Motivering van de samenwerking

MOTIVERING VAN DE SAMENWERKING

     We hebben in de dagen, die achter ons liggen, een keuze moeten doen.
     De oprichting van de Vrijgemaakte School werd een feit, en aan géén onzer is dit feit zonder meer voorbijgegaan.
     De intensiteit, waarmee de voorstanders van de Vrijgemaakte School deze school propageerden, dwong ons bewust een keuze te maken.
     En deze keuze is door ons bewust gevallen op behoud van samenwerking op schoolgebied. Niet omdat deze weg voor ons gemakkelijker of voordeliger is, integendeel, als minderheid te moeten oproeien tegen de meerderheid onder de broederen, die dan ook nog de steun hebben van alle predikanten + het grootste deel van de kerkeraad, is heus niet plezierig, integendeel, deze weg is verdrietig en moeilijk en nochtans kiezen we hem, omdat we niet kunnen zien, dat Christus de andere weg van ons eist.
     Het is nu bijna 100 jaar geleden, dat onze Schoolvereniging werd opgericht. Toen ging de strijd tegen de godsdienstloze Staatsschool, een school, die door Groen van Prinsterer anti-christelijk genoemd werd, omdat men er met voorbijzage der klove, die de zonde daargesteld had, een algemeen vader der mensen verkondigde en de levende God der openbaring verloochende. Toen hadden de vaderen geld en goed over voor de School met de Bijbel. Toen bleven ze niet in de godsdienstloze school tot hun de weg naar de Christelijke School gebaand was. Neen toen braken de voortrekkers met de Staatsschool, omdat de Bijbel er een gesloten boek moest blijven. Toen was het strijdmotief zuiver en klaar! Toen ging het tussen Christus of Satan. Vóór of tegen de Christus.
     De antithese tussen hen, die van de Christusheerschappij in de school niet wilden weten en hèn die beleden: op ieder terrein Christus, was de oorzaak van de strijd.
     Toen eisten de Christenouders, de Christelijke School krachtens het feit, dat hun kinderen waren kinderen des Verbonds, en het merk- en veldteken van Christus hun Heer op hun voorhoofd hadden ontvangen in hun doop.
     Zij eisten Christelijk onderwijs, omdat hun kinderen in Christus geheiligd waren d.w.z. geplaatst op heilige erve en afgescheiden van de kinderen der wereld, van de kinderen van hen, die het verbond Gods hadden verbroken — weer als heidenen gingen leven in Christelijk Nederland, zoals het was geboren in een 80-jarige strijd om Vrijheid van religie.
     En in die strijd voor de Christelijke School ging men hand in hand ondanks kerkelijke verscheidenheid.
     Want heus het was in de eerste tientallen jaren na de Afscheiding van 1834 op kerkelijk gebied ook veelszins droef gesteld. De Vaderen der Afscheiding,

|pag. 15|

Hendrik de Cock en H. P. Scholte, hadden ook reeds verschil van inzicht t.a.v. doop en verbond en t.a.v. het vasthouden aan de naam ,,Gereformeerde Kerken’’, wat reeds in 1839 tengevolge had, dat de vaderen der Afscheiding uiteengingen en H. de Cock en z’n aanhangers voortleefden als Geref. Gem. onder het kruis en H. P. Scholte en z’n volgelingen zich noemden Chr. Afgescheiden gemeenten.
     Doch ondanks kerkelijke gescheidenheid wist men zich broeders, ja men wist deze broeders ook nog in de kerk die hen had vervolgd; getuige een uitspraak van H. de Cock in zijn ,,Toespraak en uitnodiging aan de gelovigen en ware gereformeerden in Nederland’’, waar hij o.m. zegt: ,,Wij hebben ons niet gescheiden van de ware gereformeerde kerk, noch van de ware gereformeerden; integendeel reiken wij die allen bij dezen de broederhand en verzoeken de hunne terug om te onderhouden de gemeenschap der heiligen, verenigd door één geloof, één doop, en door één Geest, zo nu onderling als met onze vaderen.’’
     Zo hebben dan onze vaderen ruim honderd jaar geleden hun Chr. Schooltjes gesticht, welbewust niet als ,,kerkelijke’’ schooltjes, doch als Christelijke Scholen. Zij bonden elkaar in de School niet aan bepaalde kerkelijke inzichten of leeruitspraken, doch enkel en alleen aan het Woord van God. Zo is het ook hier in Kampen geschied. Bij de Stichting van de eerste Chr. School wilde Ds Helenius de Cock volgaarne samenwerken, ook met hen van wie hij kerkelijk gescheiden leefde.
     Ds Helenius de Cock, de initiatiefnemer tot de Stichting ener Chr. School te Kampen, zocht daarin welbewust de medewerking van de Geref. Gemeente onder het kruis (groep van Hoksbergen).
     De voortrekkers in de Schoolstrijd eisten dan ook niet, dat de leden der Schoolvereniging lid waren van een bepaalde kerk, doch enkel en alleen dat zij de Heilige Schrift als grondslag aanvaardden, zoals die werd verklaard in de Drie Formulieren van Enigheid.
     Of anders gezegd: de Schoolstichting — met name die te Kampen — was niet gebonden aan een bepaalde kerk. Reeds vanaf de dagen der Afscheiding wenste men de Christelijke School voor zijn kinderen, doch men eiste slechts van elkander, onderwerping aan de drie formulieren van Enigheid en op deze grondslag wenste men in de schoolorganisatie werkzaam te zijn.
     Zo is in feite de Vereniging van Christelijke Scholen te Kampen een interkerkelijke organisatie geweest vanaf het uur harer geboorte en ze is dat gebleven tot op de huidige dag. Hierin bewaarde ze haar karakter en bleef haar grondslag ongewijzigd. Tot nu toe werd niemand als lid van de Schoolvereniging geweerd, die verklaarde in te stemmen met de 3 formulieren van enigheid naar uitwijzen van de Heilige Schrift.
     Dit samengaan van leden uit verschillende kerken op schoolgebied is in de historie niet alleen gewenst doch ook geboden geacht.
     In de dagen van het Volkspetitionnement van 1878, waarin het bestaan van de Christelijke Scholen ernstig werd bedreigd, valt het onderscheid tussen Hervormd en Afgescheiden, Luthers en Calvinistisch weg en werd over de kerkmuren heen de gemeenschap der heiligen ervaren, welke gemeenschap zich manifesteerde in het Volkspetitionnement, waaronder de handtekening prijkte van 300.000 voorstanders van de Christelijke School.

|pag. 16|

     In de ure der benauwdheid worden degenen, die leven uit dezelfde Geest en liever sterven dan de Christus te verliezen, bijeengedreven, dan ervaart men, dat hetgeen verenigt, oneindig groter is, dan hetgeen scheidt.
     Zo was het oók in 1878.
     Dat was het jaar van de Christelijke eenheid, dwars door de kerkelijke gebrokenheid heen, en dat om de ene vrije School met de Bijbel.
     De kloeke getuigen van het Volkspetitionnement hebben juist door dit pleit voor de Christelijke School getoond, dat elk onzuiver isolement hun vreemd was.
     Zo hebben het ook gezien de oprichters van het Gereformeerd Schoolverband in 1868.
     Zij leggen er de nadruk op, dat deze vereniging niet wil zijn een Afgescheidene! Onder de oprichters waren ook Hervormden.
     ,,Afgescheiden en bekrompen kerkelijk leven schijnen (zo schrijft in 1868 het algemeen bestuur van G. S. V.) voor velen woorden van dezelfde betekenis te zijn. Dit is echter een gehele misvatting. Al zijn Afgescheiden en Gereformeerd op kerkelijk gebied woorden van dezelfde betekenis geworden, ze zijn dit toch niet op het gebied van de school.
     Wij verklaren, dat niet dan bekrompen kerkisme ons beschuldigen kan, dat wij slechts de kerkgenootschappelijke scholen zouden bedoelen.’’
     Zo heeft dan ook het Gereformeerd Schoolverband in Nederland mannen in z’n gelederen gehad, die zeker niet allen tot één kerkformatie behoorden. Onder hen waren Hervormden, Chr. Gereformeerden, Gereformeerden. Mannen, die allen van harte instemden met grondslag en doel dezer vereniging. Namelijk de Heilige Schrift naar de verklaring van de Gereformeerde Belijdenisschriften.
     Mannen, die ondanks kerkelijke gescheidenheid samenwerkten in de Chr. Schoolorganisatie, die niet onnodig in het isolement gingen.
     Zo zag het ook Groen van Prinsterer, de man van het ,,in ons isolement ligt onze kracht’’ en die toch de leiding had bij de oprichting van de Vereniging voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs in 1860. Een vereniging die bewust geen kerkelijk karakter draagt, juist met het doel om vrienden van het Chr. onderwijs van verschillende kerkgemeenschap te verenigen bij de gemeenschappelijke arbeid.
     Inter-kerkelijk zijnde belijdt zij de aloude Reformatorische beginselen en zij richt zich (aldus de oprichters onder Groen’s leiding) tegen het liberalisme van Groen’s tijd, tegen alle ongeloof, om het even of dit in het Gereformeerde, Lutherse, Doopsgezinde, of enig ander kerkgenootschap wordt gevonden.
     Zo zien we in de historie van de Chr. Scholen steeds weer, het samengaan in de School van allen, die de Christelijke School zien als een bolwerk tegen de godsdienstloze school. Steeds weer is verzet gekomen tegen onzuiver isolement.
     Men mag tegenwoordig gaarne een woord van Groen aanhalen, doch wil men z’n isolement van allen, die niet tot de eigen kerk behoren, verdedigen met een verwijzing naar Groen’s ,,In ons isolement ligt onze kracht’’, dan vergist men zich deerlijk.
     Wij halen hier aan een uitspraak van Groen in z’n Ongeloof en Revolutie, blz. 385.
     Hij schrijft: ,,Omdat onze strijd niet is gericht tegen personen, maar tegen

|pag. 17|

beginselen, behoort voorts tot de roeping van de Christen het zoeken van samenwerking met allen, die de waarheden van het Evangelie mede aanvaarden. Strijd der Christusbelijders onderling verzwakt de tegenstand.
     Tegen het ongeloof zijn we met de ganse Christenheid, Rooms of on-Rooms, verenigd door het geloof in de enige offerande, eenmaal aan het Kruis volbracht.
     Die eenheid moet zoveel als mogelijk en geoorloofd is versterkt en bewust gemaakt worden.
     De revolutionnaire strekking is tegen de ganse Christenheid gericht. Hervormden, Luthersen, Catholieken worden in gelijke mate bedreigd.
     De verdediging moet gemeenschappelijk wezen.
     Niet door gedwongen toenadering (door de nood der tijden) neen, maar door vasthouding aan het Christelijk geloof en door een levendig gevoel, dat het verschil in gezindheden, in welke Christus als Gods Heiland aangebeden wordt, veel geringer is dan tussen het Christendom en het atheïsme (Het is of we hier horen: hetgeen ons bindt is oneindig groter dan hetgeen ons scheidt).
     Neen, Groen zag de lijnen groter. Hij zag de antithese tussen allen, die de Christus belijden en die Hem haten. Dit nu is het zuivere isolement, zich afzonderen van degenen, die van de wereld zijn en waar ook maar enigszins mogelijk een gezamenlijk optrekken van allen, die de Naam van Christus dragen; ondanks kerkelijke gescheidenheid.
     Onze vaderen waren dan. ook t.a.v. het kerkvraagstuk minder exclusief. Men wachtte er zich voor Christus’ kerkvergaderend werk te binden aan één bepaald instituut. We halen hier aan een woord van Ds H. Meulink: ,,Ook de grote Reformatoren spraken niet zo spoedig van valse kerk als tegenwoordig sommigen onder ons. De felle consequentie, dat de geboden eenheid der kerk in het zichtbare de eis insluit eigen kerkformatie voor de alleen ware kerk te houden, zodat alle andere kerken tot secten of godsdienstige genootschappen verklaard worden, werd in de dagen der Reformatie alleen door felle Lutheranen getrokken.
     De gematigde Lutheranen erkennen, dat de ene ware kerk van Christus in elk geval alle kerken omspant, die het evangelie belijden, dat Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken.
     Ook Calvijn, Farel, Beza, à Lasco, Guido de Brés en Datheen erkennen, dat alle kerken in Frankrijk, Engeland, Duitsland en Zwitserland, die het evangelisch geloof belijden de ene, ware kerk van Christus vormen en de gemeenschap der heiligen.
     Al deze kerken horen bij elkaar krachtens hun eenheid in de voornaamste stukken der leer.
     Het verschil in opvatting t.a.v. de sacramenten, zoals het zich manifesteerde in de dagen der Reformatie, had niet tot verbreking der eenheid mogen leiden. Vooral Calvijn heeft onvermoeid voor deze eenheid gestreden.’’ Tot zover Ds Meulink.
     Doch tegenwoordig is het, alsof men geen enkele eenheid meer ziet of wil zien, alsof de leden van de niet-Vrijgemaakte kerken geworden zijn als de heidenen en de tollenaren, alsof ze met Christus hebben afgerekend en in het kamp van de vijanden van de Christus zijn terechtgekomen.

|pag. 18|

     Men laat het zelfs voorkomen alsof onze kinderen uit het diensthuis van het Egypte der met anderen samenwerkende school zijn uitgeleid en ingegaan in het Kanaan der Vrijgemaakte School. Men vergelijkt de beërving van het vrijgemaakte onderwijs met de beërving van het beloofde land, waarbij God zelf de verlossing schonk uit het diensthuis en de toegang tot de vrijheid forceerde, gelijk Hij eenmaal de Jordaan forceerde om Zijn volk het beloofde Kanaan te doen binnengaan. Er wordt zelfs beweerd, dat de kinderen in de bestaande scholen worden vergiftigd, ja, er zijn er reeds onder de Vrijgemaakte broeders, die zeggen, de openbare school te verkiezen, bóven de met de ,,Synodalen’’ samenwerkende school.
     Doch men is in dit alles wel zeer inconsequent.
     Mensen, die het zenden van de kinderen naar de zgn. gemengde school zonde en ontrouw noemen, blijven zelf aan gemengde onderwijsinstellingen werken en blijven er rustig hun kinderen aan toe vertrouwen. Ja erger nog, zij zenden hun kinderen blijkbaar zonder bezwaar naar neutrale onderwijsinrichtingen als ambachtsschool en nijverheidsschool en vertrouwen aldus hun kinderen toe aan instellingen, die de Naam van Christus niet willen dragen.
     Wij constateren, dat een bestuurslid van de Vrijgemaakte School, leraar is ener neutrale ambachtsschool, waar hij de Naam van Christus niet mag uitdragen en moet werken in een schoolkring, waar voor Christus geen plaats is. O.i. had men z’n energie beter kunnen gebruiken, nl. om met name hier in Kampen te komen tot Christelijk huishoud- en nijverheidsonderwijs.
     Wij ontkennen het recht der ouders geenszins hun kinderen ook in de school te mogen toevertrouwen aan hen, waarop hun keuze valt, doch de wijze waarop de Vrijgemaakte School is doorgedreven, doch bovenal de argumenten waarmee men de noodzaak van de oprichting ener Vrijgemaakte School wil bewijzen, zijn de onze niet. Ze zijn te opgelegd, te gekunsteld, te gezocht.
     Wij kunnen daar niet achterstaan.
     Immers, indien het waar is, dat ouders, die hun kinderen laten onderwijzen door andere dan vrijgemaakte onderwijzers, in strijd handelen met hun doopbelofte, dan zullen onmiddellijk alle vrijgemaakte ouders in Nederland hun kinderen moeten afnemen van gemengde onderwijsinrichtingen, ongeacht de gevolgen hiervan.
     Immers deze doopbelofte is voor Gods heilig aangezicht afgelegd en bewuste ontrouw of eedsbreuk is zware zonde, waarmee ogenblikkelijk gebroken moet worden.
     Dan kan en mag men zich niet beroepen op het woordje ,,naar ons vermogen’’ om daarmee ontrouw of eedsbreuk goed te praten, wanneer men beweert: op andere plaatsen is geen Vrijgemaakte School, dus daar kunnen we niet anders. Wat zegt men? Kan men daar niet anders? Dan zagen onze vaderen het toch wèl anders! Als er werkelijk sprake is van ontrouw aan doopbelofte of eedsbreuk, dan moet men breken, ongeacht financiële offers.
     Neen dan betekent naar ons vermogen: Met ieder middel, dat we bezitten, zullen we onze doopbelofte gestand doen, al kost het ons geld en goed. Zie en daar ontbreekt het nu juist aan. Men heeft de kinderen net zolang op onze scholen gelaten tot men wist, dat het salaris van iedere leerkracht door het Rijk was gewaarborgd, tot de Rijks- en Gemeentevergoeding vast-

|pag. 19|

stonden en om dit te bereiken wilde men de Vrijgemaakte School ook wel aansluiten bij de interkerkelijke Schoolraad, omdat men nu eenmaal een Commissie van Beroep en een Borgstellingsorganisatie nodig had ter verkrijging van Rijks- en Gemeentevergoeding.
     Zo werd men lid van de Schoolraad, enkel en alleen uit materiële overwegingen, er zat geen principe bij, immers de Schoolraad is een volkomen interkerkelijke organisatie, die het onomwonden uitspreekt: ,,Wij zijn niet gebonden aan enige kerkelijke- noch belijdenisuitspraak en aangesloten kunnen zijn alle scholen, die de Bijbel aanvaarden als Gods onfeilbaar Woord, afgezien van bijzondere kerkelijke belijdenis.
     Bij zulk een organisatie had men zich, consequent geredeneerd, nimmer mogen aansluiten.
     Nogmaals, we zeggen dit alles niet om te ontkennen, dat de ouders vrij zijn in hun schoolkeuze, doch om te bewijzen, dat men wel zegt trouw, trouw en nog eens trouw aan doopbelofte en belijdenis, maar zèlf trouw afhankelijk maakt van vermogen en wanneer we dat zien, dan wensen we niet van ontrouw beschuldigd te worden door hen, die ,,trouw’’ willen zijn wanneer het kàn.
     Wij geloven er dan ook geen steek van, dat we ontrouw zijn aan Schrift en Belijdenis, wanneer we onze kinderen blijven zenden naar de bestaande scholen.
     Wij worden nog in dat geloof versterkt door het feit, dat er nimmer enige klacht, van welke ouder ook, is binnengekomen bij het bestuur, aangaande de geest of inhoud van het onderwijs aan onze scholen.
     Er zijn er die zeggen: Ik wil niet dat mijn kinderen onderwezen worden in de verbonds- en doopsbeschouwing van de ,,Synodalen’’.
     Gelooft u nu werkelijk, dat dit geschiedt? En als dit geschiedde, denkt u dan dat ze er iets van zouden begrijpen?
     Kent u het verschil tussen de beide opvattingen? En durft u te beweren, dat de Synodale opvatting vergif is voor onze kinderen?
     We weten toch allen, dat vóór de binding beide opvattingen in de Geref. kerken werden getolereerd, omdat men van géén van beide ronduit durfde beweren, dat ze in strijd was met de Schrift.
     De ellende kwam, toen de Synode ging binden aan één der beide opvattingen en de basis versmalde, doch onze kerk heeft ten aanzien van deze kwestie nimmer gebonden.
     Zowel ten aanzien van doop en verbond komt men bij verder redeneren terecht bij de uitverkiezing en bij de verborgenheden Gods en we zijn er van overtuigd, dat men bij beide opvattingen, wanneer men consequent doorredeneert, eindigt met te stamelen: Gods doen is ondoorgrondelijk, en met ons mensenverstand niet te vatten. Immers ook bij onze opvatting, waarbij wij geloven, dat alle kinderen van gelovige ouders in dezelfde zin bondeling zijn, staan we voor het feit, dat niet alle bondelingen zalig worden, wijl ze niet allen uitverkoren zijn en toch gaan ze verloren door eigen schuld, omdat ze niet voldeden aan de eis des verbonds.
     Dus enerzijds Gods verkiezend welbehagen en anderzijds ’s mensen verantwoordelijkheid. We staan hier voor dingen, die we onbegrepen hebben te aanvaarden.

|pag. 20|

     ,,Het schijnt onmogelijk een constructie te vinden, die een gladde verbinding vormt tussen deze 2 feiten:
     1.     God beveelt de doop te bedienen aan alle kinderen der gemeente als een betekening en verzegeling van de beloften des Evangelies.
     2.     Dwars door die kinderen der gelovigen heen loopt de lijn van verkiezing en verwerping.’’
     Met dit probleem heeft men alle eeuwen door al geworsteld — men komt er doodgewoon niet uit.
     De Synode heeft gemeend een bepaalde constructie te hebben gevonden. Heeft die als bindend opgelegd. Dit was volkomen onjuist, omdat in deze kwestie geen binding mogelijk is. Laten wij van onze kant dan niet hetzelfde gaan doen.
     Men vraagt van ons in de Schoolvereniging niet anders dan instemming met Gods Woord en de 3 formulieren van enigheid, dit vraagt men ook van de Synodale en Chr. Geref. leden. Van verdere binding is in de Schoolvereniging geen sprake!
     En de Kerkgeschiedenis dan? vragen sommigen.
     Hoe wilt u de gebeurtenis van de laatste 10 jaren aan de kinderen vertellen?
     Eerlijk gezegd geloven we, dat deze materie vér boven de bevatting der kinderen uitgaat.
     Waar het voor ons volwassenen vaak niet meevalt de leerstellige en kerkrechtelijke problemen van de huidige kerkstrijd te doorgronden, is het schier onmogelijk onze jonge kinderen deze materie duidelijk te maken.
     Ware het niet verstandig de behandeling van deze problemen rustig over te laten aan onze predikanten?
     Zij zullen nog moeite genoeg hebben de oudere catechisanten de zaken helder en klaar te doen zien.
     Dat wil niet zeggen, dat we nimmer zullen spreken over de gebrokenheid op kerkelijk gebied, over het droeve feit, dat zij, die Christus als hun Heiland belijden, niet kunnen aanzitten aan één avondmaalstafel.
     Doch het lijkt ons verkieslijker onze kinderen op te wekken te bidden voor het herstel der eenheid, dan breed uit te meten over de fouten en zonden van de ouders van een deel onzer leerlingen. Ik wees, dat we dan bezig zijn een geslacht te kweken, dat elkander gaat verbijten en vereten.
     We hopen nl. van harte, dat onze opgroeiende kinderen beter zullen gaan verstaan het woord van de Heiland aan het kruis, toen Hij voor Zijn vijanden bad: ,,Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen.’’
     De behandeling van de hedendaagse kerkgeschiedenis is zo door en door verantwoordelijk, immers de partijen, die strijd voeren léven nog en dáárom behoeft de zaak nog niet verloren te zijn. Men zal elkander moéten terugvinden en juist daarom zijn we zo bang, dat het tafellaken voor goed wordt doorgesneden en de kloof onoverbrugbaar wordt, wanneer we nu ook reeds de kinderen als schapen en bokken vaneenscheiden. Dan is er het grote gevaar, dat het nageslacht de broederband niet meer trekken voelt en dat niettegenstaande het feit, dat zij zich kinderen weten van één Vader, ze voorgoed van elkander zijn verweemd en naast elkaar voortleven zoals thans de kinderen van godvrezende en gode vijandige ouders.
     We huiveren voor deze dingen als we denken aan de bede van onze

|pag. 21|

Heiland: ,,Dat zij allen Eén zijn’’ en al weten we, dat van Synodale zijde tegen deze eenheid zwaar is gezondigd, toch geloven we, dat Christus ons Zijn zegen niet zal onthouden, indien wij alles doen wat we kunnen om de eenheid te herwinnen, al gaat dit ook langs de weg van zelfverloochening en zelfopoffering.
     Broeders en zusters, dit alles heeft ons en anderen doen kiezen de moeilijke weg, een weg, die misschien zal leiden tot verguizing en miskenning, doch desniettemin volgen we dezelve, omdat we menen, dat de andere weg de juiste niet is.
     We leven in een tijd, waarin de Christelijke School moet strijden om haar bestaansrecht niet het minst tegen de doorbraakidee en de Barthiaanse theologie.
     Er zijn Herv. theologen, die het aandurven te beweren, dat de kerk in de vorige eeuw actief misdadig is geweest, omdat ze de Christelijke schoolbesturen hun gang heeft laten gaan met het oprichten van Christelijke Scholen, waardoor deze de eenheid der natie hebben verscheurd. Men wil weer terug naar de tijd, dat alle kinderen der natie (christen of niet) kunnen zitten op dezelfde schoolbank. Men wil de antithese opheffen. Wie kent niet de kwestie Hardegarijp?
     Wij weten, dat onze Synodale broeders van deze doorbraak niets moeten hebben, ja dat velen in de Herv. Kerk ten bloede toe strijden voor een school waar de kinderen voortdurend in aanraking worden gebracht met het levende Woord Gods. We denken hier bijv. aan de onvermoeide strijder voor de waarlijk Christelijke School, de Herv. voorzitter van de Schoolraad voor de Scholen met de Bijbel, Dr G. P. van Itterzon.
     Hij laat een klaar geluid horen en als dan de heer Zijlstra in de Gron. Kerkbode van 26-5-51 durft te beweren dat er in Nederland geen Christelijke Scholen meer zijn, dan durven we ronduit te zeggen, dat dit een grove onwaarheid is. Dit is wederrechtelijk het monopolie van Christelijk onderwijs voor zich opeisen. Door zo te doen breekt men de kracht van het Gereformeerd belijden en stuurt men op onverantwoordelijke wijze op verbreking aan en men durft in dat opzicht wat áán.
     Zo poneert br K. Wieringa van Groningen in het Meetingboekje 1952 van de Bond van J. V. op G. G. rustig de stelling, dat het onderwijs op de huidige Christelijke scholen er toe strekt de kinderen het Verbond te leren vergeten, de kerk te leren verachten, de antithese te leren verdoezelen. Ja, hij durft de stelling aan, dat de huidige Christelijke Scholen Christus’ vergaderingswerk helpen verstrooien.
     Intussen wekt ook hij de ouders op overal, waar het kàn, met de huidige scholen te breken en eigen scholen te stichten, inplaats dat hij, indien de zaken werkelijk zo liggen, de ouders en zichzelf bezweert ONMIDDELLIJK zulke ,,levensgevaarlijke inrichtingen’’ te verlaten.
     Door zo te handelen maakt hij de ernst van z’n vreselijke stelling twijfelachtig.
     Het kàn zijn, dat er op enkele plaatsen dergelijke ,,verworden’’ Christelijke Scholen zijn, doch we zijn er van overtuigd, dat het overgrote deel van de Christelijke Scholen in Nederland alzo niet zijn! Hier wordt schromelijk overdreven en gegeneraliseerd!

|pag. 22|

     In ieder geval wij wéten, dat de Christelijke Scholen in Kampen in dit opzicht vrij uitgaan!
     Nogmaals: dit bewijst wel voldoende het feit, dat nimmer een klacht tegen de inhoud van het onderwijs bij het Bestuur inkwam.
     En wij weten, dat dit op de meeste plaatsen het geval is.
     We vragen ons in gemoede af: beseft men nog wel welke vreselijke dingen men over anderen schrijft en dat men van elk ijdel woord eenmaal rekenschap zal moeten afleggen?
     We huiveren soms bij wat we lezen.
     In een blad voor Vrijgemaakte onderwijzers spreekt men tegenwoordig rustig van Synodocratische anti-christen, daarmee doelende op de leden van de niet-Vrijgemaak te Geref. Kerken.
     Bij zulke woorden benauwt het ons . . . Wij vragen ons af . . . werkt hier een waarlijk Christelijke geest? Of . . . is dit enkel hardheid, zelfoverschatting, geestelijke hoogmoed en een geest van rancune?
     We missen in dit alles wat we opmerkten bij onze vaderen in hun worsteling om de eenheid.
     Geldt het woord van Groen dan niet meer: Bij verscheidenheid en overeenstemming heeft eensgezindheid dubbele kracht. Een woord gesproken midden in de strijd om de School met de Bijbel.
     We kúnnen niet geloven, dat het móet, zoals men tegenwoordig wil, nl. ons afscheiden van allen, die geen lid zijn van eigen kerk.
     Wij vrezen, dat men door zo te doen de kerk, zoals deze hier op aarde wordt vergaderd, vereenzelvigt met de kerk, zoals die eenmaal zal zijn ná dit leven, als Christus zal zijn alles en in allen.
     Wij zijn bereid te breken met die Christus haten, doch willen blijven samenwerken met die Hem, al is het met veel zonde en gebreken, zoeken en liefhebben.
     Dat willen we ook in de school!
     De vrije school met de Bijbel is geboren met alle offers en lasten en ver smaadheden en kruis, die het stichten van Scholen met de Bijbel in de dagen van de schoolstrijd heeft meegebracht.
     En het is tragisch, dat juist diegenen, die, we zijn er van overtuigd, niets anders willen dan bij de Gereformeerde belijdenis te leven, de zware offers der vaderen niet meer tellen en pogingen aanwenden om zegeningen, ontvangen na gebed en strijd van jaren en jaren, in één ogenblik te verwerpen.
     We eindigen met een woord van Dr G. P. van Itterzon: ,,Wij mogen in deze dagen wel bidden om wijsheid van Boven. God geve ons in ootmoed iets van het apostolisch vuur en de heilige bewogenheid der vaderen om door goed en kwaad gerucht heen, en het allerliefst met alle broederen de Heiland te brengen aan de kinderen des Verbonds, die krachtens hun geboorte op heilige erve, hun Heiland en Koning moeten leren kennen en liefhebben.’’
     Moge daartoe ook ons onderwijs strekken.
                                                                                                                                       A. BEEFTINK

*

|pag. 23|

Category(s): Kampen
Tags: ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *