6.0 Slotbeschouwing

     6.0 SLOTBESCHOUWING

     In onderstaand hoofdstuk staat de behandeling van de in paragraaf 0.1
geformuleerde vragen centraal.

Hoe werd het gasthuis/proveniershuis beheerd c.q. bestuurd?

Het gasthuis was een stedelijke instelling hetgeen betekende dat het stadsbestuur het algemeen bestuur vormde. De gekozen magistraat wees jaarlijks de gasthuisvoogden aan. Deze voogden vormden het dagelijks bestuur van de instelling.
Tot 1620 hield de magistraat zich nog vaak direct bezig met zaken het gasthuis betreffende. Zo vond bijvoorbeeld de aanname van een nieuwe provenier plaats in een bijeenkomst van de schepenen en raden welke werden bijgestaan door een of twee gasthuisvoogden.
Bij de organisatorische verandering in 1623/29 werd de bestuursgeleding eveneens veranderd; de twee gasthuisvoogden kregen niet meer direct met het stadsbestuur te maken doch met een drietal door de magistraat aangewezen gasthuisvaders. Meestal behoorde in ieder geval èèn van deze gasthuisvaders tot het corpus van de stad (meestal tot de meenthe of mindermeenthe).
Toen het economische tij in de tweede helft van de 17e eeuw verslechterde, versterkte het stadsbestuur haar greep op de gasthuisorganisatie door èèn van de burgemeesters, als geëligeerde van de magistraat, in het college van gasthuisvaders zitting te doen nemen. Allerlei beleidszaken liepen in het vervolg over drie schijven: de binnenvoogd, de rentmeester en de geëligeerde gasthuisvader. Het stadsbestuur kon aldus duidelijk controle uitoefenen op de gang van zaken in het gasthuis.
Daar het gasthuis aan het eind van de 17e eeuw te stellen kreeg met ernstige financiële problemen, versterkte het stadsbestuur zijn invloed binnen de instelling door maandelijks, middels rapportage van de geëligeerde burgemeester, in de voltallige magistraat over allerlei zaken aangaande de instelling te beslissen.
In 1749 werd door de Prins-Erfstadhouder besloten dat het bestuur van het gasthuis werd opgedragen aan de twee jongste leden van de magistraat, als oppervoogden, en de twee oudste gemeeenslieden als de dagelijkse of lopende provisoren. Aldus was het gasthuis iedere vorm van autonoom handelen ontnomen en het gasthuisbestuur geheel een stadsbestuurlijke aangelegenheid.

Welke waren de financiële middelen waar de instelling over beschikte?

de financiële middelen waar het gasthuis over beschikte kwamen in de periode 1570-1623 voornamelijk uit het in de middeleeuwen opgebouwde bezit aan onroerend goed en rentedragende leningen.
Vanaf 1623/29 werd de instelling tot een soort particulier bejaardentehuis. De lieden die in het tehuis kwamen betaalden inkooppenningen. De geldsommen die aldus bij de instel-

|pag. 66|

ling binnenkwamen ging men beleggen. De instelling werd om haar vermogen te kapitaliseren, tot een actief beleggingsfonds. In de eerste helft van de 17e eeuw belegde men hoofdzakelijk in rentedragende leningen. In de tweede helft van die eeuw verschoof het beleggingsaccent naar de onroerend-goed-sector.
In de laatste decennia van de 17e eeuw slaagde men er niet meer in het bezit verder uit te breiden; zo rond de eeuwwisseling sloeg de balans zelfs door naar de andere zijde en begon de instelling op haar vermogen in te teren.
Uit zijn bezit trok het gasthuis pachten, huren en renten. Tevens dreef men gedurende vele jaren een eigen boerderij welke vele landbouwprodukten voortbracht.
De opbrengsten uit het bezit waren tot ongeveer 1660 zeer goed maar liepen nadien sterk terug. Vanaf het begin van de 18e eeuw waren de inkomsten uit het eigen vermogen onvoldoende om de organisatie draaiende te houden en kondigde zich, ondanks verschillende noodgrepen, de ophanden zijnde ondergang aan.

Wat deed men met de gelden die binnenkwamen

De gelden die men uit het gasthuis bezit verkreeg werden aangewend om de gasthuisorganisatie draaiende te houden. In de periode tot 1623/29 betekende dit, dat men de inkomsten gebruikte om proven te verstrekken, aan armen ondersteuning te geven, de gasthuisbezittingen te onderhouden en eventuele ingehuurde krachten te betalen.
Nadat de instelling tot een soortement bejaardentehuis was geworden werden de gelden aangewend om de verzorging van inkopers op behoorlijke wijze te realiseren. Daartoe werd naast de aankoop van veel voedingsmiddelen tevens veel geld uitgegeven aan lonen.
Tevens was er sprake van oneigenlijk gebruik van het gasthuisbezit. Het stedelijk bestuur gebruikte verschillende malen de florisant vermogenspositie van de instelling om bepaalde stadszaken te bekostigen. Ook werden de gasthuisgelden door de bestuurders aangewend om er zelf beter van te worden.

Wie waren de gebruikers van de instelling?

De veranderde mentaliteit t.a.v. de arme medemens, die zich in de 16e eeuw aftekende, resulteerde erin dat de magistraat er steeds minder vaak toe overging om ‘pro-deo proveniers’ een prove in het gasthuis toe te staan. In de periode 1570-1623/29 plaatste men somtijds nog wel arme lieden in het gasthuis doch het was meer uitzondering dan regel; bijna alle proveniers brachten toen reeds geld of goederen bij de instelling in. Uit de ingebrachte goederen blijkt dat het merendeel der proveniers afkomstig was uit de groep der kleine middenstanders en de landbouwers.
Gedurende het verdere bestaan van de instelling waren het eveneens voornamelijk lieden uit de groep der kleine middenstanders (lieden die behoorden tot Slicher van Baths vermogensklasse 2B) die zich in de instelling vestigden.

|pag. 67|

De herkomst van de proveniers is in de loop van de bestudeerde periode aan verandering onderhevig geweest. In de periode 1570-1623 kwamen de proveniers uit de stad Steenwijk en de nabije omgeving. In de periode daarna schijnt er een verschuiving te hebben plaats gehad want aan het eind van de 17e eeuw bevinden zich nog maar weinig inkopers uit de stad Steenwijk in het gasthuis. Velen van de toenmalige inkopers kwamen uit het gewest Holland, enkelen uit de Friese veen- en weidegebieden en enkelen uit de veendorpen in de omgeving van Steenwijk.

Welke plaats nam het gasthuis in ten opzichte van de andere sociale instellingen in Steenwijk?

Ten aanzien van de plaats die het gasthuis innam ten opzichte van de andere sociale instellingen kan gesteld worden dat het gasthuis in de bestudeerde periode een duidelijk andere ontwikkeling kende dan andere instellingen voor sociale zorg als de Swindermans en Memorie.
In het middeleeuwse Steenwijk was de instelling zondermeer de belangrijkste instelling voor armenzorg geweest. Aanvankelijk bleef het gasthuis evenals bovengenoemde instellingen actief binnen de stedelijke armenzorg, maar met de aanvang van de kerkelijke diakonale zorg (1595) en de instelling van een stadsarmenbeurs (1602) werd het gasthuis losgeweekt uit de stedelijke armenzorg. De gasthuisbezittingen door de goedgeefsheid van menig zieleheil-zoekende middeleeuwer bijeengebracht, werden bij de organisatorische verandering in 1623/29 als een soort start-kapitaal voor een particulier bejaardentehuis gebruikt.
Tot aan haar liquidatie bleef de instelling als bejaarden-tehuis-pension voortbestaan: personen uit de kleine middenstand konden zich tegen betaling van inkooppenningen van een gedeeltelijk verzorgde oudendag verzekeren.

Wat was de oorzaak van het faillissement in de tweede helft van de 18e eeuw?

ofschoon ervoor het uiteindelijke faillissement van het gasthuis een complex aan factoren valt op te noemen, lijkt de belangrijkste oorzaak toch gezocht te moeten worden in de agrarische depressie die zich van 1650 tot 1750 manifesteerde.
Het gasthuis was een erg conjunctuurgevoelige organisatie en werd over een lange reeks van jaren getroffen door allerlei met de agrarische depressie in verband staande tegenslagen: de inkomsten aan pachten en renten liepen sterk terug en de lonen van de vele ingehuurde krachten bleven op peil. De post ‘lonen’ kwam aldus steeds zwaarder op de gasthuisrekening te drukken. Toen deze loon- en andere kosten de baten overtroffen, was faillissement onafwendbaar.

     6.1 Tenslotte.

     Bij de aanvang van dit onderzoek ging ik ervan uit dat het St. Katharinagasthuis een belangrijke instelling was binnen de stedelijke armenzorg. Vanuit die veronderstelling formuleerde ik mijn

|pag. 68|

probleemstelling en richtte ik mijn onderzoeksaccenten. Echter de uitkomst van het onderzoek was heel anders. De instelling blijkt in de bestudeerde periode nog maar in beperkte mate bij de echte armenzorg betrokken te zijn geweest. De armenzorgfunctie van de instelling lijkt zich te hebben voltrokken in een periode die door het ontbreken van bronnenmateriaal niet voor onderzoek geschikt was. Wat wel naar voren kwam was de institutionele geschiedenis van een bejaardentehuis/pension die in naam van het gasthuis werd uitgeoefend. De ontwikkeling van gasthuis naar bejaardenhuis, welke ik in mijn inleiding reeds als ontwikkelingslijn aangaf, had zich in het Steenwijker gasthuis aan het begin van mijn onderzoeksperiode afgespeeld (1623/29). Het feit dat in Steenwijk slechts de naam Gasthuisstraat en Gasthuislaan ons nog aan een dergelijke instelling herinnert, terwijl in andere steden een ziekenhuis of bejaardentehuis nog de naam gasthuis draagt, bleek te wijten aan de liquidatie die aan het eind van de 18e eeuw onontkoombaar bleek.

|pag. 69|

Category(s): Steenwijk
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *