7. Nasleep van de afzetting


7. Nasleep van de afzetting
1. De verdere weg van Van der Os

     Van het avondmaal geweerd
     Enkele weken nadat de synode van Zwolle besloten had Antonius van der Os af te zetten bediende dominee Van Rossum het heilig avondmaal. Eén van de deelnemers was zijn collega Van der Os. De kerkeraad nam het Van Rossum zeer kwalijk dat hij hem niet geweerd had. Deze echter beriep zich erop dat over de toegang tot het avondmaal geen concreet besluit gevallen was. Daarop beraadden drie oudste predikanten zich op de kerkrechtelijke stappen die genomen konden worden om herhaling van deze avondmaalsgang te voorkomen. Het kerkrecht hoefde niet geraadpleegd te worden om Van der Os de toegang tot de predikantenbank in de Grote Kerk te ontzeggen en daartoe besloot de kerkeraad dan ook op staande voet.1 [1. Notulen kerkeraad 22 juli.]
     Voordat weer een avondmaalsdienst belegd was nam de kerkeraad een besluit over de status van Van der Os daarbij. Op grond van art. 80 van de Dordtse kerkorde werd hij geweerd. In dit artikel vindt men de grove zonden die de redenen vormen voor opschorting of ‘‘afstelling’’ van de dienst, zoals valse leer, ketterij, scheurmaking, dronkenschap en zo voort. Bij andere lidmaten zouden deze zonden leiden tot afsnijding van de gemeenschap der kerk, aldus het artikel, zo kon ook Van der Os afgesneden worden.2 [2. Notulen kerkeraad 25 september 1755 art. 2.]

     Doopsgezind geworden
     Terwille van de kerk kon Van der Os zich maar beter stil houden, zeiden sommige van zijn vrienden. Anderen trachtten er juist voor te zorgen, aldus de geruchten, dat er een nationale synode bijeen zou worden geroepen die zijn zaak kon behandelen. Na drie jaren van wachten en ledigheid moet Van der Os de hoop hebben verloren op herstel in de hervormde kerk. Zo stuurde hij dan in de zomer van 1758 een brief naar enkele van zijn vroegere advokaten waarin hij een opzienbarende stap bekend maakte.
     In de doopsgezinde gemeente van Beverwijk ontbeerde men al vele jaren een voorganger. Eén van de gemeenteleden las tot stichting in de bijeenkomsten wel preken voor van aartsbisschop Tillotson3 [3. Blijkt uit brief van Van der Os aan Charles Bentinck 16 juli 1758, RAG Bentinck VI 9. De preken van de aartsbisschop van Canterbury John Tillotson waren in Neerland geliefd. Tussen 1730 en 1733 verschenen meer dan honderdvijftig preken in het Nederlands vertaald als aanvulling op de honderd die al eerder in vertaling verschenen waren. Tillotson was een pastoraal bewogen man, afkerig van haarkloverijen. Hij twijfelde zeer ‘‘of het diep uitpluizen dier verborgenheden wegens God den Vader, Zoon en Heilige Geest en noopende Christus’ persoon de veiligste weg wel was om de weereld tot het geloof van die hooge en verhevene waerheden der Heilige Schrift te bewegen,’’ John Tillotson, Alle de predikaetsien, uit het Engelsch vertaeld, Amsterdam 1730-1733, 6 delen met enkele prenten. Citaat uit lijkrede door Gilbert Burnet, deel I p. XXIX.] maar men zocht een betere

|pag. 145|

oplossing. Die werd gevonden in een beroep op Antonius van der Os te Zwolle. We weten niet hoe de partijen met elkaar in contact zijn gekomen. Door de gecommitteerden van de classis was hij er wel van beschuldigd nauwe contacten te onderhouden met ‘‘mennisten’’ maar dat had hij ontkend.
Eenmaal was hij bij de vorige Zwolse leraar thuis geweest. De correspondent van de Friese synode logeerde daar toen namelijk en wenste Van der Os persoonlijk te spreken. Ter

Afbeelding: Brief van Antonius van der Os aan J.J. Schultens, waarin hij zijn overgang naar de doopsgezinde gemeente te Beverwijk aankondigt en motiveert, 11 Juli 1758.
Foto Bibliotheek Universiteit Leiden.


|pag. 146|

kerke ging Van der Os vóór zijn afzetting niet meer dan vier keer bij de Zwolse doopsgezinden.4 [4. Brief aan Van den Honert, 30 juli 1755, zoals geciteerd in Verantwoording, bibl. nr 132-84, p. 1*. Interessant is de verwijzing naar het logeeradres van een Friese hervormde predikant; niet één van de eigen collega’s. In Friesland was vanouds een grote vertegenwoordiging van doopsgezinde kerken.] Maar deze verklaring stamde uit 1755. We beschikken niet over gegevens waaruit blijkt bij wie Van der Os na zijn afzetting ter kerke ging, en al evenmin weten we met wie hij in Zwolle veel contacten onderhield. De mogelijkheid bestaat dat een voormalig doopsgezind voorganger van Zwolle bemiddeld heeft bij het beroep van Van der Os. Deze, G. ten Cate, stond in deze periode in Haarlem.5 [5. Waarschijnlijk G. ten Cate, Van der Os werd gedoopt door Cornelis Loosjes, doopsgezind leraar te Oost-Zaandam, een vriend van Betje Wolff, NNBW V, 408 v.. De signatuur van de gemeente in Beverwijk is niet geheel duidelijk. Knappert, p. 89, spreekt op grond van gegevens uit de N.J. XII, p. 561 v., over een vrije doopsgezind-remonstrantse gemeente.]
     Zijn overstap naar de doopsgezinden veroorzaakte een grotere opschudding dan we ons kunnen indenken. Van der Os zelf beschouwde de beslissing als een individuele keus, en motiveerde deze ook zo aan J.J. Schultens: als ik deze stap niet zet kan ik mijn gaven niet gebruiken, van mijn verleden hoef ik geen afstand te doen, de verschilpunten tussen de beide kerken zijn gering.6 [6. Brief 11 juli 1758, UBL BPL 245 XII.] En aan Charles Bentinck verklaarde hij dat hij zich wel zou laten dopen maar dat dat voor hemzelf niets betekende, hij besloot tot deze stap om gemeenteleden met een zwak gemoed tegemoet te komen. Hij zou immers niet willen dat ze door het feit dat hij niet als volwassene gedoopt was niet gesticht zouden kunnen worden.7 [7. Brief als boven, noot 3.]
     Charles Bentinck had geen enkele moeite met de stap van Van der Os. In een lang gesprek namen ze samen de problemen door die er uit zouden kunnen voortvloeien. Het bleek dat Van der Os bang was dat de synode van Noord-Holland zou trachten het beroep te dwarsbomen. Charles Bentinck zag ook wel in dat diegenen die de Dordtse synode op een bepaalde manier interpreteerden Van der Os het liefst in stukken zouden scheuren, maar verwachtte geen werkelijke moeilijkheden. Voor alle zekerheid echter lichtte hij zijn broer Willem in opdat deze in Holland problemen zou voorkomen.8 [8. Brief van Charles aan Willem Bentinck 22 juli 1758, RAG Bentinck VI 9.] Inderdaad is aan Van der Os niets in de weg gelegd om het beroep te aanvaarden.

     Opnieuw voorwerp van discussie
     Een nieuwe golf van kritiek stortte zich over Van der Os uit toen zijn overstap bekend was gemaakt. Iemand die zo maar tot een ander geloof over gaat moet vroeger toch al een huichelaar zijn geweest, was de teneur van veel commentaar.
Hadden zij die het toen voor hem opnamen zich niet bij de neus laten nemen? Onsmakelijk daarbij was met name de wijze waarop de kort tevoren overleden J. van den Honert belachelijk werd gemaakt. De theologie-student uit Rotterdam Izaak van Nuyssenburg schreef ‘‘Rouwklacht aan de zalige

|pag. 147|

schimme van professor Van den Honert over de afval van dominee van der Os’’. In reactie verschenen ‘‘Remedie voor doldriftigheit aan I. van Nuyssenburg’’, ‘‘Vermaning der zalige schimme van den grooten godgeleerden J. van den Honert aan I. van Nuyssenburg’’9 [9. ‘Rouwklacht ...’, Delft 1758, ‘Remedie ...’, Amsterdam 1758, ‘Vermaning ...’, Amsterdam 1758. Ook verscheen in Heerenveen nog een ‘Echo op den rouwklacht’, 1758.] en ook de auteurs van het ‘‘Examen van het ontwerp van tolerantie’’ mengden zich in de kwestie door de inleiding op de tiende samenspraak. De weduwe van Van den Honert vroeg aan curatoren van de Leidse universiteit om de nagedachtenis van haar man te beschermen. Ze verklaarde vooral gekwetst te zijn door de schrijvers van het Examen.
Op verzoek van curatoren onderzochten de Staten van Holland en Westfriesland de aanklacht, achterhaalden middels de uitgever de [tot dan toe anonieme] auteur Holtius en legden hem een schrijfverbod op. Een vernieuwing van het verbod op het drukken van anonieme theologische werken volgde.10 [10. Siegenbeek I p. 277vv., Molhuysen p. 444.]
     Ook binnen de doopsgezinde gemeenschap, een zeer verscheiden groep mensen van diverse herkomst en spiritualiteit, wekte de overkomst van Van der Os verwarring.
Niet allen waren door de herdoop gesticht, zo blijkt. Ook toen Van der Os in 1764 een beroep aannam naar de doopsgezinde gemeente van Oost-Zaandam laaide de discussie nog even op.11 [11. Enkele titels geeft Honig. Daarnaast nog te noemen Beminnaar van waarheid en vreede, een vermanende en waarschouwende brief aan den heer A. van der Os, Dordrecht 1758; Justus Benevolens, Eén tegen vier of vier aanspraken aan den schrijver onder de zinspreuk ‘‘hierna beter’’, Harlingen 1759; G. ten Cate, Historisch verhaal van de ten opzigt van den heer A. van der Os in geschil staande zaken in de Noordhollandse waterlandsche sociëteit, [Haarlem] 1766.]

     Terug naar Zwolle
     Na enige jaren leraar in Zaandam te zijn geweest keerde Van der Os naar Zwolle terug. In rust en stilte bracht hij de rest van zijn leven in het patriciërsmilieu van de Overijsselse stad door. Ter kerke ging hij, volgens de overlevering, in de Grote Kerk. In de tijd dat Dermout zijn geschiedenis beschreef (1824) wist men hem nog de plaats aan te wijzen waar hij gewoonlijk zat. ‘‘Verzoend met de kerk’’, meende Dermout: of had zich de omgekeerde beweging voltrokken, en had de kerk zich in de leer met de zijne verzoend?12 [12. Ypey-Dermout p. 484; noot 670.]
     Dat hij op zijn oude dag zich nog kon scharen in de rijke patriciërsgeslachten van Zwolle kan blijken uit het vermogen dat hij naliet, maar ook uit het feit dat hij op 4 februari 1806, in een periode van schaarse luxevoorzieningen, toestemming kreeg om zijn haar te laten poederen. In de leeftijd van 84 jaar overleed hij, 12 april 1807. Een jaar later stierf ook Gilliana Paulina Scriverius, zijn vrouw. Kinderen lieten ze niet na.13 [13. GAZ overlijden Antonius RBS0 760 p. 62, Gilliana RBSO 811 p. 99. Beiden werden ’s nachts in de kerk begraven, teken van welstand, 6rafnr Antonius 134, Gilliana 421. Zie ook GAZ fiches. Welstand kunnen we ook afleiden uit de transportregisters. Hij leende minstens eenmaal f. 1000,- uit. (Acte 2 mei 1809, na overlijden afgehandeld.) Geen graftekens zijn meer aanwezig, vgl Bloys.]

|pag. 148|

2. De kerk van Zwolle.

     Van Rossum
     Voor Van der Os was het pleit beslecht, hij had niets meer te verwachten van kerk en magistraat in Zwolle. De vraag was nu hoe het zijn medestanders zou vergaan. Ouderlingen en diakenen die zijn zijde hadden gekozen vertrokken binnen de loop van vier jaar, de meesten hadden vanaf 1754 al het veld geruimd voor anderen. Met dominee Van Rossum, de vriend van Van der Os, lag de zaak anders. Wel had deze zich op de synode van Zwolle al verslagen en onderdanig getoond, maar hij bleef bij zijn mening dat de kerkeraad onwettig was. Op dit punt wilde hij van geen wijken weten. Zo weigerde hij in januari 1755 (hij was toen voorzitter van de kerkeraad) de vergadering te beleggen waarin het tot verkiezing van nieuwe ambtsdragers moest komen. Daarop ontnam de kerkeraad hem het voorzitterschap. Vervolgens echter gaf hij Van Rossum de taak om de nieuw gekozen ambtsdragers te bevestigen. In een buitengewone kerkeraadsvergadering in de week na die bevestiging lag ter tafel een ons naar de inhoud onbekende brief van Van Rossum waarin hij zijn verontschuldigingen voor het een of ander aanbood. We nemen aan dat hij de bevestiging niet heeft willen voltrekken. Toch zou het tot de afzetting van Van der Os duren voordat tegen Van Rossum verdere stappen ondernomen werden. Op 7 augustus 1755 sloot de kerkeraad hem uit van de vergaderingen.14 [14. Notulen kerkeraad 4 januari, 30 januari, 7 augustus 1755.]
     Hiermee leek de situatie in een patstelling verzeild geraakt, maar opnieuw poogden classis en synode tot resultaat te komen. Het feit dat Van Rossum buitengesloten was gaf aanleiding tot kwade geruchten over de kerkeraad van Zwolle,15 [15. Notulen kerkeraad 4 oktober 1755.] en daarom drongen de classes Kampen en Deventer aan op een spoedige oplossing. Langs twee wegen poogden betrokkenen tot die oplossing te komen. Sommigen, onder leiding van dominee Doitsma, wilden aantonen dat Van Rossum in zijn preken een leer verkondigde die afweek van de rechtzinnige. Hij hield zich niet aan zijn ondertekening van de vredesartikelen, zo luidde de diplomatieke formulering, een verwijzing naar de verwikkelingen rond het Leids advies in november 1751. Uiteindelijk zou het zo wellicht opnieuw kunnen komen tot ontzetting uit het ambt van een Zwolse predikant. Deze weg werd afgesloten door de Staten van Overijssel. Op de synode van 1756 kondigden de

|pag. 149|

commissarissen-politiek al aan dat ze zouden onderzoeken of de zaak voor afgedaan kon worden gehouden.16 [16. Notulen synode 1756 art. 16-20.] En inderdaad beëindigden de Staten van Overijssel op de synode van Deventer 1757 de discussie voorgoed.17 [17. Besluit Ridderschap en Steden 8 maart 1757. Notulen synode 1757 art. 15 ad 16-20.] Doitsma bleef vasthouden aan zijn mening dat de zaak nog niet was beslist, maar was wel zo wijs er alleen onder intimi over te spreken.18 [18. Noortberg en Sluiter in handschrift UBA 0-65-167.]
     De andere manier om tot een verzoening te komen binnen de Zwolse kerkeraad werd ondernomen door de magistraat, ondersteund door de gouvernante prinses Anna. Op 18 september 1755 ontbood de magistraat namelijk de voorzitter en scriba van de kerkeraad bij zich om hen volgens ‘‘ingekomen recommandatie van hoogerhand’’ te melden dat het de magistraat zeer aangenaam zou zijn indien als opvolger van Van der Os dominee J.J. Serrurier te Barneveld beroepen werd. De kerkeraad lag dit keer niet dwars, al tekende deze wel aan het besluit van de stadhouder van augustus 1749 niet te zullen vergeten: het beroep op Van Rossum in opdracht van de magistraat mocht niet als precedent gelden.19 [19. Notulen kerkeraad 18 en 20 september 1755. In Strodtmann N.G.E. X p. 511 gouvernante genoemd.]
     Serrurier had naar eigen zeggen in zijn classis, Nederveluwe, openlijk kritiek geuit op het kerkelijk beleid inzake Van der Os.20 [20. Zie boven, brief aan Schultens. Met hem is de zwager van Doitsma, Roldanus, van oordeel dat de procedure tegen Van der Os kerkrechtelijk niet deugt. De classis Nederveluwe strekte zich uit van Nijkerk tot Hattem.] Het kan niet anders of deze omstandigheid was in Zwolle bij velen bekend. Daarom moeten we concluderen dat de magistraat bewust trachtte om de partij van Van Rossum sterker te maken en dat de kerkeraad zich daar bij neer diende te leggen. Serrurier nam al tijdens de eerste zitting van de Zwolse kerkeraad die hij bijwoonde het initiatief tot een verzoening met Van Rossum. Van Zutphen stelde daarbij als voorwaarde dat Van Rossum zich conformeerde aan de leer van artikel 24 N.G.B. over de rechtvaardiging. Toen op zijn beurt Van Rossum voorwaarden stelde kwam het tot een staking der stemmen. De kerkeraads-verkiezingen van januari 1756 blokkeerden de verdere verzoeningspogingen: te weinig leden waren nog bereid om tot een compromis te komen. Tot in het jaar waarin Van Rossum op de kansel stierf, 1774, verscheen hij niet meer op de kerkeraad.21 [21. Notulen kerkeraad. Tot 1761 verscheen hij zeker niet, in de jaren daarna komt zijn naam niet voor en is hij dus zeker geen praeses of scriba geweest. Opvallend is tevens dat het verbroken contract van correspondentie binnen de kerkeraad in 1778 hersteld is.]

     Onderwijs en catechese
     Vele gemeenteleden hadden de synode van Overijssel laten weten dat ze de leer van Van der Os als rechtzinnig beschouwden. Op de een of andere manier wenste de kerkeraad hier toch op te reageren. In de eerste plaats zonden ze een brief aan de magistraat over de docenten aan het gymnasium.

|pag. 150|

Dezen hadden zich wel zeer uitdrukkelijk gepresenteerd. Het verzoek van de kerkeraad was dat de docenten van de Latijnse school verplicht zouden worden om de formulieren van enigheid te ondertekenen.
     Daarnaast trachtte de kerkeraad een oude gewoonte te laten herleven. De stadsschoolmeester diende ertoe verplicht te worden om zijn leerlingen op zondagmiddag naar de Bethlehemkerk te sturen. Daar zou catechiseermeester Buisenkool hen dan de catechismus overhoren. De magistraat reageerde niet.22 [22. Notulen kerkeraad 30 september 1755, art. 2.]
     Een andere zuiveringspoging raakte de catechiseermeester Jan Hamhuis. In januari 1755 had de kerkeraad hem al vermaand over het feit dat hij in Windesheim aan twee mensen onderricht gaf.23 [23. Notulen kerkeraad 23 januari art. 2.] Hiermee drong hij zich in in het werkterrein van een andere predikant. Beterschap beloofde hij spoedig,24 [24. Notulen kerkeraad 6 februari.] maar hij bleef onder controle. Zo kon het de kerkeraad zeker niet ontgaan dat hij één van de petities ten gunste van Van der Os had ondertekend. Op 2 september verbood de kerkeraad hem om ooit nog getuigenissen af te geven ‘‘waartoe hij niet geroepen is’’, maar tevens drong de kerkeraad er bij hem op aan ‘‘om ’t onderscheid tusschen de leere der hervormde kerk en de remonstranten regt te leeren kennen en deszelvs discipulen in te scherpen.’’ Indien hij ooit nog onbekwame leerlingen ter examinatie aan de predikanten aanbiedt zullen ze onherroepelijk worden teruggestuurd.25 [25. Notulen kerkeraad 1 en 2 september 1755, resp. art. 2 en art. 2.] Inderdaad wees dominee De Gimmer in december 1756 een pupil van Hamhuis af. De betrokkene, Maria van den Berg uit de Kamperstraat, ging vervolgens naar Van Rossum die haar wel toeliet tot het afleggen van belijdenis.
De kerkeraad verklaarde deze toelating voor ongeldig en besloot dat een aan te nemen lid zich niet, na een afwijzing door een predikant, in hetzelfde kwartaal mag aanmelden bij een andere predikant.26 [26. Notulen kerkeraad 21 december 1756, 8 april 1757.]
     Kon Hamhuis zich staande houden, anders verging het H. van den Bosch. In 1758 ontzegde men hem het recht om catechiseermeester te zijn. Zijn verweer dat hij in voorgaande jaren steeds ‘‘bij den heer Van der Os en dominee Van Rossum’’ antwoorden mocht geven overtuigde de kerkeraad geenszins, temeer daar hij weigerde om bij alle predikanten openbaar vragen te beantwoorden.27 [27. Notulen kerkeraad 22 december 1758, art. 2. 17 februari 1759.]
     Rond de methode van catechese en het te gebruiken materiaal speelde in deze tijd een conflict dat eveneens licht werpt op de verhoudingen in Zwolle. In 1758 beval de kerkeraad aan de catechiseermeesters als leerboek het ‘‘Kort

|pag. 151|

Begrip’’ aan. Een jaar later stelde ze gebruik daarvan zelfs verplicht. Maar nu reageerde Serrurier. Hij meende dat de kerkeraad niet het recht had om de hele gemeente bij één inzicht te bepalen. Onbillijk vond hij het dat de predikanten zelf wel doorgingen met het gebruik van andere boekjes. Als belangrijkste reden voor zijn protest noemde hij echter dat het er niet om moet gaan dat de leerlingen een boekje van buiten kennen, maar ‘‘eene redelijke betuiging en belijdenis kunnen doen’’.28 [28. Notulen kerkeraad 2 november 1758, 21 december 1759, 8 januari 1760. Als de door predikanten gebruikte boekjes noemt hij die van F.A. Lampe, H. van Alphen, A. Hellenbroek, ‘‘’t Vriesche boekje’’.]

     Gemeenteleden
     Het lijkt onvoorstelbaar dat predikanten en andere kerkeraadsleden na de afzetting van Van der Os gewoon hun werk konden doen onder de gemeenteleden die vóór Van der Os betoogd hadden. Toch zwijgen de notulen vooralsnog over problemen. Klein teken van moeilijkheden is een besluit van een gemeentelid, dominee Kok. Al lange tijd woonde Hendricus Kok, gewezen predikant van Kaap de Goede Hoop, in Zwolle.29 [29. Volkstelling 1748 in de Sassenstraat naast de Bethlehemkerk en dominee Doitsma, ongehuwd; in 1772 bezat hij een huis in de Waterstraat, was zeker niet onvermogend.]
Eerder reeds was hij ouderling geweest, maar in 1756 bedankte hij voor de eer, zeer uitzonderlijke gebeurtenis. In zijn plaats verkoos de kerkeraad een gemeentelid dat eerder als getuige tegen Van der Os was opgetreden. Daar meer gewezen tegenstanders van Van der Os opnieuw of voor het eerst benoemd waren werd het draagvlak van de kerkeraad in de gemeente eerder kleiner dan groter.30 [30. Notulen kerkeraad 3 en 10 januari 1756.]
     Een eerste vermelding van werkelijke onaangenaamheden tussen gemeenteleden en de kerkeraad vinden we pas in 1757.
De Gimmer en ouderling Chevallier zijn dan zeer hatelijk bejegend door de voorzanger Van Wesel en diens zoon. Een jaar later nog dienden De Gimmer en ouderling Berg zelfs schriftelijke klachten in over vele onaangename bejegeningen.
Het verband met de zaak-Van der Os blijkt: de kerkeraad heeft om bijzondere redenen tot nu toe de zachtste weg ingeslagen, had ook gehoopt dat na deze zomer de rust was weergekeerd. Door de herdoop van Van der Os kon ieder toch zien hoe onrechtzinnig hij is? Maar nu het nog niet uit is zal de kerkeraad over moeten gaan tot berisping en censuur.
Concrete stappen vermelden de notulen echter niet.31 [31. Notulen kerkeraad 22 december 1757, 22 december 1758 art. 2.]
     Onduidelijk blijft waarom de grieven juist door De Gimmer gerapporteerd werden. Waren zijn collega’s beter in staat de problemen naast zich neer te leggen? Of zag men hem meer dan Doitsma als de kwade genius achter de afzetting van Van der Os? Zo resten ons vele vragen. De sfeer in kerkelijk Zwolle moet wel sterk bepaald zijn geweest door het voorbije

|pag. 152|

conflict. Geen van de betrokken predikanten kreeg nog een kans om elders een beroep te aanvaarden.
     We verlaten nu het terrein waar Van der Os het veld moest ruimen, beschuldigd van een al te grote vrijheid in de leer, verdacht van remonstrantse sympathieën. Het is bijna niet voorstelbaar dat zijn opvolgers veertig jaar later een vriendelijke brief zouden schrijven aan hun remonstrantse collega’s: eenheid tussen ons zal tot stand komen, en zeker zal ‘‘het de wijze voorzienigheid van onze liefderijken hemelschen Vader, die wel langzaam maar ook tegelijk zeker werkt, eens...behagen dezelve met zijne goedkeuringe en zegen te agtervolgen’’; helaas verhindert ‘‘de heerschende denkwijze onzer gemeenten’’ de spoedige vervulling van de wens.32 [32. Notulen classis Kampen 19 juni 1797 en 12 juni 1798. Geciteerd in Bosch, p. 71 v..]

|pag. 153|

3. Weerklank in Nederland

     Een Leids griffier over de kerkelijken
     De gebeurtenissen in Zwolle maakten duidelijk dat kerk en politiek in het midden van de achttiende eeuw in deze stad nauw met elkaar verbonden waren. Maar niet alleen in Zwolle was dit het geval. Een nauwe band tussen twee organen blijkt vaak het beste uit conflicten die zo nu en dan nodig zijn om de juiste verhoudingen te bepalen. Nu, conflicten tussen kerk en overheid rezen op meer plaatsen in Nederland. Een tweetal voorbeelden:
     De curator van de Leidse universiteit Cornelis de Witt berichtte in 1752 vanuit zijn woonplaats Dordrecht over grote onenigheid tussen de magistraat en de kerkelijken over de benoeming van een magistraatslid, Hoop, tot ouderling.33 [33. Brief aan Willem Bentinck, BL Egerton 1747, 3 juni 1752, f. 291 v..]
Een andere stad in Zuid-Holland, Rotterdam, beleefde gelijksoortige problemen. In 1755 bestonden daar twee predikants-vacatures. Het was de magistraat een doorn in het oog dat de predikanten in Rotterdam allen wijd en zijd als conservatief bekend stonden. Zo berichtte Allamand in juli 1752 dat het ministerium van Rotterdam veel moeite deed om onder de kerkelijken een algemene protestbeweging in gang te zetten [exciter une levée de boucliers], dit dan weer op instigatie van Holtius.34 [34. Allamand aan Bentinck, BL Egerton 1747 f. 364. Zie ook brief van Allamand aan Bentinck. 2 mei 1752; ils pensent tous comme de Moor. BL Egerton 1747 f. 187 v.]
     Met het woord kerkelijken bedoelde men zeker niet alle dominees. Zo hanteerde de vriend van vele predikanten Van den Honert de term met afschuw.35 [35. Zie boven, p. 76.] Met kerkelijken werden steeds diegenen bedoeld die zich op het standpunt stelden dat de politiek over de kerk geen zeggenschap had. Wel was volgens hen de overheid geroepen om de leer van de kerk te verdedigen.36 [36. Zie bijv. Sluiter in zijn Inleiding, boven, p. 128.] Niet steeds was de grens tussen al dan niet kerkelijke dominees scherp te trekken. Bij de beschrijving van het beroepingswerk in Zwolle viel ons al op dat wat het ene jaar nog geaccepteerd werd, de beroeping van een predikant op verzoek van de magistraat (Van der Os), een volgend jaar geweigerd werd met een beroep op kerkrecht en de stadhouder (Van Rossum). We kunnen ervan uitgaan dat beide partijen niet al te vaak tot een machtsstrijd wilden komen.
     In Zwolle ontstonden de problemen toen in de tijd van een jaar twee predikantsplaatsen vervuld dienden te worden, hetzelfde gebeurde in 1755 in Rotterdam. De magistraat stelde

|pag. 154|

twee predikanten ter beroeping voor, de kerkeraad echter weigerde de beroepen werkelijk uit te brengen. Twee predikanten, Herman Bruinings en Petrus Hofstede,37 [37. H. Bruinings, niet bekend of deze familie is van zijn naamgenoot, de gecommitteerde van de Zwolse classis uit Hasselt. Hofstede, 1716 - 1803, van 1743 tot 1754 predikant in Overijssel (Steenwijk). Later vooral bekend geworden door de ‘‘Socratische oorlog’’. Hofstede verzette zich tegen de ‘‘ophemeling’’ van deugdzame heidenen; voor de zaligheid is het geopenbaarde evangelie onmisbaar. Men vergelijke boven één van de bezwaren tegen Van der Os.] verdedigden de handelwijze van de kerkeraad in ‘‘Het recht der Rotterdamsche kerke’’.38 [38. Titel genoemd in bibl. nr 136, ongepagineerd.] Als reactie hierop zond iemand die goed op de hoogte was van de situatie in Rotterdam een bijdrage naar de ‘‘Nederlandsche Spectator’’, getiteld ‘‘Het recht der overheden over kerkelijke persoonen en zaaken’’. Wat ons met name interesseert is dat dit lange juridische vertoog in extenso in de Spectator werd opgenomen, en dat er zelfs daarna nog zoveel vraag naar was dat een zelfstandige uitgave in de handel kwam.39 [39. N.S. 1755, nr 171, pseudoniem J.C.D.J. Kaiophilus, zelfstandige uitgave met herstel pseudoniem J.C. Dikaiophilus Leiden van der Eyk 1756, bibl. nr 135. Over de identiteit van de auteur bestonden vele gissingen. De pensionaris van Rotterdam G. Meerman werd door Strodtmann en in zijn spoor Ypey aangewezen als de schrijver. Strodtmann N.G.E. X p. 516. Ypey p. 390 noot. Volgens NNBW 1 84 ontleende Van Alphen de eerste verhandeling aan een geschrift van Lambert van Veldhuyzen, ’t Recht der kerke bepaald naar de regelen van Gods Woord en de gronden van onze reformatie, opgenomen in Opuscula Velthusii, Rotterdam 1680. Van V., 1622-1685, te Utrecht, veel in conflict met de kerkelijken. Cartesiaan, vertaler van het verboden Leviathan van T. Hobbes. NNBW X 1368v..] De situatie vertoonde diverse parallellen met de toestand in Zwolle van enkele jaren geleden en wellicht mede daardoor bleef de belangstelling bestaan.
     Rond de publikatie in de Spectator ontstonden veel geruchten. Zo hoorde men het praatje dat verkoop door de overheid verboden was40 [40. Strodtmann X p. 516 noot.]. De belangstelling werd nu zo groot dat de auteur besloot een tweede, zelfstandige en uitgebreide, druk uit te geven, en zijn identiteit bloot te geven. Hij bleek de griffier van de stad Leiden, Daniël van Alphen, te zijn.41 [41. Het recht der overheden omtrent kerkelijke bedieningen, bibl. nr 136. Zie Documenta reformatoria nr 400. Voor van Alphen, 1713-1797, zie NNBW I 84, Buynsters p. 142 v..]
     Deze stelde dat in de huidige tijden nu de kerk zwakker werd haar heerszucht zich voortdurend uitbreidde. Helaas hadden de Staten het vroeger nooit op een stemming laten uitlopen wanneer het handelde over de gehoorzaamheid die de kerkelijken aan de politiek verschuldigd zijn, nu was het dan zover gekomen dat Van der Os naar de onrechtvaardige procedures in de kerk veroordeeld is. Toonde Van den Honert dit niet onomstotelijk aan? Dit alles vindt hierin zijn oorzaak ‘‘dat de kerkelijken, het bedorven voetspoor hunner voorzaaten volgenden...dit hun oude gewaande Kerkelijke Recht hebben voor den dag gehaald.’’ De wettige overheid en haar verdedigers schilderen ze als libertijns en machiavellistisch (heerszuchtig) af om de onkundige gemeente te verleiden. En daarbij noemen ze dan het recht van de overheid over kerkelijke personen en zaken een remonstrantse vinding! Aan deze geestelijke staatzucht dient nu spoedig een einde te komen.42 [42. Bibl. nr 136 p. 322 vv.. Deze herinnering aan de remonstrantse en contra-remonstrantse twisten trok ook in het buitenland de aandacht. Strodtmann N.G.E. X 517 citeerde gedeelten letterlijk.]
     De schrijver noemde zich een tegenstander van de leer van Arminius. Daarmee liet hij zich echter niet volledig kennen. Zien we welke theologische interesse hij had, dan herkennen we in hem de intellectueel die veel interesse toonde voor ‘‘ongeapprobeerde schrijvers’’. Zo vinden we in zijn

|pag. 155|

nalatenschap preken, meditaties en andere boeken van de remonstranten J. Uitenbogaart, P. van Limborch, S. Episcopius; boeken over en van de ketters in de leer van de Drieëenheid Socinus en Servet; de wel en net niet wegens ketterij veroordeelde W. Deurhoff en G.F. de Cock; talloze Engelse godgeleerden, onder anderen J. Tillotson, B. Hoadly, J. Sharp, I. Watts, S. Clarke, M. Henry. De klassiek gereformeerde namen ontbraken.43 [43. Veilingcatalogus D. van Alphen 1798, Archief Vereeniging Nv 666, deze theologische werken op de pagina’s 44-48, 113-127. Van zijn eigen geschriften bibl. nr 135 en 136 zijn steeds twee ex. vermeld.]
     In deze griffier vinden we de combinatie van denkbeelden over de verhouding tussen kerk en politiek én een theologische interesse die de strijd rond Van der Os kenmerkten. De belangstelling voor zijn visie geeft aan dat velen in de Republiek hun bedenkingen hadden tegen de handelwijze van de kerk.

     Nog eens: kerk en politiek
     In 1758 verscheen een zeer merkwaardig pamflet waarin het besluit van de Overijsselse synode opnieuw werd aangevallen.
Onder het aloude motto: Het kan verkeren begon de schrijver als volgt:
          ‘‘Men band, men blikzemd door een synodaal besluit
          de sch[r]andren van der Os den Zwolschen tempel uit;
          men raast en tiert als dol in prose en lamme rijmen
          dat hij ’t gevoelen kiest en volgt van Menno Sijmen.’’
Nu hoort ook Van der Os dus bij de vredelievende mennisten (doopsgezinden), weerloos omdat hij geen wapen zal willen dragen. Maar wat, zo vraagt de dichter aan het Nederlandse volk, is daar toch mis aan? Is heel ons land niet uit vrije wil weerloos geworden, heeft het zich niet met huid en haar overgeleverd aan Engeland, zonder oog voor dreigend Frans geweld? Als Frankrijk wil is straks iedereen hier papist!
Want, en dan volgt de parallel,
          ‘‘Men band, men blikzemd met een vaderlandsch besluit
          het doodlijk krijgsgeschrey de Haagse raadzaal uit.
          Men raast en tierd als dol in proze en lamme rijmen
          dat Holland volgt de leer van vader Menno Sijmen.’’
Pas op, vaderland, Van der Os kan altijd nog zeggen, dit is de predestinatie, het heeft zo moeten zijn, maar de tegenstander is arminiaans en heeft een vrije wil, die verslindt zonder enig gemoedsbezwaar uw hele koopvaardij. ‘‘Het schip van Staat verwagt eerlang een Britsche slooping!’’44 [44. Aan de schrijveren tegen dominee A. van der Os, z.d.z. p., 6 p., passim.]
     Zo trachtte een anoniem schrijver, waarschijnlijk de remonstrant G. Brandt, de aandacht van het Nederlandse volk

|pag. 156|

te vestigen op de oorlog tussen Engeland en Frankrijk, waarin de Republiek dan wel neutraal bleef maar uit vrees voor Engeland geen enkel initiatief ontplooide om de handel te beschermen. Verzet tegen de Engelse invloeden in Den Haag was al te duidelijk, schimpscheuten op de wijze waarop Engelse spionnen in 1748 oproer zaaiden ten gunste van Willem Friso en Anna onmiskenbaar.
     Er zou nu ook wat gaan veranderen in Den Haag. Op 27 september 1758 stuurde Anna haar secretaris De Back de laan uit, adviseur terzake van Van der Os en Stinstra, zozeer gehaat dat een spotvers uitkwam op zijn val, waarvan de opbrengst ten goede zou zijn ‘‘van de boeven-rasphuyzen van Amsterdam en Rotterdam.’’45 [45. KB hs 131 C 29.]
     De persoon en de zaak van Van der Os bleken als symbool te gelden voor de vrijheid van denken, verdrukt door Zwols en Haags kerkelijk en politiek bedrijf. Leden van magistraten in de grote Hollandse steden moesten met leedwezen de toestand aanzien. Ondertussen voerden anderen een binnenkerkelijke discussie over de geldingskracht van de formulieren van enigheid.

     Formulieren van enigheid in discussie
     In een eerder stadium46 [46. Zie boven, p. 106 v..] maakten we gewag van de betrokkenheid van de remonstrantse gemeenschap bij het conflict. De Haarlemse predikant Nozeman ondernam een poging om Holtius en Comrie door de overheid te laten berispen. Opvallender nog was gedurende het hele verloop van de Zwolse kwestie de betrokkenheid van individuele schrijvers met remonstrantse sympathieën. Velen onder hen zagen de zaak tegen Van der Os als mogelijkheid om het gezag van de vijf artikelen tegen de remonstranten, de Dordtse leerregels, in twijfel te trekken. En terwijl de meeste schrijvers er na de afzetting van Van der Os verder maar het zwijgen toe deden ging de discussie over deze stof onverminderd voort.
Enerzijds publiceerden Holtius en Comrie nieuwe samenspraken, anderzijds brachten remonstranten de vertaling van het boek van de Engelse latitudinaire schrijver Daniël Whitby uit: ‘‘Behandelinge van de leere der vijf artikelen, uitgegeven tegens het boek van dr J. Owen, met een voorrede betreffende d’uitgeevers van hetzelve boek en de schrijvers van het Examen.’’47 [47. Rotterdam 1757. Daniël Whitby (1638-1726) was één van de ‘‘latitudarians’’. Hij schreef over verkiezing en verwerping een boek waarin hij de Dordtse leerregels fel aanviel, A discourse concerning the true import of the words election and reprobation, Londen 1710. Whitby had zelf aanvankelijk de calvinistische ideeën gedeeld, zo schreef hij, maar wenste nu alleen nog uit te gaan van de heilige schrift, de rede en het beste van de christelijke oudheid. Zie ook Van den Berg Theologians p. 197, 203.]
     Zowel Comrie als Holtius reageerden op dit geschrift en de achterliggende tendens met geschriften op eigen naam. Comrie vertaalde werk van de Engelse theoloog J. Chauncy48 [48. De leere der waarheid die na de godtzaligheit is, Leiden 1757.],

|pag. 157|

schreef een brief over de rechtvaardiging met vele citaten uit Owen en Bunyan49 [49. Missive van A. Comrie wegens de regtvaardigmakinge des zondaars met bijgevoegde stukken uit de schriften van Owen en Bunyan, mitsgaders de consideratien van ds W. Sluiter, Amsterdam 1757.] terwijl Holtius in hetzelfde jaar 1757 twee preken over de rechtvaardiging publiceerde.50 [50. De zondaar gerechtvaerdigt om niet....; in twee predikatien over de 23 en 24 zondag van den Heidelbergschen Catechismus. ‘Amsterdam 1757’. ] De achtste samenspraak van het Examen handelde expliciet over de formulieren van enigheid.
     Parallel met deze publicitaire strijd liep de poging van kerkelijke organen om de binding aan de formulieren van enigheid te bekrachtigen. De Leidse hoogleraren merkten op de Zuidhollandse synode van het jaar 1755 op dat zij studenten een jaar lang college gaven in de Nederlandse geloofsbelijdenis, de Dordtse leerregels en de catechismus.51 [51. Notulen synode Zuidholland 1755.]
En op de provinciale synodes werd het stipt ondervragen van kandidaten op de Dordtse leerregels een landelijke trend.52 [52. Notulen synode Noordholland 1756, art. 34.]
     Eén voorbeeld hebben we van de wil van kerkelijke vergaderingen om ook werkelijk predikanten die in hun leer de onderscheidingen van de belijdenisgeschriften niet correct handhaafden aan te pakken. In 1757 hield dominee Ter Poorten bij de opening van de classis Zwolle volgens het rooster de preek. Ook al vermeldden de notulen van die vergadering geen ongerechtigheden, Ter Poorten bemerkte in de wandelgangen veel kritiek. De verhouding tussen rechtvaardigmaking en een deugdzaam leven zou hij niet goed geschetst hebben. Aan zijn collega Sluiter vroeg hij daarom vertrouwelijk om raad. Wat had hij nu precies fout gezegd, hoe kon hij voorkomen dat hij in diskrediet gebracht zou worden? Sluiter durfde pas antwoord te geven na de uitdrukkelijke verzekering van Ter Poorten dat geen woord in druk zou verschijnen. Blijkbaar leefde in hem de angst dat Ter Poorten of anderen opnieuw de hele discussie zouden oprakelen.
     Bij nader inzien besloot Sluiter echter om toch zijn antwoord aan Ter Poorten te laten uitgeven. Hij zond het aan Comrie, die de zogenaamde ‘‘Consideratien’’ opnam achter een eigen werk.53 [53. In verzameling mennonitica UBA 0-65-167, een pro memoria geschreven door Sluiter. Zie ook noot 52.] Over deze problematiek horen we overigens verder niets meer. Ter Poorten overleed in 1760, in de leeftijd van 55 jaar.54 [54. Als student was hij, afkomstig uit Coevorden, in 1723 te Groningen ingeschreven, in 1731 deed hij intree. Op grond van deze gegevens schatten wij zijn leeftijd.]

     Vrijmetselarij?
     In de geschiedschrijving van de achttiende eeuw gaat de aandacht van velen uit naar de vrijmetselarij. Was de geheimzinnige orde der vrijmetselaren betrokken bij veel belangrijke gebeurtenissen in de Republiek? In de beschrijving zoals we die tot nu toe van de zaak-Van der Os gaven wordt de groepering niet bij name genoemd. Daarom

|pag. 158|

stellen we hier, het gehele proces overziende, de vraag of Van der Os en zijn medestanders wellicht lid waren van een loge.
     Vooral Margaret Jacob tracht in haar studie van het verschijnsel overal de invloed van vrijmetselaren aan te tonen. Zij weet met zekerheid te melden dat Willem Bentinck lid van een loge was, van Charles was het aannemelijk.55 [55. Jacob, p. 199.]
     Uit andere bron is ons bekend dat er in de Republiek ook predikanten vrijmetselaar waren. In de gereformeerde kerk van Nijmegen ontstond in 1752 onenigheid toen een predikant twee broers, L.A. en F.C. Merkes, niet als lid wilde aannemen vanwege hun lidmaatschap van de vrijmetselaars. In de publiciteitsgolf die toen ontstond schreef een lid dat er leraren (voorgangers, predikanten) van alle gezindten toegelaten zijn tot een loge, ‘‘waarvan er veele zijn die zelfs geen zwarigheyt maken zulks opentlijk te belijden en voor vrijmetzelaars uit te komen waarvan men (des noods) de bewijzen van onze hervormde kerk...zoude kunnen bijbrengen.’’56 [56. Vrijmetselaar, p. 12.]
Maar blijkbaar stijgt de nood zo hoog niet dat een gereformeerd predikant moet ‘‘uitkomen’’. In geen geval is voor een lidmaatschap van Van der Os een aanwijzing gevonden. In Zwolle kwam overigens ook pas in 1764 een loge van de grond.
Bij de mensen van het eerste uur bevinden zich wel enkele verwanten van Van der Os.57 [57. Mensema, Vrijmetselaarsloge, noemt onder anderen C. Heufke, geh. met Elisabeth Wilhelmina Eekhout; Balthasar R. Wicherlinck, zoon van Hendrik W. en Judith Muntz; Lucas H.C. Nilant, zoon van Lambertus N. en Margaretha Geertruid Scriverius. Een kleine publiciteitsgolf rond de zaak in Nijmegen wordt gedocumenteerd in Van Abkoude, Derde aanhangsel, tweede deel, p. 54-56 (18 titels) en vierde aanhangsel p. 118 (3 titels). Zie ook Zilverberg, AGN 9, p. 326.] Kan de vrijmetselarij een belangrijke rol hebben gespeeld bij de verbreiding van verlichte gedachten over tolerantie,58 [58. Het al eerder geciteerde ‘‘Vrijmetselaar’’: ‘‘Dat er niets in deeze sociëteit tegens de religie...geschied...blijkt daaruit dat deeze sociëteit bestaat uit christenen, Jooden, Turken en heydenen, geen religie of natie uitgezondert.’’] in de zaak Van der Os speelde ze geen rol.

     Het conflict rond Antonius van der Os
     Antonius van der Os was 34 jaar oud toen men hem de toegang tot de kansel van de Grote Kerk in Zwolle ontzegde.
In een paar jaar tijds hadden velen 10.000 vel drukwerk gepubliceerd, 1000 vel notulen en aantekeningen, waren namen van Zwolse burgers in het hele land over de tong gegaan.
Mensen getuigden voor en tegen, tegenstellingen openbaarden zich op vele terreinen. Van der Os zelf trok zich, schijnbaar ongebroken, terug uit een strijd die over veel meer ging dan alleen enkele discutabele uitspraken. Een werkelijke discussie over de leer van de kerk was nog niet begonnen.
     Zo blijft er voor ons wel veel duister. Een dogmatiek of commentaar schreef hij niet, zelfs geen prekenbundel is van hem bekend. Het beeld blijft achter van een man om wie zich een strijd afspeelde, een strijd die hem echter niet steeds leek te raken, die meer rond hem gevoerd werd. Wie zal weten

|pag. 159|

welke conflicten zich afspeelden in hem en zijn tijdgenoten, kinderen van een eeuw waarin de geschiedenis als in een stroomversnelling leek te geraken?

|pag. 160|

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.