Het Broeren-Klooster van Sint Thomas van Aquino te Zwolle

HET BROEREN-KLOOSTER

VAN

SINT THOMAS VAN AQUINO

te ZWOLLE.

________

     De bul waarbij paus Paulus II, den 7den Juni 1465, den vicaris generaal der hollandsche congregatie van de Dominicanen vergunning schonk eene kerk en klooster Sint-Thomas van Aquino ter eere te stichten, luidt aldus:
     Paulus Episcopus, 1 [1. Bullarium Ord. Praed. IIIde d. bl. 448.]) Servus Servorum Dei, dilectis filiis Vicario Generali et Fratribus Congregationis Hollandiae, Ordinis Fratrum Praedicatorum, Salutem et Apostolicam Benedictionem. — Sacrae religionis sub qua in humilitatis spiritu sub arcta observantia, devotum et sedulum exhibetis Altissimo famulatum, promeretur honestas, ut in iis, per quae divinus cultus augeri, et regularis observantia peramplius dilatari valeat, votis vestris favorabiliter annuamus. Hinc est, quod Nos, vestris in hac parte supplicationibus inclinati, vobis, ut unam Domum pro usu et habitatione aliquorum Fratrum Ordinis Praedicatorum Congregationis vestrae Hollandiae juxta morem dicti Ordinis,

|pag. 352|

cum Ecclesia, humili campanili, campana, coemiterio, claustro, hortis, hortalitiis aliisqne necessariis officinis in honorem S. Thomae de Aquino, ejusdem, dum vixit, Ordinis professoris in aliquo loco in Dioecesi Traject, ad hoc congruenti et honesto, de quo vobis videbitur, construi et aedificare facere, illamque aut unam aliam, ab aliis constructam et aedificatam, si alias vobis concedatur, pro usu et habitatione in similibus reperire et perpetuo retinere et inhabitare, libere et licite valeatis, sine tamen praejudicio Parochialis Ecclesiae ejusque et cujuslibet alterius jure, in omnibus semper salvo, felicis recordationis Bonifacii P.P. VIII prohibente, ne Fratres Ordinum Mendicantium in aliqua Civitate, Villa, Castro seu alio loco quocumque ad inhabitandum domos, vel loca quaecumque, de novo recipere aut hactenus recepta mutare praesumant, absque sedis Apostolicae licentia speciali faciente plenam et expressam de prohibitione hujusmodi mentionem aliisque Constitutionibus et ordinationibus Apostolicis, ceterisque contrariis, nequaquam obstantibus, auctoritate Apostolica tenore praesentium, licentiam elargimur. Praeterea Fratribus Ordinis et Congregationis praedictorum, qui in dicta domo pro tempore moram trahunt, ut omnibus et singulis privilegiis immunitatibus, exemptionibus, indultis et gratiis Ordini et Congregationi praedicto concessis, potiri, gaudere valeant, auctoritate praedicta, earumdem tenore praesentium indulgemus. Si quis etc. Datum Romae apud S. Petrum Anno Incarnationis Dominicae Millesimo Quadringentesimo Sexagesimo Quinto, Septimo Idus Junii. Pontificatus nostri Anno Primo.’’
     Opdat derhalve de strenge nakoming van den regel meer mocht worden bevorderd, gaf de paus vergunning

|pag. 353|

een klooster in het bisdom van Utrecht op te richten.
     Het schijnt dat, op het eerste kapittel der Congregatie te Ryssel gehouden, bepaald was, dat men in genoemd bisdom naar eene geschikte plaats zou uitzien, om dáár een klooster te bouwen, van waar men door het goed nakomen der constitutiën, ook op de nabijgelegene kloosters invloed zou uitoefenen dit voorbeeld na te volgen. De stad Zwolle als tusschen Leeuwarden en Zutphen gelegen, werd voor dat doel gekozen.
Wijl in de akten van Haarlem’s Kapittel, den 22 Juli 1465 gehouden, geen spraak is van den bouw eens kloosters, zal de vicaris eerst later den pauselijken brief hebben ontvangen.
     De eerbiedvaardige Thomas van Kempen zegt ons, dat het klooster der Dominicanen te Zwolle, gewoonlijk bekend onder den naam van Broeren-Klooster, in 1465 werd gesticht, waarmede hij bedoelen zal dat in dit jaar een begin met den bouw werd gemaakt. De stichter van het klooster was niet Alanus de Rupe, zooals Roswijdus en na hem Hattum 2 [2. Geschiedenissen der stad Zwolle, IVde d. bl. 204.]) beweren, maar Engelbertus Messemakers, toen lid van het zutphensche klooster.
     Pater Engelbertus Messemakers 3 [3. In den tijd van Engelbertus leefde ook Joannes Messemakers. Wij vinden zijn naam slechts vermeld onder de suffragia mortuorum van het kapittel in 1479 gehouden. Dat hem daar eene bijzondere vermelding ten deel valt, bewijst, dat hij uitstekende diensten aan de Congregatie heeft bewezen.] werd volgens Quétif en Echard 4 [4. Scriptores Ord. Praed. Iste d. bl. 875.]) te Nijmegen geboren, waar hij ook het kleed der orde zou hebben aangenomen. In dit laatste echter vergissen zij zich, wijl wij uit de regesta

|pag. 354|

magistrorum generalium Ord. Praed. weten dat Messemakers eerst in April 1476 van het zutphensche aan het nijmegensche klooster werd geaffilieerd. Omstreeks 1460 voltrok hij zijne studiën te Erford onder de leiding van de magister Andreas Comitis, die na eenige jaren provinciaal der saksische provincie te zijn geweest, in 1479 van den generaal de toestemming ontving de bisschoppelijke waardigheid aan te nemen. Toen Messemakers in 1465 tot lector principalis 5 [5. Acta Congr. Hollandiae.]) te Zutphen werd benoemd, had hij reeds den graad van het bacalaureaat behaald. Nog in hetzelfde jaar begon hij den bouw van het klooster te Zwolle dat, door de ruime aalmoezen der Zwollenaars en andere weldoeners, reeds na drie jaren geschikt was eene geregelde communiteit te bevatten. In 1473 bood de bouw zulk eene ruimte, dat men er een kapittel kon houden. Acceptamus ,,dus zeggen ons de akten van het generaal kapittel in 1468 te Rome gehouden’’ in conventum ordinis locum juxta muros insignis oppidi Swollensis, Trajectensis dioecesis, erectum sub titulo S. Thomae de Aquino, cujus curam committimus vicario congregationis Hollandiae, ut eidem de priore provideat et fratribus.’’
     Het kapittel der congregatie in het zelfde jaar te Rotterdam vergaderd zond er de paters Henricus Waert als magister studentium, Mathias van Haarlem, Joannes Ossenburg, Cornelis Scarpenis, Theodoricus Simons, Joannes Hospitis en de studenten Joannes van Nijmegen en Benedictus Driesters.
     Om de weinige bekendheid met den goeden geest der congregatie, of wel uit vrees dat, deze later tot verslapping zou overslaan moesten de prior Messema-

|pag. 355|

kers 6 [6. Gesch. v. Zwolle IVde d. bl. 204.]) en de supprior Pieter van Golde aan de stedelijke regeering beloven, dat de kloosterlingen steeds volgens de voorschriften hunner orde zouden leven en indien zij daarvan afweken had de regeering het recht en de macht hen tot nakoming te vermanen. Zoo het gebeurde dat een of meer kloosterlingen aan de bevelen van hunne oversten ongehoorzaam bleven, moest de regeering de behulpzame hand bieden om de onwilligen tot hun plicht te brengen. Van deze belofte gaf de prior, den 4 December 1468, een verzegelden brief, die ook door den vicaris generaal, Joannes Utenhoven, was onderteekend.
     Elf jaren later 7 [7. Ibid. bl. 208.]) moest wederom de vicaris generaal Adrianus de Mera aan de stedelijke regeering beloven, dat het klooster in de observantie zou blijven volharden, en nooit bij de saksische provincie zich zou aansluiten. Van deze handelwijze vonden wij niet de naaste reden. Niet onwaarschijnlijk staat zij in verband met de pogingen door eenige abten in het vorige jaar in Friesland aangewend om ons klooster te Leeuwarden, dat in 1476 tot de hollandsche congregatie was overgegaan, wederom tot de saksische provincie terug te brengen. In meergenoemde regesta staat aangeteekend:’’ 1478, 21 Maji: respondetur multis abbatibus quod conventus Lewardensis partium Frisae Trajectensis diocesis remanet sub congregatione Hollandiae.’’
Zooals ik reeds vroeger in de geschiedenis onzer kloosters te ’sHage en Haarlem schreef, had de congregatie ook van buiten met een tal van moeilijkheden te kampen, om den goeden geest uit te breiden en te bewaren.

|pag. 356|

     Gelijk op andere plaatsen in Nederland, zoo werd ook tusschen den pastoor der Sint-Michielskerk en het kapittel van Deventer, waarvan die parochiekerk afhankelijk was, en den prior van het klooster een overeenkomst gesloten omtrent het recht der begrafenis van leeken op den kloostergrond en de regeling der godsdienstoefeningen in de kloosterkerk. Die overeenkomst door Utrecht’s bisschop David van Bourgondie bekrachtigd, luidt:
     In primis 8 [8. Historia Episcopatus Davenstr.]) videlicet quod ipsi Fratres singulis diebus debeant et teneantur suas Missas dixisse, cantasse et complevisse hora 9 ante prandium, Dedicationis Ecclesiae, Patronorum ac quando duae Missae occurrunt cantandae et quoties prima Missa per aliquem fratrem conventualem cantatur, diebus exceptis; quibus exceptis diebus licet fratribus ipsis si voluerint, suas Missas secundum exigentiam et postulationem festorum et temporum longius et diutius protrahere. Item fratres ipsi in anteprandio et similiter in postprandio in IV festis principalioribus ac aliis diebus et festis, quibus in postprandio per pastorem vel suos solitum et consuetum est praedicari nunquam praedicabunt, salvo quod si fratres ipsi voluerint poterunt in dictis IV festis principalibus in et apud dictam parochialem ecclesiam praedicare, licentia pastoris seu ipsius locumtenentis super hoc petita, quam eis ad hoc dare non denegabit.
     Item fratres et conventus praedicti solum et duntaxat duos eorum fratres ex praesentatis per eos et admissis per nos aut nostrum vicarium ad audiendam confessionem populo in ecclesia seu monasterio eorum tenebunt et deputabunt, adjecto quod per unam sep-

|pag. 357|

timanam ante Paschae et Nativitatis festa poterunt, si voluerint, de licentia pastoris super hoc petita, dictis diebus deputatis, tertium similiter praesentatum et admissum adjungere, quam licentiam pastor ipse seu ejus locumtenens similiter eis concedet et indulgebit.
Item si aliquis apud ipsos fratres seu eorum loca sepeliri voluerit et elegerit, fratres ipsi pro his, quae eis per circulum anni post primas exequias offerunt et in ceriis et in aliis ratione dicti sepeliendi apportantur et deferuntur, dabunt et solvent libere pastori seu rectori dictae parochialis ecclesiae pro quolibet defuncto et apud eos sepeliendo unum medium scutum antiquum Franciae vel ejus verum valorem: salvo tamen quod exequiae dicti defuncti et sepeliendi ac alia agenda in et apud dictam parochialem ecclesiam aeque bene fient et peragentur, prout in talibus et similibus hactenus fieri solitum est et consuetum.
     Waarschijnlijk bleef Messemakers prior tot in 1474, toen hij van den generaal der orde de toestemming ontving om, niet aan de universiteit van Erford, maar aan eene andere den graad van het magisterium te behalen. Waar hij dien behaalde is mij niet gebleken; doch wederom toonen ons de regesta aan, dat hij in November van het volgende jaar reeds dien graad had behaald, en te Arnhem als terminaris woonde. Kort moet aldaar zijn verblijf zijn geweest, want reeds in April 1476 was bij prior te Nijmegen. In 1479 stond hij aan het hoofd der religieuse communiteit te Bremen.
Dit convent, waar kort geleden door den provinciaal van Saxen een betere tucht was ingevoerd, ging, zeker niet zonder de bemiddeling van zijn prior, in 1481 tot de hollandsche congregatie over.
     Omstreeks 1490 werd Messemakers in zijn convent

|pag. 358|

te Nijmegen tot een beter leven opgeroepen. Bij de algemeene suffragia mortuorum van het kapittel te Calcar in 1491 gehouden werd gevoegd: Item pro animabus R.R. P.P. magistrorum Pagani Dolon et Engelbertus Cultrificis, QUI FUIT FUNDATOR ET PRIMUS PRIOR SWOLLENSIS, quilibet sacerdos unam missam, clerici et laici unum psalterium Marianum.
     Tijdens zijn verblijf te Nijmegen schreef hij:

DECLARATIO PRIVILEGIO-
RUM FRATRUM MENDICANTIUM.

     Epistola declaratoria jurium et privilegiorum fratrum or//dinum mendicantium contra quosdam articulos erroneos // condemnatos quorundam magistrorum et curatorum ecclesiarum // parochialium.
     Epistola brevis ac perutilis de symonia vitanda // in receptione noviciorum ad religionem.
     In fme: Finis epistolae declaratoriae privilegiorum fratrum mendican//tium, necnon epistolae de symonia vitanda in receptione noviciorum // ad religionem, editarum in conventu Novimagensi ordinis praedica//torum per Reverendum magistrum Engelbertum ejusdem ordinis // fratrem ac sacrae Theologiae professorem eximium. Impressum deni//que Reutlingiae per magistrum Johannem Otmar anno Domini // MCCCCXCII Sabbato terciae adventus dominicae.
     In stylo gothico in quarto.
     Genoemd werk berust in onze kloosterbibliotheek te Nijmegen. De eerste druk verscheen in 1479 te Nijmegen bij Joannes Westphalen: nog in hetzelfde jaar werd het ook gedrukt door Andreas Boule zonder vermelding van plaats, verder te Keulen in 1497, te Parijs in 1507 en te Delft in 1508 door Petrus Lettersnijder.

|pag. 359|

     Volgens een brief van H.D.J. van Schevichaven in de Nieuwsbode bij Thieme te Nijmegen van Maart 1870, werd de eerste nijmegensche druk in dat jaar te Londen verkocht voor ƒ 109,50 en had tot titel: Epistola Declaratoria ac Defensoria jurium Privilegiorum Ordinis Mendicantium.
     In fine: Explicit Epistola Declaratoria edita et compilata in conventu Neomagensi Ordinis Praedicatorum per reverendum magistrum Engelbertum Cultificis ordinis ejusdem, ac sacrae theologiae professorem eximium.
Anno Domini MCCCCLXXIX, atque in eodem anno diligenter et fideliter impressa ad honorem Dei omnipotentis, cujus nomen est benedictum per saecula, Amen.
     Het schijnt dat de eerste uitgave den brief over de simonie niet bevat.
     Thans zouden wij na den stichter des kloosters, volgens de chronologische volgorde het leven van een religieus moeten behandelen, die het Broeren-klooster om zijn heilrijken werkkring ten eeuwige dage tot eer strekt, aldaar zijn laatste rustplaats vond en wiens naam ook nog lang, nadat zijne ordebroeders waren verbannen, te Zwolle in zegening bleef. Wij bedoelen Alanus de Rupe of, zooals onze voorouders hem noemden, Alanus van der Clip, den hersteller van het Rozenkransgebed. Wijl echter om de voorkomende moeilijkheden in zijne nagelatene geschriften onze studie over het leven, doch bijzonder over zijne werken wat breedvoerig werd, zoo willen wij, om niet te veel de geschiedenis der zwolsche Dominicanen te onderbreken, Alanus in een afzonderlijk artikel bespreken, dat hier achter zal volgen.
     Het is te betreuren, dat de archieven ons zoo weinig van het Broeren-klooster hebben bewaard. Behalve een

|pag. 360|

inventaris der goederen en een rekeningen-boek over de laatste elf jaren, bewaren de archieven der gemeente Zwolle geen oorkonden over ons klooster. Ofschoon wij van de meeste onzer dominicaner kloosters in Nederland weten, waar de archieven in de eerste jaren der reformatie werden bewaard of heengevoerd, hebben wij nergens een spoor der zwolsche ontdekt, niettegenstaande de papieren des kloosters nog kort voor de opheffing door pater Paulus Lieshout waren overgeschreven. Door de onverwachte en overhaaste verbanning der paters in 1580 zullen zij in handen van particulieren gekomen en aldus verloren zijn geraakt. Van de paters, die in Zwolle hebben geleefd en gewerkt, moeten wij naar de waardigheden, die zij hebben bekleed en, naar den lof, waarmede men in enkele woorden van hen spreekt, oordeelen, dat er steeds mannen waren, die geheel in den geest van den H. Dominicus, zich beijverden om den kloostergeest aan te wakkeren en door onderwijs en prediking het zielenheil volijverig te bevorderen; bijzondere feiten vinden wij schaars vermeld. Dit zal de geschiedenis verder leeren.
     Zooals wij reeds boven zagen was Henricus Waert in 1468 lector studentium. Na een tweejarig verblijf volgde hem de professor der wijsbegeerte Joannes Woest op, en schijnt hij zelf naar Rostock te zijn gestrokken.
Later vinden wij hem — volgens de regesta magistrorum generalium — te Riga weer, waar hij prior was.
De generaal ontsloeg hem op zijn verzoek van die waardigheid, en hij kon, na den graad van het magisterium te hebben behaald, te Utrecht of ’s Bosch professor worden. Op de kapittels van 1478 en ’81 werden achtereenvolgens Wilhelmus Stalebergh en

|pag. 361|

Arnoldus Goer, lectoren der logica aangesteld. Ofschoon Dominicus van Zwolle zijne studiën nog niet geheel had geëindigd, werd hij toch door het kapittel in 1473 bekwaam gekeurd, om als professor der logica te Rostock op te treden. Drie jaren later verklaarde hij daar het liber sententiarum, verkreeg den graad van bacalaureus en was volgens de regesta in 1488 prior van het aloude studiehuis te Maagdenburg.
     Van de zwolsche conventualen of inboorlingen, die de orde hadden omhelsd, vonden wij de volgende leden, die hunne studiën in eene universiteits-plaats voltrokken. Nicolaus van Zwolle was in 1474 student te Keulen, dezelfde of zijn naamgenoot stond op den 25sten October 1479 in de matricula der universiteit van Heidelberg 9 [9. Handelingen v.d. Maatschappij der Nederl. Letterkunde. 1886.]) aangeteekend. Verder tegen in 1493 Gerard Mulert en in 1503 Theodoricus van Bolsward naar Parijs, Dominicus van Zwolle in 1510 naar Keulen en Gerardus en Dominicus van Zwolle in 1525 naar Leuven. In 1505 wees het algemeen kapittel der orde Andreas van Overijssel aan, om in ons klooster te Heidelberg het liber sententiarum te verklaren.
     Godefridus de Busco was reeds omstreeks 1475 prior te Maagdenburg, toen hem het algemeen bestuur over de kloosters in het noorden van Pruissen en in Rusland werd opgedragen. Van daar werd hij in 1487 prior te Zwolle. Hoe lang hij daar de communiteit bestuurde, staat niet vermeld; in 1496 stond hij aan het hoofd van het haagsche convent.
     Reynaldus de Tremonia werd door het kapittel in 1496 tot supprior aangesteld. Het Belgium Dominicanum (bl. 323) prijst hem als een uitstekend prediker

|pag. 362|

en als een religieus die door woord en daad den goeden kloostergeest bevorderde. Daarom kozen zijne ordebroeders hem te Calcar, Nijmegen en Wismar tot hun prior. In 1505 droeg hem het kapittel op om te Rome de belangen der hollandsche congregatie te behartigen. Volgens het Necrologium van het calcarsche klooster stierf hij den 29sten Juni, volgens het Belg. Dom. den 13den Juni 1514.
     Ofschoon ik vroeger op het gezag der Desolata Batavia Dominicana schreef, dat Jacobus de Stella tot het utrechtsche klooster behoorde, vond ik tweemalen in de regesta magistrorum generalium, achter zijn naam geschreven, filius convenius Swollensis. Volgens die zelfde bron benoemde hem de generaal in 1490 tot algemeen prediker en werd hem tevens toegestaan aan eene universiteit de H. Schriften of het liber sententiarum te verklaren, ten einde den graad van het magisterium te behalen; in Augustus 1490 mocht hij den titel van magister voeren. Spoedig daarop zal hij prior zijner broeders te Zwolle zijn geweest; althans bekleedde hij die waardigheid — volgens de aanteekeningen van p. de Jonckheere — in 1499. Vervolgens in het begin van 1500 biechtvader onzer zusters te Leiden, was hij in 1508 vicaris van het Utrechtsche klooster. In 1519 ging hij de eeuwige rust in.
     Tijdens het leven van Jacobus de Stella stichtte Ludovicus de Sanctis of Zanctis zijne kloosterbroeders te Zwolle door een heiligen levenswandel. Volgens de regesta van Augustus 1496 stond hem de generaal toe den graad van het magisterium aan te nemen op voorwaarde, dat het kapittel der congregatie de toestemming zou verleenen. Terwijl de generaal der orde Vincentius Bandelli in 1503 de nederlandsche kloosters

|pag. 363|

bezocht, werd hem in vereeniging van den magister Jacobus Ridder, later wijbisschop en vicaris generaal van het bisdom Utrecht, de vereerende doch moeilijke taak opgedragen eene betere kloostertucht te Zierikzee in te voeren. Ditzelfde verdienstelijke werk verrichtte hij ook met het beste gevolg drie jaren later te Groningen.
     Aan den prior Lambertus Fabri had het convent in 1511 de grondslagen zijner schoone gothieke kerk te danken. Op den muur der kerk 10 [10. Bat. Des. Dom. Bl. 188]) stond weleer gegeschreven:
     ,,Als men schreef duisent, vijfhondert drie en acht,
     Werd den eersten steen aan dese Kerck ghebracht.’’
     Evenals het klooster, is ook de kerk aan den engelachtigen kerkleeraar St. Thomas van Aquino toegeheiligd. Jaarlijks werd de wijding op den Zondag na het feest van den H. Apostel en Evangelist Mattheus (21 September) herdacht. Gelijk andere oude dominicaner kerken in Nederland, zoo heeft ook deze kerk een schip met slechts één zijbeuk, die op zeven zeer hooge en ranke pilaren rust. In het ruime priesterkoor zijn elf hooge ritmen aangebracht. Op het frontispies van het schip der kerk stond in 1673 11 [11. Ibidem bl. 199.]) nog het beeld van O.L.V. van den H. Rozenkrans en op dat van den zijbeuk een van den H. Dominicus. In 1659 had de magistraat nog laatstgenoemd beeld met twee ankers in den muur laten bevestigen.
     Niet onwaarschijnlijk was Thomas van Wolterchem — Des. Bat. Dom. noemt hem Theodoricus Woldricom — de opvolger van Lambertus Fabri, althans was hij prior in 1515 en ’17, toen hij als diffinitor aan de

|pag. 364|

kapittels van Gent en Utrecht deelnam. Hij bekleedde ook de priorale waardigheid te Calcar en in 1540 te Zierikzee. 12 [12. Aanteekeningen van pr. Jac. Brouwers.]) Men prijst hem als een religieus die alle goede hoedanigheden voor een professor, prediker en overste vereischt, in zich vereenigde.
     Bernardus of Barend Gruwel van Emmerik, aldus naar zijne geboorteplaats genoemd, stond voor zoo ver wij dit zeker weten van 1529 tot ’50 aan het hoofd der communiteit te Zwolle, waar hij ook het kleed der orde had aangenomen. De prior was op de kapittels van Calcar in 1529, van Zwolle in 1538 — dat wegens de pestziekte niet in het klooster maar in het Sint Hieronymus-fraterhuis werd gehouden — van Valenciennes in 1540 en van Nijmegen in 1548 diffinitor.
     Blijkens een schrijven 13 [13. Kerkhistorisch Archief van Kist en Mol, Iste d. bl. 115.]) in 1547 van Maria voogdes der Nederlanden aan den kanselier van Gelderland was Gruwel in 1525 door den paus en den keizer tot inquisiteur benoemd over de landen in Neder-Germanie.
     Ofschoon wij uit de geschiedenis eenige feiten kennen zijner werkzaamheden als inquisiteur te Harderwijk, Deventer, Amersfoort en Arnhem verricht, is het te verwonderen, dat zij het stilzwijgen bewaart over datgene, wat hij tot wering der ketterij in Zwolle heeft gedaan. Wijl de ketterij aldaar niet minder hare verwoestingen aanrichtte, als op boven genoemde plaatsen, mogen wij zeker veronderstellen, dat hij te Zwolle niet minder voor de zuiverheid van den Katholieken godsdienst zal hebben geijverd. In de ,,Geschiedenissen der stad Zwolle’’ blijkbaar met zooveel nauwkeurigheid geschreven, komen sinds het jaar 1532 vele gevallen

|pag. 365|

van afval van het katholieke geloof voor en van verbanningen op Wederdoopers en Lutheranen toegepast.
Die personen zullen niet door de stedelijke regeering veroordeeld zijn geweest, alvorens een kerkelijk persoon hen aan ketterij schuldig had bevonden.
     In 1534 schreef de raad aan den stadhouder George Schenck een brief over den Wederdooper Cornelis die Vlanyck uit Amsterdam, dien vier of vijf der geleerdste lieden der stad, waaronder een licentiaat uit Haarlem uitmuntte, getracht hadden van dwaling te overtuigen en te bekeeren; doch wij vonden geen melding van hunne namen gemaakt.
     Volgens van Hasselt 14 [14. Kronijk van Arnhem bl. 100.]) richtte Gruwel in 1546 zijne schreden naar Arnhem, waar hij 180 dagen met zijn gezworen notaris Dirk Wolff, een leek, voor de belangen van den godsdienst waakte. Den inquisiteur betaalde men voor zijne werkzaamheden 294 q en 8 stuivers en zijn notaris 177 q.
     Nog in hetzelfde jaar was Gruwel betrokken in de veroordeeling van Maria Beccum, 15 [15. Revius, Daventria Illustratia.]) die, te Deventer veroordeeld, te Delten werd verbrand.
     In 1547 moesten hem te Amersfoort 16 [16. Beschr. v. Amersfoort, van Bemmel, Iste d. bl. 271.]) alle kettersche boeken worden gebracht; vele bijbels en testamenten werden verbrand. Dit zelfde werk verrichtte hij te Harderwijk, 17 [17. Kerkhistorisch Archief, 1. c.]) waar hem de boeken over den godsdienst en de ceremoniën der H. Kerk, voor 1518 uitgegeven moesten overgeleverd worden, al stond ook in die boeken cum gratia et privilegio gedrukt; de goede boeken zou men terug ontvangen. Bijzonder ook strekte de

|pag. 366|

ijver van Gruwel zich uit over het onderwijs der jeugd; want toen hij vernam, dat de onlangs aangekomene rector verdacht was van nieuwe gezindheid, vermaande hij den raad, in een schrijven van 18 Maart 1548, dat men den rector en de onderwijzers zou verbieden boeken in de scholen te geven, die door den keizer waren verboden.
     Het volgende jaar zag Gruwel naar Zutphen trekken om daar een proces tegen vijf burgers te beginnen, die verdacht waren de ketterij der Wederdoopers te zijn toegedaan; van dezen was Cornelia weduwe van Claes van Leeuwe op nieuw gedoopt. De kanselier stelde, op voorstel van den raad van Zutphen, aan de landvoogdes voor, genoemde Cornelia ,,te doen executeren mitten water,’’ zoo zij hare dwaling niet herriep.
     Ook werd de hulp ingeroepen van den utrechtschen kanunnik doctor Franciscus Sonnius, om als geloofsonderzoeker tegen de dwaling in Gederland op te treden.
Om de hardhoorigheid van den zwolschen prior, dus schreef de stadhouder aan de landvoogdes, zal hij hier beter dienen; Sonnius echter begeerde ,,assistencie en de adresse van vors. pater Grouwel.’’ Beide geloofsonderzoekers voerden een proces tegen Johan Gerardi priester en vicecureit te Garderen op de Veluwe.
Gerardi had de dwalingen van Luther omhelsd en deze, niet alleen gepredikt, maar ook in geschriften opgesteld.
Nadat het proces te Arnhem drie weken had geduurd, werd hij den 27sten Januari 1550 tot levenslange gevangenis veroordeeld. Slechts twee jaren ongeveer bracht hij in de gevangenis te Hattem door, toen hem werd toegestaan deze voor een particulier huis te wisselen, onder borchtocht en belofte dit niet te verlaten.
In April 1553 werd hij ook van dien last ontslagen,

|pag. 367|

en moest, na herroeping zijner dwaling, in Leuven drie jaren de theologie gaan studeeren, doch ontvluchtte na een verblijf van drie dagen naar Duitschland, waar hij in zijne dwalingen herviel.
     Van Arnhem togen beide inquisiteurs naar Nijmegen 18 [18. Bijdragen v. vaderl. gesch. en oudheidkunde, Nijhoff IIIde d. bl. 30.]) waar zij volgens een schrijven van het hof van Gelderland aan de landvoogdes, op het laatst van Maart 1550 voor de katholieke zaak werkzaam waren.
     Verder vonden wij geene bijzonderheid van den zwolschen prior en inquisiteur opgeteekend. Waarschijnlijk stierf hij in 1552 of ’53, in welk jaar den lector Leonardus van Daelen de priorale waardigheid werd opgedragen.
     In 1526 had hij te Zwolle de plechtige kloosterbeloften afgelegd, en schreef te Leuven, hoogstwaarschijnlijk toen hij daar professor was: Enchiridion locorum communium contra Lutheranos, aliosque aevi haereticos. 19 [19. Des. Bat. Dom. bl. 191.])
Gedurende vijftien jaar bestuurde hij de communiteit, was daarbij ook algemeen prediker en vicaris provinciaal over de kloosters in het noorden van het land gelegen. Omstreeks Paschen 1576 werd plechtig binnen de kloostermuren het gouden jubilé zijner professie gevierd.
     Ofschoon tegen den wil der conventualen, had de stedelijke regeering om de menigvuldige oproeren in de stad 20 [20. Gesch. d. stad Zwolle, IIIde d. bl. 151.]) in 1576 verwekt, een gedeelte van het klooster tot kazerne laten inrichten, waar de soldaten de helft van het pand, de ziekenzaal en de beide tuinen hadden ingenomen. Tijdens het niet langdurige verblijf

|pag. 368|

der soldaten in het klooster werd de oude pater van Daelen liefderijk in het Bossche klooster verpleegd.
Naar zijn convent teruggekeerd, zal hij spoedig de eeuwige rust zijn binnengegaan.
     Gelijk het vorige feit zoo vonden wij grootendeels de geschiedenis der laatste elf jaren van het bestaan des kloosters, in het rekeningen-boek der procuratoren opgeteekend.
     Den 8sten Juli 1570 gaf de procurator Vastardus aan den vicaris provinciaal Wesselius de Wesmunda tijdens de visitatie rekenschap van zijn officie. Kort daarna trad de prior Joannes Roy af, die door Joannes Wuestinck werd opgevolgd. Om de verschillende spellingen van zijn naam ook in het rekeningen-boek geloof ik dat hij de zelfde is als Joannes Wijnstuck, lid van het Zutphensche klooster. Naar de Bat. Des. Dom. (bl. 85) vermeld was hij omstreeks 1563 prior te Groningen en in dit jaar diffinitor te Leuven, daarna prior te Zwolle, algemeen prediker en vicaris provinciaal over Holland, Gelderland en Friesland.
     Ten gevolge eener gewoonte dier dagen, dat een pater na zijn preek een beker wijn of bier geschonken, dit door den procurator in rekening werd gebracht, weten wij juist hoe dikwerf door de paters in die troubele tijden, zoowel in de Broeren-kerk als in andere kerken het woord Gods werd verkondigd. Zoo vinden wij dat zij niet alleen op Zon- en feestdagen preekten, maar ook op de dagen gewijd aan de vereering der H. Maagd Maria, der H. Apostelen, van Joannes onthoofding, Maria Magdalena, Catharina Maagd en Martelares en van de H. Agnes; daarenboven verkondigden zij ook Gods woord in de week gedurende den vastentijd.
Volgens een voorschrift van het generaal kapittel der

|pag. 369|

orde in 1571, zullen zij des Zondags na de vespers zich beijverd hebben om het volk de H. Schriften of den Katechismus te verklaren. Daarbij traden zij ook meermalen op in de parochiekerk en Bethleëms kloosterkerk. Dit zelfde apostolisch werk verrichtte de paters op vastgestelde tijden te Dalfsen, Kuinderen, Vollehove, Wijhe, Heino, Steenwijk, Hellendoorn, Kampen, Mastenbroek, Hardenberch, Ommen, Raalte, Den Ham, Dijckelen, IJsselmuiden en Hattem, alwaar het convent ook zijne termijnen had.
     Ofschoon niet altijd, schreef toch meestal de procurator bij de uitgaven, die in den regel twee of drie stuivers bedroegen, den naam van den predikant.
Wij schrijven hier de volgende namen af: Gerardus Kippinck, Joannes Spruit, Vastardus, Cornelïs Gisberti, die in 1569 te Zwolle kwam en acht jaren later naar Zutphen toog, Gerardus Haen, Joannes van Utrecht, Joannes van Karsten, Theodoricus van Calcar, Joannes Mente, die in December 1575 stierf, Judocus, Lubbertus in 1576 naar Groningen verplaatst, Marcus, Paulus en Joannes Lieshout, Bartholomeus supprior, Mathias Gulicker en Vincentius Wal in 1577 naar Gent verplaatst.
     Ofschoon het niet beschreven staat, waarom de bewoners van het Broeren-klooster op zulk eene meer harde wijze werden behandeld, dan de overige priesters en religieuzen, tijdens de Protestanten de macht in handen hadden, vellen wij geen ongegrond oordeel, wanneer wij de reden daarvan zien in den ijver dien zij aan den dag legden, om het Katholieke volk door prediking tegen de dwaling te wapenen. Daarvoor geeft ons de geschiedenis van Zwolle nog twee doorslaande bewijzen.

|pag. 370|

     In 1572 was een leger van den graaf van den Berg, zwager van den prins van Oranje in Gelderland gevallen, om dat land in naam van den prins te veroveren. Met behulp der Protestanten nam de graaf den llden Juni Zutphen in. Nadat ook Kampen den 11den Augustus voor het geweld der wapenen was bezweken, gaf Zwolle vijf dagen later zonder slag of stoot zich over. De stad, dus merkt te recht van Hattum 21 [21. Gesch. der stad Zwolle IIIde d. bl. 118.]) aan, die eertijds zoo dapper tegen de ontzaglijke macht van Gelders machtigen hertog zich wist te verdedigen, gaf zich nu zonder strijd over, om de verschillende gevoelens van godsdienst, die onder de burgers heerschten. Onder de voorwaarden waarop de stad zich overgaf luidde het tweede artikel:
     ,,Item, dat alle priesteren, Cloosteren ende voort Geestelike ende wereldlike personen ende haere goederen ende regementen, zo wel van de Religie ende exercitie van dien als anderen onbeschadiget ende onbedwongen sullen blyven; zonder jemant des Raedes ofte andere Personen int particulier aan lyf ofte goet te beschadigen; doch de scholen in haeren regemente te laeten ende uyt allen orden liber ende vry te admitteeren.’’
     Niettegenstaande deze voorwaarde werden de kerken van haar zilver beroofd, de altaren der prachtige kloosterkerk van Windesen afgebroken en naar de stad vervoerd. De ,,Geschiedenissen der stad Zwolle’’ verhalen ons niets omtrent de lotgevallen der priesters.
     Volgens het rekeningen-boek des kloosters schijnt het dat de Dominicanen reeds voor de inneming der stad, uit Zwolle waren verdreven. Nadat de procurator

|pag. 371|

tot Woensdag na den zesden Zondag na Pinksteren de rekeningen had bijgehouden, vinden wij anderhalve bladzijde wit papier en vervolgens: ,,Ista sunt exposita ab eo tempore, quo reversi sumus ab exilio: feria post reditum nostrum .... sabbato .... Dominica II adventus.’’ Wijl Paschen in het jaar 1572 op den 16den April viel, moeten wij den Woensdag, na den zesden Zondag na Pinksteren, op den 19den Juli plaatsen.
Zoo dus de ballingschap der paters was begonnen op den tijd, dat de procurator zijne aanteekeningen had gestaakt, dan waren zij reeds drie weken gebannen alvoren de staatsche troepen Zwolle hadden ingenomen.
Bij gebrek aan andere bescheiden kunnen wij het feit niet anders verklaren, dan dat de Protestanten overmoedig om de overwinningen van den graaf van den Berg reeds toen de stad beheerschten en hunne lastige vijanden uit de stad zullen verdreven hebben. Dit vermoeden wordt nog bevestigd doordien in Augustus de stad zonder strijd werd overgegeven. De ballingschap duurde, blijkens de aanteekeningen van den procurator, nog twee weken nadat de stad zich weder onder de gehoorzaamheid van zijn wettigen vorst had geplaatst, daar reeds den 19den November de staatsche troepen uit vrees voor Alva Zwolle hadden verlaten.
     Den 7den December nam de stedelijke regeering de volgende resolutie: ,,Burgemeester, schepen ende Raidt laeten weten ende wel scherpelichen vermaenen, dat alle dieghene, soe eenich guidt, het sij oick wattet sijn mocht uth den cloesteren unde Kercken gehaelt, gedraegen oder gefuirt hebben ofte hebben doen haelen off te fuiren, dat die ’t selve terstund weder brengen ende leveren sollen an handen van die conventualen derselver Cloesteren, en Kerckmeesteren, bij verboerte

|pag. 372|

van lijff ende guidt; want schepen en Raidt willen ernstlick daer na doen vragen, dair zich een ieder nae mach weten te richten.’’
     Wederom krijgen wij eene gaping in de rekeningen van af den 4den Augustus tot den 14den October 1575.
Daarna lezen wij: ,,Exposita per me fratrem Mathiam a Zutphania suppriorem, post obitum honorandi prioris patris Joannes Woestynck et procuratoris Henrici de Amsterdamis.’’ Gelijk weder uit de rekeningen blijkt, had de pestziekte die offers geeischt en hadden de conventualen een woonplaats in de stad gezocht. In November had de priorskeuze plaats. Nog in die zelfde maand reisde pater Lubbertus met den verkiezings- brief naar den prior van Leeuwarden, Henricus van Tongeren wien de provinciaal de bevestiging der keuze had opgedragen. Petrus de Busco was tot prior gekozen.
     Blijkens de regesta stond de generaal der orde hem in 1573 toe, te Leuven of te Keulen den graad van bacalaureus te behalen. Nadat hij in het volgende jaar dien graad had verkregen, benoemde hem de generaal tot zijn visitator en commissaris over de hollandsche, geldersche en friesche kloosters.
     Tijdens het prioraat van Petrus de Busco was ook de rotterdamsche prior Petrus Cruyswijck, als prediker te Zwolle werkzaam. In 1572 uit zijn klooster te Rotterdam verbannen werd hij in 1574 door de Busco tot prior te ’s Hage benoemd. Na ongeveer twee jaren die waardigheid te hebben bekleed, kwam hij omstreeks September 1576 te Zwolle, waar hij op den feestdag van Sint-Michiel de feest-predikatie hield. Meermalen predikte hij in de kloosterkerk, alsook te Kampen en Kuinderen. In Juli van het volgende jaar ontving hij van den procurator voor reisgeld een ,,Koninchsdaeler’’

|pag. 373|

waarna wij van hem niets meer vernemen; hij zal toen weer naar den Haag of Rotterdam zijn vertrokken.
     Onder de vrienden en beschermers des kloosters bekleedt Deventer’s bisschop, Aegidius de Monte een eereplaats. Meermalen was hij de gast van het Broeren-Klooster en toen hij op het laatst van December 1576 in de kloosterkerk preekte, had de procurator drie orten uitgegeven voor nageltjes, om daarmede den preekstoel met tapijten te bekleeden. In het volgende jaar herhaalde hij zijn bezoek en wijdde in het klooster op Witten Donderdag de H. Oliën. Op den eersten Pinksterdag, den 26 Mei 1577, ging de bisschop te Zwolle tot een beter leven over; of hij in het klooster is overleden, vinden wij niet uitdrukkelijk in de rekeningen vermeld. Den volgenden dag reed de prior naar Deventer om de uitvaart bij te wonen. De procurator teekende aan: ,,Prior in exequiis Reverendissimi Episcopi Daventriensis feria II penthecostes, XVIII stuveri: translatus enim erat Daventriam. Maximus erat patronus conventus. Aurigae van ’t berchclooster perducenti priorem Daventriam et reducenti pro propina et quia adduxit canem Reverendissimi III stuveri.’’
     Gelijk op het patroonsfeest van het convent de burgerlijke regeering aan een gemeenschappelijken maaltijd deelnam, aldus werd ook het feest van kerkwijding door den pastoor, zijne vicarissen en overige priesters der stad binnen de kloostermuren gevierd. Op Sint-Dominicusdag werden meer bijzonder de vrienden en weldoeners uitgenoodigd. Ook namen de paters Franciscanen van Deventer meermalen broederlijk deel aan den kloosterdisch.
     Slechts 18 maanden ongeveer stond Petrus de Busco aan het hoofd der communiteit, toen hij op zijn ver-

|pag. 374|

zoek van de priorale waardigheid werd ontslagen. Op den feestdag der H.H. Apostelen Petrus en Paulus 1577 verkregen de paters Mathias Gulicker en Marcus van Bergen van Nijmegen’s prior de bevestiging hunner keuze; de gekozene was Antonius Aruiler. Ofschoon wij verder geen priorskeuze meer in de rekeningen vonden vermeld, schijnt genoemde prior toch voor het jaar 1580 te zijn afgetreden; althans was volges de Jonghe, 22 [22. Des. Bat. Dom. bl. 190.]) Adrianus van Zierikzee de laatste prior van het convent, die nadat de Dominicanen uit de stad waren verbannen met pater Henricus Adrianus naar Groningen toog, waar beide een jaar later aan de pest bezweken.
     George de Lalaing, graaf van Renneberg, stadhouder voor de Staten-Generaal van Groningen, Friesland en Overijssel, had in Januari 1580 wederom de partij van Philips II gekozen. Slechts in Groningen kon hij zijn gezag handhaven, de beide overige provincie’s kozen de partij der Staten. Ofschoon de meerderheid der Zwollenaars aan het geloof der vaderen getrouw bleef, bevorderden de leden van het stadsbestuur den nieuwen godsdienst. Den 24sten Januari 23 [23. Gesch. der stad Zwolle VIde d. bl. 188.]) werd aan vier gemeenteleden opgedragen middelen te zoeken tot onderhoud van vier predikanten. Eerst na den 15den Juni werden daarvoor de goederen van het Broeren-klooster en van drie vicariën aangewezen. Uit zulk een raadsbesluit blijkt volkomen van welke gezindheid het meerendeel van den raad was. Tijdens de katholieke godsdienst nog in het openbaar werd uitgeoefend, kregen de bewoners van het Broeren-klooster den 13den Mei het bevel van de stedelijke regeering, om met achter-

|pag. 375|

lating van hunne goederen de stad te verlaten. Nergens vonden wij de naaste redenen voor zulk een overhaast vonnis vermeld; doch het ligt genoeg voor de hand, dat de ijverige verdediging en prediking van het geloof den bevorderaars der nieuwe leer een doorn in het oog zal zijn geweest, die zoo spoedig mogelijk moest worden verwijderd.
     Door de spanning der gemoederen tusschen de katholieken en de nieuwsgezinden brak den 15den Juni eene religie-oorlog onder de burgers uit, waarbij de katholieken het onderspit moesten delven. De kerken der stad werden geplunderd, de altaren en beelden aan stukken geslagen, de openbare uitoefening van den godsdienst werd verboden.
     De bewoners der overige kloosters werden, zooals van Hattum zegt, lang zoo hard niet behandeld als de Dominicanen, aan wie niets was gelaten, en ook niets, zooals dit in vele andere andere steden geschiedde, tot levensonderhoud werd geschonken. Ofschoon de goederen van het Bethleëms-klooster door de stad in bezit werden genomen, werd toch aan de conventualen jaarlijks eene som tot levensonderhoud uitgekeerd. Eerst in het volgende jaar verbood hen de regeering novicen aan te nemen en de rentbrieven des kloosters te verkoopen.
     Aan de begijnen van het Maath-klooster werd een gedeelte van het Broeren-klooster ter woon afgestaan.
Blijkens eene resolutie van 31 Juli 1580 bood de regeering het overige gedeelte ten huur aan:
     ,,Burgemeesteren, Schepen en Raedt laeten weten dat alle dieghene soe eenige huisinge, cameren, offte solderen behoorende toe den convente van de Brueren omme te bewoenen offte voer hoy koeren ende diergelijken toe gebruiken, begeeren toe pachten, sich

|pag. 376|

by Gedeputeerden van oer Ersamen en den Geswoeren Gemeente daertoe verordent verfuegen soellen omme te accordere. Item dat alle dieghene soe den convente van den Brueren schuldig sinnen an nymants handen betaelen soellen dan an die Gedeputeerden van Schepen ende Raet ende geswoerens Gemeente voerss.
     Noch laeten Schepen ende Raet weten, dat alle dieghene, die eenige guederen van den convente offte conventualen van den Brueren voers. in oer behalt offte gewaersaem hebben, sich by de Gedeputeerden voers. verfuegen soellen en dieselve laeten opteekenen, by die poene van geholden te worden voer diefstal ende arbitrale correctie. Ende indien sullike opteekeningen tegen toekomende Wunsdage nyet ende geschiede sal men daervan huissoeckinge doen ende die schuldigen straffen nae behoeren. Gepubliceert op den lesten July anno 1580.

ALBERT THYARSSEN.’’

     Nadat de kerk was geplunderd, dus verhaalt pastoor Waaijers, 24 [24. Godsdienstvriend 38ste d. bl. 244.]) stond zij ten dienste aan comedianten, koordansers en andere spelen. Eerst den 29sten Januari 1640 werd bij eene resolutie door schepenen en raad aan Hendrik Ronse, Hendrik Crouse en Lucas Vriezen als kerkmeesters de vernieuwing en herbouw der kerk opgedragen. De ramen der kerk werden door de gildens geschonken, ook een door de burgemeesters en secretarissen, die onder hunne namen de volgende inscriptie plaatsten:
     His consulibus ac secretariis hoc templum, explosis Romanae superstitionis erroribus, pristino nitori rectoque cultui pie restitutum est MDCXLI.’’

|pag. 377|

     Na de vertaling en verklaring des inscriptie roept pastoor Waaijers uit:
     „Ist mogelyk sulcken onwaerheyt in een glas ten toon te stellen?.... Het gedachte glas is zoo aanstootelyck geweest ten tijde des Bisschops (Bernard van Galen) in ’t jaer 1674 dat zoo bij de officieren als bij de soldaten besloten was, dat ze hierin als zij (de Protestanten) der predicatie waren, wilden vallen, den predicant van de preeckstoel trecken ende alle dit volck ter kerke uytjagen, ’t welck sonder bloet storten niet en soude geschiet syn, waervan ick henlieden secretelyck hebbe doen waerschouwen.’’
     Het beruchte raam wordt thans niet meer in de kerk gevonden. Het aloude klooster is tot kazerne ingericht; de in gebruik zijnde synagoge schijnt vroeger een gedeelte des kloosters te zijn geweest.
     Ofschoon de Dominicanen uit Zwolle waren verdreven, kwamen zij later als missionarissen terug. Volgens het concordaat 25 [25. Archief v.d. Gesch. v. Utrecht, Iste d. bl. 233, Bat. Sacra II p. 92.]) tusschen den vicaris apostolicus Rovenius en de regulieren in 1624 gesloten, konden twee Dominicanen te Zwolle de geestelijke bediening uitoefenen.
Uit dit concordaat blijkt duidelijk dat zij langeren of korteren tijd te Zwolle zijn geweest omstreeks 1620, het jaartal, waarin meerdere statie’s door de orde in Nederland zijn gesticht; doch welke paters er geweest zijn, om welke reden zij die misse weer hebben verlaten, daarover vond ik niets aangeteekend. 26 [26. Uit de Missie-Verslagen van Rovenius blijkt, dat in de jaren 1635 en ’42 een Dominicaan de geestelijke bediening in Zwolle uitoefende. Archief, 18de deel, bl. 11 en 40.])
     Beter is ons de geschiedenis van het jaar 1672 bekend, toen Bernard van Galen den 23sten Juni Zwolle

|pag. 378|

had ingenomen. Onder de voorwaarden 27 [27. Gesch. van Zwolle, IVde d. bl. 76.]) der overgave van de stad was onder andere bepaald dat vier predikanten slechts in de Broeren- en Bethleems-kerken mochten preeken; eenigen tijd later werd de laatstgenoemde kerk ter bediening aan de paters der Sociëteit afgestaan, terwijl de lieve vrouwe of kruiskerk voor de Protestanten werd ingericht.
     Door de verovering der stad hadden ook de Dominicanen 28 [28. Des. Bat. Dom., bl. 196.]) de hoop, dat zij wederom hun aloud en eerbiedwaardig klooster konden betrekken. De verdienstelijke missionaris der Philippijnsche eilanden, Cochinchina en van het rijk Mogor Joannes Theodorus van Wylick, 29 [29. Belg. Dom. bl. 325.]) werd door de oversten naar Zwolle gezonden, alwaar hij door zijn preeken en heiligen levenswandel veel nut stichtte. Ondertusschen had de generaal der orde Joannes Thomas Rocaberti, op verzoek der paters Gilbertus de la Haye en Dominicus Mesque, een schrijven tot den bisschop van Munster gericht, waarin hij het herstel des kloosters verzocht. Genoemde paters brachten in persoon den brief aan den bisschop. Pater Stephanus Schaep intusschen reeds prior benoemd, verkreeg een gedeelte van het klooster, waarin hij onder grooten toevloed van Katholieken, den 23sten Januari 1673, het eerste H. Misoffer opdroeg.
     Op het einde van Juli kwamen ook de paters de la Haye en Mesque te Zwolle aan, zoodat met meer plechtigheid de H. Diensten konden worden opgedragen.
Tot groote vreugde der Katholieken had de bisschop het ruime koor van het overige der kloosterkerk afge-

|pag. 379|

scheiden, waar hij zelf op den feestdag van Sint-Dominicus het H. offer opdroeg. In die dagen brachten de Katholieken eenige prachtige misgewaden en altaar-benoodigdheden van het oude klooster terug. Hunne voorouders hadden zich in 1580 onder de plunderaars der kerken gemengd en genomen wat hun in de hand viel, niet om dit te rooven, maar om het aldus voor de rechtmatige bezitters te bewaren.
     Slechts kort was de vreugde over het herstel des kloosters, want toen de bisschop voor het einde des jaars de stad verliet, moesten ook de paters hun klooster wederom aan de Protestanten prijs geven.
     Alvorens wij ten slotte eene lijst der vaste goederen van het klooster uit het stedelijk archief overschrijven, meenden wij het volgende zeldzame feit niet onvermeld te mogen laten.
     In het begin der zeventiende eeuw leefden in zeer gelukkigen echt te Zwolle Engelbertus Wyers, 30 [30. Betreffende dien naam vinden wij verschillend spellingen. Lindeborn in de hist. Epise. Dav. schrijft Wijers, de Jonghe in de Bat. Des. Dom. Weijers en in de professie en doodboeken van het klooster te Antwerpen staat Embertus Wiery en Engelbertus Wieri.]) aldaar uit een deftig geslacht ontsproten en Maria Sibilla Bronckhorst, die het eerste levenslicht te Kampen had aanschouwd. Nadat beide echtgenooten eenige jaren binnen Zwolle zeer vroom hadden geleefd, ontvlamde in beider harten, teneinde hun God meer volmaakt te kunnen dienen, een verlangen naar het kloosterleven en kozen daartoe de orde van den H. Dominicus.
     In den ouderdom van 39 jaren legde Engelbertus op den 17den December 1620 in handen van den prior Michaël Ophoven, later bisschop van ’s Hertogenbosch,

|pag. 380|

zijne plechtige kloosterbeloften 31 [31. In het profestie-boek des kloosters lezen wij!’’ Professus in refectorio (de kerk werd toen verbouwd) die 17 December 1620 Embertus Wieri Swollencis agens 39 annos — cujus uxor ingressa est monasterium monialium Brugis — sub priore Ophovio. Uxor vocabatur Maria Bronckhorst.’’]) af en werd later priester gewijd. Genoegzaam zeker was hij de Dominicaan, die omstreeks 1630 naar Zwolle zich begaf, om het gebeente van den eerbiedwaardigen Alanus den hersteller van het Rozenkransgebed bijeen te garen en dit naar Antwerpen te voeren, zooals wij verder in de geschiedenis van Alanus zullen zien.
     In het doodenboek des kloosters stond aangeteekend:
,,Engelbertus Wieri sacerdos, obiit 11 Julii 1640.’’
,,Daags voor zijne professie schreef Engelbertus, volgens Lindeborn’s Historia Episcopatus Daventriensis (bl. 308), het volgende testament:
     Noch geve ick het voornoemde Clooster van Antwerpen al sodanigen Moubelen als ick daer in gebracht hebbe, uytgenomen een groot groen koffer met witte banden ende alle hetgene daerin bevonden wert, sal hebben dat Predick-Heeren Clooster tot Zwolle, genaemt dat Broeren-Clooster. Noch geve ick ’t Clooster van de Predick-Heeren van Zwolle in gereeden gelden 9000 guld., den gulden tot 20 st., welcke voorgenoemde Penn. sullen beleght worden nu ende ten eeuwige dage tot onderhout van ’t Clooster tot Zwolle tot de Tafel om daervan te mogen leven; ende dat oock niemant en sal mogen de Penn. te niete te doen nu ende ter eeuwige dage tot onderholt van ’t Clooster als bovengenoemd. Ende dit sal ’t Clooster van Zwolle genieten, als wy daer openbaer ende vry mogen woonen, alwaert met twee Paters ende alwaert sy mosten gaen

|pag. 381|

in wereltlyck habyt, om eenige reden dat sy in haer geestelyck habyt niet en mochten gaen. Noch geve ick an ’t voornoemde Clooster van Zwolle al sodanige ornamenten als ick daer gelaten hebbe, die mij toekomen enz.
     Maria Sibilla Bronckhorst nam den sluier aan in het klooster Engelendael van den tweeden regel van Sint- Dominicus te Brugge.
     Den 25 Februari 1648 werd zij met hare medezuster Ida Agnes Crocx plechtstatig door de geestelijken en notabelen van Sittard ingehaald, om aldaar de stichting van het nieuwe klooster Sint-Agnetenberg te beginnen. Nadat de klooster kronijk, die nog in genoemd klooster te Sittard wordt bewaard, veel voortreffelijks van de eerste priorin had vermeld, beschrijft bij het overlijden aldus:’’ Anno 1652, den 13 Juni ’s avonts omtrent 6 uren is met droefheyd niet alleen van de religieusen, maar oock van de geheele stadt seer godvruchtelyck in den Heer ontslapen, voorzien zynde van de h. Sacramenten, de eerw. moeder zuster Maria Sibilla Bronckhorst, fondateresse en de eerste Priorinne des nieuw-aengevangene cloosters Agneten-bergh, achterlaetende een schoon exempel van alle deugden, wier name soo wy betrouwen staet aengeteeckent op het boeck Godts uitverkorene en oock by ons niet lichtelyck zal sterven.’’

Vaste goederen van het Broeren-klooster te Zwolle sinds 1571.

     In dit boeck sinnen begrepen alle die goederen des convents van Zwol der prediker oorden buten en de binnen liggende.
     Aan onse rooster van het kerrichoff steet een huesken, daerin woont Anne die neester, dit doot alle jaer IV gol. gul.

|pag. 382|

     Onse brouhues heft in husen, die welcke men verhuren, het eene zhiet uut op die strate an onse grote poort en de dit hues doot ’s jaers IV gol. gul. van 28 stuvers brabans, ende is post pascha.
     Onse brouhues heft noch een hues, dat men verhuren, ende heft zijn uutganck in die stege tegen Andries Scluters koken, dit doot ’s jaers IV gold. Noch heft onse brouhues een hues tegen Andries Scluter achterhues gaende in die straet, dat ghehuert heft Mechtelt midt hoor dochter, IV jaren lanck ende zal geven op Michaelis V gold.
     Uut die meer en die huzen, die daer staen achter onse Coer III gold. 28 brabans.
     Achter onse choor is een plaets daer Smeets colen sinnen ende leggen en betaelt ons Pauli 10 stuivers brabans.
     Bij onze groote poort tusschen twe pilars liggen Smeeds colen, dese gift ons 10 stuvers brabans.
     Berent Slotemaker heft van ons gehuert een plaets tusschen twe pilaers voer 10 stuvers brabans.
     Een hues gelegen op ’t eylant andre halve golden gulden toe Paschen.
     Uut een hues op het eylant tegen die statmuer, het endelsche hues, een halve gold. guld.
     Uut een hues gelegen in die smede, darden halve gol. guld.
     Uut een hues in die smede an die lufterzijt als men na die marckt gaet, hebben wij schatz III gol. guld. van 28 brabans.
     Uut dat vijfde hues in die smede hebben wij II gold.
     Uut dat hues in die smede an die lufterzijt als men naer de marckt gaet, een halve gold. guld.
     Uut een hues int Camper wapen gelegen in die smeede, III gold. guld.
     Uut een hues gelegen an die statmuer III gol. guld.

|pag. 383|

     Uut een hues tegen het wesenhues hebben wij Pauli anderhalve gold. guld.
     Uut een hues in de Dieserstraat tegen die put, sestyn gold. guld.
     Uut een hues, toe paschen, ghelegen in die straet van wesenhues achter poort, II gold. guld.
     Uut een hues ghelegen in die dieserstraet bij den hilligen geest hebben wij ’s jaers acht gold. guld. ses stuvers.
     Uut een hues ghelegen op die vismarckt daer die rode leu uuthangt, vijf en de halve gold. guld. en is paessche pacht.
     Uut een hues ghelegen by het fraterhues een gol. guld.
     Op die grote kerckhoff een gol. gul.
     Uut een kelder gelegen bij dat holten hecke op het grote karckhoff tegen den beijerman, een gold. guld. paeschen.
     Uut een backershues in de luttckestraet een gold. guld.
     Uut een hues achter die toren II gold. guld.
     Uut een hues in de Campenstraet twaleff witten ende is paespacht.
     Uut saliche evert barniers hues in die Camperstraet, zes gold. guld..
     Uut den hues ghelegen aldernaest tegen die Schotte achterhues, een gol. guld.
     Uut een hues gheheten in die bourgondiën gelegen tegen die wage en is een koockhues, II gold. guld.
     Uut een hues bij die wage, IV gold guld. paeschen.
     Uut een hues bij de wage dat toebehoort Willem van Coelen, vijf gold. guld.
     Uut een hues bij die wage, III gold. guld.
     Uut een hues gelegen tegen joffer Duesterbeeck, anderhalf guld.
     Uut een hues aldernaest meester Jan
Oostendorp, IV gold. guld.

|pag. 384|

     Van die erffgename Wijcherlig hebben wij alle jaren op Peter ad Cath. II gold. guld.
     Uut een hues in die Koggestraet, II gol guld. paeschen
     Uut een hues in die Bruren, dardenhalf gol. guld. Martini.
     Van die rentmeester van Sallant buren wij ad Cathedram Petri IV gold. guld. min een oort.
     Uut een hues bij onse lieve vrouwe kercke dat toebehoort Jan van Luleck een vlaskop, III gold. guld. paeschen.
     Uut het goet dat toebehoort Jan van Tongeren gelegen too Assendarp bij der stat, dardenhalve golden gulden, Martini.
     Uut een hues op die niestat buten de dieserpoort, hebben wij too paeschen anderhalve gold. guld.
     Uut een hoff buten die dieserpoorte in die molenstraet, een gold. guld. ende is paespacht.
     Uut een hoff ende hues op die Kalckhoop vierdenhalve gold. guld. too paeschen.
     Uut een hoff een halve gol. guld. gelegen buten dieserpoorte bij den balschap.
     Uut een hues ende hoff op die Niestat bij die leste molen een gold. guld. ende is paespacht.
     Uut die statkiste, conversionis Pauli een dartichste halven gol. guld.
     Uut een stuck lants liggende bij cost verloren twe gold. guld. Martini.
     Uut een stuck land too Wytmat, Martini enen gulden.
     Uut een stuck lant ghelegen in holten bivork drie gold. guld. ende is Sint Jacobs pacht in die zomer.
     Uut een erff too Langenholt hebben wy ad Cathedram Petri vijften halve gold. guld.
     Too Strukel hebben wij Martini achten halve gol. guld.

|pag. 385|

     Too Hasselt uut dat Susteren Clooster hebben wy Michaelis V gol. guld.
     Too Hasselt bij die Weem uut een hues hebben wy een gol. guld.
     Jan Phoppe en Claes Phoppe geven alle jaer onder haer beyde een kinnetje boters, Michaelis.
     Brant Claesen bij Gelemuden is ons schuldig op Michaelis alle jaren een kinnetje botters.
     Jan Wichen too Barspeeck gift ons Martini IV gol. guld. van die hartcamp.
     Jacob Gerritsen binnen Vollenhove gift ons alle jaren Martini XII gol. guld.
     Die broders van Sint Jans Camp geven Martini IV arents guldens, welke maken II dalers dartich stuvers ende is erfpacht.
     Johan Wyllen off Johan Henrich woonachtig an Bloxziel zenden vier demell vat boteren des jaers erffpacht.
     Too Campen op den Oort uut Jan Goobooks hues hebben wij alle jaren op Paeschen een gold. guld.
     Noch too Campen buten die Hagepoert op het water buten die stad hebben wy een gold. guld. uut een hues.
     Uut het goet van Rechteren hebben wy Martini vyf en halve mud rogge.
     Gerrit Coperslager in die dieserstraet heft ons off gehuert tot acht jaer onse grooten hoff buten die Sassepoort, daer hy ons vuer gheven, V gold. guld. alle jaer ad Cath. Petri.
     Johan Albers an Bloxziel voor de armen een vat boter, Martini.

p. fr. A.J.J. HOOGLAND,
Fr. Ord. Praed.

     Rotterdam.

_______________
Hoogland, A.J.J. (1890) Het Broeren-Klooster van Sint Thomas van Aquino te Zwolle. Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht, (18) 251-285.

Category(s): Zwolle
Tags: , ,

Comments are closed.