Arent van Hoorn

|pag. 158|

ARENT VAN HOORN

49e. Bisschop van Utrecht.

     
     Over die koor van een nieuwen Bisschop is een grote dissensie tusschen die Heren vant Capittel ontstaan want sommige uit voorwendinge van vrese van Utrecht vertrocken sijnde, hebben tot Deventer in S. Lebuini Kercke tot Bisschop verkoren Swedeer Uterloo uit Over-IJssel afkomstig, sijnde Domproost van Utrecht doch ongeleert, ende gants onwetende van relligie en kerckelicke discipline: welckers electie het Capittel tot Deventer oock heeft goedt gekent. Doch andere Canonicken hebben hem verworpen ende verkoren Arent van Hoorn, die vanden Paus tot Bisschop is bevestigt: alsoo dat Swedeer van Uterloo niet en konde tot het Bisdoom geraecken, maer moste sich allene mit sijne Proostije tevreden houden. Die voorseide Arent van Hoorn was een geleert verstandig jonckman, vant het Bisdoom mit vele schulden beswaert, ende sijne Ampthuisen verpandet, die hij wederom heeft ingelost, en daermede merckelick die Kercke van Utrecht verbetert. Heeft onder andere het huis te Vollenho verborgt ende ingelost, dat om die gevanckenisse van Johan van Verneburg was verpandet, en daermede Over-IJssel wederom geheelt, int jaer 1371.
     Het volgende jaer was in Gelderlant een grote onenigheit ende inlantsen oorlog tusschen die partije gemeenlick Bronchorsten, ende Hekeren, genoemt, welcke partijschap wederom, levendig was geworden door dien na het overlijden van Hartog Reinolt van Gelder die Bronchorsten tot Hartog hadden angenomen Hertog Willem van Gulick, waer tegen die

|pag. 159|

Hekerens Vrouw Machtelt van Gelder die getrouwt was an Lodewijck den Grave van Blois tot Hartoginne hadden verklaert, met welcke die Bisschop van Utrecht alliantie gemaeckt heeft, waerdoor die Bronchorsten opden Bisschop verbittert sijnde, grote schade int Nedersticht gedaen hebben. Soodat oock die van Over-IJssel lichtelick met die Geldersen in oorlog souden sijn geraeckt, maer die Hartog van Gelder heeft haer vruntschap belooft ende toesagen gedaen dat sij van hem ofte van den sijnen niet souden beschadigt worden, als men sien mach uit desen navolgenden brief an die van Campen verleent.
     Wij Willem oltste soone van Gulick bij der gratie Godes Hertog van Gelder en Grave van Zutphen bekennen wij den eersamen luden schepen ende Raedt in Campen, haer borger en ondersaten vruntschap beloven voor ons ende onsen ondersaten die wij machtig sijnnen, ende alle die gene die onsen wille doen ofte te laten willen ende sullen hen geen schade ofte hinder doen, of wij hen dat een maent te voren seggen, in kennisse deses hebben wij onse segel etc. Den voorseiden oorlog tusschen die Geldersen heeft sich die Bisschop sooseer ange nomen, dat hijself daerdoor tot sulcke schulden is verlopen, dat inplaetse hij sijn verpande Ampthuisen eerst hadde ingelost, hij nu dieselve wederom moeste verpanden om gelt tot desen oorlog te bekomen. Dus worde Vollenhove wederom verset voor 2800 oude schilden, Stoutenburg voor 100, ende soovoort eenige andere die namaels Floris van Wevelinckhoven wederom heeft vrijgmaakt.
     Den tijdt vant eerste dingtal verlopen sijnde hebben die lantsate van Twente een tijdtlange uitgestelt wederom met de Geldersche te verdingen, voorname-

|pag. 160|

lick die binnen landts woonden, uitgesondert eenige weinige bueren an die lantscheidinge want zij niet en geloofden dat die vijant haer gewapenderhant soude overvallen, te meer so men voorgaf dat het stichtse krijgsvolck dat nu Vrieslant gedwongen hadde voor de hant was hetwelcke te weerstaen dien vijant niet machts genoege en hadde. Soo dat die van Twente en Drent hierdoor ontmoedigt sijnde, nalieten wederom te verdingen. Dese saecke aldus staande is het Stichtse krijgsvolck onder Frederik van Twickelo tegen alle mans hope uit die palen van Swolle haestig opgebroken sonder ietwes omtrent Swolle uitgericht te hebben, niettegenstaende door het harde ijs well enigh voordeel hadden kunnen doen ende vertrocken na Groningen daer sij met roven en plunderen grote schade deden. Maer alsoo die Geldersche den Groningers te hulpe quamen, moste Tweckelo met sijn volck op Coeverden retireeren, latende sijn vijanden in Drente na haer welgevallen domineren en wederom in dingtall brengen. Die Geldersen met die van Swolle meenden voorts in Twente te vallen, maer sijn een tijdlanck verhindert geworden door het dooij weder, ende het stichtse volck dat tot Coeverden sich geset hadde om den post te bewaren, dan overmits dit volck door misbetalinge en armoede ten eenemale verliep, sijn die Geldersen voorts in Twente gevallen, brengende het lant in dingtal, setten sich tot Ootmarsum van daer trocken sij na Goor en daerna voor Deventer op S. Andries avont.
     Int begin van dese oorlogh hadde die Drost v. Twente uit last des Bisschops ende met rade der steden het huis te Diepenheim met krijgsvolck beset, tot defensie des gemeinen landes, maer alsoo door die

|pag. 161|

swarigheit des oorlogs dit oock niet betaelt en werde ende daeromme de ingesetenen seer lastigh vielen is door raedt en goetvinden van eenige goede luden een stillesate beraemt tussen die van Diepenhem ende een gedeelte van het Scholtampt van Lochem. Hiervan brieven opgerecht sijnde, sijn die Stichtse soldaten uit Diepenhem gelicht ende opten Arckelstein ten deel in garnisoon geleit: niet lange daerna heeft die Geldersche vorst Diepenhem doen innemen en beset met soldaten onder den oversten Berent Hacfort tot grote schade van Over-IJssel.
     Middelertijdt dat in Gelderlant, die voorseide factien gedreven werden, gebeurdent int jaer 1373 dat Herbert de Here van Putten in Veluwen houdende enige leengoederen van den Bisschop, tot Swolle bij den Bisschop is gekomen, versoeckende van hem beleent te worden. Maer alsoo die Bisschop enige actie tegens hem hadde, seggende dat hij in seeckere saecken van den Here van Putten vernadeelt was, heeft hij hem de belenonge geweigert, willende dat hij eerst voldede hetgene hij op hem te seggen hadde.
     Op dieselve tijd waren binnen Swolle Gijsbert Lukenssoon ende Derck die Rode schepenen van Campen, bij de welcke die van Putten sich addresseerde haer klagende, dat de Bisschop hem sijne goederen niet wilde belenen, daer hij nochtans, die selve ter goeder tijdt versocht hadde: waert evenwel dat hij den Bisschop in enigen dele verongelijkt hadde, dat wolde hij beteren en voldoen tot kennisse van die drie steden van Over-IJssel: Deventer, Campen, ende Swolle: begeerde van haer dat sij mit hem wilden gaen bij den Bisschop, twelck sij gdaen hebben en die van Putten hebben versocht avermaels van den Bis-

|pag. 162|

schop in tegenwoordigheit van die voorseide Burgemeisters dat hij beleent mochte worden.
     Die Bisschop gaf wederom tot antwoordt dat hij in sijn lant geweld hadde gedaen ende dat hij daervan behoorlijck beterschap soude doen. Die van Patten antwoorde dat soo vere hij in des Bisschops landen enig gewelt ofte den Bisschop te kort gedaen hadde, dat hij overbodig was tot kennisse van die drie hoofdsteden van Over-IJssel beternisse daervan te doen, maer hiertoe wilde die Bisschop niet verstaen, ende woude dat die van Putten hem soude voldoen sooals hijselfs ordineren dat die van Putten hem soude verdoen zooals hijself ordineren soude. Daerop vertrock die Here van Putten uit Swolle, sijnde seer toornig, oock waren die schepen van Campen seer misnoegt dat haren Bisschop die voorgemeld schelongen an die drie hooft steden niet wolde vertrouwen.
     Die voorseide Here van Putten hadde sijn principale woonplatse op dat huis Olde Putten gelegen bij die stadt Elburg, waertoe vele leenluide vrije, ende eijgen luden hehoorden, daer onder oock eenige van adel waren, maer daertoe hoorde geen heerlickheit van bodt ofte verbodt, hadden nochtans op een andere plaetse hoge heerlijkheid. Hij hadde binnen Elburg die Gruit accijns, insgelijcke int Oldebroeck ende Oostewolde, als Bocopius meent. Hij was van hoogen adel, soodat die Bisschop van Utrecht een verdrag makende tusschen desen Here van Putten ende die Stadt van Campen int jaer 1367, hem noemt sijnen lieven neve. Beneven dat huis Olde Putten hadde hij noch een vaste huis genoemt Puttenstein, gelegen int Oldebroeck bij Wesep, waertoe die dagelickse jurisdictie van Hollanderhuisen behoorde

|pag. 163|

mit die visscherij in die Rijtte tot in de IJsselstroom, met nog veel andere grote goederen soodat hij grote rijckdommen hadde, waerop hij soo moedig ende moetwillig was, dat hij niet en wiste wat van dertelheit te willen doen, was oock sijn naburen die van Camperveen seer lastig, alwaer hij oock vele thinsen ende eigen luden hadde. Daerbij waren seine dinaers even moetwillig, en beschadigden die van Camperveen gants seer, waervan die Bisschops actie van gewelt tegens den Here van Putten intenteerde. Die welcke om sich tegens die macht des Bisschops te stercken ende sijn saecke soo veel meer te rechtveerdigen, int jaer 1374 an die stadt Campen heeft geschreven, ende heeft haer te kennen gegeven, hoe hij mit den Bisschop tot Swolle was gevaren int bijwesen van hare gecommitteerden, ende heeft haer luden voorgedragen dat hem dochtte hoognodig te sijn een verbintenisse mit malckanderen op te richten om onderlinge vijantschap ende schade te vermijden, ende malckanderen niet te beschadigen, diewijle het seer wanckelbaer in sijne lande stont, waeromme hij sijn sloten ende sijn Dochter den Grave van Hollant hadde toegesegt. Die van Campen noch te onvreden sijnde dat haren Bisschop die gemelte questie haer ende sijn twee andere hooftsteden niet wilde toevertrouwen, hebben een bijeenkomst mit den Here van Putten gehouden ende sijn opten 4 Junij met hem verdragen, op conditien ende beloften voor haer, ende haer borgeren, hulperen, en knegten, dat sij malckanderen an lijf ofte goedt geen schade souden doen, ten ware dat sij malckanderen tevoren daervan verwittige gedaen hadden. Als nu die Here van Putten sulcken verdrag mit die van Campen hadde opge-

|pag. 164|

richt, paste hij niet vele op de belenonge van den Bisschop, hem overall verkortende in sijne heijrlicheit. Ende sijne dienaers voeren te meer voort int bedrijven van allerhande moetwille ende beswaernisse tegen die ingesetenen van Camperveen.
     Volgens gebeurdent dat die selve op Camperveen gekomen sijnde, aldaer die pijpen stelden gelijck sij gewoon waren, waeromme die schulten van die plaetse met enige huisluden sijn op die beene gekomen, vragende wat sij sich tot die selve souden versien? antwoorden niet dan alle goedt, alsoo sij sich ant verdrag hielden dat die van Campen mit den here van Putten hadden gemaeckt, ende tot verseeckeringe van dien, en opdat die van Camperveen onbesorgt souden wesen, hebben sij haer wapenen afgeleijt. Sulcks niet tegenstaende sijn die voorseide huisluden op haer angevallen, ende hebben negen dienaers van die van Putten doodtgeslagen. Twelck die selve seer oevel heeft opgenomen wijtende sulks die van Campen, hoewel sij van dit feit gants niet en wisten, noch raedt ofte daet daertoe hadden gegeven. Claegde terstont over die van Campen bij verscheiden Heren en Vorsten, ende andie Stadt Lubeck als overste der Hanse steden, dat sij sijne dienaers boven gemaeckte vrede hadden vermoord, mit begeerte dat sij die van Campen daertoe wouden holden, dat hen erstadinge daervan mochte geschieden daer sij nochtans hiervan niet en wisten, noch oock het selve feit in haer vrijheit was geschiet. Daerop heeft die stadt Campen schriftelijck die gebroederen van Putten den oorlog angesegt, als blijckt uit desen navolgenden brief.
     Wij Schepen, Raedt, ende gemene borgers der Stadt

|pag. 165|

Campen, doen te weten Pelgrom van Putten, Derck van Putten ende uwe broeders, dat wij uwe vijanden willen wesen, om die ongerechtheit wille die gij onsen lieven Here gedaen hebben, ende doen in sijnen onderpande, ende willen u bij dien, ende alle die wij op U veden mogen onse eere daermede tegen U verantwoort hebben, gegeven onder onse Stadtsegel etc.
     Boven die voorgaende klachte die de Here van Putten gedaen hadde, heeft hij op een nieuw an sijne vrunden ende magen geklaegt, dat hen die van Campen vijantlick hadden ontsegt, waeromme hij begeerde datse hem bijstant in desen oorlog wilde doen. Waerop seer vele schriftelick die van Campen den oorlog hebben angeseit, alle mit kleine briefkens, ende vele onder segel van Herbert van Putten, meest sonder dato, ende rontsomme gesneden, waer van ick eene van die lancksten, ende oock eene van die kortsten will verhalen, sijnde anders het getal van die reste well over die vijftig, die noch segt Boecopius in bewaronge van die stadt Campen sijn. Alle vaste van ener menonge als volgt:
     Wetet Schepen ende Raedt dat gij vijanden sijt geworden des Heren Herberts van Putten Ridder, om die van Camperveen daer gij hoofdt heren van sijnnen ende omdat onrechts wille dat gij hem doen, soo willen wij Heren hier na beschreven, sampt alle H. Gijsbert van Bronchorst, Ridder, Lodewich Here van Ripperscheit, Henrick van Hoemoet R. Heer van Salamander, Heer van Coedreckshove R. Arent Hoemen, Willem van Steenbergen, Willem van Baer, Henrick van Hunripel, Jan Molheller, Wolter van Dannen, Jan die Driever, Dirck Wittebolle, Goossen Keersensoome, Henrick Vogel, ende alle onse knegten, want wij

|pag. 166|

liever hebben Herbert van Putten R. dan U, ende alle uwe borgeren, ende alle die wij op U veden kunnen: ende willen onse ere hier mede tegens U ende alle uwe borgers verwaert hebben onder dat segel Heren Herbert van Putten Ridder. Dese navolgende is ene van die kleinste ontseg briefkens. Wetet Borgemeister schepen ende raedt ende gemene borgers der stadt Campen, dat Steven van Brederode, Henrick die Quade, Jan ten Ham, liever hebben H. Herbert van Putten R. dan U, ende alle uwe borgeren, ende willen onse eere hier mede tegen U bewaert hebben, onder dat segel H. Herbert van Putten. Dese ende meer andere daer vele van hoogen adel onder waren, hebben die stadt Campen ende hare borgers grote schade ende den Bisschop van Utrecht groote hoemoet gedaen, als sijnde meest van die Bronchorster factie in Gelderlant, die mit Hartog Willem van Gulick tegen den Grave van Blois ende den Bisschop van Utrecht alrede in oorlog waren.
     Tot wederstant van desen vijant heeft die Bisschop alle mogelicke neerstigheit gedaen, schreef an die van Campen datse dat huis Puttenstein souden belegeren ende omwerpen alsoo haer en die van Camperveen die meeste schade daeruit geschiede, hij woude haer luden daer in een hoofdt wesen. Maer die van Campen woude daertoe niet verstaen nochte iet aangrijpen, voor ende aleer sij mit haren Bisschop alle dingen nodig tot sulcken werck rijpelicken overlegt hadden. Daeromme is die Bisschop int jaer 1375, binnen Campen gekomen om te beraden in wat manieren sij den Here van Putten souden beoorlogen, ende is besloten dat men dat huis Puttenstein op de navolgende conditiën, soude belegeren: Eerstelick,

|pag. 167|

wanneer zij Pattenstein verovert hadden, soo soude men dat selve te gronde toe afbreken, ende raseren. Volgens soude die Bisschop den van Campen helpen datse haer landerijen, op het Camperveen daer sij recht toe hadden weder mochten bekomen, dat oock die Bisschop geen bestant soen ofte enig verdrag mit Herbert van Putten souden maecken, noch mit andere van sijne anhangers haer vijanden, buiten consent ende wille van die stadt Campen. Dat de Bisschop uit Campen niet soude vertrecken ter wijlen ende soolange tot sij Puttenstein gewonnen hadden, ende dat hij altoos haer hooft soude wesen, om haer te helpen in alle twist ende schelonge die haer daer van komen mochte, entlick soo die van Campen enige anspracke ofte oorlog worde opgeleit van den Here van Putten of van den sijnen, dat soude die Bisschop haer helpen uitvoeren met alle sijn macht.
     Hierna op Victoris ende Modesii dagh hebben die van Campen Puttenstein belegert, ende daervoor een groote blijde opgericht, waermede sij dat slot grote schade deden: waervan noch dat principael tot Campen in Heilige Geeste Kercke staet, ende wort aldus van A. to Bocop beschreven. Dese blijde was gemaeckt van drie lange sware balcken ongeveer 70 ofte 80 voeten lanck ende is ant swaerste ende omtrent ses voeten breet, voren lopen alle drie balcken spits toe wesende omtrent vierkant ende omtrent anderhalf voet breedt, daervoor recht int midden een ijseren haeck an is, hebbende op elcke sijde hent op sijn kant, tot het derden deel vandie lengte twee sware ijseren veren: ende is van onderen op met ijseren banden ettelicke voeten van den anderen seer well rontsomme verbonden, ende mit nagelen wel

|pag. 168|

sterckelick bewaert, van het benedenste einde omtrent ses of seven voetten is een vierkantt gatt een voett breet met swaeluven sterten, van ijzeren banden rontsomme versien, daer die asse in is geweest daer men dat instrument op gebruickte, (soo mij dunckt) maer hoe ofte in wat manieren is mij onbewust, dan men siet well dat men daer mede heeft geworpen: daer sijn oock noch grote ronde storm kloten soo groot als twee ofte drie tumelers kloten, dat blijnde stene genoemt worde, waervan in die versoeningen deser partije mentie wort gemaeckt. Herbert van Putten was in eigener personen op Puttenstein als dese belegeringe geschiede; ende om den selven uit dit perijckel te verlossen hebben sijn bontgenoten sich gesterckt om hem te ontsetten; als sulcks die Bisschop hadde vernomen heeft hij noch 200 ruiters, ende 200 voetknegten tot hulpe vandie belegers voor Puttenstein gesonden, waeromme die bontgenoten het ontset niet dorsten avontteuren. Als nu Herbert van Putten noch proviande op den huise, noch ontset konde bekomen, heeft hij dat selve andie van Campen overgelevert, moeste haer gevangen blijven, ende is gevancklick binnen Campen gebracht. Int selve jaer des Vrijdaegs na S. Jans onthoofdinge heeft die Here van Putten sich mit den Bisschop ende die van Campen verdragen op volgende manieren. Eerstelick dat die Bisschop van Utrecht mit sijne hulpers ende hulpers hulpen ter ener met H. Herbert van Putten sijn hulpers ende hulpers hulpen ter ander sijden van dit oorlog souden versoent, ende die gevangen ten beijden sijden souden lose ende quit wesen, ende insgelijcken alle onbetaelde pennonge van dat oorlog henkomende. Voorts dat die Bisschop

|pag. 169|

ende die van Campen, dat huis met dat voorgeborgte sullen mogen te gronde afbreecken, dan holt, steen, ende ijser soude H. Herbert holden, maer die van Campen souden haer blijnde steenen daer vandaen mogen halen. Dat H. Herbert op die hofstede geen veste soude timmeren, noch op een mijle weegs rontom die stadt Campen, dan soude die hofstede mit bouwhuisen mogen betimmeren, hetwelcke H. Herbert alles beloofde te willen nakomen gevende daervan sijne segel en brieven in dato als boven.
     Daerop hebben die van Campen Puttenstein met dat voorburg te gronde nedergeworpen, haer blijnde steenen na Campen gevoert, hout, steen, ende ijser den Here van Putten gelaten, na luit des verdrags. Hierna sijn oock vele van sijne bloedtverwanten, die neffens hem die van Campen ontsegt hadden, wederom mit die selve stadt geaccordeert, ende versoent waervan sij malckanderen segel ende brieven hebben gegeven.
     Op die selve tijdt storf Waldemaer die Coninck van Denemarcken; voor welckers doodt die Hanse steden een vergaderinge tot Straelsonde hebben gehouden, alwaer een vrede gemaeckt worde die van die selve Coninck worde geapprobeert; ende aldaer worden niet allene Deventer, Campen, en Swolle, maer oock Hasselt onder die Hanse steden getelt.
     Omtrent het jaer 1376 waren die Here van die Cuiner in Over-IJssel, met sijn soone, ende ettelicke van sijne bloedtverwanten, buitenslants doodtgeslagen, ende men konde seeckerlick niet weten wie dat gedaen hadde. Maer sijn soone Harmen van die Cuinder die na sijns vaders doodt aldaer Here worde, heeft het daervoor geholden, dat die van Hamborg daer

|pag. 170|

schuldig an waren: verbont sich derhalven mit sijne vrunden om sulcks te wreecken op die van Hamborg ende hare borgeren, te water ende te lande, waer sij het selve konden te wege brengen: twelcke haer menonge sij den van Hamborg hebben toegeschreven, oock terstont op haer toegepast, ende hare borgeren allent halven beschadigt. Waeromme die van Hamborg hare gesanten als Heer Georgen Holstein indertijdt borgemeester der selver stadt, ende H. Volcker Goldersson Raedtsman, in Over-IJssel hebben gesonden, ende van die steden Deventer, Campen en Swolle versocht, datse doch hare Gecommitteerden behulpelick wilden wesen, om tot verdrag mit den Here vande Cuiner te geraecken, alsoo sij geen schult tot sijns vaders doodt en hadden. Die steden voorseit willig sijnde het versoeck van die van Hamburg te voldoen, hebben haer gesanten anden selven Here gesonden, ende soo wijt tusschen beiden gehandelt, dat hij verstont die van Hamborg onschuldig te wesen, waerme hij oock die selve opten 7 Martij ao 1376 van die doodtslag sijnes vaders heeft verlaten ende quijt gescholden, insgelijcken sijne vrunden voor haer ende nakomelingen, waervan hij haer segel ende brieven heeft gegeven, die van dese vavolgende onderteekent waren. Heer Harmen van die Cuiner, Jan van de Cuiner, Rid. Henrick van Essen, die olde, Henrick van Esen die Jonge, Coop Wijnkens soone, Jan Hagen, ende Hugo vander Halle die jonge.
     Johan van Arckel die van Utrecht na Luijck verset was, aldaer gestorven sijnde int jaer 1378 den 1 Julij is in sijn plaetse verkoren Arent van ’t Hoorn, Bissohop van Utrecht, die sijn vertreck soo lange wiste opte schorten, dat hij die opkomsten des Bisdooms

|pag. 171|

van Utrecht een geheel jaer lanck heeft genoten, ende te gelijcke die van Luijck waeruit men sien mach wie hij meer gemeent heeft sijne ondersaten ofte haer gelt, als Heda van hem verhaelt.
     Om te weten wat adelicke personen ten tijde van dese voorgaende Bisschoppen van Utrecht in Overijssel geweest zijn, sall ick hier kortelick opt einde deses boecks die namen der selver hier bijvoegen, ende anteickenen op wat tijdt sij geleeft hebben soo veel ons tot kennisse is gekomen. Goodschalck, Grave van Goor, omtrent het jaer Chr. 1040. Ludolph van Koeverden, erfamptman van Drente, broeder van Bisschop Herberto int jaer 1143. Bartolt van Aldenseel, Willem Graef van Goor, Derck ende Wermbolt van Buckhorst, gebroeders Henrick van Boningen 1145. Evert van Almelo 1165. Floris, of Volcker van Koeverden 1190. Graef van Kuinder 1190, G. Graef van Goor, Alphert van IJsselmuiden ao 1226. Gerrit van Buckhorst, Harmen van Voorst 1123, Rudolph van Koeverden 1227. Derck van Buckhorst, Henrick van Sallant, Claes van den Torene, Berent van Dalfsen, Tijbolt van Tije, Willem van Albergen, Coenraet van Steenwijck, Warner van Hasselt, Steven van Elsen, Albert ende Henrick van Dieze, Ulrick van Enschede, Goossen van Lage, Rutger van der Ese, Arent van Sallant, Goossen van Oostewolde, Reinolt ende Jacob van Doorneck, Reinolt van Holten, Warner van Bierse, Hartger van Wiersselo, Henrick van Vlederinge, Coenraet van Ootmarsen, Seino van Dalfsen, Ritbert van IJsselmuden, Rijckwijn van Hasselt, Derck van Keppel, Rutger van Doorn, int jaer 1227. Agidius ende Valerius Bake Ridders. Harmen van Voorst, Henrick van Almelo, Harmen van Sa-

|pag. 172|

terslo, Hendrick van Essen 1258. Arent van Almelo, Henrick, Roderick Andries, ende Sweer van Voorst, Willem van Buckhorst 1272. Roderick ende Harmen van Voorst 1320. Hako van Rutenberg 1328. Goodschalck van Dalweshem 1228. Bernart van Diepenhem, Swedeer van Voorst ende Regteren 1330. Harmen van Laghe 1340. Reinolt van Coeverden, Jan van Klooster 1347. Frederick van Ese 1348. Roederick v. Voorst 1361. Engbert van Salne, Harmen van Twickelo, Henrick Schume van Hondenberg 1368. Harmen van de Cuiner, Jan van de Cuinder, Ridder Henrick van Essen, Jan Haghen 1376.

_______

Category(s): Overijssel
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.