Mornesteen

 

MORNESTEEN

door

P. Duijs.

 

In den vooravond van een lentedag in het jaar 1672 rolde eene koets over den weg van Zwolle naar Kampen. Toen zij den IJsseldijk bereikte, begon de schemering te val­len. Het was een schoone stille avond. De poorten aan den waterkant, de torens der Boven- en der Buitenkerk weer­spiegelden in den effen vloed; het eerste gras vormde een liefelijk door tallooze witte meibloempjes geschakeerd tapeet op de uiterwaarden langs de rivier, terwijl de lindeboomen op de wallen hunne eerste lichtgroene bladeren begonnen te ontvouwen. Dit alles verkondigde de weergekeerde lente en sprak van vrede en vreugde; maar toch stonden de gelaats­trekken der beide in de koets gezeten personen eer somber dan blijmoedig. De eene was een oude dame, de ander een man in de kracht des levens. Beide behoorden blijk­baar tot den deftigen stand. De dame was gehuld in een zwart fluweelen kleed. Hare hooge gestalte, de waardige gestrenge gelaatsuitdrukking, de levendige van geestkracht getuigende blik der oogen — het geheele uiterlijk boezemde achting en eerbied in. Zij was mevrouw Van Morne, we-

[p.2]                                                                     Mornesteen

duwe van Andreas van Morne, een der aanzienlijkste inwo­ners van Kampen. De heer naast haar gezeten, was haar zoon Willem van Morne, gewezen kapitein der infanterie onder Joan Maurits van Nassau, maar thans inwonende bij zijne moeder en geen andere betrekking bekleedende dan die van lid der provinciale Staten van Overijssel. Zijn uiterlijk duidde den krachtvollen bedaarden man aan, die de jeugd voorbij en tot den rijperen leeftijd gekomen was.
Moeder en zoon bewoonden met twee kinderen van laatst­genoemden, die weduwnaar was, een groot huis in de Bovennieuwstraat te Kampen, dat „Mornesteen’’ werd genaamd en waarbij vele landerijen buiten de stad behoorden. Het huis scheen zeer oud en had zelfs een paar torens, als een slot uit vorige eeuwen, terwijl het door een hoogen muur van het overige deel der stad was gescheiden. Behalve deze bezitting had de familie Van Morne nog eene havezathe in Overijssel, de Homberg genaamd en nabij Borne gelegen, in eigendom, die het middelpunt was van eenige daarbij behoorende bosschen en landerijen. Meermalen reden moe­der en zoon daarheen om over hunne bezitting, die door een opzichter beheerd werd, nu en dan zelf het oog te laten gaan en er de noodige bevelen te geven.
Toen zij de IJsselbrug stapvoets ten einde waren gereden, stond bij de Vischpoort een man, die, nadat hij een blik op de koets had geworpen, eene diepe buiging maakte en eer­biedig den hoed afnam.
„Was dat Overmark niet?’’ vroeg de dame.
„Ik geloof het wel,’’ antwoordde haar zoon.
„Een onverdragelijk mensch,’’ hernam zij, en de koets rolde de poort uit gekomen sneller voort de Oude straat op. ,,Ik ben blijde weer thuis te zijn,’’ verzekerde de moe­der, toen zij de oude torentjes van hare woning in het ge­zicht kreeg.
„ ’t Is ook nergens beter,’’ gaf haar zoon ten antwoord.

[p.3]                                                                     Mornesteen

„Ware uw vader ook maar meer thuis gebleven,’’ hernam zij, „dan zou ons meer zijn overgebleven dan Mornesteen en de Homberg.
„Het waren slechte tijden, moeder, en wij bezitten toch nog zooveel als wij noodig hebben.’’
„Denkt gij dan dat het mij om eten en drinken of een stuk kleeding te doen is?’’ vroeg de oude vrouw eenigszins heftig. „Het aanzien, de eer van ons geslacht is het wat mij ter harte gaat. Ik mag er niet aan denken, welke schoone bezittingen wij eertijds hadden.’’
„De beide goederen zijn nog een eigendom waarvoor men zich niet behoeft te schamen. Wij zullen het bijeenhouden, en wieweet of we niet, als er goede tijden komen, een en ander van onze landerijen kunnen terugkoopen.’’
„Goede tijden,’’ morde de oude vrouw, „die zijn niet te wachten. Nu ons land is overgeleverd aan de Loevesteinsche factie, die den vijand niet uit het land weert en misschien met hem heult — is er niets dan ellende te wachten.’’
„We willen hopen dat dit spoedig verandert,’’ antwoordde Van Morne. „De oogen beginnen open te gaan. Alom mort; het volk over het eeuwig edict.’’
„’t Is ook God geklaagd, dat eene booze partij het zoo­ver heeft gedreven om een telg uit het Oranjehuis, waaraan we alles te danken hebben, uit te sluiten van de rechten, die hem door zijn geboorte toekomen, zooals het Gods dui­delijke wil is; maar men ziet nu ook, hoe Gods tuchtroede het land teistert. De bevolking is ontevreden en veracht de hooge regeering, Engeland is ons vijandig, frankrijk dreigt met oorlog…..’’
Hier werd de oude dame in hare ontboezeming gestoord door het stilhouden van het rijtuig. Van Morne schoof een gordijntje ter zijde om naar de oorzaak te zien en ontdekte toen, dat een menigte volks de straat versperde. De ge­zichten stonden zorgvol en bekommerd, allerlei uitroepen

[p.4]                                                                     Mornesteen

werden gehoord, waartusschen men de woorden „Oorlog, Lodewijk, Charleroi’’ kon onderscheiden.
„Vraag eens wat er is,’’ riep Van Morne den rijknecht toe. Deze vroeg het aan een der naastbijstaande burgers.
„Zooeven,’’ was het antwoord, „heeft de Amsterdamsche beurtman de tijding meegebracht, dat de Franschen van Charleroi zijn opgerukt en dat Keulen en Munster den oor­log verklaard hebben en volk verzamelen om in Overijssel te vallen.’’
Toen de menigte bemerkte dat de familie Van Morne, die men hooge achting toedroeg, in de koets zat, maakte men ruimte om ze door te laten.
„Dat is een slechte tijding,’’ zeide Van Morne met een zucht.
„Nu slaat Gods tuchtroede al krachtig toe,’’ antwoordde zijne moeder. „Een volk, dat zich door een libertijnsche partij laat ringelooren, is niet waard een vrij en voorspoedig volk te zijn. Nu zullen we spoedig worden beroofd van al wat we door het huis van Oranje hebben verkregen.’’
„God verhoede dat het zoover komt,’’ zei de zoon.
Zij waren bij hunne woning in de Nieuwstraat gekomen. Bij het poortje, dat van de straat toegang naar het plein van het huis verleende, stonden knecht en dienstmaagd de aankomenden op te wachten.
„Is alles goed ?’’ vroeg mevrouw.
„Ja, alles is goed, mevrouw, Gode zij dank,’’ was het antwoord van den knecht. „Maar er is slechte tijding van buiten.’’
„Wij weten het al,’’ zeide Van Morne, en te gelijk sloot hij twee kinderen in zijne armen, die uit het huis waren te voorschijn gesprongen en door luide uitroepen hunne blijd­schap lucht gaven.
De familie begaf zich naar de groote zaal achter in het huis, waar, wegens de koelte van den avond, een hout-

[p.5]                                                                     Mornesteen

vuur vlamde onder de groote schouw, terwijl nu ook eenige op zilveren luchters geplaatste kaarsen werden ontstoken en de dienstboden, zich haastten om het avondeten gereed te maken.
Het opvlammende vuur en het licht der kaarsen wierpen hun schijnsel op de familiegroep voor den schoorsteen en op de portretten van voorouders aan den wand, die opklom­men tot de 15e eeuw, maar de meesten waren uit den Spaanschen tijd. Op een tafeltje ter zijde van den schoor­steen lag de groote Statenbijbel met zware zilveren slo­ten en op een ander tafeltje daarnaast een boek in kwarto formaat en gebonden in perkament, waarop men den naam las van Jacob Cats, en een dito band, waarop stond: „Nederlandsche historiën van Pietee Cornelisz ’T Hooft.’’
Ook de laatsten van de oude Overijsselsche familie Van Morne, die daar bij den haard zaten waar zoovele van hunne voorzaten zich gewarmd hadden, waren wat hun voorkomen betreft ten volle waardig dat hunne beeltenissen zich bij de anderen aansloten. De oude dame, hoewel ver in de zes­tig, zat daar, in weerwil van de vermoeiende reis, rechtop zonder zich van de steile stoelleuning te bedienen. Hare hooge gestalte had reeds veel indrukwekkends, dat verhoogd werd door het gelaat vol uitdrukking. De rimpels niet slechts door den ouderdom, maar ook door zorg en kommer er in geploegd, maakten den scherpen blik der donkere oogen, die door zware wenkbrauwen overschaduwd waren, nog meer gebiedend. Gewoonlijk sprak zij kort en beslist zonder naar die sierlijke hoofsche phrases te zoeken, die destijds van Frankrijk uit, overal waren doorgedrongen. De uitdrukking van haar gelaat was wel meestal effen en zelfs stuursch, maar zij kon ook, als haar hart geroerd werd, recht vriendelijk zijn, minzaam uit de oogen zien en zeer gemoedelijk en liefderijk spreken. — Niet minder ernstig was het uiterlijk van den zoon. Groot en sterk gebouwd, was hij een echte afstammeling van die forsche Overijsselsche

[p.6]                                                                     Mornesteen

voorouders, die daar van den wand op hem schenen neder te zien. Hij had, als reeds gezegd is, in het leger onder Joan Maurits van Nassau gediend, maar toen in 1666 te Kleef met den bisschop van Munster vrede was gesloten en vooreerst voor het krijgsvolk te lande niet meer te strijden viel, nam hij zijn ontslag uit den dienst; waartoe hij te eer overging, om­dat door den dood zijner vrouw zijne kinderen met hunne grootmoeder alleen waren, die bij het klimmen harer jaren, tot hoogen leeftijd behoefte had aan zijn’ steun, ook in het beheeren der familie-bezittingen. Hoewel hij met zijne kin­deren bij zijne moeder inwoonde, stond zij hem echter wei­nig van hare rechten af; zoo had hij niets in te brengen om­trent de inrichting van de huishouding en slechts een beperkte macht in het bestuur der eigendommen; maar welk een zelf­standig man hij anders zijn mocht — voor zijne moeder, wie hij van jongsaf diepe vereering toedroeg en onbepaalde ge­hoorzaamheid bewees, bukte hij steeds, en hoezeer hij ook wenschte dat meublement en levenswijs in huis eenigszins in overeenstemming met de eischen van den tijd gebracht werden, moest alles, omdat zij tegen verandering was, bij het oude blijven; zoo was het in de groote zaal, die het sombere voorkomen had, dat een halve eeuw vroeger alge­meen was, maar dat in de huizen der meeste deftige familien reeds had plaats gemaakt voor sierlijker vormen en weelderiger inrichting; zoo was het ook aan den maaltijd, die slechts bestond uit brood, boonen en vleesch, dat met bier werd doorgespoeld, alles op oude Overijsselsche manier. — Mevrouw Van Morne stond langzaam op, de overigen volg­den. Zij sprak het tafelgebed uit, en onder het eten, dat zij voor tijdverlies rekende, werd niet gesproken; de oude dienstmeid deed snel en beslist haar plicht, en in weinig tijds was de maaltijd geëindigd. Het dankgebed werd nu uitgesproken, de kinderen omhelsden hunne grootmoeder en hun vader en werden te bed gebracht.
Toen de meid nog een blok hout op het vuur wierp,

[p.7]                                                                     Mornesteen

vroeg hare meesteres: „Is hier in onze afwezigheid niemand geweest ?’’
„Al tweemaal is Overmark hier geweest’’ was het ant­woord.
„Wat wilde die?’’
„Hij wilde, geloof ik, over het hooi spreken.’’
„Die Jood en woekeraar!’’ bromde zij. „Als hij weer komt, wijs hem dan de deur.’’
Een oogenblik daarna nam zij van den knecht den sleu­tel van het buitenpoortje over, het laatste licht werd uitgedoofd en weldra was op Mornesteen alles in diepe rust.

II.

Het was eenige dagen later. In de gelagkamer der her­berg van Croese op de Oudestraat waren verscheidene burgers uit de stad bijeen. Er heerschte in het lage vertrek een sterke lucht van bier en brandewijn. De bezoekers zaten aan een langen disch. Sommigen vermaakten zich met kaartspelen, anderen zaten te rooken en te praten over den prins en Joan de Witt, over Lodewijk en de Franschen, over de bisschoppen en den dreigenden inval.
„Goeden avond, Overmark,’’ klonk het uit verscheiden monden, toen de koopman-geldschieter van dien naam binnen­trad. „Gij zijt lang uitgebleven !’’
„Ik had zaken te IJsselmuiden te doen,’’ was het ant­woord. „Maar er is weinig te profiteeren; want de tijden zijn slecht.’’
Toen zette de kleine bewegelijke man, met zijne rustelooze oogen rondziende, zich neder en bestelde een glas brandewijn.
„Die klaagt nog,’’ fluisterde Cornelis Arendsz de bier­brouwer zijn buurman toe. „Hij zou liefst ieder het vel over de ooren halen.’’
„Ja, de tijden zijn slecht,’’ hernam Overmark. „Wie heeft geld? Niemand. Wie heeft geld noodig? Iedereen.

[p.8]                                                                     Mornesteen

Waar krijgt men zekerheid? Nergens. Ik wil anders gaarne helpen.’’ Een paar burgers lachten. „Gij weet u wel zekerheid te verschaffen,’’ zei de bouwmeester Ovelink, hem op den schouder slaande.
„Ja, dat zegt gij wel,’’ antwoordde Overmark; „maar waar vind ik voldoend onderpand in dezen tijd van slechte nering, terwijl men vandaag niet weet wie morgen ons land zal toebehooren. De voorname lui leven in weelde voort, zij brassen en rijden tot op eenmaal de wagen vast zit; dan moet de geldschieter helpen; hij moet borgen en weet niet eens, hoe zij met hun zaken staan. Wat helpt een onder­pand als morgen de vijand het land inneemt en alles zijn waarde verliest?’’
„De vijand het land innemen? Dat zal toch wel zoo niet gaan,’’ zei de dikke trijpfabrikant. „Wij hebben de Spanjolen er uitgejaagd en zullen er ook Moffen en Fransozen uitjagen, als ze komen. De Ruiter toont ons op zee, hoe wij te land moeten doen.’’
„Ja, als we zoo sterk waren te land als ter zee,’’ merkte Overmark aan. „Weleer was elke stad een bolwerk, dat den vijand tegenhield, maar nu hoort men van alle kanten dat het slecht gesteld is. Wat is het hier in Kampen? Er is, zoo ik hoor, maar heel weinig kruit en kogels voorhan­den, en garnizoen hebben we niet.’’
„Dan zullen wij burgers, als de vijand komt, de wapens grijpen en hem op het jak zitten,’’ riep de fabrikant en sloeg met de vuist op de tafel.
„Dat is een heldhaftig plan,’’ hernam Overmark, „en ’t zou goed zijn om een stroopenden troep buiten te houden; maar om den machtigsten koning van Europa, geholpen door Duitsche vorsten, tegen te houden, zal er meer noodig zijn.’’
„Die vervloekte gemijterde schelmen!’’ bulderde de trijpman. „Dat de Franschen ons bevechten, kan ik hun nog

[p.9]                                                                     Mornesteen

vergeven, maar die huichelende pilaarbijters, die zich her­ders noemen en als wolven op roof uitgaan — dat de pest ze verderve!’’
Overmark glimlachte. „ En;’’ zeide hij, „als ze de repu­bliek aanvallen, dan licht Overijssel het eerst aan de beurt. Wieweet hoe spoedig wij onder een andere regeering zijn!’’
„Gij zijt wel een ongeluksprofeet,’’ merkte de lakenkooper Eimbertsz aan. „Men zou schier denken dat gij wenschtet die voorspelling vervuld te zien. Misschien zouden de Aller-christelijkste Koning en de geestelijke heeren uit ’t Moffenland u hier heel welkom zijn.’’
„God beware mij!’’ antwoordde Overmark. „Niet om­dat ik het wensch, maar omdat ik het vrees heb ik zoo gesproken. Als ik verder zie dan sommigen uwer, dan is dit wel te verklaren doordat ik somwijlen met groote heeren zaken doe, en zij verwaardigen mij wel eens met hun vertrouwen. Ik mag dit evenwel niet misbruiken; vergun me dus te zwijgen.’’
Het gezelschap was echter niet met zijn zwijgen gediend en drong hem om duidelijker voor den dag te komen en daardoor het verwijt, dat hij zich een schijn van gewicht gaf, te weerspreken.
„Een goed hoorder heeft maar een half woord noodig. Wie is Lodewijk XIV?’’
„Die is,’’ riep de trijpfabrikant heftig, „die is een ver­waande losbol, een huichelachtige tyran, even roofzuchtig als valsch en logenachtig.’’
„Wees voorzichtig, vriend,’’ vermaande Overmark. „Het is goed dat niemand dan een paar goede vrienden uwe woorden hooren. Ik herhaal het: men weet niet hoe spoedig die koning of zijne bondgenooten hier kunnen zijn.’’
„Laat ze eens komen,’’ riep de lakenkooper, „die aapachtige Franschen of die papenknechten, dan zullen ze onze Overijsselsche vuisten op hun schedel voelen.’’
„Ik wensch je een goeden avond,’’ zeide Overmark, nam

[p.10]                                                                  Mornesteen

zijn hoed en wilde henengaan; maar de driftige lakenkooper trad hem in den weg en vroeg: „Waarvoor houdt gij Lodewijk ?’’
„Voor een groot man, dien we ontzien moeten,’’ was het antwoord.
Nu barstte de storm los.
„Landverrader! Spion! Weg van hier! Ga naar Jan de Wit!’’ zoo klonk het dooreen, en de korte gestalte van den heer Overmark rolde onzacht de deur uit en de straat op, terwijl zijn hem ontvallen hoed hem werd nagesmeten.
Op dit verrassend schouwspel bleven verscheiden menschen voor de deur der herberg staan. De verblufte Overmark scharrelde weer op de been, en van de verrassing bekomen, mompelde hij met de vuist dreigend, terwijl zijne listige oogen flikkerden: „Dat zal ik je betaald zetten !’’ Hij raapte zijn hoed op en ging weer naar binnen. De lakenkooper kwam op dat oogenblik naar buiten. Juist wilde de predikant Gerstavius de herberg passeeren, toen hij de groep menschen zag staan.
„Wat is hier te doen?’’ vroeg hij.
„Overmark de geldschieter,’’ antwoordde Eimertsz, „is de deur uitgesmeten, omdat hij den Franschen koning prees en zeide dat de Duitsche bisschoppen spoedig hier zouden zijn.’’
„Is het zoover gekomen,’’ zeide de predikant met een zucht, „dat men openlijk den vijand durft prijzen en zijn zegepraal voorspelt! Papisten en Loevesteiners worden even stout! Het zal niet beter worden vóór de doorluchtige telg van het huis van Oranje wordt erkend in zijn rechten.’’
„Dat is wel waar, de dominé heeft gelijk,’’ zei een der burgers.
„De Wit en zijn aanhang moeten er onder! De Prins moet stadhouder zijn !’’ riepen anderen. Daar naderde een der burgemeesteren en toen hield men zich stil.

[p.11]                                                                  Mornesteen

De predikant had echter met welgevallen die uitroepen gehoord en nam zich voor den aanstaanden Zondag op de zaak te zinspelen.
Daar binnen werd nog heftig gesproken. Overmark hield zich echter stil. Hij had bedaard zijn hoed weder opgehangen en scheen na zijne aandacht op het spel van een groep kaartspelers te vestigen.
Weldra werd hij echter weer in het gesprek betrokken. „De Van Morne’s zijn ook weer in de stad gekomen,’’ merkte een der spelers onder het kaartgeven aan.
„Wat dunkt je, Overmark,’’ vroeg een tweede, „zou Van Morne, als de oude mevrouw eens sterft, de bezittingen behouden kunnen ?’’
Overmark zag hem van ter zijde aan en vroeg: „Gij hebt misschien plannen ?’’
„Wat zou ik voor plannen hebben?’’ antwoordde hij. „Ik kan zulke goederen niet betalen.’’
„Ja, er zit nog al waarde in,’’ bevestigde Overmark. „Ze kunnen de schulden wel dragen. De zoon zal de goederen wel evenzeer vasthouden als zijne moeder. Eene achtenswaardige familie !’’
„Er moet echter zware kusting op liggen,’’ merkte men aan.
„Och, dat kan zooveel niet zijn,’’ meende Overmark. „ En als de waardige mevrouw Van Morne mij vandaag nog laat vragen om tien, twintig duizend gulden, dan geef ik ze — dat is te zeggen,’’ liet hij er dadelijk op volgen, „als ik zooveel te missen had. Ik spreek maar zoo per exempel.’’
„O, gij arme bloed!’’ zei een ander lachend. Nu trad een vreemdeling binnen. Hij had op straat het zooeven gebeurde aanschouwd. Hij was gekleed als een deftig burger. Na beleefd gegroet te hebben — in het Hollandsch met een Duitsch accent — zag hij met een snellen blik rond en zette zich toen naast Overmark neder.

[p.12]                                                                  Mornesteen

Nadat hij een poos gezeten en met hem over het weer en de uitzichten van den oogst gesproken en een kroes bier had leeggedronken, nam hij een oogenblik waar dat niemand op hem lette en vroeg zacht aan Overmark: „Gij zijt in uw hart voor den Franschen koning en de Duitsche primaten?’’
Overmark zag hem verwonderd aan, maar antwoordde niet.
„Ik begrijp uw zwijgen. Kan men op u rekenen?’’
„Als men wil wat ik wil : ja.’’
„ Goed. Ik zal te tien uren bij u aan huis komen. Zeg mij waar gij woont.’’
Overmark fluisterde : „Oude straat, bij de Bovenkerk.’’
Niemand was dit gevoerd gesprek in ’t oog gevallen. De lakenkooper, die een driftig, maar zeer goedhartig persoon was, had er berouw van dat hij zich zoo heftig had gedragen en nam een kort besluit: hij trad met het gevulde glas in de hand naar Overmark en zei: „Overmark, ik heb mij in mijne drift vergeten. Ik erken dat ik verkeerd gedaan heb. Willen we de vijandschap afdrinken?’’
„Het zij zoo. Ik houd niet van vijandschap,’’ antwoordde Overmark en klonk nu met den ander.
De vreemdeling verwijderde zich weer, na eerst Overmark een blik van verstandhouding te hebben toegeworpen.
„Maar zeg mij nu eens, Overmark,’’ hernam de laken­kooper, „gij gelooft toch werkelijk niet, dat de Munsterschen in Overijssel zullen vallen ?’’
„Hm! Er is alle grond van vrees voor. Het leger van den Bisschop is op voet van oorlog en ook Keulen rust zich uit. Welonderrichte personen in Oldenzaal, waar ik onlangs was, waren zeker dat het op ons land gemunt was en men, zoodra de Franschen naderden, een inval zou doen.’’
„Zij zijn er wel in staat toe, en dan liggen zeker Overijs­sel en Gelderland het eerst voor hen open; maar het is te hopen, dat andere steden in weerbaarder staat zijn dan Kampen.’’

[p.13]                                                                  Mornesteen

„Ik geloof het niet,’’ hernam Overmark. „Ik geloof niet dat er in onze provincie ééne stad is, die een talrijken vijand lang zou kunnen weerstaan. Maar wees gerust, vriend: als wij overgaan, zal niemand van mij vernemen hoe ge u hebt uitgelaten.’’
„Dat is me zeer onverschillig,’’ bromde de lakenkooper. „Ik zal mijn meening smoren noch zwijgen. Maar ’t zou toch wat zijn,’’ ging hij na een oogenblik voort, „als we onder Fransche tiranny of onder die van den kromstaf kwa­men. Bij God! heeft het voorgeslacht daartoe tachtig jaren tegen Spanje gevochten. Ellendige twisten! Ellendige factie, die bang is den Prins te veel macht te geven! Het geheele land moest op de knieën God danken dat we een vrij volk zijn, en nu in het gevaar de handen ineen slaan om den vreemden vijand af te weren. Het komt er niet op aan wat we zijn, Roomsch of Gereformeerd; wij hebben toch het­zelfde vaderland en we moesten allen ons scharen om den Prins, dan zonden we sterk zijn tegen den vijand, dien het slechts om afhalen en rooven te doen is; dan zou er geest­drift zijn en alles te wapen loopen en elke vesting zou spoedig zijn voorzien en versterkt; bij den eersten aanval zou de vijand den kop stooten en de lust zou hem vergaan om verder de geünieerde provinciën binnen te dringen.’’
Overmark scheen haast gekregen te hebben, want hij had zijn hoed genomen.
„Nu,’’ zeide hij, „wij bespreken dat punt wel eens na­der, ik moet nu naar huis,’’ en hij verliet de herberg.

 

III.

Overmark ging de Oudestraat op, tot even voorbij de Geertstraat en daar trad hij aan de linkerzijde een stoep op. Het was reeds negen uren, maar de avond was niet don­ker. Het licht van den zuidelijken avondhemel was door de hooge ramen der Bovenkerk zichtbaar, waarop Overmarks

[p.14]                                                                  Mornesteen

aandacht viel, toen bij den klopper op de deur liet vallen.
Zijne vrouw, die hem met ongeduld gewacht had, opende zelf de deur. Nauwelijks was hij binnengekomen of zij riep met schelle stem: „Is dat een thuiskomen ? Gij wordt hoe langer hoe onordelijker! Vroeger waart je altijd met de etensklok thuis, maar nu vraagt ge naar uur of tijd meer.’’
„Zacht wat,’’ vermaande Overmark, „laat me tot adem komen.’’
„En wat zie je er uit. Je rok is gescheurd, de mouw bemodderd en je hoed ingedeukt; waar heb je gezeten?’’ En nu rammelde zij door. Overmark, wel wetende dat hij op dit oogenbiik den storm niet stillen kon, trok zijn rok uit en hing dien op en toen zij wat uitgeraasd had, zeide hij: „Ik heb u laten uitpraten, Geertrui. Moddervlek en scheur heb ik gekregen waar ik geloopen heb om berichten in te win­nen om een voordeelige zaak te doen.’’
„Wat heb je dan voor een zaak gedaan ?’’
„Gedaan nog wel niet, maar ze zal toch in orde komen. Het betreft de Van Morne’s. Ik weet nu, dat zij spoedig dringend om geld verlegen zullen zijn.’’
„Is dat waar?’’
„Ik verzeker je: het is zoo. De trotsche dame, die ons altijd zoo verachtelijk aanzag, zal zich moeten vernederen mij om geld te vragen om uit den nood geholpen te worden.’’
Nu was Geertrui bevredigd.
„Hoeveel moeten zij hebben? Voor hoeveel intrest? Toch op kusting ? Wil je ’t haar gaan aanbieden ?’’
„Ongeveer twintigduizend moeten ze hebben. Voor hoe­veel procent ik het geef, weet ik nog niet; natuurlijk op kusting. Maar aanbieden ? Zie je me dan voor een ezel aan ? Neen, zij moeten door den nood gedreven tot mij komen, dan kan ik mijne voorwaarden stellen.’’
„En als zij dan naar een ander gaan ?’’
„Er is niemand in tien uren in den omtrek, die dit geld in dezen tijd beschikbaar heeft en het zou willen geven, nu

[p.15]                                                                  Mornesteen

de oorlog uitbreekt. Het is toevallig — en hij wreef zich vergenoegd de handen — dat ik het juist beschikbaar krijg door den verkoop van de Oedekerksche landerijen in den Mastenbroekschen polder, waarop ik, zooals gij weet, die som geschoten had.’’
„Dat valt mooi. Nu kun je ze laten bloeden.’’
„Dat zal ik!’’ antwoordde de geldman met het hoofd knikkende, terwijl zijn listige oogen glommen als vuurkooltjes. Er werd op de deur geklopt. Overmark zelf stond op om te openen. „Ik verwacht iemand,’’ zeide hij in het heengaan.
„Wat, zoo laat?’’ bromde Geertrui; maar hij was reeds den gang in, en een oogenblik daarna bracht hij een vreem­deling binnen, dezelfde die in de herberg fluisterend met hem gesproken had.
Geertrui keek zwart als de nacht. De vreemde groette zeer beleefd, wierp een snellen, onderzoekenden blik op de vrouw en nam plaats op den stoel, dien Overmark hem aan­bood. Geertrui werd eenigszins terneergezet door het voor­komen des vreemden, wiens schrandere, doordringende blik, hoog gewelfd voorhoofd, vastberaden trekken en waardige houding en beweging onwillekeurig indruk maakten en overheerschten.
„Ongetwijfeld,’’ sprak hij, „deelt uwe vrouw in uwen ijver voor de zaak der geestelijke heeren en van den Franschen koning, dat is voor de zaak der heilige kerk. Wij hebben ten minste hier te lande bij vele vrome en verstandige vrou­wen ijver en belangstelling voor de goede zaak gevonden.’’
„Ook mijne vrouw stelt daar belang in,’’ zeide Overmark.
„Voorzeker mijnheer,’’ zeide zij; „ik ben een goede Ka­tholieke.’’
„Dat verheugt me. Ik kan dus vrij uit spreken.’’
„Volkomen,’’ verzekerde Overmark. „Ik heb voor mijn vrouw geen enkel geheim. Maar met wien spreken we op dit oogenblik?’’

[p.16]                                                                  Mornesteen

„Ik ben in dienst van Zijn Hoogwaardigheid den Vorstbisschop van Munster? Gij beiden wenscht dus, dat een Ka­tholieke overheid hier regeert, dat is te zeggen, dat de gees­telijke heeren ook Kampen innemen?’’
„Ten minste,’’ antwoordde Geertrui eenigszins ontsteld, „als dit onzen heiligen godsdienst, onze moederkerk voordeel aanbracht.’’
„Juist,’’ zeide Overmark, „als het den Katholieken voor­deel aanbracht.’’
„Dat is toch wel niet te betwijfelen,’’ hernam de vreemde. „Of denkt gij, dat de geestelijke heeren, wier eerste zorg voor de belangen der kerk moet zijn, zullen gedoogen, dat hier in Kampen de beide hoofdkerken in handen der ketters blijven; dat de Katholieken uit de meeste ambten zijn ge­sloten; dat onze kerkplechtigheden niet openlijk mogen ver­richt worden ? Neen, de St. Nicolaaskerk en de Lievevrouwekerk zouden onmiddellijk aan de Katholieken komen; de regeering zou veranderd en meest door Katholieken ingeno­men worden; de aloude luister onzer kerkplechtigheden open­lijk te voorschijn treden.’’
„Gave God, dat dit alles mocht gebeuren!’’ wenschte Geertrui.
„Dat zal gebeuren en zeer spoedig! Vooral als men ons van binnen steunt.’’ Op dit oogenblik deed hij zijn overrok los en toen hij zijn vest verschoof, meende Geertrui een zwart kruis te zien blinken. „ Zou het een vermomde geestelijke zijn ?’’ dacht zij. „De pruik kan wel de ton­suur bedekken.’’ Deze gedachte boezemde haar eerbied voor den vreemdeling in.
„Maar wat zouden wij kunnen doen ?’’ vroeg Overmark.
„Zeer veel. Gij kunt allen die goed gezind zijn opwek­ken, dat zij hun best doen om den lust tot tegenstand uit te dooven; vooral op de leden der regeering moet men wer­ken. Door gesprekken en het verspreiden van geruchten kan men de overtuiging sterken, dat tegenstand nutteloos

[p.17]                                                                  Mornesteen

zou zijn. In Deventer hebben we velen, die voor ons ijve­ren en de bevolking bewerken; zoo moet het ook hier gaan. Gij moet met andere welgezinden samenkomen en beraad­slagen wat er meer kan gedaan worden. Vooral moet men trachten te beletten, dat er krijgsvolk van buiten in bezet­ting komt. Er zal wel niet licht krijgsvolk worden gezon­den, want de Staten hebben er gebrek aan; maar mocht men hooren dat er toe besloten was, dan moet men dadelijk een bode zenden naar den apotheker Wieliksz te Zwolle, die een vertrouwd persoon is en in betrekking staat met een hooggeplaatst persoon in deze provincie, die onze zaak ge­heel is toegedaan en het volle vertrouwen van den Vorstbisschop bezit.’’
„Wij willen gaarne het onze doen,’’ zei Overmark, „hoewel met alle voorzichtigheid, want gij heeft zelf gezien, hoe men hier gevaar loopt als men beschouwd wordt voor ulieden partij te trekken.’’
„Voorzichtigheid is ook alleszins aan te raden,’’ hernam de vreemde, „ zoowel om ons zelfs wil als om de heilige zaak, die men ’t best in het verborgen kan bevor­deren.’’
„Wij zullen doen wat mogelijk is,’’ voegde Geertrui er aan toe, „want de belangen der heilige kerk moeten boven alles gaan.’’
„Dat is gesproken zooals het een ware dochter der kerk betaamt,’’ antwoordde de vreemde. „Het verheugt mij, dat God mijne schreden geleid heeft in een vroom gezin. Op zulke gezindheden is de zegen des hemels te wachten. Ik zal zorgen, dat Zijne Hoogwaardigheid uwe namen leert kennen. De oogen der grootste personen zullen op ulieden gevestigd zijn. De belangen van alle ware Katholieken zijn één, of zij Franschen, Duitschers of Hollanders heeten; de nationale scheiding moet wegvallen als het de belangen der heilige kerk geldt — en allen, die daarvoor strijden, gevoelen zich nauw verbonden. Als wij hier de macht in handen

[p.18]                                                                  Mornesteen

hebben, dan zal de belooning uwer diensten niet uitblijven en grooter nog zal uw loon in den hemel zijn.’’

 

VI. 

Het was een schoone, warme zomerdag. De leeuwerik zong hoog in de lucht zijn lied; de hanen en windwijzers op kerken en huizen van Kampen blonken en schitterden; de IJssel kabbelde langs malsche, geel bebloemde oevers; het geboomte aan de overzijde onder IJsselmuiden prijkte in vol­len bladerdos. Het rundvee, dat op Kampereiland graasde, baadde zich in den koelen stroom.
Een eenzaam ruiter, die over den Zwolschen weg stap­voets naar Kampen reed, liet peinzend het hoofd voorover hangen en scheen niets te zien dan den kop van zijn paard. Deze ruiter was Willem van Morne. Hij deed, toen hij op den dijk tegenover de stad was gekomen, zijn paard rechts den dijk afslaan, den weg op naar IJsselmuiden. Na een eind te zijn voortgereden, hield hij stil bij een huis, dat grooter en deftiger was dan de meeste woningen van het dorpje, waar hij zijn ros vastbond aan een boom en een hek doorging, dat toegang naar het huis verleende. Hij ging niet naar de voordeur om zich aan te melden, maar het huis om en door een achterdeurtje naar binnen. Een meid, die in het achterhuis aan het werk was, hem ziende, zei terstond: „Mijnheer, ga maar binnen, de overste is in de achterkamer.’’
De aangekomene deed dit. In het holle vertrek, dat zeer eenvoudig gemeubileerd was, zat een lang, mager man in een lederen armstoel. Zijn hoofd was geheel grijs; hij scheen wel een goed eind in de zeventig. Zijn voorkomen duidde den krijgsman aan. Hij was de gewezen overste Tengnagel, een oud, vertrouwd vriend van de familie Van Morne, die onder prins Maurits met den ouden heer Van Morne gediend en verscheiden steden had helpen veroveren.

[p.19]                                                                  Mornesteen

Door de Staten gepensioneerd, sleet hij nu zijn overige dagen in het huis, dat te IJsselmuiden met een paar morgen land zijn eigendom was. Hij was ongehuwd en woonde alleen met een meid en een knecht, die vroeger bij zijn regiment als musketier gediend had. Hoewel sommige leden der familie Tengnagel in Overijssel groote bezittingen hadden, behoorde hij tot een minder bevoorrechten tak, want zijn pen­sioen, zijn huis en land was — behalve zijn wapenrusting en zijn herinneringen — al wat hij op de wereld bezat.
Toch zou hij gelukkig zijn oude dagen hebben gesleten, in­dien de rhumatiek hem niet geplaagd en het regeeringsbeleid sedert den invloed van De Wit hem niet geërgerd en ver­bitterd had. Hij had gaarne, dat een goede vriend hem kwam bezoeken — en vooral Willem van Morne, de zoon van een oud vriend, de gewezen kapitein, dien hij achtte en met wien hij over alles waarin hij belang stelde zoo goed kon spreken, was hem steeds welkom. Ook ditmaal deed het hem genoegen, dat Van Morne binnentrad. Maar toen de neerslachtigheid en bekommering op zijn gelaat hem in het oog vielen, zeide hij met een krachtigen handdruk:
„Willem van Morne! Ik zag u in een week niet; maar wat duivel is er aan de hand?’’
„Slechte tijding van alle kanten,’’ antwoordde Van Morne op een stoel nedervallende.
„Wat is er gebeurd ?’’
„De Franschen zijn den Rijn overgetrokken en de bis­schop van Munster met den keurvorst van Keulen vereenigd, is al in Overijssel en Gelderland gevallen. Enschedé, Oldenzaal, Ootmarsum en Almelo zijn hier al veroverd en in Gelderland Borculoo, Lochem en Grol. Voor eenige uren is de tijding in Zwolle aangekomen, waar gedepu­teerde Staten nog bijeen zijn om te beraadslagen. Maar al­len zijn radeloos. Van de hooge regeering is geen hulp te wachten. Men zal alles moeten doen om Utrecht tegen de Franschen te dekken — en als dit niet gaat, ten minste Hol-

[p.20]                                                                  Mornesteen

land te behouden. Tegen de geestelijke heeren moeten de burgers der steden zichzelven verdedigen voor zoover er te weinig garnizoen is, want men kan nergens krijgsvolk missen.’’
„Dat de duivel die bisschoppen hale!’’ riep de overste uit, „en Jan de Wit er bij, die niet gezorgd heeft voor krachtige verdediging.’’
„’t Is de vraag,’’ merkte Van Morne aan, „of de Raadpen­sionaris dit konde. In vredestijd zijn de provinciën veelal onwillig om groote uitgaven te doen tegen verwijderd oor­logsgevaar. Zoo was het ten minste in Overijssel; ik en anderen hebben er op aangedrongen, maar steeds te ver­geefs. Nu zou men wel alles willen opofferen, nu het mis­schien te laat is.’’
„Had men,’’ zei Tengnagel met een vloek, „den Prins de macht gegeven die hem toekomt, hij zou als een echte Oranjetelg genoeg krijgsmansgeest en invloed gehad hebben om de versterking van leger en vestingen door te zetten. Het kapitein-generaalschap gaf men hem veel te laat. Nu richt men de oogen op hem als de eenige die helpen kan, maar nu zijn wellicht spoedig een paar provinciën naar den duivel! Die vermaledijde advokaten en kooplui in Den Haag! En zet de slimme Jan de Wit hen niet naar zijn hand? Ik zeg nog eens: hij heeft de meeste schuld. Beëlzebul hale dien vijand van het eerbiedwaardig stadhoudershuis, dien verrader van het land!’’
De overste had zich zoo opgewonden, dat zijne kleur karmozijn was geworden,
„Ik stem u toe,’’ sprak Van Morne verzoenend, „dat het staatsschip niet naar behooren is gestuurd, maar algemeene flauwheid, trage gerustheid, verdeeldheid in en tusschen de provincien dragen niet minder de schuld; maar hoe dit zij, wij zitten in nood. Spoedig zal de vijand ver­der Overijssel inrukken en weldra voor Kampen staan.’’
„Dan zal ’t er slecht uitzien.’’

[p.21]                                                                  Mornesteen

„’t Is toch God geklaagd. Wij hebben reeds in het vorig jaar alles gedaan om de forteficatien in goeden staat te brengen; de stad is redelijk sterk; de bruggen en hameijen zijn in goeden staat; aan de landzijde kan de stad verdedigd worden door vier forfeficatien en aan den IJssel door het fort over de brug — indien er maar krijgsvolk en ammunitie was; maar gij weet dat de magistraat er bij Hunne Hoogmogenden op heeft aangedrongen, zonder dat er effect op gevolgd is. Als de stad zichzelf niet helpen kan — dan is zij verloren.’’
„Men moet doen wat men kan,’’ vermaande Tengnagel. „De magistraat moet nogmaals aandringen om eenig krijgs­volk te bekomen, al zijn het maar een paar compagnieën; de burgers moeten geoefend worden. Als de nood aan den man komt vertrek ik naar de stad en waag er mijn ouden kop aan, om een troep burgers aan te voeren en de moffen te lijf te gaan.’’
„Ik zal ook het mijne wel doen,’’ verzekerde Van Morne. „Was er maar meer moed en geestdrift bij het volk en geen partijschap ten voordeele van den vijand! Te Zwolle is men algemeen moedeloos en verslagen, en hier is het ’t zelfde. Ja, als er bezieling was als in dien goeden Spaanschen tijd!’’
„Te duivel, Van Morne, wij — die gevochten heb­ben — moeten den moed niet opgeven! Misschien wordt het volk wakker als we moedig voorgaan. In allen gevalle moeten we vechten zoo lang we nog een schot kunnen doen.’’ „Dat willen we!’’ hernam Van Morne. „Ik heb alles veil voor stad en land. Valt Kampen in handen van den vijand, dan vrees ik dat ik het er niet kan uithouden. Maar nu moet ik omtrent iets anders uw raad inwinnen. Het zijn niet slechts de dreigende oorlogsrampen, die mij ter nederdrukken, ook een persoonlijke ongelegenheid heeft zich voorgedaan.’’ „Toch niets ergs? Wat ik voor je doen kan wil ik doen, dat weet je wel.’’

[p.22]                                                                  Mornesteen

„Dat weet ik, oude vriend,’’ antwoordde Van Morne, den overste de hand reikende; „maar gij kunt me niet helpen. De zaak is deze: het is u bekend, dat ons eenige jaren geleden door overstrooming, misgewas en wat niet al, rampen hebben getroffen, die ons zeer achteruit hebben ge­zet, zoodat wij groote sommen op onze bezittingen Mornesteen te Kampen, en de Homberg in Twente hebben moeten opnemen. Nu is dit geld opgezegd en moet binnen korten tijd worden teruggegeven. Veronderstellende dat het ge­makkelijk zou te bekomen zijn, hebben wij al te lang ge­wacht om de noodige stappen te doen; sedert is de oorlog uitgebroken, en nu heb ik bij verschillende personen te ver­geefs aanzoek gedaan. Die geld hebben houden het vast en wagen niet het zelfs tegen dubbel onderpand uit te zet­ten. De landerijen dalen dagelijks in prijs en het ver­trouwen is verloren.’’
„Hoeveel heb je noodig?’’
„Twintig duizend gulden binnen een maand.’’
„God ! dat is een groote som,’’ antwoordde de oude heer. „Maar ik zal toch mijne gedachten eens laten gaan of ik niemand weet, die ze u kan verschaffen.’’
„Doe dat, overste, en kom den avond bij ons doorbren­gen, dan kunnen we verder spreken; ik heb nu haast om thuis te komen, daar moeder mij met ongeduld zal wach­ten.’’
„Ik zal komen,’’ verzekerde de overste, en Van Morne drukte hem de hand en ging heen.
Mevrouw Van Morne had werkelijk reeds met onrustig verlangen op haar zoon gewacht. Eindelijk kwam hij. Met kloppend hart ging zij hem in den gang te gemoet. Haar scherpe blik zocht reeds dadelijk den uitslag van zijn tocht te raden. Hij schudde even het hoofd en omhelsde zijne moeder. Haar hart werd beklemd, maar zij zeide geen woord, want zij zag dat hij een droevigen blik sloeg op de familie­portretten en hoorde hem toen diep zuchten.

[p.23]                                                                  Mornesteen

„Wat beteekent deze neerslachtigheid, Willem ?’’ vroeg zij. „ Zijt gij een man ? Zouden we dat kapitaal niet kun­nen krijgen op zoo schoone bezittingen ? Dat zou wel onge­rijmd zijn.’’
„Zoo hebt gij meermalen gezegd, moeder,’’ antwoordde Willem; „maar het gelukt toch maar niet. Overal kreeg ik weigering. Het is inderdaad een slechte tijd.’’
„Dus weer afgewezen?’’ vroeg zij op verdrietigen toon. „Wie had dat kunnen denken? Wij hebben de zaak laten loopen tot het vuur aan de schenen licht. Maar het moet gevonden worden. Wat zullen we nu doen ?’’
„Ik wil de Homberg verkoopen. Maar ik vrees haast dat dit ook te laat is, daar misschien geen kooper het geld zoo spoedig bijeen zal kunnen hebben.’’
„En al was dit mogelijk, dan sta ik zoo iets toch niet toe!’’ riep de oude dame heftig. „Weer een erfgoed verkoopen! Zoo gaat alles weg en ten laatste ook Morne­steen, en mijne nakomelingen behooren dan tot den fatsoen­lijken bedelstand, dien ieder beklaagt.’’
„Maar, moeder, het is toch het best dat we Mornesteen, ons stamgoed, trachten te behouden door het vrij van schul­den te maken; en dit kunnen we als wij de Homberg ver­koopen.’’
„Behouden?’’ riep de dame met vonkelende oogen uit.
„Denkt gij dat ik Mornesteen niet zou kunnen behouden ?’’
„De betalingstermijn staat voor de deur,’’ zeide Willem op doffen toon. „Als we niet op tijd gereed zijn en de schuldeischer zet zijn recht door, dan wordt Mornesteen ver­kocht.’’
„Denkt ge dat in ernst ? Levend krijgt men mij niet uit Mornesteen.’’
„Laat ons dan bedaard overleggen,’’ hernam de zoon. „Waarom zou ik de Homberg niet verkoopen? Dan zouden we, al ware het dan ook niet ruim, toch onbezorgd kunnen leven.’’

[p.24]                                                                  Mornesteen

„Komt tijd — komt raad,’’ hernam de moeder.
De zoon was met dit onzalig stopwoord, zoo dikwijls ge­bezigd om onaangename dingen te verschuiven, reeds bekend en betreurde het dat hij in de laatste aangelegenheid daarnaar geluisterd had. Hij had het gevaar ook niet ingezien voor hij den tegenzin der kapitalisten om geld te schieten op de dagelijks zinkende grondwaarde had ondervonden. Zijne stemming werd nog somberder als hij zijne kinderen aan­zag. Hij dacht aan hunne toekomst, zooals hun grootmoe­der in haren toorn die had afgeschilderd; zijn flinke jongen, een echte spruit van zijn stam, met vele ontberingen strij­dend in ondergeschikten staat; zijn blondlokkig meisje, be­hoeftig en verlaten, wellicht afhankelijk van anderen. Wat speelden zij vroolijk en dartel in den zonneschijn der kinds­heid, die slechts bij oogenblikken verduisterd werd. Zij had­den geen vermoeden van hetgeen hun vader drukte, want voor hen was hun vader almachtig, rijk en groot; voor hen was hij het hoogste op aarde.
De overste trof zijn vriend in eene treurige stemming aan en zeide berispend : „Hoe is ’t, ’’Van Morne, leeft God dan niet meer ?’’
„Gij meent het goed,’’ antwoordde Van Morne, „ maar ik zie al te duidelijk hoe het gaan zal: zonder dat we ons een opzettelijke schuld te wijten hebben, geraken we er meer en meer onder, en hetgeen ik angstvallig voor mijne kinderen zoek bijeen te houden, zal onder mijne handen versmolten zijn eer ik het weet.’’
„Waarom deze lijdelijke berusting?’’ vroeg de overste. „Gij moet handelen! Als ge den moed verloren geeft…..’’
„Ik wil handelen,’’ zei Van Morne. ,,Ik denk een mijner goederen te verkoopen om het stamgoed te verzeke­ren; maar op het oogenblik kan ik de opgezegde som niet verschaffen.’’
„Nu, ik weet iemand hier in de stad, die, als hij wil, u zou kunnen helpen.’’

[p.25]                                                                  Mornesteen

„En wie kan dit zijn ? Wie heeft te Kampen in dezen slechten tijd zooveel geld voorhanden?’’ vroeg Van Morne.
„Barend Overmark,’’ was het antwoord. Van Morne zeide daarop niets, maar zag donker voor zich.
„Gij zegt niets,’’ hernam de overste; „maar ik weet wat gij denkt: gij zoudt niet gaarne te doen hebben met dien hebzuchtigen, kruipenden onvertrouwbaren schraper.’’
„Ronduit gezegd: zoo is het, en moeder zal er niets van willen hooren.’’
„Toch is hij de eenige, die u helpen kan. Mijn raad is: Overwin uw tegenzin. Ook mij staat de kerel tegen, maar hij is licht goed genoeg om u uit de verlegenheid te helpen. Breng uwe moeder tot reden, neem zijn geld als hij het geven wil, geef hem een goede winst — hij zal hier­voor wel zorgen — betaal hem zoo spoedig mogelijk af en keer hem dan den rug toe.’’
„Het is het eenige, wat nog gedaan kan worden,’’ zei Van Morne na een oogenblik bedenkens. „Als hij het geld geeft, kan ik intusschen verkoopen en terstond na ontvangst van den koopprijs hem afbetalen.’’
„Zal ik voor je naar Overmark gaan ? Ik heb wegens een vroeger voorval, dat juist niet voor zijn rechtschapenheid pleit, eenigen invloed op hem.’’
„Daarmede zult ge ons een grooten dienst bewijzen,’’ verzekerde Van Morne. Daarop verzocht hij den overste niet eer met zijn moeder over Overmark te spreken voor de zaak geheel in orde was, in welk geval zij, bij de onmo­gelijkheid om elders geld te bekomen, lichter zou over te halen zijn om met den persoon genoegen te nemen.
Tengnagel ging mevrouw Van Morne begroeten en begaf zich toen met zijn vriend naar den tuin, die zich langs den Burgwal uitstrekte, waar zij zich in een palmpriëel neder­zetten en geruimen tijd over de dreigende toekomst van het vaderland spraken.

[p.26]                                                                  Mornesteen

 

V. 

Toen de overste van wege Van Morne bij Overmark on­derzoek deed of hij genegen was voor korten tijd tegen vol­komen zekerheid het benoodigde kapitaal voor te schieten, zette de geldman een verschrikt gezicht en krabde zich ach­ter de ooren.„Wat helpen,’’ zeide hij, ,,huizen en weiden, bosschen en velden, als er niemand is, die geld borgt in den tegenwoordigen nood? Goud graven kan men noch op Broeken-en-Maten, noch op het eiland, noch op de Grafhorstsche heuvelen.’’
„Nu,’’ vroeg Tengnagel, wil je — of wil je niet?’’
„Ik zou het hartelijk gaarne doen,’’ was het antwoord, „als ik maar de zekerheid zag van mijn geld weer te krijgen. UEd. heeft goed praten met een vast inkomen, maar ik moet alle moeiten aanwenden om jaarlijks zooveel te verdienen als uw inkomen bedraagt. Mornesteen en de Homberg zijn driemaal zooveel waard als men vraagt — goed ! Maar wat geeft het? Wie wenscht nu zulk eigendom te koopen, nu inkwartiering, krijgsschatting, brand en plunde­ring en algemeene verarming voor de deur staan ?’’
„Gij praat,’’ zeide de overste, „ alsof alle ellende van den oorlog al hier was gekomen.’’
„Laat ons hierover zwijgen,’’ antwoordde Overmark. „De tijd zal leeren wat er komt. Zooals ik gezegd heb: Ik zou gaarne helpen, want het zou mij leed doen als zij hunne bezittingen verloren; het is zulk een oude, achtenswaardige Kamper-familie — laat mij dus tijd om de zaak te over­leggen; binnen eenige dagen zal ik u bescheid geven.’’
Het bescheid luidde nu wel toestemmend, maar er was eene voorwaarde aan verbonden, die, zonder gevaarlijk te zijn, toch het eergevoel der familie diep krenkte. Overmark verklaarde zich bereid de twintigduizend gulden te geven; wanneer echter op den gestelden termijn, die niet ver ver-

[p.27]                                                                  Mornesteen

wijderd bepaald werd, de teruggave niet was gedaan, zou hij het recht hebben om nog tienduizend gulden te betalen en daarentegen Mornesteen met toebehooren in eigendom verkrijgen.
„Het is maar om de familie te dringen punctueel te zijn,’’ zeide hij met een vriendelijken glimlach. „Men weet wel hoe voorname personen in geldzaken doen; van termijnen weten zij niets, van rentebetaling wordt eerst gesproken als ze lang vervallen is; dan wordt bij gelegenheid aanstalte gemaakt om het geld te verschaffen en den schuldeischer, die zich verwondert maanden te laat betaald te worden, noemt men een ongemanierde schraper. Hoewel dit nu niet op deze achtenswaardige dame en haar zoon is toe te passen, moet ik toch zekerheid hebben, op dag en uur weer over mijn geld te kunnen beschikken; want anders zou ik groot nadeel lijden, daar ik steeds vóór het geld binnenkomt er eene bestemming aan heb gegeven — zoodat ik, als het niet op den juisten tijd door mij ontvangen wordt, groote schade lijd, en derhalve kan ik niet anders dan aan deze kleine voorwaarde, die tot stiptheid dringen zal, vasthou­den.’’
Van Morne stoof op toen hij deze mededeeling ontving en wilde dadelijk de geheele onderhandeling afbreken.
„Deze kerel eigenaar van Mornesteen!’’ riep hij toornig uit. „Bij de gedachte daaraan moeten mijne voorvaders zich in het graf omkeeren.’’
„Bedaard wat, mijn vriend,’’ vermaande de overste. „Uwe voorvaders zullen wel rusten, wien ook Mornesteen toebe­hoort.’’
Van Morne zag ontevreden voor zich en de overste zette hem het gezichtspunt uiteen, dat Overmark aanleiding gaf deze voorwaarde te stellen. Daar overigens reeds een kooper voor de Homberg was gevonden, met wien hij het eens hoopte te worden, was er geen gevaar dat hij op het tijdstip der afbetaling niet aan zijne verplichting zou kun-

[p.28]                                                                  Mornesteen

nen voldoen en het kwam er slechts op aan zich niet aan de beleedigende voorwaarde te ergeren.
„Ik voor mij zou er mij ten slotte overheen zetten,’’ zeide hij na bedaarde overweging, „maar moeder zal buiten zichzelve zijn.’’
„Beproef al het mogelijke om op andere wijze raad te schaffen,’’ antwoordde de overste. „Gelukt het, des te beter; zoo niet, dan houd ik uwe moeder voor te verstandig om hare familiebezitting op te geven voor een paar onaangenaam klinkende woorden.’’
Van Morne gaf zich nog veel moeite, maar hij vond ner­gens gehoor, en de termijn van betaling kwam steeds nader. Ongelukkig had de kooper, die op de Homberg het oog had, vernomen hoe de zaken stonden en hield thans met onoverwinnelijke taaiheid aan zijn laag bod vast, want hij hoopte dat de nood de familie zou dwingen tot elken prijs te verkoopen. Dit zou Van Morne ook gedaan hebben, in­dien de schuldeischer die zijn kapitaal verlangde, zich slechts had laten bewegen om te wachten tot de koop gesloten en de koopsom betaald was, maar deze weigerde elk uitstel.
Onder deze omstandigheden kwam Van Morne eindelijk met Overmarks voorslag voor den dag, terwijl hij blozend de reden der hinderlijke voorwaarde vooraf mededeelde. Hij had verwacht dat zijne moeder als een vuurvattende kruitmijn zou losbarsten — maar zij lachte slechts bitter.
„Kondet gij in ernst gelooven,’’ zeide zij, „dat de ellen­dige kerel onbeschaamd genoeg is om werkelijk het eerwaar­dig eigendom onzer voorzaten te willen bemachtigen? Als hij hierop kans had — dan zou ik het huis liever boven mijn hoofd aansteken en laten verbranden, dan het in zijne handen te laten vallen. Zooals de zaak nu staat: sluit in Godsnaam met den kerel het accoord. Er blijft ons immers niets anders over. Maar gij zijt toch van uwe zaak zeker, dat het geld van den verkoop op tijd betaald wordt en gij hem het zijne kunt wedergeven?’’

[p.29]                                                                  Mornesteen

„Natuurlijk,’’ antwoordde Van Morne. „Ik sluit mor­gen den verkoop.’’
Hij was verheugd over de ongewone zachtmoedigheid zijner moeder. Zij zuchtte diep, legde hem de hand op het hoofd en zeide verder niets. Hij raadde echter hare gedachten.
De overeenkomst werd gesloten. Overmark maakte al­lerlei verontschuldigingen dat hij niet anders had kunnen handelen, verzocht ook mevrouw met vele buigingen om verschooning, deed hen opmerken dat zijn bestaan van de rechte aanwending van zijn geld afhing en liet er mede eenige wenken omtrent politieke catastrophen tusschen val­len. „Het zou voor mijzelven de grootste schade zijn,’’ zeide hij, „als mij een grondbezit toeviel.
Ik had hier in de stad reeds verscheidene huizen goedkoop kunnen acquireeren, maar onder de tegenwoordige uitzichten bedank ik er voor.’’
Mevrouw Van Morne behandelde hem met onbeleefde koelheid. Toen de notaris het stuk voorlas en aan de betrekkelijke zinsnede kwam, die hij met bijzonderen nadruk deed uitkomen, verzocht zij hem dat maar over te slaan. Hij schudde echter het hoofd en herhaalde de uitdrukking, dat op den bepaalden dag de geleende som in handen des geldschieters terug betaald moest zijn, en las met sterken nadruk verder tot het einde, waarop de onderteekening volgde.
Overmark betaalde nu de bepaalde geldsom, en de dringende schuldeischer van Van Morne werd tot zijne teleurstelling voldaan; want hij had reeds gehoopt door het uitblijven der betaling eigenaar van eene schoone bezitting te worden.
„Nu, moeder, nu kunnen wij weer vrij ademen,’’ zei Van Morne, toen alles was in orde gebracht.
„Die geldzorgen drukten mij zwaar. Ik dank God dat alles ten einde is.’’
De oude dame was niet wel; zij hoestte sterk en leed somwijlen aan duizelingen, die bij haren hoogen ouderdom

[p.30]                                                                  Mornesteen

licht gevaarlijk konden worden. Ook op dat oogenblik tastte zij plotseling met de hand naar het hoofd en greep zich aan als wilde zij zich vasthouden, zoodat haar zoon haar te hulp moest komen. De duizeling ging echter spoedig voorbij.
„Hoe ellendig gek !’’ zeide zij toen. „’t Is me elk oogen­blik of ik op den toren van de Bovenkerk sta en in den IJssel kijk. Ik heb zulk een duizeling voor het eerst op een avond gevoeld. Toen was het mij of het bed met mij ronddraaide. Ik dacht bij mij zelve: Wat is dat nu voor een kuur? Wordt ge nu een oude vrouw?’’
Haar zoon zeide, dat zij die gedachte maar uit het hoofd moest zetten en meer hare rust nemen, dan zouden hare zenuwen wel weer sterker worden.’’
„Zenuwen!’’ riep zij uit. „Kom me niet aan met zulk een nieuwmodischen onzin. Ik ben oud geworden en heb het woord vroeger schier nooit gehoord.’’
Van Morne zweeg, want hij kende haar te goed om haar tegen te spreken.
De verkoop van de Homberg kwam niet tot stand. De kooper had berouw over zijn bod en daar Van Morne het nog niet had aangenomen, kon hij ook niet vastgehouden worden. Daar echter telkens navraag naar het kleine, maar voortref­felijk eigendom gedaan werd, maakte Van Morne zich nog niet ongerust.
De staatkundige toestand werd intusschen steeds ongun­stiger. De Franschen waren den Rijn overgetrokken en de beide geestelijke heeren rukten reeds op Deventer aan. Hevige paniek en volslagen ontmoediging verspreidden zich door de provincien.
In Kampen zag men onder hen, die den vijand gunstig gezind waren, een groote bedrijvigheid, en daaronder mocht vooral Overmark geteld worden. Nu en dan verliet deze de stad en bleef een paar dagen weg, zooals sommigen ver­moedden om den vijand berichten over te brengen. De

[p.31]                                                                  Mornesteen

Duitscher, die Overmark een bezoek had gebracht, werd weder in de stad gezien; in den nacht had men een paar personen op de wallen zien sluipen en de meest overdreven geruchten van de onweerstaanbare macht der kerkvorsten waren in omloop.
Overmark was in den laatsten tijd merkbaar veranderd; zijne bewegelijkheid, zijne vleiende, ja, kruipende vriendelijkheid voor zijne meerderen hadden plaats gemaakt voor eene zekere deftige bedaardheid en hoogheid, die hem recht be­lachelijk stonden. Hij liet zich volstrekt niet meer uit over den oorlog, maar stapte waardig en zwijgend met opgericht hoofd daarheen — zoodat menigeen, die hem zag voorbij­gaan, een glimlach niet kon weerhouden.

 

VI. 

De nood des Lands werd steeds grooter. Bijna geheel Gelderland viel in ’s vijands handen. Arnhem werd door de Franschen genomen en het Statenleger trok op Utrecht; maar ook deze gewichtige stad moest verlaten worden. De Prins trok terug om Holland te dekken en den 23sten Juni trokken de Franschen Utrecht binnen. Ook de troepen der geestelijke heeren maakten groote vorderingen. Deventer werd belegerd. De hevigste onrust en schrik had in Zwolle, Hasselt, Kampen en elders in Overijssel aller harten be­vangen. De regeering van Kampen was ten einde raad. Zij zond een dringend schrijven aan de Algemeene Staten om krijgsvolk, buskruit en kogels; maar hoewel een besluit werd genomen om de stad ten minste van een gedeelte van het ontbrekende te voorzien, werd dit besluit niet uitge­voerd; op een tweede aanzoek werd de regeering verwezen naar gecommitteerden te velde; doch ook daar klopte men te vergeefs aan; zelfs het afzenden eener commissie naar Den Haag, bestaande uit het regeeringslid Gansnep Tengnagel (een neef van den overste) en den secretaris der stad,

[p.32]                                                                  Mornesteen

Rutger van Breda, was vruchteloos. Daarop wendde zich de magistraat tot de regeering van Amsterdam, die om te helpen in den nood 4000 pond buskruit en 26 ijzeren kanon­nen aan Kampen verkocht. Geen ander krijgsvolk werd door de Staten gezonden dan vier compagnien ruiterij en een paar compagnien voetvolk, onder de kapiteins Uiterwijk en Hum. Zulk eene onbeduidende krijgsmacht, grootendeels nog uit ruiterij bestaande, die bij eene verdediging onbruik­baar was, zou natuurlijk, als een talrijke macht de stad aan­tastte, geheel onvoldoende zijn. In dien uitersten nood wendde Kampen zich tot de staten van Friesland om hulp, er op wijzende hoe het algemeen belang en vooral ook dat hunner provincie het noodig maakte, dat de vijand Kampen niet in handen kreeg. Men zag dit in Friesland in en besloot om zooveel mogelijk hulp te verleenen. Maar eer dit besluit kon uitgevoerd worden, was het reeds te laat.
Na een beleg van vijf dagen viel het sterke Deventer in ’s vijands macht. Het was zeer spoedig en men vroeg hier en daar of er verraad in het spel was geweest. Men zou dit vermoeden, als men let op het gezegde van den bisschop van Munster, toen Deventer zou worden overgegeven: „Ik geloof inderdaad, dat de verraders hun woord zullen houden.’’ En wat beteekende het, dat de burgemeester van Deventer, l’ Espière, na de overgave eerst te Zwolle en toen te Kampen kwam en hier de meest overdreven schilderin­gen ophing van de ellende, die Deventer reeds door het korte beleg had ondervonden?
En binnen Kampen werd de poging van l’ Espière krach­tig ondersteund. Overmark en eenige andere welgestelde burgers traden stouter te voorschijn, trachtten pressie uit te oefenen op de leden van den Raad en verspreidden de schrikbarendste berichten, zoodat het laatste vonkje moed en hoop regeering en bevolking ontzonk en eerstgenoemde tot het besluit kwam om afgevaardigden naar het bisschoppelijk Le-

[p.33]                                                                  Mornesteen

ger te Zwolle te zenden — Zwolle had reeds zijn poorten geopend — en de best mogelijke voorwaarden van overgang te bedingen.
Den 24n Juni was een dier schoone zomerdagen, waarop de natuur, in vollen feestdos getooid, alles doet glinsteren en jubelen. Maar een contrast met de juichende schepping vormde het grootste deel van Kampen’s bevolking. De meeste huizen hadden de deuren, sommige ook de vensters gesloten; men zag slechts weinig menschen op straat, en wie zijn woning moest verlaten, liep haastig en met somberen blik voort. Hier en daar echter stonden groepjes burgers met blij gelaat opgewekt te praten en onder hen was Overmark, die van de eene groep naar de andere liep en er het hoogste woord voerde. Verscheiden huizen waren door de bewoners verlaten, die hunne meubelen bij vrien­den of bloedverwanten geborgen en zich naar Holland of elders begeven hadden. Burgemeesters en raden stonden aan de overzijde van den IJssel nabij de lange brug met de sleutels der stadspoorten den vijand op te wachten.
Een dikke stofwolk werd in de verte op den weg naar Zwolle zichtbaar. Weldra hoorde men het roffelen der trom­men en het schetteren der trompetten, eindelijk ook het rollen van zware voertuigen en het trappelen van paarden, en kon men een lange, zwarte streep, waartusschen het hier en daar glinsterde en schitterde, zien naderen. Het waren de Munstersche troepen, die naar Kampen trokken.
Deemoedig werden de sleutels den bevelhebber over­handigd en de troepen trokken de brug over en de openstaande Vischpoort binnen.
Nu werden de ingezetenen overstroomd met inkwartiering en de familie Van Morne ontving verscheiden officieren in huis. Van Morne had voorgenomen zich, wat er gebeuren mocht, te bedwingen en liever alles te verdragen dan den overmoedigen vijand te verbitteren en daardoor zichzelven en de zijnen in ’t ongeluk te brengen. Op zijn aandrang

[p.34]                                                                  Mornesteen

bleef zijne moeder van hen verwijderd, hetgeen zeer geluk­kig was, daar de heftige vrouw voorzeker onder den smaad der overheersching niet zou hebben kunnen zwijgen. Hoewel de Duitsche officieren in den beginne zeer ge­biedend en veeleischend waren — misschien daartoe aan­gestookt — werd dit den volgenden dag reeds beter. Het scheen dat het waardig, bedaard gedrag van Van Morne en de onbekrompenheid, waarmede hij hunne wenschen inwilligde, hen ontwapende. Maar het duurde ook niet lang dat de Munsterschen in Kampen heerschten; want reeds den 27en verlieten zij de stad en den 28en rukten 16 com­pagnieën Franschen — want aan hen was de stad afge­staan — onder aanvoering van den graaf de Gacé de veste binnen.
Eene geheele omkeering van zaken kwam nu tot stand en de verdrukking trad in de plaats van het recht. Groote sommen gelds moesten worden opgebracht, waartoe het zilverwerk der stad werd versmolten; verscheiden regeeringsleden werden ontzet en door anderen vervangen; de Boven- en de Broederkerk werden aan de Hervormden ontnomen; moedwil en baldadigheid der soldaten berokkenden den ingezetenen allerlei beleediging en mishandeling; dron­ken soldaten zwierven langs de straten en kwelden de bur­gers; vechtpartijen zag men elk oogenblik, terwijl de offi­cieren een weelderig en brooddronken leven leidden en zich ten koste der bevolking vermaakten met Parijsche dames van verdachte soort, die het leger vergezelden. Handel en nij­verheid waren spoedig geheel geknakt, het vertrouwen ging verloren; niemand had den moed iets belangrijks te onder­nemen of te wagen; het kapitaal scheen geheel verdwenen te zijn! En toch moest de stadsregeering bonne mine à mauvais jeu maken om den vijand in goede stemming te brengen; zoo gaf zij aan den graaf de Gacé en aan den hertog de Luxembourg ieder een zilveren beker ten geschenke.
Sedert den Spaanschen tijd had de ongelukkige stad —

[p.35]                                                                   Mornesteen

en zij was slechts één uit velen — niet in zulk een machtelooze afhankelijkheid van een vreemde macht verkeerd. De predikanten en een groot deel der bevolking zagen de oorzaak van dezen treurigen toestand in het verkeerd beleid der hooge regeering en in de tegenwerking, die de verheffing van den Prins had ondervonden. Men meende dat de Republiek slechts door het huis van Oranje, dat God daartoe had aangewezen, kon gered en in stand gehouden worden, en groot was ook hier de verbittering, die de gemoederen tegen de zoogenaamde Loevesteinsche partij, vooral tegen Joan de Wit vervulde. De omstandigheid dat men geen genoegzaam krijgsvolk en ammunitie had gegeven, schreef men aan opzet en verstandhouding met den vijand toe.
Hoe groot in het algemeen de neerslachtigheid was, er bestonden toch vele uitzonderingen; want een deel der burgers juichte om der wille van den godsdienst over de omkeering van zaken; sommigen ook omdat zij in troebel water meenden te kunnen visschen, en onder dezen kon men Overmark rangschikken. Hij scheen bij de Franschen hoog in gunst te staan, want somwijlen werd hij bij den bevelhebber de Gacé ontboden en nu en dan zag men officieren bij hem in en uitgaan.
Het vermoeden dat hij vooraf den vijand inlichtingen had verschaft, werd nu overtuiging — en het gerucht beschuldigde hem dat hij voortging hem alles, wat hij van ieders denk­wijze en geldelijk vermogen weten wilde, mede te deelen en daardoor menigeen verdrukking en afpersing berokkende. Weldra hoorde men, dat hem door den bevelhebber de leverantie van benoodigdheden voor de troepen was opge­dragen. Men zag hem nu veel op straat, men hoorde hem op luiden toon trotsch en opgeblazen spreken, en hij be­zocht getrouw de herberg, waar de meeste bezoekers van vroeger terugbleven, wier plaatsen nu vervangen waren door Fransche officieren, met wie hij zich alle moeite gaf in gesprek te komen en daarbij te doen merken hoe

[p.36]                                                                  Mornesteen

hij de Fransche natie en hun grooten Koning bewonderde en de Staten en het stadhouderlijk geslacht verfoeide. Nog erger werd de verwatenheid en onbeschoftheid van den man toen hij tot lid der regeering werd verheven en zich nu als een der steunpilaren van stad en land onder de nieuwe orde van zaken beschouwde.
Somber was het in het huis van mevrouw Van Morne gesteld. Smartelijk gevoelde zij den smaad der vreemde overheersching en de machteloosheid tot verzet. Zij had een diep gewortelden afkeer van de Franschen, die zij als een wuft, ver­waand en goddeloos volk beschouwde, en hoewel haar zoon bij zijn antipathie meer redeneerde, vermeden beiden toch zooveel mogelijk den omgang met de ongewenschte gasten.
De tijd naderde intusschen dat het geleende kapitaal aan Overmark moest worden teruggegeven. Er had zich weder een kooper voor de Homburg opgedaan, en hoewel zijn bod zeer gering was, bleef den eigenaars niets over dan met hem den koop te sluiten.
„Is alles nu secuur vastgesteld omtrent de betaling?’’ vroeg de oude vrouw.
„Alles is secuur beschreven,’’ antwoordde hij. „Wij ontvangen het geld veertien dagen vóór wij Overmark behoeven te belalen. Er is dus geen gevaar.’’
Zij zweeg een poos en scheen zich nu eerst over Overmarks voorwaarde te ergeren.
„Dat de kerel het wagen durfde,’’ zeide zij, „ons zulk een conditie stellen.’’
„Spreken wij daar niet over, moeder,’’ hernam van Morne. „Het is bespottelijk.’’

 

 VII.

Op een avond liet de Overste den klopper op de deur van Mornesteen vallen.
„Hebt gij al gehoord,’’ vroeg hij, zoodra hij was binnen­getreden, „wat in Dordrecht gebeurd is ?’’

[p.37]                                                                  Mornesteen

„Wij hebben niets gehoord,’’ antwoordde Van Morne.
,,Het volk in de Hollandsche steden komt in sterke be­weging. In Dordrecht heeft het de stadsregeering gedwongen den Prins tot Stadhouder te benoemen. Ook Cornelis de Wit is genoopt geworden die keuze mede te onderteekenen. Niet lang daarna is hij opgelicht en gevan­gen naar Den Haag gevoerd. Een barbier uit Piershil be­schuldigt hem van een toeleg om den Prins te vermoorden.’’
„Dat zijn gewichtige tijdingen!’’ riepen moeder en zoon te gelijk uit. „Zouden ze waar zijn ?’’ liet laatstgenoemde volgen.’’
„Ongetwijfeld,’’ was het antwoord. „Rutger van Breda, de secretaris, is uit Den Haag gekomen en heeft de tijding medegebracht. Ik heb ze uit zijn eigen mond. Ik sprak hem een oogenblik toen hij het stadhuis binnenging, maar te kort om bijzonderheden te vernemen. Overmark heeft met hem van Deventer af gereisd, ook dezen heb ik ge­sproken.’’
„Nu wordt het goed!’’ hernam de oude dame met ver­helderd gelaat. „Als de Loevesteinsche factie ondergaat en de Prins er bovenop komt, zal alles beter worden; dan zal Engeland vrede sluiten en jagen we de Franschen het land uit. Ik gun niemand kwaad, maar ik wenschte dat ze Jan de Wit ook achter slot zetten!’’
„Toch geloof ik niet,’’ merkte haar zoon aan, „dat de Wit opzettelijk het land in het verderf heeft gestort. Ik ben tegen zijn politiek, maar dat hij een verrader is komt mij niet mogelijk voor.’’
„Zeg dat niet,’’ hernam zijne moeder. „Zulke menschen, die het wettige stamhuis door God verordend, vijandig tegenstaan, zijn tot alles in staat. Het volk begrijpt dit en: de stem des volks is de stem van God.’’
„Dat zeg ik ook,’’ liet de Overste volgen. „Al is Cornelis de Wit, die als een goed soldaat op zee tegen de Engelschen medestreedt, niet tot een sluipmoord in staat —

[p.38]                                                                  Mornesteen

toch zijn beide broeders misdadigers, als tegenstanders van het stamhuis waaraan onze Staat zijn ontstaan heeft te danken, en Jan de Wit vooral als heerschzuchtige partij­man der Loevesteinsche factie, die er alles aan waagt om haar te doen bovendrijven en daardoor zelf het roer van den Staat in handen te houden. En dit is nu bijna op den ondergang der Republiek uitgeloopen! Nooit waren wij met Engeland in oorlog geraakt, als de Prins zijne rechten had verkregen. Frankrijk zou dan ook niet zoo licht ons hebben aangevallen, en had het gewaagd het toch te doen, dan zou door de samenwerking der provinciën, onder leiding van den Prins, koning Lodewijk wel zijn afgeslagen! Wat een ellende over een geheel volk door de partijzucht, de eerzucht van één man! Vervloekt zij het eeuwig edict!’’
„Dat is naar mijn hart gesproken, Overste,’’ antwoordde de oude dame.
„Maar ik beschuldig hem daarom nog niet van opzettelijk landverraad,’’ hernam Tengnagel.
„Men moet den duivel ook niet zwarter maken dan bij is,’’ meende Van Morne.
„Nu,’’ hernam zijn moeder, „de tijd zal leeren wat Jan de Wit is. Het volk in Holland begrijpt dit wel. Mocht er maar spoedig uitkomst dagen! Die Franschen in huis te hebben is het bitterst kruis, dat ik ooit heb gedragen.
„A propos,’’ zoo wendde Van Morne het gesprek, „heb ik u niet hooren zeggen, Overste, dat Overmark weer terug is?’’
„Ja,’’ antwoordde de Overste, „maar hij is al weer ver­trokken. Hij wilde zich maar eenige uren ophouden om zijn vrouw te halen, die met hem naar Arnhem zou gaan, waar hij zaken te verrichten had.’’
„Dat is vreem,’’ antwoordde Van Morne. „Ik had hem morgen of overmorgen willen afbetalen. De kerel had aan die zaak toch moeten denken. En nu is hij weg. Kan ik zooveel geld nu met den postwagen verzenden?’’

[p.39]                                                                  Mornesteen

„Ik zou dit toch doen,’’ raadde de Overste aan. „Men kan niet weten. Hij vroeg naar u, zoodat hij wel aan de zaak gedacht heeft. Zend het geld af, dan hebt gij aan de verplichting voldaan.’’
„Maar de uitwisseling der documenten?’’ vroeg Van Morne.
„Die volgt van zelf,’’ meende de Overste. „Ik ben uw getuige. Voor mij is de kerel een niet te vertrouwen sujet. Hij heult met de Franschen.’’
Het geld werd in tegenwoordigheid van Tengnagel en nog een getuige verzonden. Misschien zou Van Morne het zelf zijn gaan brengen, maar hij was sedert eenige dagen koortsachtig en gevoelde zich niet in staat om op reis te gaan. Het werd dus met den postwagen verzonden en Van Morne was gerust.
Eenige tijd verliep. Het was een donkere dag. Tegen den avond pakten zich loodblauwe onweerswolken saam en van verre werd het rommelen van den donder gehoord. Het had den geheelen dag geregend en dit had het humeur der oude dame, die dagelijks gaarne een poos in de lucht was, niet verbeterd. Zwijgend zat zij aan het spinnewiel, terwijl haar zoon voor het venster stond en de opdringende wolken gadesloeg. De bui barstte los. Bliksemstralen vlo­gen over de stad en de donder deed de ramen rinkelen. Ook de wind verhief zich en ging tot storm over. De leien vlogen van het dak en in den hof werd een plank van de duiventil gerukt. De duiven vlogen weg en zochten een andere schuilplaats.
„Dat is ook wrak,’’ zeide de oude vrouw. „Alles wordt wrak. Er moest een nieuw komen.’’
„Wat moeder?’’ vroeg haar zoon.
„Het duivenhok,’’ antwoordde zij. „Het zal nog invallen. — Nu,’’ ging zij na een pauze voort, „ mijn tijd zal het nog wel uithouden.’’
„Moeder, spreek toch niet zoo somber.’’

[p.40]                                                                  Mornesteen

„Denkt ge soms dat ik bang ben voor den dood ?’’ vroeg zij heftig. „Misschien omdat ik een oude vrouw ben ? Er loopt menigeen in mannenkleeren rond, die banger is dan ik. Op u zeg ik dit niet, Willem,’’ hernam zij een oogenblik daarna. „Gij zijt wakker genoeg.’’
Eer haar zoon hierop kon antwoorden werd er luid op de deur geklopt.
„Wie komt daar in zulk een weer ?’’ vroeg Van Morne verwonderd.
Een oogenblik daarna kwam de oude dienstmaagd en gaf een brief over, die door een expresse gebracht was.
Hij bezag den brief.
„Afgezonden van Arnhem, per expresse, dato 15 Juli 1672,’’ las hij en vroeg: ,,Van wien kan die zijn?’’
„Wat talmt gij! Breek hem dan open!’’ zei de moeder op knorrigen toon.
Hij deed het. Nauwelijks had hij een blik op het ge­schrevene geworpen of hij verbleekte van schrik.
„Wat is dat!’’ riep hij uit. „Overmark heeft het geld niet ontvangen. Uit Arnhem schrijft een advocaat — dat daar tienduizend gulden voor ons bij het gerecht gedeponeerd is, benevens het document. Hij wil nu zijn recht hebben. Welk een verwarring is dat? Hoe is het mogelijk?’’
De moeder sidderde. „Hij wil zijn recht hebben?’’ vroeg zij, „wat beteekent dat?’’
„Och, moeder, ’t is niet waard er over te spreken,’’ antwoordde van Morne. „ Als hij het geld niet ontvangen heeft is dit onze schuld niet; dan is het geld verkeerd bezorgd.’’
„Maar spreekt hij niet van zijn recht ?’’ vroeg zij weder. „Geef mij den brief.’’
„Ja, het staat er bepaald,’’ zeide zij. „Hij heeft tien­duizend gulden voor ons gedeponeerd en de advocaat vraagt op welke wijze wij die som willen ontvangen — ook ba­zelt hij van Mornesteen — wat onzin!’’

[p.41]                                                                  Mornesteen

De moeder greep naar het hoofd. „Hemel en aarde !’’ riep zij uit. „Mornesteen ? Dat noemt hij zijn recht. En gij zit hier en ijlt niet dadelijk naar Arnhem, om te weten hoe die ellendige historie in elkaar zit en waar ons geld is gebleven !’’
„Moeder, wees toch om Godswil bedaard. Ik moet mij toch bezinnen. Ik vertrek vandaag nog naar Arnhem; maar ontrust u niet: wij hebben betaald.’’
„Zoo,’’ hernam zij, „tien duizend gulden gedeponeerd, en hij wil ons uit Mornesteen zetten.’’ Zij wankelde op haren stoel, alsof zij vallen zou.
„Moeder, wind u toch zoo niet op. Ik verzeker u heilig, dat ik geene zorg heb.’’
„Ja gij,’’ antwoordde zij, „gij zoudt doodbedaard zijn als het huis boven ons hoofd ineenstortte.’’
Een hevige windstoot, als door de woorden der vrouw opgeroepen, deed zich hooren en gevoelen.
De oude vrouw was hevig verschrikt, terwijl haar zoon henen ijlde om te zien wat er gebeurd was.
Een oogenblik daarna kwam hij terug en zeide: „Het duivenhok is ingestort.’’
„Zoo,’’ mompelde zij, „zal het ook met Mornesteen gaan.’’
Van Morne vertrok nog denzelfden dag. Toen hij te Arnhem kwam begaf hij zich dadelijk naar de Roode Ruiter, de herberg waar hij wist dat Overmark zijn in­trek had genomen. Hier vernam hij dat het geld er nog bewaard werd, en dat Overmark, toen het geld was aangekomen, zich er niet meer bevonden had en met zijne vrouw naar de zijde van Nijmegen was afgereisd, maar dat men niet wist waar hij zich sedert ophield. Men had het geld daarom maar in bewaring gehouden. Van Morne begaf zich dadelijk met den waard naar het gerecht, ver­zocht het geld daar in bewaring te nemen en liet den waard een verklaring onderteekenen, die inhield dat het geld met

[p.42]                                                                  Mornesteen

het adres aan Overmark op den bepaalden tijd was ontvan­gen. Hij schreef daarop aan den advocaat te Nijmegen, dat hij het aangeboden geld niet aannam; dat Overmark geen recht had, tegen betaling daarvan Mornesteen te eigenen, daar hij, Van Morne, op den tijd betaald had ter plaatse waar zich Overmark had opgehouden, maar dat deze was vertrokken zonder aanwijzing van zijn volgend verblijf, zoodat het door diens eigen schuld onmogelijk was geweest het geld in zijne handen, zooals de overeenkomst luidde, te vol­doen; doch dat hij nu er over kon beschikken bij het ge­recht te Arnhem, waar het in bewaring was gegeven.
Nu was Van Morne gerust. Hij achtte het niet noodig Overmark verder na te reizen, maar keerde met een ver­licht hart naar Kampen terug en bracht zijne moeder de goede tijding.
„ ’t Is de mislukte poging tot een schurkenstreek,’’ zeide hij. „Hij rekent misschien op de verwarring en onzekerheid, die door de Fransche overheersching ook in gerechts­zaken is ontstaan: maar wij hebben, Goddank, nog rechters uit eigen land, die wel niet om zijn vrienden de Franschen te believen, schandelijk onrecht zullen doen.
Met verwondering ontving Van Morne eenige dagen later de tijding dat Overmark, op grond der clausule van het document, tegen mevrouw Van Morne een proces was be­gonnen.
Het proces werd echter eenigszins in de lengte getrokken en de beide kapitalen bleven gedeponeerd.
De eerste weken bleef Overmark nog afwezig, toen kwam hij in Kampen terug, maar vermeed zorgvuldig Van Morne te ontmoeten. Hij gedroeg zich nog verwaander en gaf zich nog meer moeite om Fransch te spreken dan te voren, en als hij deftig gekleed bij den bevelhebber de Gacé in- of uitging, zag hij op de voorbijgangers neer als een pronkende pauw.

[p.43]                                                                  Mornesteen

Mevrouw Van Morne wilde zijn naam niet meer hooren en haar zoon vermeed dien te zorgvuldiger, daar de gedachte aan den bedriegelijken man haar somwijlen zoo driftig maakte, dat het hare gezondheid schaadde. Overigens was op Mornesteen de stemming kalmer geworden; de oude dame was evenzeer als haar zoon van de onmogelijkheid over­tuigd, het proces te kunnen verliezen; zij had zich bij deze zekerheid weer geheel hersteld, wandelde weder met vasten gang als vroeger en bezocht even getrouw hare landerijen; slechts verlangde zij vurig en ongeduldig, dat de stad en haar huis eens weer van de Franschen mochten bevrijd worden.
Weldra deden zich gebeurtenissen voor, die op de zaken van den Staat grooten invloed moesten uitoefenen. De herove­ring van Coevorden, het opbreken van het beleg van Gro­ningen, het verdrijven der Munstersche en Keulsche troepen uit verscheidene plaatsen van het Noorden, de erkenning van den Prins als Stadhouder — dit waren omstandigheden, die in de overheerde gewesten de harten met hoop en moed be­zielden. Maar het scheen, dat de Franschen door deze drei­gende onweerswolken verontrust en verbitterd, daar waar zij vasten voet hadden hun juk nog zwaarder wilden doen ge­voelen door misbruik te maken van hun overmacht, door blinde gehoorzaamheid te eischen aan hunne bevelen en door met geweld te nemen wat zij eischten en verlangden.
Ook in Kampen gevoelde men steeds pijnlijker den druk der vreemde heerschappij.
Van Morne bleef zijn moeder zooveel hij kon van de Fransche huisgenooten verwijderd houden. Hunne tafel werd afzonderlijk aangericht en hij verontschuldigde dit met den ouderdom zijner moeder en haar onbekendheid met de Fran­sche taal. Hij zelf trad wel nu en dan met hen in gesprek, maar vermeed dan zorgvuldig de politieke omstandigheden; overigens verzweeg hij niet, dat hij de overheursching van zijn land betreurde, en het scheen dat zijn eenvoudige, be­daarde rondborstigheid een goeden indruk op hen maakte.

[p.44]                                                                  Mornesteen

Buitenshuis nam hij zich zorgvuldig in acht om geen reden tot aanklacht te geven, want na het ondervondene achtte hij Overmark, die blijkbaar invloed bij de Franschen had, wel in staat daarvan gebruik te maken om hem in het ver­derf te storten.
Eens toen de familie uit de kerk was teruggekomen — het was op een Zondag — en de Overste hun weder een bezoek bracht, werd er door een stads-postbode een brief afgegeven.
„Uit Arnhem,’’ zeide Van Morne.
Hij las haastig den brief.
„Een schrijven van onzen advocaat te Arnhem,’’ hernam hij. „Hij verlangt, dat ik dadelijk met eene volmacht van u overkom, daar de zaak contra Overmark nu zal worden behandeld.’’
„Is dat nog noodig?’’ vroeg de moeder. „Mij dunkt de zaak is zoo duidelijk, dat zij het zonder uw tegenwoordigheid wel konden afdoen.’’
„Dit schijnt toch niet te kunnen,’’ antwoordde Van Morne.
„En al kon het,’’ sprak Tengnagel, „dan zou ik u toch raden er heen te gaan. De zaak is te gewichtig om er niet zelf bij te zijn en inlichtingen te geven, die wellicht gevraagd zullen worden.’’
„Ik zal ook morgen vertrekken.’’
„En dan zou ik nog een raad willen geven,’’ hernam Teng­nagel. „Als ge eenigszins kunt, zoek dan een accoord met den kerel te sluiten.’’
„Hoe bedoelt gij dit ?’’
„Overmark zal zich nu misschien nog door een kleine opoffering van uwe zijde laten vinden; want als hij het pro­ces verliest, zal het hem — dit weet hij wel — veel geld kosten……’’
„Raadt ge mij dat?’’ viel Van Morne hem eenigszins hef­tig in de rede. „Hoe! ik zou een enkelen stuiver offeren,

[p.45]                                                                  Mornesteen

daar het recht geheel aan mijne zijde is ! Het zou beneden onze waarde zijn.’’
„Vriend,’’ antwoordde Tengnagel, „wie kan weten wat de toekomst brengt? Als de Franschen zich met de zaak bemoeien en Overmark bevoordeelen willen, dan zijt gij ver­loren.’’
„Ik kan ’t niet helpen,’’ verzekerde Van Morne; „ik kan mijn beginsel niet verloochenen.’’
Terwijl Overmark zich te Kampen bevond, bracht hij een bezoek aan den kommandant de Gacé, die zijne kamers had in een huis op de Oudestraat tegenover de Patersteeg. Hij moest hem spreken over een leverancie van hooi. De bevel­hebber had weer een belangrijke geldsom, die van de stad geheven was, ten volle ontvangen en bevond zich in een goede luim. Voor hem op de tafel stond naast een wijn­kan de gevulde zilveren beker hem door de stad geschonken.
„Ha,’’ zei de Franschman vriendelijk lachend, „goed en wel terug ?’’
„Perfect,’’ antwoordde Overmark en begon nu over de leveranciezaken te spreken. Toen deze waren afgehandeld, zei de bevelhebber: „Ik heb den maarschalk medegedeeld hoezeer gij de spoedige overgave der stad hebt bevorderd door op de gezindheid der regeeringsleden en der burgerij te werken en ons alle inlichtingen te geven — en deze dien­sten zullen niet vergeten worden. De Fransche regeering is gestreng tegen hare vijanden, maar edelmoedig en vrij­gevig jegens hare vrienden.’’
„ Ik dank u voor uwe waardeering mijner pogingen, die voortvloeien uit oprechte bewondering uwer natie en uit be­langstelling in het welzijn van mijn land en kerk, dat beter bevorderd kan worden onder het bestuur van zulk een machtigen, katholieken monarch dan onder een aantal kettersche Statenleden met een ketterschen Stadhouder als hand­langer of als hoofd. Moge het maar zoo blijven als het nu is geworden!’’

[p.46]                                                                  Mornesteen

„Het zal zoo blijven’’ verzekerde de Gacé. „Wat Frankrijk eens heeft genomen, houdt het vast.’’
„Toch gaat het in het Noorden niet goed,’’ merkte Overmark aan, „en in Holland doet de verheffing van den Prins van Oranje veel kwaad. Een en ander doet ook hier bij de verkeerdgezinde bevolking oproerige gedachten en nieuwe hoop herleven, want er zijn hier vele kwalijkgezinden, vooral onder de voorname personen; zoo is hier eene familie Van Mome, die zich al zeer slecht gezind toont.’’
„Die moeten we dan in het oog houden. Hebt gij eenig bewijs tegen hen, deel de aanklacht dan schriftelijk mede.’’
„Mijnheer de kommandant, excuseer mij,’’ antwoordde Overmark, „dit zou mij in een slecht licht plaatsen. Ik heb een proces met die familie. Hunne vaste goederen behooren mij van rechtswege, volgens gesloten overeenkomst. Misschien kan Zijner Majesteits regeering mij aan mijn recht helpen.’’
„Waar wordt dit proces gevoerd?’’
„Te Arnhem.’’
„Ik zal aan den maarschalk Turenne schrijven, en bij vermelding uwer diensten Zijne Excellentie die zaak aanbevelen, opdat de rechters aan hun plicht herinnerd worden, en indien de uitspraak onrechtvaardig mocht zijn, van Koningswege eene revisie worde bevolen. En ik twijfel niet of gij zult het winnen.’’
„Ik dank u, mijnheer de kommandant,’’ zeide Overmark blijmoedig. „Het zou hard zijn als ik het niet won, want ik heb een groote som voor de bezittingen betaald. Maar nu ben ik gerust.’’

 

VIII.

Van Morne was afgereisd naar Arnhem. Een paar weken verliepen en zijne moeder had nog geen tijding ontvangen. Zij gaf eens aan den huisvriend de Overste hare bezorgd­heid te kennen en merkte bij hem eenige onrust op, die

[p.47]                                                                  Mornesteen

hare bekommering vermeerderde. Zij zeide hem dat zij schrijven wilde.
„Het is onzeker,’’ antwoordde hij, „of hij nog te Arn­hem is.’’
„Waarom zou hij daar niet zijn?’’ vroeg zij. „Hij moet toch de uitspraak afwachten.’’
„Mijn God,’’ dacht Tengnagel, „ik kan het haar niet zeggen. Het zou haar den dood doen. Zij zal het nog tijdig genoeg vernemen. Laat zij dezen nacht nog gerust slapen.’’
Den volgenden dag ging hij er weer heen. Toen hij binnentrad was zij bezig zilveren voorwerpen te poetsen — want zij deed dit altijd zelf. Na bij haar plaats te hebben genomen, zeide hij: „Ik heb tijding uit Arnhem.’’
Zij liet haar werk rusten en rees van haren stoel op. „Spreek, wat weet gij ?’’ vroeg zij, terwijl al hare trekken zich spanden.
„Willem komt vanavond t’huis.’’
„En….. is het beslist?’’
„Waardige vriendin,’’ sprak hij op treurigen toon, „ gij zijt altijd een sterke en moedige vrouw geweest en gij hebt steeds geloofd dat de goede God regeert. Houd aan dat geloof vast. De tijding, die ik u moet brengen, is slecht…..’’
Zij verbleekte en begon hevig te beven.
„Ga dan nu zitten,’’ hernam hij en drukte haar zacht op den stoel; „gij moet uw moed behouden.’’
„Is alles dan verloren?’’ vroeg zij.
„De bezittingen zijn den schurk toegewezen,’’ was het ant­woord. „De beide gedeponeerde kapitalen worden u uitbetaald. Binnen vier weken moet het huis ontruimd zijn, zoo luidt de schandelijke uitspraak, die nooit zoo had kunnen zijn als we in gewone tijden leefden en het gerecht niet tot die uit­spraak gedwongen ware geworden.’’
Zij antwoordde niet, maar rilde van het hoofd tot de voeten en zakte ineen.

[p.48]                                                                  Mornesteen

„Zij zal er van sterven!’’ riep Tengnagel uit. „En toch moest het. Arme vrouw!’’ Hij riep luid om de dienstmaagd, die weldra kwam aanijlen en hevig verschrikt hare meesteres met gesloten oogen bewusteloos op haar stoel zag liggen, ondersteund door den Overste. De lijdende werd naar bed gedragen, de dokter gehaald en deze sprak van doodsgevaar. De Overste bleef in het huis des ongeluks de komst van den zoon verbeiden. Deze kwam des avonds terug. Hij vond zijne moeder nog in bewusteloozen toestand.
„Arme vriend !’’ zei de overste, den jongen man harte­lijk de hand drukkende, „veel treft u op eenmaal, maar denk aan uwe kinderen. Gij zijt nog jong, daar zullen voor u wel weer betere dagen komen.’’
Dien nacht bleef de zwaar getroffen Van Morne bij het ziekbed zijner moeder waken. Den volgenden morgen kwam zij een oogenblik tot bewustzijn. Zij wenkte haren zoon om bij haar te komen met zijne kinderen. Toen legde zij de hand eerst op zijn hoofd, daarna op die der kinderen en sloeg de oogen naar boven, waarop zij weer als in een sluimering verzonk, die overging in een slaap, waaruit zij niet weer ontwaakte.
Algemeen was in Kampen de deelneming in het lot van Van Morne en de verontwaardiging tegen Overmark. Toen deze weer in de stad verscheen, gingen velen hem uit den weg, anderen gaven hem blijken van afkeer en minachting, en zooveel toornige blikken troffen hem, dat hij zich wel ongerust zou gevoeld hebben als hij niet op de machtige bescherming der Franschen had vertrouwd.
Van Morne kon het denkbeeld niet verdragen een rnensch als Overmark eigenaar te zien van zijn voorvaderlijke be­zitting en dat deed hem het besluit nemen dadelijk Kampen te verlaten en weer in den krijgsdienst te treden. Hij zou trachten zijne kinderen, die ook behoefte aan vrouwelijke ver­zorging hadden, bij een zijner familieleden te plaatsen. Toen hij dit aan Tengnagel te kennen gaf, zeide deze: „Laat mij

[p.49]                                                                  Mornesteen

de kinderen, Van Morne. Ik krijg, zooals gij weet, een nicht bij mij wonen, de dochter van den gesneuvelden kapitein Raesveld, dien ge wel bij name gekend hebt; zij zijn dan onder vrouwelijk toezicht en zullen mijn ouden dag vervroolijken. Gij weet, dat ik veel van hen houd en dat zij ook mij genegen zijn. Ik kan ze wel geen fijne, hoofsche op­voeding geven, maar zij zullen goed en braaf worden, en daar ik zoo dicht bij de stad woon, kunnen ze op dezelfde school waar ze zijn blijven leeren en ze missen dan hun makkers niet, die hier buiten alle ruimte hebben om met hen te komen spelen. Laat mij dus de kinderen.’’
Met een blijden glans op het gelaat zag Van Morne den Overste aan. „Gij maakt mij gelukkig,’’ zeide hij. „Hoe gaarne laat ik ze u. Ik ken uwe vriendschap voor mij, uw goed hart en uwe teedere liefde voor de kleinen, die u aanhangen alsof ge hun grootvader waart. Ik breng ze spoedig bij u en kan dan gerust vertrekken. Ik zal trach­ten spoedig een compagnie te krijgen en dan hoop ik wel­dra tegenover de Franschen te staan en het mijne te doen om ze van onzen grond te verdrijven.’’
Reeds een paar dagen daarna bracht Van Morne zijn kinderen bij zijn ouden vriend te IJsselmuiden; voor de twee dienstboden zijner moeder zorgde hij; de Fransche officieren werden elders ondergebracht en toen liet hij zijn meubels overvoeren naar een kleiner huis nabij de Haven­poort, dat zijn eigendom was en ledig stond, daar de bewoners vóór de komst der Franschen naar Holland waren getrokken. De oudste dienstmaagd zou voor het bewaren van den inboedel zorg dragen. Overmark nam toen zijn nieuw eigendom met een gevoel van trotschen triumf in bezit en was door opgeblazenheid bijna niet meer te genaken.
Nadat Van Morne zijne kinderen aan het hart had gedrukt, nam hij afscheid van den Overste en zijne andere vrien­den en bekenden en reisde toen af, om zich naar Bodegraven

[p.50]                                                                  Mornesteen

te begeven naar het leger van den Prins. Om zich geen moeielijkheden in den weg te leggen en de bezittingen die hij achterliet, niet in gevaar te brengen, had hij het stil ge­houden dat hij zich weer in den krijgsdienst begaf. Toen hij te Bodegraven kwam, was hij zeer welkom en het duurde niet lang of een compagnie werd hem toevertrouwd.
Het was voor Van Morne een gevoel van verlichting, dat hij zich niet meer in een stad bevond, waar hij zijn vaderlandsch gevoel van onwil en toorn tegen de vreemde overheerschers verkroppen en lijdelijk de verdrukking aanschou­wen moest, en een gewaarwording van voldoening bezielde hem bij de gedachte, dat hij weldra met het zwaard in de vuist zou staan tegenover hen, die zijn land als roovers wa­ren ingedrongen, die schuld waren van het verlies zijner voorvaderlijke bezittingen en van den dood zijner moeder.
In Kampen bleef, gelijk in andere steden, het Fransche juk nog pijnlijk op de bevolking drukken en, hoewel men hier niet zooveel als in sommige Hollandsche plaatsen te lijden had, ondervond men toch zooveel belemmering en na­deel in zijn huiselijk leven en zijn bedrijf, dat men vurig naar verandering smachtte — en de hoop hierop werd dage­lijks grooter, vooral toen de tijding kwam dat de Oostenrijksche keizer en de keurvorst van Brandenburg een hulp­leger verzamelden. De Franschen werden, toen zij dit hoor­den, genoodzaakt op te rukken, om de Duitsche krijgsmacht tegen te houden. Daartoe trokken zij met een deel hunner troepen naar Wezel en een ander deel bleef in de Neder­landen, om vast te houden wat zij in bezit hadden.
Toen de winter inviel en zij een strooptocht in Holland deden, bevond Van Morne zich met het leger van den Prins in de Fransche Nederlanden en in het voorjaar van 1673 nam hij deel aan de verovering van Naarden, waar hij met zijne compagnie het eerst een der buitenwerken Ver­overde. Later trok hij mede naar het land van Keulen, en toen hij deel nam aan de bestorming van Bonn, dat

[p.51]                                                                  Mornesteen

Turenne te vergeefs trachtte te ontzetten en door den Prins veroverd werd, werd hij bij het binnendringen van een bas­tion in den arm gewond, hetgeen hem tot eenigen tijd werkeloosheid verplichtte. Hoe gaarne was hij toen naar Kampen geijld om zijne kinderen weer te zien, maar dit was, nu hij in Staats-krijgsdienst was, onmogelijk, daar zijn vaderstad zich nog in handen der Franschen bevond.
Het voortrukken van het leger der bondgenooten aan den Rijn dwong eindelijk Lodewijk XIV om de meeste veroverde steden der Nederlanden nog vóór het einde van 1673 te verlaten.
Aan de regeering van Kampen werd door de Fransche oorlogscommissarissen bericht, dat de stad slechts door eene oorlogsschatting van 100,000 gulden voor plundering en verwoesting kon bevrijd blijven. Door de Regeering werd 80,000 gulden, in termijnen te betalen, aangeboden als het hoogste wat de uitgeputte stad kon opbrengen, en hiermede werd genoegen genomen, onder voorwaarde dat twaalf gijze­laars uit de voornaamste ingezetenen tot onderpand der geheele afbetaling zouden medegevoerd worden.
Nu verlieten de Franschen eindelijk de stad op den 14n December, tegen hun gegeven woord een menigte geroofde goederen medevoerende, terwijl zij bij den aftocht een deel der IJsselbrug vernielden. Zoodra de Franschen waren heen­gegaan, werd de stad door 1400 man voetvolk der Staten be­zet, de Regeering werd veranderd en een voorloopig bestuur ingesteld. Doch hoewel de stad weer herademde, kon zij zich nog niet zoo spoedig herstellen van den geleden schok. Vele burgers waren verarmd, anderen hadden de stad ver­laten, zoodat een aantal huizen ledig stond en verscheidene werden afgebroken, waardoor het plein aan de Oudestraat, dat nu de Plantage heet, is ontstaan.
Niemand was meer terneergeslagen over deze omkeering van zaken dan Overmark, de nieuwe bewoner van Mornesteen. Het was opvallend en boezemde afkeer in, als men

[p.52]                                                                  Mornesteen

zag hoe hij zijne deftigheid geheel had afgelegd en weer volkomen de vriendelijke man van vroeger was geworden. In de herberg zocht hij den vroegeren omgang te herstel­len en liet hij in zijne gesprekken gedurig de opmerking invloeien, dat een mensch niet trotsch moet zijn op rang of geld. Toch was dit alles te vergeefs; hij werd uit de Regeering verwijderd en tot zijne ergernis ondervond hij, in de schatting zijner stadgenooten door het bezit van Mornesteen niet verheven, maar aanmerkelijk gedaald te zijn; zelfs zij, die anders de Fransche heerschappij met hem had­den toegejuicht, verfoeiden hem om de laagheid, waarmede hij van den Franschen invloed had gebruik gemaakt om zich eens anders bezitting toe te eigenen. Menigmaal werd hem de hand geweigerd als hij de zijne uitstak; menige deur was voor hem gesloten, die hij te voren binnen ging en menigen schimpscheut moest hij verkroppen; terwijl hij dagelijks meer opmerkte, dat elk weldenkend burger hem den rug toekeer­de. Wel trachtte hij zich te troosten met de gedachte, dat hij toch een rijk en groot man was, die van niemand af­hing, maar pijnlijk ondervond hij, dat men zijne medemenschen niet kan missen en dat het leven onder de minachting eener geheele bevolking op den duur ondragelijk is. En de maat van zijn hartzeer was nog niet vol.
Nadat de Franschen waren afgetrokken, deed Van Morne zich de vraag, of geene herziening van de onrechtvaardige rechterlijke beslissing zou te verkrijgen zijn. Hij schreef aan den Overste en deze raadde hem, na een rechtsgeleerde geraadpleegd te hebben, zulk eene herziening aan te vragen en te trachten door den invloed van hooggeplaatste per­sonen de zaak te bevorderen.
Kort daarna nam Van Morne deel aan den slag bij Senef, waar hij zich zeer onderscheidde, en na den veldslag tot majoor bevorderd moest hij voor den Prins verschijnen, die als legerhoofd hem zijne achting en dankbaarheid be­tuigde. Deze gelegenheid greep hij aan om den Prins

[p.53]                                                                  Mornesteen

mede te deelen, welk onrecht hij door Franschen invloed geleden had, en dat hij eene herziening van de gerechtelijke uitspraak in zijn proces tegen Overmark wenschte, waarop de Prins de zaak noteerde en aan zijn secretaris op­droeg ze te laten onderzoeken; terwijl hij beloofde zoo moge­lijk eene herziening der beslissing te zullen bevorderen. En kort nadat in 1675 ook de Overijsselsche steden den Prins het Stadhouderschap over die provincie hadden opgedragen, werd van wege de Algemeene Staten eene revisie der vroeger te Arnhem gedane uitspraak bevolen en aan de hoogste rech­terlijke macht in Overijssel opgedragen. Nu liet de beslis­sing zich niet lang wachten en deze was geheel in het voor­deel van Van Morne, wien zijne goederen werden terugge­geven, terwijl hij de verschuldigde twintigduizend gulden aan de andere partij uitbetaalde. Overmark vond het thans in Kampen volkomen ondragelijk; hij verkocht derhalve zijn vaste bezittingen en trok met zijne vrouw naar Antwerpen, in de hoop daar beter gezien te zullen zijn. Wij weten echter niet of hij dit doel bereikt heeft.
Van Morne, hoogst gelukkig, begaf zich na de uitspraak aanstonds naar Kampen. Het was de eerste maal dat hij hier terugkwam. De oorlog eischte te zeer alle krachten, dan dat hij er te voren aan zou hebben kunnen denken om verlof te vragen. Nu eerst waagde hij dit en het werd hem voor een paar weken toegestaan. Hoe was hij verrukt, toen hij zijne beide kinderen in de armen sloot. Zij waren zooveel grooter geworden en zoozeer ontwikkeld, hun voorkomen was zoo flink en innemend geworden, dat hij ze met verbazing en blijden trots aanschouwde. Vurig dankte hij den Overste voor zijne goede zorgen en niet minder diens nicht, juffrouw Isabella Raesfeld, die hij voor de eerste maal ontmoette en die bloosde bij de woorden van lof en dankbaarheid, welke hij tot haar richtte.
Daar Overmark aanstonds Mornesteen had moeten ont-

[p.54]                                                                  Mornesteen

ruimen, nam Van Morne dadelijk maatregelen om zijne losse goederen ten spoedigste daarheen te laten overbrengen en de vroegere welvertouwde dienstboden het huis te laten be­trekken. Zijne kinderen zouden voorloopig nog bij den Over­ste blijven tot de oorlog was geëindigd en hun vader tot hen kon terugkeeren, Intusschen deed zich eene omstan­digheid voor, die eene groote verandering bracht in dit plan. De nicht van den Overste had een diepen indruk gemaakt op het hart van den Majoor, en ook zij scheen voor hem niet ongevoelig te zijn. Hij zocht gedurig hare nabijheid, terwijl hij met ingenomenheid zag en hoorde hoe zijne kin­deren haar aanhingen. Als hij met hen alleen was hadden zij altijd den mond vol van tante Isabella, zooals zij haar noemden. Toen zijn verlof was geëindigd, viel het afscheid hem zwaar en was het hem of hij haar reeds jaren gekend had — en met diep gevoel dankte hij haar voor hare liefderijke bemoeiingen voor zijne kinderen en beval hen verder in hare zorgen aan; terwijl zijne woorden vergezeld gingen van een hartelijken handdruk en een blik vol beteekenis. Toen hij een half jaar later andermaal met verlof kwam, doch dit­maal slechts voor eenige dagen, bood hij juffrouw Raesfeld hart en hand aan en zijn voorstel werd zonder bedenken aan­genomen. De kinderen waren bovenmate blijde toen zij hoor­den dat tante Isabella, die voor hen zoo onmisbaar was ge­worden, hunne moeder zou zijn. Eenige maanden later werd het huwelijk gesloten en betrok de nieuwe mevrouw Van Morne met de kinderen het oude Momesteen. Haar echt­genoot bleef nog in den krijgsdienst tot den vrede van Nij­megen; toen nam hij zijn ontslag, in de blijde verwachting een rustig en gelukkig leven in den schoot van zijn gezin te genieten, eene verwachting waarin hij niet werd teleur­gesteld. Weldra was hij weer een ijverig lid van het stedelijk en van het gewestelijk bestuur en bleef de hooge achting zijner medeburgers genieten tot in hoogen ouderdom.

[p.55]                                                                  Mornesteen

Of er nakomelingen van den zoon des majoors Van Morne zijn overgebleven, is ons onbekend. In Kampen bestaan die niet; maar toch is daar de herinnering aan die familie nog bewaard in den naam van de Mornesteeg, een straatje in de nabijheid van het huis gelegen, dat vroeger door de familie werd bewoond. Dit huis is in den loop der tijden veranderd en verbouwd en van den ouden bouw is slechts een torentje in stand gebleven, dat zich vreemd­soortig tusschen allerlei nieuwe gebouwen verheft, als een memento van vorige eeuwen.

Category(s): Kampen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.