Inleiding

|pag. V|

INLEIDING.

_______

     Wanneer Mr. D. Durabar in het 1e deel zijner Analecta seu vetera aliquot scripta inedita, in 1719 uitgeeft eene Historia Hollandica, loopende van 826-1197, van de hand van W. Nagge, betreurt hij het, dat diens grooter werk betreffende de geschiedenis van Overijssel, niet werd uitgegeven: ,,Utinam et Historia Transisalaniae ab ipso patrio sermone scripta, hactenus suppressa, ut ex viris fide dignis, quibus eam videre contigit, auribus percepi, in aperto poneretur; procul dubio ex ea Res Transisalaniae multum lucis foenerarentur.’’
     Die wensch is ook later bij herhaling uitgesproken en reeds bij een resolutie van Ridderschap en Steden van Overijssel van 21 October 1769 werd besloten: ,,Zijnde ter vergadering geproponeerd of Ridderschap en Steden niet zouden kunnen goedvinden de Historie van deese Provincie door Nagge beschreeven waarvan het manuscript ter Griffie berustende is te doen drukken.
     Is na deliberatie goedgevonden de Heeren gecommitteerden tot de zaaken van financie te versoeken en te committeeren om voorscreven propositie nader te examineeren en Ridderschap en Steden daaromtrent te dienen van hunne consideratien en advijs.’’
     In het register: Zaken aan de Heeren Gecommit-

|pag. VI|

teerden tot de Financien, commissoriaal gemaakt sedert 1737, 16 April 1737-31 Januari 1794, is die resolutie wel ingeschreven, doch niet doorgehaald, zooals met afgedane zaken gebruikelijk was.
     Van die uitgave is dus niets gekomen.
     Eindelijk gaf ze aanleiding aan de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis, om tot de uitgave over te gaan.
     Toen tot de uitgave was besloten lag het voor de hand, dat men daarvoor tot grondslag legde de tekst van het oorspronkelijk handschrift van Nagge, dat in het Rijksarchief in Overijssel wordt bewaard.
     Dat handschrift is in folio formaat door den auteur geschreven op papier, dat op het eerste blad van het vel vertoont in watermerk het wapen van Amsterdam, gehouden door twee tenanten en gedekt door een fantasiekroon, het andere blad geeft in watermerk de letters M. P. B. in Romeinsche hoofdletters te lezen.
     Het handschrift is hoog 33 centimeter, breed 20 centimeter, en op de bladen is de beschreven spiegel omvat door een met de pen getrokken vierkant, hoog 29½ centimeter, breed 15½ centimeter, terwijl aan de rechterzijde eene kolom is getrokken, even hoog als het vierkant en 3 centimeter breed, waarin de lemmata zijn geplaatst, een korte inhoud van den tekst aangevende.
     Beide deelen zijn doorloopend gepagineerd, terwijl eerst de hoofdstukken eene afzonderlijke pagineering hadden, en beide deelen zijn gebonden in oorspronkelijke perkamenten banden en dragen op den rug de oudtijds geschreven titel: Historie// van// Overijssel// T. 1 en T. 2.

|pag. VII|

     In de Koninklijke Bibliotheek te ’s Gravenhage berust een afschrift van deze kroniek van Nagge.
     Voor het eerste deel van het origineele handschrift van Nagge is een kwitantie gebonden van den volgenden inhoud:
     ,,Bekenne ick ondergess ontfangen te hebben van Mons. Antoni Myrloo op rekeninge vant gekofte boeck door mij gemaeckt ter somma van vierhondert en vyer en twintich gulden.
     Actum Deventer den 9 April 1678.
     Wilhelm Nagge Pr. totter Twello bekenne ontfangen te hebben als bovenn.
     Het komt mij voor, dat daaruit moet worden afgeleid, dat Nagge zijn werk aan van Mierlo heeft verkocht, misschien zelfs op instigatie van dezen het heeft geschreven, al schijnt ook het naschrift van Nagge aan het slot van het laatste deel, weer meer tot de Staten van Overijssel gericht.
     Antonie van Mierlo jonge man huwde 14 Sept. 1664 te Zwolle met Lutgert Reyninck jonge dochter, wonende met den griffier der Staten van Overijssel Roelinck. Hij hertrouwde als weduwnaar 25 Juli 1665 met Engeltien Mensinck j.d.
     In 1669 werd van Mierlo klerk der Provincie, in 1675 werd hij als zoodanig gecontinueerd en hij overleed in 1679.
     Hij was de auteur van de wapenkaart van de wapens der adelijke geslachten, die op de Landdagen en Claringen der Staten van Overijssel sedert 1460 waren gecompareerd, een uitstekende en zeer betrouwbare kaart, waarvoor hem in 1660 door Gedeputeerden een geschenk van 100 Car. gl. werd vereerd.

|pag. VIII|

     In 1671 en 1672 raakte van Mierlo met de Ridderschap en Steden overhoop, zóó zelfs dat hij op last der Staten werd in verzekerde bewaring gesteld, naar het schijnt tot Maart 1672, gedurende 271 dagen.
     De ware oorzaak van die detentie blijkt niet en ik ben niet zoo zeker of er niet eene persoonlijke wraakneming onder school, te meer daar van Mierlo in 1675 werd gecontinueerd en tot zijn dood in 1679 in functie bleef.
     In 1679, het jaar van zijn overlijden, droeg hij nog aan Ridderschap en Steden op, een Register van Ambtenaren en Officianten door hem samengesteld, en ’t is zeker niet onaardig hier mede te deelen wat hij in de opdracht zegt:
               ,,Edele Mogende Heeren.
     Het spreckwoort segt: ,,de man doodt sijn dienst vergeeten’’ en ,,wanneer de podt gebroocken is, mackt men geen werck van de stucken.’’ Ick ter contrarie hebbe de memorie gesocht te ververschen, een werck bij mijn niet alleen getrocken uijt U Edel Mog. Archieven, Registers etc., maer mede uijt andere Liggers, Brieven en Instructien, ter Secretarien en onder andere curieuse liefhebbers berustende; die sich met den snelpodt geneert, moet die op de regte zijde hangen. Die lesse hebbe gevolgt ende alles geannoteert dat seeckers hebben gevonden, zijnde nooijt diergelijcke annotatien ter Griffie geweest, dus hebbe mijn pligt g’oordeelt die aen U Ed. Mog. op te offeren, verhopende deesen arbeijt U Ed. Mog. aengenaem te sullen sijn, en dat die voor een gedurige memorie sal verstrecken en worden gehouden, tot welcken eijnde hierinne plaets hebbe gelaeten om sulcks successive te konnen vervolgen. Hoopende

|pag. IX|

voor sooveel mij belangt het geluk te mogen hebben van sulcks lange te continueeren en dat in dien staet van die ben en sal sterven, Edele Mogende Heeren, U Edele Mog. onderdanigste en getrouwe dienaer A. van Mierloo. 1679.’’
     Zóó schrijft geen man tot de Staten, die door hen volgens van Doorninck als een schelm in 1672 zou zijn weggejaagd. (1 [1. Bijdragen tot de Geschied. van Overijssel, dl. II, 238.])
     Dit handschrift van van Mierlo berust thans op het archief der gemeente Kampen en werd verkregen uit den boedel Lemker.
     Zeer waarschijnlijk is uit den boedel van van Mierlo het handschrift van de kroniek van Nagge op de griffie van Overijssel overgegaan.
     Nu, wat het werk zelve van Nagge betreft.
     Het eerste boek loopt van 690 tot 1378. Hij schijnt deze compilatie eerst in een zekeren vorm afgewerkt te hebben, terwijl hij later uit allerlei schrijvers stukken heeft tusschengevoegd tot aanvulling van zijn werk, b.v. uit Pontanus, Orosius, Tertullianus, Incertus auctor, Lindeborn, Forbes, Chronicon Prumense, Historia Pontificum Roman., Heda, Aventinus, Winsemius, Brumanus, Petrus de Vineis, Slichtenhorst, Miraeus, Coccius en Emmius.
     Het tweede boek, loopende van 1378-1496, is op dezelfde wijze behandeld. Hier voegde hij stukken tusschen uit Chronicon Windesheimense, Paraleip. Usperg., Rivetus, Petrus a Soto, Instruct. Sacerdot., Lindanus, Forbesius, Revius, Heimer. Canonicus Daventriensis, Aeneas Silvius.
     Het derde boek loopt van 1496—1524. En nu is

|pag. X|

het merkwaardig, dat het eerste deel van de kroniek van toe Boecop, in 1860 uitgegeven door het Historisch Genootschap te Utrecht, eindigt met 1495.
     Wanneer men nu vergelijkt wat Nagge in zijn kroniek, blz. 318, vermeldt over Volcker Goosens van Deventer en wat in het uitgegeven 1e deel van de kroniek van toe Boecop, blz. 493, voorkomt, dan ziet men dat Nagge zoodra hij kan, toe Boecop gaat afschrijven.
     Als hij op blz. 326 de ontvangst van bisschop Frederik van Blankenheim te Kampen verhaalt, zet hij tusschen twee haakjes: ,,als Boecop verhaalt’’.
     Als hij op blz. 340 verhaalt hoe op Palmdag 1503 de boeren van het Kampereiland over ’t ijs naar de stad waren gekomen om te zien: ,,die processie met den Esel, als in ’t pausdoom gewoonlick’’, dan blijkt dat hij alles woordelijk van toe Boecop heeft overgenomen, en dat alleen: ,,als int pausdoom gewoonlick’’ van Nagge is.
     Uit alles blijkt dat we niet meer het werk van Nagge hebben, door hem ontworpen en later aangevuld, de aanvullingen ontbreken zoo goed als geheel. De Prior in Albergen, W. Heda, Forbes en Winsemius leveren nog een aanvulling, maar daarmee is het ook uit.
     Het is mijne vaste overtuiging, dat Nagge voor het tweede deel van zijne kroniek eigenlijk niets anders heeft geleverd dan het tweede, verloren gegane deel van de kroniek van toe Boecop.
     En het is merkwaardig, dat voor het tweede deel van de kroniek van Nagge met de hand van van Mierlo eene Waerschouwinge is geplaatst, waarin o. a. gezegd wordt:

|pag. XI|

     ,,Wat belanckt dese drie laeste boecken wert versocht, dat sich niemant aen de outheijt van eenige woorden, die nu niet int gebruijck sijn, offte aen quade t’samenvoeginge van eenige redenen [stote], alsoo deselve volgens het verhael van die oude aentekeningen van wijlen Hr. Arent toe Boekop en niet na de hedendaechsche phraseologie, door den pastor Nagge alleenlick sijn uijtgeschreven, om soo veel de materie ende den sin belanckt tot bequemer tijt en hedendaechsche manier van spreken, gedresseert te werden.’’
     Het geheele tweede deel omvattende het vierde boek loopende van de komst van bisschop Hendrik van Beieren 1524-1528, het vijfde boek bevattende het tijdvak van het bestuur van Karel V 1528-1558, en het zesde boek dat de geschiedenis levert onder Philips II 1558-1572, is naar mijne meening het werk van toe Boecop.
     Het verdient weer opmerking, dat toe Boecop in ’t verloren gegane deel van zijn kroniek ook tot het jaar 1572 zal zijn gegaan. Immers met 1573 eindigen de uittreksels uit het dagboek van Arend toe Boecop, in 1862 door onze Vereeniging uitgegeven.
     En nu heeft Nagge wel, om een schijn van oorspronkelijkheid aan zijn werk te geven, aan het slot van het tweede deel gezegd: ,,Het vervolgh der geschiedenissen onder die regeronge van den stadtholder Hierges, Rennenberg ende die wijdtberoemden Princen van Orangien Marritio ende Frederico Henrico tot desen tegenwoordigen vredehandel, sullen wij, soo ’t Godt belieft continueren, waertoe wij dan alrede vele schriftelicke monumenten hebben te samen gebracht. Waertoe dan U WelEd.Mog. dienstlick

|pag. XII|

worden angesocht, dat dieselve sich mogen laten bewegen soo ietwes tot het voorgaende als oock het volgende kan bijgevoegt worden hiertoe te imploieren’’, maar het is mij niet gebleken, dat Nagge van dat alles iets heeft geleverd.
     Het eenige wat hierop betrekking kan hebben is een bundel met afschriften van stukken, die bij de kroniek wordt bewaard.
     De gedachte is zelfs bij mij opgekomen: kan Nagge het tweede deel van de kroniek van toe Boecop ook hebben doen verdwijnen.
     Het is waar, daartegen pleit de mededeeling van Dumbar, in 1811 gedaan in de Verhandelingen van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, II 2, blz. 130—141, dat eenige jaren te voren de kroniek nog in haar geheel in vier of zes deelen in folio zou zijn aanwezig geweest bij den overste van Holte te Harderwijk, maar deze mededeeling komt mij niet erg aannemelijk voor. Het is reeds a priori onaannemelijk dat dit tweede deel een omvang van vier of zes folio deelen zou hebben gehad. Ik geloof eerder dat het de vier kwartijntjes met uittreksels zijn geweest, die thans in het Kamper archief berusten, en het kwartijntje, bevattende uittreksels uit het Dagboek van toe Boecop, ook met de bibliotheek van Mr. J. C. Bijsterbos verkocht.
     Als bron ter vergelijking van het werk van Nagge met het tweede deel van de kroniek van toe Boecop hebben mij goede diensten bewezen die zooeven genoemde extracten uit de twee deelen van toe Boecop’s kroniek, loopende van 641—1522 en die zooals voor het eerste deel staat, zijn ,,gecopieert uijt de

|pag. XIII|

mit eijgen hant van Arent toe Bokop geschreven Chroniken’’.
     Deze extracten in vier kwartijntjes, met een hand uit het midden der achttiende eeuw geschreven en die vroeger aan den raadsheer Heerkens schijnen toebehoord te hebben, zijn in Maart 1890 bij den verkoop van de bibliotheek van den heer mr. J. C. Bijsterbos voor het archief der gemeente Kampen aangekocht.
     Het oordeel van den ouden van Doorninck, mr. J. van Doorninck, voor in het eerste deel geschreven, luidt: ,,Overigens kunnen deze excerpten niet uit het origineel, ’t welk hier op ’t stadhuis bewaard wordt, genomen zijn. Zij zeggen dan eens zooveel meer dan weer zooveel minder, dat men 2 originalia moet veronderstellen.’’
     De schrijver der kroniek, W. Nagge, was een zoon van W. Nagge, die in 1601 als proponent beroepen werd te Twello en aldaar overleed in 1637.
     Hij volgde in 1638 zijn vader als predikant te Twello op en huwde met Catalina, dochter van den schout van Holten en Bathmen, Willem Berdenis en Hilleken Oolbeke. Hij werd weduwnaar in 1650 en overleed in 1690.
     Den 18en April 1645 bood hij aan Ridderschap en Steden van Overijssel eenige historische aanteekeningen aan om gedrukt te worden.
     Dat is vrij zeker de Korte beschrijvinge van Overijssel, welke op folio bladen aan een kant bedrukt is en die gevoegd is bij de kaart van Overijssel door ten Have.
     Door de uitgave van deze kroniek en voornamelijk van het tweede deel, in 1908 bezorgd door den

|pag. XIV|

heer F. A. Hoefer, is een belangrijke bron voor de geschiedenis van Overijssel meer toegankelijk gemaakt.
     Ten slotte een woord van dank aan den Heer Rijks-Achivaris in Overijssel Dr. M. Schoengen voor de welwillende wijze, waarop hij de beschikbaarstelling van het handschrift voor deze uitgave bevorderde, en voor enkele inlichtingen, die hij mij uit zijn archief deed toekomen.

     KAMPEN, 9 December 1915.

                                                                           Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.

Category(s): Overijssel
Tags: ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *