Het I boeck de historie van Over-IJssel van het jaar Christi 690 tot 1378

|pag. 1|

HET I BOECK

der Historie van

OVER-IJSSEL

van het jaar Christi 690 tot 1378.

______

      Die eerste bewoonders der Lantschap van Overijssel, worden van die oude schrijvers Busactori, Tubantes, Salij, ende Sassen genoemt: want Claudius Ptolomaeus verhaelt in de beschrijvinge van Duitslant, dat beneden langs ende an den Rhijn de Sicambri, ende Kleine Busactori, ende boven de Busactoren de Vriesen gewoont hebben; Het selve schijnt Corn. Tacitus te bevestigen in sijn boeck van de zeden der Duitsche volckeren, als hij segt, dat de Bructeri van voren mit de Vriesen paelden. ende van achter met de Dulgibiner ende Chasvaren besloten waren. Doch de namen van dese, gelijck van andere natien, sijn mit verloop des tijdts, ofte verplaetsinge van de ingesetenen, ofte onderdruckinge haerer vijanden meestendeel verdonckert: waerdoor een gehele vernietonge van veler volckeren kennisse ende geheugenisse geschiet is.
      Oock waren verscheiden kleine natiën soo gehecht ende verbonden met andere die machtiger waren, dat hoewel ter eniger tijdt van haer gewach wort gemaeckt, de selve nochtans op andere plaetsen vergeten worden. Alsoo verhaelt Tacitus in sijn historische geschiedenissen van de Tubanten, welcker

|pag. 2|

hij evenwel niet en gedenckt in sijn boeck van de zeden der Duitschen. Daer hij nochtans de Tenchteros, Usipios, Batavos, Bructeros ende veel andere beschrijft, waerom wij meinen dat de voorseide Tubanten onder den naem van een ander natie sijn begrepen geweest, en vermoedelick van de Bructeren: want de selve Tubanten woonden tusschen Rhijn ende Emse, en overmits de Usipetes, Sicambri, en die kleine Bructeri de benedenste landen naest den Rhijnstroom ende de Vriesen de zeekant tusschen de monden van den Rhijn ende Emse bewoonden, soo moeten dese Tubanten lantwaert in gelegen sijn geweest, alwaer men oock noch vint gelijckheit tusschen den oude ende tegenwoordigen name van Tuente, ende Bentheim, als of men seide Tubante, ende Tubantenheim: welcke lantschap van Twente is het tweede deel van Over-ijssel; doch Bentheim is een naburige Graefschap, sijnde de ingesetene der selver landen in haer spraecke ende manieren seer gelijckformig.
      Die Roomsche Historien vermelden in hare geschiedenissen enige daden van dese Bructeren, ende Tubanten: maer alsoo die oude ingesetenen van Duitslant voor een gewoonte hadden sich altemet van plaetse te veranderen, ofte om datse van andere worden verdreven ofte om betere ende vettere landouwe soeckende, haer vorige woonsteden verlieten: daeromme kunnen wij niet voor seecker seggen dat de tegenwoordige inwoonders van Over-ijssel de voorseide tot voorvaders gehad hebben, soo sullen wij oock hare daden overslaen ende niet beschrijven; dit nochtans seggen, dat dese, gelijck andere volcken van Duitslant, grote oorlogen mit de Romeinen

|pag. 3|

hebben gevoert, doch entlick sijn sij van haer vijanden verwonnen, en wanneer sij dat uitheemsche juck sochten af te werpen, sijn sij tot verscheiden malen wederom bedwongen, ende den Romeinen onderdanig gemaeckt, mit grote bloedtstortingen van wedersijden.
      Maer ten lesten wanneer die ontsichtelicke macht des Roomschen rijcks seer was geswackt, door die lichtveerdigheit, en wreetheidt der Keiseren, ende onderlinge oneenigheiden der Romeinen, hebben vele overwonnen landen het hooft wederom beginnen op te heffen, ende haer heerschappije te versmaden. Onder andere de ingesetenen van Duitsland beneden Colen gelegenheit siende om hare vorige vrijheit wederomme te verkrijgen, hebben onder malckanderen verbintenissen gemaeckt, ende een ieder haer beste gedaen om de Romeinen te verdrijven: Ende is ditselve soo geluckelick uitgevallen, dat se oock de vruchten van haren arbeit hebben gesien. Gelijck Marcèllinus, ende andere hebben angeteickent van de Sicambren, Chamaven, Bructeren, Attuarier, ende andere, waeronder oock Salij, ende Tubanten genoemt worden omtrent het jaer 300 na Chr. geboorte. Die naem van Salij was enen nieuwen naem, ende in dese landen Tacito, Dioni, ende Ptolomaeo onbekent: sijnde het selve volck geseten beneden ande hoornen des Rhijns, als Claudianus vermeit, welckers noordelickste stroom is die IJssale, die van een klein rievierken tot een schiprijck water is angewassen, nadien Drusus de Roomsche veltheer een gracht hadde gegraeven uit den Rhijn, van een plaetse die nu IJssel-Oort wort genoemt, tot Duisburg in de Oud IJssale, waer door den Rhijn die te voren tweehoornig van

|pag. 4|

de poëten genoemt wort, oock sijn derde bekomen heeft, namelick den IJsselstroom. Van welcke riviere de Salij als daer langs wonende haren naem hebben bekomen, sijnde oock noch in Overijssel overig, ende voor vele hondert jaren bekent, de namen van Sallant, Sallick ende Olden-sael, als overblijfselen van dit volck, twelcke de Latinen Salios noemden.
      Ao276. Circa id fere tempus.
      Probus anno imperii primo ingenti cum exercitu Rhenum petiit, quem hinc Allemanni inde Franci occuparant ducibus Proculo et Bonoso. Quorum Proculum fugatum usque ad ultimas terras, et cupientem in Francorum venire auxilium utpote a quibus ut refert Vopiscus, originem se trahere dicebat ipsis indicantibus Francis Coloniae Agrippinae vicit atque interemit. Circa id ipsum fere tempus paucorum ex iisdem Francis captivorum memoranda eluxit audacia. Nam post acceptas a Probo circa Propontidem sedes defectione facta, magnam navium praedatoriarum copiam usque a ponti faucibus corripuerunt quibus Graeciae Asiaeque oras depopulati, Syracusas navalibus victoriis inclitas, magna clade edita ceperunt atque inde plerisque Libiae littoribus ac portibus non impune appulsi, tandemque rejecti a copiis quae Carthagine veniebant, Gaditani freti angustias perruperunt, ac sine ullo suorum detrimento in Franciam navibus reversi fuere.
                                                                                                                                          Pontanus p. 24.

      Alsoo nu de voorschr. volcken sich vrij gemaeckt hadden van de slavernije der Romeinen, ende wederom adem schepten in haerder voorvaderen vrijdoom, hebben sij haer selven Vrancken genoemt ende sijn dagelicks in mennigte ende sterckte seer ange-

|pag. 5|

groeijt, soo dat se sich niet tevreden hielden, die Romeinen uit haer eigen lant verdreven te hebben, maer vervolgden haer vijanden oock over den Rhijn, overvallende de Betuwe, ende andere landen die noch onder de Roomsche heerschappije waren, doende aldaer grote schade: maer sijn verscheiden reijsen mit groot verlies terugge geslagen, die vele van haer gedoot hebben, ende oock enige van haer Coningen van de wilde beesten deden verscheuren tot dat deze Vrancken ten lesten mit sulck gewelt in Galliam sijn ingebroken, ende aldaer sitplaetse hebben erholden, tentijde van haren Coninck Waramond, sijnde omtrent het jaer na Christi geboorte 400.
      Middelertijdt als de Vrancken nog besig waren de inwoonders van Gallia mit dagelickse excursien te plagen, ofte uit hare besittinge te verdrijven, sijn se selfs oock van die Sassen beoorlogt, ende ten dele verjaegt: Want Zozimus schrijft int derde boeck sijner historien, dat de Salij de mede Vrancken waren uit hare landen sijn verdreven, die daeromme genootsaeckt waren andere woonplaetsen te soecken, ende sijn over den Rhijn in de Betuwe getrocken, daer sijn sich een wijltijds verhielden, tot dat se van de Quaden, die een gedeelte van de Sassen waren, ende uit Duitslant verbij die landen der andere Vrancken te schepe den Rhijn afquamen, wederom uit de Betuwe sijn verjaegt. De Salij aldus verdreven sijnde, ende geen hope siende in Duislant haer vorige woonstede te verkrijgen, de nu van de Sassen overweldigt waren, sijn over de Waal, ende Mase in Toxiandriam getogen, (daer Tessenderloo in die Luickse Kempen sijnen name van draegt,) ende sloegen sich aldaer neder in de lantpalen van Luick en Brabant.

|pag. 6|

      Die Keiser Julianus vernomen hebbende die overkomste van de Saliers dede sijn krijgsvolck versamelen, ende heeft haer in haer nieuwe woonsteden overvallen, dan alsoo sij niet als vijanden, maer als verdreven van de Sassen, en Quaden in die Roomsche lantpalen overgekomen waren, heeft hij haer in genaden angenomen, ende vergunt dat se onverhindert in Galliam mochten overkomen, ende aldaer besittinge nemen. Dit geschiede omtrent het jaer Chr. 358.
      Die Salij vertrocken sijnde uit haer vaderlant, door gewelt van die Sassen, die alsdoe begonden beroemt te worden, ende haer lantpalen te verbreijden: soo hebben voortaen de Sassen de verlatene landen der Saliers bewoont, ende is vermoedelick dat van dien tijdt af die ingesetenen van Over-IJssel Sassen zijn genoemt; sulx dat ten tijde als Lebuinus, ende Marcellinus het Evangelium aldaer gebracht hebben, die inwooners van Over-IJssel Sassen waren geheten, en mit namen de van Deventer, Marckelo, ende andere; welcke Sassen als Marcellinus verhaelt, onderscheiden waren in Edelingen, Freijlingen en Lassen.
      Hoewel soodanige totale veranderingen van ingesetenen seer anmerckelick sijn, soo en moet nochtans dit niemant vreemt geven, angesien die landen van Duitslant in, ende voor dese tijden seer woest, ende de inwoonders seer barbarisch waren, ende sich niet in steden ofte vestingen, maer hier ende daer in gehuchten ende dorpkens neergeslagen hadden, na dat een iegelick door de gelegenheit van een velt berg ofte fonteine genodigt worde, ende alsoo verstroeit wonende dies te lichter van een machtiger Natie worden verdreven, ofte haer hutten verlieten om bequamer woonplaetsen te verkiesen. – Maer de

|pag. 7|

tijdt, ende ervarenheit door die Roomsche overheerschinge die overall op die gelegenste oorden sterke vestingen maekten heeft allenxkens den Duitschen geleert vestongen ende steden te bouwen, om soo lichtelick uit haer vaderlant niet verstoten te worden, ende het gewelt haerder vijanden af te keren. Dit hebben oock de Sassen int werck gestelt die in den lande van Overijssel tot haer versekeringe ten tijde Lebuini een Borgt ofte Vestinge gehadt hebben, Deventre genoemt, gelegen op een heuvel an den IJssel, sijnde die selve van dien tijdt angewassen tot een grote ende machtige hooftstadt des selven landes. Doch niettegenstaende namaels grote oorlogen sijn voorgevallen, ende schadelicke verwoestinge door die Noormannen geschiet, soo is nochtans geen endlicke uitroeijnge ende verdrijven der ingesetenen in dese landen gebeurt. Daeromme sullen wij den anvanck onser Historie maecken van de Sassen die ten tijde van Lebuinus, ende Marcellinus Over-IJssel besaten, als wanneer sij uit het heidendoom tot het Christendoom sijn gebracht. En tot meerder openinge van dien, sullen wij die bekeronge van ingesetenen deser Nederlanden ande noortsijde des Rhijns soo veel tot onser kennisse gekomen is, van beginsel an verhalen.
      Burgundiones quasi Burgwoonders erant praesidiarii Romanorum in Germania qui capella ipsorum costodiebant, qui postea incursionibus Germanorum fatigati atque auxiliis Romanorum destituti, ac desperabundi magna multitndine cum uxoribus ac liberis Burgas suas deseruerunt et in Galliam penetrarunt, ubi regionem quam nunc Burgundiam dicimus occuparunt.                                                                                           P. Orosius. lib. 7.
     Eer het Evangelium van Willibrordo, ende sijne

|pag. 8|

metgesellen, den Hollanders, Gelderschen, Vriesen, ende Over-IJsselschen is verkondigt, hadden al rede de Vrancken, die ten dele uit dese landen, in Galliam waren overgetrocken, het christelicke gelove angenomen als gesegt is en al lang te vooren tot Colen Luijck, Tongeren, ende andere plaetsen an die suitsijde des Rhijns worden het Evangelium gepredickt. Oock waren de Vriesen, ende Sassen, die Engelant ingenomen hadden, tot Christum bekeert; maer die noch in Duitslant waren bleven heidenen, tot dat sij van de Franschen sijn overwonnen, ende bij die gelegenheit de verkondinge des naemes Christi gehoort hebben. Beijde dese natiën Franschen, ende Engelschen sijn de eerste bekende grondtleggers van de Christelicke relligie bij onse Nederlanders geweest, uit de welcke sij oock ten dele voortgekomen waren: hoewel voor haer lieder tijdt gelijck verhaelt is, het Christendoom alrede in Duitslant was geopenbaert.
      Videatur Tertullianus p. 122 adversus Judaeos. Loca Christo vero subdita sunt, inter alia Sarmatarum et Dacorum, Germanorum et Schijtarum in quibus omnibus locis Christi nomen qui jam venit regnat.
      Van de Franschen verhaelt Heda, dat sij het Christen gelove tot Utrecht, ende naburige landen lange voor de tijden Willibrordi hebben geplant; vant beginsel aen dat de Coningen van Vranckrijck Christenen sijn geworden, welcker eerste was Clodoveus, de geleeft heeft omtrent het jaer onses Heren 485. Want dese coningen gelijck sij hare lantpalen dagelicks groter maeckten, alsoo hebben sij oock het Evangelium veerder doen lopen, tot Utrecht, ende elders, soo veere haer ontsag ende authoriteit heeft

|pag. 9|

mogen strecken. Staende doemaels de Kercke van Utrecht, ende de Christenen der omliggende landen, onder die opsicht des Bisschops van Colen, hebbende erven, goederen, ende privilegien haer verleent van de Coningen Clotario ende Theodeberto de voorsaten van coninck Dagobert, de geleeft heeft int jaer 631.
      Maer de selve Kercke worde merckelick onderdruckt van de naest gesetene heidenen, doch is nu ende dan wederom opgericht: want als Coninck Dagobert den Coninck der Sassen Beroald overwonnen hadde heeft hij tot Utrecht een Kercke gebouwt, ende de Christelicke relligie voor desen aldaer geplant, noch meerder bevestigt. Maer Ratbout een Coninck der Vriesen heeft Utrecht ingenomen, ende dese Kercke verwoest dan als de Franschen de Vriesen hadden overwonnen, ende Utrecht gerecupereert, hebben de Christenen aldaer sich wederom versamelt, ende een weinig adems geschept, door authoriteit ende hulpe van de Fransche Coningen.
      Angaende die Engelschen hebben oock haer beste gedaen tot bekeronge van de ongelovigen in dese landen, want selfs een tijtlanck voor de overkompste van Willibrordus, ende sijn mitgesellen, hebben tot Utrecht het Evangelium gepredickt Wilfridus, ende na hem Wigbertus, beide uit Engelant geboortig. Ende als dese wederom na haer landt vertrocken waren, vertellende van die vrucht die in dese landen was te verhopen int verkondigen van de lere des Evangeliums, hebben Willebrordus, Wigbertus, Lebuinus, Marcellinus, ende andere, sich op de reise begeven int jaer onses Saligmakers 690 ende komende tot Pipinum den prince der Franschen sijn sij aldaer goetlick ontfangen: welcke haer voorts naer Utrecht

|pag. 10|

heeft gesonden, uit welcke plaetse hij de Vriesen wederom hadde verdreven, mit haren ongelovigen Coninck Ratbout, alhier hebben sij een beginsel gemaeckt van haren dienst, grotelicks geholpen sijnde door de macht ende authoriteit van de Fransche Coningen: welcke tot meermalen de moetwille van de ongelovige Vriessen hebben gebreidelt ende entlicken oock gedempt, soo dat haer begonnen werck geluckelick voortginck, ende de gelovigen seer toenamen.

_______

Category(s): Overijssel
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *