Homines novi

Homines novi

Patriotten

Het was in de patriottentijd onrustig, vooral in Overijssel. Joan Derk van der Capellen hield met zijn wilde ideeën, maar vooral door zijn openbaar maken van het in ridderschap en steden besprokene de gemoederen in beweging. De verhoudingen lagen niet altijd duidelijk. Soms waren de steden het eens met de rebelse edelman, soms ook waren de steden hopeloos verdeeld. Maar over één ding waren alle statenleden het eens: dit geruzie is niet bevorderlijk voor het provinciaal welzijn. De verwijdering van Joan Derk uit de ridderschap in 1778 gaf niet de gehoopte rust. Integendeel, de inmiddels in Zwolle wonende patriot had nu alle tijd zijn read-missie te bewerkstelligen. Met behulp van de steden en onder grote druk van de publieke opinie binnen en buiten Overijssel werd Van der Capellen in 1782 opnieuw toegelaten tot de ridderschap en daarmee tot de staten. Opnieuw was hij in dat college een eenzaam mens. De andere ridders – op een enkeling na – vertrouwden hem niet en ook de steden waren niet onverdeeld op zijn hand. Toen hij in 1784 stierf, was de factiestrijd nog volop aan de gang. Eén van de methoden in de strijd was het indienen van requesten en dat bij voortduring, waardoor het openbaar bestuur, dat deze stroom requesten totaal niet aankon, gefrustreerd werd. Toen echter de staten van Gelderland in een plakkaat het ter tekening leggen van requesten verbood, weigerden de stadsbesturen van Hattem en Elburg dit plakkaat af te kondigen. Uiteindelijk werden de opstandige steden Hattem en Elburg door de stadhouder gewapenderhand ingenomen. De Hollandse staten waren hierover zo verbolgen, dat zij op hun beurt de stadhouder schorstten als kapitein-generaal. Zijn echtgenote, Wilhelmina van Pruisen werd korte tijd later aangehouden bij Goejanverwellesluis. Hiermee was de maat voor haar broer, koning Frederik Willem II van Pruisen, vol. In 1787 veegde hij de vloer aan met de patriotten. De meest notoire patriotten werden verwijderd uit de besturen van steden en gewesten. Velen namen de wijk, een aantal naar Frankrijk, zoals de Hattemer Herman Willem Daendels. Voorlopig was de Oranje-partij weer aan de macht. De onder de laatste stadhouders ingeslopen feilen van het bestuur bleven overeind. De stadhouders, oorspronkelijk dienaren van de staten, leken hoe langer meer soevereinen, iets wat ze in hun Duitse landen ook daadwerkelijk waren. Hun huwelijken met koningsdochters maakten hen tot een dynastie van Europees formaat, voor wie een dienende rol als stadhouder eigenlijk te min was.

Franse revolutie

Tegelijk echter groeide wereldwijd het verlangen naar democratie. In 1776 leidde dat tot de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring en daarmee tot oprichting van de Verenigde Staten van Noord-Amerika en in 1789 kwam het in Frankrijk tot een revolutie tegen het absolutistische bewind van de Franse koningen. Aanvankelijk werd de Franse revolutie gevoerd onder de kreet: Liberté, Égalité ou la Mort. En inderdaad: de revolutie verslond haar eigen kinderen. Omwenteling volgde op omwenteling. Tot 1793 werden duizenden Fransen onder de quillottine

|pag. 57|

geëxecuteerd. De Déclaration des droits de l’homme et du citoyen gold alleen voor de mensen en burgers, die toevallig aan de goede kant van de macht stonden.

Bataafse revolutie

Vanaf 1794 werd de Franse revolutie een exportartikel. Het noordelijke Franse leger onder leiding van generaal Charles Pichegru liep de Oostenrijkse Nederlanden (België) onder de voet en stuitte in oktober 1794 op de Hollandse waterlinie. Brigadegeneraal in het Franse leger was Herman Willem Daendels. Zijn brigade bestond uit gevluchte patriotten, die onder zijn leiding het Bataafse legioen vormden. Vanuit Den Bosch riep hij zijn Gelderse en Overijsselse landgenoten op tot revolutie. Maar iedereen bleef afwachten. Pas nadat door de strenge winter de Hollandse waterlinie veranderd was in de Hollandse ijslinie, trokken de Franse en Bataafse troepen ongehinderd op richting Utrecht, dat op 16 januari 1795 werd ingenomen. Daendels overlegde met enkele Amsterdamse vrienden, dat het beter was zelf tot revolutie te komen, dan zich door de Franse troepen te laten innemen. Op 18 januari bevrijdde Amsterdam zichzelf en daarna begon de merkwaardigste revolutie uit de wereldgeschiedenis, de Bataafse revolutie, ook wel bijgenaamd de fluwelen revolutie. Een typisch Nederlands verschijnsel: een revolutie zonder bloedvergieten.
Een revolutie in naam ter voorkoming van een Franse verovering in werkelijkheid. Eind januari bereikte de revolutiegolf Hattem, Kampen en Zwolle, in februari gevolgd door Deventer, Vollenhove en Wilsum, daarna het grootste deel van Salland en het land van Vollenhove, waarna op 26 februari de Bataafse revolutie de heerlijkheid Almelo bereikte en op zondag 1 maart de stad Rijssen en daarmee Twenthe. Pas op 14 mei was heel Overijssel om; de laatste plaats was Diepenheim in het zuiden van Twenthe.

Revolutie in de staten van Overijssel

Bij een deel van de bevolking werd de inval van de Franse troepen als een bevrijding ervaren. Elders echter veranderde er feitelijk niets. Johan Antonie Zwier van Isselmuden tot Paaslo en Zwollingerkamp, die al sinds 1785 lid van de ridderschap was, kwam in februari 1795 in Zwolle ter vergadering van de provisionele representanten van het volk van Overijssel met de laconieke mededeling, dat hij voortaan het volk van Oldemarkt provisioneel zou representeren in het provinciaal bestuur.
Als hij het in Oldemarkt niet had verteld, dan hadden ze daar niet geweten dat er een revolutie aan de gang was.
Het statenlid namens Kampen, Wolf Floris van Hemert, heer van de Dingshof, was de eerste die op 1 februari in de statenvergadering kwam meedelen, dat zijn stad patriottisch was en dat hij afgevaardigde bleef.
Van Hemert was burgemeester van Kampen en statenlid sinds 1780 en toen ook onmiddellijk tot gedeputeerde benoemd. Vanuit Dalfsen meldde zich op 5 februari Gijsbert Lucas Geerlig van Fridagh als representant van zijn plaats in de staten. Al in 1785 had hij zich als eigenaar van de havesathe de Rutenberg aan-

|pag. 58|

Het nieuwe provinciale bestuur regeerde onder de leus: vrijheid, gelijkheid, broederschap

gemeld om toegelaten te worden tot de ridderschap. Van vaderszijde stamde hij uit een Westfaals adellijk geslacht en zijn moeder was Johanna Adriana van Dedem, die de Rutenberg verworven had uit de boedel van Willem Borchard Sloet. Van Fridagh werd echter niet tot de ridderschap toegelaten.
In 1795 was hij als overtuigd revolutionair getrouwd met het Dalfser dorpsmeisje Dirkje Bartelink en dus ver beneden zijn stand.
Omdat op die vijfde februari 1795 tien vertegenwoordigers van Sallandse dorpen tegelijkertijd een plaats in het provinciaal bestuur opeisten, werden de vertegenwoordigers van de ridderschap die dag naar huis gestuurd. Ook stadjes als Zwartsluis waren nog nooit betrokken geweest bij het provinciaal bestuur, maar onmiddellijk in februari 1795 koos zelfs het gedeelte van Zwartsluis buiten de vesting, “Nieuwesluis” een representant naar de provinciale landdag in de persoon van Peter van Raalte, winkelier aldaar en later grootvader van de bekende ds. Albertus van Raalte, één van de voorgangers van de Afscheiding van 1834.
Voortaan zou het volk regeren, dat was duidelijk. De nieuwe mensen in het bestuur, die voorheen verstoken waren van enige invloed, worden aangeduid als homines novi.
Zwolle, Kampen en Deventer zagen kans hun rol als “steden” te blijven spelen met uitsluiting van alle andere kleine steden. Voortaan werd het volk van Overijssel gerepresenteerd door afgevaardigden van de steden als vanouds en van het platteland van Salland, Twenthe en Vollenhove. En zo ging het college van gedeputeerden er op den duur ook uitzien.

|pag. 59|

Revolutie in gedeputeerde staten

Tot en met dinsdag 3 februari 1795 was de samenstelling van het college van gedeputeerden niet gewijzigd. De dagelijkse vergaderingen werden – die week onder voorzitterschap van de Vollenhoofse gedeputeerde Coenraad Willem Sloet tot Tweenijenhuizen – gehouden door het gebruikelijke zestal gedeputeerden, drie uit de steden en drie uit de ridderschap. Maar op 4 februari meldde Arnoldus Gelderman zich als de nieuwe gedeputeerde namens Zwolle. De oudgediende Willem Hendrik Wicherlink, regelmatig gedeputeerde sinds 1783, had het veld moeten ruimen. Gelderman was op dat moment 51 jaar oud en was de gelijknamige kleinzoon van een Zwolse gedeputeerde uit 1724-1725. Hij overleed in 1796.
De Kamper gedeputeerde Joost Jan op ten Noort moest op 5 februari plaats maken voor Assuerus Strockel. Ook Strockel was al lang statenlid, nl. sind 1781, maar nog niet eerder gedeputeerde geweest. Tot 6 februari bleven de gedeputeerden uit de ridderschap meevergaderen, maar op zaterdag 7 februari was het aantal gedeputeerden voorlopig teruggevallen tot een drietal, nl. Gelderman, Strockel (voorzitter) en als nieuwe vertegenwoordiger van de kleine steden en het platteland van Salland Joan Derk van der Wijck, oud-burgemeester van Zwolle en als zodanig sinds 1784 lid van provinciale staten en zelfs gedurende een half jaar ingevallen als gedeputeerde voor Willem Hendrik Wicherlinck. Naderhand was hij echter naar Raalte verhuisd en als provisioneel representant van het volk van Raalte was hij teruggekomen in het provinciaal bestuur. Hij was de eerste president van de provisionele representanten van het volk van Overijssel. Op 18 februari meldde Jan Arend de Vos van Steenwijk zich als afgevaardigde van het platteland en de kleine steden van Vollenhove; op 13 maart Gerrit Jacob Dumbar namens de stad Deventer en pas op 5 mei 1795 kwam namens het platteland en de steden van Twenthe een afgevaardigde naar het college in de persoon van Bernard ten Pol. Ook al was er een kwartaal lang geen Twentse bestuurder als gedeputeerde opgetreden, Twentse zaken werden vanzelfsprekend ook door de heren gedeputeerden geregeld.

Homines novi?

De homines novi in het eerste college van gedeputeerde staten na de Bataafse revolutie waren eigenlijk helemaal niet zo nieuw. Gelderman was al sinds 1779 lid van de Zwolse magistraat, maar had in 1788 voor die eer bedankt. Strockel was sinds 1781 tot 1788 en opnieuw sinds 1794 lid van de Kamper magistraat. Dumbar was zoon van de Deventer burgemeester en Overijssels statenlid Hendrik Willem Dumbar en ook zelf had hij al van 1779 tot 1786 zitting in de magistraat van zijn stad. Van der Wijck had een carrière als burgemeester van Zwolle achter de rug. De Vos van Steenwijk was al in 1785-1786 gedeputeerde voor Vollenhove geweest. Alleen Bernhard ten Pol had nog nooit aan de provinciale politiek kunnen ruiken, omdat hij uit Enschede kwam. Maar ook daar was hij nooit burgemeester geweest.
Latere gedeputeerden leken niet veel meer op homines novi: zo waren Jan Willem Tichler en Willem Herman Cost al in 1780, respectievelijk 1783, lid van de

|pag. 60|

Overijsselse staten geweest, voordat ze in 1796 en in 1797 voor Deventer gedeputeerde werden. Ook de latere gedeputeerden voor Salland en voor Vollenhove, Joachim Ernst Mulert en Jan Antony Zwier van Isselmuden zaten al eerder in de Overijsselse staten. Mulert sinds 1775 als eigenaar van de havesathe de Leemcule en Van Isselmuden als heer van Paaslo sinds 1785.
Alleen de latere gedeputeerden namens Zwolle, Kampen en Twenthe hadden voordien geen deel aan het provinciaal bestuur. Bijvoorbeeld Lambertus Nolst, gedeputeerde voor Zwolle gedurende de maand mei 1795, die daarna zich liet afvaardigen ter staten generaal, zich toen als arts in Den Haag vestigde en vervolgens een unitarische carrière maakte, door lid van de commissie voor de staatsregeling van 1798 en voor Overijssel lid van het bestuur van de West-Indische bezittingen werd. Ook Gerrit van Groll, gedeputeerde voor Zwolle in de tweede helft van 1795, maakte carrière in Den Haag als lid van het comité tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie. Van zijn opvolger Arnold Polier, gedeputeerde van januari 1796 tot de voorlopige opheffing van het college in 1798, heb ik overigens weinig kunnen vinden. Dat geldt ook voor de Kamper gedeputeerde Maurits Seis, die het tweede kwartaal van 1796 aan de macht was. Hij oefende in Kampen de advocatuur uit en werd in juli 1797 afgezet als lid van de Kamper municipaliteit. Ook Jacob Balthasar Forsten, gedeputeerde van augustus 1796 tot het eind van het college in februari 1798, is verder een tamelijk onbekende grootheid. In zijn eigen stad was hij één van de eerste volksvertegenwoordigers onder de nieuwe bedeling en hij overleefde vrijwel alle veranderingen tot 1801.
De tweede Twentse gedeputeerde H. Penninck Hzn., van november 1797 tot februari 1798, was voordien secretaris en ontvanger van Ootmarsum, maar als ambtenaar van een kleine Twentse stad was hij natuurlijk niet eerder betrokken geweest bij het provinciaal bestuur. Wel moest hij zijn ontvangerschap neerleggen, omdat hij als gedeputeerde ook de rekeningen van de ontvangers moest afhoren en vermenging van belangen was vóór de revolutie al problematisch, maar sindsdien toch echt uitgesloten. Van 1815 tot 1822 was Penninck opnieuw statenlid en daarmee was hij de enige gedeputeerde uit deze periode, die na de Franse tijd deel uitmaakte van het provinciaal bestuur.
De taken van het college waren in 1795 niet noemenswaard veranderd. De problemen waren echter veel groter geworden, omdat de economie ineenstortte.

Opheffing van gedeputeerde staten

Vanaf het begin van de Bataafse revolutie hadden de provisionele representanten gediscussieerd over de meest wenselijke staatsvorm. Ze waren provisioneel, want er was nog geen constitutie, die regelde hoe het landelijk, gewestelijk en plaatselijk bestuur eruit moest zien. Er waren drie stromingen. De groep federalisten wilden de gewestelijke soevereiniteit continueren. De groep unitariërs wilden van Nederland een eenheidsstaat maken, waarbij de rol van de provincies beperkt werd tot het uitvoeren van de nationale besluiten en daar tussenin zaten dan nog de moderaten.
Ook in Overijssel voerde men uitvoerig

|pag. 61|

discussie over de meest gewenste bestuursvorm. Vele provisionele representanten was het een doorn in het oog, dat de drie steden nog steeds de helft van de macht in Overijssel hadden.
Maar omdat de nationale vergadering van mening was, dat Overijssel niet op eigen houtje het eigen bestuur moest regelen gebeurde er niets.
De discussie op nationaal niveau duurde maar voort, totdat Daendels, nu als luitenant-generaal in dienst van de Bataafse republiek, op 22 januari 1798 een staatsgreep pleegde, waardoor de unitariërs definitief aan de macht kwamen. Onmiddellijk gevolg van deze staatsgreep was de opdeling van ons land in acht departementen naar Frans model, waarbij de oude provinciegrenzen verlaten werden. Op 12 februari 1798 kwam een agent van het nieuwe bewind naar Zwolle om daar een departementaal bestuur van zeven leden te installeren. Niet alleen het provinciaal bestuur was opgeheven, heel Overijssel was opgenomen in een grotere eenheid. Tegelijkertijd echter werden commissies in het leven geroepen voor de administratie der financiën van de voormalige gewesten.
Het nieuwe departementale bestuur zou voortaan vanuit Zwolle het departement van de Oude IJssel besturen, dat zich uitstrekte van Anlo en Sneek in het noorden tot Nijkerk en Diepenheim in het zuiden. Zwolle bleef hoofdstad toen in 1801 de oude grenzen en benamingen van de provincies weer in ere werden hersteld. Tot 1805 echter werd Drenthe met Overijssel tot één provincie samengevoegd. Welke veranderingen in staatsvorm ons land ook kreeg in de loop van de Franse tijd, provinciale staten kwamen niet meer voor in de verschillende staatsregelingen of constituties. Het departementaal bestuur van Overijssel kreeg zijn orders vanuit Den Haag, hetzij van raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck, hetzij van koning Lodewijk Napoleon, hetzij na 1810 zelfs uit Parijs van keizer Napoleon himself.
Zijn orders waren bestemd voor het bestuur van het département des Bouches de l’Yssel.

|pag. 62|

Gedeputeerden van provisionele representanten

Gedeputeerden namens Salland
mr. Joan Derk van der Wijck 7 feb 1795-5 mrt 1796
Joachim Ernst Mulert 6 mrt 1796-12 feb 1798
Gedeputeerden namens Twenthe
mr. Bernhard ten Pol 5 mei 1795-7 okt 1795
H. Penninck Hzn. 13 nov 1797-12 feb 1798
Gedeputeerden namens Vollenhove
mr. Jan Arent de Vos van Steenwijk 18 feb 1795-9 apr 1796
Jan Antony Zwier van Isselmuden 11 apr 1796-12 feb 1798
Gedeputeerden namens Deventer
mr. Gerrit Jacob Dumbar 13 mrt 1795-21 jul 1796
mr. Jan Willem Tichler 25 jul 1796-11 nov 1797
mr. Willem Herman Cost 13 nov 1797-12 feb 1798
Gedeputeerden namens Kampen
mr. Assuerus Strockel 5 feb 1795-9 apr 1796
Maurits Seis 11 apr 1796-9 jun 1797
mr. Jacob Balthasar Forsten 19 aug 1796-12 feb 1798
Gedeputeerden namens Zwolle
Arnoldus Gelderman 4 feb 1795-28 mrt 1795
Arnoldus Gelderman 13 apr 1795-7 mei 1795
Lambertus Nolst 8 mei 1795-1 jun 1795
Gerrit van Groll 2 jun 1795-16 jan 1796
Arnold Polier 18 jan 1796-12 feb 1798



|pag. 63|

|pag. 64|

Category(s): Overijssel
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *