Baldewijn van Hollant

|pag. 56|

BALDEWIJN VAN HOLLANT

XXIXe. Bisschop van Utrecht.

     Baldewijn, een broeder van Graef Floris van Hollant, van Diderick de Domproost tot Utrecht ende oock broeder van Otto die Grave van Bentheim, worde mit gemeene stemmen tot Bisschop verkoren. Hij was te voren Proost tot Oldenseel ende van S. Mariën t’Utrecht.
     Terstont int beginsel sijner regeronge is een groot oorlog geresen tusschen den Bisschop ende Gerhart den Grave van Gelder om oorsaecke, dat de voorseide Grave was int bezit gekomen van de Graefschap van Veluwen, welcke die Hartog van Brabant vande Kercke van Utrecht plachte te leene te ontvangen: soo hadde die Hartog van Brabant datselve lant als een onderleen uitgedaen an sijnen broeder den Hartog van Buljon: doch die selve eer hij na Hierusalem trock, hadde de Veluwe verkoft an den Grave van Gelder voorgemelt: dit alles buiten kennisse van den Bisschop van Utrecht, hoewel Opperleenhere van dien lande, waeromme die Bisschop seer verstoort sijnde, heeft hij uit alle sijne landen krijgsvolck te samen gebracht, ende heeft den Grave van Gelder mit sijnen anhanck uit de Veluwe verdreven, ende heeft enige welgelegen plaetsen aldaer mit sijn volck beset, voerwendende dat hetselve lant onwettelick op die van Gelder was getransporteert, alsoo het buiten sijn kennisse was geschiet. Die Graef van Gelder heeft oock terstont sijn volck versamelt, ende is daermede in Over-IJssel gevallen; heeft het plattelandt verwoest, ende Deventer die hooftstadt desselve landes belegert, ende haer alle toevoer afge-

|pag. 57|

sneden den tijdt van vier dagen: soude oock niet lichtelick die stadt hebben verlaten, ofschoon die Bisschop sich mit alle macht daer tegen settede: ten waer geweest, dat Keiser Frederick aldaer was gekomen, ende den oorlog gedempt hadde, maeckende tusschen beide partijen enen treves van enige jaren, doch alsoo dat de Grave wederom int besit van de Veluwe gestelt soude worden.
     Daerna int jaer 1186, als graef Gerhart gestorven ende Otto in sijn plaetse Graef van Gelder was geworden, is die Bisschop wederom mit macht in Veluwe gevallen, heeft dat landt seer bedorven, is oock inde Graefschap Zutphen ingebroken, daer hij grote schade dede mit branden tot hulpers hebbende. Diderick de Grave van Cleve ende sijn broeder den Grave van Holland, die bijna alle beesten uit Veluwen gerooft ende binnen Deventer heeft gebracht. Die Grave van Gelder allene niet machtig sijnde alle dese vijanden te wederstaen, het tot sijn hulpe geroepen den Hertog van Brabant, die Bisschop van Collen ende Munster ende den Grave van den Berge mit 3000 soldaten, waermede hij 800 ruters van den Bisschop binnen de stadt Deventer heeft belegert den tijdt van drie weecken, alsoo dat die stadt perijckel liep van te sullen verloren gaen.
     Derhalve de Bisschop overleggende den noot van sijn stadt ende volck, heeft alle sijn macht ende het volck van die Graven van Hollant ende Cleve tesamen gevoert, om also de Geldersen mit gewelt van Deventer te verdrijven ende die stadt te ontsetten. Maer de voorseide Keiser Frederick in dese Nederlanden gekomen sijnde, heeft wederom den strijdt verhindert ende beijde partijen tot vrede be-

|pag. 58|

wogen, op voorwaerde dat de Grave van Gelder in rustelick besit van de Veluwe verblijven soude, tot dat over dese questie entlick vande Princen des Rijcks gewesen soude sijn, gelijck oock namaels int jaer 1190 is geschiet: ende is voortaen de Veluwe onder die     van Gelderlant gebleven.
     Als Bisschop Baldewijn mit ontsag     ende     in goeden vrede sijn landen van Drente ende Twente beheerde ende hem niemant moeijelickn viel, is Otto de Grave van Bentheim, des B. broeder, hem dagelicks klachtig gevallen, omtrent het jaer 1196, hoe dat Floris de Castellein van Coeverden, sijne ondersaten mit tollen ende schatten grote schade dede, als sij mit haer wagens ende karren des weeghs passeerden. Die Bisschop heeft hem sulcks tot tweemael verboden, doch hij en achtede dat niet, waeromme hem die Bisschop excommuniceerde, maer hij verharde. Daeromme hij een deel volcks heeft int velt gebracht, waermede hij dat huijs Coeverden heeft belegert, ende heeft hetselve mit verscheijden krijgsgereetschap soo angetast, dat Floris van Coeverden mit sijn stiefsoon Volcker dat selve mit alle sijnen toebehoren moesten overleveren an den Bisschop. Die Bisschop gaf dat selve te bewaeren een edelman uit Hollant genaemt Gijsbert Poskijn, die seer voorsichtelick Coeverden mit de Drente regeerde. Maer daerna tot sijn eigen ende des gemeinen landes ongeluck heeft hij den selve Poskijn afgeset, ende sijn broeder den Grave van Bentheim aldaer tot Castellein ende tot Richter van Drente gestelt, daer hij lange hadde na getracht, ende is aldaer met sijn gehele hofhoudinge gekomen voornemende sijn woonplaetse op dat huys te Coeverden te houden.

|pag. 59|

     Middelertijdt lach Volcker van Coeverden gevangen op het slott ter Horst alwaer hij trouwde een edele jonckvrouwe, door welckers vrunden hij soo veele van den Bisschop heeft verkregen, dat hij uit die gevanckenisse is ontslagen, ende een gedeelte van sijn vaderlicke goedt weder soude bekomen, des soo soude hij hem nummer meer tegen den Bisschop versetten. Maer niet nakomende sijn beloften, heeft hij sich met sijn vrunden ende bloedtverwanten verbonden, ende heeft alle de ingesetenen van Drente terstont tegen den Bisschop, ende den Grave van Bentheim doen rebelleren. Die van Groningen slogen eerst doodt haren Richter, ende bemuirde haer stadt tegens die gedane belofte: die van Drente roofden des Bisschops renten ende inkompsten, ende verbranden dat vleck ende voorburg van dat huis tot Coeverden.
     Die Bisschop hieromme ten hoogsten ontstelt sijnde, heeft een leger bij malckanderen gebracht, ende is daer mede op de Drente getogen, wrake nemende over de schade die hem vande Drentekers was angedaen. Graef Otto van Bentheim quam van de andere sijden bij Steenwijck in Drente, ende deed des gelijcken. Graef Otto van Gelder (door welckers heimelicke ingeven als men seide, de Drentekers angehardet worden) quam bij den Bisschop, ende heeft hem vruntlick geraden dat vijere van Groningen ende twaalf mannen van Drente als gijselaers binnen Deventer souden komen, ende aldaer verblijven, tot dat sij hem van alle onwille ende schade souden voldaen hebben ende den vrede volckomentlick getroffen waer. Dit aldus overkomen sijnde, is die Graef van Gelder mit de voorseide gijselaers binnen Deventer gekomen, ende heeft mit den Bisschop beginnen te handelen, maer

|pag. 60|

die Bisschop dede terstont de gijselaers gevangen setten, dat sich die Grave seer belgde, ende is oock terstont daeromme uit Deventer vertrocken.
     Ondertusschen Volcker van Coeverden merckende dat Graef Otto van Bentheim mit enige andere saecken des Bisschops onledig, ende dat het huys te Coeverden niet wel versien was, heeft mit enig krijgsvolck dat selve overvallen en gewonnen, ende die Gravinne mit all haer mobilen gevangen. Die Bisschop moeijelick sijnde over dit ongeval heeft de gijselaers tegen de gevangene Gravinne losgelaten, ende heeft opnieuw ruteren ende knegten angenomen, waermede hij een groot gedeelte vande Drente heeft verbrant, het huys, Coeverden belegert ende dagelicks besprongen. Als nu dese dingen alsoo geschieden sijn Philippus de Bisschop van Collen, ende Conradus de Bisschop van Ments tot Deventer gekomen, vresende dat terwijlen de Bisschop Coeverden hadde belegert, Floris van Coeverden, mit de Grave van Gelder Deventer mochten beleggen: dese hebben geordineert een onverbrekelicke soen ende vrede, op conditie dat die rechte Castellein Rudolph van Coeverden dat selve huys mit de Drente soude ontvangen, in aller manieren als die oude privilegiën daervan luden, ende voor de geledene schade soude de Bisschop in gereden gelde getelt worden duisent marck. Maer als die voorseide Bisschoppen vertrocken waren, woude die Grave van Bentheim dat verdrag niet onderholden, ende heeft van de sijde sijnes Broeders een groten hoop volcks vergadert, waermede hij strijden wilden tegens den Here van Coeverden ende Drente. Als sij nu haer leger hadden neergeslagen, niet vere van die Drentekers, om des anderen daegs mit haer in een slach

|pag. 61|

te treden ofte het lant te verwoesten: ende alst nu tegen den avondt ginck, begonnen enige vermetele jongelingen mit die van Drente te scharmutselen schietende seer fell op malckanderen, maer sij worden alsoo van de Drentekers onthaelt dat sij de vlucht mosten nemen, ende liepen alsoo seer, dat dat gantse heijer des Bisschops mede ant lopen geraeckte, verlatende haer tenten ende legerplaetse. Die Bisschop als een onversaegt man riep die vliedende te rugge ende bestont mit een kleine hoop de Drentekers te wederstaen, maer alsoo sijne vijanden alle ogenblick stercker worden, ende sijnen hoop allengskens verminderde, worde hij genootsaeckt selve die vlucht te nemen, ende is ternauwernoot uit die moerassen, ende broecklanden ontkomen. In desen slag verloor den Bisschop 300 mannen, ende daer worden gevangen 100 reisigers, ende veel vrome schutten.
     Bisschop Baldewijn an die IJsselkant gekomen sijnde, vergaderde aldaer wederom een goedt deel volcks, en willende sijn geledene schade op den Graven van Gelder verhalen, is hij daermede inde Veluwe gevallen, en verbrande aldaer de naestgelegene dorpen. Daerentegen heeft de Grave van Gelder mit de Drentekers Ootmarsen vernielt, ende sommige huisen des Bisschops, doende grote schade in Over IJssel: Heeft oock de stadt van Deventer elf dagen lanck belegert, daer hij een nagel ende andere instrumenten voor gebruyckte, ende dede groot gewelt opte selve stadt. Die Hartogh van Brabant wiens versuim wel de meeste oorsake was van dese tweedracht tusschen den Grave ende Bisschop, quam alsoo den Bisschop te hulpe mit een deel ruteren ende knegten, ende heeft tusschen beiden een stilstant van weinig

|pag. 62|

dagen bearbeit, totdat Keiser Hendrick neder quam welcke door sijn Gulden bulle den twist angaende dat lant van Veluwen tusschen den Bisschop ende Grave voorsz. heeft weggenomen.
     Terstont als de Keiser vertrocken was, braken die Drentekers den vrede, toeleggende den Grave van Gelder voor sijn gedane onkosten alle des Bisschops opkomsten in Drente. Daeromme is de Bisschop door raedt van sijne prelaten na Ments getrocken, om den Keiser over dit nieuwe ongelijck te klagen: die sulcks verstaende seer over dese moetwille was verstoort, en beloofde den Bisschop als sijnde sijn bloedtverwant dadelicke hulpe, doch deselve is op ten 6 Maij kranck geworden ende is na vijf dagen tot Ments gestorven ende tot Utrecht begraven int jaer 1197 als Emmius verhaelt. Aldus bleef die saecke van Drente ende Coeverden ongedaen, waerop niet lange daerna namelick int jaer 1225 ende enige volgende jaren.
     Die gemelte Emmius schrijft op het jaer 1196, dat te dier tijdt, die Cuinder sijn bijsondere Graven hadde, die oock mochten munten, welckers nakomelingen die eylanden Urck, ende Emeloert, den geslachte van Souwenbalg hebben nagelaten. Die selve hebben lange oorlog gevoert mit Bisschop Baldewijn van Utrecht, hoewel niet mit alle macht vanden Bisschop gedreven want sij te swack waren, om des Bisschops gewelt te wederstaen: endtlick als de vande Cuiner in eenen veltslag waren verwonnen, waerin sij 500 mannen verloren, waren sij genootsaekt, op conditien die haer voorgeschreven worden, te verdragen: onder anderen dat als haer geslachte sonder mansoir quam te versterven, het selve Graefschap vervallen soude an die Kercke van Utrecht. Vid. Winsemium p. 146.

_______

Category(s): Overijssel
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *