Gregorius

GREGORIUS

IIIe. Bisschop van Utrecht.

     Gregorius de derde Bisschop van Utrecht was afkomstig uit het landt van Trier: een geleert, ende welsprekende man. Wanneer hij sij gestorven is onseecker, hoewel sommige daervan den tijdt uitdrucken.
     Heda ende Beka vermelden dat dese Gregorius Lebuinum, ende Marcellinum na het landt van Overijssel heeft gesonden, tot Deventer, Oldensael ende de omliggende plaetsen. Lebuinus, ende Marcellinus waren mit Willebrordo uit Engelant gekomen, ende hadden langen tijdt tot Utrecht ende daeromtrent int gebiedt der Fransoisen gepredickt, maer Gregorius willende die palen sijner Kercke veerder uitbreiden, als der Franschen heerschappije streckten, heeft dese twee uitgesonden over die IJssel, tot de Sassen die aldaer woonden.
     Van Lebuino wordt onder anderen verhaelt, dat hij eerst tot Wilpe in Veluwe tegenover Deventer heeft gepredickt, ende aldaer een capelleken heeft getimmert. Voortgaende over den IJsselstroom is in die borgt Deventer, (welcke zedert een stadt is geworden) bij den Sassen gekomen. Van welcke hij er vele heeft bekeert, oock een Capelle ofte Kercke aldaer opgericht. Maar als sulcken voortganck des Christendooms den anderen ongelovigen mishaegde, sijn se onverwacht op de Christenen gevallen, die in haer Kercke vergadert waren, jaegden de selve daer

|pag. 14|

uit, ende verbranden de Kercke, mit de celle Lebuini. Dit niettegenstaende hervatte hij het werck, ende ginck ijverig voort in sijnen dienst, leerende ende bekerende aldaer, tot Marckelo, ende elders vele menschen. Hierna is hij int jaer 760 andere seggen 766 gestorven, ende tot Deventer gebracht ende begraven. Ende is aldaer tot sijner gedachtenisse een Kercke opgericht, welcke oock noch Kercke Lebuini wordt genoemt.
     Lindeborn verhaelt dat hij tot Deventer is gestorven ao 785 pridie idus Nouembris, pag. 53, mede dat sijn reliquien, oock des Mercellini ende Radbodi noch wel bewaert waeren ao 1270, pag. 59,
     Marcellinus heeft niet allene de van Deventer helpen bekeren, maer is oock veerder in Twente, ende Drente getogen, predikende tot Oldensael, Coeverden, ende daeromtrent: alwaer hij dat meeste volck uit het heidendoom heeft getrocken, tam prospero eventu ut non solum Heemschae ad vidrum fluvium ab incolis sacellum extructum sit in quo sacra peragerentur, verum etiam Daventriae, Oldensaliae, Odemarssemi fana stupendi operis suis turribus coelo surgentia. Brumanus.
     Ao 757. Pipinus in Saxoniam iter fecit, et in munitiones Saxonum per virtutem introivit, et in loco qui dicitur Sitina multae strages factae sunt de populo Saxonum; Et tunc promiserunt se omnem voluntatem Regis facturos tributum etiam praestan dum equos scilicet trecentos per singulos annos. Regino.
     Ao 768. Mortuus est Pipinus Rex. Regino. Ejusque filius Carolus M. successit.

     Ten lesten seer out geworden sijnde heeft hem Gregorius na Utrecht te rugge geroepen, om in ruste ende stilheit sijnen ouderdoom enigsins te verquicken; onder-

|pag. 15|

tusschen hebben vele van de nieuw bekeerde Christenen dat gelove verlaten, ende sijn wederom afgevallen tot het heidendoom: waeromme degene die bestendig waren gebleven, haren ouden Leraer Marcellinum wederomme ontboden, tot oprichtinge van de gevallene, ende versterckinge van degene de bestendiglick het Christendoom noch anhongen. Marcellinus quam alsoo wederom tot Oldenseel, ende heeft mit hulpe van Gerhardus, Ovo, Adalgerus, ende andere medearbeiders de afgevallene bewogen op een nieuw dat heidendoom te versaecken. Cort hierna, int jaer Chr. 762, is Marcellinus tot Oldenseel gestorven, ende aldaer, (andere seggen tot Deventer) begraven; sijnde gekomen tot een seer hogen ouderdoom, gelijck men kan afnemen, soo de historischrijvers niet en feijlen in haer overkompste uit Engelant, ofte in haeren sterfdagh. Dit sijn de eerste beginselen des Christendooms in Over-IJssel geweest door directie van de Bisschoppen van Utrecht, onder welckers Kerckelick bedrijf voortaen de ingesetenen van Over-IJssel sijn gebleven. Maer namaels hebben oock de selve Bisschoppen de wereltlicke jurisdictie verkregen, van Keiseren, ende Coningen, welcke na het onderbrengen van de Sassen, Heren van dese landen geworden waren: waeruit gevolgt is dat de Kerckelicke Praelaten meer sich gemoeijt hebben met conquesten te doen in tijdelicke heerschappijen als geestelicke deugden, meer met oorlogen te voeren, als met Godes woordt te verkondigen.
     Pipijn Coninck v. Franckrijck Corolus M. Ludovicus et Lud. Zuentipoldus, Conradus K. hebben tot die K. van Utert gegeuen alle tijenden etc. ouer Duirstede, Thiel ende Deuenter gelegen etc. Vide diplomata I. Henrici, Ottonis jmpp.

_______

Category(s): Overijssel
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.