers zelf werden opgeroepen tot waardigheid; men mocht geen ongepast en beledigend spel spelen met de namen van personen die daar geen aanleiding toe gaven, terwijl men ook niet moest proberen te schitteren door langere of kortere redevoeringen die de zaak niet warm of koud maakten. Vrijzinnigheid moest gelden voor alle ingebrachte standpunten en vooruitgang diende plaats te vinden zonder overdrijving.

|pag. 32|

De aanbevelingen vonden gehoor, want op 1 augustus vond een kiezersvergadering plaats onder voorzitterschap van De Gaay Fortman.15 [15. POZC 62, vrijdag 2 augustus 1850.] Men besloot op een volgende vergadering een nieuw bureau te kiezen. Er werd een voorlopige commissie ingesteld die de volgende vergadering zou leiden.16 [16. De commissie bestond uit M.J.V. Kramer, Van Ketwich Verschuur en L. Hertzveld.] Die bijeenkomst vond plaats op 6 augustus onder voorzitterschap van Van Ketwich Verschuur.17 [17. Overijssel 120, vrijdag 9 augustus 1850.] De 186 aanwezige kiezers kozen een uit vijf man bestaand bureau,18 [18. De volgende personen werden in het Bureau gekozen: M.J.V. Kramer (163 stemmen), I.A. van Royen (140), J.D. van Ketwich Verschuur (128), L. Hertzveld (119). Tussen G.A. Vos de Wael, J.J. van Steenbergen en G.J. Wispelwey werd overgestemd. Steenbergen en Vos de Wael kregen beide 67 stemmen, waarna Steenbergen als oudste werd benoemd. Gedurende de afwezigheid van Van Royen werd Vos de Wael als plaatsvervanger benoemd.] waarna Van Diggelen voorstelde een programma vast te stellen. Na enige discussie besloot de vergadering dat het ontwerp voor een programma overgelaten werd aan het Bureau.

Op de vergadering van 15 augustus stelde men een werkwijze vast waarin veel van de aanbevelingen uit het pamflet “Aan de kiezers te Zwolle” te herkennen vallen.19 [19. Overijssel 122, vrijdag 23 augustus 1850.] Vervolgens stelde het bureau onder leiding van Van Ketwich Verschuur het door hen geformuleerde programma aan de orde. Het luidde als volgt:

“De Kiezersvergadering te Zwolle stelt zich voor de benoeming te bevorderen van zulke vertegenwoordigers, die, door: opregt vrijzinnige beginselen, eerlijkheid en onpartijdigheid, kunde en bekwaamheid, cordaatheid en godsdienstige verdraagzaamheid, onafhankelijkheid en zelfstandigheid van karakter, het vertrouwen verdienen, dat zij krachtig zullen mede werken, tot de opregte en eerlijke uitvoering der Grondwet, tot de bevordering der zedelijke en stoffelijke belangen des Volks; tot bezadigde ontwikkeling zijner staatsburgerlijke regten; tot bezuiniging en vereenvoudiging en tot vermindering van den druk der belastingen.”

Een programma, waarin de liberale elementen niet al te krachtig geformuleerd waren, zodat ook meer behoudenden er mee uit de voeten konden. Van Diggelen deed nog een poging het programma aan te scherpen, door voor te stellen aan de zinsnede “opgregt vrijzinnige beginselen” het woord “geopenbaarde” toe te voegen. De vergadering zag daar echter geen noodzaak toe, en Van Diggelen trok zijn voorstel weer in. Van Deen stelde voor in plaats van “godsdienstige verdraagzaamheid” “alle verdraagzaamheid, met name ook de staatkundige en maatschappelijke” als beginsel aan te nemen. Dit werd echter door de meerderheid verworpen. Op de vergadering van 16 augustus werd de besluitvorming over het ontwerpprogramma afgerond. Van Diggelen en Van Deen slaagden er nu wel in een tweetal amendementen aangenomen te krijgen. De eerste kwam met een amendement waarin aangedrongen werd op het invoeren van een ander belastingstelsel dat minder drukkend zou zijn. Na het aanvaarden van een aantal wijzigingen in dit amendement werd het voorstel aangenomen. Ook het voorstel van Van Deen, waarin aangedrongen werd op het benoemen van mannen van verschillende betrekkingen in de vertegenwoordiging, werd aangenomen.

De eerste stemming op de vorige vergadering over de kandidaten voor de Tweede Kamer had Sloet tot Oldhuis (177 stemmen), Van Diggelen (115), Van Royen (57), J. Zeehuizen Jr. (35), en W.G. Hovy (27) de meeste stemmen opgeleverd. De eerste vier plaatsen werden dus ingenomen door uitgesproken liberalen. De op de vijfde plaats staande jonkheer mr. W.G. Hovy was een aanhanger van Groen van Prinsterer. De vergadering volgde, ondanks het wat algemene programma waar men van uitging, dus een duidelijke liberale koers. Aangezien Van Royen zich na de eerste ronde terugtrok, kon na de tweede stemming de conservatief-liberaal mr. A.J. Duijmaer van Twist zich nog een plaats verwerven op de kandidatenlijst van vijf personen.

Op de vergadering van 19 augustus maakten Sloet, Van Diggelen, Duijmaer van Twist en Hovij schriftelijk bekend dat zij de voorlopige kandidatuur aannamen. Zeehuizen trok zich

|pag. 33|

terug. Vervolgens werden de kandidaten besproken, waaraan voorafgaand voorzitter Van Ketwich Verschuur verklaarde dat dit diende te gebeuren aan de hand van het aangenomen programma. Over Sloet wenste niemand het woord te voeren, maar de kandidaat Van Diggelen leverde meer problemen op. Men wilde weten hoe hij over het vrij handelsstelsel dacht. Ook zijn positie als ingenieur van waterstaat vormde een probleem: Men vroeg zich af of hij wel de onafhankelijkheid bezat die het programma vereiste. Volgens Overijssel nam voorzitter Van Ketwich Verschuur alle twijfels daarover weg. Over Duijmaer van Twist en Hovij wenste niemand het woord te voeren. Na de pauze kreeg Van Diggelen, die inmiddels binnen was gekomen, de gelegenheid in te gaan op de geopperde bezwaren. Hij gaf een beschouwing over zijn staatkundige denkbeelden ten beste, waarin hij onder andere verklaarde een groot voorstander te zijn van vrijhandel.
Hij had echter in het verleden vaak geijverd tegen het monopolie van de Nederlandsche Handel-maatschappij, wat sommigen, die het één en ander niet helemaal goed begrepen hadden, misschien in verwarring had gebracht.

Op 20 augustus vond de finale stemming plaats. Er werden 189 geldige stemmen uitgebracht, die als volgt verdeeld waren: Sloet 163, Van Diggelen 111, Duijmaer van Twist 72 en Hovij 29, waarna Sloet en Van Diggelen tot kandidaten van de Vergadering werden geproclameerd. Aansluitend stelde het Bureau voor om Een woord aan mijne Medekiezers van mr. C.W. Opzoomer voor te lezen. Deze Opzoomer was een belangrijke vertegenwoordiger van het intellectueel-doctrinair liberalisme en had een stevige reputatie als polemicus.20 [20. Kossmann, De Lage Landen, 217.] Men vond de lezing van zijn geschrift van groot belang voor elke kiezer. Een grote meerderheid kon zich daar in vinden, anderen verklaarden zich echter tegen en verlieten de zaal, waarna de lezing plaats vond.

De verkiezingen van 27 augustus leverden een overwinning en een nederlaag op voor de kiezersvergadering. Sloet tot Oldhuis werd direct gekozen, maar voor de tweede zetel moest een herstemming plaats vinden tussen Van Diggelen en Groen van Prinsterer. Van liberale zijde werd op de ontstane situatie gereageerd in een pamflet getiteld Een woord over den heer Groen van Prinsterer.21 [21. Een woord over den heer Groen van Prinsterer (Zwolle 1850), aanwezig in: ARA, Tweede Afdeling, Archief Ketwich Verschuur.] Men betoogde dat de voorstanders van de geest van staatkundige teruggang en godsdienstige dweperij pogingen deden om Groen de Kamer binnen te smokkelen. Hierbij werd aangevoerd dat Groen in geen enkele kiezersvergadering in het district behoorlijk getoetst was en daardoor alleen bekend was door zijn gedrukte werk en zijn optreden in de Kamer. De aanhangers van Groen werden beschuldigd van kwader trouw: bewust heeft men Groen in geen enkele openlijke kiezersvergadering ter sprake gebracht. Het pamflet had als doel, schreef men, om elke kiezer in te lichten over het handelen van Groen, zodat ook degenen die staatkundig niet geheel op de hoogte waren en daarom afgingen op wat anderen hen influisterden, een evenwichtig oordeel konden vellen. De politiek niet zo geschoolde stemmer werd te verstaan gegeven “dat men in den tegenwoordigen tijd van staatkundigen strijd en partijzucht niet te veel bouwen moet op de meening en den lossen raad van anderen, ook niet van hen, die men in elk ander opzigt het onbeperkste vertrouwen zou kunnen schenken.” Vervolgens probeerde men door middel van voorbeelden aan te tonen dat Groen een hardnekkig tegenstander was van de beginselen van het ministerie-Thorbecke.
De kiezer was nu door dit pamflet op de hoogte van de staatkundige denkbeelden van Groen, stelde men, en kon zich dus niet meer verschuilen achter onwetendheid. “En niemand, die op het stemt, veinze langer een voorstander te zijn der nieuwe orde van zaken, der thans ingevoerde vrijzinnige beginselen, van vooruitgang, van directe verkiezingen, van bezuiniging en vereenvoudiging,-maar kome er openlijk voor uit te

|pag. 34|

behooren tot de vijanden van het ministerie Thorbecke tot de partij van Staatkundige Teruggang en Aristocratische beginselen.”

Deze poging om duidelijkheid te scheppen en te voorkomen dat kiezers uit onwetendheid hun stem uiiurachten op Groen, mocht niet baten. Op 11 september behaalde Groen 955 van de 1664 uitgebrachte stemmen.22 [22. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 74, vrijdag 13 september 1850.] Van Diggelen wist slechts 432 stemmen te vergaren. W.G. Hovy, in augustus nog behorend tot de vijf kandidaten in de eerste verkiezingsronde van de Zwolse kiezersvergadering, stelde Groen op de hoogte van zijn verkiezing en sprak zijn blijdschap uit over het weren van Van Diggelen.23 [23. Groen van Prinsterer, Briefwisseling III 1848-1866, H.J. Smit ed. Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie nr. 90 (’s-Gravenhage 1949) Groen aan W.G. Hovij, 14 september 1850, 93.]

4. De verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1852 

In de Kieswet van 1850 was vastgelegd dat om de twee jaar de helft van de Tweede-kamerleden moest aftreden. Van de Zwolse afgevaardigden Sloet tot Oldhuis en Groen van Prinsterer was de laatstgenoemde aan de beurt om af te treden. De Zwolse liberalen waren er uiteraard op gebrand de herverkiezing van hun anti-revolutionaire tegenstander te voorkomen. Over de te volgen tactiek nam Van Ketwich Verschuur contact op met Thorbecke.24 [24. ARA, Archief Thorbecke, inv. nr. 62, brief nr. 103, Van Ketwich Verschuur aan Thorbecke, 4 maart 1852.] Het grote probleem voor de Zwolse Thorbeckianen was een kandidaat te vinden die hun staatkundige ideeën deelde en daarbij ook nog een redelijke kans had om gekozen te worden. Binnen de Zwolse verhoudingen gaf de aristocratie de doorslag: Zij hadden bij de vorige verkiezingen hun stem aan Sloet gegeven vanwege zijn adellijke titel. De verdeeldheid die er rond Van Diggelen bestond, had de aristocratie bij de vorige verkiezingen op Groen van Prinsterer doen stemmen. Om dat hoe dan ook Groen van Prinsterer verslagen moest worden, was het zaak wat water bij de liberale wijn te doen, meende Van Ketwich Verschuur. Hij had daartoe een geschikte kandidaat op het oog: Baron de Vos van Steenwijk, oud burgemeester van Vollenhove, was dan wel geen echte liberaal, hij lag, dacht Verschuur, goed in de markt bij de aristocraten. Volgens Verschuur was De Vos van Steenwijk “zijn atmospheer daargelaten, een zeer bekwaam, ijverig, en naar ik durf vertrouwen, een eerlijk mensch”.25 [25. ibidem] Met de bezwaren die aan hem kleefden, viel wel te leven. Op het gebied van belastingen en vrije mededinging zou hij de liberale wensen niet helpen vervullen. Hij had volgens Verschuur ook liever gezien dat de aristocratie zijn oude positie behouden had; daar stond echter tegenover dat hij een redelijk denkend mens was die openstond voor argumenten van anderen. Op sommige punten werd hij zelfs als vrijzinniger ervaren dan zijn standsgenoten: Eenmaal buiten het aristocratische wereldje zou hij wellicht nog meer in liberale richting opschuiven: “Valt hij te ’s Hage in goede handen, dan acht ik het niet onmogelijk, dat hij gaandeweg meer met ons instemt, want hij is vatbaar voor overtuiging”. Van Ketwich Verschuur gaf wel aan dat het gebrek aan een andere geschikte kandidaat en de noodzaak om Groen te verslaan hem De Vos van Steenwijk naar voren hadden doen schuiven. De overwinningen die al in de Kamer geboekt waren, maakten het volgens hem ook minder noodzakelijk om tot elke prijs een echte liberaal te kiezen. Hij hoopte met deze zet ook de verbittering bij een grote groep Zwolse kiezers weg te nemen, die zo ook konden ervaren dat de Thorbeckianen rekening hielden met de denkbeelden van anderen. Hoe Thorbecke op deze brief reageerde is niet bekend. Op de kiezersbijeenkomst van 2 juni werd De Vos van Steenwijk in ieder geval op de voorlopige kandidatenlijst geplaatst.26 [26. POZC 44, woensdag 2 juni 1852.] Op die lijst stond echter ook Van Diggelen.

|pag. 35|

Op dezelfde vergadering, die onder leiding stond van Van Royen en Van Ketwich Verschuur, werden krachtige maatregelen genomen om van Groen van Prinster af te komen. Een meerderheid van de aldaar aanwezige kiezers nam een voorstel aan waarin was vastgelegd dat men Groen niet zou herverkiezen en in plaats van hem een kandidaat zou benoemen die de Grondwet, de Organieke wetten en de handelingen van het ministerie-Thorbecke als heilzaam onderschreef.27 [27. ibidem] De kandidaat moest tevens de verwachting wekken dat hij krachtig zou meewerken aan het verder ontwikkelen van de constitutionele beginselen.

Na het aannemen van dit beginsel was de basis gelegd voor een splitsing van de algemene kiezersvergadering in verschillende kiezersverenigingen in 1853. Over de achtergronden van die splitsing liepen de meningen, vanzelfsprekend, uitéén. Volgens de conservatief J.C. van Haersolte van Haerst had Zwolle van 1848 tot 1852 altijd “algemene” kiezersvergaderingen gekend, waar iedereen welkom was, ongeacht kleur of beginselen.28 [28. POZC 40, vrijdag 20 mei 1853.]
Volgens hem werd op voorspraak van Van Royen en Van Ketwich Verschuur op de vergadering van 28 mei 1852 door de meerderheid besloten de kiezersvergadering om te zetten in een kiezersvereniging met een duidelijk omschreven beginsel, zodat kiezers met andere staatkundige beginselen geweerd konden worden. Die beginselen waren, zoals hiervoor beschreven, het weren van Groen van Prinsterer en het bevorderen van de verkiezing van een aanhanger van het ministerie-Thorbecke. Alle kiezers van de vereniging werden volgens Van Haersolte verplicht het beginselprogramma te ondertekenen. De minderheid kreeg tevens de verplichting de kandidaat van de meerderheid te kiezen en te helpen verkiezen. Aangezien een aantal kiezers zich hier niet mee kon verenigen, verlieten zij de vergadering, waarna het plan opgevat werd een eigen kiezersvergadering op te richten, waar staatkundig gelijkgestemden een onderdak konden vinden. Volgens Van Haersolte kwam het daar in 1852 nog niet van, omdat de tijd tot de Tweede-kamerverkiezing te kort was.

In een ingezonden stuk in Overijssel reageerde Van Ketwich Verschuur op de beweringen van Van Haersolte. Van Ketwich ontkende dat het programma van de kiezersvergaderingen tot 1852 zeer ruim gesteld was.29 [29. Overijssel 389, vrijdag 27 mei 1853.] Volgens hem had het programma altijd een duidelijk liberaal karakter gehad, aangezien er o.a. in op was genomen: “opregt vrijzinnige beginselen, godsdienstige verdraagzaamheid, opregte en eerlijke uitvoering der grondwet en bezadigde ontwikkeling van de staatsburgerlijke regten des Volks”. Tot verwondering van de liberalen hadden uitgesproken behoudzuchtigen altijd ijverig aan deze vergaderingen deelgenomen. Van Ketwich Verschuur stelde dat het Bureau van de vergadering zich altijd keurig had opgesteld ten opzichte van deze lieden, en nooit door “onkiesche of inquisitoriale vragen” blijk had gegeven van haar verwondering over die aansluiting in het openbaar. Ook over de bedoeling daarvan had men nooit in het openbaar vragen gesteld. Een voorval in 1851 had het bestuur van de kiezersvergadering volgens hem echter een andere koers doen inslaan. Nadat de kiezersvergadering voor de gemeenteraadsverkiezingen in 1851, onder deelneming van de conservatiefgezinden, haar werk had gedaan, hadden de aanhangers van het behoud een besloten club boven “De Groote Sociëteit” opgericht. Deze club had volgens Van Ketwich Verschuur als doel het tegenwerken van bepaalde kandidaten van de kiezersvergadering en het doen verkiezen van de eigen kandidaten. Bij de eerst volgende gelegenheid, de Tweede-Kamerverkiezingen van 1852, werden daarom maatregelen genomen, aangezien de ware bedoelingen nu duidelijk geworden waren en herhaling voorkomen moest worden. Met slechts 7 tegenstemmers werd het verplicht gesteld om een verklaring te ondertekenen waarin stond dat men de

|pag. 36|

kandidaat van de vergadering moest ondersteunen en geen pogingen in het werk mocht stellen om andere kandidaten gekozen te krijgen. Daarnaast werd de anti-Groenbepaling aangenomen. Het bestuur nodigde daarop iedereen uit de verklaring te tekenen. Hier tegen maakten Van Haersolte en zijn aanhang bezwaar, waarna zij, tien man sterk, de vergadering verlieten. Van Ketwich Verschuur ontkende in zijn ingezonden artikel dat er in 1852 besloten was de algemene kiezersvergadering om te zetten in een vereniging met een liberaal beginsel, zoals Van Haersolte beweerde. Vanaf het begin in 1848 was het programma duidelijk geweest, maar uit opportunistische redenen sloten zich ook andersdenkenden aan, met het doel de grondslag, uit tactische overwegingen, uit te rekken.

Na de vergadering van 28 mei waar Van Haersolte en zijn aanhangers de aftocht hadden geblazen, werd op de vergadering van 2 juni Van Diggelen met overgrote meerderheid tot kandidaat gekozen.30 [30. Overijssel 45, 4 juni 1852.] De opzet van Van Ketwich Verschuur was dus niet gelukt, De Vos van Steenwijk was blijkbaar niet aanvaardbaar voor de nu wat duidelijker liberale vergadering. De verdeeldheid over Van Diggelen blijkt duidelijk uit de verkiezingsresultaten van 8 juni. Groen kreeg 520 stemmen, Van Diggelen 499, terwijl de in Kampen kandidaatgestelde liberaal J.C. Bijsterbosch 403 stemmen kreeg.31 [31. Overijssel 289, vrijdag 11 juni 1852.] Deze uitslag maakte een herstemming tussen Groen en Van Diggelen noodzakelijk, net zoals in 1850. In de weken voor de tweede ronde van de verkiezingen werd in de oplaaiende verkiezingsstrijd duidelijk van welke kant het ongenoegen over Van Diggelen kwam. Met name de Kamper Courant deed er alles aan om hem niet gekozen te laten worden. Opmerkelijk is dat Overijssel in eerste instantie geen aandacht besteedde aan het conflict rond Van Diggelen.
Pas toen enige kiezers in een ingezonden stuk hun bevreemding hadden uitgesproken over het stilzwijgen, begon men met het plaatsen van pro-Van Diggelen artikelen.32 [32. Overijssel 291, vrijdag 18 juni 1852, tweede uitgave.] Ook de POZC en het Handelsblad mengden zich in de strijd en toonden hun verbazing over het handelen van de Kamper Courant. Dat blad schilderde de ingenieur van waterstaat af als een “ijverig arbeider in zijn vak”; als het om dammen en dijken ging, achtten zij hem hoog.33 [33. POZC 50, 22 juni 1852.] Voor het werk van wetgever vond men hem echter ongeschikt. Dat oordeel was, volgens de POZC en het Handelsblad, met name gebaseerd op de rede die Van Diggelen voor de kiezersvergadering had gehouden. Die rede zou, naar het oordeel van de Kamper Courant, van een slechte stijl getuigen. Dat argument wekte de verontwaardiging op van de twee voornoemde dagbladen. Zij wilden Van Diggelen beoordelen op zijn staatkundige principes, en die waren, getuige zijn redevoering, zuiver liberaal. Overijssel was van mening dat het juist nuttig zou zijn een ingenieur in de Kamer te hebben.34 [34. Overijssel 292, dinsdag 22 juni 1852.] Aan mannen die konden bijdragen aan de materiële welvaart was volgens het blad een groot gebrek in de Tweede Kamer. De Kamper Courant vertoonde een merkwaardige beginselloosheid en een zonderling staatkundig inzicht, vond de POZC, want niet alleen steunde men Van Diggelen niet, de kiezer werd ook opgeroepen om op Groen van Prinsterer te stemmen.35 [35. POZC 50, 22 juni 1852.] Groen was volgens het Kamper blad toch onmachtig om de stroom des tijds terug te dringen terwijl hij door zijn scherpe kritiek de vooruitstrevenden wakker zou houden.
Een grove onderschatting van de kwaliteiten en de scherpzinnigheid van Groen, volgens het commentaar in de POZC.

Het Handelsblad maakte zijn lezers duidelijk dat Groen maar 500 van de 1500 stemmen in de eerste ronde had vergaard.36 [36. Dit artikel in het Handelsblad werd overgenomen in Overijssel 292, dinsdag 22 juni 1852.] De meerderheid had gestemd op de liberalen Van Diggelen en Bijsterbosch. Het blad riep de kiezers, die in de vorige ronde hun stem op Bijsterbosch hadden uitgebracht, op zich te bezinnen en geen gehoor te geven aan de oproep uit Kampen. Groen was de vorige keer in Zwolle ook al gekozen door een dergelijk conflict en dat moest nu voorkomen worden. Volgens het blad zou het onbegrij-

|pag. 37|

pelijk zijn als een district dat Sloet tot Oldhuis afvaardigde, bij voortduring ook Groen zou kiezen.

Op de dag van de herstemming tussen Groen en Van Diggelen, deed het bestuur van de Zwolse Kiesvergadering37 [37. Hiervoor had men zich altijd De Zwolse Kiezersvergadering genoemd. Nu, vlak na de breuk met Van Haersolte c.s. noemt ment zich De Zwolse Kiesvergadering.] in een advertentie een poging de zaken een andere wending te geven.38 [38. POZC 50, dinsdag 22 juni 1852.] Bij de eerste ronde waren de aanhangers van Groen trouw opgekomen, stelde men, terwijl veel liberale kiezers hun stem niet hadden uitgebracht. Hun aandacht werd er nog eens op gevestigd dat het bij deze verkiezing niet zo zeer om de personen, maar om de beginselen ging. Het bestuur deed vooral een beroep op de kiezers die de vorige keer niet op Groen of Van Diggelen hadden gestemd. Dat konden in ieder geval geen aanhangers van Groen zijn, dacht men. Het bestuur verzocht de kiezers aan hun beginselen vast te houden en op Van Diggelen te stemmen, hoe zeer zij ook de voorkeur gaven aan andere liberalen. Het argument van de Kamper Courant dat Groen ongevaarlijk was, werd krachtig verworpen. Ook deze laatste poging kon geen einde maken aan de liberale verdeeldheid want met 928 tegen 808 stemmen versloeg Groen van Prinsterer zijn liberale tegenkandidaat. Opmerkelijk was dat Overijssel geen enkel woord besteedde aan de afloop van deze voor de Zwolse liberalen desastreus verlopen verkiezingen.

5. De verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1853 

Nadat het ministerie-Thorbecke als gevolg van de Aprilbeweging ten val was gekomen, trad het uit conservatief-liberalen en conservatieven bestaande kabinet-Van Hall aan.
Aangezien in de Tweede Kamer de liberalen in de meerderheid waren, kon er van de realisering van Van Halls regeringsplannen weinig terechtkomen. De Kamer werd dan ook ontbonden op 26 april en voor 17 mei werden verkiezingen uitgeschreven. Dezelfde dag publiceerde de Staatscourant een brief van het kabinet aan de koning, waarin het regeringsprogram uiteen werd gezet: handhaving van de grondwet; “minder inmenging van het centraal gezag en een milder toepassing van de bepalingen der Grondwet”; de koning het middelpunt van de regering; een wettelijke regeling van het toezicht op de kerkgenootschappen. Deze brief kan beschouwd worden als een verkiezingsmanifest, waarmee gemikt werd op een samengaan bij de verkiezingen van een brede anti-Thorbecke coalitie, bestaande uit conservatieven, conservatief-liberalen, anti-revolutionairen en groot-protestanten.39 [39. Boogman, Rondom 1848, 136.] Deze verklaring zou centraal komen te staan in de verkiezingsstrijd die in mei in Zwolle uitbarstte tussen de liberalen en hun tegenstanders.

Op dinsdag 3 mei verschenen er twee oproepen voor kiezersvergaderingen in Overijssel.40 [40. Overijssel 380, vrijdag 29 april 1853.] De eerste was afkomstig van het bureau van de Algemene Kiezersvergadering en was ondertekend door Van Ketwich Verschuur en L. Hertzveld. Zij riepen de kiezers op voor een algemene kiezersvergadering die op woensdag 4 mei zou plaats vinden in het Odéon. In de andere aankondiging werd een beroep gedaan op de kiezers die zich konden verenigen met “de beschouwingen van het tegenwoordige ministerie”. Zij werden uitgenodigd voor een vergadering op 6 mei, eveneens in het Odéon. Op de Algemene Kiezersvergadering onder leiding van Van Ketwich Verschuur maakten de leden van het verkiezingsbureau bekend dat zij af wilden treden.41 [41. ibidem 383, vrijdag 6 mei 1853.] Men slaagde er echter niet in om een nieuw bureau te formeren. Er werd een nieuwe vergadering aangekondigd voor woensdag 11 mei in de Harmonie. Op de vergadering van kiezers die zich “konden verenigen met de beschouwingen van het tegenwoordige ministerie” was een groslijst opgemaakt met kandidaten voor de Tweede Kamer.42 [42. POZC 37, dinsdag 10 mei 1853.] Ook had men een Kiezersbureau ingesteld, dat bestond uit W.S. van der Gronden, H.A.D.I. van Haersolte en J.E. van

|pag. 38|

Nes van Meerkerk. Alle drie behoorden zij tot de groep die in 1852 uit onvrede met de anti-Groenmotie de algemene kiezersvergadering had verlaten. Zij kondigden een nieuwe bijeenkomst aan op woensdag 11 mei in het Odéon.

Het optreden van deze nieuwe kiezersvereniging bracht Van Ketwich Verschuur tot een opzienbarende zet. Op de middag van de elfde mei liet Van Ketwich Verschuur briefjes bezorgen bij de kiesgerechtigden, met de volgende inhoud:43 [43. POZC 40, vrijdag 20 mei 1853. De tekst werd aangehaald in een ingezonden stuk van J.C. van Haersolte van Haerst.]

MEDEKIEZERS!

Vermits het ons gebleken is dat de Kiezers-Vergadering on-
der leiding van de Heeren v.d. Gronden, v. Haersolte en v. Nes
v. Meerkerk
, als grondslag heeft aangenomen de woorden uit
den brief der Ministers aan den Koning van den 26 April 1853,
luidende:
     ‘Wij beschouwen de Grondwet als een hechten band tusschen
     Koning en Volk, als een toetsteen van het maatschappelijk
     gebouw, waaraan niet moet worden geroerd. Er is dan ook
     niemand onzer, die er aan denkt, om in de Grondwet eenige
     wijzigingen voor te dragen, en het zal ons streven zijn, om
     hare eerlijke uitvoering te verzekeren, eene uitvoering
     waardoor zoowel de regten en vrijheden der Natie, als de
     regten en prerogatieven der Kroon ongeschonden worden
     bewaard.’
waarmede zich ieder regtgeaard Nederlander kan verenigen;
en vermits de leden van het Bestuur dier Kiezersvergadering
genoegzamen waarborg opleveren, dat zij zich met onpar-
tijdigheid van hunne taak zullen kwijten; zoo verzoek ik,
mede op aanzoek van een aantal leden onzer Algemeene
Kiezers-Vergadering, allen die daaraan deel genomen
hebben of zouden nemen, om gehoor te geven aan de
uitnoodiging, door voornoemde Heeren aan de Zwolsche
Kiezers gedaan tot eene Vergadering in het Odéon op
heden avond ten zeven ure.
De vergadering, door ons op heden avond in de Harmonie
bepaald, wordt intusschen tot nadere oproeping uitgesteld,
daar zij welligt geheel overbodig zou worden, wanneer al
de Kiezers van Zwolle zich kunnen scharen onder ééne
banier: behoud der Grondwet.
     Zwolle, 11 Mei 1853.

J.D. van KETWICH VERSCHUUR.

 
De aanwezigheid van Van Ketwich en zijn medestanders op de vergadering van 11 mei zorgde voor een grote verwarring. Over het verloop van de avond liepen de meningen van de betrokkenen van verschillende zijden behoorlijk uiteen. J.C. van Haersolte van Haerst, één van de organisatoren van de vergadering, gaf in een artikel in de POZC zijn visie op de tumultueuze bijeenkomst.44 [44. POZC 40, vrijdag 20 mei 1853.] Volgens hem was Van Ketwich Verschuur blijkbaar vergeten dat er al in 1852 een splitsing in de kiezersvergadering was opgetreden. Zij die toen de vergadering hadden verlaten wilden nu een eigen kiezersvergadering oprichten. Van Ketwich Verschuur had op deze vergadering dus niets te zoeken. Dit wilde Van Haersolte nog eens extra duidelijk maken door te beschrijven wat er in de weken die vooraf gingen aan de vergadering van 11 mei was voorgevallen. Op 29 april had een elftal kiezers een vergadering belegd, waar besloten werd een oproep in Overijssel te plaatsen en deze oproep, voordat hij geplaatst werd, ter ondertekening voor te leggen aan een aantal medekiezers. Deze oproep verzocht de kiezers “die zich in het alge-

|pag. 39|

meen konden vereenigen met de beschouwingen van het tegenwoordige ministerie” samen te komen op 6 mei in het Odéon. De namen van de 76 ondertekenaars van deze oproep werden in de plaatselijke kranten gepubliceerd. Volgens Van Haersolte was de oproep ook aan Van Ketwich voorgelegd, maar die stuurde hem ongetekend terug. Ongeveer tegelijkertijd publiceerde Van Ketwich Verschuur een oproep voor een algemene kiezersvergadering op 4 mei. Volgens Van Haersolte veroordeelde Van Ketwich Verschuur op die vergadering de oproep van de zgn. “76-groep” en moesten de kiezers zich tegen de kwalijke gevolgen van die oproep verzetten. Het kiezersbureau van Verschuur trad vervolgens af, waarna men er niet in slaagde een nieuw bureau te kiezen. Men maakte de afspraak om op 11 mei in “De Harmonie” verder te vergaderen. Vervolgens vond op 6 mei de vergadering van de “76-groep” plaats. Op die bijeenkomst in het Odéon waren volgens Van Haersolte 123 kiezers aanwezig: 54 van de 76-groep en 69 andere sympathisanten. Zij kozen een bureau, dat gevormd ging worden door W.S. van der Gronden, H.A.D.I. van Haersolte en J.E. van Nes van Meerkerk. De vergadering nam als doel aan de keuze te bevorderen van kandidaten van wie men zeker kon aannemen dat zij het ministerie zouden steunen in de geest van de door het ministerie gepubliceerde brief aan de koning. Daarnaast besloot men zonder verdere staatkundige beschouwingen een groslijst van kandidaten op te maken, waaruit op de volgende vergadering, die op 11 mei zou gaan plaats vinden, een tweetal definitieve kandidaten gekozen zou worden. Om ook de ondertekenaars uit de 76-groep die niet aanwezig waren geweest op de hoogte te stellen van die volgende vergadering, besloot men een nieuwe oproep in de krant te plaatsen. Volgens Van Haersolte was die oproep absoluut niet bedoeld voor niet-leden van de vereniging. Het is duidelijk dat Van Verschuur daar anders over dacht. Van Haersolte beschuldigde hem vervolgens van het stichten van verwarring, door het onjuist citeren uit de brief van de ministers in zijn in Zwolle verspreide oproep aan de kiezers. De bijzin, waarin gesteld werd dat de grondwet wel enige gebreken kende, had hij weggelaten en het woord “hoeksteen” was vervangen door “toetssteen”. In zijn reactie in Overijssel en de POZC stelde Van Ketwich dat deze aanklacht het gebrek aan argumenten van Van Haersolte nog eens duidelijk maakte.45 [45. ibidem, ‘Een woord aan de Kiezers-vereeniging, die zich thans genoemd heeft: Voor Vorst en Vaderland’, J.D. van Ketwich Verschuur.] Het ging alleen om een weglating van overtollige woorden, die, als ze al betekenis hadden, het standpunt van Van Ketwich alleen maar versterkten. Bij het woord “hoeksteen” ging het om een drukfout, die aan de betekenis niets veranderde, volgens hem.

Op de vergadering van 11 mei waren ongeveer 185 kiezers aanwezig. Het Bureau deed een poging de bokken van de schapen te scheiden door van degenen die niet op de vergadering van 6 mei waren geweest te eisen duidelijk te verklaren of zij het eens waren met de beginselen en bedoelingen van de vereniging, zoals die op de vorige vergadering waren vastgesteld.46 [46. ibidem, ingezonden artikel van Van Haersolte van Haerst.] Men moest daar volgens Van Haersolte met een duidelijk ja of nee op antwoorden. Zij die instemden zouden als lid van de vereniging worden beschouwd en zij die ontkenden dienden de vergadering te verlaten. Volgens hem weigerde Van Ketwich hiermee in te stemmen, en “verviel” hij voortdurend in staatkundige beschouwingen. Van Ketwich stelde dat dit nodig was geweest, omdat de gestelde vragen duister waren en voor verwarring zorgden.47 [47. ibidem, ‘Een woord aan de Kiezers-Vereeniging’, Van Ketwich Verschuur.] Hij voegde hier aan toe dat de voorzitter hem allerlei grofs en onhebbelijks toeschreeuwde en hem het spreken onmogelijk maakte. Hij kon daardoor niet ingaan op een aantal aantijgingen, waaronder de beschuldiging dat hij gekomen was om de vergadering in de war te sturen en daar ook niet thuis hoorde. In de POZC en Overijssel probeerde hij die beschuldigingen alsnog te weerleggen. Het was absoluut niet zijn bedoeling geweest wanorde te stichten; daarvoor stelde hij de organisatoren van de vergadering verantwoordelijk, die volgens hem onder valse vlag hadden

|pag. 40|

gevaren. Zij hadden steeds gerept van een “algemeene adhaesie” aan de brief van de ministers. Daar konden Van Ketwich en zijn achterban volledig mee in stemmen, waardoor zij ook in de vergadering thuishoorden. Door de grote opkomst van kiezers die zich daar achter konden stellen, was het bureau genoodzaakt geweest zijn ware bedoeling kenbaar te maken. Volgens Van Ketwich was die bedoeling (...)“in plaats van de Ministers te ondersteunen, (...), de candidatuur te bevorderen van leden, die hen in hun hoofdbeginsel zullen bestrijden”. Door onder valse vlag te varen, hadden Van der Gronden en zijn medestanders velen er toe verleid hen te ondersteunen. Nadat de ware aard van de organisatoren van de vergadering duidelijk was geworden, verlieten Van Ketwich en zijn medestanders de vergadering: (...)“eerst toen zagen wij dat wij in uwe Vergadering niet te huis behoorden, en verwijderden ons.” Volgens Van Haersolte blies men de aftocht omdat men er niet in was geslaagd de vergadering te bemoeilijken of een andere uitkomst te geven.

Helemaal vrijwillig verlieten Van Ketwich en zijn medestanders echter niet de vergadering: Daar kwam de nodige politie inspanning aan te pas. Toen de verwarring op de vergadering toenam, besloot de op de vergadering aanwezige tijdelijk-directeur van politie in Overijssel, P.M. van Goens, tot ingrijpen over te gaan. In overleg met de eveneens aanwezige officier van justitie liet hij zoveel mogelijk agenten optrommelen, die de “wederstrevige” kiezers moesten verwijderen.48 [48. POZC 39, 18 mei 1853.] In een verklaring in de POZC legde Van Goens de verantwoordelijkheid voor de ongeregeldheden bij Van Ketwich Verschuur, die hij betitelde als “eenen der welbekende wederstrevige kiezers”. In zijn in Overijssel geplaatste antwoord haalde Van Ketwich hard uit naar Van Goens, die volgens hem in een hoogst overspannen en zenuwachtige toestand verkeerde.49 [49. Overijssel 387, vrijdag 20 mei 1853.] Er was geen enkele wederstrevige kiezer aanwezig, betoogde hij, alleen kiezers die uitleg vroegen over de zin van een duistere vraag die aan hen gesteld werd. Toen Verschuur wederom om uitleg vroeg aan de voorzitter, was Van Goens tussen hen in gaan staan en had Van Ketwich op luide toon toegebeten: “In naam des Konings !” (2x) in mijne kwaliteit gelast ik u de zaal te verlaten !” Van Ketwich gaf toe, de gezagsdrager toen uitgelachen te hebben, aangezien hij de overtuiging had dat wanneer een ambtenaar van politie als kiezer deelnam aan een vergadering en zich bovendien ook nog in de discussie mengde, niet naar welgevallen van hoedanigheid kon wisselen, om met geweld een door hem ondersteund voorstel door te drijven. Volgens Van Ketwich was Van Goens “in den tegenwoordigen tijd van godsdienstige hartstogtelijkheid” door de reactie op het verkeerde spoor gezet. Hij had altijd gedacht dat Van Goens beginselen volledig in strijd waren met die van de reactie en wenste dan ook met Van Goens die partij te kunnen bestrijden.

Alles wijst erop dat Van Ketwich door zijn opmerkelijke optreden duidelijkheid wilde scheppen: Uit opportunistische overwegingen hadden de conservatieven en anti-revolutionairen tot 1852 deelgenomen aan de onder zijn leiding staande algemene kiezersvergaderingen. Nu hadden zij echter een eigen vereniging, die naast de eigen achterban een brede groep van politiek minder bewuste kiezers wist aan te trekken door te spreken over “steun aan het huidige ministerie”. In een poging die kiezers terug te winnen, probeerde Van Ketwich de ware verhoudingen duidelijk te krijgen door Van den Gronden en zijn medestanders te dwingen hun masker af te werpen.

Na de verwijdering van Van Ketwich en zijn achterban werd aan de nog aanwezige kiezers een verklaring ter tekening voorgelegd.50 [50. POZC 40, vrijdag 20 mei 1853.] Deze verklaring inclusief de namen van de ondertekenaren werd op 13 mei in de POZC gepubliceerd. 148 kiezers verklaarden

|pag. 41|

(...) “te willen vergaderen, om met elkander overtegaan tot het bevorderen eener keuze van Twee Leden voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal, en wel van personen, die men vertrouwen mag, dat zich kunnen vereenigen in het algemeen met de beschouwingen, medegedeeld door het tegenwoordig ministerie aan Z.M. den Koning, blijkens de Nederlandsche Staats Courant van 27 april 1853, en van personen, die tevens het tegenwoordig ministerie willen ondersteunen.”51 [51. POZC 38, vrijdag 13 mei 1853.] Na het aannemen van deze verklaring nam men Groen van Prinsterer en W.L.F.C. van Rappard als kandidaten aan. Verder werd meegedeeld dat op deze vergadering de kiezersvereniging Vaderland en Koning officieel was opgericht.

Nadat Van Ketwich door zijn optreden de verhoudingen duidelijk had weten te maken, werd op donderdag 12 mei de kiezersvereniging Vrijheid en Orde opgericht.52 [52. Overijssel 386, dinsdag 17 mei 1853.] Het bureau van deze liberale vereniging werd gevormd door Van Ketwich Verschuur, J.B. Scheuer en T.H. Ovink. Opmerkelijk is dat naast Vrijheid en Orde en Vaderland en Koning de kiezersvereniging Nederland en Oranje van zich deed spreken. Deze club was ook al naar buiten getreden bij de verkiezingen van 1852, zonder dat er verslagen van de vergaderingen werden gepubliceerd in de plaatselijke kranten. Van Haersolte en zijn medestanders hadden in 1852 ook geen aansluiting gezocht bij deze club. Het grote verschil tussen de twee conservatieve kiezersverenigingen was waarschijnlijk de sociaal-economische achtergrond van hun leden.53 [53. Hagedoorn, De Stemmer stemt, 113.] In 1854 bestond het bestuur van Nederland en Oranje overwegend uit (groot-) handelaren en industriëlen, terwijl dat van Vaderland en Koning bestond uit een rechter, een advocaat/notaris, een uitgever en een wijkontvanger van adellijke huize.54 [54. ibidem] Dit verklaart wellicht waarom Van Haersolte en zijn medestanders in 1852 geen aansluiting hadden gezocht bij Nederland en Oranje: De vereniging was weliswaar geschikt om stemmen te winnen voor Groen van Prinsterer, maar beneden hun maatschappelijke stand. Nederland en Oranje droeg altijd dezelfde kandidaten voor als haar aristocratische zusterpartij. Nadat Vaderland en Koning op 11 mei Groen en Van Rappard kandidaat had gesteld, volgde Nederland en Oranje dat voorbeeld op 12 mei.

De verkiezingsstrijd in de Zwolse pers was, onder invloed van de Aprilbeweging en de gebeurtenissen op de kiezersvergadering van 11 mei, fel van toon. Met name Overijssel sloeg een toon aan die deed denken aan de felste artikelen uit 1848. Er werd de nodige ruimte beschikbaar gesteld voor ingezonden stukken en “varia”. Dinsdag 10 mei werd de Zwolse burger gewaarschuwd voor de ware bedoelingen van de reactie: Onder de schijn van godsdienst wilde men hem beroven van zijn burgerlijke vrijheden en zijn deelneming in het bestuur van stad, provincie en land.55 [55. Overijssel 384, dinsdag 10 mei 1853.] Overijssel riep de Zwolse kiezer op een einde te maken aan de vreemde situatie dat één kiesdistrict twee zo aan elkaar tegengestelde afgevaardigden had als Groen en Sloet: “Water en Vuur zij even goed te vereenigen, als de man der vrijzinnige ontwikkeling en de reactionaire theokraat.”56 [56. Overijssel 385, vrijdag 13 mei 1853.]

Onder de titel De verschijnselen dezer dagen ging men in op de gebeurtenissen op de kiezersvergadering van 11 mei.57 [57. Overijssel 386, dinsdag 17 mei 1853.] De kandidatuur van Van Rappard en het gedrag van de procureur-generaal Van Goens wekten de woede van de krant op. Van Rappard werd ervan beschuldigd als officier van justitie in Zutphen enige duizenden afgescheidenen – “onzer brave en stille medeburgers” - naar de bossen van Noord-Amerika te hebben verjaagd. Het optreden van Van Goens werd als volgt omschreven: “Hij gooit zijn jas los, treedt als een brieschende leeuw voorwaarts, slaat op de borst, wijst op zijn ridderorde, maar wordt met een luid gelach begroet. Hij laat de policiebedienden oprukken tegen de kern van de Zwolsche burgerij en verstopt ze in een kamertje van het Odeon. In zulke

|pag. 42|

handen is de veiligheid en rust van Zwolle overgegaan.”58 [58. ibidem] Volgens Overijssel werd zijn optreden door één doel ingegeven: Het doordrijven van zijn eigen kandidatuur voor de Tweede Kamer.

In de rubriek Varia werd door het plaatsen van stekelige opmerkingen olie op het vuur gegooid. Zo werd aan de Zwolse afgescheidenen retorisch gevraagd of zij wel eens informatie hadden ingewonnen bij hun geloofsgenoten in het arrondissement Zutphen over het optreden van Van Rappard aldaar. Een duidelijke poging om deze groep van rechtzinnige protestanten ervan te weerhouden op Groen van Prinsterer te stemmen. Ook de godsvruchtige boeren probeerde men te winnen voor het liberale kamp, door te benadrukken dat Sloet tot Oldhuis zich altijd voor de boerenstand had ingezet.

De krachtige stellingname van Overijssel kon het tij niet doen keren. Op 17 mei werd Groen van Prinsterer met 1224 stemmen gekozen.59 [59. Overijssel 387, vrijdag 20 mei 1853.] Tussen Van Rappard (869 stemmen) en Sloet (795 stemmen) moest overgestemd worden. Deze uitslag stemde Overijssel bitter.60 [60. ibidem] Men vroeg zich af wat de heren van de Groote Sociëteit (Van den Gronden, Van Haersolte e.a.) er toch toe bracht zich tegen Sloet te keren. Zijn politiek handelen kon het niet zijn volgens Overijssel, want Sloet was geen blind Thorbeckiaan. Men suggereerde dat hun handelen ingegeven was door afgunst: Sloet was bevriend met de burgerij, had wetenschappelijke roem en meer geestesbeschaving dan zij.

In de nummers die verschenen in de weken voor de tweede ronde van de Tweede-kamerverkiezingen op 31 mei, deed Overijssel er alles aan om de positie van Sloet te versterken. Men deed geen pogingen zijn felle tegenstanders te bekeren maar probeerde de kiezers terug te winnen die door de emoties rond de bisschopsbenoemingen in het andere kamp terecht waren gekomen. Daarbij riep men op tot matiging, want volgens Overijssel stond in Zwolle alles en iedereen tegenover elkaar, waardoor de samenleving ontwricht zou raken. Men wilde dan ook het goede voorbeeld geven door de rubriek Varia te beëindigen.61 [61. Overijssel 388, dinsdag 24 mei 1853.] Sloet werd in de verschillende artikelen afgeschilderd als een onafhankelijk persoon, die altijd naar zijn overtuiging handelde. “In een woord, de heer Sloet wilde geen stemmachine onder het ministerie Thorbecke zijn, hij wil dit evenmin onder het ministerie van Hall worden.”62 [62. Overijssel 388, dinsdag 24 mei 1853.] Sloet zou dan ook, betoogde men, het ministerie ondersteunen, als het zich aan zijn programma hield. De kiezer kreeg te horen dat als hij op Van Rappard stemde, hij wel eens voor de laatste keer gestemd kon hebben. De kiezers van het platteland werden er nog eens aan herinnerd dat Sloet een belangrijke rol had gespeeld in het afschaffen van de accijns op het varkens- en schapevlees. Als de plattelandskiezer op Van Rappard stemde, kon hij erop rekenen dat die belasting weer ingevoerd werd.63 [63. Overijssel 389, vrijdag 27 mei 1853.] Ook de afgescheiden-hervormden werden aangesproken. Men verzekerde hen dat Sloet zelfs warme vrienden onder de afgescheidenen had. Hun werd aangeraden nog eens goed te bezien wie die heren waren die Van Rappard in Zwolle wilden laten verkiezen. Zij zouden dan inzien dat het hen niet om het geloof, maar om het standsbelang ging. Het gaat allang niet meer om de bisschoppen, betoogde Overijssel op de dag van de verkiezing, “Alleen reutelt en liegt men er den kiezers op het platteland nog wat van voor.”64 [64. Overijssel 390, dinsdag 31 mei 1853.] Optimistisch constateerde men dat velen begonnen te twijfelen of ze met het verkiezen van al die conservatieven niet te ver waren gegaan. De liefde voor de grondwet en de vrijheid begon weer op te bloeien en het volk was verontwaardigd over de ophitsende rol van de predikanten.

|pag. 43|

Op 31 mei werd Sloet tot Oldhuis met 1009 stemmen gekozen. Van Rappard wist slechts 883 stemmen te vergaren.65 [65. Overijssel 391, vrijdag 3 juni 1853.] Volgens Overijssel heerste er grote blijdschap in Zwolle, alhoewel die voornamelijk kenbaar werd gemaakt bij degenen die zich hadden aangesloten bij Vrijheid en Orde.66 [66. ibidem] Blijkbaar had het verzoeningsbeleid van Van Hall de gemoederen wat tot bedaren gebracht, waardoor Sloet, die in Zwolle op een grote, divers samengestelde achterban kon rekenen, toch gekozen werd. Dat in Zwolle behoorlijk veel kiezers op een liberaal wilden stemmen, -mits hij voorzien was van een adellijke titel- bleek in 1854, toen Groen van Prinsterer verslagen werd door baron J.P.P. van Zuylen tot Nijevelt. Tot 1860 vaardigde Zwolle vervolgens twee liberalen af naar de Tweede Kamer,67 [67. Hagedoorn, De Stemmer stemt, 113.] waaruit nog eens blijkt hoe de door godsdienstige geschillen verhitte gemoederen in 1853 de verkiezingen bepaalden in Zwolle.

|pag. 44|

Category(s): Zwolle
Tags: , ,

Comments are closed.