Eerste Hoofdstuk

EERSTE HOOFDSTUK.
Van Christus geboorte tot het jaar 741.

_______
 

     Het gewest, langs de regter zijde en aan de monden van den IJssel gelegen, en thans Over­ijssel genoemd, was in overoude tijden, eene uitgestrekte wildernis. Eenige streken van het­zelve waren met groote veenen en moerassen, andere met bosschen, struiken en heidevelden bedekt.
     Het westelijk gedeelte, aan de linker zijde van den, IJssel, besloeg een gedeelte van de tegen­woordige Zuiderzee, en strekte zich uit voorbij Ens en Urk, tot aan de meeren die hetzelve van West-Friesland scheidden , en van welk het voornaamste, Flevo genoemd, door eene enge uitwatering, thans nog liet Flie geheeten , in de Noordzee stortte.
     De rivier de IJssel , oudtijds Sala en Isala genaamd, stroomde, langs Emmeloord en Urk , in dit meer, en het omgelegen land, door geene dijken of dammen beschut, was aan de geduri­ge overstrooming der rivier, en ‘t geweld van hooge zeevloeden altoos blootgesteld , zoodat bij zware stormen somtijds geheele bosschen neerge­veld en groote verwoestingen aangerigt werden.

|pag. 4|

     De oudste Volken, welke zich desniettegen­staande in dit gewest hebben opgehouden, waren de Bructeren, de Tubanten, de Saliërs en de Chamaven. Men meent dat de Bructeren of Broekteren het laagste en broekachtigste gedeelte, zich tot aan den IJssel (de Sala) uitstrekkende, heb­ben bewoond. Die het naast aan deze rivier woonden, werden Saliërs genoemd, wier naam in dien van Saland (Zalland) is overgegaan en ook in dien van Salick of Zalk nog kenbaar is.
De Tubanten, die zich voornamelijk in het te­genwoordige Twenthe vestigden, hebben aan dat gewest hunnen naam medegedeeld. De Chamaven woonden, zuidwaards van de Saliërs, ter wederzijde van den IJssel. In het latere Hame­land en de omstreken van Deventer is hun naam nog lang bewaard gebleven. Al deze vol­ken behoorden tot den germaanschen stam; zij waren groot en sterk van ligchaam , doch ruw en woest van aard, zonder vaste woonplaat­sen, in de bosschen en wildernissen omzwervende, waar zij zich ophielden met de jagt van wilde dieren, welker vellen hun tot kleeding dienden; somtijds sloegen zij hunne hutten ne­der op de hoogten langs de rivieren, en geneer­den zich dan met de vischvangst.
     Het is niet onwaarschijnlijk, dat een hoop de­zer zwervende Bructeren of Saliërs, op de west­zijde van den IJssel, ter plaatse waar nu Kam­pen ligt, eenen hoogen en vasten oever gevonden hebbende, zich daar hebben neergeslagen, en volgens de gewoonte der Batavieren en Friesen hunne naburen, hoogten of werven, welke zij

|pag. 5|

Terpen noemden, omgeworpen, en daarop hunne hutten gebouwd hebben, ten einde voor de overstroomingen beveiligd te zijn, en dat uit dien aanleg vervolgens een gehucht of dorp ontstaan is.
     Men zou daarin dan ook den oorsprong kun­nen ontdekken van eene oude overlevering, welke ten tijde van Wolf Poortsluiter, voorheen geestelijke te Kampen, plaats vond; dat namelijk Kampen door de reuzen zoude gebouwd zijn; ten zij men den oorsprong van dit sprookje liever wilde te huis brengen op die grove en ster­ke volken, welke in nog vroeger eeuwen deze streken bewoond, en de kenteekenen van hun verblijf hebben achtergelaten in de ontzaggelijke steenhoopen, welke zij met reuzenkrachten op de graven hunner opperhoofden hebben opgerigt, en in het landschap Drenthe, onder den naam van Hunebedden, nog menigvuldig te zien zijn.
     Hoe het zij, deze plaats was voor de eerste bewoners zeer verkieslijk, daar zij, gelegen tusschen den regter IJsselmond, en deszelfs zuidelijksten arm, welke nog heden, ten zuiden van de stad, onder den naam van ouden IJssel of het IJsseltje bekend is, een eiland vormde, waar­op zij voor alle onverhoedsche aanvallen beveiligd waren; terwijl de grond, schoon laag en broekig, echter genoegzaam voedsel voor hun vee zal opgeleverd hebben, en zij dus aldaar, zoowel de veehoederij, als de jagt en visscherij, konden bij de hand nemen.
     De Bructeren, Saliërs, Tubanten en Chamaven waren, even als de Batavieren, die ten zuiden langs de Waal en de Maas, en gelijk de Friesen,

|pag. 6|

die, ten noorden van hen, langs het meer Flevo, tot aan de Noordzee woonden, zeer dapper en strijdbaar, en leefden, onder het bestuur hun­ner vorsten of hertogen, in volmaakte vrijheid; terwijl zij, aangevallen wordende, ook onder derzelver geleide ten oorlog trokken, en voor hunne vijanden altoos geducht waren.
     Ruim, 50 jaren voor Christus geboorte, toen de Romeinen hunne magt rondom uitbreidden, bijna geheel Gallië, naderhand Frankrijk genoemd, overmeesterd, en hunne adelaren reeds over den Rijn vertoond hadden, oordeelden, de Batavieren, welke toen een gedeelte van Gelderland, thans de Betuwe genoemd, bewoonden, het raadzaam, gezanten aan derzelver veldheer Julius Cesar te zenden, en een verdrag van vrede en vriend­schap met hem te sluiten; waarbij zij wel als vrienden, en broeders der Romeinen erkend, en van schattingen bevrijd wierden, doch zich verpligten moesten, om met hunne beste man­schappen in de romeinsche legers te dienen; ge­lijk zij dan ook Cesar op zijne togten maar Spanje , Griekenland, ja zelfs tot in Egypte, over­al gevolgd hebben.
     Tien jaren voor Christus geboorte, onder de regering van Keizer Augustus, verscheen de romeinsche veldheer Claudius Drusus met een groot leger aan den Rijn, met last om, ne­vens andere volken, ook de Bructeren, Tubanten en Friesen te beoorlogen, en aan het romeinsch gebied te onderwerpen; dan alzoo derzelver lan­den, wegens de menigvuldige poelen en moeras­sen, voor zijn leger bijna ontoegankelijk waren,

|pag. 7|

deed hij door zijne soldaten eene gracht graven, waardoor de Rijn met den IJssel vereenigd, en die de gracht van Drums of Navalia genoemd werd. Ter bescherming van dit werk bouwde hij daar­bij een Burgt, naar hem Drusus – Burgt, en naderhand Doesburg genoemd; waarna hij zijn leger te scheep door deze gracht den IJssel afvoerde. De ingezetenen van de aankomst der Romeinen verwittigd, hadden zich langs de rivier verzameld, en, tot eene dappere verdediging gewapend, weer­den zij verscheidene hevige aanvallen moedig af, en boden eenen hardnekkigen tegenstand; doch moesten voor de overmagt zwichten, en landwaards in de wijk nemen; daar werden zij in hunne bosschen en schuilhoeken vervolgd, hunne hutten en schuren vernield, en alles te vuur en te zwaard verwoest; terwijl de overgeblevenen zich eindelijk aan de overwinnaars moesten on­derwerpen. Drusus zette daarna met zijne galeivloot den togt voort, langs de dorpen en gehuchten der Chamaven en Saliërs, voorbij de plaats waar nu Kampen ligt, naar het meer Flevo. Op de eilanden tusschen de Sala en den Rijn, hadden de bewoners zich tot eene ernstige verdediging vereenigd, en Drusus vond aldaar den heftigsten tegenstand. Hij zag zich zelfs genoodzaakt een der eilanden, midden in de doorvaart gelegen, ( 1 [1. Strabo (Lib. VII) noemt dit eiland Burchana, hetwelk door verwisseling der grieksche β met de romeinsche V, Vurchana, en bij verkorting Urcha, den ouden naam van ’t eiland Urk, kan aanduiden; even als βίσουργις met Visurgis, βεληδα met Veleda wordt verwisseld. Urk, oudtijds van grooten omvang, en met een vasten bodem, lag ter verdediging en belemmering van den doortogt zeer geschikt. Daar Plinius echter Burchana onder de eilanden langs de zeekust opnoemt , (Hist. Nat. L. IV. C. 13.) heeft men het eiland Borkum, in de Noordzee, voor de Eems gelegen, daarvoor aangenomen; maar Borkum was geenszins in medio navigationis cursu en te veraf gelegen, om de romeinsche vloot den doortogt te betwisten, of Drusus zulken gedachten tegenstand te bieden, als Strabo vermeldt, waarvan dus het eiland Urk welligt de eer toekomt.]) met; zijne galeijen te omsinge-

|pag. 8|

len en door eene soort van belegering tot over­gave te dwingen. Na deze overwinning wendde hij den steven en de wapenen tegen de Friesen, die hij ook, na vele bloedige gevechten, ten onder bragt. Al de overwonnen landen werden door hem als romeinsche provinciën of winge­westen behandeld, de ingezetenen met zware schattingen belast, en de jonge manschap tot de krijgsdienst opgeschreven. Om dezelve in toom te houden, en alle opstand te beletten, deed hij op de belangrijkste hoogten langs den Rijn en deszelfs uitwateringen, sterke kasteelen bouwen, en legerplaatsen aanleggen ter beveiliging zijner soldaten, en magazijnen, van welke het slot te Benthem, als een onvergankelijk gedenkteeken, nog in wezen is. Insgelijks liet hij een kasteel bouwen aan den mond van het Flie, om de vreemde roofschepen het inloopen te beletten en tevens de Friesen te beteugelen. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij , behalve Doesburg, ook andere sterkten langs den IJssel gebouwd, en op de hoogte door de Bructeren reeds bewoond,

|pag. 9|

zoodanige sterkte of legerplaats, welke de Ro­meinen Campus noemden, hehbe aangelegd, en dat daarvan deze plaats sedert den naam van Campen behouden hebbe. Mogelijk is toen ook aan den mond van den IJssel en de Vecht een kasteel en zeehaven aangelegd , Navalia of Nabalia genaamd, hetwelk naderhand door de Zuiderzee verzwolgen zal zijn; de visschers bespeuren daar nog somtijds stukken van muurwerk onder wa­ter, en die plaats wordt door hen de Nagel of de Navel genoemd. Men heeft dit muurwerk nagespoord tot bij Vollenhove, in welks oudste overeenkomst met Umbalaha, almede eene treffende over­eenkomst met Nabalia, verbasterd in Nabalaha, bespeurd wordt.
     Daarna toog Drusus over de moerassen te­gen de Cauchen, die in Oostfriesland, bij den Wezer woonden, en bragt vervolgens nog vele andere germaansche volken onder de romeinsche heerschappij, waaronder al deze overheerde lan­den gedurende meer dan 400 jaren zijn gebleven. De landzaten poogden dikwijls het juk af te werpen, en vatten telkens de wapens op te­gen hunne onderdrukkers; zij belegerden en ver­woestten de kasteelen ; ja bragten onderscheidene legers der Romeinen zware nederlagen toe. Dan de romeinsche keizers zonden weldra nieuwe landvoogden en krijgsbenden herwaards, welke de oproerigen onder het juk terugbragten, en vaak eene geduchte wraak tegen hen oefenden, door hutten en huizen te verbranden, de gewijde bosschen, waarin de bewoners, welke toen allen heidenen waren, hunne godsdienstplegtigheden

|pag. 10|

verrigtteden, en bij nacht vergaderingen en maal­tijden hielden, op welke zij hunne zamenzweringen tegen de Romeinen beraamden, om te hou­wen, en alles te vuur en te zwaard te verwoes­ten; waardoor, zoowel als door de gedurige volksligtingen, deze landen zeer ontvolkt wer­den.
     Zoodanig eene onderdrukking echter, kon niet anders dan de vaderlandsliefde der overgeblevene ingezetenen en hunnen haat tegen de Romeinen verdubbelen. De magt der Bructeren, langza­merhand weder toegenomen zijnde, hebben zij, met de Batavieren vereenigd, onder Claudius Civilis, eenen fellen oorlog gevoerd tegen de Romeinen, en in onderscheidene gevechten uitge­munt, tot dat, na van weerszijden veel volks verspild te hebben, er een vrede tusschen hen gesloten wierd, bij den stroom Nabalia of de drusiaansche gracht.
     Na eenige jaren rust, werden de Bructeren door onderlinge onlusten verdeeld, en verdreven hunnen koning, die echter door de Romeinen in zijn gebied hersteld werd. Maar in het jaar 98 na Christus geboorte geraakten de Bructeren in onmin met hunne naburen de Chamaven en Angrivariërs, die waarschijnlijk door de Romeinen aangestookt, in hun land vielen; en schoon de Bructeren zich dapper te weer stelden, werd bijkans hunne geheele magt, in ’t gezigt van het leger der Romeinen, verslagen. Meer dan 6000 sneuvelden bij de gracht van Drusus, waarna hun land door de overwinnaars in bezit genomen werd, hebbende zij sedert, nevens de overgeble-

|pag. 11|

vene Bructeren, de romeinsche overheersching moeten dulden.
     Omtrent het jaar 253 werd ons gewest met andere landstreken, die van inwoners merkelijk ontbloot waren, door de Franken, welke uit Germaniën of Duitschland hier te lande kwamen, ingenomen; zij drongen tot in Gallie door, en hielden zich verscheiden jaren tegen de Romeinen staande.
     In ‘t jaar 275 werden zij door Keizer Probus in hunne moerassen overvallen, en genood­zaakt om den vrede te vragen, bij welken de on­bewoonde streken aan hun werden afgestaan, on­der voorwaarde, dat zij de woeste gronden ont­ginnen en bebouwen, granen, vee en paarden voor de romeinsche legers leveren, en even als de oude ingezetenen, hunne jonge manschap tot de krijgsdienst overgeven moesten. Deze last werd hun echter weldra te zwaar, zoodat zij menigmaal tegen de Romeinen opstonden en het juk poogden af te werpen; maar zij werden telkens weder beteugeld, en op nieuw onderdrukt.
     In ’t jaar 306 verbonden zich de Bructeren, Chamaven, Tubanten en andere frankische en germaansche volken, eenparig tegen de Romeinen; doch werden door Keizer Constantinus over­vallen en weder geheel ten onder gebragt. De Bructeren, die in hunne moerassen en bosschen de wijk hadden genomen, werden gedeeltelijk omgebragt en gevangen genomen; al hun vee werd weggevoerd of gedood, en hunne gehuch­ten in brand gestoken; terwijl Constantinus eenige der voornaamsten, ten schouwspel voor

|pag. 12|

de Romeinen, door de wilde beesten liet ver­slinden. Daarna deed hij de verwoeste kasteelen, langs den Rijn en deszelfs uitwateringen tot aan de Noordzee, herstellen, en met talrijke be­zettingen voorzien, hij onderhield vervolgens een aantal gewapende schepen in die rivieren, om, daardoor nieuwe opstanden der ingezetenen en invallen van naburige volken te beletten. Het schijnt ook, dat de Romeinen toen in deze stre­ken eenige jaren rust genoten, en zelfs den Franken eenige voorregten boven andere volken hebben toegestaan. De Saliërs, die langs de oostzijde der Sala zich hadden uitgebreid en nu ook Franken genoemd werden, hebben in het jaar 358 die streken weder verlaten, welke hen wegens derzelve lagen en moerassigen grond, waarschijnlijk geen genoegzaam onderhoud kon­den opleveren. Het gewest door hen ontruimd, heeft echter den naam van Saland behouden. Zij trokken eerst in het eiland der Batavieren, van daar naar Braband, en vervolgens naar Gallië, waar zij zeer magtig zijn geworden, en den grond van het frankisch rijk of Frankrijk heb­ben gelegd.
     In ’t jaar 359 werden de landen, door de Saliërs ontruimd, weder ingenomen door de Saxers, die langs de Elve, den Wezer en de Eems woonden, zijnde eene woeste en oorlogszuchtige natie, welke door de Romeinen niet konde afge­weerd worden. Zij Hielden zich in de digtste bosschen op en leefden van den roof; eenigen van hen, de Quaden genoemd, hadden zich genesteld in een wijduitgestrekt bosch, hetwelk

|pag. 13|

men meent, dat een gedeelte van het land van Vollenhove en van eene streek, welke naderhand door de Zuiderzee overstroomd is, besloeg; waaruit zij bij nacht te voorschijn kwamen, de na­burige gehuchten uitplunderden en met roof en, moord vervulden, of op de inwoners, die zich omtrent hunne schuilplaatsen vertoonden, aanvie­len en dezelve zonder genade van het leven be­roofden, waarvan dit bosch den naam van het wilde woud zonder genade ontvangen heeft.
     In ‘t jaar 360 heeft Keizer JuIiaan deze Quaden door list beteugeld, en dezelve aan het romeinsch gebied onderworpen; waarna zij, ne­vens de overige Saxers, even als de Franken en Batavieren, in de romeinsche legers moesten die­nen. Zij bleven echter die gewesten, waarin zij zich gevestigd hadden, bewonen, en werden ver­volgens Nedersaxers genoemd.
     De Nedersaxers, Friesen, Sicambren, Usipeten, Saliërs en Batavieren, welke toen Overijs­sel, Friesland, Gelderland, Utrecht en Holland bewoonden, en allen den naam van Franken of Vrijen hadden aangenomen, verbonden zich in ’t jaar 366 tegen de Romeinen, trokken gedurende den winter in verschillende benden den toegevrozen Rijn over, deden een, inval in Gallië, en verspreidden dood en verwoesting langs de gren­zen van het romeinsche rijk; tot dat Keizer Valentiniaan in 370 een einde maakte aan deze strooperijen, en de Saxers door nieuwgestichte legersteden, sterkten en torens, langs de uitwateringen van den Rijn, weder onder bedwang bragt.

|pag. 14|

     In 406 werden de landen langs den Rijn en den Ijssel, benevens alle naburige gewesten, overstroomd door de Alanen, Wandalen, en andere woeste volken, welke met branden en plunderen groote verwoestingen aanrigtten, en geheel Gallië afgeloopen hebbende, tot in Spanje doordrongen, en zich aldaar nedersloegen.
     In 409 vielen de West-Gothen, onder hunnen koning Alarik, in Italië, bemagtigden Rome, en trokken in ’t volgende jaar ook naar Gallie, alwaar eenigen zich hebben gevestigd. Onder de­ze volken waren ook de Wilten, Sclaven en an­dere, die zich tot over den Rijn hebben uitge­breid, en gedeeltelijk hier te lande zijn gebleven. Ondertusschen begonnen in 413 onderscheidene landschappen in Gallie het juk der Romeinen, wier magt door de gedurige oorlogen en de in­vallen van vreemde volken veel verzwakt was, af te werpen. De romeinsche regters en landvoogden werden hier en daar afgezet en verjaagd, en de Franken maakten zich van een gedeelte van Gallie meester.
     In 432 werd door de Franken, die zich toen na vele oorlogen in Gallie gevestigd hadden, een verdrag van vriendschap met de Romeinen geslo­ten, hunnen koning Clodio vervolgens als zoodanig erkend, en in ’t bewind over verscheidene landen gelaten.
     In 437 hebben de Saxers, die met de Friesen, de zeekusten onzer gewesten bewoonden, en toen reeds stoute zeelieden waren, den Romeinen veel nadeel toegebragt; het juk der overheersching langzamerhand verbroken, en de magt der Ro-

|pag. 15|

meinen vervolgens ook hier te lande ganschelijk vernietigd.
     De Saxers, Burgundiërs en Ripuariërs maakten in 481 een verdrag met de Romeinen, en werden na dien tijd door dezen niet meer als onder­danen, maar als bondgenooten aangemerkt.
     Omtrent dezen tijd hebben de Saxers en Friesen, onder geleide van hunnen koning Hengist, met drie schepen een overtogt gedaan naar Brittannie. Zij werden gevolgd van een groot leger van Anglen en Jutten, bemagtigden dat land bijna geheel, en verdreven vele der oude inwoners. De landen der Saxers, door derzelver uittogten gedeeltelijk ontvolkt, werden door de Friesen weder betrokken, en al het land benoor­den de Maas en den Rijn, tot aan de Lauwers en Elve, werd vervolgens Friesland genoemd.
     In 463 deden de Saxers, die, na den togt naar Brittannie, zeer magtig ter zee geworden waren, met hunne scheepsvloot, een, aanval op de kusten van Gallie, ten einde de West-Gothen tegen de Romeinen en Franken bijstand te verleenen; maar zulks mislukt zijnde, sloot Adovacer, koning, der Saxers, een verdrag met Childerik, koning der Franken, die hem eene aanzienlijke somme gelds beloofde: waarna hij met zijne vloot herwaards terugkeerde; maar in ‘t jaar 471 begaf zich Adovacer, wegens nieu­we verschillen, andermaal ter hulpe der West-Grothen, met een sterke vloot naar Gallie, en deed eene landing aan deLoire; koning Childe­rik, toen nog in verbond met de Romeinen, wendde middelerwijl zijne salische en romein-

|pag. 16|

sche benden naar de eilanden der Saxers. Zoo werden de lage en moerassige landen, welke de Nedersaxers en Friesen. Bewoonden, genoemd, omdat dezelve door vele meeren van een gescheiden, en aan gedurige overstroomingen bloot­gesteld zijnde, de hoogste streken tot eilanden vormden. Dezelve werden deerlijk verwoest, en de inwoners, welke zich poogden te verde­digen, gedood of gevangen genomen; de overi­gen moesten zich aan Childerik onderwerpen, en zijn toen aan de Franken weder cijnsbaar ge­worden.
     In 491 heeft Clovis, zoon van Childerik, het gebied der Franken in Gallie aanmerkelijk uitgebreid, en de magt der Romeinen aldaar geheel vernietigd. Hij verliet de heidensche Godsdienst, nam het christen geloof aan, maakte zich vervolgens nog van verscheiden bijgelegene lan­den meester, en bevestigde de heerschappij der Franken in Gallie. De Saxers en Friesen, welke langs den Rijn en den IJssel woonden, geraakten hierdoor ook onder zijn bewind; en hebben, nadat zij zich van de overheersching der Romeinen ontslagen en dikwijls tegen die der Franken had­den verzet, het juk echter langen tijd moeten dulden.
     In 554 stonden de Saxers, welke bij den Wezer en de Elve woonden, tegen de Franken op; doch werden door derzelver koning Clotaris overwonnen, die hun eene jaarlijksche schatting van 500 koeijen oplegde.
     In het volgend jaar weigerden zij daaraan te voldoen, en deden weder een inval in Frankrijk;

|pag. 17|

doch werden teruggedreven, en door de Franken hevig vervolgd; maar de Saxers, wanhopig ge­worden, vielen op nieuw de Franken aan, waar­onder zij eene vreesselijke slagting aanrigtten; zoodat Clotaris genoodzaakt werd vrede te maken, en af te trekken.
     In 572 hadden de Saxers een, heftigen krijg met de Sueven, die in hun land gevallen waren en 9 even woest en dapper als zij, stoutmoedig weigerden, hetzelve weder te ontruimen; maar de Saxers zwoeren, dat zij haar en baard zouden laten groeijen, tot dat zij zich daarover gewroken hadden; waarop verscheidene bloedige gevechten volgden, ten nadeele der Saxers, van welke er 20000 sneuvelden, hetwelk hunne magt zoodanig verzwakte, dat zij jaren lang niets vijandigs kon­den ondernemen.
     In 622 stonden de Saxers en Friesen, door hunnen koning Bertold aangevoerd, weder op tegen de Franken, en wilden zich van derzelver overheersching ontslaan, doch werden door Dagobert, die nevens zijn vader, Clotaris II, met een groot leger den Rijn was overgetrokken, bij den Wezer geslagen; hun land werd te vuur en te zwaard verwoest, alle weerbare manschap gedood, en de vrouwen en kinderen naar Frank­rijk gevoerd en als slaven verkocht.
     Dagobert heeft op dezen togt ook het slot Wiltenburg bij Utrecht ingenomen en de Friesen daaruit verdreven. Hij stichtte aldaar de eerste christen kerk of kapel, aan den H. Apostel Thomas gewijd, en onder zijne regering werd het christendom ook het eerst aan de bewoners

|pag. 18|

der landen langs den IJssel verkondigd; ‘t welk echter, wegens derzelver groote woestheid en ruwheid, van weinig vrucht was. De kerk te Utrecht werd ook weinige jaren daarna door de ongeloovigen wederom verwoest.
     In 631 werden de Saxers door Dagobert ontslagen van de jaarlljksche schatting van 500 koeijen, hun door Clotaris I opgelegd, mits zij de grenzen van het Frankisch gebied zouden beschermen tegen de vijandelijke invallen der Sclaven, en andere vreemde volken.
     In 638 overleed Dagobert, en werd opge­volgd door zijn zoon Sigebert, onder wiens regering de prediking van het Evangelie met kracht werd voortgezet. De fransche bisschop Eligius verkondigde hetzelve in Braband, Vlaanderen, en onder Friesen, Sueven, en andere volken, langs den zeekant woonachtig. De heidensche tempels en afgodsbeelden werden ver­nield , en de zeden der inwoners eenigzins verzacht en verbeterd, zoodat velen van dezen woesten landaard zijne leer omhelsden; doch na zijn dood verviel de meeste hoop weder tot de oude bijgeloovigheden.
     In 677 kwam bisschop Wilfrid uit Engeland en predikte het christen geloof onder de Friesen, met zulk eenen gewenschten uitslag, dat vele duizenden, waaronder de aanzienlijksten des volks, hetzelve aannamen, en gedoopt werden.
     In 687 werd dit heilzame werk door een, engelschen monnik, Wigbert genaamd, her­vat, die twee jaren het evangelie in Friesland verkondigde; doch koning Radboud volhardde

|pag. 19|

in zijn ongeloof, zoodat Wigbert zich genood­zaakt zag de prediking te staken, en het land weder te verlaten.
     In 690 kwam de heilige Wlllebrordus met nog elf engelsche geestelijken te Utrecht, waar de friesche koning Radboud toen weder zijn hof hield, maar ongenegen bleef de verkondiging der evangelieleer te begunstigen, zoodat Willebrord naar Frankrijk vertrok om van Pipijn, die als groothofmeester aldaar het bewind voer­de, ondersteuning te verwerven. Pipijn bragt een magtig leger op de been, om de Friesen en Saxers, die afvallig geworden waren, weder te beoorlogen, maar Radboud, die zich daartegen had gewapend, werd in eenen bloedigen, veldslag overwonnen, en de Friesen weder aan Frankrijk onderworpen, en cijnsbaar gemaakt
     Willebrord, door paus Sergius te Rome tot aartsbisschop over de Friesen ingewijd, keer­de in 695 herwaards terug, hervatte zijne predi­king, stichtte verscheidene kerken en poogde de heidensche afgoderij geheel uitteroeijen. Rad­boud verzette zich weder openlijk tegen de prediking, en trachtte dezelve in zijne landen met geweld te beletten; zijn afkeer en haat tegen de nieuwe leer en derzelver begunstigers, ging zoover, dat hij zelfs de grenzen van het frankisch gebied door gedurige onverhoedsche invallen verontrustte.
     In dit zelfde jaar werd een groot gedeelte van het uitgestrekte woud van ongenade door een verschrikkelijken storm uit het noordwesten ver­woest, en ook in andere bosschen vele boomen uit den grond gerukt

|pag. 20|

     In 697 werd er bij de vesting Dorestad of Duurstede aan den Rijn een hevig gevecht ge­leverd, waarin de Friesen de neerlaag kregen; zoodat Radboud naar de meeren en moerassen van Friesland de wijk moest nemen, en Utrecht door Pipijn werd ingenomen. Willebrord keerde daarop naar Utrecht terug, bouwde al­daar een bedehuis en hervatte de prediking, ondersteund door bisschop Zwitbert, die ook verscheiden kerken inwijdde, en onder de Bructeren, de oude inwoners van Overijssel, het evangelie verkondigde.
     Koning Pipijn overleed in 714 en werd door zijn, zoon Karel Martel, als groothofmeester van Frankrijk, in het bewind opgevolgd.
     In 716 werd Karel Martel door den Frieschen koning Radboud, die weder nieuwe vijandelijkheden begonnen, en zijn leger met schepen den Rijn opgevoerd had, bij Keulen aan­getast en op de vlugt gejaagd. Maar in het vol­gend jaar heeft Karel met nieuwe magt de Friesen weder verdreven, en eene volkomene overwinning op Radboud behaald, waardoor hij genoodzaakt werd zich te onderwerpen en de prediking toe te laten.
     In 719 begaf zich Bisschop Wolfram, en kort daarna ook Bonifacius, naar Friesland, welke beide geestelijken Willebrord verschei­dene jaren in de voortplanting der christelijke godsdienst, en de uitroeijing der heidensche af­goderij geholpen hebben; zoodat velen de evangelie-leer omhelsden, en zelfs Radboud bijna bewogen was geworden, om zich te laten doo-

|pag. 21|

pen; doch hij keerde tot zijne dwalingen terug, en stierf kort daarna.
     Poppo, de zoon van Radboud, volgde als Heer of Hertog zijn vader op in het bewind van Friesland. Hij had het christen geloof reeds aangenomen, en gaf nu volkomen vrijheid om het evangelie alom te verkondigen. Wi11ebrord zette zulks toen met ijver voort, sticht­te een klooster en eene kerk te Utrecht, en heeft den zetel van zijn bisdom toen ook al­daar gevestigd.
     In 722 werd Willebrord en de kerk van Utrecht door Karel Martel met aanzienlijke bezittingen, zoo van bosschen, landen, dorpen, als derzelver inwoners, benevens hunne have en vee, begiftigd, en daardoor den grond gelegd van deszelfs aanzien en vermogen, welke nader­hand zoo aanmerkelijk zijn aangegroeid.
     In 736 heeft Karel Martel, nadat hij de Saxers en andere tegen hem opgestane volkeren, beteugeld had, in Frankrijk eene magtige vloot doen uitrusten tegen de Friesen, die ook weder in opstand waren, om zich van de Frankische heerschappij te ontslaan. Hij landde in Fries­land en ontmoette eenen geduchten tegenstand, doch behaalde de overwinning; vele Friesen sneuvelden met hunnen koning Poppo, de vlugtenden werden door het gansche land vervolgd, hunne tempels omvergehaald en verbrand, de gewijde bosschen uitgeroeid, en de overgeblevene inwoners genoodzaakt, zich op nieuw aan Karel te onderwerpen; terwijl de magt der Friesche koningen geheel werd vernietigd.

|pag. 22|

     In 737 overleed Willebrord, eerste bisschop van Utrecht, en werd opgevolgd door Bonifacius, die ook vele jaren aan de bekeering der heidenen hier te lande gearbeid, en vele kerken gesticht heeft. In ‘t jaar 742 werd hij tot bisschop van Mentz benoemd, wijdde Gregorius tot bisschop van Utrecht, maar volhard­de evenwel in de verkondiging van het evangelie langs den IJssel, tot dat hij twaalf jaren later, (754) terwijl hij in Friesland dit heilzaam werk nog voortzette, in de nabijheid van Dokkum, door een hoop ongeloovige Friesen werd vermoord.

__________
Moulin, Evert (1839) Historische Kamper Kronijk 1e deel (2e druk). Kampen: Bij de erven Aegidius Valckenier

Category(s): Kampen
Tags: , , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *