Derde Hoofdstuk

DERDE HOOFDSTUK.

Van het jaar 886 tot 1095.

 

     Nadat de dwingelandij der Denen en Noor­mannen beteugeld, en het gebied hunner vorsten hier te lande geheel vernietigd was, werden de friesche en Saksische graven in hun vorig bestuur hersteld, en met grooter magt bekleed. Ver­scheiden graafschappen werden vereenigd, en het bewind daarvan opgedragen aan die graven, welke het meest hadden uitgemunt; ten einde alzoo de grenzen en zeekusten tegen nieuwe invallen te beschermen.
In ’t jaar 889 werd een gedeelte van Fries­land, gelegen ten westen van den Rijn, toen bij Katwijk in zee loopende, door Arnold, die na Karel den dikke, koning van Lotharingen geworden was, opgedragen aan den frieschen graaf Gerolf, die door zijnen zoon Dirk in het bestuur werd opgevolgd. Zijn graafschap is vervolgens tot aan het Vlie uitgebreid en Hol­land genoemd. De volgende graven van Holland zijn ook graven van Zeeland, en zeer magtige vorsten geworden.
De bisschoppen van Utrecht werden inzonder­heid door de keizers en koningen bevoorregt, en kregen daardoor gelegenheid, om hun wereldlijk regtsgebied verder uit te breiden. Dat gedeelte van Friesland, waarin de zetel van hun bisdom

[43]

gevestigd was, heeft ook den naam van Fries­land verloren, en werd vervolgens het sticht Utrecht genoemd. De daaraan grenzende Geldersche landschappen werden mede onder één be­stuur vereenigd. In 879 was het zelve door Lodewijk, koning van Duitschland opgedragen, aanWichard die, nevens zijne opvolgers, Voog­den, naderhand Graven, en in later tijd Hertogen genoemd zijn geworden. Het graafschap Zutphen is in de elfde eeuw ook onder hun be­stuur geraakt, en hun gezag en vermogen ver­volgens aanmerkelijk toegenomen. Het gedeelte van Friesland ten oosten van het Vlie werd, na het vertrek der Denen, ook weder door zijne eigene vorsten bestuurd; hetzelve heeft tot nu toe den ouden naam van Friesland behouden. Groningen en Drenthe zijn naderhand daarvan afgescheiden, en onder het bestuur der Bisschop­pen van Utrecht gekomen.
De westfaalsche graafschappen Salland, Twenthe en Hameland, toen nog onder het hertogdom Saksen behoorende, geraakten ook weder ouder het bestuur der vorige Saksische graven. Everhard, graaf van Hameland, werd tot hertog verheven; doch in 893, op de jagt zijnde, door Wa1ge r, zoon van den frieschen graaf Gerolf, van het leven beroofd.
De Saksische graven ontleenden, gelijk vele andere graven hier te lande, hun gezag van den koning of keizer van Duitschland. Zij waren landvoogden en regters, moesten de schattingen, boeten of breuken en de tollen doen invorderen, en hadden het bestuur over de keizerlijke goede-

[44]

ren, in hunne graafschappen gelegen. Zij had­den ook hunne eigene vrije goederen, bestaande in landhoeven met akkers, weiden, bosschen, wateren, nevens de huizen, hutten, slaven en slavinnen daarbij behoorende. Zij hielden hun hof in een groot en sterk gebouw op een hunner voornaamste landhoeven, welke daarvan Hofsteden genoemd werden. De mindere graven en edelen bewoonden ook hunne eigene hofsteden en land­goederen, hadden doorgaans eenige bediening aan het hof van den graaf; zij verzelden hem op de jagt en andere togten, of werden aangesteld tot schouten en regters in de marken onder zijn graafschap behoorende. Andere voorname landzaten hadden doorgaans ook verscheiden landhoeven, waarin destijds de grootste rijkdom be­stond, en alzoo er in deze streken nog geene steden waren, woonden ook al de anderen, zoo­wel aanzienlijken als geringen, op het land. Die vrije eigen goederen bezaten waren verkiesbaar tot schepenen, om, nevens den schout of regter, te regt te zitten, en het markengerigte uit te maken. Zij werden daarom schepenbaar vrijen genoemd en waren, zoowel als de edelen, dienstmannen van den graaf, en gehouden onder zijn bevel ten strijde te trekken.
De overige vrije lieden, die geen land in ei­gendom hadden, woonden op de landhoeven der edelen of andere bezitters, oefenden den land­bouw uit, en waren boeren. Voor het gebruik van zoodanige landhoeven, met de huizen en slaven daarbij behoorende, moesten zij eene jaarlijksche pacht of thins opbrengen, bestaande in koren,

[45]

honig, was en andere voortbrengselen van den grond; zij werden vrije thinsmannen genoemd.
De slaven welke op de landhoeven als gra­vers, houthakkers, en tot den akker en veldar­beid gebezigd werden, behoorden, met hunne vrouwen en kinderen aan den hofheer, die hen kon verruilen of verkoopen als zijn vee, en zelfs over hun leven kon beschikken. Hun werd ech­ter, na lange trouwe dienst, dikwijls eene geheele of gedeeltelijke vrijheid toegestaan, en vele vrijgelatenen woonden ooit als boeren, op de landhoeven hunner heeren, maar bleven dan tot huisdiensten, wagenvrachten of tot eenigen anderen arbeid verbonden. Het was hun ook niet geoorloofd eene vrouw te nemen, dan met be­williging van den hofheer, die ook hun erfge­naam werd. Zoodanige werden hoorige lieden, en de goederen waarop zij woonden hofhoorige goederen genoemd, omdat dezelve aan het hofgerigt van den hofheer onderworpen waren.
De geringste vrije lieden woonden in de dor­pen en gehuchten, bestaande uit eenige huizen of hutten nabij elkander gebouwd, en elk voor­zien van eenen kleinen akker en moeshof; terwijl een gedeelte van het omgelegen veld, tot eene gemeene weide voor hun vee diende.
Deze dorpen werden doorgaans aangelegd op den onverdeelden grond der marken in de nabij­heid der hofsteden, ten einde onder derzelver bescherming veiligheid te genieten, en gelegen­heid te vinden om de middelen van bestaan te verbeteren. Men vond echter ook dorpen langs de rivieren en in lage streken, waar geene hof-

[46]

steden waren, en de inwoners zich voornamelijk met jagt en visscherij moesten generen; en zoo­danig een dorp zal Kampen destijds geweest zijn, waarschijnlijk bestaan hebbende uit eene streek houten huizen en hutten, met riet gedekt, langs den IJssel, met eene houten kerk of kapel ten plaatse, waar naderhand het H. Geesten gasthuis gebouwd is, terwijl het bijgelegen broekig en moerassig land, thans nog de Broeken genaamd, toen reeds de gemeene weide voor het vee der dorpelingen zal geweest zijn. Het gewone be­drijf derzelve zal ook, gelijk lang te voren, be­staan hebben in de veefokkerij, jagt en visscherij, waartoe de IJssel, de menigvuldige water­plassen en bosschen goede gelegenheid aanboden. Zalk, Wilsum en IJsselmuiden waren vermoe­delijk ook reeds in wezen, en in de velden en veenen, beneden Kampen, ter weerszijden van den IJssel, zich tot aan Urk uitstrekkende, zullen meer andere gehuchten gelegen hebben; dan alzoo er nog geene dijken waren en die lage streken voor gedurige overstroomingen bloot la­gen, moesten de inwoners dikwijls naar de bij­gelegen hoogere plaatsen, als Urk, Harderwijk, Kampen, Vollenhove, de wijk nemen, van waar Harderwijk deszelfs naam zal bekomen hebben. En behalven dat de aan zee gelegene gewesten door het geweld van stormen en zeevloeden bij­zonder veel te lijden hadden, was de staat van geheel Friesland en Saksenland thans aanmerke­lijk verachterd; de sterkten, legerplaatsen en vaste wegen, door de Romeinen aangelegd, wa­ren grootendeels vervallen en verwoest; geduren-

[47]

de bijna vijf eeuwen, welke na hun vertrek verloopen waren, was het land eerst door de lang­durige verwoestingen der Saksers, en daarna door de herhaalde invallen der Noormannen, deerlijk gehavend; terwijl daarenboven de bijge­bleven woestheid der toenmalige inwoners, den aangroei van welvaart en vermogen nog tegen­werkte. De invloed der geestelijken had echter reeds hier en daar eenige verandering te weeg gebragt, en de bisschoppen van Utrecht, welker aanzien thans begon te rijzen, poogden ook den bloei en de welvaart hunner landen en onderhoorigen te bevorderen, om daarop hun eigen gezag te kunnen vestigen; waarin zij door vele vergunningen hunner oppervorsten werden onder­steund.

In 895 had Arnold, koning van Duitschland, zijnen natuurlijken zoon Zwentibold tot ko­ning van Lotharingen verheven. Deze kwam in 900 te Nijmegen, en bevestigde aldaar, op ver­zoek van den utrechtschen bisschop Odilbald, de giften, door zijne voorzaten Pipijn, Karel den groote, Lodewijk den vrome en andere vorsten aan de kerk van Utrecht gedaan; waarbij aan dezelve waren toegestaan de tienden van de slaven, of lijfeigenen, van de voortbrengselen des lands, van de tollen op koopwaren en andere voorwerpen, waarbij aan den bisschop de voogdij en bescherming der onderhoorigen van de kerk was opgedragen, en aan den handeldrijvenden vrijheid van de tollen en lasten, welke in Wijk te Duurstede geheven werden, was verleend. De bisschop verwierf te gelijker tijd voor alle vrije

[48]

St. Martens lieden, welke zich op handel en scheepvaart wilden toeleggen, gelijke vrijstelling van de tollen en schattingen, te Deventer, Tiel en in andere plaatsen van het sticht, alwaar hun gelijke voorregten werden toegestaan, als de stichtsche kooplieden tot nu toe te Wijk te Duurstede genoten hadden; terwijl allen die hen daarin zouden verkorten of benadeelen, bedreigd werden met den toorn van God, en de ongenade van St. Marten, den patroon of beschermheilige der Utrechtsche kerk.
In het zelfde jaar overleed koning Arnold, en zijn eenige wettige zoon Lodewijk, een kind van zeven jaren, werd tot koning van Duitschland verheven. Zwentibold, koning van Lo­tharingen, sneuvelde kort daarna in een gevecht, en toen geraakte de jonge Lodewijk ook in het bezit van Lotharingen. Hij was de laatste man­nelijke nakomeling van Kare1 den groote, en stierf reeds in 911, zonder kinderen. De duitsche vorsten verkozen daarom den frankischen hertog Koenraad, een afstammeling van Gisela, kleindochter van Karel den groote, tot koning. Hij bevestigde in 914 ook alle de voor­regten door vorige koningen aan de Utrechtsche kerk geschonken. De toenmalige bisschop Rad­boud, een nakomeling van de oude friesche ko­ningen, beijverde zich zeer, om de afvallig ge­worden ingezetenen tot het christen geloof terug te brengen; doch was genoodzaakt, wegens de verwoestingen, welke door de Denen weder in Utrecht gepleegd waren, den zetel van zijn bis­dom naar Deventer te verplaatsen; en gedurende

[49]

zijn langdurig verblijf aldaar was hij onvermoeid bezig, om aan de inwoners der bijgelegene ge­westen het evangelie te prediken, en de verval­len zaken te herstellen.
Reeds ten tijde van Karel den groote, nadat de christelijke godsdienst algemeen was aangeno­men, hadden de graven en andere aanzienlijken van dezen oord, ter oprigting van kloosters en voor het onderhoud der geestelijken, verscheiden landgoederen weg geschonken, gelegen in Twenthe en Salland; bosschen langs den IJssel, woes­te gronden en veenen aan de monden van die rivier nabij de zee, bouw- en weilanden in Doornspijk en landhoeven en bosschen op de Veluwe; deze kloosters waren verwoest, de monniken ver­strooid, de goederen vervreemd, en Radboud vond dus gelegenheid, om dezelve in het bezit dezer goederen, en de vreedzame uitoefening hunner bediening te herstellen, en tevens zijn regt te hernemen op zoodanige landen, bosschen, slaven en andere eigendommen, als door de gra­ven dezer gewesten voorheen ook reeds aan de kerk van Utrecht geschonken waren. Hij stierf te Ootmarsum in 917, en werd te Deventer be­graven.

In 919 overleed koning Koenraad, en de regering van het Duitsche rijk werd opgedragen aan eenen Saksischen hertog, Hendrik, bijge­naamd de Vogelaar, afkomstig van den sak­sischen koning Widechund, van moeders zij­de afstammende van Gisela, kleindochter van Karel den groote. Hij poogde zich aanstonds meester te maken van Lotharingen, welk gewest,

[50]

 

na het overlijden van den jongen koning Lodewijk, in bezit genomen was door Karel den eenvoudige, Koning van Frankrijk: na eenige ge­vechten kwam men in 921 tot een verdrag, waar­bij alles ter regter zijde van den Rijn aan Hen­drik, en ter linker zijde aan Karel zoude blij­ven. Karel derhalve, als koning van Lotharin­gen nog over het gedeelte van Friesland, ter linker zijde van den Rijn gelegen, het gebied behouden hebbende, bevestigde den frieschen graaf Dirk in zijn bestuur, en voegde nog verscheide­ne landen bij zijn graafschap, hetwelk vervolgens Holland genoemd werd.

In 924 werd koning Karel de eenvoudige af­gezet, en Hendrik de Vogelaar nam dade­lijk bezit van deszelfs aandeel van Lotharingen ter linker zijde van den Rijn, waaronder Holland, Zeeland en Utrecht behoorden, en hetwelk ver­volgens als een hertogdom bij het duitsche rijk is gebleven. Hij beoorloogde vervolgens de Hun­nen of Hungaren, die reeds verscheiden jaren in Duitschland rondgezworven hadden, maar nu tot in Westfalen, Gelderland en Friesland waren doorgedrongen. Al de westfaalsche, friesche en andere graven moesten met hunne onderhoorigen zich voegen bij het leger van koning Hendrik, die daarmede naar Westfalen trok, doch met zoo verschillende en ongeoefende benden geen hoofdtreffen wilde wagen. Eenige der zijnen hadden echter het geluk, een voornaam legerhoofd der Hunnen gevangen te nemen, en voor hem te brengen. Er werd voor deszelfs bevrijding eenen grooten schat van zilver en goud aangeboden,

[51]

maar koning Hendrik wees alles van de hand, het veiliger oordeelende een wapenstilstand voor negen jaren te sluiten, gedurende welken tijd hij de verschillende krijgsbenden onder een verbe­terd bestuur bragt en in den wapenhandel oefen­de. Hij deed vele dorpen in Duitschland met muren en grachten omringen, maakte dezelve tot steden en burgten, hij deed een gedeelte der gewapende boeren van het land binnen de muren der nieuwe steden trekken, om huizen en maga­zijnen te bouwen; rigtte vervolgens schutterijen op, en hield van tijd tot tijd ren- en steek­spelen, om zijne ruiters te oefenen. In 934, de wapenstilstand geëindigd zijnde, wilden de Hunnen den oorlog hervatten, maar koning Hendrik was toen in staat hen geregeld het hoofd te bieden; hij behaalde twee roemrijke overwinningen, en hunne geheele magt werd ver­slagen en verjaagd. Hij wendde daarop zijn le­ger tegen de Noormannen, die weder eenen inval in Friesland ondernomen, en in Utrecht nieuwe verwoestingen aangerigt hadden. Balderik, de graaf van Goor en Twenthe gaf hier uitstekende blijken van dapperheid, en viel met zijn volk de Noormannen zoo hevig aan, dat zij allen versla­gen of gevangen genomen wierden, en het land daardoor van deze rooverbenden werd gezuiverd. Balderik was niet alleen een goed krijgs­man, maar ook beroemd om zijne geleerdheid, iets zeldzaams in zijnen tijd. Hij werd wegens zijnen godsdienst-ijver de vrome bijgenaamd, en was na den dood van Radboud reeds tot bis­schop van Utrecht benoemd; doch had, wegens

[52]

het verwoesten van Utrecht, zijn verblijf in De­venter gehouden en intusschen de kerk aldaar herbouwd. Nadat hij echter de Noormannen verdreven had, vestigde hij zijnen zetel weder in Utrecht, omringde die stad met muren en torens, herstelde de verwoeste kerken, en verzamelde de verstrooide geestelijken. Koning Hendrik be­vestigde hem ook in alle de voorregten, welke de vorige bisschoppen genoten hadden, en deed zijne zonen Otto en Bruno door hem onder­wijzen; waardoor zijne achting bij dezen vorst, en den luister van zijn bisdom nog meer werd bevorderd.

In 936 stierf koning Hendrik de Voge­laar, en zijn zoon Otto I volgde hem op in het rijksbewind. Deze vorst had weder te strij­den met de Hunnen en Noormannen, en tevens zware binnenlandsche oorlogen te wederstaan; maar hij behaalde allerwege de overwinning. De ontevredene rijksgrooten moesten zich onderwer­pen, de Hunnen werden verslagen en verjaagd, en de Denen en Noormannen cijnsbaar gemaakt aan het duitsche rijk. Onder zulk eenen magtigen beschermer genoot het bisdom van Utrecht eene bestendige binnenlandsche rust, en koning Otto begiftigde zijnen leermeester Balderik met vele nieuwe voorregten. Onder andere schonk hij hem in ’t jaar 937 het regt om in Utrecht bisschoppelijke munt te slaan, en de voordeelen daarvan alleen voor zich en zijne kerk te genieten. Zes jaar later, in 943, verleende Otto den bis­schop en deszelfs opvolgers het uitsluitend regt tot de jagt op herten, beeren, wilde zwijnen,

[53]

steenbokken, wilde geiten en ander grof wild in het bosch van Vollenho, toen behoorende onder Drenthe, en droeg hem tevens het oppertoezigt over al de bosschen van dat graafschap op, waarin geene graven of heeren zouden mogen jagen, dan met patent of verlof van den bisschop, die de voordeelen van het boschregt zoude genieten, zoo als de koning en zijne voorzaten die genoten hadden.

In 947 gaf Otto den bisschop Balderik ook het regt tot de visscherij in de Eem, en de zee, of het oude meer Flevo, toen Almere ge­noemd. Hij bevestigde hem ook in het genot van de tienden, en den vrijdom van alle keizer­lijke schattingen, welke in zijn bisdom geheven werden, van Duurstede af, tot aan de zee Al­mere toe, en in de eilanden en andere plaatsen aan die zee gelegen. De koning stelde hem daar benevens in het bezit van verscheiden landhoeven en bosschen, langs de Vecht en elders gelegen, welke andere graven ter leen bezeten hadden, met de gebouwen, slaven en alles wat daarbij behoorde. Eindelijk nog gaf hij aan de kerk van Utrecht een klooster in Tiel, met eene kerk, van steen nieuw opgebouwd, zoo als er toen weinige waren. Deze weldadige vorst schonk, ook vele zijner goederen, hier te lande gelegen, aan bijzondere kloosters; als in 956 aan het klooster te Maagdenburg dertig hutten, of wo­ningen in Deventer, elf landhoeven buiten het­zelve in Hameland, zijnde het graafschap van Wichman, en zeven landhoeven in het daarbij gelegen graafschap van E verhard, alsmede

[54]

verscheiden andere zijner eigendommen, in den omtrek van Deventer gelegen.

In 968 werd door den genoemden Wichman een klooster gesticht te Elten, in zijn graafschap Hameland gelegen; hij stelde zijne dochter Lutgarde tot abdisse van hetzelve aan, en koning Otto begiftigde dat klooster met alle zijne goederen in het graafschap Salland, in de marke urk, gelegen, welke de graaf Wich­man ter leen hield, bestaande in landhoeven met de daarbij behoorende slaven en slavinnen, woningen, bosschen enz. alsmede eenige landhoeven in Naardingerland, ten zuiden van de marke Urk, door een streng van den IJssel van Salland afgescheiden, en nog eenige goederen in Hameland, tot des konings schatkist behoorende; over alle welke goederen de abdisse zoude kun­nen beschikken. De koning had ook in Italiën gewigtige diensten bewezen aan den Paus, en was in 960 te Rome door denzelven tot keizer gekroond, doch kort daarna tegenkantingen ontmoetende, zette hij den Paus dadelijk af, en naderhand nog een’ anderen, doende telkens eenen nieuwen verkiezen, waardoor de rust ein­delijk geheel hersteld werd.
Bisschop Balderik had intusschen ook eenen togt naar Rome gedaan, en eenige overblijfselen van martelaren van daar medegebragt, welke dienen zouden om de kerken te Utrecht op te schikken.

In 973 stierf keizer Otto de I en werd door zijnen zoon, Otto II, in de keizerlijke waardig­heid opgevolgd. Deze vorst gaf aan het klooster

[55]

te Elten ook eenige nieuwe voorregten. De gees­telijke zusters verkregen vrijheid om, met hulp van den bisschop van Utrecht, hare eigene abdisse te mogen verkiezen. Hij schonk aan dat kloos­ter de opbrengst van den tol der visscherij in Salland, alsmede den Cathentol, dat is kaden of oevertol, welke op den IJssel geheven werd; en aan de kerk van Utrecht gaf hij het regt van den tol te Deventer, welke vervolgens de Bisschopstol genoemd werd.

In 977 overleed bisschop Balderik, na dat hij 89 jaren het bisdom van Utrecht bestuurd, en deszelfs aanzien en welvaart aanmerkelijk be­vorderd had; terwijl de landzaten, door geene verwoestende invallen van vreemde volken veront­rust, de vruchten van hunnen arbeid zelve kon­den genieten, en daardoor aangemoedigd werden, om zich op de verbetering en uitbreiding hunner bezittingen toe te leggen.

In 983 stierf Otto II, en zijn zoon Otto III nog maar drie jaren oud, werd keizer, onder de voogdij zijner moeder Theofana. Hij begif­tigde den graaf van Holland met verscheidene landen, welke deze tot nu toe van het rijk ter leen gehouden had, voornamelijk in Kennemerland en het land van Texel gelegen, ’t welk toen nog geen eiland was.

In 991 werden deze aan zee gelegene landen onverhoeds aangetast door eene sterke bende zeeroovers, die ook eene landing deden in het graaf­schap Staveren, dat toen aan het land van Urk grensde, en alleen door den noordelijken arm des IJssels daar van was afgescheiden. Zij plunder-

[56]

den de meeste dorpen langs den zeekant deerlijk uit, zonder echter verder landwaarts door te dringen. Maar in het graafschap Hameland waren intusschen hevige onlusten voorgevallen. De graaf Wichman, die het klooster te Eltea, gesticht, en met de meeste zijner bezittingen begiftigd had, was aldaar overleden. Zijne dochter Ade­la bewerende, dat volgens het saksisch regt, haar vader zijne goederen zonder hare bewilliging niet had mogen wegschenken, eischte dezelve te­rug. Zij onderhield, na den dood van haren man, eene naauwe vriendschap met eenen jongen ridder, Balderik genaamd, die hare eischen openlijk verdedigde; maar hare zuster Lutgar­de, de abdisse van het klooster te Elten, had ook eenen ridder aan de hand, die hare bescher­ming op zich nam, aanstonds het harnas aan­schoot, en met zijn volk het slot van Adela innam, uitplunderde en in brand stak. Adela, die bij nacht het gevaar was ontkomen, was nu alleen bedacht op wraak, liet hare zuster door vergif heimelijk van kant helpen, en nam daarop bezit van de goederen, door haren vader en zus­ter aan het klooster geschonken. Op bevel des keizers moest zij dezelve echter met schande weder verlaten, uithoofde zij geenen wettigen man ten voogd en beschermer had; doch zij begaf zich spoedig daarop in het huwelijk met den voor­noemden Balderik, die toen aanstonds op haar bevel den Eltener berg deed bezetten, het kloos­ter met geweld weder overmeesterde, en de dor­pelingen die in hetzelve gevlugt waren, gevangen deed wegvoeren. De keizer daarover ten uitersten

[57]

verstoord, begaf zich naar Nijmegen, om deze geweldadigheden te beteugelen ; doch liet zich door tusschenkomst van vrienden en eene goede somme gelds bewegen tot een verdrag ; volgens het welk aan Balderik en Adela, uit de goe­deren hares vaders, vier landhoeven werden afge­staan, doch alle de overigen verbleven aan het klooster, hetwelk de keizer onder zijne bijzondere bescherming nam, en aan de nieuwe abdisse daar­enboven nog toestond de vrije hertejagt in vier bosschen op de Veluwe, met vergunning, dat in­dien een hert of hinde uit die bosschen mogt ontvlugten, hare jagers hetzelve ook in andere bijgelegen bosschen zouden mogen vervolgen. Een dezer vier bosschen was genoemd het Staversche bosch, waar van nog een gedeelte in wezen is bij de hofstede Staveren op de Veluwe; de overige zijn door den tijd weggeraakt en verwoest; de naam derzelve wordt echter nog bewaard in de buurschap Vierholten bij Elspeet.

In 1002 overleed keizer Otto III in Italien, en Hendrik II, broeder van Otto I werd tot keizer verkoren, en te Aken gekroond. Hij kwam kort daarna te Utrecht, en vervolgens te Nijme­gen, ten einde den ridder Balderik, die door Adela opgezet, zich weder door geweld had meester gemaakt van het klooster te Elten, van daar te verdrijven en in bedwang te houden. Hij schonk verscheiden nieuwe bezittingen en voorregten aan de kerk van Utrecht, wier luister en vermogen ook zeer bevorderd werd door den toenmaligen bisschop Ansfrid, die dezelve met vele zijner eigene goederen begiftigde.

[58]

In 1009 werd de rust van het bisdom echter gestoord door eenen onverwachten inval der Noor­mannen, die de Maas opvoeren tot aan Tiel; waar de voogd van Gelder zijn hof hield, en welke stad zij zoowel als de omliggende dorpen uitplunderden. Zij werden echter door de Gelderschen verdreven; maar herhaalden hunnen aan­slag in het volgend jaar met een vloot van ne­gentig schepen; dan toen een aanzienlijk leger gereed vindende, behaalden zij weinig voordeel, voeren Utrecht voorbij, zonder op die stad iets te ondernemen, en verlieten deze landen, welke vervolgens van hunne invallen geheel bevrijd zijn gebleven.
Na den dood van Ansfrid werd Adelbold bisschop van Utrecht, die krijgszuchtig en onder­nemend van aard, door keizer Hendrik II werd gelast, om de geweldenarijen, welke door Balderik en Adela nog steeds in Hameland gepleegd werden, te keer te gaan. Adela had, om het gezag van haren man Balderik te vergrooten, eerst haren zoon en daarna haren broe­der laten vermoorden. De bisschop belegerde het kasteel waaruit Balderik met zijne knech­ten gevlugt was; maar zij plaatste de vrouwen, die in hetzelve overig waren gewapend en met helmen op het hoofd achter de borstweringen op de muren en torens, als of er eene talrijke be­zetting in lag; en, na zich alzoo eenen geruimen tijd mannelijk verdedigd te hebben, bedong zij vrijen aftogt. Haar kasteel werd afgebroken en verbrand, en zij bleef in eene algemeene ver­achting, zoodat zelfs na haren dood haar lijk

[59]

weder opgedolven, en in den Rijn gesmeten werd. Adelbold voerde vervolgens eenen fellen oorlog tegen den graaf van Holland Dirk III op wiens graafschap hij aanspraak; maakte; maar werd in twee bloedige gevechten volkomen gesla­gen, zoodat hij van zijn voornemen moest afzien. In 1024 schonk keizer Hendrik aan den bisschop, om zijn leed te verzachten, het graaf­schap Drente en stond de regering daarvan ge­heel aan hem af. In ’t zelfde jaar stierf de keizer, en een frankische hertog, met name Koenraad, werd in zijne plaats tot keizer verkoren.

In 1027 overleed ook bisschop Adelbold, en keizer Koenraad benoemde eenen dorps­pastoor, Bernulf genaamd, tot bisschop van Utrecht, omdat hij den keizer het eerst berigt had gebragt, dat de keizerin van eenen zoon bevallen was. De keizer hield dikwijls zijn ver­blijf te Nijmegen, en kwam in 1039 ook met zijn ganschen hofstoet, ter viering van het Pinksterfeest, in Utrecht, alwaar hij zeer onverwacht kwam te sterven. Zijn zoon Hendrik III volg­de hem op en begiftigde de Utrechtsche kerk met verscheiden goederen in Groningen en ande­re plaatsen van Drenthe, met de kasteelen, hui­zen, landen, bosschen, slaven enz., waarvan de graven of heeren, die zich aan opstand en rooverijen hadden schuldig gemaakt waren ontzet gewerden.

In 1042 schonk keizer Hendrik III insge­lijks aan de kerk van Utrecht de ommelanden van Vollenho, en in 1046 zijne eigendommen in

[60]

Deventer, met nog een groot gedeelte van het graafschap Hameland, ter weerszijden van den IJssel gelegen, met alle opkomsten van de munt, de tollen, en andere koninklijke regten. Door zoo vele giften werd het gebied der Utrechtsche bisschoppen over den IJssel al verder uitgebreid; terwijl het gezag der graven aldaar van tijd tot tijd verminderde. Sa1land bleef echter nog onder het bestuur van de Saksische graven tot in 1076, toen Egbert II, die door keizer Hendrik IV met het graafschap Salland, toen ook Isselgo genoemd, nevens de friesche graaf­schappen Oostergo, Westergo en Staveren be­leend was, in opstand geraakte, en aan het hoofd zijner Saksers de wapenen tegen den kei­zer opvatte. Hij werd spoedig beteugeld, maar als een rebel veroordeeld, en zijne goederen verbeurd verklaard, welke aan den bisschop van Utrecht werden opgedragen.

In 1087 werd graaf Egbert met den keizer verzoend, en in het bezit zijner graafschappen hersteld; maar hij ondernam kort daarna nieuwe vijandelijkheden, en de keizer tastte toen zijne bezittingen in Thuringen aan, doch werd genood­zaakt op de komst van Egbert de wijk te ne­men. Deze werd daarna verraderlijk omgebragt, en het graafschap Salland, benevens Oostergo, Westergo en Staveren weder aan den toenmaligen bisschop Koenraad opgedragen. Een gedeelte van het graafschap Hameland, ter regter zijde van den IJssel om Deventer gelegen, ’t welk in 1046 door keizer Hendrik III aan den bisschop van Utrecht geschonken was, werd vervolgens

[61]

met Salland vereenigd, en de naam van Hameland is daarna geheel verdwenen. Salland is van toen af ook niet meer als onder Westfalen en Saksenland behoorende aangemerkt; maar even als Twenthe, Vollenho, Groningen en Drenthe, on­der het bisdom van Utrecht begrepen, en door de volgende bisschoppen, hun land over den IJssel, of het Bovensticht, en het overige van Utrecht het Nedersticht genoemd geworden.

Category(s): Geen categorie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *