De vernieling van Grafhorst

|pag. 460|

DE VERNIELING VAN GRAFHORST.

_______

     Wanneer de IJssel de kaden en havens van de stad Kampen heeft bespoeld, verdeelt de rivier zich in twee armen, de zuidelijke, welke weinig bogten heeft en het voornaamste vaarwater uitmaakt, het Keteldiep genoemd, en de noordelijke, welke met vele kronkelingen zich naar de Zuiderzee slingert, het Ganzediep geheeten. Zij omvatten het Kamper-eiland dat nog dagelijks in uitgestrektheid toeneemt en steeds eene bron van welvaart oplevert voor zijne bevolking en voor de stad Kampen zoo wel als voor hare inwoners. De regter arm van de Delta van den IJssel bespoelt ook, langs zijnen noordelijken oever, de stede Grafhorst, en voert uit dien hoofde gedeeltelijk den naam van Grafhorstdiep.-
Deze plaats reeds vele eeuwen oud, werd in het jaar 1333, door den Bisschop van Utrecht met gelijke stadsregten beschonken als aan de naburige steden

|pag. 461|

Zwolle, Hasselt en Genemuiden waren verleend. Tot wapen ontving ze een zalm, ter gedachtenis aan dien tak van nijverheid waardoor vele harer ingezetenen een eerlijk bestaan vonden.
     Heeft de stad Grafhorst zich ontwikkeld en is ze tot bloeijende welvaart gestegen, als Zwolle of de nabij gelegene stad Kampen? Geenszins! Zelfs schijnt het dat zij altijd in uiterlijken toestand heeft moeten onderdoen voor Genemuiden en IJsselmuiden, aan welker gebied zij oostelijk paalt. De overleveringen althans maken geen gewag van wallen of ommuring of ook van poorten. Ja, het is zelfs niet geheel zeker dat er immer eene kerk of kapel heeft gestaan. Wel zijn er overleveringen die daarvan spreken, maar de plaats aan te toonen waar kerk of kapel zoude hebben gestaan: geen Grafhorster ingezetene zou u die plaats kunnen aanwijzen.
     Nog leeft een gedeelte der ingezetenen van de visscherij, maar de zalmvisscherij is er genoegzaam vergeten. Zij visschen voornamelijk op paling, die of te Kampen wordt gesleten of aan de opkoopers verkocht, welke de visch met hunne schuiten naar Engeland brengen. De landbouw en veldarbeid geven aan de overigen een bestaan. Er is veeteelt, en handel in biezen of russen. De mattenmakerg verbetert de schrale kostwinning van menig bewoner dezer plaats. Het geheele getal inwoners van Grafhorst bedroeg op 1 Januarij 1849: 112 mannen, 123 vrouwen en 176 kinderen, te zamen 411 zielen, allen van de hervormde gemeente en behoorende onder de kerk van IJsselmuiden. Het getal huizen dat ze bewoonden bedroeg zes-en-zeventig.
     Gaat men van de algemeen bekende en fraaije Kamperbrug den dijk langs, dan komt men eerst aan het dorp IJsselmuiden, waar men, aan de binnenzijde van den dijk afdalende, het dorp als eene lange straat voor zich heeft. Verder den dijk houdende komt men aan den Branderdijk. Van daar regt uit den dijk verlatende gaat men voorbij de wielen of kolken, treurige overblijfselen van den watersnood van 1825, voor Grafhorst zoo noodlottig. Men ontmoet den grindweg, die van Kampen over den Zandberg naar Grafhorst voert. Langs eenige verspreide huizen komt men aan eene straat ter hoogte van den dijk gelegen. Regts heeft men de kleine Grafhorsterhaven en nog enkele huizen liggen verder langs dien kant aan den dijk. Waar men den dijk weder heeft beklommen, links, om een der beste huizen van Grafhorst heen draaijende, heeft men de groote straat voor zich, aan beide zijden bebouwd, met eenige goede maar meerendeels mindere boeren-en ook schamele arbeiders woningen. De huizen zijn niet op dezelfde lijn geplaatst, zoo dat de bouworde niet door regelmatigheid het oog streelt. De straat ingaande, heeft men onder de grootere gebouwen het stadhuis, in welk gebouw zich mede de schoolzaal bevindt. Aan die zijde wonen onderscheidene visschers; achter hunne woningen liggen hunne vaartuigen in het Grafhorsterdiep, en daar omstreeks is het overzet-veer naar het Kamper-eiland. Aan de andere zijde der straat zijn onderscheidene huizen die tuinen hebben, aan eene achterstraat uitkomende, ook met eenige huizen bebouwd. De straat ten einde gegaan zijnde en naar den Branderdijk

|pag. 462|

omwendende ontmoet men weldra vijf woningen onder aan de binnenzijde van den dijk gelegen, en achter eenig geboomte verscholen.
     Ziedaar de stad Grafhorst zoo als ze daar stond in den morgen van 5 Mei 1849, den dag waarop aldaar een felle brand heeft gewoed, welke al de huizen, die in de kom der gemeente stonden, heeft vernield! – De voor Grafhorst zoo rampvolle zaturdag was aangebroken; de arbeiders waren op het veld, meerendeels op het Kamper-eiland, verspreid; de landeigenaars en pachters waren naar Kampen gegaan, dewijl losse landerijen, aan de stad Kampen behoorende en in de nabijheid van Grafhorst gelegen, dien morgen openlijk zouden verpacht worden. De vrouwen en dochters waren aan het gewone werk, aan het schuren en schrobben, aan het wasschen en plassen, ten einde op den dag des Heeren, reine woningen te hebben, en in schoone en heldere kleeding zich tempelwaarts te begeven, om God voor Zijne zegeningen te loven en Zijnen naam te prijzen.
     Daar breekt op 5 Mei, omstreeks half tien ure, aan het begin of aan het oostelijke einde van het stadje in een hooiberg, de vlam uit. Felle oostenwinden hadden in de laatste dagen de rieten daken uitgedroogd, en wederom woei de wind, alhoewel zwak en meer een zuchtje gelijk uit het Oosten. De groote straat van Grafhorst lag onder den wind van den brandenden hooiberg. Veel was er derhalve voor deze plattelandsstad te vreezen, wier mannelijke inwoners afwezig, en welke, behoeftig als ze was, geene brandspuit of afdoende bluschmiddelen bezat.
     De vlammen sloegen op, lekten, als met vurige tongen, het uitgedroogde hooi en hoog in de lucht krulden de vlammen. De rookzuil dreef warrelende over Grafhorst, als wilde ze de geheele plaats bedekken, en de schitterende zonnestralen beletten haar glans mede te deelen; maar om daarentegen met de hitte van den vuurgloed de ademhaling te benaauwen en de oogen door zwevende asch en vonken te verblinden.
     De arbeider, op het Kamper-eiland het kostje verdienende, ziet ginds de vlammen rijzen, en staat verplet, verlamd; die op het veld, naar den kant van Genemuiden aan het werk is, ontwaart boven de boomen zich verheffende een met vuurgloed gemengden rook en aarzelt. Aan de IJsselkade te Kampen, ziet men in de rigting van Grafhorst, een gloeijend vak dat het schijnsel der zonne doet verbleeken. Zoude er te Grafhorst brand zijn? Dit gerucht gaat van mond tot mond en dringt ten laatste door tot in het gebouw waar men tot verpachting bijeen is. Velen slaan er geen geloof aan. Anderen snellen de straat op naar den IJsselkant Helaas! Het is maar al te waar. Ontsteltenis verspreidt zich onder de Grafhorsters. Deze denkt slechts aan vrouw en zuigeling en vliegt doodelijk ontsteld, zoo veel zijne krachten vermogen, de brug over, den dijk langs in steeds klimmenden angst; want de afstand is drie kwartier uurs, en het oog op de vlam gevestigd houdende, ontdekt hij met schrik hoe ze niet vermindert, maar vermeerdert. Gene stormt naar den stal, waar hij heeft uitgespannen, springt op een zijner paarden, en jaagt slechts met de trens, als
|pag. 463|

dolzinnig en donderende over de brug, voort en voort! Angstig bidt hij tot God om behoud van vrouw en kinderen. Een derde, wat bezadigder van aard, spant ijlings zijne paarden voor den wagen, en huiswaarts wat de paarden loopen kunnen; want pijnlijke bezorgdheid vervult zijn hart.
     Intusschen heeft het vratige element niet gerust. Het huis, waartoe de hooiberg behoort, is aangestoken. Ook dat brandt, en weldra kronkelt de vlam langs het rietendak. De zuiging doet den vlammenden adem op het naburige dak zich hechten, en eerlang dansen de brandende moschvlokken door het luchtruim over de belendende huizen. Hoe! Vijf, zes huizen verder? Het rookt, het smeult, het vlamt! Ha! Een ander huis is aangestoken. De vlammen verspreiden zich. Ontzetting en namelooze angst maken zich van allen meester. Maar wie zal, bij een ramp, die zoodanig om zich heen grijpt, van vrouwen en kinderen bezadigdheid en overleg verwachten! De mannen zijn of op het veld of te Kampen. Naauwelijks zijn er vier overgebleven in staat om de handen te reppen. Wat zullen zij aanvangen te midden van het bedroevend gejammer en geschrei? Zal men met emmers dien steeds met meer verslinding woedenden vuurgloed stelpen? Wat helpt het!
     Radeloosheid maakt zich van de aanwezigen meester. Velen loopen met verbaasde blikken, de loodkleur op het gelaat, her en derwaarts. Anderen zitten schreijend neder en vereenigen hare kinderen rondom zich. Er zijn vrouwen die denken aan redden, wat gered kan worden. Men sleept de goederen dan hier, dan daar heen, doch, verbijsterd door de ontsteltenis, niet buiten het bereik der vliegende vonken. Hier geraken de geredde kleedingstukken, daar geraakt het beddegoed, uit het nog niet brandende huis gesleept, in brand, met veel moeite bluscht men die vlam en behoudt de goederen. Oost-indisch en ander aardewerk wil men redden; doch in de verbijstering geraakt alles aan stukken. De verwarring neemt toe onder de vrouwen van Grafhorst
     Voor en na komen nu de mannen aangesneld en overtuigen zich van de ellende. De brandspuiten komen van Kampen, ook hand-brandspuiten. De spuitgasten zijn ijverig in de weer, en reppen zich wat zij kunnen. Ook andere hulp daagt op. De Burgemeester, en meerdere mannen, kalm en bedaard, haasten zich naar de rampzalige plek. Er komt meer orde in de pogingen tot blussching aangewend. Doch den brand te blusschen. Het is te vergeefs. Op drie, vier, vijf plaatsen slaan de huizen gelijktijdig in brand. Waar zal men zich keeren? Waar zal men het eerst blusschen? Het hart krimpt ineen van weedom bij het aanschouwen van die steeds toenemende vernieling. Er is geen keeren aan het verwoestend element. Een der beste huizen stond boven den wind van den hooiberg, en toch, het vertoont een laaije vuurgloed. Men beproeft een huis het onderste boven te halen om de verdere verspreiding der vlammen te verhinderen. Te vergeefs getracht! Van rieten dak tot rieten dak springen de vurige tongen. Eensklaps is het ééne zuigende vlam. De geheele kom van het stadje Grafhorst levert niets op dan eene vuurzee van vlammend riet en hooi, van

|pag. 464|

brandende gebindten en deurkozijnen, van zengende kasten en huisraad. Te heet wordt het in de nabijheid van dat hartbrekend tooneel van verwoesting.
     Met moed en beradenheid hebben de mannen gered van hunne kleederen, van hunnen inboedel, van hun akkergereedschap. Maar, ach! Hoe velen hebben van hunne schamele goederen niets kunnen bergen. Daar heeft de visscher vrouwen kind bij zijne netten, de kist met eenig lijfgoed, en twee, drie potten of ketels, God vurig dankende dat hij ook hen, die hem op aarde het dierbaarste zijn, in zijne schuit heeft kunnen bergen. Naar de naburige weilanden slepen en dragen de anderen, wat vaak met lijfsgevaar uit de brandende woning aan de vlammen is betwist. Een huisvader legert zich met de zijnen op het gras, in schijnbare onverschilligheid; zijn gevoel is verstompt door de grootheid van zijn verlies! Zoo zuinig, ten koste van vele ontberingen, had hij gegaard en gespaard, om zich een koetje te koopen of zijn huisje te betalen. De vlammen hebben zich van de vrucht van zijne vlijt meester gemaakt; in rookwolken heeft hij het zien verdwijnen; asch en verkoold hout is alles wat hem is over gebleven.
     Wie des morgens van dien rampvollen 5 Mei, zoo al niet welgesteld of welhebbend landeigenaar, ten minste als gering huisman, in het bezit van eigen haard, met weinig te vreden, genoegzaam voorzien van deksel en voedsel voor zich en zijn dierbaar kroost, was ontwaakt, God dankende voor de genadige bedeeling, zit daar nu met diepen kommer op het gelaat – want niets is hem overgebleven dan zijne lievelingen. Hoe velen ziet men op de naburige weilanden, die van alles beroofd, het veldtapijt tot leger moesten kiezen.
     Er zijn, en het levert groote dankensslof op, onder al het leed, geene menschenlevens te betreuren. Doch ja, één man is er bij omgekomen, een grijsaard, van de schamelsten! Van alles beroofd had men hem als met geweld uit zijne woning gehaald. Hij wilde er weder in, hoezeer het hutje reeds brandde. Men belette het hem. Doch een oogenblik waarin men niet op hem lette, kroop hij er binnen, welligt om eenige weinige guldens niet aan de vlammen prijs te geven. Reeds had de ongelukkige opgehouden te leven toen men hem ontdekte. Een gezengd lijk werd uit de hut gehaald. Deze man is het eenige slagtoffer,
     De vlammen zijn gestuit, dewijl er in de kom der gemeente niets meer overig is, dat haar voedsel kan geven, dat door hare woede met vernieling kan bedreigd worden. Puinhoopen, half overeind staande muren met verkoolde deuren vensterkozijnen, overblijfselen van daksparren, de ligte en zwevende asch van het dakriet, eenige boomen van allen bladerentooi beroofd, zwart geblakerd of tot in het hart verzengd: overal glimmende cinders en grooter of kleiner rookwolken, die zich uit de ingestorte woningen eenen weg banen: zie daar de vertooning, welke Grafhorst, op den middag, den treurigen blik aanbiedt. Hier en daar waagt zich een man te midden van dien heeten, met brandende asch en zwarte rookdampen bezwangerden luchtstroom. Zou er nog iets zijn over gebleven? De varkens en kalveren zijn in den rook verstikt of in de vlammen

|pag. 465|

omgekomen. IJdel is in die oogenblikken de moeite, welke men zich geeft om de plaatse weêr te vinden waar de woning stond, naauw sedert drie of vier uren verlaten. Welk tooneel van verwoesting en jammer!
     Wat is er van de stad Grafhorst staande gebleven! Zes-en-vijftig huizen telde men nog dien morgen in de groote straat en daar achter. Geen enkel huis of hutje is overig. De weinige huizen, welke in de rigling van den Grindweg afgezonderd stonden, staan nog daar; de enkele woningen, voorbij het haventje aan den dijk, zijn behouden gebleven; de vijf boeren-stulpen die omstreeks den Branderdijk, achter eenig geboomte verscholen lagen, zijn ernstig bedreigd geworden. Het vernielend element heeft één uit haar midden ter prooije gekozen, en ook die woning ligt in assche. Dit behoorde onder het laatste vernielingswerk.
     Verre de meesten van de ruim vier honderd zielen zijn zonder dak of voedsel. Het plaatselijk bestuur met den Burgemeester C. H. A. Engelenberg en het lid van den raad W. Kanes aan het hoofd, tracht te zorgen dat de ongelukkigen onder dak komen. In de woningen, die behouden zijn gebleven, worden, zoo veel ze maar kunnen, de van alles beroofde ingezetenen gehuisvest. Anderen worden te IJsselmuiden in de school en in bijzondere woningen onder dak gebragt. Er zijn, die met hunne weinige overgeblevene have, in een vaartuig zich naar Kampen begeven, waar zij bij vrienden of magen opname vinden. – Ten einde in het reeds dadelijk plaats hebbende gebrek te gemoet te komen, werd op bevel van den Burgemeester van Kampen, Jhr. Mr. H. A. Wittewaal van Stoetwegen, reeds dadelijk een wagen met brood gereed gemaakt om, vóór het gebrek gevoeld werd, naar Grafhorst te zenden, en aan de bakkers te Kampen was de last gegeven voor de ingezetenen dier gemeente eene genoegzame hoeveelheid brood te bakken.
     In zoodaniger voege werd in de eerste meest dringende behoeften voorzien. Maar, hoe zal het verder gaan? Waar allen in dezelfde ramp deelen, daar zijn er geen in staat om hunne mede-ingezetenen te ondersteunen. En dat is het geval te Grafhorst. Naauwelijks zijn er twee of drie welgestelde landbouwers in de plaats, en ook die hebben hunne woningen zien te niet gaan. Wat zullen, wat kunnen die doen voor anderen? Genoeg is het dat zij den moed niet hebben laten zakken, en dat zij er op bedacht zijn nieuwe woningen te bouwen. Genoeg is het dat ze aangevangen zijn zich een planken schuur tusschen de puinhoopen op te slaan, of waar vroeger de hooischelf is geweest. Maar wij herhalen het: waar allen in dezelfde ramp deelen, daar is niemand in staat zijn buurman te ondersteunen. Bemiddelde ingezetenen telt Grafhorst niet. Zal men in staat gesteld worden het verlorene te herstellen, zal men vermogen de verbrande woningen weder op te bouwen, en in de dringende behoeften van kleeding en huisraad en gereedschap der schamele visschers en daglooners van Grafhorst te voorzien, – dan moet de hulp van buiten komen.
     Nederlands ingezetenen zullen nu, evenmin als ooit, vergeten dat zij gezamenlijk kinderen zijn van hetzelfde huisgezin. Zij, immer bereid ook buiten

|pag. 467|

hun vaderland eene helpende hand te bieden, zij zullen hunne landgenooten niet vergeten; zij zullen bedenken dat te Grafhorst ruim 300 zielen huisvesting, deksel en kleeding verloren hebben; dat de meesten dier, door den brand van den 5 Mei, diep ongelukkig gewordene landgenooten, zonder hulp en bijstand uit de andere deelen des Rijks ten eenenmale verloren zijn. Ja, Nederlands ingezetenen zullen hulp verleenen. De nederlandsche weldadigheid zal niet dulden dat de puinen van Grafhorst als een gedenkteeken, tegen de nederlandsche weldadigheid getuigen. Doch dat een ieder gevoele dat het prijselijk is zich te haasten met zijne gaven, opdat de woningen, voor dat de herfst nadert, kunnen opgebouwd wezen; opdat ze voor dat de winterkoude zich doet gevoelen, door de van huis en have beroofde ingezetenen van Grafhorst weder kunnen betrokken worden. Zeker, het geven aan hen die naakt, hongerig en van huisvesting beroofd zijn, is een der schoonste, verhevenste pligten van den Christen.
     Groot is de schade en zonder hulp van de meer beweldadigden, van de meervermogenden in het vaderland, onmogelijk te boven te komen. De 57 verbrande woningen werden door 64 huisgezinnen bewoond. Niet meer dan 25 woningen waren bij brandwaarborg-maatschappijen verzekerd, doch beneden de waarde, ja zelfs zeer laag verzekerd. Niet meer dan twee ingezetenen hadden hunnen inboedel laten verzekeren. Van wege den gouverneur van Overijssel is de geheele schade naauwkeurig opgenomen, en is gebleken een bedrag uit te maken van 46,000 gulden. Trekt men nu hiervan af de brandverzekeringen en wat anderszins nog ten goede kan komen, dan bedraagt de schade, welke de gemeente Grafhorst heeft ondergaan, eene som van 26,000 gulden. Hier voege men bij de oogenblikkelijke verstrekkingen, de voorziening in huisvesting, in voedsel van zoo velen, die van alles zijn beroofd, en men zal beseffen hoe groot de behoeften zijn, hoe dringend en angstig naar hulp, die uitredding geeft, wordt rondgezien. Al de ijver van mannen (1 [1. De hoofd-commissie welke zich te Kampen gevormd heeft tot leniging der rampen door den brand van Grafhorst veroorzaakt, bestaat uit de heeren C. H. A. Engelenberg; W. Kanes; Ds. H. Rietveld Creijghton; Jhr. Mr. H. A. Wittewaal van Stoetwegen; J. D. van Hasselt, en W. H. Warnsinck Jz. Ook heeft zich eene commissie gevormd tot het bijeenbrengen en verloten van schilderden, teekeningen en dames-handwerken. Voor het beheer der schilderijen en teekeningen zijn bestuurders, de heeren C. H. Hein; J. J. Fels; H. J. Hein; D. P. Hissink, te Kampen, en D. J. Pruim te Zwolle. Voor het beheer der dames-handwerken zijn bestuurderessen, mejufvrouwen H. C. C. de Suarz; H. W. L. van Ingen en C. van Sickinghe, te Kampen; alsmede mejufvrouwen J. J. Doyer, C. J. van Rhijn en M. Schaepman te Zwolle.]) die zich zoo belangeloos het lot der ongelukkigen hebben aangetrokken, is niet genoegzaam, wanneer niet de natie op het altaar der weldadigheid hare offers brengt. Zullen die offers voldoende wezen, om aan het meerendeel van vier-en-zestig huisgezinnen, alles, akkergereedschap en huisraad kleeding en woning te vergoeden! Het verlorene was welligt oud, maar het was onmisbaar. Zal de nederlandsche weldadigheid in alles voorzien, alles terug geven? Zonder dat, zijn de ongelukkigen niet gered. Doch, die belangelooze mannen zullen niet te vergeefs tot hunne landgenooten zich hebben gewend!

                                                                                                                                            LAUTS.

Category(s): Grafhorst
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *