De Heilige Steeg

[pag. 109]

 

DE HEILIGE STEEG.

______

I. 

In de straat der stad Kampen, die thans het Graafschap heet, stond in de veertiende eeuw een adellijk huis, dat het midden hield tusschen een burg en eene gewone behuizing, en hoog boven de rondom gelegen hutten van stroo en planken uitstekende, met verachting scheen neder te zien op die schamele verblijfplaatsen der geringere stadbewoners.
Op eenigen afstand van dat gebouw, even buiten de stad, op de plaats waar thans achter de zoogenaamde Heilige steeg eenige tuinen liggen, stond een nederig huisje op eene hoogte, die het tegen het zeewater moest beveiligen, achter digte vlierbosschen verscholen, alsof het zich schaamde voor de aanzienlijke stedelingen, die dikwijls over het voetpad, dat op eenigen afstand langs het huisje liep, zich naar de aangrenzende weiden begaven, waar hun rundvee in het welige gras overvloed van voedsel vond. Maar was dat hutje schamel en nederig en het dak bemost en graauw van ouderdom, het kleine erf dat het omringde was ordelijk en rein. Helder witte kippen wandelden rondom het huisje met haar trotschen sultan aan het hoofd; twee paar witte

[pag. 110]

duiven vlogen af en aan, een slanke ooijevaar zag uit zijn in een nabijgelegen boom gebouwd nest ernstig en majestueus, als een magtig beschermheer, op de kleine woning neder, en de frissche morgenwind droeg zijn klapperend wachterslied over naar de stad. Een stuk wel onderhouden tuingrond lag aan de westzijde; in de houten omtuining ontbrak geen paal en geen enkele vlecht; de kleine moesakkers stonden zonder onkruid, groen, frisch en welig; een vierkant vakje, met wilgen twijgen afgepaald, droeg een rozenstruik en een krans van eenvoudige bloemen, en een smalle bank daarnaast, onder den eenigen appelboom, duidde het lievelingsplekje der tuinierster aan.
De eerste straal van den dag lichtte over de huizen der stad. Een koele windtogt ging door de laauwe nachtlucht, en de waterleliën in de nabij gelegen poelen    bogen voor hem het hoofd. De ooijevaar schreedt van zijn nest en klapperde zijn weksein, en van binnen antwoordde hem het hanengekraai. Daar opende zich zacht de bovenste helft der kleine huisdeur, en VLAS-ELSKE stak het hoofdje naar buiten en zag uit naar het weer. Onbewolkt glanste de hemel in het oosten, helder en rein als het oog der jonkvrouw. Zij leunde met de ellebogen op de oude deur, vouwde de handen en sprak zacht haar morgengebed. Terwijl zij met den hemel spreekt is het ons vergund haar ongestoord te beschouwen.
ELSKE, in den omtrek VLAS-ELSKE genoemd, door de vrouwen, omdat zij het beste vlas wist te bereiden en de bekwaamste spinster was; door de jongelingen alzoo geheeten wegens haar zeldzaam witgeel haar, dat zacht als zijde, in weelderige vlechten nederhing, — ELSKEN was het kind eener weduwe, en de fortuin had weinig voor haar gedaan. Geene vruchtbare velden, geen stal vol vee was haar erfgoed; en toch zagen de rijkste burger- en boeren-zonen naar haar uit: want zij

[pag. 111]

gold voor het bevalligste meisje in den omtrek, en de sobere omgeving had door hare vlijt en orde eene aantrekkelijkheid verkregen, die menige rijker bezitting mistte. ELSKE was achttien jaren oud, en bloeide zoo rijk en schoon, dat, wie haar zag, den wensch niet onderdrukken kon, deze bloem in zijn levenshof te verplanten. Niet hoog reikte hare gestalte, maar zij was vol regelmatigheid en frischheid; in weerwil van velen arbeid — want zij bezorgde de kleine huishouding alleen — was zij lelieblank, en het liefelijkste morgenrood lag op hare wangen. Een groot hemelschblaauw oogenpaar, die vriendelijk en vertrouwend ieder aanblikten, een fijne ietwat ongewipte neus, die haar gelaat eene eigenaardige, blijmoedige, een weinig schalksche uitdrukking gaf, voltooiden eene schoonheid, die welligt een RAPHAËL of TITIAAN zich niet zou verwaardigd hebben te copieren, maar die VAN DIJKS natuurpenseel met geestdrift zou hebben afgemaald.
De deur opende zich geheel, zij trad naar buiten en hoenders en duiven vlogen hare verzorgster te gemoet, die uit een aarden schotel den regen van gouden korrels over haar uitgoot. Met het welgevallen des medegevoels zag zij op de vladderende dieren, nikte den ooijevaar toe, terwijl zij zich op de teenen verhief om over de omtuining te zien of men in de buurt nog niet was opgestaan. De omtrek was echter nog stil en ledig. Nu begaf zij zich naar het water, dat in de nabijheid van de weide stroomde, trad met de bloote voeten welgevallig in het koele vocht en wiesch zich hoofd en armen, de lange blonde vlechten terug werpende.
Juist stond zij druipnat gereed om het water te verlaten, toen eene zware basstem haar toeriep:
»Goê morgen, mijn wakker watervogeltje!’’
Met een uitroep van schrik, sprong ELSKE uit het water en staarde naar de zijde van waar die stem haar

[pag. 112]

in de ooren had geklonken; doch het water dat hare oogleden bevochtigde, belette haar naauwkeurig de gestalte te onderscheiden die zich op het voetpad vertoonde.
»Nu, ELSKE, kent gij mijne oude stem niet meer, dat gij daar staat als door een beroerte getroffen?’’ vroeg de basstem, half luimig; en het verschrokken meisje de oogen afdroogende, blikte naauwkeuriger naar het voetpad en diep adem halend zeide zij:
»Zijt gij het, heer oom? Gij verschrikt iemand ook zoo vroeg?’’
De man met de basstem was nu nader gekomen en ELSKE zag met klimmende verbazing, hoe hij eene zwaar beladen handkar met bonte pottewaren achter zich voorttrok, en rustig op hare kleine woning toetrad. De oom was een krachtvol, bruin man, met herkulische leden. Zijn kort, donker haar, hier en daar met graauw vermengd, kroezelde zich verward en woest om een geelbruin, sterk geteekend gelaat, dat door diep liggende, duistere oogen en dikke wenkbraauwen iets afschrikkends bekwam. De groote man droeg een graauw linnen hemd als de voerlieden, ligt blaauwe kousen met roode kniebanden en een grooten nedergeslagen vilten hoed, die zijn gelaat beschaduwde. Zoo als hij zijne handkar daarheen trok, ging hij, onder de gekruiste schouderriemen, als van ouderdom gebukt; doch toen hij, bij ELSKE gekomen, stilstond, rigtte hij zich hoog op en stond regt, in krachtige krijgshafte houding voor haar en zag haar ruw-vriendelijk aan. Met een hoofdknik reikte ELSKE hem de kleine hand; hij drukte ze forsch en sprak daarbij op een vreemden toon van luim en onwil: »Nogmaals goeden morgen, zusters dochter! Gods zegen betoont zich aan u, en de luiaards op hunne sloten, op hunne fluweelen kussens, kunnen van u en uwe roode wangen leeren, dat zure arbeid en magere kost als de

[pag. 113]

Heere God ze zegent en de borst zonder gewetenswroeging is, het ligchaam frisscher doen bloeijen dan hunne lekkernijen en wijnvaten. Maar verberg u voor de hooggeboren oogen, ELSKE. Had thans een slotheer van daar ginds op het voetpad gestaan, zijne giftige oogen hadden zwarte vlekken op uwen blanken hals gebrand, en oude geschiedenissen waren op nieuw aangevangen.’’
»Ik versta u niet, heer oom,’’ antwoordde ELSKE; »maar zeg mij vooraf hoe gij in dat graauwe kleed komt. De krijgersrok, dien gij anders altijd droegt, stond u veel fraaijer. Er is toch geen ongeluk mede gebeurd?’’ vroeg zij bezorgd.
»Gij meent zoo een weinig kermishouden, drinken en vechten,’’ antwoordde de groote man lagchend.
»Neen, ELSKE, daartoe is WOLF CLAESZ. te wijs geworden door schade en pijn. Laat den graauwen kiel met rust en bekommer u niet. Gisteren hadt gij mij geheel anders kunnen zien, op de Zwolsche kermis, als doctor BOMBASTUS met zijnen bonten hansworst. Doch daarvan later meer. De zon gaat dadelijk achter Wilsum op en ik moet eer het in den omtrek levendig wordt over de grenzen zijn, in het Geldersche. Is zuster STIENE al opgestaan, zoo roep haar hier.’’
»Moeder is weer heel ziek geworden, sedert gij niet hier waart,’’ antwoordde ELSKE treurig. »Zij heeft weder de booze plaag gehad. Den geheele nacht heeft zij niet geslapen; zij lijdt ook aan de oogen; deze zijn zoo rood als vuur en branden droog en pijnlijk. Tegen den morgen is zij ingeslapen, en ik wil haar niet gaarne storen.”
»O, gij gier daar in het gravenhuis!’’ bulderde WOLF met vreeselijke stem, zoodat het meisje verschrikt terug trad. »Uwe zonde moet deze mededragen tot aan het graf, alsof de Heere God niet meer leeft. Maar gij betaalt mij de tranen, die deze oogen rood brand-

[pag. 114]

dan; gij betaalt mij den schrik, die deze gezonde natuur met den vloek der bezetenen schandvlekte; gij betaalt mij alles, en met scherp krijt schrijf ik de schuld aan, al zou ook mijne ziel naar den duivel varen!’’
» Oom, oom riep het meisje wit. » Wat spreekt gij daar? God zij u genadig, hier en daar!’’
» Dat verstaat gij niet!’’ ging de oude hevig voort. » En blijf gij ook daarvan verwijderd, ver verwijderd.
Gij zult het vrome handje daaraan niet verbranden.’’ Hij krabbelde in zijne kar en zocht er pakjes en doosjes uit. » Daar, neem,’’ zeide hij, » geef de zalf aan uwe moeder voor de kwade oogen, en van deze poeders dagelijks drie, met water; ook dit vocht, om de krampachtige leden te wasschen. En daar is een buideltje met geld; neem daarvan zooveel als gij zult behoeven. En dit pakje moet gij zorgvuldig wegsluiten in het nootenboomen kastje, en verbergen tot ik het weer terug vraag. Morgen kom ik weder hier, tegen den nacht.’’
Hij wilde heen; doch ELSKE greep angstig zijnen arm en zeide:
» Ga niet heen, lieve oom, voor gij mij geantwoord hebt. Gij zijt een zoo braaf mensch, en doet ons zooveel goed, en bij moeders krankheid zou het ons zonder u kwalijk gegaan zijn, ook bij alle vlijt en spaarzaamheid. Daarbij weet gij alles, van de wereld en de menschen en verre landen, gij kunt lezen en schrijven, en kent zoo elk heelkruid, dat gij mij bij wijle als een wonderman voorkomt. Waarom verbergt gij u dan zoo altijd, en doet gij zoo geheimzinnig? Waarom komt gij slechts des nachts bij ons en in zulke verschillende kleeding? Waarom zijt gij zoo wild en woedend, als gij van den edelman spreekt, en van alles, wat in het gravenhuis woont? — Uit het pakje hier steekt een scharlaken rok en vele gouden tressen zitten er aan; en het buideltje is vol blanke schilden. O,

[pag. 115]

heer oom, gij gaat toch niet op booze wegen? O, dan wilde ik liever dat gij niet kwaamt onder ons dak; en ik wilde liever honger lijden, dan geld nemen, dat, de zaligheid uwer ziel kost.’’
» Dwaashoofdje, zeide WOLF lagchend, en tikte haar op de wangen,, » verontrust u niet. Voor mij is gezorgd. Ik ga op den weg van geregtigheid, al is het ook in den donkeren nacht. Eeden moet men houden, al zouden ze ook het zwaarste eischen, en wat ik doe, zwoer ik eens uwen vader, toen hij in het gravenhuis stierf in het hondenhok, op verrot stroo, bij de stinkende waterkruik; wat ik doe, zwoer ik de arme MARIA, toen zij in het krankenhnis tot God ging, die haar door den dood uit de klaauwen der menschen redde, welke haar doodelijk gewond en verscheurd hadden.”
» Die arme bloedvrienden!’’ zuchtte ELSKE. » Ik heb hen als kind beide gekend en moet nog altijd schreijen als gij of moeder STIENE daarvan spreekt.’’
» Schrei en bid gij, ELSKE,’’ sprak WOLF haar tot afscheid toeknikkende. » Gij zijt eene vrouw, en als vrouwen weenen en bidden, moet de man er op in slaan. Ik moet af breken, want de koeijen bulken in den stal van rooijen GOERT en de melkemmers rammelen. Groet moeder STIENE, en zeg haar: WOLF is wakker en des booswichts graf is gereed.’’
Hij ging met zijne handkar heen, snel en met groote schreden voortstappende. ELSKE zag hem eene wijle na, en bragt toen het toevertrouwde in de hut, liet een gevlekten geit uit den stal en hurkte neder bij het dier, dat haar met de baardige kin en knokkigen kop liefkoosde, — en begon het te melken.

______

[pag. 116]

II. 

ROOIJE GOERT.

In de nabij gelegen hoeve verhief zich boven de planken schutting, die tot omheining diende, een zeldzaam figuur, en zag met uitgerekten hals over de schutting. Rooije GOERT noemde men in de stad en den omtrek dezen mensch, met zijn door de pokken geschonden dierlijk gezigt, versierd met borstelig, rood haar, waarop eene graauwe wollen muts scheef was nedergezet.
Grinnekend zag hij naar het vriendelijke huisje van STIENE, en toen GOERT het nederige ELSKE naast het fijnharige dier bespeurde, vertrok zich zijn gezigt tot zulk een vriendelijken grijns, dat zijn groote mond bijna tot aan de ooren werd opgetrokken en zijn gelaat de afschuwelijkste uitdrukking van hartstogtelijkheid aannam.
» Nu, jongfer ELSKE riep hij met krassende stem — » de melk is regt vet en volop; ik zou u raden nog van daag de bruiloftskoeken te bakken, waarvan ik al lang watertand.’’
» Voor wie in de buurt?’’ vroeg de melkster snippig, nadat zij slechts met een enkelen snellen blik naar hem had opgezien.
» Voor wien? vraagt gij dat nog,’’ antwoordde de roodkop, en zette zich wat gemakkelijker op de schutting. » Voor wien anders dan voor u en mij. Ik heb al een geheel jaar uwe gunst gezocht. De hoeven liggen aan elkander en uwe koei en de mijne grazen in dezelfde weide....’’
» En daarom meent gij dat ook wij wel uit éénen schotel kunnen eten?’’ viel ELSKE in; » maar daarin vergist gij u zeer. Uw schotel is mij lang niet rein genoeg en gij moogt u ergens anders eene bruid uitzoeken.’’ Donkerrood werd het gezigt op de schutting.

[pag. 116]

» Nu, waarom schimpt gij weder?’’ vroeg hij met te zamen geknepen oogen. » GOERT meent het beter met u, dan die jonge windbuil, JOOST, uit het gravenhuis, die achter de paarden loopt en die niets heeft dan wat hem de jonker toewerpt, gelijk de broodkruimels aan de honden; en wist de hoogmoedige lijfknecht maar, hoe jonker HEYMAN haar naloopt, hij zoude zich schamen met haar om den meiboom te dansen.’’
ELSKE rigtte zich toornig op en had veel lust haren melkemmer den beleediger naar het hoofd te werpen; maar reeds had het toeval er eenen anderen wreker bij gebragt, en des rentmeesters lange spaanschrieten stok kwam onzacht op den rug van den roodharigen neder.
» Durft de schavuit den edelen heer te lasteren?’’ riep de rentmeester uit, immer toeslaande, » en de luiwammes heeft heden heerendienst en moest al lang met zijne ellendige ossenkar in Ysselmuden zijn, maar ik zal u met scorpioenen tuchtigen.’’
Hoogst komiek stond GOERT tegenover den gestrengen rentmeester. Zijn gelaat vertoonde de zeldzaamste trekkingen; zijne groote, ruwe handen wreven zijne schouders en zijne blikken waren als vastgetooverd op den blinkenden met zilveren knop versierden stok, die nu in rust werd gelaten. De rentmeester was een klein, dik mannetje, met vuurrooden neus en wangen; zijne korte beenen schenen zijn tonrond uitgedeid ligchaam naauwelijks te kunnen dragen. Een kleine met tressen bezette hoed, een bonte gestikte rok, met het wapen van zijnen heer, gaven den man in de oogen der gehoorige lieden te Ysselmuden en in den omtrek der stad, waar des vrijheers goederen lagen, een koninklijk aanzien, en hij was de jupiter in het dorp sedert de edelman aan eene slepende ziekte nederlag.
» Maar, heer rentmeester,’’ zeide GOERT, toen hij den stok in rust zag, » het ware regt: eerst onderzocht en dan gehangen.’’

[pag. 117]

» Wilt gij zwijgen, lummel,’’ riep de dikke man uit, zich het zweet afdroogende. » Hebben wij niet met eigen ooren uwe blasphemie gehoord? Dank mij voor de eer dat mijne hand zich verwaardigde u af te straffen. En nu niet verder geredeneerd, maar den trekos aangespannen. De edele heer heeft een bijzonderen ijver gekregen, om de kapel boven den grafkelder zijner hooge familie volbouwd te zien; daarom moeten al zijne lieden dubbel werk doen. Gij boerenvolk hebt geene tong gekregen om mede te spreken, maar armen om mede te werken; daarom niet geredeneerd. In dit deel van des heeren eigendom neemt gedurig allerlei gespuis zijn intrek. De beste paarden van den vrijheer vallen in den stal, zonder ziekte; de schuren branden af, zonder onweer, ofschoon ook niemand den luchter er in bragt; in den tuin wordt alles vertreden en vernield, niettegenstaande alle nachtwaken van den tuinier; de lievelingsvalk van den heer zijn de oogen blind geworden in de kooi, en de edele heer zelf teert uit, zonder dat de barbier de oorzaak der ziekte vermag te vinden. Hier staat de oude door den bliksem gespleten tooverboom en hollen des nachts de katten; hier in den omtrek woont het heksenvolk. Ziet gij daar bij het water den verkoolden paal, waaraan de oude LIESBET verbrandde? Dat kan u ook gebeuren, want gij ziet er juist uit als een satanskind.’’
» O, heilige NICOLAAS!’’ riep GOERT geheel ontsteld uit, » hoe kunt gij zoo spreken? Ik ben een goed christen, en als hier iemand is die tooveren kan, dan moet het de oude STIENE zijn: want zij heeft bloedige oogen en wordt van den boozen geest aangevallen, dat wij haar bij ons in bed kunnen hooren jammeren. Daar riekt men zwavelstank, daar wassen de appelen driemaal zoo groot als bij ons, daar geeft de geit zoo veel melk als bij ons de koe, en van waar het geld komt, en de goede kleeren, dat kan niemand begrij-

[pag. 119]

pen, als het niet een draak door den schoorsteen brengt.’’ Met een ijver, die hem zelden eigen was, maakte GOERT zijn voertuig gereed. De dikke rentmeester wierp op de schoone melkster een tevreden blik, waarin geen de minste toorn te lezen was, toen ging hij langzaam met de handen op den rug naar het gravenhuis. Rooije GOERT zag hem grijnzend na en balde de vuist. ELSKE echter, die alles gehoord had, vouwde de handen en bad: » Heer vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’’

______

III. 

DE KRANKE

RYPRANT, heer van Ysselmuden, had te Kampen eene woning, het Gravenhuis geheeten, waarvan wij reeds gewag maakten, en waar hij een gedeelte van het jaar zijn verblijf hield. Waarom dit huis dien naam droeg, is ons onbekend. Heer RYPRANT was geen graaf, maar slechts een vrijheer, en ook vóór deze woning in het bezit zijner voorouders kwam, droeg zij reeds dien naam. Zijn eigenlijk slot was echter te Ysselmuden, waar zijne bezittingen grootendeels lagen, daar hij aan de overzijde van den Yssel, nabij de stad, slechts de grondstreek met de hutten en bewoners bezat, waarmede wij reeds kennis maakten, en die even als de meeste bewoners van Ysselmuden tot des vrijheers » gehoorige lieden’’ behoorden en aan zijne souvereine magt waren onderworpen.
Het slot te Ysselmuden bestond in een wel onderhouden, ruim, gothisch gebouw, van kleine torens voorzien, en van een ringmuur omgeven, tot welks poort eene digte esschen allee door een lusttuin heen voerde, die door een sterk hekwerk omgeven was.

[pag. 120]

Luidruchtige vreugde, die dikwijls in een uitgelaten drinkgelag ontaardde, was eenmaal als te huis in het slot, want de vrijheer beminde de jagt, het spel en den beker, en rondom hem vormde de adel van den omtrek eene vereeniging, die dikwijls weken lang het slot als een gastvrij te huis aanzag. Maar sedert een jaar was alles op het slot op eene zeer merkwaardige wijze veranderd. Heer RYPRANT was ziekelijk, vol grillen en kwade luimen, die alle vrienden van hem verdreven; de keurigste malvezij, het fijnste wildbraad smaakte hem niet meer; ligchaam en geest schenen heimelijk te lijden; vuur brandde op de wangen, als de rozen der jeugd; maar de oogen zonken in, hol en spookachtig, het merg der beenderen verdroogde, en spoedig faalde het hem aan kracht om zijn strijdros te bestijgen en met boog en pijlkoker het bosch te doorkruizen; vermaken, die alleen zijn ruwen somberen zin tot hiertoe hadden bevredigd.
Vrouwe URSULA van Ysselmuden, eene voorname dame, naar de mode des tijds, leed oneindig bij deze verandering der vorige levenswijze van haren gemaal, want slechts als voorzitster aan de met kostbare gereedschappen bedekte tafel of den luistervollen kring van aanzienlijke vrouwen en jonkvrouwen, kon zij genoegen vinden; kranken-verpleegster in het eenzame slot te zijn, scheen haar een ondragelijk lot; en zij liet het bij jonker HEYMAN, hunnen eenigen twintigjarigen stamhouder, noch aan opwekking, noch aan geld ontbreken, opdat hij zich als plaatsvervanger des kranken vaders zou voordoen, en in den zijvleugel van het slot, dien hij alleen bewoonde, het oude leven, zoo als het in den omtrek met roem bekend was, weder zou opwekken. Jonker HEYMAN maakte het spreekwoord van appel en boom onwaar; hij beminde noch de wilde vreugde des vaders, noch de stijve gezelligheid der moeder. Gaarne beoefende hij het wa-

[pag. 121]

penspel; een arabisch ros, dat zijn vader hem geschonken had, was zijn lievelingsdier; hij ging met JOOST zijn lijfknecht, gaarne in het bosch op de vrolijke jagt. Maar hij zocht geen spel of drinkgelagen; hij martelde zijn ros niet in dolle wedrennen, of bij de gevaarlijke perforcejagt; hij schoot niet naar den zingenden leeuwerik of het schoone hert, dat om zijn jong bezorgd, zich aan het schot blootstelde; doch den vernielenden ever ving hij gaarne met sterke hand, en den roofzuchtigen WOLF vervolgde hij onvermoeid, gelijk zijne voorouders gedaan hadden, die een WOLFskop, met scherp gebit, in het wapenschild voerden. Beviel de edele vrouw den zachter gemoedsaard van den zoon des te meer, hoe minder dergelijks zij van haren gemaal gewoon was; won al de vrome eerbied, waarmede de jonker haar behandelde, dagelijks meer haar moederhart: zoo werd haar oudadelijke zin, juist wegens zijn milden aard, sedert maanden des te meer door eene vrees gekweld, die de snapachtige rentmeester en de vrouwelijke dienstboden van het slot haar aangejaagd hadden. Ook in het slot was de bevalligheid van VLAS-ELSKE wel bekend. De edele vrouw zelf ontmoette eenige malen de blonde maagd, toen deze de pacht aan het rentmeestershuis bragt, en ook zij had de vriendelijke bekoorlijkheid van het meisje regt laten wedervaren. Nu vernam zij, dat jonker HEYMAN, als hij aan de overzijde van den Yssel zich bevond, dikwijls de hut der oude STIENE opzocht; dat hij onder den appelboom het glas frissche melk niet versmaadde, dat ELSKE hem bereidde; zij hoorde, hoe de jouker verboden had, naar de wilde eenden te schieten, die in een poel nabij haar huisje nestelden, omdat VLASKE-ELSKE de bonte dieren liefhad en hare jongen voederde; in het geheim vertrouwde haar de oude, ijdele kamervrouw, eene soort van Duenna van het slot, dat des jonkers lijfknecht JOOST ’s avonds de hut van STIENE

[pag. 122]

dikwijls bezocht en waarschijnlijk de liefdebode des jonkers was. Listig, als zij was, waagde zij het niet, met den edelen stamhouder van haar huis daarover te twisten, want zij vreesde, dat alsdan de weerstreefde neiging te erger mogt klimmen; maar zij omgaf den jonker van spionnen, zij zond hem naar de huizen van naburige edelen, waar schoone jonkvrouwen waren, en zij sprak luide van zijne verbinding met eene schoone gravin, die zeer rijk en aan RYPRANT’S familie was verwant. De jonker hoorde kalm en rustig zijne moeder hare wenschen uitspreken, zijn gedrag bleef zich gelijk, en daar hij niets antwoordde, triomfeerde de oude dame en hare vrees nam dagelijks af.
De nacht brak aan en de smalle, lange en hooge gangen van het slot te Ysselmuden bevolkten zich met zeldzame schaduwgestalten, welke door het zwakke maanlicht en de beschilderde glazen van de spitse boogvensters geboren werden. Het lood der vensters zat niet al te vast; en zoo kwam het, dat door den wind, die de ruiten bewoog, ook die schaduwen zich bewogen, en de galerijen en trappen van het slot met voorover gebogen spookbeelden bevolkt schenen, die in de nachtelijke ledige stilte een gerucht maakten, dat alle slotdienaars met huivering vervulde.
Slechts in de kamer van heer RYPRANT, die in den regtervleugel lag, brandde licht en slechts hier was het levendig. De slotheer lag uitgestrekt op het ziekbed in booze, nijpende smarten. Zijne gestalte was tot eene geraamte verdroogd; de huid hing geel en stijf als die eener mumie, over de lange handen en op het ontvleeschte aangezigt, welks scherpe, eens schoone trekken, bij een adelaarsneus en groote ronde oogen onder zwarte haren, het geheele beeld des kranken nog schrikkelijker maakten. Koud zweet parelde op zijn voorhoofd, dat de edele vrouw met witte doeken

[pag. 123]

zorgvuldig zocht af te droogen, en aan het bed zat jonker HEYMAN, des vaders koude hand vasthoudende, die in angst en smart krampachtig de warme vingers des frisschen jongelings omklemde. Ter zijde, aan een tafeltje vol medicijnfleschjes, stond de dorpsbarbier en bevochtigde een verband.
» Waar blijft gij?’’ riep de slotheer met starren blik. » De nacht breekt aan, de vreeselijke nacht, met zijne vurige droomen en gestalten die niet wijken of men bidt of vloekt. Brengt licht, meer licht, dat ik de zon niet mis, die mijn eenige troost is.’’
» Geduld, edele heer,’’ smeekte de barbier. » Neem den omslag en de poedertjes; het zal helpen, met God zal het beter worden.’’
» Ga naar den d... met uwe kwakzalverijen!’’ riep de kranke hevig uit. » Gij hebt mij een jaar lang gekweld, NEPOMUK, en niets uitgerigt. Hij kan slechts helpen, hij, de wonderman. Hij kent mijne kwaal. Zoodra hij mij aanziet, varen er koortsen door mij, die de smart uitstooten, en zoodra ik zijn gezigt aanzie, dat mij op zonderlinge wijze vreeselijk eN aangenaam te gelijk is, dan vergeet ik de smart en mijn bloed wordt warm in de verstijfde aderen en dat geeft mij een droom, eene hoop van herleven en herbloeijen. Laat paarden zadelen, zend dienaars uit, dat zij hem zoeken door het geheele land. Hij wilde van daag wederkomen, van daag, en spoedig is het middernacht. Houdt mij dan niemand woord en belofte? Niemand, omdat ik eens — slechts eenmaal...’’
Hij verstomde en kromp in een gelijk eene slang, die zich wringt als een voet op haar treedt.
» Geef u zelven toch rust, mijn heer gemaal,’’ smeekte de edele vrouw. » Wie kan eenen mensch opzoeken, dien niemand in het slot kent, wiens woonplaats niemand weet, die als een landlooper van markt tot markt wandelt, en die, als hij zijnen buidel ge

[pag. 124]

vuld heeft, verder trekt. Hij zal een gewoon bedrieger zijn, en zich met uwe goudstukken hebben weggemaakt.’’
» Lastert niet!’’ antwoordde RYPRANT met holle stem, en rigtte zich plotseling op in het bed. » Hij is meer dan andere menschen, hij weet meer, en hoort welligt ieder woord van u, al is hij ook mijlen ver. Hij heeft mij dingen gezegd, half uitgesprokene gedachten, die ik wel verstond, daar zij de worm zijn, die aan mijn levensboom knaagt. Dingen heeft hij mij gezegd, die geen vreemde weten kan. Daarom kan hij alleen mij genezen, want hij kent de bron mijner krankheid. Maar hij verlaat mij, en zonder hem ben ik verloren.’’
» Mijn heer vader, ik wil Pluto laten zadelen, en niet eer terug keeren vóór ik uwen doctor gevonden heb,’’ viel jonker HEYMAN in en verliet dadelijk zijne zitplaats.
» Geenszins, mijn zoon;’’ beval URSULA. » De nacht is de vijand der menschen. Heksen en spookgespuis zweven dan over velden en wegen, en gij zijt den laatsten stam van ons huis. Wees rustig, heer gemaal, en troost u met Gods genade. Ik zal naar een geestelijk heer zenden, opdat hij u bijsta met heilige woorden.’’
» Geen monnikskap brengt mij troost!’’ riep de slotheer met woedende blikken, rukte den groenzijden slaapmantel van de schouders en de muts van het woeste haar. Als een veroordeelde zat hij regt overeind op het ziekbed, in zijn wit nachtgewaad, met de wijdgeopende oogen naar de hooge boogvensters gerigt. » Ziet!’’ brulde hij op heeschen toon. » Daar staat hij weer, uitgehongerd en tandenklapperend, en kijkt met honenden lach het venster in, omdat het mij bij volle schotels gaat als hem; hij klopt aan de ruiten en schudt zijne ketenen tot den doodendans. Licht aan de vensters, licht daarginds, opdat de dooden in den

[pag. 125]

nacht van het graf vlugten.’’ Hij zonk half onmagtig in de kussens, en URSULA zeide onwillig:
» Hoe kunt gij zulke dwaasheid spreken? Het is niets dan de kastanjeboom daar buiten, die door den wind wordt geschud.’’
Daar klopte men aan de deur, langzaam, tweemaal, zoodat allen huiverden, en met afgemeten schreden kwam WOLF binnen, en allen waren blijde of verbaasd, toen zij den met goud geborduurden scharlaken rok, en de ravenzwarte pruik zagen, waarmede de geheimzinnige esculaap binnentrad. Slechts de dorpsbarbier trok een ontevreden gezigt en mompelde iets van kwakzalver. WOLF trad met waardigheid naar den vertwijfelde, en sprak met gebaren en op een toon tot hem, waarbij het een raadsel bleef, of ernst of scherts, satyre of wrevel daarin heerschten.
» Schimp niet, vriend scheermes,’’ zeide hij, » maar scheer de boeren ijverig den baard, en leg een pleister op hunne hoenderoogen. Dat is uw arbeidsveld en gij vaart oogenschijnlijk wel daarbij. Ne sutor ultra crepidam zeide keizer Neronis lijfarts, en dat beteekent: aan den distel groeit geene annanas.’’
» Onze grond draagt goed koorn; distelen zijn er veel op de grensheide, van waar gij gekomen zijt,’’ antwoordde de kleine ronde dorpsbarbier scherp. » De krankheid van den edelen heer is eene verstopping; daarbij helpt geen latijnsche spreuk, maar goede salmoniak en graswortel.’’
» Wees bedaard, mannetje,’’ lachtte de doctor in den scharlakenrok, en schoof zijne paruik phlegmatiek teregt. » Ik heb het land der wijsheid, het wonderland Egypte gezien, heb in Italië gestudeerd en ben in Weenen geweest, terwijl de Turken daarvoor lagen. Daar leert men meer genezen dan gebroken boerenschedels, en de wonden van een biergevecht. Longe pessimum est, neque interdiu, neque noctu dormire, dat is: Wie

[pag. 126]

niet slaapt bij dag en nacht, dien heeft de booze geest in zijne magt. En elders zegt dezelfde philoaophus: Vita brevis, ars longa ! Occasio praeceps, judisium difficils! dat wil zeggen: Is ook die doctor dom, de doode blijft stom.’’
» Nu mijn overwijze esculaap,’’ schreeuwde de barbier in volle woede, » zoo breng hier genezing en drijf den vijand uit, gij met uwen hansworst en uw tinctuur voor alle kwalen, welke de boerenlieden de zakken volkomen zuiver purgeert. Uw leermeester, de lange HIPPOCRATES, moge gezegd hebben wat hij wil, iK zeg u daarentegen: al had gij ook den sultan de koorts verdreven, hier zullen uwe kunsten en goochelarijen u in den steek laten, zoowaar ik NEPOMUK heet, en een gedoopt christen ben, — EN redt gij door dergelijke goochelarijen den edelen heer, dan moogt gij mij levend van mijn huid ontdoen.’’
Toen wierp hij den witten linnen omslag en de kom met verzachtend water den roodrok voor de voeten, maar trof de lange ooren van een zwartgevlekten hond. Nijdig vloog de hond den driftige naar de beenen; de edele vrouw, vertoornd over het oneerbiedige van zulk een ongehoord gedrag, rees woedend op, de kranke greep naar eene in zijn bed hangende zweep; en zoo plotseling van alle zijden bedreigd, vloog de rampzalige dorparts, als van een storm gedreven, niettegenstaande zijne kogelvormige gestalte, de deur uit.
» Reken ons niet toe, wat de vastenavondgek gebabbeld heeft,’’ zeide nu de edele heer, met zooveel vrolijkheid in den blik, als nog in   hem was, en met eerbied naar WOLF opziende; »gij liet lang op u wachten.
O, wisten de doctoren, hoe de kranke de oogenblikken telt voor de tred des helpers zich hooren laat, zij konden hun godsloon nog verdubbelen. De mijnen twijfelden aan uwe terugkomst.’’
» Twijfel is verderfelijk,’’ antwoordde de roodrok,

[pag. 127]

terwijl hij zich ernstig en plegtig aan het bed nederzette, en de hand des lijdenden nam. Gij behoeft mij niets te vertellen, uw bloed zegt mij alles. De pillen zijn genomen; gij hebt een uur, twee uren geslapen, maar de slaap heeft u niet verkwikt, angst en droomen vergezellen hem.’’
» O, afgrijselijke droomen,’’ steunde heer RYPRANT. » Nu zweet gij koud en kwalijk,’’ ging de doctor rustig voort; » de smarten folteren meer, om het lijf ligt het vast en bekneld als een ketting, de leden zijn als met touwen zamengetrokken en de gewrichten als verlamd; gij hebt honger en kunt toch niets naar binnen brengen. Uw toestand gelijkt naar dien eens gevangenen, dien de grimmigheid van een tyran in ketenen bond, en dien de boosheid des kerkermeesters den verschrikkelijken hongerdood offert. Doch zoo iets kent men slechts in de gloeijende landen van het zuiden, bij Turken en barbaren, in uwe kelders is nimmer zulk een gevangene gestorven?’’
Met starren blik, als een waanzinnige, zag RYPRANT den vrager aan.
» Zijt gij des satans broeder of een wraakengel des hemels?’’ zeide de slotheer op half luiden toon en sidderde. » Zijn deze smarten WENDERS ketenen en kerkerkost, dien hij mij toezend uit zijn graf aan den kruisweg?’’
Een vreemde gloed vloog als eene vuurwolk snel over WOLFS gelaat, van het voorhoofd tot de kin, doch dadelijk verdween hij weder, en de vorige rustige kalmte zetelde weer in zijne trekken.
» Gij rilt koortsachtig, heer,’’ zeide hij koel. » Uwe krankheid gaat niet van het ligchaam uit, zoo als de heer baardschraper meende, maar in de ziel heeft het kwaad wortel geschoten, en eer daar het gif is uitgedreven zult gij nimmer gezond worden.’’
» Dan ben ik dood, begraven, verteerd!’’ raasde

[pag. 128]

de slotheer. » Wie kan de ziel uitvegen? Wie kan de hersenen teregt zetten!’’ Hij sloeg zich hevig tegen het voorhoofd. » Vergeten, dat vergeten, dat is de kunst, die geen geleerde leert, de wonderkunst, die geen wonderdocter ontdekt heeft voor kranke zielen. Kunt gij uwe zalven door dezen harden schedel drijven, om de gedachten te dooden? Of zit gij daar slechts als een spotter of als een booze geest, die zich bij den oude gevoegd heeft om mij nog meer te pijnigen? Voort! voort uit mijn huis, als gij het ligchaam niet helpen kunt! Om de ziel heeft zich niemand te bekommeren. Zal niet, als wij sterven, de geest vervliegen, gelijk de spiritus uit eene flesch, als men er den stop aftrekt.’’
» Denkt gij zoo, heer?’’ vroeg de roodrok scherp. » De priesters en de goede menschen denken anders. Zij zeggen: daar zal de geest eerst vrij worden, als de band des aardschen ligchaams hem niet meer bindt. Het is waar, menigeen zou dit anders wenschen. Die de onschnld verdierf, die moord laadde op zijne ziel, die zal zich dan de uitkomst van zijn zondenleven duidelijk voorrekenen, en de herinnering zal het nog duidelijker verhalen, dan hier, waar het met wijn gevulde ligchaam tegelijk de ziel bedwelmt, en in zijnen roes medesleept; de vloek van de mishandelden en ongelukkigen moet daar luider klinken, dewijl hij niet meer den langen weg van het oor tot de ziel behoeft af te leggen. Ja, ja, menigeen konde zoo iets zeer ongelegen komen.’’
» Neen! neen! neen!’’ krijste de kranke, en sloeg met de vuist tegen den wand. » Het moet hier gedaan zijn. Mijne gegrendelde en gesloten kapel, mijne ijzeren grafpoort zal niets in- noch uitlaten. Gij zijt een wijze man, gij gelooft dat ook, gij moet dat ook gelooven, want slechts zotten droomen van opstanding uit het stof. Zeg, dat gij gelooft als ik, en ik vraag

[pag. 129]

niet verder naar uwe wonderpillen en slaapdranken.’’
WOLF haalde de schouders op. Plotseling ontstond er alarm in huis, en men hoorde door de gangen loopen. RYPRANT rigtte zich ijlings op in het bed, en met de paarlen van het angstzweet op de lippen en op het kale groote voorhoofd, riep hij:
» Helpt! helpt! Grijpt lans en boog! luidt de klok! Het zijn de wrekers. De vrijbuiters vallen over de Geldersche grenzen in het land. Het rooversgebroed breekt in het dorp. Roept uit alle vensteren! Het uur des gerigts is gekomen! gekomen!’’ — Afgemat leunde hij het hoofd tegen het bonte wandtapijt, waar de vurige engel was ingestikt, zoo als hij de eerste zondaars uit het paradijs verdreef, en juist boven des slotheers hoofd zijn vlammend zwaard uitstrekte.
Geene roovers, geene krijgers stormden in het ziekevertrek, maar het geheele dienstpersoneel van het slot drong onder verward rumoer binnen; jager en staljongens, portier en kamermeisjes, tuinman en bouwmeester, looper en kok; maar al deze schreeuwenden werden overschreeuwd door de keukenmeid, die doodsbleek met verdraaide oogen rondliep, de handen wrong boven het hoofd en eene onmagt nabij scheen, maar zich zelve telkens weder in het leven terug jammerde. Verbijsterd staarde het gezelschap in de kamer de binnendringende wilde bende aan, zonder iets van het voorgevallene te kunnen begrijpen, daar allen spraken, en ieder vertelde, tot de lange, dorre kok met zijne lange armen zich plaats maakte, met snijdende stem stilte gebood, daar hij zelf bij het voorval was tegenwoordig geweest, en zijn eerbiedwaardige persoon, wiens gewigt door den goedkeurenden wenk van de edele vrouw nog grooter werd, de dienaren terugdrong en tot zwijgen bragt.
Breedvoerig en met allerlei bijzonderheden verhaalde de lange man, hoe hij met den keldermeester van daag

[pag. 130]

nog laat in den wijnkelder was bezig geweest, om den lievelingswijn van den heer op te steken en over te tappen. Toen de arbeid geëindigd was, had de keldermeester JACOB het kleine vaatje hippocras, waaruit de edele heer dagelijks zijnen morgendronk had genomen, teregt getrokken, was daar naast geknield, om een nieuwen stroowisch onder het vat te schuiven, en had tot hem gezegd: » dat is een kostbare drank uit het vreemde land, en toch zoude ik niet eens het minste, daarvan willen proeven, want, de dief drinkt zich de straf tegelijk naar binnen.’’
De kok was verbaasd geweest over zulk een wonderlijk gezegde, en antwoordde: » hoe meent gij dat, JACOB? Hebt gij welligt bij het proberen van den wijn te veel genomen, en maakt dat uw hoofd te zwaar?’’ Naauwelijks had, de kok zijne vraag gedaan, toen in hunne nabijheid een balk brak, en eer de ongelukkige JACOB kon voortkomen, was een, reusachtig wijnvat ter zijde over hem gerold, en kwetste hem op vreeslijke wijze lijf en borst. De kok riep om hulp, en al de dienstboden kwamen den kelder binnen stormen, en met hen de dorpsbarbier, die juist gereed had gestaan het slot te verlaten. Het vat werd van den gekwetste weggenomen, maar aan zijne redding was niet meer te denken. Met rollende oogen hoorde hij het oordeel van het geneeskundig dorpsorakel.
» Dat is Gods hand,’’ steunde hij in doodstrijd. » waar de mensch zondigt, daar wordt hij gerigt. O, gij gevloekte verleider en uw judasgeld! Kameraden, werpt dit vaatje in den diepsten kolk, want elke droppel is de dood.’’
Zijne stem brak, en stuiptrekkingen verwrongen zijne leden. » Zegt den heer,’’ rogchelde hij: » de rattenvanger, die den vorigen Meidag het slot doorzocht, heeft zijn handwerk verstaan. God zij alle zondaars genadig! — Geeft het geld in mijne kist aande

[pag. 131]

kerk! Bidt voor mijne ziel. Gif! gif! niets kan heer RYPRANT redden. O, WOLF, WOLF en de satan!’’ Met dezen uitroep, die akelig door den kelder galmde, had hij den adem uitgeblazen.
» WOLF!’’ riep heer RYPRANT, en was nog bleeker dan te voren. » WOLF en gif! ja dat is zijne wraak, laat, maar vreeselijk. Zoo leeft hij dan nog en al mijne schranderheid was vergeefs. Gij helsche JACOB, waart gij in leven gebleven, de pijnkamer zoude met u te doen hebben gekregen, en in siedenden olie zoude ik u laten sissen.’’
» De booze heeft hem al, en zal hem reeds braden,’’ troostte de kok.
» Hij was onbegrijpelijk en duister, als zijn kelder,’’ begeerde de keukenmeid.
» Eene blaauwe vlam vloog het venster uit, toen hij stierf,’’ zeide de koetsier.
» En alle katten in het slot lolden, als had de staljongen haar klemmen op den staart gezet,’’ verzekerde eene kamervrouw.
» Een groote uil vloog over den hof,’’ sprak eene dienstmaagd.
» Het rook ook naar zwavel,’’ voegde de tuinman er ernstig bij.
» Ach, en zonder sacrament is de arme Jacob gestorven;’’ klaagde eene andere dienstmaagd.
» Betreur den dood van een betere!’’ viel de kok haar in de reden. » Heeft JACOB zijnen heer verraden, dan breek ik het kameraadschap met hem af; dan zal hij zijn waar JUDAS is, en zijn poeder zal den gifmenger tot den jongsten dag zijne eigene ingewanden verteren.’’
De slotheer gaf een smartelijken schreeuw, en riep den docter; vrouw URSULA verdreef toornig het onrustig dienstpersoneel uit de kamer. Toen men echter naar den man in den scharlakenrok omzag, was deze verdwenen en nergens te vinden.

[pag. 132]

IV.

JOOST.

In de nederige hut van STIENE, zat in denzelfden laten avond, VLAS-ELSKE nog vlijtig aan het spinrad. In een bont jakje en korten zwarten rok, zat zij op een houten bankje; de bloote voet hield het rad in beweging, een zwarte kat liep om haar heen, en snorde wedijverend met het spinnenwiel. Aan een standaard hing een ijzeren lamp, en verspreidde een mat licht door het vertrek. ELSKE zeide luide een gebed op, en de kranke STIENE in het bed sprak zacht de woorden na. Buiten waaide het sterk en toen haar gebed geëindigd was, luisterde ELSKE nu en dan tegen de vensterruiten, het spinrad stilhoudende, naar de stormvlagen, en bezorgdheid bewolkte somwijlen haar gelaat. Daar hield een ros voor de deur stil, en hinnikte luid, en verheugd rees het meisje op van haren zetel.
» Hoort gij, moeder, dat hij woord houdt, en niet gelijk anderen bij biergelagen den nacht doorbrengt?’’ zeide zij haastig. » O, JOOST is de beste jongman in het land, ik houd veel van hem.’’
» En JOOST zal het vergelden!’’ riep de stem van den rijknecht in de deur. » En hij zal zijn ELSKE op de handen dragen, zijn leven langen met een vrolijk gelaat omhelsde hij de schoone spinster.
» Op de handen dragen!’’ morde de oude vrouw in het bed. » Ik geloof wel, dat hij goed genoeg daartoe is, maar de handen zijn leeg.’’
» Moeder, spreek daarvan niet!’’ smeekte ELSKE. » Wij zijn beiden jong, en het oog Gods waakt ook over ons huisje. Bedenk maar, hoe het ons ging, toen gij krank wierd, en de rentmeester ons wilde uitzetten. Gij zoudt in het krankenhuis, en ik als dienstmaagd

[pag. 133]

bij hem komen. Toen kwam de oom, die wij meenden dat dood was, uit verren lande terug, en hij hielp ons, en als gij niet zoo ziek waart, konden wij nog goede dagen hebben.’’
» En juist de oom kan u wel in den weg zijn,’’ antwoordde de moeder. » Wil hij ons niet met zich nemen naar Gulikerland, zoodra zijne bezigheden hier ten einde zijn? En zal hem zulk een reisgezel, die slechts helpt verteren, wat hij met moeite in verre landen verdiende, welkom zijn?’’
» Oom is somber en grillig,’’ hernam het meisje moedig, » maar hij heeft mij lief, en de eerste maal dat hij bij ons komt, zeg ik hem alles, en dan zult gij zien, dat hij het mij niet afslaat.’’
» Maar wie is dan die oom, en waarom zag ik hem niet?’’ vroeg de rijknecht.
» O, dat is een groot, voornaam man,’’ antwoordde ELSKE veelbeduidend. » Hij weet alles en kan alles, en heeft geld en schoone dingen, en is de geheele wereld door geweest, en kan histories vertellen, dat iemand de haren te berge rijzen, en geen slaap in de oogen komt, al was het middernacht. Hij woont in Gulikerland, en trekt somwijlen als krijgsman op; maar dikwijls komt hij hier door reizen, en dan heeft hij altijd iets voor moeder en mij ten beste.’’
» Maar ELSKE,’’ hernam JOOST, » gij moet mij nog eene gebeurtenis vertellen, zoo als gij mij belooft hebt. De laatste maal dat ik hier was joeg de haast mij de deur uit, vóór dat gij daar mede begonnen waart, en nu brand ik van nieuwsgierigheid.’’
Hij zette zich vertrouwelijk op een bankje aan ELSKE’S zijde.
» Ik droomde,’’ zeide ELSKE, » dat het Zaturdagavond was, en ik met de eijermand de stad verlaten zou: niemand had ze mij willen afkoopen. Bitter weenend ging ik langs de St. Nicolaaskerk, die openstond, en

[pag. 134]

welke ik binnentrad. Daar zag ik mijne moeder geknield voor het altaar liggen. Plotseling schoten heldere vlammen door de kerk, en stoelen en banken begonnen te beven. Ik wilde vlugten, maar mijne voeten waren als vastgeworteld. Mijne moeder zag ik nu in rook gehuld, en de pilaren en wanden vielen dreunend neder, en alles stortte in elkander. Toen ontwaakte ik in de hevigste benaauwdheid.’’
» Maak u maar niet bezorgd,’’ troostte JOOST blijmoedig; » dat geeft zeker een feest, want helder vuur beteekent vreugde en geluk. Het zal onze bruiloft zijn, en is dat niet een droom waard, ELSKE?’’
» Juicht maar, onzinnige kinderen,’’ zeide STIENE ontevreden, zich in het bed omkeerende, » de moeder mag jammerend omkomen. Denkt gij niet aan de invallende pilaren en muren?’’
» Ook doodsgevaar beteekent vreugde en feestvieren!’’ hernam JOOST vrolijk. » En ziet gij, moeder, het beste kleed in het land koop ik voor u, en gij zit dan tusschen bruid en bruidegom. Luid er dan maar vrolijk op los, gij oude klokketrekker, en vergeet uwe bierkruik. Eerwaardige priester, doe haastig de stool aan, en gij, lange koster, versnel uwe schreden wat; te voorschijn met het zwarte boek: het is bruiloft, de gasten wachten en de bruidegom is ongeduldig!’’
» Dan zal men het staljakje het geduld met de zweep moeten inkloppen!’’ sprak eene diepe basstem in de kamerdeur, en de jonge lieden sprongen verschrikt op, want WOLF stond achter hen en zag grimmig uit de zwarte pruik op de beminnenden.
» Het is JOOST, heer oom!’’ zeide het meisje zacht, liet het hoofd zinken en stond sidderend voor hem.
» Is dat JOOST!’’ spotte de oom, en trok den rooden rok uit. » Is dat JOOST, van wien der jongfers hart en mond overloopt, die zoo eerlijk is en vroom en goed, en de moeder menige hartsterking heeft gebragt?

[pag. 135]

Nu, hij is een goede rekenmeester, die de eene hartsterking voor de andere ruilt, maar een ligtzinnige knaap daarbij, daar hij reeds aan bruiloft houden denkt, vóór hij een tafel of bed bezit. Ik ken den knaap wel, hij is een vondeling, die niets bezit dan zijn fraai buis en hertslederen broek, en welligt hoopt op den dood des ooms, om van het begravenismaal de bruiloftgasten en speelnooten te kunnen onthalen.’’
» Dat is de heer oom?’’ stamelde JOOST; » de heer doctor op het slot?’’
» De doctor bij den edelen heer?’’ stamelde ELSKE.
Zeg, lieve oom, wat is daarvan toch eigenlijk?’’
» Het is uit met het docteren,’’ sprak WOLF somber, terwijl hij een bruin krijgsmanskleed van eene plank te voorschijn haalde, benevens hoed en boog en zwaard, en op de tafel uitspreidde om het af te poetsen. » Ga nu naar het slot, gij jonkersknecht, en laat het u daar vertellen. De keldermeester JACOB heeft heer RYPRANT een poeder in den wijn gemengd, en de hooggeboren zondaar moet daarom sterven als eene rat. En als de edele heer nu naar den biechtvader roept, zoo groet hem van mij vol eerbied, geef hem dit geschrift en zeg hem daarbij, dat zijn doctor over de grenzen is gereden en WOLF heeft geheeten.’’ » WOLF! WOLF! wat hebt gij gedaan!’’ riep de oude in het bed. » Is dat de voldoening die gij mij beloofd hebt? Hebt gij dan uwe ziel vergeten, en het toekomend gerigt, gij wild, teugeloos mensch?’’
» Denk aan uwe eigene ziel, zuster STIENE,’’ bromde WOLF met vonkelende blikken. » Wat ik gezworen heb, is gehouden, het moge gaan zoo als het wil. Zoo heeft WOLF het altijd gedaan. Als ik met het zwaard of de lans vooraan was, moest ik vooruit, al had ook mijn beste kameraad voor het ros gelegen. Gij echter, STIENS, moogt voor uwe eigene ziel zorgen,

[pag. 136]

want koppelen is ook eene zonde, en de arme MARIA is aan koppelgif gestorven.’’
» O, gij gruwelijk mensch!’’ jammerde de kranke. » Alles, vertreedt gij, zuster en kind, als gij maar bloed hebt voor bloed.’’
» Slag voor slag! wonde voor wonde!’’ riep WOLF uit. » Zoo hield men het in ouden tijd, en de oude tijd was een goede tijd, — dat is menschenregt.’’
Angstig hadden beide jongelieden het zonderlinge gesprek aangehoord. Eensklaps ijlde ELSKE verschrikt naar het venster en stiet het open. » Heilige MARIA! ziet dien gloed daar!’’ riep zij uit. » En hoort gij? reeds is de noodhoren te vernemen, en de klok wordt geluid.’’
» Dat is brand en groote nood!’’ sprak JOOST haastig. » Daar is het, juist over de poort aan de overzijde van den Yssel. Als ik mij niet vergis, dan brandt het rentmeestershuis aan alle hoeken. Nu moet ik voort naar het slot.’’
» Ga, JOOST,’’ zeide WOLF. » Ieder moet zijn pligt doen, en vast staan op zijn post, al is het ook een slechte post in het moeras en onder het schot van den vijand. Wees trouw en eerlijk, en vertel niet dat gij mij hier hebt gevonden, als gij uwen zondigen heer mijnen groet overbrengt.’’
JOOST en ELSKE ijlden naar buiten, waar reeds het rumoer, van de stad zich liet hooren, waar allen zich op de straten bevonden. WOLF had zich intusschen in een krijgsman herschapen, drukte de weenende zuster ruw de hand, en sprak bij het afscheid:
» Laat dat weenen, STIENE. Ik heb afgerekend zoo als het mijn pligt was, en WENDER en de arme MARIA kunnen nu rust hebben in het graf. Moge het er nu op los gaan in het veld, en de eerste pijl mij door de borst varen: mijn dagwerk is gedaan, en mijn testament ligt in goede handen gereed en zorgt voor u.’’

[pag. 137]

Nu gordde hij het zwaard aan, ging naar buiten, onverschrokken en onbekommerd om het ongeluk in het dorp, en sloeg in den donkeren nacht den weg in naar Hattem.

______

V. 

DE BRAND.

JOOST had juist gezien. Het rentmeestershuis stond in volle vlam, en aan drie zijden te gelijk was het vuur uitgebroken. Een vreeselijk schoon gezigt was het zoo als het vuur opvlamde tegen den zwartblaauwen nachthemel, en zoo als de dikke rookwolken opgedreven werden, door elkander warrelden, zich vereenigden en de sterren omhulden. De kerktoren, door de vlam verlicht, verhief zich in de duisternis als een brandende fakkel. Uit het nabijgelegen eikenbosch ruischte het dof en somber, als eene morrende verwondering der natuur over de storing van haar nachtfeest, en groote roofvogels schoten krijschend op uit de boomtoppen en trokken in de hooge lucht eenen kring rondom de vuurplaats.
Zoo vreeselijk verheven, zoo indrukwekkend schoon de aanblik uit de verte was, gelijk hem WOLF, als hij stil stond en achter zich om zag, aanschouwde, zoo akelig en schrikverwekkend was de aanblik in de nabijheid, gelijk JOOST hem zag, die zich onder de helpers mengde. Al die purperlichten en vuurzuilen losten zich in de nabijheid op in knetterende, brandende daken, waaruit met eiken windtogt brandende stroogarven opvlogen, verderfdreigend als de roode haan van het krijgsvolk; of waaruit eene vlammende spekzijde opschoot en in een boog over het dorp vloog als een gloeijende bom. Het dorre tuinwerk en de drooge

[pag. 138]

hekken brandden vliegend voort. Van de stijlen en pilaren van het gebouw rukten zich roode kolen los en de krakende wanden waggelden op hunne grondvesten. De stukken springend vensterglas rinkelde daar tusschen; het verstikkende vee loeide jammerlijk in de stallen, of liep, losgelaten, als van woede aangegrepen en met gebrul de donkere velden op; de mannen riepen elkander toe met korte, aanmoedigende woorden en liepen dooreen met emmers, haken en ladders; de brandklok galmde nog altijd over het dorp, de sombere toonen van den horen op den slottoren drongen als spookgeroep door den donkeren nacht, en over de geheele verwarring lag een dik rooktapijt drukkend en zwaar, en benaauwde de borst der beangstigde menschen, die het woeste element uit den gerusten slaap had gewekt; dat als met grimmigen spot al hunne kracht te niet deed, als wilde het toonen, dat de elementen der natuur magtiger zijn, dan menschenverstand, en dat de trotsche wijsheid zich voor hen buigen moet.
Twee zonderlinge figuren renden en sprongen als bezetenen om het rentmeestershuis rond, zoodat zij zoowel verbazing als onwil verwekten. De een was de rentmeester zelf, die als een razende schreeuwde en de tegenstrijdigste bevelen gaf. De dikke heer zag er werkelijk zeer vreemd uit. Hij droeg over zijn ondergoed een lang geborduurd wambuis; om het hoofd was een bonte doek geknoopt, en met de bloote beenen, geleek hij op een Arabischen scheik of Beduïnen-vorst, die zijne horde tot den kamp wil aanvoeren. In de regterhand zwaaide hij een zwaard, dat altijd bij zijn bed had gehangen, als wapen tegen inbrekende roovers; in de linker echter rustte vast aan het hart een lederen geldzak, die elken nacht onder zijn hoofdkussen had gelegen. Eerst had de verbijsterde, alles wat hem voor de hand kwam, zelfs schotels en borden, de redders uit de vensters toegeworpen en

[pag. 139]

droeg daarentegen de ijzeren gereedschappen voorzigtig naar buiten; nu beval hij de honden los te laten, om de geredde zaken tegen dieven te beschermen, en smeekte om meer volk uit de stad te halen; jammerend riep hij dan om zijne perkamenten en zilveren schotels, en dadelijk daarop liep hij met zijn zwaard tusschen de reijen, schold de boeren uit voor luijaards en schelmen, en gaf de jongelieden slagen met het vlak van zijn zwaard, zoodat zij onwillig emmers en ladders in den steek lieten.
Aan de andere zijde van het huis stoorde een tweede karikatuur de orde op even dolle wijze. Het was een waanzinnige bedeljongen, onder den naam tan gekke KLAAS bekend, een zestienjarige knaap, met een misvormd ligchaam en lang spits hoofd; dat scheef op het dorre ligchaam gedragen werd. De knaap leefde in den omtrek van aalmoezen der goedhartigen, sliep ’s winters in schuren en stallen, ’s zomers in het open veld of in het bosch, waar een koornschoof of hooiopper hem bescherming en leger aanbood, en zijne eenige bezigheid was zwavelstokken te verkoopen, welke hij de lieden voor melk en brood of een stuk vleesch uit zijnen bedelzak toetelde. Deze gekke KLAAS danste nu zoo uitgelaten, als hem voorheen niemand gezien had, om het huis, wierp zijn muts vol gaten en zijn bedelzak hoog in de lucht, en schreeuwde met krijschende stem luide jubelwoorden tegen het vuur.
» Hoera! speel op de vedel! Bruiloft bij HARMEN’S grietje!’’ schreeuwde hij. » Hoera! den armen KLAAS ook een beker bier en een goed stuk tarwebrood! Is ’t niet mooi, het paaschvuur? Maar wie kan het ook als ik? Ik heb er een gemaakt zoo als het nog niemand heeft gedaan! Dankt gekke KLAAS er voor. Hij heeft het gedaan. Geeft ieder hem een penning. Hoera, gekke KLAAS en zijn goede vriend rooije GOERT! Het mooije paaschvuur, dat KLAAS heeft aangestoken!’’

[pag. 140]

De boeren sloegen in hun reddingsijver niet veel acht op den verstandelooze, dien allen kenden, en hij werd overal afgewezen met oorvijgen, die hem echter niet belett’en zijne kattensprongen en uilenlied weer van voren aan te beginnen. Eindelijk ontmoetten de beide nachtgestalten elkander, de waanzinnige van natuur  en de waanzinnige van schrik, en staarden elkander aan. Toen verhief zich de lust en luim van den knaap op nieuw, gelijk eene nieuwe vuurgarf door een nog onbeschadigd dak omhoog schoot. Gekke KLAAS greep, hoed en bedelzak wegwerpende, met beide handen de armen des rentmeesters, en trok hem met zich rond in den danskring zijner vrolijke razernij.
» Bruiloft!’’ schreeuwde hij. » Hebt gij den gouden rok aangedaan? Hij staat u goed. Geeft mij er ook een! Heisa! mijn paaschvuur. Ik heb het aangestoken! Gekke KLAAS heeft het alleen gedaan!’’
Daar ging het den rentmeester als ijs door de leden, en zelfs zijne bolle wangen werden kalkwit. Zijne wankelende voeten werden plotseling als vastgeworteld, geweldig greep hij den waanzinnigen knaap, schudde zijne schouders en vroeg met starren blik:
» Wat spreekt gij booswicht? Gij hebt het aangestoken?’’
De waanzin des knaaps scheen door de plotselinge hevigheid zijns mededansers een weinig te bedaren: hij streek met zijne hand de kin des wederstrevenden, en zeide eerlijk en goedhartig:
» Vadertje, zorg toch dat de anderen mijn bier niet voor den neus wegdrinken. Ik heb lang niets gehad, de boeren zijn gierig vóór den oogst. Maar geloof mij, ik alleen heb het gedaan. Rooije GOERT heeft mij maar een weinig, heel weinig daarbij geholpen.’’
Daar stoof de dikke heer als een dolle kettinghond op, rukte den waanzinnige ter aarde en viel, begeerig, als had hij een schat buit gemaakt, over hem heen.

[pag. 141]

» Brandstichters? vangt de brandstichters! Houdt rooije GOERT,’’ schreeuwde hij uit al zijne magt, overstemde het rumoer van den brand en sloeg met zijn zwaard op den ongelukkige, die onder hem lag, en wiens zwak verstand in den nadrukkelijken overgang van vreugde tot smart geheel schipbreuk leed.
» Laat mij los!’’ jammerde de arme klaas. » Waarom hebt gij niet eer gezegd dat gij geen paaschvuur lijden moogt en dat HARMENS GRIETJE geen bruiloft wil geven en geen feestbier, zoo als HARMEN op de laatste kermis beloofde. Maar,’’ kermde hij luider, toen de rentmeester sterker sloeg, » rooije GOERT is de schuld, die is een heksenmeester; op zijne schouders heb ik gestaan en heb de zwarte stukken pik onder het dak geschoven, en toen is het losgebrand en de vlam is door het stroo gevaren, hemelhoog.’’
» En daarom een bedelaar? En om zulk volk MIJN TRUITJE eene kreupele, door een balk die haar trof?’’ kermde de rentmeester, en had niet opgehouden, als onwillekeurig den waanzinnige te slaan, en zoude hem misschien hebben omgebragt, indien niet eenige gewapende boeren, die dadelijk, nadat zij de verklaring van gekke KLAAS gehoord hadden, rooije GOERT uit de menigte hadden te voorschijn gehaald, — den rentmeester van den grond opgetrokken, hem in een naburig huis gebragt en den waanzinnige, met den zijne onschuld bezwerenden booswicht, aan elkander gekneveld, naar den slottoren gevoerd hadden.

______

 

[pag. 142]

VI.

DE BESCHULDIGING.

De duisternis heeft plaats gemaakt voor het licht, en voor de nakomelingschap zou het naauwelijks denkbaar zijn, hoe de voorvaders aan datgene gelooven konden, wat alle menschelijken onzinnigheid overtreft, wat zich zelven wedersprak door de tegenstrijdigheid van bovennatuurlijke magt aan de eene zijde, en de onderworpenheid, onder foltering en dood aan de andere. Maar de akten der geregtshoven liggen daar als oorkonden der menschelijke dwaasheid, en de ervaring leert, dat zelfs in onze dagen dat geloof niet is uitgestorven.
Des middags na den nacht van den brand, vergaderde het halsgeregt in den grooten toren van het slot te Ysselmuden, om te rigten over leven en dood van den brandstichter en satans-bondgenoot, rooije GOERT. Gekke KLAAS, was bij zijne uitlating van des nachts gebleven, welke, hoe verward ook, duidelijk genoeg was voor de dorpsinquisitie. Rooije GOERT had den verkommerden knaap sedert lang tot zich gelokt door, kleine geschenken en gaven van spijs en drank. In den vorigen nacht had hij hem voorgepraat , hoe zij het geheele dorp een vermaak verschaffen, en den gestrengen rentmeester, dien ook de waanzinnige vreesde, daar hij hem dikwijls met den stok had weggejaagd, een feest konden bereiden. Stukken pik en vlasbundels had de knaap onder het stroodak moeten stoppen en aansteken, en zoo was het vreeselijk ongeluk ontstaan. Maar ook het gevreesde woord heksenmeester, dat de knaap had gebezigd, was niet in doove ooren gevallen. Tallooze getuigenissen der boeren kwamen bij het geregt in. De een had GOERT raven in strikken zien vangen en bij den kruisweg zien slagten; hij

[pag. 143]

had padden op de weide gevangen, aan witte stokjes gebraden en smakelijk opgegeten; een ander had hem des nachts in het dorp zien sluipen en tooverteekens aan de huis- en staldeuren zien maken; hier was een paard van een buurman gestorven nadat GOERT het had gestreeld, daar eene koe nadat hij de stalmaagd zijn goeden avond had toegeroepen; eene zeug, die op zijn erf was verdwaald, had misvormde biggen geworpen en het kind van den schout had de jicht gekregen, toen hij het op den arm had gedragen; anderen had hij in het bosch ontmoet met eene reusachtige heidendeern, en hij had met haar uit eene flesch gedronken; nog anderen, hadden hem des nachts schatten zien graven op den zandberg.
» Laat hem branden, de toovenaar en heksenvriend, opdat het dorp rust heeft!’’ dit was het eenparig geschreeuw des volks.
De geregtskamer was voor zulke buitengewone gelegenheden in het benedenste vertrek van een eeuwen ouden toren. Geen venster liet eenig licht in het ronde vertrek doordringen, slechts eene groote lamp brandde voor de plaats waar de schrijver zat. Van ouds was de kamer met bruine tapijten behangen, die van de mot en vochtigheid veel geleden hadden, doch in verband met de zwart behangen lange tafel en leuningstoelen, op den overtreder eenen diepen indruk maakten, wiens verbeelding wel met bloedige droomen moest zijn vervuld. Hier zaten nu , in statige ambtskleederen, de schout, de drost van den slotheer, en daar het eene zaak der zielen gold, ook de geestelijke van het dorp, en aan het einde der tafel de schrijver, ganzenpennen, versnijdende en groote stukken perkament teregt leggende.
Rooije GOERT maakte zonderlinge grimmassen, toen hij, met ketenen beladen, in dezen statigen kring werd, binnen geleid en op het » arme zondaarsbankje’’ zijne

[pag. 144]

plaats bekwam. Getuigen na getuigen traden zonder einde tegen hem op, gekke KLAAS zong zijne litanie tegen hem in jammertoonen, de schout bulderde, de geestelijke hield een roerend boetsermoen; maar de verstokte GOERT bleef er bij, dat hij geen brand gesticht, veel minder getooverd en heksen-sabbathen mede gevierd had; nijdige buurlieden en een gekke bedelaar waren geene geloofwaardige aanklagers en getuigen voor regtvaardige en verstandige regters. Daar wenkte de schout met stekenden blik, en met gerammel opende zich achter den beschuldigde eene groote vleugeldeur, en eene vreeselijke kamer deed zich op voor den blik des beklaagden. Het was de pijnkamer. Zwarte steenwanden omgaven ze, slechts verlicht door twee kolenvuren, die in groote pannen gloeiden en dreigend vonkelden. Langs de wanden stonden zonderlinge werktuigen van wit hout of blank ijzer, en waren door hunnen vreemden vorm en vreeselijk gebruik wel geschikt om schrik aan te jagen. Een dienaar des geregts stond met een helper, half ontkleed, in het duister gewelf; in de ruwe gelaatstrekken ongevoelige gemoederen verradende, en met hunne bloote gespierde armen titanen gelijkende, waren zij gereed om te volvoeren wat het geregt zou gebieden.
Een tweede wenk des regters gaf een gebod aan de zwijgende dienaren, en verbazend snel zag GOERT zich door hunne vuisten gegrepen, ontkleed en op den ijzeren, kouden drievoet gezet, den troon des jammers, die, in weerwil van zijn pythischen vorm, hem slechte profetiën inblies. Koelbloedig legden de dienaren den beschuldigde de kleinodiën der schatkamer voor, en verklaarden hem het menschlievend en aangenaam gebruik daarvan.
GOERT’S borstelig haar rees op het met angstzweet bedekte voorhoofd nu werkelijk te berge. Toch ontkende hij hardnekkig, en nu wenkten de regters ten

[pag. 145]

derdenmale. Als losgelaten honden, grepen de dienaars van het geregt den leugenaar en zett’en hem van den drievoet op de pijnbank.
» En al kookt gij mij van been tot been, en al snijdt gij mij elken dag een lid af, ik kan het niet; genadige heeren, ik kan waarlijk niet tooveren,’’ schreeuwde de ellendige in hevigen angst.
» Laat hem de pijn voelen!’’ riep de voorzitter van het geregt. En nu kwetste eene ijzeren schroef zijne vingers. Vreeselijk vertrok hij het gelaat, maar zijn uitroep bleef:
» Ik ben een kind Gods, en de duivel heeft geen deel aan mij!’’
Zijn ontbloote rug werd thans met brandenden zwavel besproeid. Goert beet zich in de lippen dat het bloed er uitsprong, maar bleef zwijgen. Toen sloegen de dienaars hem de zoogenaamde spaansche stevels aan..... doch wij wenden het oog af van de volgende drama’s van dit foltertooneel, en gevoelen ons dankbaar dat wij in betere tijden leven.
GOERT knerste meermalen tegen zijne pijnigers op de tanden, als een wild dier in doodsnood, en met heesche stem jammerde hij:
» Maak mij los! Los, spoedig! Ik heb alles, alles gedaan wat gij wilt!’’
Snel lieten de dienaren hunne werktuigen los, en plaatsten hem weder voor de geregtstafel.
» Ik heb brand gesticht!’’ steunde de ongelukkige.
» En waarom?’’ vroegen de regters.
» Ik had het den rentmeester gezworen,’’ antwoordde GOERT, » omdat hij mij tweemaal om verzuimden heerendienst in het hondengat liet zetten, en omdat hij mij ongenadig geslagen heeft. — Moet ik nu ook branden?’’ voegde hij er vragend bij.
» Zoo zeker als de zon aan den hemel staat!’’ riepen allen te gelijk.

[pag. 146]

» Alzoo zonder genade?’’ zeide GOERT langzaam en met zonderlinge stem, waarin als een boosaardigen triumftoon lag. » Zonder genade, maar niet zonder schoon gezelschap, want daarmede brandt het zachter. Gij heeren moet rooije GOERT tweemaal verbranden, als gij zulk een kunststuk verstaat, want hij is brandstichter en heksenmeester te gelijk; en het tooveren heeft hem de oude STIENE geleerd.’’
De regters hoorden verbaasd toe, en mompelden: » Stiene, de oude STIENE?’’
» Waar heeft STIENE het u geleerd en met welke woorden?’’ vroeg de voorzitter hevig, om den beschuldiger te verwarren.
» Zij heeft mij bij zich geroepen, ’s avonds in den hof,” antwoordde GOERT dadelijk, » en heeft gezegd: als ik volgzaam en gewillig was, zou ik er goed bij varen; en VLAS-ELSKE heeft mij melk te drinken gegeven, zoodat ik niet meer los kon van de heksen-verbindtenis.’’
» VLAS-ELSKE?’’ viel de geestelijke in, » die is vroom en vol godsvrucht, en komt in geen enkelen pligt te kort.’’
» Huichelarij en duivelslist,’’ zeide de misdadiger honend. » Onderzoek het maar naauwkeurig, gij heeren, dan vindt gij het wel. Waarom is zij zoo blank als sneeuw? Waarom verbrandt de zon haar niet als andere deernen? Omdat zij zich met middernachts-daauw wascht en met heksenzalf bestrijkt. Waarom spint zij draden als zijde? Waarom is haar vee blank en rein in ieder weer? Waarom leggen bij haar de kippen tweemaal op eenen dag? Waarom draagt haar appelboom dubbele vruchten? — Omdat een zwarte kat in huis is, waarin de booze woont, en die zij liefkoost, dat het gruwelijk is om aan te zien. En hebben de menschen niet den booze zelven des nachts bij haar zien in- en uitwandelen, zwart en groot, nu

[pag. 147]

als krijgsman, dan in een rooden rok met paardenvoeten en hanenveder?’’
» En heeft STIENE u ook eenen geest toegevoegd?’’ vroeg de regter.
» Ja zeker!’’ antwoordde GOERT, » en de geest heet CHIM en zag er uit als eene raaf; hij sprak mij in de schemering aan: gegroet, GOERT, en gaf mij eene witte roede in de hand, en beval mij den Heer te verloochenen; en gaf mij magt over vee en menschen, tot verderf en tot heil, zoo als ik het wilde.’’
» Hoe dikwijls heeft u de geest bezocht?’’ vroeg wederom de regter.
» Tweemaal!’’ antwoordde GOERT; » en eens zag hij er uit als eene prachtige jonkvrouw en had een reigersveder op het hoofd gestoken, kustte mij met ijsachtig koude lippen en danste met mij rond, tot mijne zinnen beneveld werden.’
» En STIENE was ook daarbij?’’ vroeg men verder. » Ja wel! ja wel!’’ lachte GOERT, » en zij sprong, in weerwil harer lamme beenen en roode half blinde oogen. En ik moest daarbij blazen op eene glazen trompet; die hebben zij mij evenwel den laatsten Meidag aan stukken gedanst.’’
» Waarom bekendet gij echter niet dadelijk en hield de duimschroeven en zwaveldoop uit?’’ vroeg de geestelijke.
» Omdat ik geene pijn gevoelde, daar de geest mij op de borst zat,’’ antwoordde GOERT listig. » De dienaar sloeg hem echter met de geeselroede weg, en nu heeft hij mij verlaten, en moet ik bekennen.’’
De voorzittende regter liet den beschuldigde wegvoeren, beval het protocol te sluiten, om het den volgenden morgen den edelen heer voor te leggen. Maar uit het slot klonk de vreeselijke bekentenis nog denzelfden avond door het dorp, en vele nieuwsgierige bewoners gingen niet eer ter ruste voor zij gezien

[pag. 148]

hadden hoe de dienaren van het geregt, door jonge boeren bijgestaan, zich naar de overzijde van den Yssel begaven, het hutje van STIENE omsingelden, en de ongelukkige bewoners bij haren aanklager bragten, die in zijnen kerker ruwe drinkliederen haar tegenzong.

_______

 

VII.

DE BRIEF.

De dood eens monarchen, de geboorte eens troonopvolgers, de mare van een gewonnen veldslag, of de schriktijding der nadering van een vijandelijk heer, kunnen in eene stad naauwelijks zulk eene beweging en onrust verwekken, als het proces van den hatelijken GOERT en van STIENE en ELSKE in de stad en het dorp veroorzaakten. Haat en medelijden, nijd en vriendschap, alle hartstogten woelden om strijd, en straat en woonvertrekken werden strijdplaatsen der Ysselmuidensche en Kampensche woordvoerders.
Maar het onrustigst was het in het slot zelven, waar de oude toren ieder oogenblik aan zijne nieuwe gevaarlijke bewoners herinnerde, en de dienstmaagden met vrees het bemoste gebouw voorbij gingen, nadat zulk een hatelijk heksenmeester er zijn intrek had genomen.
Jonker HEYMAN had zijn bed niet aangeraakt. Zijn geest was een weinig minder bijgeloovig dan die van vele anderen, een gevolg eener wat betere opvoeding buiten het slot. Met bloedend hart stond hij aan het venster gekluisterd op de plaats van waar hij bij het schijnsel der lantaarns de ongelukkige oude op eene

[pag. 149]

handkar naar den kerker brengen, en het schoone ELSKE, van ruwe mannen omringd, tusschen spietsen en knodsen achter haar aan zag wankelen, met gevouwen handen en doodsbleek gelaat, dat door hare loshangende blanke haren was omgeven. Knersend viel de ijzeren poort van den toren achter haar toe, en dit geluid, dit beeld, kon hij niet van zich verwijderen. Hij kende hen, die in deze zaak de magt in handen hadden, den onbewegelijken en ongevoeligen schout, den, zoodra er van tooverij sprake was, met razenden ijver vervulden priester, en bovenal kende hij de woeste, dikwijls verwarde eigenzinnigheid zijns vaders. Met schuldelooze genegenheid gevoelde sedert lang zijn hart zich tot dit zoo schoone als goede kind der natuur aangetrokken; in de eenvoudige gesprekken met haar vond hij dikwijls een stil genoegen, en nu zag hij het bevallige ELSKE, die slechts een oud perkamenten bont wapenschild ontbrak, om boven alle jonkvrouwen in den omtrek te staan, met roofgespuis en vagebonden tot hetzelfde pijl verlaagd, en de onmenschelijkste pijn, ja den gruwzaamsten dood nabij gebragt. Doch de onrust zijner ziel werd nog vermeerderd, toen zijn dienaaar, de brave JOOST, binnenstoof, in doodsangst hem te voet viel, om redding smeekte en zijne betrekking met ELSKE openhartig mededeelde. Ontevredenheid en ijverzucht verhieven zich een oogenblik in het hart des jonkers, maar in het volgende oogenblik schaamde hij zich daarover, troostte den ontroerden JOOST, en nam hem, toen de dag aanbrak, mede naar zijnen vader, om hem daar welligt als helper te gebruiken tegen de aanklagten der geregtsheeren.
De oppassers van heer RYPRANT hadden van zijnen onrustigen nacht partij getrokken, om hem breedvoerig met het voorgevallene bekend te maken, en zijn koortsachtige onrust had naauwelijks den dag kunnen afwachten, om de geregtsheeren uit het bed te laten opkloppen

[pag. 150]

en bij zich te laten ontbieden. De jonker vond bereids den schout en zijne akten voor het ziekbed zijns vaders, en het protocol was reeds gelezen.
» STIENE? STIENE?’’ vroeg de edele heer, en zijne oogappels lichtten met bijzonderen glans. » STIENE, de zuster van den verdwenen WOLF? — en zulke duivelskunsten zoo digt bij mijn slot? Ha! dat is mijne krankheid! De duivel is in mij! Doet uwen pligt spoedig, dadelijk! Met hunnen dood vaart de booze geest van mij, en de genezing begint!’’ Eerbiedig trad de jonker nader.
» Kan ook mijn heer vader dit gelooven?’’ vroeg hij bedaard. » Wil hij zich medepligtig maken aan de dwaling van deze onwetende menschen en deel hebben aan het bloed van onschuldige vrouwen, omdat de boosheid haar aanklaagde, en omdat eene kranke grijze roodgeweende oogen heeft? Indien zij waarlijk met den booze in betrekking stonden, zouden zij dan nog in de gevangenis zijn?’’
» Hij heeft bekend, volkomen bekend, meer dan men vroeg!’’ zeide de schout met drift, als vreesde hij de slagtoffers te verliezen. » Zijne bekentenis vordert de sentensie.’’
De jonker glimlachte treurig en wilde antwoorden; maar heer RYPRANT rees op in het bed.
» Is die knaap hier heer, of ben ik het nog?’’ riep hij opgewonden. » Wil de baardelooze jonker mannen leeren en zijn ongeloof hun opdringen? De dood over STIENE! Deze vossenstam heeft mij den dood gezworen; de vossinnen vleiden, de vossen beten; als het overschot van den stam verdelgd wordt, zal ik een nieuw leven beginnen. IJverig daarom, schout, uw heer beveelt het. Bouw eene houtmijt, al was er het halve bosch toe noodig.’’
De jonker ging zwijgend heen; JOOST echter, die bij het woord houtmijt reeds het vuur meende te voe-

[pag. 151]

len, trad haastig vooruit en reikte WOLF’S brief over, waarvan hij redding hoopte.
» Wie gaf u dat?’’ vroeg RYPRANT.
» De vreemde doctor, op den avond van den brand!’’ stamelde JOOST, » ik had hem tot hiertoe vergeten!’’
Opmerkzaam las heer RYPRANT het geschrift, en zijne opmerkzaamheid klom tot verbazing, toen hem een beschilderd stuk perkament in handen viel. Hij zag een geraamte voor zich, in gebogen houding en uitgestrekte armen, alsof het hem omhelzen wilde; daarboven was een bokaal geteekend, waaruit eene slang en een dolk te voorschijn kwamen, en daarboven eene ster met een menschenoog daarin. — De onderste helft was ingenomen door het figuur van een uitgemergelden PROMETHEUS, die aan eene rots gebonden, reeds levenloos scheen, in wiens ingewanden evenwel nog een groote gier zijne klaauwen sloeg. Ontroerd keerde de edele heer het blad om; daar stonden woorden, zoo rood, alsof ze zoo even met bloed geschreven waren.
» RYPRANT!’’ las hij luid. » Biecht en bid! Verzoen u, en sterf! Maar waar is verzoening voor hem, die alle doodzonden bedreef, en zich verzadigde met ongelukstranen? — Gij hebt het beenderenmeel uws verhongerden gedronken in den wijn, en daaraan moet, ook de oudste aller tijgers sterven. Biecht, want uwe dagen zijn getelt. NEPOMUK, uw wijze doctor, kwam uwen doodsbode op het spoor, daarom verscheen uw doctor uit het Hongarenland en verdreef hem van uw leger, opdat het werk der vergelding niet gestoord wierde. En — RYPRANT, sidder, vertwijfel! — de vreemde doctor en uw doodvijand WOLF zijn een en dezelfde.’’
Met ontzetting zagen de omstanders de werking van dit schrift bij den lezer. Alle krankheid scheen geweken; een bloedrood purper steeg op de holle wangen; met eene kracht, die aan geene krankheid her-

[pag. 152]

innerde, sprong hij op van het bed, en zoo onstuimig tegen het groote raam, dat de glasruiten rinkelden en verscheiden gebroken in den hof vielen.
» Gedrogt van den nacht! ongedierte! Uwe tong is gif en schorpioenenbeet! O, had ik u op eene schrede afstands! Gij zoudt niet met eene stierengestalte voor mijne verteerde beenderen en krachtelooze spieren staan. Vallen zoudt gij onder mijne voeten, vallen, of ik zoude mijn schild zelf verbreken en zijne stukken ophangen aan den gemeensten schandpaal. Maar ik wreek mij aan uw gebroed, als de oude WOLF ontweken is.’’
» Er uit!’’ schreeuwde hij uit het venster, » op de straten, wie mij gehoorzaamheid zwoer! Zoekt den doctor! Zoekt WOLF in veld en bosch! Die hem mij dood brengt, krijgt honderd ducaten, die hem mij levend bezorgt, vijfhonderd.’’
Afgemat zonk hij in de armen der beiden, die hem waren nagetreden, in de armen des jonkers en van den schout — want JOOST was bij het eerste losbreken van dezen vulkaan uit de deur geslopen — en werd door hen weder te bed gebragt. Hij wikkelde zich diep in de zijden deken, maar vond geene rust.

_______

VIII.

DE GEVANGENEN.

Verscheidene lange dagen waren verloopen. Voor het naauwe luchtgat van haren kerker stond VLAS-ELSKE, stil en in zich zelven gekeerd, de gevouwen handen voor de borst gedrukt, en staarde naar de zon, die juist aan de zijde van Vollenhoven begon op te

[pag. 153]

stijgen. Beneden haar lag de omtrek nog in nevelfloers gehuld; slechts het gelui van de kloosterklok te Brunnepe kondigde den morgen aan. ELSKE’S wangen waren bleek geworden; de scheiding van de kranke moeder had het meest haar hart gewond, daar zij de hulpbehoevende in bewaring wist van den ruwen slotvoogd. Het geregt had niet bijzonder hard met haar gehandeld. Het getuigenis van den priester over haren wandel, des jonkers woord en zijne goudstukken, hare jeugd en het kinderlijke en onschuldige van haar geheele wezen, hadden de regters bewogen. In weerwil harer vaste ontkenning, bleef zij van de pijnbank verschoond, alsook de moeder door eene verklaring van NEPOMUK wegens de zwakheid harer zenuwen en het gevaarlijke harer krankheid; maar beiden werden veroordeeld om door de waterproef zich te zuiveren; terwijl rooije GOERT als brandstichter en toovenaar tot den brandstapel was verwezen. En dit alles zou reeds den volgenden dag plaats hebben.
De eerste stralen der zon schoten thans door het rozenfloers in het oosten, als gouden paden die van de aarde naar den hemel den weg openen; de aanblik van het opstijgende wereldlicht, de verblindende blik in den wonderbaren vuurkogel, die als een reusachtige goudspin haar stralennet steeds grooter en wijder uitspint over de wereldruimte, heeft iets ongeloofelijk opwekkends en verhevens voor iedere door angst en aardschen nood gedrukte borst. Als de nacht met zijne geheimzinnige stilte, met zijne spookachtige gestalten het hart steeds zwaarder heeft gedrukt en het gevoel der hulpeloosheid vermeerderd, doet de eerste zonneblik de ijskorst smelten; met den verwarmenden stralengloed stroomt het vertrouwen op den wereldschepper, op den grooten Vader aller wezens in het harte, en gelijk de nederschietende lichtstralen den nachtelijken dauw inzuigen en den nevel aantrekken, zoo trekken

[pag. 154]

zij ook de menschenziel op ten hemel, tot den almagtigen Koning van hemel en aarde, en verbannen de duistere en wanhopige gedachten, die kinderen van het uur van den nacht.
Ook in ELSKE’S borst zonk de troost en het vertrouwen, gelijk de zon haar helder en verwarmend tegenstraalde, en haar geopend hart kon nu bidden om redding voor de moeder en zich zelven, kon om berouwbidden en vergeving voor den veroordeelden GOERT, voor den zwarten geest in den meidag haars levens. Toen zij geëindigd had en nu opzag, hoorde zij zich roepen bij haren naaM. Het was de stem van JOOST. Verheugd schoof zij het bankje onder het diepe muurgat en stak de hand naar buiten. Daar hoorde zij de welbekende stem haar toeroepen:
» Waak tegen middernacht! Twee vrienden komen helpen!’’
Wie zouden dat anders zijn dan JOOST en WOLF? De trouw des eenen, de kracht en bezonnenheid des anderen, verwekten een vrolijk vertrouwen; maar het hoe was een raadsel, dat haar den geheelen langen dag bezig hield.
De lang gewenschte nacht kwam eindelijk met zijnen schaduwmantel. Des wachters schreden, die zijne gevangenen bezocht, of alles in behoorlijke orde was, verstierven op de steenen trappen van den toren; elk geluid verstomde allengs in het slot; eene doodelijke, drukkende stilte ving aan, welke slechts door den vleugelslag van een uil werd afgebroken, die klagend het torengat voorbijvloog, waar hij eens nest en woning had gehad. Met bloote voeten sloop het gevangen meisje luisterend aan wanden en deur de steenen vloer rond. Van waar zou de redder komen? Zou zijne reuzenhand de ijzeren deur verbreken? Zou hij uit de vloer opkomen of door het losgebroken dak nederdalen?

[pag. 155}

Nu was het middernacht. ELSKE ging naar het torengat, waarin de koele nachtlucht stroomde. Links aan den hemel hingen dikke wolken, als dreigende draken, de trawanten der duisternis; regts blikten uit de donkerblaauwe hemeltent duizende sterren, als engelenoogen, en tegenover de beangstigde stond eene groote planeet met haar helder licht.
Hoor! daar vernam zij een ligt geruisch boven zich, maar buiten het gebouw. Een dik touw daalde langzaam voor de opening neder. Het geruisch boven werd sterker. Zij luisterde bang en vol verwachting. Daar verdonkerde eene groote schaduw het geheele venster; zij bewoog zich daar buiten en drong zich naar binnen, en toen ELSKE terugtrad, sprong een man op den vloer, en JOOST omarmde haar in de schemering van den kerker.
» JOOST! JOOST!’’ riep zij. » Zijt gij het? Gij getrouwe ziel. Komt gij van den hemel neder, om mijne gevangenschap te deelen ?’’
» Stil! stil!’’ fluisterde de getrouwe vriend. Om u te redden zijn wij hier. Uw oom staat beneden tegen den muur. Hij heeft alles uitgedacht, en ik heb het gelukkig volvoerd. Hij wist, dat boven een rad in het torendak was, waaraan in oorlogstijd, toen het slot belegerd was, des nachts de mondvoorraad werd opgetrokken. Ik bragt in stilte de touwen naar boven; het planken bret is veilig en goed, en beneden houdt de sterke oom het touw vast. Er uit, ELSKE! spoedig en voorzigtig.’’
» Maar die verschrikkelijke hoogte!’’ lispte zij sidderend.
» Houd u maar vast aan het touw,’’ antwoordde de jongman dringend; » gij zit dan veilig op het bret. Ik blijf boven en verhinder het zwenken, en uw oom laat u zacht naar beneden; want het touw heeft eene

[pag. 156]

dubbele torenlengte. Ik kom even zoo na, en dan gaat het snel over de grenzen.’’
» Maar waar blijft-moeder?’’ vroeg ELSKE. Zonder haar kan ik, durf ik niet gaan.’’
» Uwe moeder is ziek, erg ziek;’’ stamelde JOOST verlegen. Haar zal men niets doen. Maar gij! wilt gij morgen den spot en hoon der boeren en stedelingen verduren? Zullen u de grove handen der dienaren aangrijpen? Wilt gij met gebonden handen in het water worden geworpen en verzinken?’’
» Maar ik ben zoo onschuldig.’’
» Juist daarom zendt God u redders, en het ware zonde Gods hand van u te stooten.’’
Het meisje weende hevig; de trouwe vriend drong haar angstig en gejaagd. Zij klom naar buiten, kwam gelukkig op den gevaarlijken zetel en sloot, een gebed uitsprekende, de oogen. Langzaam daalde zij langs den muur naar beneden, waar de oom haar in zijne geopende armen ontving, en na haar kwam de brave JOOST langs denzelfden luchtweg afdalen.
» Heb ik u uw beste offer ontrukt, booze RYPRANT!’’ sprak WOLF somber, terwijl hij dreigend de hand tegen het slot uitstak. Neen, dit geslacht zal niet uitsterven! Voort nu, kinderen! Ik ken het pad door het moeras en door het bosch; maar gij moet snel ter been zijn, want het onweêr daar links dreigt ons, en het mag ons niet buiten het bosch overvallen.’’
Zoo snel mogelijk gingen zij voort, den weg op naar Wilsum, en bereikten weldra den weeken moerasweg. Zij gingen achter elkander, WOLF vooraan, ELSKE in het midden. Maar niet lang hadden zij de vlugt voortgezet, of donkere wolken, die met de snelheid des winds zich uitbreidden, bedekten den geheelen hemel. Diepe duisternis viel in, nu en dan door bliksemstralen verlicht, en de donder begon te rommelen.

[pag. 157]

Gevaarlijker en moeijelijker werd de weg. Het gaan over den moerassigen grond was zeer afmattend. Een dikke regen begon neder te vallen en sloeg hen in het gelaat.
» Ik kan niet verder! Het verdriet heeft mijne krachten verzwakt en de angst rooft mij het overschot!’’ klaagde het meisje en leunde op den schouder des ooms.
» Moed!” riep WOLF. » Hier zijn wij reeds aan het bosch; houd u nog een weinig goed, dan bereiken wij eene veilige plaats, waar niemand ons zoeken zal; daar rusten wij een weinig, en dan steken wij den Yssel over en begeven ons over de Geldersche grenzen, waar wij niets meer te vreezen hebben.’’
De beide mannen ondersteunden de uitgeputte, en daar waar het ruimer werd, droegen zij de vermoeide op de armen, tot zij op eene plek kwamen, waar zij stil hielden.
De plek was vlak en open. In een ronden kring stonden eeuwenoude eiken en daaronder lagen twaalf groote steenen in een kring, volgens de sage, in vroeger tijd bestemd geweest voor de zittingen der veem-geregten. In het midden stond een reusachtige eik, boven groenende met het weligste lover, aan den stam uitgehold als eene kapel, waarin wel zes menschen plaats en bescherming konden vinden. Daar bragt WOLF zijne vlugtelingen in, dewijl de regen thans in stroomen nederviel, en alle drie zett’en zich veilig neder, en uit eene flesch die hij uit de diepte des hollen booms haalde, waar hij ook wapens verborgen had, sterkte de oom het vermoeide meisje met goeden wijn, droogde hare lange, natte haren met eenen doek en sloeg de bibberende een verwarmenden mantel om de schouders.
Toen zij eene tamelijk lange wijl zoo gezeten hadden, en genoegzaam gesterkt en uitgerust waren,

[pag. 158]

hoewel de regen nog altijd in de takken ritselde, en het bliksemlicht niet wilde eindigen, stond WOLF onrustig op, trad uit den boom, zag een oogenblik naar het terugkeerende sterrenlicht en zette zich toen op den naasten grooten steen, die door de breede takken van den eik als met een dak was beschermd. Hij keerde zich naar de holte van den boom, leunde met den elleboog op de knie en het voorhoofd in de hand, en brak het zwijgen af, waarin allen verzonken waren.
» De menschen zijn wij ontkomen,’’ zeide hij met doffe stem, die door het plassen van den regen en het ruischen der boomstammen klonk; » maar de natuur kluistert ons. Doch hebt geene zorg, kinderen; de natuur is vriendelijker dan de mensch; en zij zelf zal onze vlugt door de struiken bedekken. Gij beiden zijt van heden af los van alle menschen, gij hebt geen dak, geene woonplaats: maar gij, getrouwe JOOST, zult uw offer niet zonder loon gebragt hebben, want mij zult gij behooren van dit oogenblik af, en ik heb genoeg voor u. Deze plaats is de regte, deze tijd de geschikte, om u volkomen met mij te vereenigen. Hoor dan en leer den man kennen, met wien uw lot u verbond, en die u niet beter en niet slechter mag toeschijnen, dan hij werkelijk is. — Lang geleden, woonden, waar thans nog STIENE’S huisje staat, twee familien, vrij welvarend, doch zonder overvloed, maar vlijtig, tevreden en gelukkig. Aan eene booze pestziekte, die toen in het land heerschte, stierven in de beide familien de ouders en meer dan een der kinderen; in ieder huis bleef een broeder en eene zuster over, en door gelijk ongeluk, gelijke zorgen zoowel als door nabuurschap verbonden, leefden alle vier in vriendschap vereenigd, en hielpen elkander in het leven trouw en vriendelijk. De beide paren waren HARMEN en MARIA, en STIENE en WOLF. Wederzijds wis-

[pag. 159]

selden wij huwelijksbeloften, en zoodra wij onze zaken, die door den dood der ouders in wanorde waren geraakt, weer hersteld waren, zoude een dubbele bruiloft ons nader verbinden. Er woonde echter in de nabijheid te Ysselmuden, een edelman, die niet wist wat arbeid was, die de vlijt niet kende als tegengif tegen de verlokking des duivels, der zinnen en aller zonden. Hij leefde woest, in ledigheid en brasserij, en ontzag niets om aan zijne booze driften te voldoen. Ik bemerkte, hoe heer RYPRANT mijne zuster, uwe moeder, vervolgde, ELSKE, en ik geloof dat STIENE meer welgevallen in den opgeschikten valkenjager had, dan regt en goed was. Wat geschied is heeft God met nacht bedekt. Heeft STIENE gezondigd, zoo heeft zij ook zwaar geboet, en hare boete is nog niet ten einde.’’
ELSKE zuchtte luid. De oude ging ontroerd voort: » Van de zorg voor de eer der zuster moest ik door een spoedig huwelijk ontheven worden, en hoewel ik bemerkte, dat van het slot dat huwelijk allerlei hindernissen werden in den weg gelegd, zette ik mijnen wil door, en uwe moeder werd HARMEN’S, uws vaders vrouw. De neiging des edelmans nam van nu af eene andere rigting. Was het wraak tegen mij, die den gier zijnen zekeren roof uit de klaauwen had gerukt? De vertellingen van den keldermeester hebben mij dit later doen gelooven; genoeg, de begeerte van den snooden edelman viel van stonden aan op mijne bruid, op MARIA, uws vaders zuster, en destijds uw evenbeeld, ELSKE. — O, het oude hart heeft de herinnering en het gevoel nog niet verloren; want gedenk ik de ongelukkige, hoor ik den naam MARIA, dan brandt het mij achter het voorhoofd, en in de breede borst, en het is mij als moest ik bloed zien om die rampzalige te wreken; de geheele wereld schijnt mij dan eene hoonende vijandin, en ieder menschenkind mijne tegenpartij. IJdelheid is het zwak der

[pag. 160]

vrouwen. Slechts in de moederliefde is de vrouw sterk en onoverwinnelijk.
» Heer RYPRANT’S rijke geschenken, zijne hoogvliegende beloften, zijne plegtige eeden, zijne schoone woorden omstrikten het slagtoffer, en mijne zuster werd zijne koppelaarster. — Haar koppelpels is haar heet geworden, en drukt haar naar in het graf neder. — Ik vernam de misdaad door de trouw eens buurmans, en van dat oogenblik af joeg mij tijgerwoede voort. De verleider moest er voor boeten! Die gedachte verdrong alle andere in mijne brandende hersenen. Ik sprak met uwen vader HARMEN; wij wendden eene reis voor en keerden des avonds, in het geheim, door de achterdeur, in mijn huis terug. Wat wij vermoed hadden was geschied; heer RYPRANT zat vertrouwelijk bij mijne verloofde. Onverwacht overvielen wij hem, maar hij was voorzigtiger geweest dan wij. Gewapend weerstond hij onze knuppelslagen, en zijn roep deed uit den tuin zijne dienaren binnen snellen, die hij had medegebragt. Door twee hoofdwonden getroffen viel heer RYPRANT neder; maar uw vader viel in de handen zijner dienaren en naauwelijks kon mijne ligchaamskracht mij bevrijden.
» Vogelvrij zwierf ik nu in den omtrek rond; in dezen hollen boom vond ik menigen nacht eene schuilplaats, maar de wraakzucht bond mij aan deze oorden, en dikwijls waagde ik mij in de nabijheid van het slot. Ik hoorde, hoe onze woningen aan den heer vervallen verklaard werden, hoe men uit genadig medelijden de hut bij den kolk aan uwe moeder overliet; ik hoorde, hoe de goede HARMEN in de gevangenis verhongerd en als zelfsmoordenaar oneerlijk begraven was, hoe de ontrouwe MARIA eenigen tijd rondgezworven en eindelijk in het pesthuis was gestorven. Mijne razernij voerde mij bijna tot waanzin; als eene beerin die men hare jongen ontroofde, zwierf ik door de bosschen, en driemaal zwoer ik hier aan deze plaats eeuwige wraak

[pag. 161]

tegen hem, die twee rampzalige familiën eindeloos ellendig gemaakt had. Men spoorde mij op. Dienaren en boeren vervolgden mij als een wild dier, dreven mij eindelijk naar de grenzen. Toen trok ik naar het Guliksche en nam het krijgszwaard op. Het leven was mij als een wormstekige appel, die men wegwerpt; de wereld was mij een huis der pijniging. Ik zocht den dood, daar de wraak mij was ontzegd: zoo was ik bij menigen veldslag en belegering tegenwoordig; men rekende mij onder de dappersten.
» In dien tijd leerde ik een Italiaanschen doctor kennen, die onze wonden verbond. Ik beviel hem, hij kocht mij van de krijgslieden vrij, nam mij mede naar Italië, wijdde mij in de geheimen zijner kunst in, en liet mij arbeiden in zijn laboratorium. Nu herleefde de wraakzucht in mij, want ik had meer tijd om te denken en mij te herinneren; met vlijt studeerde ik in des doctors handschriften, leerde het sluipende gif van Italië bereiden, en toen mijn meester stierf, trok ik na lange jaren weer naar de omstreken van het vaderland, koeler, meer bezonnen, maar niet minder wraakzuchtig. In Guliksland kocht ik eene hoeve, die ook gij thans veilig met mij bewonen, en eens van mij erven zult. Daar leefde ik voor de plannen mijner wraak. In verschillende verkleedingen bezocht ik mijne geboorteplaats, drong mij in het slot, en — bereidde mijne dranken. Mijn plan is volvoerd, de booswicht is onder langzame folteringen gestorven. Ik ben de wraakengel Gods geweest.’’ Uitgeput zweeg de oude, en bedekte zijn gelaat met beide handen; het meisje echter trad krachtiger, dan men van haar verwachten zoude, vooruit en zeide met ontroerde stem:
» Neen, heer oom,’’ ik blijf niet bij u! Laat mij wederkeeren naar mijnen toren en tot mijne moeder, die niet zoo slecht kan zijn als uwe vreeselijke geschiedenis haar maakt.’’

[pag. 162]

» Gij moogt niet terug,’’ viel JOOST haar in de reden, en rigtte haar liefdevol op. » Gij moogt den dood niet in de kaken loopen. Gij moet voor mij leven, want ik zou uwen dood niet overleven. Reeds breekt de dag aan; het weer is beter geworden: kom dan! Wij beiden vlugten te zamen. Wij zijn jong, en arbeid is er overal voor hem die met God zijnen weg bewandelt. De oom mag alleen gaan, mag zijne hoeve voor zich behouden, want onder het dak van hem, die een misdaad pleegde zonder berouw, woont geen vrede en geen geluk.’’
» Ondankbare, dwaze kinderen!’’ riep de oude, toornig opstaande en zich met kracht verheffende. » De wereld is geen speelplaats. Doch gij begrijpt dat niet, en ik vergeef u. Maar gij behoort mij en zult mij den ouderdom vervrolijken. Met mij moet gij, al zoude ik u daartoe dwingen.’’
Hij greep bij deze woorden in de holte des booms en nam er zijnen boog uit; doch daar ruischte het door het bosch, een groote bulhond drong door het hout te voorschijn, en begon luid te blaffen. WOLF spande zijnen boog. Schreden werden van meer dan eene zijde gehoord, en de eerste schemering van den dag vertoonde de vlugtelingen aan de dienaren van heer RYPRANT.
» Hier! dieven, roovers!’’ schreeuwde de voorste. » Leg de wapens neer, of ik schiet!’’
» Om Gods wil, schiet niet, WOLF!’’ riep JOOST, toen de oom den boog tegen den schouder bragt; maar reeds snorde de pijl, en de voorste der dienaren zonk getroffen neder. Daar trad driftig de oude WENDER, die zijn heer altijd op de wacht vergezeld had, vooruit, zijne vaste hand trok den boog af en zijn zekere pijl drong in WOLF’S borst; met een vreeselijken gil stortte deze neder en blies in eenige oogenblikken den adem uit.
» WOLF! hoorde ik goed? WOLF heet deze schurk?’’

[pag. 163]

vroeg WENDER, terwijl hij op den gevallene toetrad, en de overigen het sidderende paar omringden.
» Zoo waar het licht aan den hemel schijnt, het is WOLF, dien wij voor zestien jaren uit ditzelfde leger opjoegen. Heeft de oude WOLF het oude nest weer opgezocht? Jammer dat hij dood is, doch de premie van honderd ducaten behoort ons toch!’’
» En nog wel een goed drinkgeld voor ons bovendien!’’ zeide een der anderen spottend, en trok aan den mantel waarin ELSKE zich vol angst en schaamte diep had gewikkeld. » Zie eens dat blank gezigtje. Is het niet de jonge heks, die in den toren zat op het slot, en die heden morgen, als het met den brandstichter was afgedaan, zoude zwemmen in den kolk.’’ Het is VLAS-ELSKE,’’ antwoordde WENDER verwonderd,
» die uit den toren ontvlugt is. Maar gij, JOOST, van waar komt gij zoo vroeg? Heeft u de tooverdeern behekst en is zij met u weggeloopen? Nu, ik zou uwe straf niet gaarne deelen, JOOST, onze morgenjagt is meer dan goed. Naar huis! Bindt ze aaneen en volgt mij naar het slot.’’

________

IX.

DE TEREGTSTELLING.

Het was verscheidene uren later in denzelfden morgen, toen zich op die plek, welke in het begin van ons verhaal als een zetel der onschuld, der orde en tevredenheid werd geschilderd, een geheel tegenovergesteld tooneel van gruwzamen aard aan de toeschouwers vertoonde, die zich met duizenden uit de stad en het dorp hadden verzameld, rondom een nabij STIENE’S huisje gelegen langwerpigen poel of kolk. De tuin-

[pag. 164]

deur was verbrijzeld, de omtuining op vele plaatsen omvergerukt; het vriendelijke tuintje was vertreden en de vorige orde en bloei was niet meer te herkennen. Eene boosaardige hand had ook het raam van het huisje verbrijzeld. In den geopenden stal blaatte de geit niet meer; de vriendelijke huisvogels waren geroofd of in het bosch gevloden, ook de ooijevaar was verdwenen, en de zwarte kat, ELSKE’s lieveling, was in den hoogsten top van den appelboom gevlugt, waar het half verhongerde dier met gekromden rug jammerlijk angsttoonen uitte, daar een troep baldadige jongens haar met steenworpen bedreigde.
Het geregtshof zat te midden van het tumult, nabij den kolk, op roode banken, omringd van bontgekleede gewapende dienaren, die den aandrang der dolle menigte moesten afweren.
Reeds was het eerste bedrijf van het vreeselijk treurspel ten einde. Reeds was de groote houtmijt in een gevallen, waarop de brandstichter rooije GOERT het misdadig leven had geëindigd. Zijn gehuil was verstomd, maar de stinkende damp walmde nog rondom den zwarten paal en verpestte den omtrek, en de knechten van het geregt stieten met lange ijzeren stangen de groote kolenhoopen ter neder.
Nu begon de tweede scène der onzinnige geregts-oefening. De oude STIENE werd, doodziek en bijna zinneloos, van de kar geheven, men bondt haar de handen, en twee sterke dienaren slingerden haar ver in het water. Alles was plotseling doodstil van verwachting wat geschieden zoude. De dikke roode wollen rok der beschuldigde had in het nedervallen lucht geschept en breidde zich uit als eene ballon; daarbij kreeg zij door angst en schrik een aanval harer zenuwkwaal, zij vertrok alle leden, en ziet — zij dreef! en een frissche morgenwind stuwde haar een eind op den waterspiegel voort, zoodat zij met het losgegane om

[pag. 165]

het hoofd vliegend haar eene vreemde vertooning maakte. Het volk riep en schreeuwde luid van verbazing en afgrijzen.
» Zij drijft!’’riep men. » Ziet, de heks! de duivelsbruid! Er uit met haar, op de houtmijt; zij moet branden gelijk rooije GOERT. Vischt haar op, eer de zwarte haar redt en onzigtbaar maakt! In het vuur met haar, opdat zij met de roode oogen niemand meer de pest in huis brenge!’’
Zoo tierde men van alle zijden, en allen stormden digter naar den kolk. Maar eene andere verschijning veranderde het tooneel.
Vrolijke toonen van jagthorens klonken op eenmaal van achter de stad, en van de dienaren van het slot en van blaffende honden omringd, rolde een wagen naar de geregtsplaats, waarop ELSKE en JOOST gebonden zaten. Stil en zonder tranen hadden beiden op den langen weg naast elkander gezeten; slechts somwijlen zagen zij elkander vol medelijden aan en troosten de een den ander met liefdevolle blikken.
» Ik ga naar mijne moeder, en moet welligt boeten voor de schuldige bloedverwanten,’’ zeide ELSKE zacht; » maar gij, getrouwe, brave JOOST! waarom zijt gij in zulk eene schande en nood gekomen?’’
» Ik behoor aan uwe zijde,’’ antwoordde de jongman vast en welgemoed. » Als ik bij u ben en alles met u deele, dan is het mij goed en wel; want zonder u is het mij woest en ledig in de wereld.’’
Zoodra de wagen nabij de regters had stilgehouden, hadden allen het gelaat van VLAS-ELSKE herkend, en de regters wendden hunne oogen naar het nieuwe schouwspel.
» Vlas-ELSKE is het! zij kan nu zwemmen, te gelijk met hare moeder!’’ riep men in luiden jubel.
» De gekkin waande zich overschoon! Nu verleidt zij niemand meer!’’ spott’en de vrouwen,

[pag. 166]

» De preutsche zottin stelde zich zoo trots aan, en danste niet met iedereen,’’ lachten verscheidene jongmannen. » Nu zal zij dansen als wij spelen, en warmer worden dan bij het pinksterbier.’’
Allen drongen zich door elkander voorwaarts, en eene menigte handen strekten zich uit, gereed om de gevangene van den wagen te heffen en begeerig om dadelijk hun gewelddadig spel met het meisje te beginnen. De oude WENDER echter trof met zijne riemen zweep menigen ongeroepen arm en herstelde zoo de orde.
» Terug, boerenvolk!’’ beval hij met zijne krachtige stem daartusschen. » Knapen, waartoe hebt gij uwe zwaarden? Mijne gevangenen zijn het en niet de uwe, ruwe lomperts. Daar zitten de geregtsheeren, die hebben te bevelen en niet gij, dolle alarmmakers.’’
De dienaren trokken hunne zwaarden en de kring werd vrij; men maakte de strikken los, welke het jonge paar hielden gebonden; twee dienaren hielpen de gevangenen afstijgen, en ELSKE en JOOST werden door het woelig gedrang tot bij de zetels der regters gevoerd, beide met nedergeslagen blikken en kloppende harten. Het meisje zag en hoorde niets van de woelige, woeste omgeving; zij dacht slechts aan dood en schande, en hare ziel was bij God, den Vader der ongelukkige onschuld. Reeds stond de voorzittende regter op om eene aanspraak te houden, toen nogmaals een nieuw en vierde bedrijf op het bonte theater zich opende.
Op des jonkers arabisch ros kwam, zonder zadel, een dienaar aanrennen. Vrouwen en kinderen vlugtten voor zijnen woesten galop; een witte doek zwaaide hij boven zijn hoofd, en
» Genade! houdt op!’’
klonk het uit zijnen mond. — Het volk en de regters maakten andermaal eene nieuwsgierige beweging bij de

[pag. 167]

nieuwe verschijning; doch eer nog de ademlooze ruiter tot woorden kon komen, volgde jonker HEYMAN zelf hem te paard, en achter hem een aantal gewapende dienaren.
» Houdt op! Men ga niet verder!’’ riep de jonker met inspanning, en sprong van zijn ros. » Mijn vader is zoo even gestorven, ik ben nu uw heer, en ik hef, krachtens mijne magt, proces en vonnis op. — En ook gij weer hier onder deze wilden, mijn arm, diep gekrenkt ELSKE?’’ voegde hij er bewogen bij.
» Hoe kan ik weer goed maken, wat haat, laster en wreedheid u hebben aangedaan.’’
ELSKE zonk geheel uitgeput aan zijne knieën neder; JOOST echter, die haar ondersteunde, riep luide uit;
» God is gekomen! God heeft mijnen jonker gezonden! En nu durf ik het met al dit volk op te nemen.’’
Met donker en ontevreden gelaat, hoewel onder vele buigingen, naderde thans de voorzittende regter.
» Terwijl ik,’’ sprak hij, » uwe edelheid eerbiedige, als mijnen nieuwen heer, wage ik te gelijk van wege mijn ambt aan te dringen op de voltrekking van het oordeel door het gerigt uitgesproken en door uwe edelheids zaligen vader manu propria onderteekend. Eerbiedig des vaders woord, zulks is den zonen goed; verdelg des duivels werk, zulks is de pligt van den christen.’’
» Ja, in het water en het vuur met het heksengebroed!” riepen meer voorbarige stemmen.
» Vooruit met de gewapenden!’’ beval heyman toornig. » Wie heeft hier te beslissen over leven en dood? Meent gij, dat ik, omdat ik nog jong ben, met mij spelen laat, waar het menschenlevens en mijn erfregt geldt ? Ik zal u liefhebben, maar de weerspannigen zal ik tuchtigen, gelijk mijn vader deed. Ik vernietig dit proces volkomen, uit pligtgevoel en eigen verlangen.’’

[pag. 168]

Die vaste houding van den nieuwen heer miste zijne werking niet; hoewel onwillig onderwierp zich het geregt en zweeg.
ELSKE begon zich een weinig te herhalen.
» Wees onbezorgd, ELSKE!’’ sprak HEYMAN op een vasten toon; » gij staat onder mijn schild en uwe lijdensuren nemen een einde.’’
» Maar mijne moeder! waar is mijne moeder?’’ riep ELSKE plotseling, uit hare verdooving ontwakende. Allen wendden zich om naar den dijk, waar de dienaren des geregts juist bezig waren, het ligchaam, dat half zigtbaar was, met hunne stangen naar zich toe te halen. Met een gil stortte ELSKE op den grond neder.
» Ook dat nog?’’ zuchtte HEYMAN.
JOOST echter, dien WOLFS verhaal inviel, knielde bij de geliefde neder, vouwde de handen en sprak:
» Neen, ELSKE, gij kunt niet sterven! Gij zult ontwaken tot vreugde en geluk; want overal is Hij tegenwoordig, de groote Vader in den hemel! De onschuldigen en regtvaardigen treden onbeschadigd uit den storm te voorschijn, maar zijn Godsgerigt vindt de schuld, zij ze ook nog zoo verborgen.’’

____________

 

Heer HEYMAN was een zachtmoedig en regtvaardig gebieder voor zijne onderdanen, en werd ook meer door hen bemind, dan ooit zijn overleden vader. Doorgaans woonde hij te Ysselmuden, doch somtijds toefde hij ook eenige dagen in zijn huis te Kampen, op welks grondvesten, toen het door ouderdom instortte, een ander gebouwd werd, dat thans nog kenbaar is aan zijn hoogen, spitsen gevel. Hij bleef de beschermer en weldoener van JOOST en ELSKE, die op dezelfde plaats, waar STIENES hutje gestaan had, een vroom en tevreden leven leidden in een

[pag. 169]

goed en sterk huis, dat zij hadden opgetrokken van hetgeen zij van hunnen oom hadden geërfd. De poel, waar STIENE het leven had gelaten, heette nog vele jaren de heksekolk. In 1464, toen de stad vergroot en de ringmuur van den tegenwoordigen burgwal daarheen werd verplaatst, waar hij thans gedeeltelijk nog wordt gevonden, werd ELSKE’S huis met den omtrek en ook de heksekolk in de stad besloten. Het water werd gedempt, doch eer men er huizen op bouwde, werd de plaats, om allen boozen invloed te bannen, plegtig met wijwater gereinigd. Twee jaren te voren was in de nabijheid een klooster gebouwd, onderworpen aan de regels van St. BRIGITTA; men wilde door de tegenwoordigheid van heilige dienaren des Heeren, de oorzaak tot vrees, die de plaats opleverde, wegnemen. Hunne wijwaterbesprenging, hunne gebeden en hun heilig leven hadden dan ook de uitwerking, dat een der monniken, naar men zeide, toen hij de plek, waar de heksekolk geweest was, des avonds voorbij ging, de heilige BRIGITTA zelve, door hemelsche glorie omhuld, door de lucht zag zweven. Sedert noemde men den weg, die van het Brigitten-kerkhof, over de plek van den heksekolk, naar de Veenepoort voerde, de Heilige steeg.

 

_________

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *