Willebrand van Paterborn

WILLEBRAND VAN PATERBORN

XXXVe. Bisschop van Utrecht.

     Die Graef van Gelder mit de Here van Amstel sijn op belofte van weer in te sullen komen als sij daertoe versocht worden, van Rudolph van Coeverden losgelaten, ende sijn alsoo noch verwont sijnde tot Utrecht gekomen, alwaer Capittel worde gehouden, des sij de Canonicken baden dat sij Willebrandt van Oldenburg den Bisschop van Paterborn wouden verkiesen. Twelick alsoo oock geschiede. Maer want hij op dese tijdt in Italiën was om te verrichten enige saecke des Keisers, hebben sij tot hem in alder hast enige afgesonden, om haren geëligeerden Bisschop desen tijdonge te brengen ende die begeerte van de

|pag. 81|

Kercke van Utrecht an den Paus bekent te maecken. Dienvolgens heeft Gregorius de negende de voorseide Electie geapprobeert ende gaf Willebrant sijnen segen om voortaen Bisschop van Utrecht te wesen. Als nu de Bisschop tot Utrecht gekomen was, ginck hij te rechte sitten, daer sijn hoge mannen des stichtes ordel ende recht verklaerden dat de Grave van Gelder mit alle die andere gevangene vrij ende loss souden sijn, ende Rodolph van Coeverden verordelde hij als een verbannen ende onwettigen man, omdat hij sijne wettelicken Lantshere soo jammerlicken hadde omt leven gebracht.
     Terstont hierna heeft de Bisschop door sijn macht ende des Paus aflaet vele volcks in Vrieslant op die bene gebracht om de van Coeverden ende Drente te bestrijden, ende heeft sijn volck in ses troppen tegen sijn vijanden verdeelt alsoo deden oock de Drentekers, daeromtrent waer sij vermoeden des Bisschops volck te sullen ankomen tot bescherminge van haer landt, soodat niemant sonder groot peryckel in het lant van Drente konde komen.
     Maer die Bisschop heeft haer soo dapperlicken van alle kanten angevallen dat se de vlucht namen en vervolgde de voortvluchtige den gehelen dagh totten avondt toe, verbrandende vele van haer dorpen. Des anderen daegs smorgens quamen die van Coeverden ende Drente soeckende des Bisschops genade hem stellende verscheiden gijselaers, welcke hij goedertierenlick ontfinck, ende ontbant haer vanden bant der Excommunicatie, op dese voorwaerde: dat Rolof van Coeverden hen wederom soude vrij overleveren dat Casteel te Coeverdon ende Lare, mit alle jurisdictie van Drente: dat hij, den Bisschop voor sijn schade

|pag. 82|

betalen soude 3000 marck: dat hij in Lijflant 100 gewapende mannen soude senden: dat hij oock een Nonne Clooster soude stichten van 25 prebenden van de orde Benedicti, dat nu Swartewater wort genoemt.
     Videatur instrumentum originale Fundationis Monasterii in Swartewater.
     Ao 1230. Haeretici de Aqua Nigra dicti.
     Petrus de Vineis. lib. 1. Ep. 27.
     Dit aldus geaccordeert sijnde dede de Bisschop dat huis te Lare te gronde toe afwerpen, ende dat casteel te Coeverden dede hij te meer mit alle nootdruft versien, bedanckte sijn hulpers, ende vertrock aldus victorieus na Utrecht.
     Rodolph van Coeverden was seer bedroeft, dat hij Coeverden ende die Drente verloren hadde, bedacht derhalve hoe hij best dat huys wederom mochte bekomen, te dien einde huerde hij eenen man woonende aldaer, die hem datselve ter gelegender tijdt overleveren soude. Omlancks daerna gingen de meeste borgsaten int dorp van Coeverden mitten verrader Rodolph, die heimelick lach en schuilde bij het casteel, ginck binnen de uiterste poorte, versloeg enige wachters ende maeckte sich meister van dat huys, twelck hij seer well mit sijnen anhanck besette.
     Die Bisschop dit ongeval vernomen hebbende was seer gestoort over die ontrouwigheit van Rodolph voornoemt ende om Over-IJssel voor overval sijner vijanden te bevrijden, bevestigde hij dat casteel ten Hardenberg, daerenboven liet hij een gemene heyrvaert tegen Coeverden, ende die Drentekers verkondigen.
     Int volgende jaer 1228 als des winters die venen ende moerassen waermede die Drente van Overijssel

|pag. 83|

is afgescheiden seer harde waren toegevroren, ende men nu overall een brugge vont om over te passeren trock de Bisschop mit een groten hoop volcks na Drente, verhopende des volgende daegs die sterckten des huises te Coeverden mit verscheiden instrumenten onder die voeten te werpen. Maer sijn opset ginck te niete, want in deselve nacht is opgestaen sulcken windt ende regen die het is dede breken ende smelten dat all het volck genootsaeckt werde van Coeverden af te trecken, ende hebben sich terugge na die IJsel-kante begeven.
     Die Bisschop predickte op het nieuwe des Paus aflaet in Vrieslant, ende sont aldaer boden om bijstant te versoecken, maeckte alles veerdig om die Drentekers ten derden mael te bevechten. Coeverden daerover ontstelt sijnde heeft als die sommer anquam, enige handelinge gesocht mit den Bisschop, die hen 15 dagen bestants vergunde, want hij beloofde tot het seggen van drie Abten in Oostvrieslant dat te voltrecken, ende van alles dat tot dien dage geschiet was tegen den Bisschop satisfactie te geven. Binnen dit bestant quam Rodolph van Coeverden mit sijn dienaer Hendrick van Gramsdorp opt Casteel ten Hardenberg, om mit den Bisschop te spreken van versoeninge; die seer was verwondert over sijne komste, ende hen vraegde hoe hij soo stout was dat hij self anderde dorste komen onder sijn meeste vijanden. Terstont quamen die van Hardenberg toegelopen, ende namen hem ende sijn dienaer uit de camer, tegen wille van den Bisschop, leiden hem uit het casteel ende rabraeckten se beijde, leggende haer lichamen op radstaken, want sij hielden Coeverden voor een geëxcommuniceerden, ende soodanigen

|pag. 84|

die als onwettig, geen faveur van wetten ofte beloften begeerde te genieten. Middelertijdt begonden die van Utrecht tegen malckanderen oneens te worden, dat men van dage tot dage anders niet als rooff, moort ende brandt beduchtede: daeromme die Bisschop na Utrecht vertrock, ende heeft sich selven voor alle minschen onschuldigt van Coeverdens doodt, ende heeft int Nedersticht gekomen sijnde, mit hulpe van Graef Floris van Hollant sijne ondersaten bevredigt.
     Het derde jaer na dese geschiedenissen, namelick ao 1231 vergaderden die Drentekers mit grote mennigte ende belegerden die stadt Groningen: maer Egbert die Borggrave dede seer stercken uitvall op haer luden, datter vele van haer verslagen worden, en behielt haer proviande ende wagens mit ses hondert paerden. Des anderen daegs vervolgende sijn victorie verbrande hij vele dorpen op die Drente. Dit verblijde den Bisschop seer, ende om voorts de Drentekers te bedwingen, vergaderde hij mit des Paus aflaet in Vrieslant een groot heijr, daermede hij in Drente is gevallen, ende dat dorp mit het voorborg vant huijs te Coeverden verbrande, ende sijn krijgsluden bequamen aldaer een grote roof van paerden ende allerlij goet, ende spaerden niemant van die Drentekers, noch wijf nog kint, maer sloegen se alle doodt die sij konden bekomen; wanende dat sij door dit moorden het eewige leven ende dit plonderen die hemelsche goederen sooveel te lichter souden verkrijgen, als die doer des Paus Aflaet geroepen sijnde sich tegen die verbannenne, ende geëxcommuniceerde Drentekers lieten gebrucken. Als het avont was geworden vertrock die Bisschop over het broecklant na Ane, omdat hij daer seeckerder

|pag. 85|

mit sijn leger konde leggen; ende des anderen daegs toog hij wederom op na Coeverden, om dat casteel te winnen, mit ontwonden banieren ande klinckende trompetten.
     Die selve nacht waren die Drentekers mit vele volckes in Coeverden gekomen, ende die Vriesen uit het sticht van Munster stonden andie oversijde des moers om die Drentekers bijstant te doen. Daegs te voren hadden die Vriesen die mit den Bisschop gekomen waren, grooten afbreuk geleden, waeromme de Drentekers te stouter sijn geweest, ende waren tot Coeverden gekomen om den Bisschop slagh te leveren. Die Bisschop dan overleggende die macht van sijn vijanden, ende dat sijn proviande begon te minderen, toog wederom terugge opten Hardenberg, bedanckte ende casseerde sijn volck ende hulpers en besorgde sijne vestongen ende castelen mit alle nootwendigheiden tegen de van Drente.
     Neque ab alia parte Drentiae bellum administrabatur. Conradus Sallandiae praefectus Stenovici aliquantum moratus Drentiam ingressus fuerat, is loco palustri ac deserto cui Backevene nomen cum omnibus copiis fere deletus est.                                                                                     Brum.
     Wij hebben desen oorlog tegen de Drentekers wat wijtlopiger verhaelt, eensdeels omdat derselver lant weleer een gedeelte des stichts van Over-IJssel geweest is, doch voornamelick omdat in alle dese tochten des Bisschops getrouwe hulpers sijn geweest niet allene die Vriesen, maer oock die van Sallant, Twente en Vollenho, mit die borgeren der stadt Deventer, die mit grote vromheit ende getrouwheit haren Bisschop bijstant gedaen hebben, daer die vant Nedersticht als vreesachtige ende verwijfde

|pag. 86|

noch mit volck noch mit geldt haren Bisschop holpen, sonder alleen als B. Otto verslagen was, ende de Bisschop niet tegenwoordig was, hebben sij die van Groningen geholpen tegen de Drentekers.
     Die stadt Swolle, sijnde die derde hoofdtstadt des stichts van Over-IJssel, heeft in tijde van Bisschop Willibrant haren anvanck genomen in den jare 1233 na Christi geboorte. Arent te Bocop schrijft hiervan als volgt. Bisschop Willibrant hadde een stuck Erfs dat hem ende de Kercke van Utrecht toequam, genoemt Vollenho ende was gelegen in den kerspel van Swolle, in die buerschap Middelwijk, op welck erve rechtevoort staet dat clooster Bethlehem binnen de stadt Swolle, daer de gemelthe Bisschop lange kranck lach. Soo ’t nu plaetse geeft will ick hier verhalen hoe die stadt van Swolle haren anvanck heeft gekregen, ende van soo kleinen buerschap tot soo heerlicken stadt is angewassen, ende soo vele mij daervan bewust is verhalen.
     Dese buerschap Middelwijk was in dat jaer een kleine opene vlecke, ofte buerte, ende die iugesetenen worden seer van die omgesetenen beschadigt, ende voornamelick van de huisen Voorst, Rechteren, Rutenburg ende andere, diese doe roofhuisen noemden, waeruit niet allene die ingesetenen ende huisluden beschadigt worden, maer oock die vreemde ende reijsende man. Soo hebben die ingesetenen vandie Middelwijk den Bisschop van Utrecht, die daer kranck lach op sijn goedt Vollenho, gebeden, dat hij haer woude vergunnen, dat se die buerschap mit een plancken stakettinge mochten omtrecken ende bevestigen, op datse vrij van de roofhuisen mochten wesen, ende de reisende man onbeschadigt aldaer mochte

|pag. 87|

benachten, oock haer Stadtrecht woude vergunnen.
     Die Bisschop van Utrecht heeft als Lantvorst, dese luden hare bede vergunt, ende heeft de buerschap Middelwijck Swolle genoemt. Sommige willen seggen dat Middelwijck daerom Swolle soude genoemt sijn, omdat op die plaetse daer dat stadts vleeshuis staet, schone kostelicke weijden plachten te wesen, waerop die ossen seer vett werden, ende seiden datse seer swollen waervan die stadt haren name soude gekregen hebben, maer ick wil dit hierbij laten, alsoo ick daervan geen seeckerheit kan schrijven. Sooals die Bisschop Middelwijck Swolle genoemt ende statrecht vergunt hadde, hebben die omgesetenen ende huisluden sich aldaer mitterwone begeven ende ene tuijn van plancken daeromme gemaeckt. Daerna sijn die ingesetenen bij malckanderen gekomen, ende hebben 12 schepenen van haer borgers gekoren ende alle die inwoonders worden borgers ende hebben die stadt ene borgerlicken eedt gedaen ende hebben mit malckanderen besproken dat de borgeren voor de Borgemeisters ende schepenen malckanderen mit recht souden bespreken ende den selven als goede borgers toestaet in alles gehoorsaem wesen. Hebben daertoe enen Richter gekoren die men nu Schulte noemt, die de saecken van des Heren wegen soude betreden, ende sijn gerichte over die vreemde man hebben. Dus vere die voorsijde Bocop. Bisschop Willebrant Swolle tot een stadt gemaeckt hebbende, is oock aldaer int selve jaer van sijn krankheit gestorven den 16 Jul. ende is tot Utrecht in S. Servaes begraven.
     Ex Hollandia Frisiaque Colonos accivit in loca ericetis paludibusque obsita, quorum praecipuum Campervena ejus industria incoli caeptum, quoque

|pag. 88|

alacrius excolerent rusticis publicorum onerum immunitatem concessit.
     Brum. Videatur haec in vita Episcopi Viandensis.
     Inter hos motus struebatur monasterium Nobilium virginum ad vidrum ex instituto benedicti consecratumque est solenni pompa praecipuis ex Nobilitate ad spectaculum confluentibus quod ad id tempus in agro nulla caenobia erecta fuissent; adfuere: Balduinus et Eilardus Bentemii comites. Egbertus Gronebergius, Pellegremus et Wolterus Radien Vollenhoviani, Henricus Stenebrinck, Burchardus et Gerardus de Middelwijck, Assuerus Voorstanus Giselbertus Buchorstius, Alferus Isselmudanus Winemarus Hardenberg, Egbertus Harenus, Engelbertus et Henricus a Garner, Remfridus a Junne, Assuerus a Genne, Harmannus a Vilsteren; Fanum dedicabat Episcopus Lealiensis Godefridus insulae Marianae coenobiarcha clerusque Trajectinus.
     Inserenda hic est Fundatio.
     Perperam Beka Willebrordum obiisse refert ao1233. C Cal. aug                                                                                                                                  vide.
     Fr: Coccius. Assignato Sigillo cui insculpta erat turris cum S. Michaele cuius exemplar in arca nostra habetur ad litteras scabinales appensum.
     Fr. Gerhardus Coccius ex mandata prioris sui Johannis Aldenseel in Bethlehem Swollensi monasterio Ao 1520 scribit, Swollam fuisse villam et parochiam licet parvam a multis annis ante fundationem sui monasterii etc.
     Ao 1235 vel circa Willibrandum Episcopum in villa Swollensi graviter infirmatum in curta sive curia Vollenho quae nunc est Bethlehem monasterium ibique incolis dedisse jus civit. Et non multis

|pag. 89|

post diebus obiisse. Quo audito ex omnibus circumvicinis villagiis scilicet Assendorp, Ittersum, Zuthem, Windesem, Herkelo, Oldeniel, Schelne, Spoelde, Westenholte, Vekaten, Mastebroeck, Langenholte, Genne, Haerst, Herfte, Berckmede, Wijtmen etc. conglobati in Middelwijck, ubi major pars Swollae erat, oppidum effecerunt timore raptorum, qui in castris Voorst, Rechteren et Eerde morantes, frequentes irruptiones in illos facientes, praeda agebant velut e speluncis latronum.
     Sufficitur interea in Willebrandi locum Otho Hollandiae com. frater qui cum Drentinis vicinisque Fivelgoniis decertavit, donec expeditio in Stedingios finita esset etc. Stedingiis devictis victores domum revertentes eum metu Drentinis incussere ut de pace legatos ad praesulem Covordii mitterent imperata se facturos polliciti. In deditionem accepti, quamdiu Florentius Holl. in vivis erat in fide permasere. Eo sublato arma corripiunt, Transisulanosque ut ante infestant. Tum Otto praesul collecto exercitu eos aggreditur, eaque ejus faelicitas fuit, ut victa Covordia Drentiam brevi in potestatem redegerit. Quamquam non desint qui memorent Drentinos belli tumultuumque pertaesos sponte se suaque Otoni permisisse, quod mihi a vero abhorrere videtur. In antiquum tamen gratiae locum restituti Rudolphi posteri, praefecturam Drentiae tenuerunt, donec Blankenhemius antistes cum iis transegerit quietae exinde res in Transisalania etc
                                                                                                                                                 Bru.

_______

|pag. 90|

     Otto een Graven soone van Hollant na Willibrant Bisschop gekoren sijnde terwijlen die saecken des stichts noch seer wanckelbaer stonden, heeft de landen veele goeds gedaen: want omdat het Bisdoom door den geduerige oorlog mit de Drentekers seer was verarmt, heeft hij all sijn patrimoniale goederen verkoft ende de landen van alle schulden en opgenomene pennongen bevrijet ende ontlast. Omtrent het jaer 1240 was die Abdisse van Elten in handelinge getreden mit de stadt Deventer wegen den Catertoll, die sij an die selve stadt over dede ad firmum et perpetuum pactum waeromme sij het voorseide jaer den lesten April an den Bisschop heeft geschreven, versoeckende dat hij die van Deventer wilde stellen ende houden in die possesie van denselve toll.
     Int selve jaer verbrande Lebuni Kercke tot Deventer v. pag. seq.
     Wij hebben voor desen vermelt dat in Twente besondere Graven sijn geweest, die int gemeen Graven van Goor plachten genoemt te worden, houdende haer Graefschap vanden Bisschop te lene, die selve hebben ten tijde van Bisschop Otto int jaer 1248 een einde genomen ende den Graeflicken titel verloren. Ende sulcks uit oorsaecke overmits die Grave van Goor die alsdoen regeerde, sijne naburen die ondersaten des landes van Over-IJssel seer beschadigde, ende in velen dingen verkortende: twelck hem de Bisschop schriftelick tot verscheiden reisen hadde doen verbieden, maer hij achtede sulcks niet,

|pag. 91|

ende dede dat selve sooveel te meer, daerover die Bisschop seer gestoort is, en gedacht dese wederspannigheit van sijnen vasall te straffen.
     Het geschiede dat Graef Willem van Hollant, die tot een Roomschen Coninck was verkoren wesende des Bisschops broeders soone tot Utrecht quam: alwaer de Bisschop sijnen neve klagende te kennen gaff wat moedtwille ende schade de Grave van Goor sijne ondersaten gedaen hadde ende noch dede. Die Roomsche Coninck dit ter harten nemende, heeft den Grave voornoemt op dese klachte een peremptoiren dagh voor sijn camer angestelt, om aldaer terechte te staen, maer hij paste niet veel op des conincks citatie, ende en wilde niet komen. Weshalven dieselve Coninck seer qualick is tevreden geweest, ende nam sulcks, alsof die Grave dat tot sijner verachtinge gedaen hadde: ginck tot Utrecht in den Dom, doet sijn Harnasch op S. Martensaltaer brengen, ende heeft het aldaer angetrocken ende sijn sweert omgegordt, gebiedende sijn dienaers ruteren ende knechten, dat se hem souden navolgen. Treckt terstont van Utrecht na die Twente in de Graefschap van Goor, ende heeft all die inwoonders daer uitgejaegt, haer goederen geplondert, ende nam den Grave selven gevangen.
Quam alsoo wederom tot Utrecht, daer hij den gevangenen Grave sijnen Oohm den Bisschop heeft overgelevert.
     Voorts heeft die Coninck des Graven saecke an sijn camer getrocken ende na rechte laten disputeren, om bij sententie daerin te kennen, wat daeran verbeurt hadde, dat hij boven verbot van sijnen Leenheer des selven ondersaten geweldt hadde gedaen, ende op die peremptoire citatie van de Roomsche

|pag. 92|

Coninck niet was gecompareert, maer hadde die conincklicke ladinge versmaet. Waerop die Conincklicke Raedt heeft erkant dat men den Grave van Goor soude ontgraven ende niet meer den titel van Grave soude geven: daerenboven alle sijne goederen confiskeren, welcke van de Roomsche Coninck des Bisschop sijn toegeleit. En alsoo hebben een einde genomen die Graven van Goor, ende hare landen, ende heirlicheiden sijn den Bisschoppen van Utrecht ende het lant van Overijssel ingelijft.
     Op het volgende jaer 1249 in April is gevolgt die doodt van de voorseide Bisschop, die het Bisdom van Utrecht als hij hetselve ontfinck seer arm hadde gevonden, maer hebbende datselve in sijn leven seer verbetert, in goeden vrede, rijckdom ende voorspoedt heeft verlaten.
     Ao 1240. Ecclesia Lebuini Daventriensis tempore huius Ottonis flammis consumpta est, et liberalitate huius Episcopi aliorumque fidelium collationibus restituta est.

_______

Category(s): Overijssel
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *