3.0 Het St. Katharinagasthuis of Proveniershuis

     3.0 HET ST. KATHARINAGASTHUIS OF PROVENIERSHUIS.

     ‘Ik smeek U Jezus, dat ieder die mijn lijden gedenkt of mij in stervenswee of in nood aanroept. Uw gunst verwerft’.
                              St.Katharina, de Cypriotische koningsdochter. (1 [1. Van Herwaarden p. 99-100.])

     3.1 Historisch overzicht van het St.Katharinagasthuis of proveniershuis.

     Evenals bijna iedere stad met een middeleeuwse voor-geschiedenis bezat Steenwijk een gasthuis. De middeleeuwse geschiedenis van dit aan St.Katharina* gewijde Heiligegeestgasthuis/hospitaal valt moeilijk te reconstrueren; slechts enkele documenten uit die periode staan ons ter beschikking. De fundatie-akte van de instelling ontbreekt. De eerste vermelding aangaande het gasthuis dateert uit 1409. Blijkens deze bron werd op 27 mei van dat jaar, door Mathias, bisschop van Budoa, vicaris-generaa1 van bisschop Frederik van Blankenheim, het Heiligegeesthospitaal te Steenwijk geconsacreerd en werd(en?) de wijdingsdag(en?) opnieuw vastgesteld. (2 [2. De Jonge-Ellemeet, p. 15]) De bewoording van deze bron duidt erop dat haar geschiedenis zeker tot in de 14e eeuw reikt: hetgeen overeenkomt met het vestigingspatroon van dergelijke instellingen in andere Overijsselse steden als Zwolle en Deventer. (3 [3. A. Andre’ p. 12, Habermehl p. 140.]) De hernieuwde inwijding was mogelijkerwijs nodig vanwege het in gebruik nemen van de Gasthuiskapel, nadat men zich totdan beholpen had met een, aan St.Katharina gewijd, draagbaar altaar. (4 [4. Ofschoon de aanwezigheid van zo’n altaar niet uit de mij bekende bronnen blijkt is dit bij veel gasthuizen de ontwikkelingsgang. Zie ook G.M. Laar in diens in 1987 te verschijnen boek, met de vermoedelijke titel: Van hunebed tot Prinsenhove. Het boek is nog niet verschenen doch het manuscript heb ik mogen inzien.])
     Aan welke groep of persoon de instelling haar oprichting dankte, blijft in de 14e eeuwse nevelen gehuld. Wel zijn er redenen om te vermoeden dat het hier ging om een fundatie vanwege het stadsbestuur zelf, of om een stichter(s) die duidelijk aan dit stedelijk patriciaat was gelieerd. Niet alleen het feit dat het stadsbestuur het patronaat over de Heiligegeestkapel kreeg, toen daar in 1485 een eeuwige vicarie op kwam te rusten, maar ook de ligging en de instellingsvorm doen deze betrokkenheid van het stadsbestuur vermoeden. (5 [5. De Jonge-Ellemeet, p. 47.]) De aanwezigheid van een ‘beyert’ (een vertrek voor passanten) in het gasthuis lijkt er op te duiden dat de instelling in eerste aanleg als passantenhuis is gesticht; ook het feit dat men het gasthuis aanduidt met ‘Heiligegeesthospitaal’ wijst erop dat we te maken hebben met een dergelijke oudste vorm van het stedelijke gasthuis. (6 [6. Kossman-Putto, ‘Armen- en ziekenzorg in de middeleeuwen’, p. 9-10. De aanwezigheid van de beyert blijkt uit de oudste jaarrekening (1570) in O.A.S. inv. 284.]) Mogelijkerwijs heeft het gasthuis in de 14e eeuw zelfs als passantenhuis buiten de veste gelegen en kwam na de omwalling van de stad, die aan het begin van de 15e eeuw werd uitgevoerd, juist binnen de veste, vlakbij de Heiligegeestpoort, te liggen. (7 [7. De Jonge-Ellemeet, p. 17.]) Door de ligging aan de belangrijke verbindingsweg naar het noorden kon men, buiten en later bij de poort, de reizigers, zwervers en armlastigen opvangen zonder dat dezen het stadsbeeld hoefden te ontsieren. Dat het stadsbestuur een dergelijke belangenbehartiging voorstond mag duidelijk zijn.
     Wie in de middeleeuwen voor de opvang van de bezoekers van het gasthuis zorgde, is niet duidelijk; de aanwezigheid van een geestelijke- of lekenbroederschap, zoals vaak gebruikelijk was, blijkt niet uit het bronnenmateriaal. Het zou best kunnen dat het gasthuis vanaf het begin met betaalde vaste krachten heeft gewerkt. Uit de oudste jaarrekening (1570) blijkt de aanwezigheid van een gasthuismoeder, twee meiden en een knecht; tevens worden er veelvuldig dagloners en ambachtslieden ingehuurd en zijn er enkele vrouwelijke

|pag. 32|

proveniers die de ouden en zieken verzorgen. (8 [8. G.A.S. inv. 284.])
     Uit een document d.d. 3 juni 1497 blijkt dat de zielezorg van de gasthuisbezoekers in handen was van twee geestelijke officianten: Gherardus Campus was officiant van het Drievuldigheidsaltaar en de St. Katharinakapel en Bernardus was officiant van de Heiligegeestkapel. (9 [9. De Jonge-Ellemeet, p. 57.]) Eerstgenoemde ambt was sedert 1485, toen Katerina de weduwe van Rodericus Putten allerlei schenkingen aan het altaar en de St. Katharinakapel deed, een geestelijk benificie. (10 [10. Ibid. 47.]) Het geestelijke ambt in de Heiligegeestkapel was een officium, hetgeen betekende dat dit ambt niet van enige bijzondere inkomsten was voorzien en dat het ten laste van de gasthuisadministratie kwam.
     In 1511 werd ook dit officium tot een geestelijk benificie verheven. Schepenen en Raden verzochten namelijk in dat jaar aan Frederik, de bisschop van Utrecht, om bepaalde aan de Heiligegeestkapel en aan het gasthuis geschonken goederen te mortificeren en deze goederen aan te wenden om de vicarie der Heiligegeestkapel tot een benificie te verheffen. (11 [11. Ibid. 61-62]) Het collatierecht bleef bij de magistraat. De officiant van dit beneficie diende de diensten persoonlijk te verrichten; hij moest aan het kapittel zijn eed van trouw afleggen en aldaar als diaken of subdiaken assisteren. (12 [12. Ibid.])
     Dit handelen van de magistraat was waarschijnlijk noodzakelijk door allerlei wantoestanden en misbruiken die zich in deze periode onder de verschillende kerkelijke rangbekleders in de parochie Steenwijk manifesteerden. (13 [13. Ibid. 61.]) Door beide aan het gasthuis verbonden officis tot beneficie te verheffen, werden deze uit de gasthuisboekhouding gelicht en ging de eventuele uitbuiting niet langer ten koste van deze instelling. Tevens werd bij deze gelegenheid de taakstelling voor de uitoefening van het beneficie duidelijk geformuleerd: niet alleen in de gasthuiskerk lag hun werkterrein, ook het kapittel diende men te helpen. (14 [14. Ibid. 62.])
     Reeds voor de reformatie lijkt de geestelijkheid, zoals uit het bovenstaande blijkt, losgeweekt van de hospitaal-gasthuisorganisatie. Met het afbranden van de gasthuiskerk in 1592, tijdens het ontzet door Maurits, verdween niet alleen deze kerk uit het stadsbeeld, maar eindigde tevens de eeuwenlange relatie tussen gasthuis en kerk. (15 [15. G.M. Laar, Het verleden herleeft, p. 63.])
     Niet alleen de relatie kerk-gasthuis was in de 16e eeuw aan duidelijke veranderingen onderhevig, ook de instelling zelf kende belangrijke organisatorische wijzigingen.
     Mogelijkerwijs ten gevolge van de pestepidemie die in de jaren 1567 en 1568 vreselijk in Steenwijk huishield, slopen er allerlei misstanden in de administratie en het beheer van het gasthuis. Door het misbruik dat proveniers, dienstboden en administratoren ervan maakten, profiteerde een relatief kleine groep gebrekkigen van de gasthuisrevenuën. Ook het onderhoud van de gasthuisboerderij en de exploitatie van de gasthuisvenen liet erg te wensen over. (16 [16. O.A.S. inv. 300 fol. 33-34.])
     De schepenen en raden, met de voogden van het gasthuis en geadviseerd door de meenthe en mindermeenthe, besloten in 1569 om misbruik tegen te gaan door de boerderij grotendeels af te schaffen en vanaf die datum niet meer proveniers aan te nemen dan er op dat moment de kost verzekerd kon worden. Tevens werd het proeve-stelsel anders uitgewerkt; had totdan het provenierschap een soort kostgangerschap ingehouden, nu werd het veranderd in een ‘uitkering-in-eens’ stelsel. Op meye, St.Jacobi, Allerheiligen en op Lichtmisse werd aan de proveniers een proeve, bestaande uit een vastomschreven hoeveelheid rogge en geld (plus op Allerheiligen een

|pag. 33|

achtstedeel boter), uitgedeeld. Niet langer konden de proveniers meeëten in de gasthuiskeuken; zij dienden zich grotendeels van het aan hen uitgereikte te redden. Wel genoten zij vrije inwoning en verwarming. (17 [17. Ibid. fol. 37.])
     Al deze veranderingen werden in een nieuw statuut d.d. 8 april 1570 vastgelegd. (18 [18. Ibid. fol. 33-34.] Bij de invoering van dit nieuwe-proevensysteem blijkt men nog contractueel vast te zitten aan eerder gemaakte overeenkomsten. Buiten de nieuwe ordonnantie vielen negen z.g. ‘olde proveners’; zij waren eertijds op andere, niet meer te achterhalen voorwaarden, in het gasthuis aangenomen. Zij dienden het voorhuis te verlaten en kregen een slaapplaats in de verbouwde keuken of elders in het gasthuis aangewezen. Hun verzorging bleef op de oude voet doorgaan; zij genoten de kost in de gasthuiskeuken. (19 [19. Ibid. fol. 37. Zie ook de jaarrekening 1570 (O.A.S. inv. 284).]) Het ging hier kennelijk om een aantal kostkopers, die zich voor een verzorgde oude dag een plaatsje in het gasthuis hadden gekocht. Het spreekt voor zich dat deze kostkopers een andere positie innamen dan de uit bittere nood in het tehuis geplaatste proveniers. Aan die vroegere status-aparte ontleenden deze negen proveniers hun afwijkende behandeling.
     Naast bovengenoemde negen kostkopers waren er nog vier personen die zich, voor de veranderingen in 1570 waren gestatuteerd, op bijzondere voorwaarden in het gasthuis hadden ingekocht. Deze kostkopers werden wel opgenomen in het nieuwe proevensysteem, echter zij genoten wel een voorkeursbehandeling want terwijl de gewone proveniers een ‘prove ordinaris’ kregen, werd aan hen anderhalve proeve toegewezen. (20 [20. Ibid. fol. 38.])
     De beyert, vanouds de ontvangsthal voor ieder die zich voor ondersteuning of verzorging tot het gasthuis wendde, kreeg een andere bestemming; hij werd verhuurd. (21 [21. O.A.S. inv. 284. De rekening over 1570.]) Het gasthuis bleef zich nog wel met armenzorg bezighouden echter het werd een gesloten instelling waarbinnen de magistraat bepaalde wie voor ondersteuning in aanmerking kwam. Zo omvatte de zorg van het gasthuis in 1570 naast de zorg voor twintig proveniers (waaronder de negen ‘olde proveners’ en de vier kostkopers met anderhalve proeve), tevens een veertiendaagse geldelijke ondersteuning van twintig huiszittende armen. (22 [22. O.A.S. inv. 300 fol. 40.]) Daarnaast handhaafde de instelling de sedert de middeleeuwen bestaande gewoonte om op de geveldagen (de kerkelijke hoogtijdagen) aan de armen brood en geld uit te delen. (23 [23. O.A.S. inv. 284. De rekening over 1570.])
     De geschetste veranderingen in 1570 lijken niet alleen ingegeven door de wens om de armenzorg te optimaliseren, noch enkel door de duidelijke noodzaak om een beter controleerbare gasthuisorganisatie te verkrijgen, wat ook van invloed zal zijn geweest is de mentaliteitsverandering die optrad t.o.v. de armen. Er werd een ontmoedigingsbeleid gevoerd: de leeglopers en bedelaars konden niet langer rekenen op het automatisme van de gift; men trachtte de aalmoezen te geven aan hen die daar, naar het oordeel van de bestuurders, het meest recht op hadden. Het is begrijpelijk dat binnen een dergelijk toewijzingsbeleid de gasthuisproeven werden toegewezen aan lieden zonder toekomstperspectief, namelijk aan bejaarden en lichamelijk gehandicapten. (24 [24. O.A.S. inv. 300 fol. 41.]
     Tot 1623/29 heeft het gasthuis met dit proevenmodel gewerkt. (25 [25. O.A.S. inv. 285, de rekening over 1623 noemt nog niet de inkooppenningen; op de rekening van 1629 komt dit begrip voor het eerst voor. Zoals verderop zal blijken was de vermoedelijke reorganisatie in 1624 omdat toen ook het gasthuisbestuur gewijzigd werd.]) Tot die tijd vormde het een wezenlijk onderdeel van de Steenwijker armenzorg, want naast de verstrekking van proeven aan armlastige stadsburgers, verleende de instelling allerlei vormen van ondersteuning aan hulpbehoeftigen. (26 [26. O.A.S. inv. 284, in de verschillende rekeningen zijn hiervan voorbeelden te vinden.]) Wel deed zich in de periode 1570-1623/29 een verschuiving onder de gasthuispopulatie voor.

|pag. 34|

Gebeurde het eind 16e eeuw nog wel eens dat men iemand die totaal onvermogend was in het gasthuis plaatste; aan het begin van de 17e eeuw gebeurde dat niet meer: echte arme lieden dienden bij de diakonie- of stadsbeurs aan te kloppen, of konden proberen een proeve van de Swindermans of O.L.-Vrouwe-memorie te krijgen. Om voor plaatsing in het gasthuis in aanmerking te komen diende men over enige bezittingen te beschikken: betrof het aanvankelijk roerende (meubilair, keukengerei, kleding, e.d.) en onroerende bezittingen (huis, hof, land) (27 [27. O.A.S. inv. 300 fol. 39, 59, 73, 74, 79.]) die men het gasthuis bij het betrekken van de proeve direct of testamentair deed toekomen; vanaf 1629 diende men een inkoopsom (z.g. inkooppenningen) te betalen. (28 [28. O.A.S. inv. 284, zie de jaarrekening 1623 en 1629.])
     Het gasthuis werd daarmee tot een soort particulier bejaardentehuis. Mensen op leeftijd, die de inkooppenningen konden betalen, verzekerden zich aldus van een enigszins verzorgde oude dag. De hoogte van de inkoopsom hing af van de leeftijd van de inkoper en van allerlei extra’s die hij zich wenste (ligging van de kamer, verwarming, e.d.). (29 [29. Een duidelijk overzicht van de tarieven bestaat niet toch lijkt er duidelijk een relatie tussen de leeftijd/kamer en de inkoopsom. Uit de rekening over 1691 (O.A.S. inv. 291) blijkt duidelijk dat er kamers ‘sonder en met vuyr’ waren en dat de inkoopsom o.a. daarvan afhing.]) Het principe van de vaste kwartaaluitdeling, waarvan de provenier zichzelf diende te onderhouden, maakte plaats voor gecentraliseerde zorg: de voeding, de was, de     huishouding, werden door het gasthuispersonee1 verzorgd. (30 [30. O.A.S. inv. 284 jaarrekening 1623 e.v.])
     De bestuurders van het gasthuis zagen na 1623/29 hun verantwoordelijkheid veranderen; was het totdan hun taak geweest om erop toe te zien dat met de ingekomen pachten en renten de proveniers op een behoorlijke manier werden verzorgd, vanaf toen behoorde het tevens tot hun taak om middels een adequate bedrijfsvoering dit zorgniveau in de toekomst aan de inkopers te kunnen garanderen. Niet langer was de korte termijnplanning van de jaarlijks sluitende begroting de belangrijkste economische overweging die speelde; met de verkregen inkooppenningen diende men de liquiditeit van de instelling ook in de toekomst te verzekeren: langere termijnplanning was vereist.
     Het gasthuis kapitaliseerde haar gelden met name door aankoop van onroerend goed en door het verstrekken van rentedragende leningen. (31 [31. Zie tabellen 6 en 7 omtrent het grondbezit en de renten. Zie ook de verschillende jaarrekeningen vanaf 1622/23 tot het eind van de 17e eeuw (O.A.S. inv. 285-292).]) Het gevolg was dat het gasthuis erg conjunctuurgevoelig werd. Allerlei veranderingen die sindsdien in de gasthuisorganisatie werden doorgevoerd, waren -zoals wij verderop in deze studie zullen aantonen- aanpassingen aan de zich wijzigende economische constellatie.
     De eerste helft van 17e eeuw waren onverdeeld gunstig voor de instelling. Het rendement van de verstrekte leningen en de pacht-opbrengsten was zeer behoorlijk. In 1637/39 besloot men om weer een eigen gasthuisboerderij te runnen; de instelling was daardoor in staat om een groot deel van de dure voedingsmiddelen zelf in de gasthuiskeuken aan te leveren. Het agrarisch bedrijf werd in 1650 verplaatst van de gasthuisschuur in de stad naar een aangekochte hoeve in de Westwijk. (32 [32. O.A.S. inv. 285 (de jaarrekening 1639). Berends p. 144.])
     In tweede helft van de 17e eeuw tekende zich een kentering af. Door de economische krisis daalden de rente-inkomsten van de uitstaande leningen en kelderde de pachtopbrengst van de gasthuislanderijen. De financiële ruimte die er totdan tussen de kosten en de baten was geweest, verdween en de instelling diende oplossingen te vinden om het hoofd financieel boven water te houden. Men trachtte de bestuurlijke organisatie te verbeteren; men trad op tegen allerlei misstanden in de huishouding; men probeerde de kosten waar mogelijk te drukken en hoopte zelfs door uitbreiding van het aantal gasthuiskamers in 1792/93 meer financiële spankracht te

|pag. 35|

krijgen. (33 [33. O.A.S. inv. 303.])

     De uitkomst van dit beleid is bekend: in de 1e helft van de 18e eeuw groeiden de financiële problemen de instelling boven het hoofd. Men trachtte nog een oplossing te vinden in een vereenvoudiging van de huishouding en het afstoten van de gasthuisboerderij (1734), maar deze en ook de na 1750 door de nieuwe stadsbestuurders -de oude factie was in 1750 door de Erfstadhouder verwijderd-aangewende middelen faalden. In 1752 beklaagden een aantal leveranciers en andere schuldeisers zich wegens de wanbetaling en het wanbeheer bij de Prins-Erfstadhouder en de Staten van Overijssel, met het gevolg, dat op advies en aandrang van de Staten vanaf 1760 de meeste landerijen werden verkocht en raad en meenthe zich op 11 december 1776, tegen wil en dank verplicht zagen tot de liquidatie en opheffing van de instelling die meer dan vier eeuwen zo’n wezenlijk onderdeel van de stedelijke sociale zorg was geweest. (34 [34. Berends p. 144.])

     3.2 De gasthuisorganisatie: bestuur en beheer.

     Het stadsbestuur regelde de bestuurlijke organisatie van het gasthuis in het Stadrecht van 1609. Volgens capittel 1, artikel 38, berustte het dagelijks bestuur van de instelling bij twee voogden. (35 [35. Ibid. p. 144.]) Het beheer en de huishouding van het gasthuis werden geregeld bij, in de stadsmemorialen opgenomen statuten d.d 14 apri1 1579, 22 maart 1668 en 21 februari 1687. (36 [36. O.A.S. inv. 7 fol. 59, 356-357. M.b.t. de statuten d.d. 14 april 1570: inv. 300 fol. 33-34.])

     3.2.1 Het bestuur.

     Het algemeen bestuur van het gasthuis berustte bij het stadsbestuur. Het stadsbestuur droeg jaarlijks op de avond van St.Petri ad Cathedram (22 februari) het dagelijks bestuur op aan twee gasthuisvoogden: een nieuwe voogd werd benoemd en een oude voogd werd gecontinueerd. Deze benoemingsprocedure kende men reeds in 1559, (37 [37. O.A.S. inv. 1 fol. 1. Zie tevens het overzicht van de gekozen voogden (1559-1570) achterin deze bron.]) zodat de optekening ervan in het Stadrecht van 1609 de constitutionalisering was van een al eerder bestaand gebruik. (38 [38. Telting p. 180.])
     Tussen de beide voogden bestond een duidelijke taakverdeling. De gasthuis-binnenvoogd zorgde voor de interne gasthuisorganisatie en was tevens door z’n directe bemoeienis met de stedelijke armenzorg tot 1620 een van de stadsaalmoezeniers. De andere gasthuisbuitenvoogd verzorgde de administratie van de instelling. (39 [39. Deze taakverdeling staat niet expliciet in een ordonnantie doch kan uit verschillende bronnen worden geconcludeerd; zo wordt al aan het begin van de 17e eeuw bij de verkiezing van de voogden achter een der uitgekozenen het woord ’rentmeester’ geplaatst.]) Het algemeen bestuur bemoeide zich in de 16e eeuw en het begin van de 17e eeuw nog zeer nadrukkelijk met de gasthuiszaken; niet alleen las zij de jaarrekeningen af, ook ging het aannemen van proveniers via haar en gaf zij aan de instelling opdrachten tot bepaalde vormen van ondersteuning. (40 [40. O.A.S. inv. 284. In verschillende rekeningen zijn voorbeelden te vinden van opdrachten door de magistraat aan de instelling gegeven. In O.A.S. inv. 300 zijn verschillende optekeningen van de aanname van proveniers door de magistraat.])
     Bij de reorganisatie van de instelling in 1623/29 paste een dergelijke bestuurlijke aanpak schijnbaar niet langer en werden er veranderingen aangebracht; niet langer dienden allerlei zaken aan het stadsbestuur voorgelegd te worden maar werden allerlei algemene bestuurszaken door een college van drie gasthuisvaders behartigd. De aanstelling van deze gasthuisvaders, in 1620 voor het eerst, leidde niet tot statutaire aanpassing, zodat hun rol enigszins duister blijft. Ze werden evenals de gasthuisvoogden jaarlijks op de avond van St.Petri ad Cathedram gekozen. De samenstelling van dit college -steeds waren er enkele leden uit het corpus

|pag. 36|

van de stad in vertegenwoordigd- doet vermoeden dat de magistraat op deze wijze haar invloed hoopte te behouden, controle kon blijven uitoefenen en haar verantwoordelijkheid jegens deze stedelijke instelling kon waarmaken. (41 [41. O.A.S. inv. 4-10, vergelijk de leden die in het corpus van de stad zitting hadden met de gasthuisvader-kandidaten.])
     Aangezien het gasthuis vanaf 1623/29 veranderde tot een soort particulier bejaardentehuis, werd de belangeloze opoffering van de voogden ongebruikelijk. Vanaf 1624 werden de beide voogden voor hun ambt betaald: de buitenvoogd ontving 25 ggld. en de binnenvoogd kreeg 20 ggld. (42 [42. O.A.S. inv. 4 tol. 59.]) Tevens werd in 1624 verordonneerd dat de voogden niet langer dan twee zittingsjaren achtereen mochten aanblijven (43 [43. Ibid.]) -een ordonnantie die overigens weinig uitwerkingskracht heeft gehad want reeds zes jaar na haar uitvaardiging werd hij al met voeten getreden; het werd zelfs gebruikelijk dat voogden vele jaren achtereen in functie bleven. (44 [44. O.A.S. inv. 4-10, zie de verkiezingslijsten.])
     Mogelijkerwijs in verband met dit langdurig aanblijven van de beide voogden kreeg het college van gasthuisvaders meer body; waren het aanvankelijk nog meenslieden en lieden uit de mindermeenthe die er zitting in hadden, in het midden van de 17e eeuw werd het gebruikelijk dat een van de drie gasthuisvaders een burgemeester was. Bij belangrijke zaken liep nu de beslissing over drie schijven: de binnenvoogd, de rentmeester en de ‘gasthuisvader uit de magistraat geautoriseerd’. (45 [45. Ibid.])
     In 1671 werd deze driedeling opgenomen in een nieuwe organisatiestruktuur. De binnenvoogd kreeg binnen het gasthuis een actievere rol toebedeeld. Hij diende binnen de huishouding de plaats van de binnenvader, welke functie dus werd opgeheven, over te nemen. Voor deze directeursplaats werd de reeds in gebruik zijnde functieomschrijving van gasthuisvader gereserveerd. De gasthuisvaders werden in het vervolg gasthuisvoogden genoemd. De functie van buitenvoogd verdween en er werd in het vervolg een afzonderlijke rentmeester benoemd. (46 [46. O.A.S. inv. 7: de verkiezingen in 1671; er blijken drie voogden, een rentmeester en een vader te worden benoemd.])
     In 1689 werd het aantal gasthuisvoogden van drie teruggebracht op één, vanuit de magistraat geëligeerde voogd. (47 [47. O.A.S. inv. 8 tol. 10.]) Deze voogd kreeg duidelijke instructie van de magistraat; hij moest eenmaal per maand een vergadering beleggen met de gasthuisvader en de rentmeester. Tijdens deze bijeenkomsten dienden alle rekeningen van de afgelopen maand verantwoord en het fiat over allerlei zaken voor de komende maand aangevraagd te worden. Van deze bijeenkomst maakte de geëligeerde voogd een rapport, hetwelke in de eerst volgende vergadering van de magistraat werd geëxamineerd. (48 [48. O.A.S. inv. 7 fol. 356-357.]) De uitdunning van het gasthuisbestuur, alsook de versterkte greep van de magistraat op het handelen van de instelling, was een poging om door kostenbewakend op te treden de verslechterende economische positie te verbeteren. (49 [49. Uit allerlei regels die werden doorgevoerd blijkt dat men trachtte de uitgaven drastisch te beperken.])
     In 1750 werd het bestuur van het gasthuis weer uitgebreid tot vier personen. In het regeringsreglement van de Prins-Erfstadhouder stond dat het bestuur werd opgedragen aan de twee jongste leden van de magistraat, als z.g. oppervoogden en de twee oudste gemeens lieden als de dagelijkse of lopende provisoren. De rentmeester legde in het vervolg verantwoording aan raad en meenthe af. (50 [50. Berends p. 144.]) Toen het gasthuis in 1776 werd geliquideerd bleef alleen zijn functie nog bestaan, als beheerder van het gasthuisrentambt. Het beheer van de rentmeester eindigde kort na 1813 door de samenvoeging van deze administratie met die van de gemeenteontvanger. (51 [51. Ibid. p. 176-177.])

|pag. 37|

     3.2.2 Het beheer en de huishouding.

     Omtrent de middeleeuwse gang van zaken binnen het gasthuis is niets bekend. Het 16e, 17e en 18e eeuwse materiaal bestaat bijna uitsluitend uit rekeningen. De feiten hieronder te berde gebracht zijn stukjes uit diverse rekeningen en geven slechts een fragmentarisch beeld omtrent het beheer en de dagelijkse activiteiten binnen de instelling.
     Tot de reorganisatie van het zorgsysteem in 1570 kende het gasthuis nog een aantal elementen van het oude gasthuis/passantenhuis. De beyert (de ontvangstruimte) was nog in gebruik en men had een ‘proest’ (suppoost) in functie. Of men nog ongenode gasten in de beyert opnam is niet bekend. Het kostkopersysteem bepaalde echter in de 16e eeuw meer het gezicht van de instelling dan de opvang van de andere proveniers: zo blijken in 1570 dertien van de twintig proveniers kostkopers te zijn. De instelling zorgde niet alleen voor de gasthuisbewoners maar verstrekte op kerkelijke hoogtijdagen voedsel en geld aan verarmde lieden en verzorgde een 14-daagse ondersteuning in geld aan huiszittende armen. De zorg voor deze uitdelingen berustte bij een aantal provisoren. Hoe de verzorging van de proveniers in deze periode werd uitgevoerd is niet duidelijk. (52 [52. O.A.S. inv. 300 fol. 37. Zie ook de jaarrekening over 1570 (inv. 284).])
     In de loop der jaren kropen er allerlei misstanden in de gasthuisorganisatie en in 1570 achtte men het noodzakelijk om veranderingen in het zorgsysteem aan te brengen. Het open karakter dat de instelling totdan nog enigszins lijkt te hebben gehad, werd opgeheven. De beyert werd gesloten en in het vervolg verhuurd. De gemeenschappelijke ruimten als het vrouwenhuis, het middenhuis, het voorhuis en de centrale keuken werden verbouwd tot kamertjes voor de proveniers. In de centrale keuken werd niet meer voor de proveniers de tafel gedekt; ze dienden van een ieder kwartaal verstrekte uitdeling hun eigen potje klaar te maken en dit te nuttigen op de eigen kamer. (53 [53. Ibid.]) De bedoeling van het èèn en ander mag duidelijk zijn; er ontstond een controleerbaar systeem. Het aantal proveniers dat in het tehuis verzorgd kond worden, werd bepaald door het aantal beschikbare kamertjes. Het quotum dat de provenier kreeg lag vast en was voor ieder gelijk. (54 [54. Ibid.])Uit de ordonnantie waarin deze wijzigingen werden vastgelegd blijkt dat men enigszins in de maag zat met negen kostkopers die indertijd op andere voorwaarden waren aangenomen. Zij behielden een uitzonderingspositie; voor hen bleef men koken doch zij kregen geen eigen kamer. De voormalige centrale keuken werd hun slaapzaal-annex-keuken. (55 [55. Ibid.])
     Daar we over deze periode tamelijk goed geïnformeerd zijn, kunnen we ons een beeld vormen hoe de huishouding en het beheer werden uitgevoerd. Naast de twee door de magistraat benoemde voogden blijkt dat enkele provisoren, een proest, een gasthuismoeder, twee meiden en een knecht aan de instelling verbonden waren. (56 [56. Ibid.]) Ofschoon hij niet in de rekeningen vermeld staat mogen wij de aanwezigheid van een gasthuisvader gevoeglijk ook aannemen, aangezien dit bij andere instelllingen ook meestal gebruikelijk was. (57 [57. Boeles p. 4-15.]) Van de proveniers werd verwacht dat zij zo veel mogelijk dingen zelf deden. En mocht men daar niet toe in staat zijn dan waren er naast de ‘moer’ en de meiden, twee proveniersters die men onder specifieke verzorgingsvoorwaarden had aangenomen; zij waren ‘verbonden tot dienste hantwerckinge en de waringe der older ende crancken in den gasthuese’. (58 [58. O.A.S. inv. 300 tol. 40 en 43.]) De gasthuisknecht was er om de ‘vaer’ te assisteren en allerhande karweitjes te verrichten: hij mende turf en

|pag. 38|

mest; hij verzorgde de ‘huisvarkens’ en voerde levensmiddelen aan. (59 [59. O.A.S. inv. 284, zie verschillende vermeldingen omtrent de bezigheden van de gasthuisknecht in de jaarrekeningen.]) Waarschijnlijk genoten de gasthuismoeder, de binnenvader, de knecht en de twee meiden kost en inwoning in het gasthuis. Ze kregen in ieder geval, tenminste volgens de rekeningen uit de 16e en de 17e eeuw, geen salaris voor de door hen verrichte werkzaamheden. Omtrent de inwoning van de knecht zijn wij zeker want hij had een kamertje in de gasthuisschuur. (60 [60. O.A.S. inv. 460.])
     De provisoren en proost komen op de rekening over 1570 nog voor maar zijn op de eerstvolgende rekening uit 1592 niet meer terug te vinden. (61 [61. O.A.S. inv. 284, de rekeningen over 1570 en 1592.]) De functie van proost was, doordat het gasthuis een gesloten instelling werd tot een anachronisme geworden; in 1575 benoemde men voor het laatst iemand in deze functie.(62 [62. O.A.S. inv. 1 fol. 83 verso.]) Ook de provisoren, een zo duidelijk aan de armenzorg herinnerende aan-spreektitel, verdwenen. Na de reformatie stelde de gereformeerde kerk haar diakonale beurs in en kwam de armenzorg voor een belangrijk deel in handen van de kerk. Veel werkzaamheden die eertijds door de provisoren werden verricht, kwamen in handen van de kerkdiakenen. (63 [63. K.A.S. inv. 102. Zie de zorg die de diakonie verricht.])
     Het gasthuis huurde veel krachten in. De gebouwen moesten onderhouden worden; de bierbrouwer diende enkele malen per maand een brouwsel aan te maken; er diende een wintervoorraad turf gestoken te worden; het vee diende in het gasthuis geslacht te worden, etc. (64 [64. O.A.S. inv. 284, de rekening over 1570.])
     De overgang naar een volledig kostkopersstelsel in 1623/29 bracht voor het gasthuispersoneel en de kostkopers wel enige verandering. Alle proveniers die vanaf nu in het gasthuis kwamen, hadden daarvoor betaald. Op speciale hulpvoorwaarden aangenomen proveniers waren er niet meer, zodat alle zorg op de schouders van het gasthuispersoneel kwam te rusten. Het stelsel van een kwartaaluitkering werd afgeschaft, ieder kreeg te eten in de gasthuiskeuken en de zorg werd afgestemd op de persoonlijke behoefte van de provenier. In tegenstelling tot de voogden ontving het gasthuispersoneel geen loon; zij bleven op de oude wijze kost en inwoning genieten. (65 [65. Vergelijk O.A.S. inv. 4 tol. 59 met de jaarrekeningen onder inv. 285.])
     Toen in 1637/39 de gasthuisboerderij weer werd opgestart betekende dit voor de binnenvader dat hij zich naast zijn andere taken tevens moest bezighouden met de agrarische bedrijfsvoering. (66 [66. O.A.S. inv. inv. 285, reeds in de rekening van 1637 worden er een aantal landerijen bij het gasthuis ingehouden; in 1639 is het bedrijf in functie blijkens de aanschaf van o.a. een nieuwe eg.]) Men trachtte middels dit eigen boerenbedrijf zoveel mogelijk artikelen te produceren welke in de gasthuishouding gebruikt konden worden.
Men had een gemengd bedrijf; het veeteeltbedrijf leverde vlees, melk, kaas, boter en huiden op; het akkerbouwbedrijf verbouwde gewassen als rogge, boekweit, erwten, bonen en gerst. (67 [67. O.A.S. inv. 285-295, in diverse rekeningen staan de opgebrachte produkten genoteerd.]) Aanvankelijk werden de agrarische activiteiten vanuit de tegenover het gasthuis staande gasthuisschuur geleid maar in 1650 besloot men een heuse boerderij in de Westwijk aan te schaffen en vandaaruit het bedrijf te voeren. (68 [68. O.A.S. inv. 286, zie de rekening over 1650.]) Niet alleen de binnenvader en de knecht werkten op het boerenbedrijf; ook de meiden waren er actief want zij molken dagelijks het vee. De boerderij werd echter hoofdzakelijk gerund door ingehuurde landarbeiders. Men had hulp nodig bij het zaaien, maaien, hooien, slichten, mesten, mennen, sloten en wallen schouwen, etc. (69 [69. O.A.S. 285-295.])
     In 1668 signaleerde de magistraat dat er ‘verscheyden misbruicken...int Gasthuys dagelix incruipen’. (70 [70. O.A.S. inv. 4 fol. 59.]) De economische crisis werd blijkbaar gevoeld en de eerste van een serie maatregelen die men zou ondernemen om het krisisspook te bestrijden werd ondernomen: het autonome optreden van de binnenvader en -moeder werd be-

|pag. 39|

perkt. Voor allerlei zaken dienden beiden in het vervolg eerst de goedkeuring aan de binnenvoogd te vragen. Ze mochten in het vervolg alleen nog inkopen doen in opdracht van de binnenvoogd. Hun werd het innen van ingebrachte pachten en renten verboden en ze konden in het vervolg niet meer bij de provisie of in de kelder komen, omdat van die ruimten de sleutel bij de binnenvoogd berustte. (71 [71. Ibid.]) We zien dat de binnenvoogd steeds meer taken naar zich toegeschoven krijgt en om zich van zijn verantwoordelijkheid te kwijten, zal de voogd zich stellig regelmatig in z’n regentenkamer ten gasthuize hebben bevonden. De vervanging van de binnenvaer door de binnenvoogd in 1689 -of eigenlijk het samengaan van die twee functies in de functie van gasthuisvader- was in feite, zoals wij verderop zullen merken, de uitwerking van deze ordonnantie uit 1668. (72 [72. O.A.S. inv. 8 fol. 10.])
     Met ingang van 21 februari 1687 werden er nog stringentere maatregelen tegen de achteruithollende economische positie van het gasthuis ondernomen. Een ordonnantie van de magistraat kondigde een strikt financieel regiem af. Iedere eerste of tweede dag van de maand dienden de voogden en de rentmeester bijeen te komen om de gasthuiszaken, ‘hoe sy oock moghten wesen’, te verrichten. Alle rekeningen van de voorbije maand dienden te worden overhandigd om te worden gecontroleerd en voor de aankomende maand moest men een soort begroting ter goedkeuring aan de magistraat overleggen. Er werden bij deze gelegenheid allerlei maatregelen genomen om de gasthuisuitgaven te drukken: de voogden mochten op hun vergaderingen niet meer verteren dan ten hoogste voor een rijksdaalder; op de jaarlijkse Katharina-maaltijd was alleen de buitenvader een genode gast en de restjes van deze maaltijd dienden de volgende dag als kliekjes te worden genuttigd; knechten en dienstmeiden werden in het vervolg aangenomen ‘by gelt, sonder doeck, schoenen off yets diergelycks’; alle inkomsten aan rogge, gerst, haver en boekweit dienden nauwkeurig naar kwaliteit en kwantiteit in de boeken te worden geplaatst en de loonarbeiders dienden in het vervolg alleen geld te ontvangen en geen eten of drinken te krijgen. (73 [73. O.A.S. inv. 7 fol. 356-357.])
     In 1689 werd, zoals ik boven reeds memoreerde, het dagelijks bestuur van vijf personen (drie gasthuisvaders en twee voogden) teruggebracht tot twee voogden. De binnenvoogd combineerde vanaf toen zijn bestuurlijke functie met het ambt van binnenvader. (74 [74. O.A.S. inv. 8 fol. 10.]) Vanaf dan draagt de gasthuisvader, zoals zijn nieuwe aanspreektitel luidt, in wezen twee petten: hij is bestuurder en beleidsuitvoerder tegelijk. Deze veranderingen werden deels ingegeven door economische motieven, immers men maakte minder bestuurskosten en hief een arbeidsplaats op, en deels vanwege bestuurstechnische redenen; het bestuur was nu vertegenwoordigd bij het alledaagse gebeuren binnen de instelling en kon snel ingrijpen en sturen als dat nodig mocht blijken.
     In 1692/93 werd het aantal kamers in het gasthuis uitgebreid met een ‘nije trans’. (75 [75. O.A.S. inv. 303.]) Of het hier de aanbouw van een nieuwe vleugel danwel de verbouw van de bovenverdieping betrof, is onduidelijk; in ieder geval kwamen er een achttal kamertjes en een keuken bij. (76 [76. Ibid. Zie ook de jaarrekening over 1692 en 1693 (O.A.S. inv. 291).]) De gelden voor deze operatie werden verkregen door verkoop van het erve te Doldersum. (77 [77. O.A.S. inv. 291, rekening 1691.]) Ondanks het toegenomen aantal proveniers werd het personeelsbestand niet uitgebreid: men trachtte schijnbaar op deze wijze de relatieve loondruk te verlichten door kapitalisering van de extra-inkooppenningen en aldus uit de economische problemen te geraken. Een andere poging om meer geld binnen te krijgen was

|pag. 40|

proveniers tegen meer-prijs allerlei extraatjes aan te bieden. Zo kon men een bepaalde kamer bedingen (al dan niet plaatselijk verwarmd), of men kon verkiezen om in de eigen kamer te eten in plaats van de gasthuiskeuken. Toch betekende het èèn en ander dat men veel vroeg van het huishoudelijk personeel en dat die genoodzaakt waren vaker de hulp in te roepen van ingehuurde krachten; we komen voortaan posten in de jaarrekening tegen als: ‘voor het wassen’; ‘voor het zouten van het vlees’; ‘voor het halen van de melk’, etc. (78 [78. O.A.S. inv. 291-292, vergelijk de rekeningen van voor 1692-1693 met de rekeningen daarna; ook de acquiten (O.A.S. inv. 298) geven in deze duidelijkheid. Zie tevens O.A.S. inv. 14 fol. 1 en 5-11.])
     Toch kwam men niet uit de economische malaise. Dit werd mede veroorzaakt door de tegenslagen welke het agrarische bedrijf aan het begin van de 18e eeuw kende: in de periode 1703-1705 werd het akkerbouwbedrijf jaren achtereen getroffen door misoogsten en een kleine tien jaar later werd de veestapel door de veepest jaren achtereen (1714-1721) uitgedund. (79 [79. O.A.S. inv. 292-294, zie in de jaarrekeningen.]) Dergelijke rampen drukten extra zwaar op een instelling die voor haar inkomsten grotendeels van de getroffen agrarische sector afhankelijk was. Veel pachters en hypotheekhouders van het gasthuis waren in deze jaren niet of nauwelijks in staat om hun financiële verplichtingen jegens de instelling na te komen. (80 [80. Ibid.]) Het gasthuis miste niet alleen deze inkomsten; tevens leverde de eigen boerderij weinig produkten voor eigen gebruik. De instelling was genoodzaakt grote hoeveelheden goederen op de regionale markt in te kopen op een moment, dat de normaal gesproken lage landbouwprijzen door misoogst omhoog waren geschoten. (81 [81. Slicher van Bath, De agrarische geschiedenis van West-Europa 500-1800. p. 229-235.])
     Men trachtte door verkoop van onroerend goed en het afsluiten van leningen de tekorten op te vullen; zo werden de grote erven te Paasloo (1730) en te Vledder (1736) verkocht (82 [82. O.A.S. inv. 301.]) Tevens trachtte men de organisatie van de instelling te vereenvoudigen door de eigen boerderij af te schaffen (1734); immers van het agrarisch bedrijf had men de laatste decennia weinig profijt gehad! (83 [83. Berends p. 144. Tevens inv. 294, de jaarrekenig over 1734.])
     De positie van de instelling, gekenmerkt door al deze financiële noodgrepen, gaf aan de potentiële inkopers in de veertiger jaren zo’n lamentale indruk, dat ze schijnbaar werden afgeschrikt om tot inkoop over te gaan. (84 [84. O.A.S. inv. 303. Zie ook inv. 14 fol. 1-4 en 5-11.]) De instelling kreeg problemen met de werving van nieuwe kostkopers en werd schijnbaar minder kieskeurig met de aanname; men nam ook relatief jonge lieden aan en lieden met een minder ‘rechte wandel’. (85 [85. Ibid.]) De instelling werd in feite naast bejaardentehuis tevens een soort pension. Het gedrag van verschillende der zittende proveniers was bepaald geen reklame voor de instelling; zij gedroegen zich nogal eens onbehoorlijk in de stad en het tehuis en klaagden steen en been over de verzorging in het proveniershuis. (86 [86. Ibid.]) Tevens waren zij waarschijnlijk verantwoordelijk voor verschillende misstanden die er in de gasthuishuishouding slopen. We lezen over kostkopers die op hun kamer aan onderverhuur deden; er waren proveniers die de levensmiddelen die ze in het gasthuis ontvingen doorverkochten, etc. (87 [87. Ibid.])
     Aan het eind van de veertiger jaren van de 18e eeuw klaagden verschillende van de vaste leveranciers dat hun declaraties en nota’s niet werden gehonoreerd en zij weigerden verdere levering aan de instelling. (88 [88. Ibid.] De magistraat liet op 18 februari 1751 een resolutie uitvaardigen waarin ieder die nog openstaande rekeningen had, werd opgeroepen om deze in te dienen. In totaal werd er over de jaren 1747 tot 1751 voor ggld. 3102-15-10 aan openstaande schulden ingeleverd (met daarboven nog een deel genegotieerde penningen en kapitalen). (89 [89. O.A.S. inv. 10 fol. 241.]) Een door de raad en meenthe aangewezen

|pag. 41|

commissie bestudeerde de zaak en kwam tot de conclusie dat er niet voldoende geld was om de schuldenlast te valideren. (90 [90. Ibid. hier fol. 241 verso.]) De commissie bracht een rapport met een zevental aanbevelingen uit; waarvan de meest opvallende waren: een afbetalingsregeling met de schuldeisers; het opnieuw opstarten van de gasthuisboerderij; een verzoek om tien jaren vrijgesteld te worden van verponding, leningen, schoorsteengeld en pachten aan het rentambt Vollenhove; een premie te geven voor het aanbrengen van een nieuwe kostkoper en nieuwe kostkopers een lot in de Generaliteitsloterij te laten kopen. (91 [91. Ibid.] Dit rapport werd gezonden aan de Prins-Erfstadhouder en de Staten van Overijssel.
     Verschillende ideeën uit bovengenoemd rapport werden in de vijftiger jaren gerealiseerd: de boerderij werd opgestart; er werd een schuldenregeling ingesteld en het gasthuis speelde mee in de Generaliteitsloterij. (92 [92. O.A.S. inv. 13 fol. 193-199.]) Toch konden deze ampele pogingen niet rekenen op onvertogen steun bij alle stadsgenoten. In de factiestrijd die zich in de jaren 1748-1750 manifesteerde, was ook de gasthuisorganisatie een twistpunt tussen de gepasseerde regentenfactie en de in 1750 in het zadel gekomen regentenfactie. De nieuwkomers beschuldigden hun voorgangers van uitbuiting, slechte bedrijfsvoering en van het opvoeren van dubieuze rekeningen; de door de Prins-Erfstadhouder terzijde geschoven regenten vormden daarentegen de harde kern van de schuldeisers. (93 [93. Ibid. hier fol. 188-192. De reactie daarop in fol. 193-199.]) Zij legden zich niet neer bij een schikking en zetten het stadsbestuur onder druk door te weigeren de renten en pachten die de ze aan de stad behoorden te betalen, af te dragen. (94 [94. Ibid. hier fol. 188-192.]) Deze zaak sleepte voort en in 1758 schreven zij een beroepschrift waarin zij de Staten van Overijssel de zaak voorlegden. (95 [95. O.A.S. inv. 296. De jaarrekening van 1760/61 bestaat uit twee stukken: het ene afgehoord en gesloten ten overstaan van de gecommitteerden van de Staten van Overijssel, loopt van Petri tot 30 april; het tweede begint in mei 1760 en eindigt op Petri 1761.]) Ondertussen verbeterde de economische situatie van de instelling niet en ook het stadsbestuur ging inzien dat redding van de instelling heel moeilijk zou worden. Op 16 oktober 1760 verzochten burgemeesteren, schepenen en raden der stad Steenwijk aan de Ridderschap en Steden van Overijssel het vonnis over de instelling uit te spreken. (96 [96. O.A.S. inv. 13 fol. 224-225.]) Op 11 juli 1760 kwam de resolutie af waarin besloten werd om alle schulden die het gasthuis gemaakt had middels executieverkoop te vereffenen. (97 [97. O.A.S. inv. 14 fol. 1-4.]) In de daarop volgende jaren wist men de begroting sluitend te maken door een geleidelijke uitverkoop van de landerijen. Nieuwe proveniers werden niet meer aangenomen. (98 [98. O.A.S. inv. 296. Zie de rekeningen vanaf 1769: tevens inv. 302.])
     Ondanks enige geldelijke tegemoetkoming die de Staten van Overijssel d.d. 7 april 1768 de instelling verschafte(99 [99. Berends p. 147.]), zagen de raad en meente zich in 1776 genoodzaakt tot liquidatie en opheffing van het bejaardentehuis over te gaan. (100 [100. Ibid. hier p. 144]) Men verzekerde in november 1777 aan de vier nog inwonende proveniers, in een contract, een wekelijks pensioen met daarnaast een vrije kamer in het gebouw of elders, en verkocht in 1778 het interieur. (101 [101. Ibid.])

*In deze studie zullen wij Katharina konsekwent met een ’K’ schrijven echter in de bronnen wordt zowel de schrijfwijze met een ’K’ als met een ’C’ gebezigd.

|pag. 42|

Noten bij hoofdstuk 3. (p. 43-45)

- De noten zijn nu als zijnoten in de tekst opgenomen.

|pag. 45|

Category(s): Steenwijk
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *