Odilbaldus

ODILBALDUS

XIIe. Bisschop van Utrecht.

     Odilbaldus een Vriese van geboorte is in plaetse des afgestorvenen Bisschops van Utrecht in de regeronge der voorseider Kercke getreden. Den welchen Lodewicus, ende Swentipolthus Coningen van Lotharingen seer beminden: die oock sijn Kercke, nu door de oorlogen der Noormannen gantselick verarmt sijnde, mit verscheiden privilegien ende goederen verrijckt hebben.
     Lotharius de Coninck van Lotharingen storf tot Placentia in Italien in het jaer 868 sonder wettelicke kinderen na te laten: ende niettegenstaende sijn broeder Ludowicus Con. van Italiën ende Keiser van Romen noch leefde, hebben de ooms des overledenen Carolus, ende Lodewicus sijn Coninckrijcke angetast, ende voor sich willen beholden. Waeromme sij selver oock sijn twistig geworden, welcke oneenigheit een wijltijdts heeft geduert. Maer in den jare 870 sijn Carolus, ende Lodewicus tot Maerssen op de Mase bij malckanderen gekomen, ende hebben sijn erffenisse gedeelt, in welcke delinge onder andere landen oock het sticht van Utrecht (waeronder Over-IJssel is gehorende) Coninck Lodewijck is toegevallen. Niet

|pag. 25|

lange daerna namentlick int jaer 872 heeft de voorseide Lodewijck tot Trente in Italien sijnde, sijn toegedeelde landen, sonder kennisse ofte toestemminge van de inwoonders derselver, overgegeven an Keiser Lodewijck des gedachten Lotharij broeder. En alsoo bequam dat sticht van Utrecht wederom eenen anderen Here, welcke aflijvig geworden sijnde in ’t jaer 875 gingen dese landen wederom onder Coninck Lodewijck die ze hem eerst hadde overgegeven.
     Deze Coninck Lodewijck storf int jaer 876 binnen Francfort, sijne kinderen hebben dat Coninckrijck gedeelt. Carolomannus worde Coninck van Beijeren, Oostenrijck etc. Carolus kreeg Alemannien, ende enige steden van Lotharingen.
     A° 873. Rex Ludovicus Aquisgrani consistens Roricum per obsides ad se venientem in suum suscepit dominium.                                                                                                         Incertus auctor.
     Eodem anno. Normanni duce Rudolpho comitatum Abdogi ingressi a Frisionibus caesi sunt amisso duce atque aliis octingentis, praedaque omni exuti ad naves reneare coacti.                                                                                                                                  idem.
     Ao 876. Frisiones qui vocantur occidentales cum Normannis dimicantes victores extiterunt, omnesque thesauros quos Normanni plurima loca spoliando congregaverant abstulerunt atque inter se diviserunt.
                                                                                                                             Incertus auctor.
     Ao 881. Normanni vastarunt Cameracium, Trajectum et totum pagum Hasburicum etc. etc.
                                                                                                                             Incertus auctor.

     Ludowico viel te dele Vranckenlant, Turingen, Saxen, een gedeelte van Lotharingen, ende Vrieslant onder welcken name in die tijden naest alle de Nederlanden an de noortsijde des Rhijns begrepen waren.

|pag. 26|

Coninck Lodewijck is aflijvig geworden int jaer 882, ende Carolus sijn broeder de om sijn swaerlijvigheit Crassus worde genoemt, is hem in sijnen Coninckrijcke gesuccedeert, die oock niet lange heeft geregeert, want int jaer 887 is hij van sijn Coninckrijcken ontset, vermits hij tot grote swackheit sijnes lichaams, ende verstandes vervallen was, stervende daerop int volgende jaer, ende Arnulphus sijns broeders Carolomanni soone is Coninck geworden in sijn Ooms landen ende heerlicheiden.
     Arnulphus heeft daerenboven den titel des Keiserdooms verkregen, ende int jaer 895 heeft hij tot Worms een Conventsdag gehouden waer sijne Rijksstenden mit welcker gemene toestemminge, hij sijnen bastert soone Suentiboldum tot Coninck van Lotharingen heeft verklaert. Die selve Suentiboldus heeft tot bevestinge sijnes Rijcks vele beneficien en goederen an Bisschoppen en Kercken verleent, die onder sijne heerschappije gelegen waren. Het Bisdom van Utrecht heeft mede de gunst van sijnen Koninck geproeft, want int jaer 896 heeft de gemelde Coninck, ter begeerte van den Bisschop Odilbaldus, de Kercke van Utrecht toegestaen ende vergunt: dat (gelijck sijn voorvaders Ludowicus, Carolus, ende Pipinus haer verleent hadden, dat tot Duerstede van des Conincks dienaers, van de schepen die aldaer anquamen geenen toll, conjectum, mansionaticum, ofte fredus soude geëischt worden) oock sulcks tot Deventer, ende Thijel niet soude gevordert worden: maer gaf dat selve tot gebruijcke, ende profijt der Kercke van Utrecht.

_______

Category(s): Overijssel
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *