Hoofdstuk 3. Behoud van reformatie door afscheiding en doleantie.

3. Behoud van reformatie door afscheiding en doleantie

Overheidsbevoogding

Het zou een apart onderzoek vergen om na te gaan in hoeverre het gedachtengoed van de Nadere Reformatie, waarbij de nadruk werd gelegd op de ,,praktijk der godzaligheid, heiliging des levens, persoonlijk verkeer met God’’ (Brienen) zijn stempel heeft gedrukt op de gereformeerde kerk in Hasselt gedurende de achttiende eeuw en door wie deze stroming werd vertegenwoordigd. Want dat de invloed van de Nadere Reformatie aanwezig was en nog wel in sterke mate, achten we buiten twijfel. Het voert echter te ver om in dit bestek daar nader op in te gaan, terwijl de gegevens daartoe vrij schaars zijn.

In ieder geval werd in de gereformeerde kerk te Hasselt de wacht betrokken ook nog aan het eind van de 18e eeuw bij de handhaving van de gereformeerde leer zoals deze is vastgelegd in de belijdenisgeschriften. Deze geven immers als reformatorische symbolen een neerslag van hetgeen in Gods Woord geschreven staat.

De handhaving van de gereformeerde leer is wel in het bijzonder van belang ten aanzien van te beroepen predikanten, aangezien zij geroepen zijn in de gemeente als herder en leraar Gods Woord uit te leggen en te verdedigen tegen allerlei andere, tegen Gods Woord strijdende gedachten.
Op 10 juli 1799 meende de kerkeraad te moeten overgaan tot het beroepen van ds. D. Schoenderbeek van Opheusden, aangezien er een vacature te vervullen was. De voorzitter van de kerkeraadsvergadering, de enige predikant, ds. H. van Ingen, liet eerst de ouderlingen en diakenen aan het woord om zich uit te spreken over de mogelijkheid en de wenselijkheid van dit beroep. Alle kerkeraadsleden waren de mening toegedaan dat ze hun stem wel konden uitbrengen op genoemde predikant om hem voor deze gemeente te beroepen. Maar ds. Van Ingen was een andere gedachte toegedaan. Wel zou hij graag zijn stem hebben willen geven en zou hij zijn medewerking hebben willen verlenen aan dit beroep, als maar vaststond dat deze predikant rechtzinnig was. En dat was naar zijn oordeel niet het geval. Tenslotte gaf hij wel zijn stem voor het uitbrengen van dit beroep, maar verlangde toch kanttekening in de notulen van zijn gevoelen en zijn vrees.
Een kerkeraadscommissie moest vervolgens naar de overheid, om aan de stedelijke overheid toestemming te vragen voor het uitbrengen van dit beroep. Trouwens het was regel dat de kerkeraad tweemaal de goedkeuring moest vragen van de stadsraad. Éénmaal goedkeuring om tot een beroep te mogen overgaan en resp. aan het stedelijk bestuur de vraag voorleggen of dit genegen was middelen voor een predikant te verschaffen en de tweede maal alleen de vraag voorleggen of de plaatselijke overheid accoord ging met

[pag. 29]

de te beroepen predikant. Kennelijk had de overheid een soort benoemingsrecht aan zich gehouden. Dat zal gezien moeten worden tegen de achtergrond van de reeds eerder genoemde praktijk van het collatie-recht, maar tevens ook in verband moeten worden gebracht met het feit dat de gereformeerde kerk staatskerk was en door de ’zilveren koorde’ aan de overheid verbonden. De invloed van de stadsregering op de kerkelijke aangelegenheden was dus groot. Het is niet teveel gezegd wanneer we spreken van bevoogding van de kerk door de staat.

Dat kwam in het beroepingswerk ook wel sterk naar voren, omdat de stedelijke overheid weigerde dit beroep goed te keuren. Maar uit geheel ander oogpunt dan bleek uit de bezwaren die ds. Van Ingen had geopperd. Want hier kwam sterk ook de tijdgeest naar voren. Het waren immers de dagen van de franse revolutie, waarin de leus ’geen God en geen meester’ (nie dieu ni maître) opgeld deed. Men duldde geen beslissingen over de gemeente zonder dat de gemeente zelf haar goedkeuring aan het uitbrengen van het beroep had gehecht. Het kwam de kerkeraad volgens de stadsregering niet toe zijn wil in het beroepen van een predikant van boven af de kerkelijke gemeente op te leggen. Daarom stelde men op het stadhuis via de commissie aan de kerkeraad de voorwaarde dat de gemeente zélf over het al of niet beroepen beslissen zou. Onder deze druk van de overheid legde men aan de gemeente in een gemeentevergadering, op 3 maart 1800, de vraag voor of de gemeente zelf de bevoegdheid meende te moeten bezitten om een predikant te beroepen. In die vergadering spraken 73 leden zich uit voor de gedachte dat de kerkeraad deze zaak uit naam van Christus diende te behartigen en slechts 26 van de aanwezige manslidmaten waren van mening dat de beslissing aan de gemeente diende te staan. Besloten werd daarom dat de gangbare gewoonte zou worden gehandhaafd en de burgerlijke overheid nam genoegen met deze kerkelijke beslissing. Het is misschien een vrucht van de Nadere Reformatie dat de gemeente zich op een dergelijke wijze uitsprak in feite tegen (de gedachtengang van) de plaatselijke overheid en dus deze bevoogding haar niet in dank afnam.

Nog een andere kwestie deed zich trouwens in deze jaren voor met de stedelijke overheid. En wel het probleem van het tweede kollekte-zakje. De kerkeraad van de gereformeerde kerk achtte het traktement van de predikanten onvoldoende en verzocht via de daartoe aangestelde commissie, waarvan o.a. Arnoldus Smit als lid was benoemd, aan de overheid het traktement te willen verhogen. Maar de vroede vaderen weigerden meer middelen ter beschikking te stellen en een verhoging toe te kennen. Toch besloot de kerkeraad de verhoging van het traktement wel te laten door gaan en deze dan zelf te bekostigen. Maar de middelen moesten wel ergens vandaan ko-

[pag. 30]

men. Zo voerde de kerkeraad in de eredienst een tweede kollekte in. Dat werd daarop door de overheid ten strengste verboden en afgekeurd, zodat deze kollekte na enige weken moest worden opgeschort en tenslotte geheel afgelast. Door (opnieuw!) bevoogding van de magistraat moesten de ministers (dienaars) van het Goddelijk Woord voortaan de buikriem maar wat strakker aanhalen!

Gezelschappen.

Reeds enige jaren tevoren was met attestatie in de gemeente binnengekomen weduwe L. Bruining ’en hare kinderen die op Ter Wee is komen wonen’: dec. 1792. En op 25 juni 1802 is ’cautiestelling ingekomen voor Harmen Smit van den dijk’. Zij kwamen zodoende onder ’cautie’, dat is: onder de herderlijke zorg van de kerkeraad.
Het zijn o.a. deze beide families die leiding hebben gegeven aan de afscheiding in deze gemeente, omdat zij begeerden het behoud van de kerk van Christus door de handhaving van Zijn Goddelijk Woord. Harm Smit ontwikkelde zich dan ook tot een zeer meelevend lid van de gemeente en hij nam in Hasselt een niet onaanzienlijke plaats in. Van het plaatselijk armbestuur werd hij gekozen tot bestuurslid en op 20 februari 1805 koos de gemeente hem als diaken en werd hij door de kerkeraad als zodanig benoemd.

Deze Harm Smit was sterk beïnvloed door de ’Nadere Reformatie’ zoals later zal blijken uit de uitlatingen van zijn kinderen en kleinkinderen.
Toch vinden we geen vermelding van geopperde bezwaren hunnerzijds wanneer de kerkeraad op een vraag van de synode van Overijssel ertoe overgaat, zij het later dan de voorgeschreven datum, de Evangelische gezangen in te voeren en in de eredienst te doen gebruiken. Op 19 december 1806 beraadde de kerkeraad zich over deze nieuwe liederen in antwoord op de daartoe gestelde vraag van de synode en men besloot tot invoering met het nieuwjaar van 1807. Op 18 februari 1807 echter werd opnieuw overwogen de gemeente erop voor te bereiden dat men deze gezangen zou gaan zingen. En toen op 24 juni 1807 een brief van de scriba van de Overijsselse synode werd ontvangen met het verzoek tot invoering van de evangelische gezangen over te gaan, werd het besluit genomen op 1 november 1807 deze liederen in de eredienst te gebruiken.
Men is op die datum officieel tot invoering overgegaan. Bezwaren tegen invoering van de zijde van gemeenteleden of van wie ook staan nergens vermeld.
Evenmin bracht men kennelijk officiële bezwaren in - het blijkt tenminste

[pag. 31]

niet uit de betreffende notulen - tegen de invoering van het Algemeen Reglement in 1816, waardoor het genootschappelijk kerkrecht zijn beslag gekregen heeft in de Nederlands Hervormde Kerken waardoor in de tweede plaats ook de naamsverandering van de kerk officieel tot stand kwam. Van ’Gereformeerde Kerk’ werd het toen ’Nederlands Hervormde Kerk’.
Redenen tot het indienen van bezwaren tegen dit Algemeen Reglement waren te over. Want door dit nieuwe kerkrecht werd de bestuurlijke eenheid gesteld boven de waarheid Gods. De eenheid in de kerk werd niet langer bepaald door het Woord Gods en de gereformeerde belijdenis, maar gesteld in de gemeenschappelijke onderwerping aan een bestuur. En dat alleen al is een zeer kwalijke zaak, afgedacht nog van de manier waarop dit Reglement werd ingevoerd. Het werd de kerken in ons land immers van boven af door Koning Willem I opgelegd!

In deze twintiger jaren van de negentiende eeuw was in de voortaan zogeheten Nederlands Hervormde Kerk te Hasselt opnieuw een vacature ontstaan. En na enkele malen een beroep te hebben uitgebracht, vond men in ds. W. H. Griethuizen een nieuwe herder en leraar, die naast ds. P. A. J. Moerel de gemeente zou dienen, en wel nader de buitengemeente, daar ds. Moerel predikant was van de stadsgemeente.

Harm Smit die reeds ouderling van de gemeente was geworden, was in de raadsvergadering waar deze predikant voor het eerst aanwezig was om zijn dienstwerk te beginnen, niet aanwezig. Dat was 26 december 1822. Twee jaar later, op 19 februrai 1824, was Harm Smit aan de beurt van aftreden en dat geschiedde dan ook. En het was vermoedelijk in deze tijd dat met name in de buitengemeente gezelschappen ontstonden, waarin leden van de gemeente zich oefenden in het Woord Gods tot het verkrijgen van meer kennis van de waarheid. Deze gezelschappen zijn ontstaan uit onbehagen over de prediking van een of meer voorgangers. Het liberalisme, zo door de afgescheidenen later benoemd, begon zijn greep te krijgen op de gemeente. Men werd minder trouw aan de belijdenis doordat ook predikanten konden voorgaan die niet in alles de belijdenis accepteerden. Zij waren niet in alles aan de belijdenis gebonden omdat men alleen behoefde te beloven bij het aanvaarden van het ambt dat men zou staan voor de gereformeerde belijdenis in zoverre deze met het Woord van God overeenkwam. Elke predikant moest verklaren dat hij zich verplichtte om zich te houden aan de leer, ,,welke overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomen formulieren van enigheid der Nederlandse Hervormde Kerk is vervat’’. (Berkhof). Dat klinkt wel heel mooi, maar de moeite zit nu juist in dat woordje ’overeenkomstig’. Want dat kon op twee manieren worden uitgelegd, als ’omdat’,

[pag. 32]

maar ook als ’voorzover’. En bij de laatste uitleg, waartoe velen overgingen, had men de vrijheid aan zich getrokken om van de belijdenis af te wijken. Daar stond de poort open voor allerlei wind van leer waartegen God zelf in Zijn Woord zozeer waarschuwt!

Berichten over het ontstaan van de gezelschappen zijn nauwelijks aanwezig, zodat de aanvang van deze conventikels hier plaatselijk in het duister ligt. Maar het moet wel in deze tijd geweest zijn, daar de moeilijkheden zich toen begonnen af te tekenen, o.a. een controverse tussen H. Smit en de predikanten. Harm Smit die reeds jaren tevoren ouderling was geweest blijkt niet weer verkozen te zijn. Beide predikanten kwamen op de kerkeraad met het verzoek een officiële verklaring te mogen ontvangen waarin de wettige wijze van hun beroeping als herders en leraars van deze gemeente werd bevestigd. Het kan haast niet anders of dit verzoek sluit aan bij een zinsnede uit het rapport dat naderhand door het klassikaal bestuur van Zwolle aan de minister van eredienst is toegezonden. Deze minister wenste geïnformeerd te worden over personen en hun bijzonderheden, die openlijk verklaard hadden ,,zich van de bestaande Hervormde Kerk af te scheiden’’. In dat rapport komt de volgende zinsnede voor: ,,De eerste een erfvijand van de Predikanten, gelijk voorheen zijn vader - beide zeer listige menschen’’. En deze typering slaat op Harm Smit. Evenwel, nergens blijkt hij enige moeite met de predikanten te hebben gehad, ook niet met de eerder genoemde ds. H. van Ingen of anderen, dan alleen hier in 1826 waar twijfel blijkt te beistaan aangaande de wettigheid van predikant en leraar der gemeente. De bezwaren zullen zich echter vooral hebben gericht tegen ds. W. H. Griethuizen, daar ds. Moerel een getrouw predikant geweest moet zijn. De bezwaren tegen ds. Griethuizen bleken naderhand ook zeer ernstig te worden.

Uit datzelfde zojuist genoemde rapport komt naar voren dat inderdaad gezelschappen werden gehouden in Hasselt, evenals trouwens elders in ons land. Men vergaderde, zo lezen we in dat verslag van het klassikaal bestuur aan de minister van eredienst: ,,in Streukel en wel ten huize van G. J. Bruining’’. Deze woonde op Ter Wee, op het bedrijf van zijn moeder, wed. L. Bruining. Ook kwam men bijeen ,,ten huize van Jacob van Baalen’’, over wie in de rapporten van hervormde zijde telkens smalend werd gesproken en vermeld dat hij noch lezen noch schrijven kon. Maar we vermoeden dat hij daarin geen uitzondering vormde in Hasselt. Harm Smit Klaaszn - eerder genoemd - stond in nauwe relatie met de familie Bruining. Hij was getrouwd met Hendrika Bruining een dochter van eerdergenoemde weduwe. Vermoedelijk ook vanwege die betrekking vermeldt genoemd rapport dat G. J. Bruining zich tot de afscheiding heeft laten verleiden. Harm Smit heeft zich in ieder geval wel tot leider van de bezwaarde leden opgeworpen.

[pag. 33]

Afscheiding.

Het duurde nog tot 1835 voordat officiële stappen werden ondernomen om zich los te maken van het hervormd kerkbestuur. Men riep de kerkeraad terug van onschriftuurlijke gehoorzaamheid aan het genootschappelijk bestuur en enkele leden riepen op tot ware gehoorzaamheid aan het Woord van Christus Jezus tot behoud van Christus’ kerk door zich te onderwerpen aan en te stellen onder de heerschappij van Christus als de enige Koning van de kerk. Onder leiding van Harm Smit wendden een veertiental leden van de gemeente - hijzelf was geen lid van de hervormde gemeente meer - zich met een brief aan de kerkeraad. Aangezien de namen van de ondertekenaars van dit schrijven niet genotuleerd staan en de brief zelf verloren is geraakt, kan niet meer precies worden aangegeven wie deze ondertekenaars waren. Wel is bekend dat het vier leden van de stadsgemeente betrof (en dat kunnen haast niemand anders geweest zijn dan Maria Smit, Lambert, Elisabeth en Maria Johanna Smit die door onttrekking in de jaren 30 ophielden lid van de gemeente te zijn - de laatste drie hadden nog in 1830 belijdenis afgelegd -) en tien leden van de buitengemeente, te weten in ieder geval de gezinnen van Jacob van Balen en Bruining.
Op 5 september 1835 kwam op de kerkeraadstafel een ’missive’ van het Provinciaal kerkbestuur waarin de raad werd opgeroepen om een verenigde vergadering van kerkvoogden en notabelen bij te wonen, teneinde gezamenlijk met het Provinciaal kerkbestuur het reglement namens de gemeente aan te nemen en verbindend te verklaren om daarvan vervolgens aan de gemeente kennis te geven. Het genootschappelijk kerkrecht in de praktijk: alles wordt van boven af geregeld en de gemeente is onmondig, de gemeente als een vereniging opgenomen in het grote lichaam van de Ned. Herv. Kerk. De gemeente is dan niet meer dan een onderafdeling. Ze moest eenvoudig accoord gaan met een nadere provinciale regeling betreffende het regeren der kerk. En het was na afkondiging aan de gemeente van deze nadere regeling dat de pennen in november 1835 in beweging kwamen.

Ook in de omliggende plaatsen wendden degenen die wisten zich niet te mogen laten vinden in dit door koning Willem I opgelegde reglement en in deze bestuurlijke organisatie van Christus kerk, zich tot hun kerkeraden. Het is zeer waarschijnlijk dat de brieven gelijkluidend van inhoud zijn geweest. Uiteraard richtte men zich scherp tegen de organisatie van de hervormde kerk. Wel was deze organisatie reeds jarenlang ingevoerd. Het blijkt echter dat tot afscheiding zeker niet overhaast is te werk gegaan, wat ook duidelijk kan zijn uit al de verwikkelingen en gebeurtenissen die zich in het noorden van ons land rond en met ds. H. de Cock afspeelden. Na ’de strijd om de kerk in de eerste jaren van de negentiende eeuw’ te hebben beschreven, komt ds. I. de

[pag. 34]

Wolff in zijn ook zo getitelde boek ten aanzien van ds. H. de Cock tot deze conclusie: ,,Wat moet de Cock een moed hebben bezeten om met zo’n taaie volharding tot het laatste toe vol te houden. Waarlijk, overhaast is hij niet te werk gegaan’’. Deze volharding was een vrucht van geloof in Christus, de Koning van de kerk. Want Hij leidt en regeert zijn gemeente en Hij doet haar in geloof overwinnen. Die overwinning kreeg gestalte in de afscheiding van de tot hervormd genootschap geworden kerk van Christus. Het was een wonder van Gods genade dat Hij mensen daartoe leidde en er toe bracht dat ze hun hals bogen voor het juk van Christus alleen. Zij scheidden zich van dat genootschap af in het volle besef, zich niet van Christus af te scheiden, noch van Zijn kerk, maar de voortzetting te vormen van de gereformeerde kerk zoals God zelf door Zijn genade reeds in vroeger eeuwen haar tot reformatie had doen brengen. Men wist zich blijvend als gemeente verbonden aan het Hoofd van de kerk, de Heiland der wereld Jezus Christus de eniggeboren Zoon van God. Men wist en beleed dat die band alleen mogelijk is door het ten volle aanvaarden van Zijn Woord. Zo sprak men zich ook zelf uit.
In de Apologie van de Afscheiding stelt men het zo: door de afscheiding ,,geraakten de geloovigen, daar de Heer den strik, waarmede men hen gebonden en den staf waarmede men hen dreef, verbroken had, op vrij terrein, om God naar Zijn Woord te dienen en - zich bij vernieuwing, overeenkomstig het Woord van God en de leer der Gereformeerde Kerk en derzelver bestuur, onder het eenige Hoofd der Gemeente als de oud-historische Gereformeerde Kerk te vestigen. Als zoodanig mogten velen, die jaren lang het brood des levens en eene volle en gezonde Evangelieprediking ontbroken had, als nu hiermede hunne harten als met een Goddelijk levensbrood te verkwikken en te verzadigen’’.

En even verderop wordt het nogmaals uitdrukkelijk aangewezen, ,,dat wij ons in generlei opzigt van de Kerk, maar slechts van een nieuw in de geschiedenis onbekend, in 1816 door den tijdgeest of het liberalisme, die in de Kerk en Staat was gevaren voortbragt kerkgenootschap’’ hebben afgescheiden. In genoemde Apologie beroept men zich ook op Groen van Prinsterer, die in zijn ’Maatregelen tegen de Afgescheidenen, aan het Staatsregt getoetst’, schreef dat de Afgescheidenen ,,zich buiten het genootschap begeven, om te kunnen blijven in de kerk’’. En ,,waar de Heer zoodanige genade geeft, daar worden de gevangenissen te vergeefs ontsloten, integendeel, zij worden door Zijne tegenwoordigheid, in paleizen en lustplaatsen herschapen’’.

Men wist en beleed, ondanks het werpen in gevangenissen: gehoorzaamheid aan een synodaal bestuur betekende een inbreuk op de gehoorzaamheid aan het Woord en aan Christus zelf. Daarom gaven ook enkelen in Hasselt te kennen door het schrijven van een brief aan de kerkeraad en door onderteke-

[pag. 35]

ning daarvan - de brief was gedateerd 26 november 1835 - zich niet langer te mogen onderwerpen aan het ’zogenaamd Nederlands Hervormd Kerkbestuur en daarom hun kerkelijke gemeenschap af te snijden met allen die dit Bestuur als wettig gezag in de Nederlands Hervormde Kerk erkennen’.
En wat deed de kerkeraad met degenen die overtuigd waren in dit opzicht de Schrift meer te moeten gehoorzamen dan mensen, meer ook dan koning Willem I die zich gesteld had als het hoofd van de hervormde kerk? Na ’deliberatie’, overweging werd eenparig besloten ’dit Schriftuur ter zijde te leggen’. Dat was hun verwerkelijking van de herderlijke zorg die ze over de gemeente hadden te beoefenen.
Voorts besloot men om de volgende zondag ,,voormiddags van de predikstoel hetgeen volgt af te lezen:

Aan de gemeente zij bekend dat er in de laatstgewone kerkeraads-
vergadering ter tafel is gebracht eene Schriftuur aan de Eerw. ker-
kenraad gerigt en onderteekend door sommige leden der gemeente
betreffende hunne weigering van kerkelijke onderwerping aan het
bestaand Ned. hervormd kerkbestuur. Tevens dat zij hunnen ker-
kelijke gemeenschap afsnijden met allen die dit Bestuur als wettig
gezag in de Nederlands hervormde kerk erkennen en eerbiedigen.
De Eerw. kerkenraad heeft om voor denzelven voldoende redenen
besloten deze Schriftuur ter zijde te leggen en geene zodanige in
aanmerking te nemen; herinnert dat er viermaal ’s jaars op tijd bij
den koster te verneemen gewone kerkeraadsvergadering gehouden
wordt; en verzoekt dat als men wat aan die vergadering heeft mede
te deelen of te verzoeken het bovengenoemde betreffende, men zich
dan in persoon tot dezelve vervoegen opdat ieder hoofd voor hoofd
worde gehoord. Zoo als gezegd, geene zodanige Schriftuur wordt in
aanmerking genomen’’.

Dit werd op zondag 21 december 1835, blijkens het rapport van het klassikaal Bestuur van Zwolle aan de gemeente meegedeeld voordat de prediking uit Gods Woord zou plaatsvinden die middag.
Op deze wijze gaf de kerkeraad wel heel nadrukkelijk te kennen het streven niet te peilen van de bezwaarde leden. Men proefde niet wat hen bezielde. De ernst van hun bezwaren werd niet herkend, terwijl de gehoorzaamheid aan de Koning van hemel en aarde in geding was! Men was kennelijk niet eens bereid de geesten te beproeven of zij uit God waren!
Vanaf die datum dateert de afscheiding in Hasselt: 21 december 1835, waardoor al het werk eeuwen geleden tot stand gebracht in de reformatie bewaard bleef, al was het dan onaanzienlijk geworden in ogen van mensen. God bleef enige mensen bewaren die hun knieën niet bogen voor koning Willem I en

[pag. 36]

het bestuur van het hervormd genootschap, mannen in hoogheid gezeten. Het is de genade van Christus dat Hij enkele leden van de gemeente tot Zijn dienst opriep om Hem te volgen in gehoorzaamheid aan de waarheid.
Men kwam als gereformeerde kerk bijeen, niet meer in de oude Stefanuskerk, waar de heerschappij van Gods Woord al zo vaak was verkracht, maar (in ieder geval vanaf 1852) in het huis dat Klaas Smit, de zoon van Harm Smit, samen met Gerrit Jan Bruining had gekocht in de Nieuwstraat, hoek Regenboogsteeg (het gehele perceel was maar liefst 9.30 are groot, midden in het stadje gelegen). Later op 19 februari 1856 hebben ze dit pand, behalve de tuin die ze verdeelden (en wel huis en kerk 3,26 are groot) verkocht aan de Gereformeerde Kerk, die zich noemde ’Gereformeerde Kerk onder het kruis’. Ter vertegenwoordiging waren in 1856 van de gemeente aanwezig voor de notaris: Lambert Smit, de oudste zoon van Harm Smit,, die ook smid van beroep was en Lucas Buit van beroep veehouder. G.J. Bruining en Klaas Smit Harmzn. verklaarden dit huis in 1856 te verkopen omdat van dit huis gemaakt was een gebouw tot uitoefening van de openbare eredienst. In die jaren telde de gemeente dan ook meer leden dan in 1835.
Vermoedelijk heeft men - en dat kon te gemakkelijker vanwege de oefeningen die reeds hadden plaatsgevonden ten huize van Jacob van Balen en Gerrit Jan Bruining - de erediensten aanvankelijk in december 1835 en 1836 en volgende jaren vanwege het geringe leden in eigen woningen belegd. Dat gebeurde bovendien in vele andere plaatsen.

Uit deze koop en verkoop kan aangetoond worden dat de voorgangers van de afscheiding in Hasselt lang niet onbemiddeld waren! Het beeld dat graag aan de afgescheidenen door anderen wordt opgelegd als zouden ze overal de minst-draagkrachtigen en de meest onaanzienlijken van die dagen geweest zijn, de ongeletterden en de geringen, gaat in het geheel niet op. Niet alleen de familie Smit, maar ook de familie Bruining behoorde tot degenen die in tel waren. Ter Wee, waar de familie Bruining woonde, was immers het overblijfsel van het slot Ter Wee dat waarschijnlijk een ,vroonhoeve’ geweest is. We kunnen ons de samenkomsten van de gereformeerde kerk als daar op de ’deel’ gehouden dan ook heel goed voorstellen. Trouwens ook later in de Nieuwstraat was er geen ruimte-probleem. En met name wel de familie Smit, zoals nog nader aangetoond zal worden, behoorde tot degenen in Hasselt die zich hadden weten te ontwikkelen en zich terdege konden uiten in woord en geschrift. Het zijn maar niet de allereenvoudigsten en meest onontwikkelden alleen geweest die de afscheiding tot stand hebben gebracht dank zij de genade van Christus. De term ’kleyne luyden’ is maar al te graag aangegrepen om de haat kenbaar te maken jegens degenen die boven alles geloofsgehoorzaamheid wilden bewijzen en belijden. Smaad terwille van de geloofsgehoor-

[pag. 37]

zaamheid aan het Woord van Christus was tevoren ook reeds opgegaan in de tijd van de reformatie te Hasselt. Ook nu moest het kruis gedragen worden om de Naam van Christus. Smaad komt naar voren bij en tijdens elke worsteling om het behoud van de heerschappij van het evangelie Gods.

Afbeelding: ’t Adelijk Slot Groote Weelde bij Hasselt

[pag. 38]

Het waren vooral degenen die middenstanders genoemd worden, die zich voor de alleenheerschappij van Christus en Zijn Woord in zijn gemeente hebben ingezet en die daarbij vervolgingen prezen! Het waren de mannen van het ambacht, zó is ook de term ’kleyne luyden’ gesmeed! Beeldvorming van de gereformeerde kerk is en wordt maar al te gemakkelijk beïnvloed door haar tegenstanders!

Bovendien, al zouden de afgescheidenen behoord hebben, allen en alleen, tot de laagste klasse van de maatschappij, dan nog was er geen reden op hen neer te zien, want de zuivere geloofsgehoorzaamheid aan de bijbel sierde hen!
Ook in de gereformeerde kerk van Genemuiden, die naderhand werd gediend door de bekende ds. A. C. van Raalte in combinatie met de kerk van Mastenbroek waren het de mannen van het ambacht. Door het werk van o.a. ds. H. de Cock kwam het daar tot voortzetting van de gereformeerde kerk. Door middel van zijn prediking kwam het tot afscheiding en blijkens de rechterlijke archieven werden de voorgangers gerechtelijk vervolgd en gevonnisd tot het betalen van boete. Dat waren de ouderlingen Hendrik van Rees (oud 52 jaar en bakker van beroep), Rijk van Haar (42 jaar, hij was winkelier) en de diakenen Jannes Telder, die 33 jaar oud was, van beroep timmerman, en Harm van Haar, die eveneens 33 jaar oud was en zich als koopman te Genemuiden had gevestigd. Het vonnis is gedateerd 26 mei 1836. Ze hadden de wetten van de koning overtreden omdat ze het ouderlingschap en diakenambt op zich hadden genomen van een niet erkende gemeente! Daarvoor moesten ze elk ƒ 20,- boeten, tenminste wat de laatst genoemde drie betreft. De eerste, Hendrik van Rees, kreeg een zwaardere straf. Hij moest ƒ 25,- boete betalen. Deze zwaardere straf werd hem opgelegd omdat hij zijn woonhuis had opengesteld voor het houden van openbare godsdienstoefeningen voor meer dan 20 personen, en dat zonder toestemming van de overheid. Ook in Genemuiden was het gewoonte als gemeente samen te komen in een bepaald woonhuis, omdat men geen aanspraak maakte op de officiële goederen van de eertijds gereformeerde kerk! Die godsdienstoefeningen waren in Genemuiden gehouden op 28 februari en 6, 9, 13, 20 en 21 maart 1836. Niet alleen de boete moesten ze betalen, maar daarbij kwamen ook nog de proceskosten, die een bedrag beliepen van ƒ 105,82½ een voor die tijd aanzienlijke som geld.

Met dergelijke maatregelen wilde men gehoorzaamheid aan het Kerkbestuur afdwingen.
Men liet zich door deze onderdrukkingen echter niet ontmoedigen, maar bleef evenals ds. H. de Cock in het noorden had gedaan, volharden bij de gehoorzaamheid aan Christus Jezus.
In een brief van W. W. Smit te Zwolle aan O. Voortman te Rijssen van 13

[pag. 39]

januari 1836, waarin de schrijver een overzicht geeft van de afscheiding, berichtte hij dat de vrijheid in Zwolle wel zeer werd beperkt. Ondanks dat vergaderde men regelmatig in gezelschappen onder het gehoor van Gods Woord. Dominee ,,H. de Cock arbeid bij ons in de buurte rond en thans zijn er elf gemeenten in de provincie Overijssel. De proponent Van Raalte is tot predikant beroepen in de gecombineerde gemeente van Genemuiden en Mastenbroek, welke dit welligt zal aannemen’’. Overal ,,ontkiemt ook nieuw leven; vooral is het bijzonder levendig in de gemeente Hasselt’’. (Bos)
Ook hier werd de vervolging ingezet. Maar omdat men geen bezwaar kon maken tegen de bijeenkomsten vanwege het geringe aantal, de eerste tijd bleef het immers beneden het beruchte getal van twintig, greep men naar andere maatregelen. Dat was de inkwartiering van soldaten.
Zo schreef de staatssecretaris op 16 juni 1836 namens de minister van binnenlandse zaken aan de koning dat ,,militairen verstrekt geworden zijn tot voorkoming van rustverstoring onder de arbeiders aan de Vollenhovensche en Hasselterdijkwerken’’. (Bos)

En in een brief van de staatssecretaris aan het departement van binnenlandse zaken wordt melding gemaakt van meerder militaire bijstand onder deze arbeiders. Zodoende poogde men alle zogeheten ongeregeldheden te voorkomen en te onderdrukken. Een maand later meldde de staatssecretaris aan de koning dat de Gouverneur van Overijssel van mening was dat het garnizoen te Zwolle ,,spoedig onvoldoende zou zijn om zelfs de noodige manschappen voor eene wacht van één man des daags en twee van zonsondergang tot derzelver opgang voor het burgerlijk en militair Huis van verzekering te leveren; hoeveel te minder dan nog, zeide de Gouverneur, om de verbodene godsdienstoefeningen te keeren en de onlusten, die onder de vreemde turfarbeiders dreigden uit te barsten, te dempen’’. (Bos)

De Gouverneur van Overijssel verwachtte echter niet veel effect van het aanwenden van de sterke arm om de afgescheidenen onder druk te zetten en de staatssecretaris meldde de koning in ditzelfde rapport dat de Gouverneur nog geen voldoende resultaten kon verwachten, maar wel dat de ingezetenen spoedig over de inkwartiering zouden klagen, gelijk nu reeds het geval was met ,,de langs de Vollenhoofsche en Hasselterdijken gelegen plaatsen, welke enige militairen hadden ter bewaring der rust onder de dijkwerkers, niettegenstaande men overtuigd was, dat de plaatsing van de militairen eene hoogst noodzakelijke en voorzigtige maatregel was’’. Mogelijk heeft hier de invloed van Harm Smit zich laten gelden, die ongetwijfeld zijn beklag zal hebben ingediend tegen dit overheidsoptreden jegens enkele leden van de gereformeerde kerk. We vermoeden met name tegen J. van Balen. Op deze harde maatrege-

[pag. 40]

len tegen de Afgescheidenen kwam echter ook scherpe kritiek en stemmen gingen op om de zaak maar op zijn beloop te laten. In die trant sprak zich de Procureur-Crimineel van Overijssel uit. Maar van wie ook protest werd vernomen, niet van de zijde van de hervomde gemeente! Terwijl in de tijd van de reformatie de overheid zich - uiteindelijk - inzette voor de handhaving van de gereformeerde leer en het recht van de gereformeerden op de kerkelijke goederen, werd de sterke arm nu ingezet om de kerk te vervolgen en te verdrukken en elke ruimte te ontnemen!

Gereformeerd blijven

Maar de worsteling om het behoud van de vruchten van de reformatie te Hasselt was nog niet voorbij! Ook diegenen die zich van de hervormde gemeente hadden afgescheiden, hadden de invloed van de Nadere Reformatie ondergaan. En daarom verwondert het ons niet dat juist ds. L. G. C. Ledeboer ingang vond in Hasselt. Wel behoorde ds. Ledeboer tot de afgescheidenen en heeft hij zich later bij hen gevoegd, nadat hij in 1841 ontzet was uit zijn ambt van predikant omdat hij zich niet wilde onderwerpen aan het hervormd kerkbestuur. Door het provinciaal kerkbestuur werd hij van zijn gemeente te Benthuizen losgemaakt. Maar hij vertegenwoordigde toch een eigen ’ligging’ ’’. ,,Ledeboer heeft door zijne predikatiën velen gesticht, maar geleerd is er van hem weinig’’, zo geeft Landwehr zijn gedachten over deze voorganger weer. Ledeboer liet zich sterk leiden door zijn gevoel. Dat kwam bijvoorbeeld uit in de bediening van het heilig avondmaal. Het werd zeer onregelmatig gevierd. Maar op een avond, toen een zekere Eigeman bij Ledeboer te gast was, gevoelde hij plotseling behoefte aan de viering van het avondmaal en samen vierden ze het heilig sacrament. In het midden van de gemeente gebeurde het bij de viering van dit sacrament dat ds. Ledeboer op een gegeven moment de aanzittenden verlof gaf te spreken om ,,vrijmoedig mede te deelen, wie de Heere God voor hen was op àl den weg’’.

,,Innig was altoos zijn toon, rijk zijne beschrijving van het geestelijke leven’’. En de familie Smit uit die dagen was daardoor zeer gegrepen en het zou in dit geslacht sterk blijven doorklinken nog tot in de twintigste eeuw toe.
Maar ook in ander opzicht vonden Ledeboer en de gemeente Hasselt elkaar, en wel in het verzet tegen het aanvragen van vrijheid aan de regering, kerkelijke vrijheid om aan de vervolging te ontkomen.

En daar raken we één van de belangrijkste problemen die de afgescheidenen hadden te overwinnen in hun worsteling om gereformeerd te blijven nu ze zelf in klein getal de gemeente van Christus moesten bouwen en bewaren. In de antwoorden die op verschillende vragen werden gegeven, tekent zich enerzijds af de worsteling om terug te keren naar de van ouds vastgehouden leer

[pag. 41]

en kerkregering, maar anderszijds de verdeeldheid die onder hun gelederen ontstond.
Moeite kwam vooral naar voren toen op de algemene Synode van 1837 van de afgescheidenen, gehouden te Utrecht, een nieuwe kerkorde werd aangenomen.

Nadat men zich had verzet tegen de hervormde organisatie en zich daarvan had afgescheiden, kwam de vraag uiteraard naar voren welke kerkorde moest worden gehanteerd als accoord van samenleven als kerken van Christus. Men keerde terug naar de handhaving van de Dordtse Kerkenordening, maar dat werd niet voldoende geacht, o.a. vanwege het verschil in tijd. Deze kerkenordening was immers uit 1618-1619. Zo werd dan een nieuwe kerkorde aangenomen die weliswaar sterke overeenkomst vertoonde met de Dordtse kerkorde, maar tegelijk de invloed aangaf van ds. H. P. Scholte. Er werd namelijk een uitspraak gedaan over een in het midden der afgescheidenen brandend vraagstuk, te weten t.a.v. de vraag wie men voor leden van de kerk moest houden. Tegen deze kerkorde werden bezwaren ingediend, o.a. ook door ds. H. de Cock. Bezwaren die o.a. waren ontstaan uit de vrees dat sommige voorgangers nieuwe dingen wilden invoeren. Men was met name beducht voor ds. A. C. van Raalte. De moeilijkheden werden besproken, maar konden niet worden ge-effend en men vertrok van de Utrechtse Synode in het besef dat een scheuring voor de deur stond onder de broeders. En een breuk kwam inderdaad.

De vrees voor dreigende verdeeldheid koesterde ook ds. H. de Cock. Ook hij was beducht voor ds. Van Raalte. Maar toen hij op de kerkelijke vergaderingen in de provincie Groningen en Drenthe ds. Van Raalte nader leerde kennen, ondervond hij (zo schreef zijn zoon later): ,,dat men hem te Zwolle zonder reden verkeerde gevoelens en praktijken had ten laste gelegd. Het onderling spreken over de artikelen waartegen vader bezwaar had, in overeenstemming met de verklaring namens de Synode, betrekkelijk het laatste protest van vader, gegeven, bracht hem tot de overtuiging dat dit geene zaken waren waardoor eene scheuring onder de broeders kon worden gewettigd’’. De andere broeders uit Zwolle en Kampen (Hoksbergen) bleven bij hun bezwaren. Door ds. A. C. van Raalte werd op 9 juli 1838 een classicale vergadering bijeen geroepen te Mastenbroek, waar ook Hasselt vertegenwoordigd was, met het doel de bezwaren zo mogelijk weg te ruimen en in ieder geval een breuk te voorkomen. Daarom was ook ds. H. de Cock die de gemeenten in Overijssel zo goed kende, aanwezig. Overeenstemming bleek echter niet mogelijk. Evenmin op de provinciale vergadering die op 18 juli 1838 te Nieuw-leusen werd bijeengeroepen. Ook deze vergadering was eveneens bedoeld om de breuk te voorkomen, of, zoals soms gemeend wordt: ,,met het doel de pro-

[pag. 42]

testeerende gemeente te dwingen’’ (Engelberts). Toen de bezwaren opnieuw overeind bleken te blijven staan ging deze vergadering ertoe over (een provinciale vergadering!) om de ouderlingoefenaar van Zwolle onder censuur te plaatsen en tevens allen die ,,aan de nieuwe kerkorde weerstand boden’’. De kerkeraad van Zwolle kondigde daarop schriftelijk haar afscheid aan en betuigde op den alouden gereformeerden bodem te willen blijven. De gemeenten Kampen, Mastenbroek, Deventer, Hasselt, Zalk en gedeeltelijk Rouveen stemden met deze verklaring en afscheid in en allen verlieten nu de vergadering’’. (Engelberts).
Men koos zich de naam Gereformeerde gemeente onder het kruis, de naam die ds. H. de Cock steeds had gebezigd om zijn onrechtmatige afzetting en de onrechtmatige vervolging die tegen hem was ingezet, aan te duiden.
Deze gemeenten onder het kruis hielden nu ook kerkelijke vergaderingen. Aanvankelijk sloot Hasselt zich bij deze landelijke en regionale vergaderingen aan, maar na 1846 niet meer.
Want in die tijd viel het contact met ds. Ledeboer. De Gereformeerde gemeente onder het kruis’ werd daarom wel genoemd de gemeente van Ledeboer. Ds. Ledeboer leefde toch niet zo ,,op de verre achtergrond van het nederlandse kerkelijke leven’’ als wel is verondersteld (Veenhof). Deze predikant verzette zich ook scherp tegen invoering of mogelijke invoering van nieuwe dingen. Na 1840 heeft ds. Ledeboer zich bij de Afgescheidenen aangesloten door te verschijnen op de synodale vergadering die te Amsterdam werd gehouden en in deze vergadering zitting te nemen. Hier verklaarde men de nieuwe kerkorde ongeldig en men keerde geheel terug naar de Dordtse Kerkenordening van 1618/1619.
Toch bleef de verdeeldheid tussen de Christelijke Afgescheidenen en de Gereformeerden onder het kruis, namelijk terzake van de vrijheid en de aanvraag om erkenning.

Ds. H. P. Scholte was er reeds toe overgegaan vrijheid en erkenning aan te vragen. Erkenning als gemeente van Christelijke Afgescheidenen. In 1839 had de Utrechtse gemeente deze erkenning van de overheid verkregen. Maar deze vrijheid om voortaan als gemeente te vergaderen en een bijeenkomst te beleggen voor meer dan twintig personen was verkregen onder bepaalde voorwaarden. Tegen die voorwaarden rees verzet van de andere kerken. Want erkenning door de overheid hield in dat men de naam gereformeerd niet meer voeren mocht, eveneens dat men geen aanspraak mocht en kon maken op goederen, inkomsten of rechten van de gevestigde of ,,Gereformeerde’’ kerk. Het was, zoals ds. J. van Raalte schrijft: een duur gekochte vrijheid. Toch keurde de synode van Amsterdam 1840 deze aanvraag om vrijheid goed. Het prijsgeven van de naam ’gereformeerd’ zat velen echter hoog.

[pag. 43]

En ook op dit punt vonden Ledeboer en de gemeente van Hasselt elkaar. Ook al distanciëerde ds. Ledeboer zich na 1841 meer en meer van de afgescheidenen, de grenzen tussen hem en de gereformeerden (onder het kruis) zijn niet scherp te trekken. Na 1844 stichtte hij zelf gemeenten, die wars bleken van elke aanvraag om erkenning en het verkrijgen van vrijheid onder de door de koning gestelde voorwaarden. Nadat ds. Ledeboer in 1844 meer naar buiten was begonnen te treden, kwam hij in 1846 in Hasselt.

Vóór die tijd hadden afgevaardigden van de gemeente te Hasselt zich nog op de vergaderingen van de kruisgezinden laten vinden. Tien dagen na de breuk met de afgescheidenen vergaderden de gemeenten van Zwolle, Deventer, Kampen, Hasselt, Zalk, Rouveen, Mastenbroek, Woerden, Linschoten en Hattem in het huis van Carel Tobias van Ommen te Zwolle. In 1840 kwamen zij bijeen in het huis van Jochem Kok, ouderling te Mastenbroek. Maar in 1843 waren de afgevaardigden van de kerk van Hasselt weer in de kring van de afgescheidenen. In 1842 heeft K. J. van Goor, een student uit de school van Hoogeveen (ds. F. A. Kok) in Hasselt gewerkt, die in 1843 voorganger werd bij de afgescheidenen te Staphorst. Toen werd de provinciale kerkvergadering in Dalfsen gehouden, de 4e juli o.a. van dat jaar. Tot voorzitter van die vergadering werd ds. A. C. van Raalte gekozen die inmiddels predikant van de kerk te Ommen geworden was. Aan het eind van de vergadering las de voorzitter een verklaring van zijn gevoelen voor betreffende het dragen van het ambtsgewaad. Hij veroordeelde deze ’klederdracht’ sterk. Tijdens het voorlezen van zijn verklaring werd hij door br. H. Smit van Hasselt in de rede gevallen, die een tegenovergesteld gevoelen naar voren bracht. De praeses besloot daarop geen stemming over dit gevoelige onderwerp te houden daar vele broeders vóór, maar even zoveel tégen het dragen van het ambtsgewaad waren.

Na de komst van ds. Ledeboer in Hasselt zijn geen afgevaardigden van de kruisgemeente meer op kerkelijke vergaderingen van de afgescheidenen in deze jaren verschenen. Pas in 1852 liet de kerk van Hasselt zich vertegenwoordigen op de intussen tot stand gekomen landelijke vergadering van de gereformeerden (onder het kruis). Het vermoeden is gewettigd dat ds. Ledeboer in deze streek van Overijssel heeft gewerkt vanuit Hasselt. Omdat de gemeente in Hasselt reeds enige tijd tot reformatie was gekomen, kon zij niet aan het werk van ds. Ledeboer toegeschreven worden. Daarom werd wel de kerk van Genemuiden later genoemd bij de gemeenten van ds. Ledeboer, maar niet de gemeente van Hasselt. Trouwens, zoals vermeld, heeft Hasselt zich toch weer doen vinden bij de vergaderingen van de gereformeerden (onder het kruis) en Genemuiden slechts gedeeltelijk.
Sterk kwam ’t samengaan van ds. Ledeboer en de kerk van Hasselt als kruis-

[pag. 44]

gemeente uit in de gezamenlijke uitgave van een brochure waarin men uiting gaf aan de bezwaren tegen het aanvragen van erkenning van de overheid onder de genoemde voorwaarden. De brochure werd geschreven door Klaas Smit, inmiddels diaken geworden van de gereformeerde gemeente onder het kruis en werd ingeleid door ds. Ledeboer. Deze brochure is getiteld: Iets over vrijheid en scholen, of overweging der beide vrijheidsbesluiten van den 5 julij 1836 en 9 januarij 1841 voor het oordeel van een waarheidslievend lezer daargesteld. In de voorrede hekelt ds. L. G. C. Ledeboer de ontrouw aan het beginsel van afscheiding door degenen die vrijheid verkiezen in ruil voor het recht op de naam gereformeerd. ,,Ten tijde dat de Heere ons op de weg leidde, zijn wij van Hem afgeweken. Wij hebben niet gelet op de daden des Heeren, daarom heeft Hij ons niet gebouwd. Wij hebben groote dingen gezocht, en daarom ontgaan ons de kleine. Wij hebben ons in de plaatse van God gesteld en in eigene kracht willen werken, en daarom missen wij des Heeren zegen’’. Hij wenste zich te houden aan het beginsel van afscheiding: gereformeerd te blijven in naam en daad. Want zij die dit begeerden hebben de scheuring onder de broeders niet veroorzaakt, zij ,,die zich door bewarende genade wenschen te mogen houden aan het beginsel der uitleiding, terugkeering tot het verbond van God met onze vaderen opgerigt, met vrijmoedige belijdenis en uitkoming voor onzes Heeren Naam, eer en zake, hun (de schijn-Gereformeerden) tot een getuigenis, strijdende voor het geloof den heiligen eenmaal overgeleverd’’.

En even verder: ,,Is men de vervolging (die sta zie toe dat hij niet valle) moede geworden? Heeft men de Heere niet de handen gebonden? Gaf men daardoor geen schijn ten minste van vreeze of onze zake niet Godes ware?’’

Hij heeft deze zaak dus zeer hoog opgenomen. Ook blijkens de woorden: ,,Of is het alleen afstand doen van de goederen? Staan wij niet af van scholen; staan wij niet af van de op Gods Woord gegronde, door des Heeren zegen bekroonde Kerk-orde? Waar is de onderlinge band? Iedere gemeente en dan nog met het opgeven hunner namen, moet de vrijheid vragen op in te dienen reglementen, alsof wij iets nieuws zochten, en eene nooit in Nederland bestaande Kerk daarstellen wilden; verloochenende alzoo het oude! Afstand doende als bastaard-kinderen van hetgeen onze vaderen gegrond op Gods Woord zo wijsselijk vereenigd hadden?’’ En hij tekende deze voorrede tenslotte met het eigenaardige, hem eigen: ,,Uw ontrouwe vriend en broeder’’, daar hij de ontrouw van anderen in het begin van zijn voorrede had gehekeld: ,,Moet ik anderen vermanen en berispen en den regten weg wijzen, die zelf het eerst en het meest van de zoete, zalige geboden, regten en inzettingen des Heeren ben afgeweken?’’ Uit de vermelding van de plaats onder zijn voorrede, is duidelijk dat hij toentertijd (1846) in Hasselt vertoefde.

[pag. 45]

Klaas Smit gaat in de genoemde brochure in op de beschuldiging alsof de afgescheidenen onrust in de samenleving zouden hebben verwekt, met als gevolg de inkwartiering.
,,En wat belangt de beschuldigingen onrust en verwarring veroorzaken; in de eerste plaats mogt men dan wel eens gevraagd hebben en mogen wij als nog wel eens vragen met toepassing op Zijne majesteit den Koning of het Hoogst dezelve als een Vader des Vaderlands niet betaamd had grondig te onderzoeken van wat zijde deze onrust en verwarring veroorzaakt werd en nog wordt, of van de zijde der Afgescheidenen, òf van de zijde hunner tegenpartijders, òf dergenen die door stoornis der openbare Godsdienstoefening zelven wanorde verwekten en verwekken tegen Art. 190, 193 en 196 van het 6e Hoofdstuk der Grondwet’’.

En tegen de afgescheidenen richtte hij zich op dezelfde wijze als ds. Ledeboer: ,,Volk des Heeren, op Zijnen eigenen tijd zoude de Heere Zijne eigene zaak gered hebben tot beschaming der vijanden. Pharao mogt een en andermaal weigeren Israëls volk te laten trekken volgens Exodus 5 vs. 2. . . . maar toen het des Heeren tijd was werd Israël uitgeleid door een sterke hand en uitgestrekten arm.... En dit getuigenis des Heeren Geliefden is immers volkomen bevestigd, ware het ons maar wezenlijk van binnen voor den Heere en de menschen (voorzoverre wij hier schuldig staan) tot schaamte en schande. Wat trouwelooze handelingen toch: ’s Heeren zaak in de belijdenis te miskennen, te verklaren een nieuw genootschap te zijn en inbreuk gemaakt te hebben op de verkregene regten, hetwelk zijne Majesteit de Afgescheidenen te laste legt, omdat zij zich den naam van Gereformeerd toeeigenen die zijn Majesteit toekent aan de zoogenaamde Hervormde Kerk.
Men zoude zeggen zoodanige ongegronde aanmatigingen of toekenningen aan het sedert 1816 bestaand kerkgenootschap, hoe kan men die stilzwijgend voorbijgaan, en op deze besluiten met verzaking van de naam Gereformeerd (wettiglijk toebehoorende aan diegenen die door belijdenis betoonen hetzelve te zijn) vrijheid te erlangen’’.

K. Smit was niet alleen nauwkeurig met heel de gang van zaken op de hoogte, maar wist zich ook treffend uit te spreken en de zaak van de gereformeerden onder het kruis te verdedigen. In het bijzonder die laatste opmerking is van groot belang: alleen zij zijn gereformeerd die het tonen door hun belijden. Het ware te wensen dat velen dit vandaag evenzo leerden verstaan!
Hij beriep zich ook op Groen van Prinsterer, die volgens Smit schreef: ,,zal het ooit een land of volk welgaan dan moeten de landswetten op Gods Woord gegrond, ja uit des Heeren wet genomen worden’’. Daarom tekende K. Smit bezwaar aan tegen de scheiding van kerk en staat. Want ook in het oude testament waren kerk en staat één: ,,en dat niet alleen geliefden, onder het Oude

[pag. 46]

Testament, maar door alle tijden. Men onderzoeke zelfs haar de historiën op wat wijze en langs welken weg ons land, het land onzer inwoning opgekomen is’’. Voorts verwees hij naar de - pas in 1905 geschrapte (althans door de Gereformeerde kerken in Nederland) - zinsnede uit artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: ,,Ende hun Ambt is niet alleen acht te nemen en te waken over de Politien maar ook de hand te houden aan de heilige kerkedienst, om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsche godsdienst, om het rijk des Antichrist te gronde te werpen....’.

Afbeelding: Gezicht op het stadhuis en de grote kerk ± 1860, vanuit de Nieuwstraat. Uiterst links begin van Regenboogsteeg.

[pag. 47]

En hij verweet de Christelijke Afgescheidenen dat ze meer aan de grondwet als regel van geloof en wandel vasthielden, dan aan Gods Woord.
Het is verleidelijk om nog meer te citeren uit dit geschriftje, maar met het bovenstaande is aangetoond dat de zoon van Harm Smit wist waarvoor hij had te staan! Hij en ds. Ledeboer samen.
Hoezeer ds. Ledeboer in het midden van de gereformeerden in deze tijd een eigen ’ligging’ of ’richting’ vertegenwoordigde, toch, zo zegt ds. Landwehr in zijn biografie over ds. Ledeboer, mag men niet zeggen dat ds. Ledeboer een ,,dweeper geworden is’’, omdat hij zich niet ,,enkel en alleen door het inwendige Woord liet leiden. Hij verscheurde den band met het geopenbaarde Woord niet’’.

Trouwens het verzet tegen het aanvragen van vrijheid onder het prijsgeven van de naam gereformeerd toonde besef voor de voortgang van Christus kerk die van het begin van de wereld tot aan het einde door Christus wordt in stand gehouden. ,,Daarom achten wij (nl. ds. Landewehr-l.j.j.) het een voorrecht, dat èn door de gereformeerden onder het kruis èn door ds. Ledeboer het besef van de continuïteit der kerken levendig is gehouden. Waren er niet zulke stemmen opgegaan in die dagen, ongetwijfeld zou ,,de vereeniging’’ in 1892 moeilijker, misschien onmogelijk, geweest zijn. Want wel gevoelen zich in den beginne velen nog bezwaard, maar langzamerhand was een geslacht verrezen, dat in de afscheiding meer doel dan middel zag en daarom hoegenaamd geen gevoel voor de historische kerken openbaarde. En dat zou tot het onvermijdelijk gevolg hebben, dat de Christelijke Gereformeerden zich tenslotte in een sectarischen hoek zouden hebben opgesloten’’.

Afgescheiden gemeente

De brochure moet ook gezien worden tegen de achtergrond van de plaatselijke situatie. Want juist in hetzelfde jaar dat deze brochure verscheen, werd in Hasselt een christelijk afgescheiden gemeente geïnstitueerd. En tegen deze afgescheidenen zette K. Smit zich sterk af, hij betwistte hun zelfstandige bestaansrecht vanwege de geschetste geschilpunten.
Aanleiding tot deze instituering waren de verwikkelingen in de hervormde gemeente. In de 40-er jaren van 1800 was het in de hervormde gemeente uitermate onrustig geworden. Daar ds. Moerel om zijn gezondheid zijn taak niet langer verrichten kon en zich genoodzaakt zag emeritaat aan te vragen welke hem werd verleend, werd ds. G. Bruna beroepen die dit beroep naar Hasselt ook aannam.
Nauwelijks had hij zijn ambt aanvaard of de problemen begonnen. Zowel de andere aanwezige predikant ds. Griethuizen als ds. Bruna waren niet van plan om elke zondag de gemeente tweemaal op te roepen om eredienst te houden,

[pag. 48]

Afbeelding: Kerk aan de Brouwersgracht: gebouw met trapgevel (midden links).

en deze erediensten te verzorgen. De avonddiensten vonden ze overbodig, vooral wanneer in de week al een biddag of dankdag was gehouden, maar bovendien ook voor en na het houden van de christelijke feestdagen. Het kwam erop neer dat ze op een gegeven moment zo’n veertig zondagavondbeurten per jaar verzuimden. Dit werd een van de meest gehoorde grieven tegen deze beide predikanten. Waarschijnlijk uit reaktie begonnen daarop enkele ouderlingen en diakenen zich te roeren en bezwaren in te brengen tegen de evangelische gezangen. Bij een visitatiebezoek op 13 mei 1840 van het hervormd kerkbestuur in de hervormde gemeente kwam ter tafel dat 49 ouderling K. Admiraal en M. Karspels de gezangen niet wilden meezingen en

[pag. 49]

Joh. van de Vecht zong deze in elke dienst slechts één keer mee. De diakenen bleven zonder meer van het avondmaal weg en bovendien weigerden ook A. Rook en P. Galenkamp als diakenen de gezangen te zingen. Door het klassikaal bestuur werden daarom G. Breeman en K. Admiraal, K. Galenkamp en A. Rook geschorst in hun ambtsbediening voor de tijd van zes weken en Joh. van de Vecht, M. Kaspers, G. Beekhof en P. Galenkamp werden uit hun bediening gezet. Door deze moeilijkheden en verwarringen gingen veel leden van de gemeente, van de binnen en buitengemeente, naar andere plaatsen, maar ook naar de afgescheidenen. En het zal in deze tijd ook geweest zijn dat verschillende leden van de hervormde gemeente apart vergaderden in een fabriekje in de Regenboogsteeg. Naar mij tenminste werd meegedeeld, ’overgeleverd’ en verzekerd, bleef men wel lid van de hervormde gemeente, maar vergaderde men ’s zondags niet met de gemeente.
In 1846 werkte student W. H. Frieling in Hasselt en mogelijk reeds in het jaar daarvoor. Hij gaf in ieder geval catechisatie-lessen. Door zijn arbeid kwam de christelijke afgescheiden gemeente tot stand op 23 januari 1846. Frieling was uit Hoogeveen afkomstig, waar hij tot gereformeerd predikant was opgeleid aan de Drentse school van ds. Kok. Een jaar lang heeft hij in Hasselt zijn werk verricht. In 1847 is hij vertrokken met zijn vrouw Geertje Jans Benning en de dienstbode Jantien Maradorf naar de kerk van Dalfsen waar hij als predikant werd bevestigd. Vandaar is hij in juli 1850 vertrokken naar Deventer.
Bij de instituering van de Christelijke Afgescheiden gemeente in 1846 werden B. van Dalfsen, R. Steenbergen en J. O. van der Vegte tot ouderling gekozen en A. Doijer tot diaken. Helaas is erg weinig van deze instituering bekend. De notulen vermelden slechts: ,,De gemeente gestigt den 23 januarij door dominee F. A. Gijssel, tot ouderlingen bevestigt W. H. Frieling en B. van Dalfsen, tot diaken J. Kruithof en Joh. Pothof’’.
Zij ondertekenden de volgende verklaring:

,,Wij ondergetekende Ouderlingen en Diakenen der gemeente Onzes
Heeren Jezus Christus verklaren opregtelijk in goede Consciëntie
door onzen Heere met dezen onzen onderteekening dat wij van harten gevoelen en geloven dat al de artikelen en stukken der Leere in
de formulieren van eenigheid der Christelijke Gereformeerde Kerk
in Nederland, de Geloofsbelijdenis den Catechismus, en de Leerregels
van Dordrecht Anna 1618-1619, begreepen in alles met Gods
Woord overeen te koomen belooven derhalven, dat wij de voorzeide
leer naarstiglijk zullen leeren en getrouwelijk voorstaan, zonder iets tegen dezelve Leer, hetzij openlijk of heimelijk hetzij direkt of
indirekt te Leeren of te Schrijven gelijk ook dat wij niet alleen, alle

[pag. 50]

Dwalingen tegen deze leer strijdende en met name ook in die Synode
van Dordrecht in 1618, 1619 zijn veroordeeld, verwerpen, maar dat
wij ook genegen zijn dezelve uit de kerk te weren, biddende onzen
Heere dat Hij ons uit genade in alles Zijne bekwaammakende Geest
schenke, tot verheerlijking van Zijn naam, en tot heil Zijner
gemeente. Amen’’.

De moeiten in de hervormde gemeente verminderden toen het Provinciaal Kerkbestuur de uitspraak van het klassikaal bestuur ongeldig verklaarde en beide partijen, zowel de ouderlingen met de diakenen als de predikanten onschuldig verklaarden. Beide partijen moesten de kosten van het kerkelijk proces dragen. Maar in het bijzonder verdwenen de bezwaren toen ds. Datema het beroep naar Hasselt aannam, die wat men wel noemt ’zwaar van ligging’ was. Men vertrouwde zich aan hem toe!

Naast elkaar

Betreurenswaardig was het dat twee gereformeerde kerken naast elkaar stonden. Wel heeft men zich onderling steeds sterk verwant gevoeld en elkaar als zusterkerken beschouwd, maar het bevorderde toch het kerkelijk besef niet. De kerk is immers geen aangelegenheid van mensen, maar van Christus Jezus als de Zoon van God. Soms was zelfs blijkens de notulen ten aanzien van bepaalde personen niet geheel duidelijk van welke gemeente ze nu lid waren. De betreffende boeken werden ook niet nauwkeurig bijghouden. Maar de kerkeraad van de Christelijke afgescheiden gemeente werkte wel aan kerkelijke gehoorzaamheid en trouw. Op 17 september 1852 nam men het besluit om Joh. Pothof te vermanen niet meer naar de gereformeerden te gaan, t.w. de gereformeerde gemeente onder het kruis. De kerkeraad telde toen reeds zes leden, genoemde B. van Dalfsen als praeses en R. Steenbergen, J. O. van der Vegte, de laatste was diaken evenals A. Israel, terwijl A. Doijer en Johannes Hulleman tot kerkmeester waren benoemd. Vanaf 1 september 1852 werden meer notulen bijgehouden, want op 15 en 16 september was ds. Brünemeier van Rouveen in deze gemeente gekomen om huisbezoek te brengen met de ouderlingen. Hij berispte de kerkeraad dat er niet alleen veel te weinig vergaderd werd, maar ook dat de notulen niet waren bijgehouden.
Aan die vermaning hebben we het te danken dat de notulen geregelder op papier werden gezet en wel door A. Doijer, onderwijzer aan de openbare school. Hij verstond de kunst om in sierlijk handschrift de vergadering te verslaan en op te tekenen hetgeen waard was opgetekend te zijn, maar dat was kennelijk ook weer niet zo heel erg veel. Het kostte sommigen trouwens wel wat moeite om een onderwijzer aan de openbare school als lid van de

[pag. 51]

gemeente, maar in het bijzonder als lid van de kerkeraad te aanvaarden. Helaas kwamen er allerlei problemen naar voren die een sterk persoonlijk karakter droegen. Ook moest er veel gewerkt worden aan en gewaarschuwd tegen het overmatig gebruik van sterke drank. Twee jonge leden waagden het zelfs onder de preek een fles bij zich te hebben en geregeld ’aan de mond te zetten’. Ze boden de fles zelfs aan het meisje aan dat vlak bij hen zat: Dina Doom, maar zij weigerde en maakte de zaak ruchtbaar. Naderhand beweerden de knapen dat de fles al leeg was voor dat de dienst was begonnen, maar zij deden toch schuldbelijdenis voor de kerkeraad waarmee de zaak was opgelost.

Ook waren er leden die regelrecht van uit de dienst ’s zondags naar hun stam-café trokken. Daartegen werd vele malen gewaarschuwd.
Maar ondanks dat mocht het kerkelijke leven verder goede voortgang hebben. Elke zondag kon de gemeente vergaderen rondom de prediking van Gods Woord. De erediensten van de christelijke afgescheidenen vonden plaats in het gebouw aan de Brouwersgracht, hoek Regenboogsteeg. Een gebouw van zeer oude datum waarvan de oorspronkelijke bestemming niet bekend is.

De band met de zusterkerken in deze omgeving functioneerde bij de afgescheidenen vanaf het begin. Dat bewijst de genoemde arbeid reeds van de consulent ds. Brünemeier, maar ze kreeg ook gestalte in de visitatie-bezoeken die werden gebracht om op elkaar toezicht te houden zodat elke kerk zich in elke plaats aan Gods Woord zou houden. Die kerkvisitattie was niet maar een formele aangelegenheid, maar het was een met raad en daad elkaar terzijde staan. Zo brachten de visitatoren tijdens hun bezoek van 17 mei 1854 hun advies uit, na een vraag van de kerkeraad betreffende de verkiezing van ambtsdragers en hun aftreden, de aftredende broeders hetzelfde jaar van hun aftreden opnieuw te kandideren en geen periode van ’rust’ in te voeren waartoe de kerkeraad eigenlijk wilde besluiten. Maar de visitatoren ds. Hel. de Cock van Kampen en ds. D. Postma van Zwolle raadden hun dat ten sterkste af en adviseerden de ambtsdragers minstens één jaar buiten dienst te doen blijven. Dit advies werd opgevolgd en de broeders werden opnieuw gekandideerd.

Het aantal leden was in de eerste jaren gestadig gegroeid maar aan het eind van de 40-er en begin van de 50-er jaren bleef het vrijwel gelijk. In 1856 bestond de gemeente uit een aantal van 127 zielen. Men had de erkenning aangevraagd en op 24 juli 1857 werd van overheidswege aan R. Steenbergen c.s. de goedkeuring gegeven ,,tot het bestaan eener Christelijke Afgescheidene gemeente te Hasselt’’.
De eerste predikant van de afgescheiden gemeente was ds. W. H. van den Bosch die op 10 april 1859 door Prof. de Haan van de Theol. Hogeschool

[pag. 52]

(1854!) te Kampen in Hasselt is bevestigd nadat hij van ’Vrijhoeve Capelle’ was overgekomen. Zijn traktement was gesteld op ƒ 450,- per jaar. Ter vergelijking zij opgemerkt dat de kollekten, geteld op dezelfde kerkeraads-vergadering waar ds. Van den Bosch voor het eerst als predikant aanwezig was: 12 april 1859, voor de armen ƒ l,86½ en voor de kerk ƒ 6,38 bedroegen.

Veel werk lag te wachten. Opnieuw moest gewaarschuwd worden tegen misbruik van sterke drank, maar ook tegen het gaan naar en opgaan in de kermis! Als collega-ouderlingen trof hij aan de eerder genoemde R. Steenbergen en voorts H. Renon, als diaken fungeerden E. Kruithof en H. Kloosterziel. Maar het bleek nodig om opnieuw kerkmeesters te benoemen omdat de diakenen teveel werk hadden en E. Kruithof bovendien heel weinig in Hasselt was vanwege zijn werkzaamheden: hij was schipper. Eveneens moest nodig een formulier worden vastgesteld om dit gebruik voor degenen die belijdenis van hun geloof wilden afleggen en hen te leren op schriftuurlijke wijze zich aan de kerk te laten verbinden en zo aan Christus zelf en aan de leer van Zijn Woord. Men besloot ertoe over te gaan de ,,formulieren van vragen, bij het aannemen van lidmaten door de kerkeraad der Christelijke Afgescheiden Gereformeerde gemeente te Zwolle aangenomen en vastgesteld den 17 september 1850, waarvan de substantie in Groningerland reeds werd gebruikt vóór en na het jaar 1659 vóór het houden van ’s Heeren Avondmaal’’ te gebruiken. In september 1859 werden nieuwe kerkvoogden benoemd om de administratieve werkzaamheden van de diakenen te helpen verlichten om op tijd ,,de geldelijken verantwoording voor geheel den kerkeraad te stellen, daar de gelden tog in een welgesloten kistje in de kerk onder de predikstoel gesloten, gedeponeerd worden’’. Hoezeer de kerkdiensten regelmatig konden voortgaan en het Woord Gods werd gepredikt, het was niet altijd, met name in de winter, een lust om in het kerkgebouw te vertoeven. Op de kerkeraad werd gevraagd ,,of het niet goed ware, om de ondragelijke lucht die door vuurkolen in de stoven ontstaat en waardoor velen, zooals men vermoet met zwaaren pijnen in het hoofd worden aangedaan, opentlijk van den kansel te verzoeken om onder de godsdienst in de Kerk gene kolen van de zogenaamde korte turven te gebruiken teneinde die ellende zooveel mogelijk voor te koomen’’.
In 1861 vertrok ds. W. H. van den Bosch naar Enter. Enige jaren later werd van de zijde van de christelijke afgescheiden gemeente een poging ondernomen n.l. op 16 september 1863 om te verenigen met de gereformeerden, ’de gereformeerde gemeente onder het kruis’. Maar deze poging mocht niet tot resultaat leiden.
Door de groei van de gemeente in de zestiger jaren moest men er wel toe overgaan het kleine gebouw te vergroten, tegelijk met de verbouwing van de

[pag. 53]

pastorie die aan het kerkgebouw was verbonden. Daar geen predikant aanwezig was, achtte de kerkeraad het nuttig om het leegstaande huisje te verhuren. Een verzoek daartoe was ingekomen van de koster H. P. van Balen. Men besloot de pastorie daarom zolang aan deze koster te verhuren voor een bedrag van ƒ 1,25 per maand, maar dan wel onder deze voorwaarden dat de kerkeraad voor zijn vergaderingen vrij gebruik zou kunnen maken van de huiskamer en dat de gemeente tijdens de gemeentevergaderingen en vooral bij de zondagse erediensten een vrij gebruik zou hebben ,,van de plaats der geheime gemakken’’, zoals het in de notulen staat!

Inmiddels was ook het kerkelijk leven van de ’gereformeerde kerk onder het kruis’’ voortgegaan. De hoop die de Procureur-Crimineel in de provincie had gekoesterd, was niet in vervullng gegaan. Tegenover de onderdrukking en de gewelddadige beroving van de vrijheid der gereformeerden had hij gemeend dat ’t beter zou zijn geweest om te handelen naar ,,de ondervinding in vroegere jaren door deze mensen maar stil te laten begaan, zodat ze in hun eigen bloed zouden smoren’’ (Bos). De sterke arm van de overheid kon het geloof evenwel niet breken, want Christus deed hen met een sterke hand en een uitgestrekte arm voortgaan op de ingeslagen weg, nu ze van het juk van het genootschappelijk bestuur waren bevrijd. Maar ook voor hen was de breuk met de afgescheidenen een schaduw over het kerkelijke leven. De begeerte naar hereniging leefde op toen ds. A. Brummelkamp van Hattem zich scheidde van de Christelijke Afgescheidenen. Ds. A. C. van Raalte was bovendien vertrokken naar Amerika. Een hereniging bleef echter nog ver.
Hoewel de gereformeerden in Hasselt aanvankelijk op zichzelf bleven staan en zich waarschijnlijk onder invloed van ds. Ledeboer niet bij de andere ’kruiskerken’ aansloten om het kerkverband te helpen opbouwen, begonnen zij toch in 1852 het kerkverband te zoeken.
Immers in 1852 werd te Zwartsluis een algemene vergadering gehouden van de gereformeerde kerken onder het kruis in Nedeland. Opnieuw kwam daar de hoop op hereniging naar voren. Want men gaf de wens te kennen dat een volgende algemene vergadering niet meer nodig zou zijn. Op deze algemene vergadering in Zwartsluis waren uit Hasselt aanwezig de beide ouderlingen H. Smit en G. J. Bruining.
Een volgende landelijke vergadering bleek toch nodig. Deze werd een jaar later gehouden te Zwolle. De zoon van Harm Smit, te weten Klaas Smit was voorganger van de gemeente geworden, zo tonen de notulen van deze algemene vergadering. Ouderling J. Kragt van Zwartsluis had op de classis zijn bezwaren kenbaar gemaakt tegen Klaas Smit, want hij meende dat het ongeoorloofd was dat iemand tot voorganger werd benoemd zoals K. Smit ,,die zijn kinderen op de algemeene school liet gaan’’. De algemene vergadering

[pag. 54]

deelde deze bezwaren in het geheel niet en sprak uit dat waar geen christelijke school aanwezig was, men zijn kinderen beter onderwijs kon laten volgen ,,dan in hunne jeugd langs de straat te laten verwaarlozen’’. Zo konden de kinderen van Klaas Smit, namelijk Harm en Hendrika het onderwijs blijven volgen.
De familie Smit bleef leiding geven aan het kerkelijk leven van de gereformeerden. Zo waren op de algemene vergadering van 1857 vader en zoon aanwezig: H. Smit en zijn oudste zoon Lambert Smit. Maar het was steeds K. Smit die naar voren trad. Hij liet zich telkens horen. Ook op de algemene vergadering van 1858 te Dordrecht toen de kwestie ds. Van den Oever behandeld moest worden. Ds. Klinkert verklaarde het beroep dat door de kerk van Den Haag op ds. C. van den Oever was uitgebracht onwettig, omdat niet overeenkomstig de kerkorde was gehandeld. Een onderzoek op de synode waar zelfs de notulen van de kerkeraad van Den Haag werden aangedragen, bevredigde de broeders niet. Daarop barstte ds. Van den Oever in hevig tumult los met verschrikkelijke scheldwoorden. Maar dat konden de broeders niet verteren en het had tot gevolg dat de afgevaardigden van Zwartsluis en Zwolle, Hasselt en Vlissingen de vergadering verlieten. Het betekende echter niet een verbreking van het kerkverband. Op de classis Zwolle in Zwartsluis gehouden, hield men zich bezig met deze kwestie en men besloot enkele eisen te formuleren. De voortgezette zitting van de algemene vergadering die te Amsterdam bijeen kwam, accepeerde deze eisen zodat de scriba van de vergadering ds. J. Plug uit Zwartsluis en K. Smit uit Hasselt weer zitting namen om hun werkzaam aandeel aan de vergadering te leveren. Na het zingen van psalm 133 vers 3 en dankzegging kon dat werk weer voortgang hebben. Ds.
C.     van den Oever was op de voortgezette zitting niet meer verschenen, hoewel men hem daartoe dringend had verzocht. De synode ging toen over tot schorsing van deze tevoren zo invloedrijke predikant in het midden van de kruiskerken en hij kwam meer en meer alleen te staan.

Hereniging

Hoewel het kerkelijk leven van de afgescheidenen en de gereformeerden zich gescheiden ontwikkelde, kon men met deze verdeeldheid toch geen vrede hebben. De begeerte naar hereniging was al eerder naar voren gekomen, maar werd ook gaandeweg sterker en door steeds meerderen gevoeld en gevoed. Niet in het minst wierp ds. W. H. Gispen zich op als voorstander van hereniging. Door zijn toedoen kwam deze zaak in 1860 op de algemene vergadering. Maar er moest een enorme tegenstand worden overwonnen. De door de afgescheidenen aangenomen vrijheid bleek een groot struikelblok. Maar ook had men tegen de afgescheidenen dat ze de voorgangers uit de kruiskerken

[pag. 55]

niet wilden aanvaarden dan pas nadat deze opnieuw in het ambt als zodanig waren bevestigd. Tegelijk kwamen ook de bezwaren tegen ds. Brummelkamp weer sterk naar voren. Het was Klaas Smit die uit naam van de gemeente te Hasselt zich wel heel sterk tegen het eenheidsstreven verzette. Hij legde vele eisen op tafel: ,,men moest de aangenomen vrijheid herroepen, zich onvoorwaardelijk bij ede verbinden aan de voorvaderlijke leer en wetten; degenen die van onrechtzinnigheid verdacht worden opnieuw examineren; als onrechtzinnig bekend staande professoren - Brummelkamp - afzetten; idem predikanten, die evenals de hedendaagse liberalen op de preekstoel staan te lezen en onbekwaam zijn om te spreken, van de kansel weren, en alleen zulke studenten toelaten, van wie men naar de aard der liefde niet anders denken kan dat zij de genade deelachtig zijn. Ook moet het ambtsgewaad verplicht worden gesteld en als titel de naam ,,gereformeerd’’ worden aangenomen’’ (Bos-Kruisd.).

Het duurde dan ook nog enkele jaren voordat de stappen, ondernomen om tot daadwerkelijke hereniging te komen, resultaten konden brengen.
De gebeurtenissen, juist in deze jaren, in de gereformeerde kerk te Hasselt liggen helaas in het duister. En dat komt niet in het minst door de afwezigheid van notulen van welke kerkeraadsvergadering van de gereformeerde gemeente onder het kruis ook. Terwijl op de algemene vergadering van 1862 geen lastbrieven van Hasselt aanwezig waren, verschenen op de vergadering van 1864 uit Hasselt de ouderlingen L. Buit en J. Admiraal. In de lastbrieven van Hasselt en Tricht uitte men het verlangen ,,dat de leraars gedurende hun ambtsbediening het gewaad dragen’’. En met meerderheid van stemmen voldeed men aan dit verzoek.

Niet alleen vindt men geen vermelding meer van de familie Smit bij de afvaardiging, maar ook vertrok K. Smit in 1864 naar Avereest en het duurde enkele jaren voordat we één van hen weer in het kerkelijk leven ontmoeten. Misschien heeft hier een rol gespeeld enerzijds de begeerte naar hereniging en anderszijds de veroordeling daarvan. Als oefenaar kwam ineens naar voren E. van ’t Loo die als ouderling met J. Hulleman op de synode van 1865 aanwezig was.
In 1866 echter veroorzaakte deze oefenaar moeilijkheden, daar hij op de synode van Zwolle protest aantekende en schriftelijke bezwaren indiende tegen het schorsingsbesluit betreffende ds. Veltman van Zwolle. De synode zag zich genoopt tot schorsing over te gaan omdat deze predikant zich had schuldig gemaakt aan allerlei strafbare feiten. De bezwaren van Van ’t Loo richtten zich niet tegen het feit dat de synode meende tot schorsing te kunnen besluiten, maar hij ontkende de strafbare feiten die ds. Veltman ten laste waren gelegd en hij ging er zelfs toe over zware beschuldigingen tegen de synode uit

[pag. 56]

te spreken. Dat deze oefenaar zich achter ds. Veltman schaarde was niet zo verwonderlijk, daar hij door deze predikant was opgeleid.
De algemene vergadering drong er bij E. van ’t Loo op aan zijn beschuldigingen terug te nemen, maar hij weigerde. Daardoor kon de synode hem niet meer als afgevaardigde aanvaarden en hij moest de vergadering verlaten. Deze oefenaar heeft de gemeente en de kerken daarin geen dienst bewezen. Wanneer ds. J. van Raalte in zijn boek over de Gereformeerde kerken opmerkt dat de gehele kerkeraad van Hasselt deze oefenaar volgde, dan is aan deze Van ’t Loo teveel eer bewezen, maar dat is begrijpelijk vanwege de bron die ds. Van Raalte citeert. Wel volgde een deel van de gereformeerde gemeente hem, maar de o.a. ouderling Egbert Buit en diaken Lucas Buit bleven. Niet alleen de vrouw van E. van ’t Loo, Johanna B. Olsman volgde hem maar ook ouderling J. Admiraal en de kerkmeesters J. O. van der Vegte en H. Holtrust, zodat zij een aparte groep vormden naast de gereformeerde gemeente onder het kruis. Deze groep bleef echter niet lang op zichzelf staan, maar verenigde zich een jaar later op 17 december 1867 met de christelijke afgescheidenen. Zij deden bij deze vereniging belijdenis van schuld voor de onjuiste handelwijze door het volgen van ds. Veltman. Ds. W. H. Gispen van Kampen was ter vergadering uitgenodigd en hem werd verzocht het voorzitterschap op zich te nemen. Tevens was aanwezig de consulent ds. Diephuis van Rouveen. Na deze vergadering van de kerkeraad vond de ,,avondgodsdienst’’ plaats, waarin ds. Gispen voorging en sprak over Joh. 1 vrs. 35-40. Het besluit tot vereniging werd aan de gemeente bekend gemaakt en toegelicht. Een week daarna kwam op de kerkeraad ter sprake het vertrek van oefenaar J. Stad. Hem werd een attest gegeven naar Genemuiden met een verklaring betreffende zijn trouwe werk in de gemeente van Hasselt.
In diezelfde kerkeraadsvergadering van 27 december 1867 vroeg E. van ’t Loo het woord en dat werd hem toegestaan. Hij stelde de vraag aan de orde of de gemeente hem als voorganger begeerde na het vertrek van oefenaar Stad, die tot daar toe de gemeente had geleid. Eenparig bleek de gemeente bereid hem als zodanig te aanvaarden. ,,Broeder van ’t Loo neemt het op zich en verbindt zich met gepaste en hartelijke dankbetuigingen aan de Gemeente: zich verbindende om onder medewerking des Heren zegen zich in den gewonen weg te laten ordenen als Herder en Leraar latende de Gemeente vrij wanneer het zijn mogt of nader dat door onvoorziene omstandigheden het zijn voorgestelde doel mogt tegen loopen, en de kerkenraad en de Gemeente het belangrijk oordeeld, dat zij een Herder en Leraar behoeft, zij van de verkiezing van Br. van het Loo los zijn’’.

Zondag 29 december nam J. Stad als oefenaar afscheid zoals tevoren was bepaald, ,,sprekende bij die gelegenheid naar aanleiding van Hebr. 13-14’’.

[pag.57]

Niet alleen hier ter plaatse was het tot hereniging gekomen, maar ook elders in ons land. De notulen maakten daar melding van, omdat men voor de vraag stond hoe men de broeders moest aanvaarden, in hun ambtsbediening of niet. Ds. W. H. Gispen bracht daarop de situatie in Amsterdam naar voren: ,,als indertijd te Amsterdam is geschied toen ds. Jurch met zijne Gemeente zich met onze kerk had vereenigd, en die, die in bediening waren, ook daarin zijn aangenomen’’. Men nam het besluit overeenkomstig dit advies om de broeders in hun bediening te aanvaarden, met dien verstande dat ze met het nieuwe jaar zouden aftreden en herkiesbaar zouden zijn. Het was met name voor ds. Gispen een vreugdevolle vergadering daar hereniging in zicht was gekomen en gedeeltelijk tot stand gebracht kon worden.
Het andere deel van de gemeente en de kerkeraad van de gereformeerde kerk onder het kruis bleven in het kerkverband met de andere kruiskerken. Men liet zich door middel van de afgevaardigden, de ouderlingen L. Buit en diaken E. Buit op de algemene vergadering te Zwartsluis vinden van juni 1867. Toch kwam ook daar de vraag naar hereniging met de afgescheidenen naar voren. De noodzaak van het gescheiden naast elkaar leven werd al minder gevoeld en daaraan zal plaatselijk het vertrek van K. Smit toch zeker hebben bijgedragen.

Men kwam door de genade van Christus steeds dichter tot elkaar. Want Hij neigde de harten en bond hen meer en meer samen in de vreze en eerbied voor Zijn Naam.

Toen dan ook op de landelijke algemene vergadering in 1869 de broeders elkaar vonden en tot vereniging besloten, betuigde de kerkeraad van de gereformeerde gemeente onder het kruis op de vraag van de christelijke afgescheidenen dat het zijn hartelijke begeerte was de eenheid te zoeken. Op de kerkeraadsvergadering van 27 juli 1869 waren L. Buit en E. Buit aanwezig. ,,De Gebroeders Buit geven te kennen dat zij de Not. der Gereformeerde kerk en de daarin aangegeven gronden tot vereeniging of hereeniging met de Christelijke Afg. Ger. kerk in ons Vaderland gelezen en van harte met die gronden en de hereeniging instemmen alsmede dat ze met verlangen naar de hereeniging der alhier bestaande Zuster Gemeente uitzien, zulks is ook de bekentenis der gansche vergadering’’.
En na enkele dagen vond de hereniging plaats (30 juli 1869) overtuigd van het bevel tot eenheid met allen die de waarheid Gods naar Zijn Woord belijden.

Niet alle leden van de ’kruisgemeente’ konden hierin mee komen. Sommigen weigerden tot vereniging te komen en vormden een nieuwe gemeente, geheten de oud of ook wel vrije Gereformeerde gemeente. Enige jaren bleef deze gemeente nog bestaan. Men ging ertoe over een predikant te beroepen. Dat

[pag. 58]

werd ds. R. Gruntke, die dit beroep ook aannam. Hij trad in het huwelijk met een ingezetene uit deze stad, zodat hij zich aan de plaats hechtte. Hij ging de gemeente, vergaderend in de ,Nieuwstraat’ regelmatig voor sinds 20 november 1874. In 1877 vertrok hij naar Giessendam, maar zijn vrouw bleef hier wonen. In 1833 keerde hij naar Hasselt terug en vestigde zich op hetzelfde adres n.l. in de Hoogstraat nr. 5. Nogmaals vertrok hij, een tiental jaren later en wel naar Utrecht in 1887, maar nadat hij zich in 1890 bij de Christelijke Gereformeerde kerk had aangesloten kwam hij, met zijn emeritaat weer in Hasselt wonen.
De gereformeerde kerk onder het kruis en de afgescheidenen hadden zich verenigd en vergaderden aan de Brouwersgracht. Men had de naam van ’Christelijke Gereformeerde kerk’ aangenomen.

Chistelijke Gereformeerde kerk

Uiteraard was het gebouw aan de Brouwersgracht voor de Christelijke Gereformeerde kerk te klein geworden. Plannen moesten daarom worden opgesteld om het gebouw met een galerij te ’verrijken’. Het zou een behoorlijk bedrag vergen om de kosten te betalen. Een commissie werd benoemd om eens te onderzoeken of er in de gemeente nog leden waren die een lening konden afsluiten en daartoe ook bereid waren. Verschillende leden hadden al een lening met de kerk gesloten. De inkomsten dekten de uitgaven niet. Een deel van de kosten voor de instandhouding van het kerkelijke leven werd bestreden uit de kollekten en uit de opbrengst van het verhuren van de zitplaatsen. Aan het eind van elk jaar werd aan de gemeente de datum bekend gemaakt waarop men voor de zitplaatsen kon inschrijven en deze kon huren.
Maar de inkomsten die hieruit voortvloeiden waren lang niet voldoende. Om de regelmatige tekorten te overbruggen had men telkens leningen aangegaan met welwillende broeders. Zo moest telkens bij bijzondere uitgaven een verzoek gericht worden tot de leden om zo mogelijk een grotere lening af te sluiten. Men dreef geheel op de liefdadigheid van enkelen. Verschillende leden waren bovendien schipper van beroep en daarom vaak afwezig. Het duurde dan ook meestal een geruime tijd eer de middelen bijeen gebracht waren.

Nadat een plan was opgesteld om het kerkgebouw te vergroten, kwam de financiering ter tafel. De kosten voor het plan van timmerman Weener zouden ƒ 300,- bedragen. In augustus 1874 werd over dit plan gesproken. Een broeder was niet aanwezig, en daarom werd de zaak maar eerst verdaagd. In oktober kwam een brief van een broeder E. Holtrust met de opwekking om nu toch eens middelen te doen verschaffen voor het ’bekomen van een ruimer kerkgebouw’. Daarom werd op 3 november besloten dat Hulleman en Steen-

[pag. 59]

bergen zouden trachten ,,enige gelden cadeau te verkrijgen’’. In de kollekte werd een briefje gevonden met ,,een kleine gift ƒ 0,25 cents welk briefje het navolgende behelste met het oog op een ander kerkgebouw

          Komt bouwen wij door gift en bee
          Vereend tot haar voltooiing mee’’.

Vermoedelijk zal de ’galerij-bouw’ toen zijn beslag hebben gekregen, maar het staat nergens vermeld.

Inmiddels waren andere moeiten al weer achter de rug en was de oefenaar Van ’t Loo vertrokken uit de gemeente. Deze voorganger had beloofd een classicaal examen te zullen afleggen om zo als pastor van de gemeente in Hasselt des te beter zijn taak te kunnen vervullen. In de vergadering van 31 januari 1870 was deze zaak besproken en de kerkeraad had namens de gemeente opnieuw de wens kenbaar gemaakt deze broeder als voorganger te willen ontvangen. Aan de classis werd verzocht het toelatend examen te willen afnemen opdat hij daarna het peremptoir examen zou kunnen ondergaan. De classis keurde dit in februari 1870 goed na verkregen attest van de kerkeraad. Later in dat jaar verslechterde echter de verhouding van de kerkeraad met deze oefenaar. De schoonmoeder van Van ’t Loo die tot voor enkele weken bij hem had ingewoond, was vertrokken en dit riep bij enkele kerkeraadsleden vragen op. In de kerkeraadsvergadering van 9 juni 1870 nam Steenbergen bij de onderlinge censuur het woord en vroeg Van ’t Loo of hij een twistgesprek met zijn schoonmoeder had. Van ’t Loo antwoordde echter dat ,,hij in dezen een vrij geweten voor den Heere mog omdragen’’. De broeders accepteerden deze verklaring en men vierde daarop met de gemeente het heilig avondmaal. In september ontstond evenwel onenigheid over het optekenen van de notulen. De voorzitter (Van ’t Loo) merkte op dat enkele zaken niet waren genotuleerd. De onenigheid werd zo hevig dat de voorzitter verklaarde op de eerstvolgende classis geen examen te zullen doen en zelfs dat „hij met 5 à 6 maanden de gemeente als voorganger bedankt en dan de kerkeraad met de Gemeente in staat zij, om in dien tijd een herder en leraar te kunnen beroepen”. Van ’t Loo wilde er niet van horen dat zijn heengaan beslist zou worden door de kerkeraad en de gemeente, hij antwoordde op een daartoe strekkend voorstel ,,dat hij zijn heengaan of blijven niet door de Gemeente wil beslist hebben, dat hij in dezen zelf wil beslissen en zijn onstlag daarom wil, om zich elders te laten examineren’’. De visitatoren werden ingeschakeld die aan beide zijden schuld zagen liggen. Maar in een vergadering onder leiding van ds. W. H. Gispen kwam men niet tot elkaar en Van ’t Loo maakte zich vanwege dit inlaten van de kerkeraad met huiselijke aangelegenheden los van de gemeente. Op 29 december 1870

[pag. 60]

vertrok hij naar Rouveen en E. Holtrust nam het catechiseren op zich. Van Rouveen vertrok hij naderhand naar Genemuiden.
In 1871 werd een nieuwe pastorie gekocht voor ƒ 734,-, een huis in de Ridderstraat nr. 26, want de pastorie in de Regenboogsteeg naast de kerk werd te klein.

Droevig was het voorval dat een van de oudste leden van de gemeente, B. van Dalfsen die jarenlang de gemeente had gediend, zich schuldig maakte aan lasterpraat. De kerkeraad moest er zelfs toe overgaan hem die een zo belangrijke rol had gespeeld bij de-tot-stand-koming van de christelijke afgescheiden gemeente, van de kerk van Christus af te snijden.
Op zondag 9 juni 1872 mocht de gemeente het beleven dat een herder en leraar kon worden bevestigd: ds. J. W. de Lang was door de gemeente beroepen en had dit beroep aangenomen. Hij kwam naar Hasselt van Broek op Langedijk. Op genoemde zondag werd hij door ds. W. Postmus bevestigd met een preek over Jesaja 40:11. Intrede deed hij met Romeinen 1:15. Hij begeerde de gemeente te dienen met het brengen van het evangelie Gods, het evangelie van behoud. Om als pastor de gemeente te weiden, opdat zij zou blijven bij het zuivere Woord van Christus.

Intussen was het geloof van hemzelf en van zijn vrouw, Lothje van Beest, niet weinig op de proef gesteld. Op zware proef zelfs. Van hun dertien kinderen overleden de oudste twee vrij spoedig na hun geboorte, de derde opnieuw een dochter, werd nog geen twee jaar. Hun vierde kind, hun eerste zoon, de laatste die in Leerdam was geboren, verdronk in Broek op Langedijk op bijna vijftien jarige leeftijd en hun zesde kind Maria Elisabeth, door ds. H. de Cock te Kampen gedoopt, mocht slechts twee maanden leven. Hendrik Ant. moest nadat hij juist twee jaar was geworden ten grave gedragen en de laatste twee dochters zijn ook niet ouder dan twee jaar geworden. Ze waren reeds te Broek op Langedijk begraven voordat ds. en mevr. De Lang naar Hasselt waren overgekomen. Zo arriveerden ze in deze stad met hun dochter Berendina, door ds. S. van Velzen te Kampen gedoopt en Loth Christoffel eveneens in Kampen gedoopt, door ds. A. Brummelkamp, en verder hun zoons Jan en Johannes Wolter en hun dochter Maria Elisabeth.

Nauwelijks was hij zijn pastorale werk begonnen of moeiten van geheel andere aard werden hem aangedaan. Reeds voor het uitbrengen van het beroep had A. Doijer bezwaar gemaakt tegen de op advies van de consulent ds. W. Postmus vastgestelde verhoging. Het kwam daarop neer dat de predikant een traktement zou gaan ontvangen van ƒ 650,- per jaar. Dat was ƒ 50,- meer dan oorspronkelijk was vastgesteld. Vanwege de toegepaste ver-

[pag. 61]

hoging achtte A. Doijer, een onderwijzer aan de openbare school, dit beroep onwettig.

Op de tweede kerkeraadsvergadering die ds. J. W. de Lang in de gemeente meemaakte moest een lid van de gemeente ontboden worden die groot onbehagen koesterde over deze zaak en zich laatdunkend had uitgelaten. Daar dit gemeentelid niet bevredigd was, besloot A. Doijer zelf zich te wenden tot de classicale vergadering. Nadat de zaak op deze vergadering had gediend, werd Doijer vermaand zijn bezwaren in te trekken maar hij beriep zich op de provinciale synode. Ook deze vergadering verwierp zijn aanklachten tegen de kerkeraad en het beroep van de predikant. De provinciale vergadering was eveneens van oordeel dat de kerkeraad tot de voorgestelde verhoging mocht komen zonder vooraf eerst de toestemming van de gemeente te vragen. De voorziter van deze synode ds. Gispen vermaande Doijer en wees hem erop hoezeer de gemeente van Hasselt bloeide en door zulke zaken mocht hij die bloei, de voortgang van het kerkewerk niet tegengaan. Hij liet zich echter niet overtuigen en bleef zijn gevoelen behouden.
Omdat de middelen voor de voortgang van het kerkelijk leven op zo ongeregelde wijze inkwamen, stelde ouderling Steenbergen voor om een kerkelijke administratie in te voeren. De kerkeraad voelde de noodzaak wel om deze tere kwestie te regelen, maar men zou het toch maar eens aankijken. Het werd verdaagd tot nieuwjaar, dan zou men er nog eens over spreken. Ondanks de perikelen groeide het aantal gemeenteleden voortdurend. Velen sloten zich aan, al waren er enkelen die om persoonlijk ongenoegen zich van de gereformeerde kerk afkeerden.

Ook heeft zich onder ds. J. W. de Lang bij de gemeente weer aangesloten Hendrikus Smit, de zoon van Lambert Smit. Deze Hendrikus Smit was gehuwd met Hendrikje Riemer. Hun derde zoon en vierde kind Harm, geboren op 26 augustus 1873, werd gedoopt door ds. J. W. Lang en dat wettigt het vermoeden dat hij zich in deze tijd bij de gemeente heeft aangesloten. Zijn vrouw schijnt een tijd nog geen lid te zijn geweest. Hun zoon Wolter, die daarna werd geboren, op 7 april 1875, werd eveneens door ds. De Lang gedoopt.
Ten aanzien van de doop probeerde ds. De Lang aan allerlei ongeregelde toestanden een eind te maken. Het was de gewoonte geworden dat eerst de ouders na de geboorte in de kerk verschenen en een dankzegging voor de geboorte werd gevraagd terwijl pas een kerkdienst daarna, een week later het kind ten doop werd gehouden. Om de Schrift ook in dit opzicht te doen heersen, weigerde ds. De Lang de dankzegging uit te spreken wanneer de doop niet tegelijk plaats vond. Want het ging hem om een Schriftuurlijke ver-

[pag. 62]

Afbeelding: Hasselt, Ridderstraat, de pastorie stond net om de hoek.

[pag. 63]

staan van het sacrament van de heilige doop, de verzegeling van Gods verbond aan de gemeente. Ook tegen gemengde huwelijken ging hij zijn vermaningen richten en hij verlangde dat men zich eerst recht tegenover God en Christus stelde om daarna een band voor het leven met elkaar aan te gaan. En wel omdat de gemeente van Christus in de worsteling stond om het ware geloof te behouden.
Een jaar nadat ds. J. W. de Lang vertrokken was, in 1876, vertrok ook ds. Gruntke van de ’vrije gereformeerde kerk’ en dat betekende zo ongeveer het einde van deze gemeente. Er waren trouwens niet voldoende middelen meer om haar in stand te houden. Onder ds. Thijs, die de plaats van ds. De Lang had ingenomen, voegden zich velen van de vrije geref. kerk zich bij de Christelijke Gereformeerde kerk. Onder hen ook Johanna Smit die gehuwd was met Jacob Brouwer. In 1880 voegde zich van deze gemeente Aaltje Lindeboom bij de kerk.
Reeds bij de christelijke afgescheiden gemeente was het kosterschap waargenomen door H. van Balen en hij had dat werk voortgezet na de hereniging met de gereformeerden. In 1885 moest hij voor dit werk echter bedanken vanwege het overlijden van zijn vrouw. Een drietal broeders gaf zich op de desbetreffende vraag van de kerkeraad op voor deze functie. Zowel Gerrit Jan Schutte, Dirk Drupsteen als Hendrik Schutte wensten deze betrekking te ’bekleeden’. Maar de laatstgenoemde werd te verstaan gegeven niet in aanmerking te kunnen komen daar hij niet schrijven kon.

Met meerderheid van stemmen werd G. J. Schutte gekozen verklaard op de 2e februari van het jaar 1885. ,,Van G. J. Schutte word gevorderd al wat tot het werk van Kerkbediende behoort, en het schoonmaken of schoonhouden in ’t bijzonder van onderen tot aan het plavon toe, geheel voor eigen rekening, tevens des winters stoven zetten in de ouderlingen en diakenenbank en van de Dominee. Aan G. J. Schutte word benevens geheel vrije woning ook van belasting voor de winter twee duizend turven vrij gebruik van petroleum zes gulden belooft’’, zo verhalen de notulen.
Aangezien de rekeningen van schilder en timmerman waren binnengekomen, die door enkele broeders bij voorbaat werden betaald, zodat de leningen weer opliepen, moest opnieuw worden gesproken over de voorziening van de financiën van de kerk.

Eindelijk kwam de kerkeraad ertoe onder leiding van ds. Thijs de inkomsten op gezondere basis te regelen door middel van bijdragen van alle leden uit de gemeente en niet slechts van enkelen. Na 7 september ,,zal de proef genomen worden door contributie dat zij die daarin nog niet deelen ook daartoe zich verbinden - zoo ’t verkieslijk wordt geacht per maand of per week’’. De resultaten van een beter opgezette kerkelijke financiering meldden zich

[pag. 64]

spoedig, want in de notulen van de kerkeraadsvergadering gehouden op 31 januari 1887 staat voor het eerst de verheugende mededeling genoteerd ,,dat de toestand bij sluiting der rekening der Kerk, zoo gunstig bleek dat van het batig saldo een cadeautje aan Dominee kon gegeven. Door Z Ew dankbaar aangenomen’’!!

Toch bleven inkomsten dringend nodig, en wel voor vergroting van het kerkgebouw. Juist in deze tijd verspreidde zich het bericht, in februari 1887, dat het kerkgebouw in de Nieuwstraat van de vrije of ook nog wel genoemde gereformeerde gemeente onder het kruis publiek zou worden geveild. Ds. R. Gruntke, de ouderlingen Gerrit Derk van Enk en Egbert Bouwmeester en diaken Egbert Mulder (wonend in Zwolle) hadden op 5 januari 1883 voor de gemeente met W. S. van der Gronden, oud-notaris wonend in Zwolle een hypothecaire lening gesloten voor een bedrag van ƒ 1500,- waarbij ze zich hoofdelijk voor deze som aansprakelijk hadden gesteld. Op 3 februari 1887 kregen zij een dwangbevel tot betaling van deze schuld omdat de rente over het afgelopen jaar niet was voldaan. Aangezien geen betaling volgde, maakte de geldschieter gebruik van de overeengekomen machtiging om over te gaan tot publieke veiling. Dat gebeurde eind februari van dat jaar. Hoogste bieder werd in eerste instantie Johannes Hendrik Meuleman die als notaris-klerk optrad voor W.S. van der Gronden en namens deze een bedrag bood van ƒ 1400,-. In februari overleed de vrouw van deze oud-notaris, ,,vrouwe Petronella Catharina van Wijnoxbergen’’.
Haar testamentaire erfgenamen, verschillende leden van de familie Joncquière en de beide toonkunstenaars Samuel en Daniël de Lange, eisten definitieve veiling, zodat het kerkgebouw in maart 1887 publiek geveild werd en gekocht door Albert Schrijver ’landeigenaar wonend te Hasselt’ zo luidt het in de desbetreffende akte, voor een bedrag van ƒ 2300,-. Hij gaf na de koop te kennen dit gebouw te hebben gekocht voor de Christelijke Gereformeerde kerk te Hasselt, zodat deze gemeente niet meer behoefde om te zien naar andere mogelijkheden.
De Christelijke Gereformeerde kerk werd daarom op 30 maart eigenaar van het kerkgebouw in de Nieuwstraat en verkocht het gebouw aan de Brouwersgracht. Dat ging voor de som van ƒ 890,- over in particuliere handen. Het heeft nadien vele jaren dienst gedaan als turf-opslagplaats, daar de schippers voor de deur de turf konden aanvoeren en afleveren. Zo ging zijn bestemming voor de eredienst verloren.

Doleantie.

Ds. D.Thijs mocht het beleven dat de gemeente tot grote bloei kwam. Een

[pag. 65]

knapenvereniging werd opgericht omdat men verlangde naar meer kennis van het Woord Gods.
Velen voegden zich bij de gemeente van Christus, vooral uit het hervormd genootschap. Meerderen begonnen in te zien dat men daar niet kon en mocht blijven. Zij ontworstelden zich daarom aan het hervormd kerkbestuur. Te meer daar een bloeiend gereformeerd kerkelijk leven mogelijk bleek, als eeuwen geleden, door de trouwe handhaving van het gereformeerd belijden. Kort nadat het kerkgebouw in gebruik was genomen, kwam de aanvraag van hervormde zijde om ook van het gebouw gebruik te mogen maken. Kennelijk hadden enige leden van de hervormde gemeente geen vrede meer in de hervormde gemeente, al bleven zij nog binnen het verband van de Nederlands Hervormde kerk hun klachten en bezwaren inbrengen. Als enige bieder, behalve genoemde A. Schrijver, had ook Hendrik Galenkamp Klzn bij de publieke verkoping op het kerkgebouw geboden. Hem zullen we nog nader bij de dolerenden tegenkomen.
In de notulen van de kerkeraadsvergadering van de Christelijke Gereformeerde kerk van 26 september 1887, vinden we deze vermelding. ,,De aanvraag of een aanzoek der gereformeerden (dolerenden) om op Zondag namiddag ons kerkgebouw eens te mogen hebben, niet toegestaan, wel op een avond in de week, de kollekte voor ons’’. Vermoedelijk trachtte men toen reeds een gemeente te vormen binnen de Hervormde kerk als een dolerende gemeente. Gelukkig zou later een andere houding jegens hen worden aangenomen.

In oktober van datzelfde jaar mocht ds. Thijs zijn veertigjarig ambtsjublieum vieren. ,,Ds. Bavinck zal op dien dag hier worden verzocht te komen wijl Z Ew met onze Ds. tegelijk hebben gestudeerd’’. Kort daarna is ds. Thijs overleden.
Na de dankdag werden de gebruikelijke donderdagavonddiensten in de winter weer gehouden. Een overblijfsel van het gebruik tijdens de reformatie om Gods Woord elke dag aan de gemeente voor te houden en uit te leggen, opdat ieder vertrouwd zou blijven met de Heilige Schrift. De catechisaties nam op verzoek van de kerkeraad D. J. Lamberts op zich, student aan de Hogeschool te Kampen. Maar hij behoefde dat onderricht niet lang te geven. Reeds het volgende jaar op 11 november 1888 deed ds. G. J. Breukelaar intrede in de gemeente daar hij het beroep van Hasselt ’zich had laten welgevallen’.

Omdat de verkiezing van ambtsdragers aanstaande was en door het overlijden van ouderling Hulleman een plaats te meer openstond, werden door de kerkeraad in zijn zorg voor de voortgang van de ambtelijke arbeid aan de gemeente enkele namen bekend gemaakt opdat mannen gekozen zouden wor-

[pag. 66]

den die bekwaam werden geacht om dit werk op zich te nemen. Bij meerderheid van stemmen koos de vergadering van de gemeente onder leiding van de kerkeraad, bestaande uit de manslidmaten, tot ouderlingen D. J. Lamberts, H. Holtrust en E. Buit en tot diakenen Hendrikus Smit, J. Woelderink, Derk Visscher en Jan Drupsteen. Zo bevond zich op 1 januari 1889 dan in het college van ambtsdragers van Christus’ kerk opnieuw een lid van de familie Smit. Het was voor hem het begin van een langdurige tijd van ambtelijke arbeid in het midden van de gemeente. Zo werd hij ook in de kerkeraad welkom geheten. Zijn broer Wolter Smit, naar wie Hendrikus zijn zoon had genoemd, was ook opnieuw lid van de gemeente geworden. In de jaren ’60-’70 was hij naar Amerika overgestoken. Waarschijnlijk samen met Klaas Smit die vanuit Avereest op 15 juni 1867 naar Amerika (Grand Rapids) vertrokken was. Wolter had in Amerika gepionierd door grond op te kopen en te laten ontginnen. Hij was als een welvarend man teruggekeerd. In 1888 leerde hij Dirkje Rietman kennen en op 20 mei 1888 zijn ze in het huwelijk getreden, waarna hij in december ’88 belijdenis deed in de Christelijke Gereformeerde kerk. Hijzelf was toen reed 48 jaar, zijn vrouw was heel wat jonger, geboren namelijk op 31 dec. 1864. Hun oudste zoon Lambert die geboren werd en in Hasselt opgroeide, werd schertsend ’de zoon van Columbus’ genoemd en zo ook de andere kinderen die hen werden geboren.
Ook in deze tijd eisten vele moeilijkheden met personen in de gemeente de aandacht van predikant en kerkeraad op. Maar verheugend was het dat contact met degenen die zich keerden tegen het kerkelijk bestuur van het Hervormd genootschap, sterker werd.

Op 21 februari 1889 vond er een vergadering van de dolerenden plaats in de Hoogstraat, ’s avonds om half negen. ,,Na eene voorafgaande ure des gebeds’’. Men had een lijst laten rondgaan onder de leden van de hervormde gemeente om hen op te roepen tot reformatie, terugkeer naar de volle heerschappij van het Woord Gods ook in de regering van de kerk. Deze verzamellijst was getekend door vijftien manslidmaten. Zij hadden deze vergadering uitgeschreven, want ,,De hardnekkige weigering van den bestaanden kerkeraad op de bede van onderscheidene Broederen om de Reformatie der Kerk te zoeken en daartoe haar vrij te maken van de overheersching der Besturen, had bij een 15-tal leden de begeerte gewekt dat men krachtens het ambt aller geloovigen mocht overgaan tot de verkiezing van nieuwe Ambtsdragers die bereid waren om de Gemeente van de Synodale organisatie te verlossen en haar te regeeren naar hare eenige wettige op Gods Woord gegronde en met hare belijdenis overeenkomende Kerkenorde uit den jare 1619’’, zo staat in de notulen van deze vergadering. Door de classis was aangewezen als consulent ds. K. Fernhout van de Ned. Geref. kerk te Zwart-

[pag. 67]

Afbeelding: Links op de foto: Kerkgebouw Nieuwstraat.

[pag. 68]

Afbeelding: Ds. D. Thijs, van 15 oktober 1876 - 31 januari 1888 predikant te Hasselt.

[pag. 69]

sluis. In een uitvoerig schrijven had deze predikant alle leden van de hervormde kerk opgeroepen ,,zoveel zij nog instemden met de Gereformeerde Belijdenis’’ om tot verkiezing van ouderlingen en diakenen over te gaan. De conclusie ligt voor de hand dat niet meer dan vijftien manslidmaten in de hervormde gemeente begeerden in te stemmen met de gereformeerde belijdenis ook inzake de regering van de kerk.
Op de vermelde vergadering ging men tot verkiezing van ambtsdragers over. Wel werd eerst gesproken over de vraag of men binnen de organisatie van de hervormde kerk tot verkiezing van ouderlingen en diakenen mocht overgaan. J. H. C. Moed maakte bezwaar tegen deze verkiezing en bracht geen stem uit. Later trok hij zijn bezwaren in. De aanwezigen woren: Hendrik Galenkamp Klzn, Derk Hulleman Jzn, Jan Visscher, Albertus Weener, Albertus Admiraal, Derk Wildvank, Jan Coenrad Mans, Jan Daniël Kiers, Jan Dikken, Wessel van der Stege, Jan Harm Cornelis Moed, Gerrit Galenkamp, Gerrit Derks van Enk, Gerrit Jan Winkelaar en Jan Weener Albertus zoon. In de kerkeraad namen zitting na de verkiezing twee ouderlingen en twee diakenen. In volgorde van keuze: G. J. Winkelaar en A. Admiraal tot oudeling en H. Galenkamp en J. Visscher als diaken.

Deze broeders gaven, op de vergadering van 8 maart 1889 te kennen vrijmoedigheid te hebben deze benoeming aan te nemen. Op die dag was men weer in het lokaal aan de Hoogstraat bijeen om in een openbare bijeenkomst de gekozen broeders te bevestigen. Daartoe was ook ds. K. Fernhout aanwezig die sprak over Hand. 20:vss. 28 en 29. Na de godsdienstoefening vond de eerste kerkeraadsvergadering plaats, waar ds. Fernhout de leden instrueerde door hen te wijzen op hun roeping. Tot voorzitter van de vergadering werd A. Admiraal gekozen en H. Galenkamp Kzn tot scriba. Daar het tot reformatie was gekomen, drong de consulent erop aan dat men zich van de eerste verplichting zou kwijten nl. om ,,het juk der Synodale Hiërarchie voor de kerk van Hasselt af te werpen en de nimmer wettelijk afgeschafte Kerkenordening van onze aloude nationale Synoden 1618/1619 weer als geldig van kracht te verklaren’’. De vergadering ging hiertoe over en nam het besluit daarvan melding te maken ,,aan Zijne Majesteit den Koning en aan den Burgemeester alhier’’.

Aangezien het echter te laat werd wat de tijd betreft die avond alles door te spreken kwam de kerkeraad opnieuw bijeen op 20 maart 1889. Zo regelde men ook de catechisaties, A. Admiraal nam op zich dit onderwijs te geven daar de consulent nog vele andere gemeenten moest bijstaan, en verzocht G. J. Winkelaar hem daarin terzijde te staan.
De catechisaties zouden gegeven worden op zondagmiddag; op voorstel van de voorzitter zouden als leerboeken gebruikt worden het vraagboekje van

[pag. 70]

Du Cloux en van Bösker, bijbelse geschiedenis en kort begrip en voor de oudste catechisanten de catechismus en de geloofsbelijdenis. En ,,gehoord de mededeling van den Voorzitter om in navolging van andere Gemeenten eene maandelijksche Collecte te houden voor diversche doeleinden b.v. voor de Vrije Universiteit, voor behoeftige Kerken, Zending enz.’’ werd besloten daaraan gevolg te geven. Enige tijd later richtte men een vereniging ’de kerkelijke kas’ op om de finantiële belangen te kunnen behartigen.
Daaruit bleek dat men streefde naar de opbouw van een zelfstandige gemeente samen met andere dolerende gemeenten, geheten Nederduits Gereformeerde kerken.

Toch kwam in dat jaar nog een mogelijke vereniging van de dolerenden met de Christelijke Gereformeerde kerk ter sprake. Conceptacten werden zelfs opgesteld door de synode en deze werden besproken in de kerkeraadsvergadering van de Chr. Geref. kerk op 28 oktober 1889: ,,Geruime tijd werd nog gesproken en van gedachten gewisseld over de conceptacte, vooral over de drie punten waaromtrent op de Synode van Assen en voortgezette Synode in Kampen geen overeenstemming met de Ned. Geref. was verkregen of liever waarin men niet met de Conceptacte kon meegaan. De geest der vergadering was in dezen zeer vereenigingsgezind’’.
Maar ook nu zou het nog enige jaren duren voor een vereniging tot stand kwam. De opbouw van de gemeente bracht met zich mee het voorzien in de lege plaats van een voorganger. Verschillende pogingen werden aangewend. Reeds op 28 mei 1889 bracht de Ned. Geref. gemeente een beroep uit op de oefenaar F. Drost van Leeuwarden. Maar deze bedankte. Na nogmaals een tweetal beroepen te hebben uitgebracht, zelfs tot tweemaal toe op ds. J. Hania en eenmaal op ds. D. Koffijberg, nam de heer A. Punt het verzoek aan om als vaste oefenaar in de gemeente op te treden. Hij aanvaardde zijn dienst op 17 juli 1891 ,,voor onbepaalde tijd verbonden op eene Jaarwedde van ƒ 600,- benevens vrije woning met tuin’’. Vervolgens werd approbatie verzocht, maar de classis verdaagde de behandeling van deze vraag omdat de gemeente in het geheel geen toestemming van de classis had gevraagd voor dit beroep. Bovendien was de benoeming geschied buiten de consulent om en er lag op de tafel van de classis een brief van een gemeentelid die het afkeurde dat een oefenaar was benoemd en niet een predikant was beroepen. De classis schortte de behandeling op en dit rapporteerde de afgevaardigde van Hasselt op de kerkeraadsvergadering van 18 augustus: ,,vervolgens wordt voorlezing gedaan van een schrijven van Br. A. Punt, die met het besluit der Classis reeds in kennis was gesteld en noemt dit besluit èn voor de kerk van Hasselt èn voor hem zelf ontzettend’’. Doordat men op approbatie moest wachten, kwam het beroep helemaal op losse schroeven te staan want ,,de

[pag. 71]

beste tijd voor Catechetisch onderwijs is dan gedeeltelijk voorbij alsmede voor de weekbeurten, bovendien is voor Sprekers niet gezorgd omreden de Kerkenraad niet het minste gedachte heeft gemaakt dat de Classis de zaak zou verdagen, onwillekeurig geeft dit reactie in de gemeente die eerder afbreekt dan opbouwt, vervolgens is de winter de minst gewenschte tijd om te verhuizen’’.
Men zat er wel mee in! Een maand later kwam daar nog iets bij. Een door de classis ingestelde commissie sprak met de kerkeraad en wees erop dat nu de synode te Den Haag in principe besloten had tot vereniging met de Christelijke Gereformeerde kerk dit van invloed zou zijn op de komende classisvergadering bij het beoordelen van de vraag of de approbatie alsnog gegeven zou worden. De kerkeraad bleef van mening dat nu de zaak aanhangig was, deze ook moest worden afgehandeld.
In oktober 1891 besloot de classis geen goedkeuring te verlenen omdat de vereniging in beginsel was aangenomen.
Dit besluit werd op de kerkeraadsvergadering gerapporteerd en tegelijk was een schrijven van de Chr. Geref. kerk ingekomen, waarin geschreven stond ,,dat de wederzijdsche Kerkeraden elkander dienden te ontmoeten ten einde door broederlijke zamensprekingen de eenheid der kerken ook plaatselijk te helpen bevorderen’’. Een week later op 9 oktober vond de eerste bespreking plaats in het ’Kerkgebouw’ aan de Hoogstraat. Zelfs zo dichtbij scheen de vereniging dat Admiraal de vraag aan de raad voorlegde of de predikant van de Christelijke Gereformeerden de doop kon bedienen aan zijn kind, en hij stelde daartoe voor ds. G. J. Breukelaar te verzoeken a.s. zondag in de dienst voor te gaan. Maar de kerkeraad was van mening dat niet op de vereniging moest worden vooruitgelopen, waarom de consulent ds. Fernhout werd aangeschreven om voor te gaan, die aan deze uitnodiging ook gehoor gaf.

In november werd wel goedgekeurd om ds. Breukelaar te verzoeken de catechisaties te willen geven en om de veertien dagen de weekbeurten te verzorgen. Verder werd besloten ,,dat de broeders ouderlingen bij beurte met ds. Breukelaar de leden der Gemeente een bezoek zullen brengen, bij wijze van kennismaking’’.
Dat hield al een nauwe vorm van samenwerking in, en men bleek even later daarover zeer content. Door de Christelijke Gereformeerde kerk was het initiatief genomen om een christelijke school op te richten. Ds. Breukelaar en ouderling H. Smit hadden zitting genomen in het bestuur. Een deputatie van het bestuur van de vereniging tot oprichting van een of meer scholen op Gereformeerde grondslag diende zich aan op de vergadering van de kerkeraad van de dolerende gemeente met de vraag of men hun kerkgebouw mocht aankopen om dit gebouw als school in gebruik te kunnen nemen. Maar ,,de

[pag. 72]

kerkeraad meent daarop geen antwoord te kunnen geven alvorens de Gemeente zelf in dezen gehoord te hebben; doch verklaart zich bereid datgene te willen doen hetgeen de ineensmelting der kerken kan bevorderen’’.
Deze ineensmelting stond voor de deur en later is het gebouw inderdaad overgegaan in handen van het schoolbestuur.
In de notulen nam de dolerende kerkeraad op ,,de navolgende inlassching: Ingevolge het besluit van de Voorlopige Sijnode van Nederduitsch Gereformeerde Kerken, nader voor zooveel noodig bevestigd door de Generale Synode gehouden op 17 juni 1892 te Amsterdam, zal nu voortaan deze Kerk den naam voeren van de Gereformeerde Kerk te Hasselt en zal aan dezen naam ter onderscheiding van de zusterkerk te dezer plaatse worden toegevoegd de letter B’’.
Sinds die tijd dateert de naamswijziging zowel van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Gereformeerde Kerk A, als van de Nederduits Gereformeerde kerken, zoals in de inlassing vermeld.
De belofte om te werken aan de ineensmelting van beide zusterkerken heeft de kerkeraad nog nader ingelost toen medewerking werd gevraagd om de classicale vergadering van de Nederduits Geref. kerken te doen opheffen en zich vervolgens in verbinding te stellen met de Gereformeerde Kerk A te Hasselt.

Een gecombineerde kerkeraadsvergadering werd samengeroepen op vrijdag 5 augustus 1892. Een uitnodiging daartoe had de Geref. kerk B doen uitgaan. In deze bijeenkomst verzocht de voorzitter van kerkeraad B aan ds. Breukelaar het praesidium van de vergadering op zich te willen nemen. Daarop opende ds. Breukelaar de vergadering met ps. 46:4 en las hij Philip. 2. Een ,,kort en toepasselijk woord’’ werd gesproken ,,over de broederlijke liefde en eensgezindheid, die zich in den laatsten tijd op kerkelijk gebied heeft geopenbaard (in ons Vaderland) ten opzichte van de vereeniging der beide Kerkengroepen, die op den grondslag van de gemeenschappelijke belijdenis der Drie Formulieren van Eenigheid (en dat in sierlijk gekrule letters in het notulenboek neergeschreven !!) en der Dordtsche Kerkenorde wenschen zamen te leven in éénzelfde Kerkverband, - en spreekt de wensch uit dat die liefde en eensgezindheid ook hier onder de Broederen moge heerschen opdat ze een van gemoed en van een gevoelen mogen zijn in de beraadslagingen van die zaken, welke de kerke Christi ter dezer plaatse kunnen bevordelijk zijn.-’’

Ook hier komt heel nadrukkelijk uit wat de mensen eigenlijk gedreven heeft, en waardoor de gereformeerden bezield waren. De eenheid zochten ze niet om maar met meerderen bijeen te zijn, voor hen lag de eenheid niet in het

[pag. 73]

getal, maar in de waarheid. De waarheid van Gods Woord beleden ze als boven alles te staan en grondleggend voor de band met elkaar. Tegenwoordig waren van de gereformeerde kerk A: ds. Breukelaar, H. Holtrust, H. Smit, H. van Mulligen en J. Drupsteen en van de kerk B de gehele kerkeraad. Op de vraag of men ter plaatse tot vereniging wilde komen, gaven allen als hun mening te kennen die vraag bevestigend te moeten beantwoorden. Met aller goedvinden werd een commissie benoemd, waarin zitting namen ds. Breukelaar, H. Smit en A. Admiraal om een regeling op te stellen. Ouderling Galenkamp meende dat eerst de manslidmaten opgeroepen zouden moeten worden om hen in kennis te stellen van deze gebeurtenis. De praeses van de vergadering achtte dit niet noodzakelijk, daar hij eraan herinnerde ,,dat de Kerkeraad de Gemeente in dezen vertegenwoordigt en dus handelend kan optreden’’. Daarin liet br. Galenkamp zich wel vinden, maar hij vond dit toch een uitzonderlijk gebeuren. Mede daarom besloot men alle manslidmaten van kerk A en B eerst in te lichten.

Een week daarna vond opnieuw een gecombineerde vergadering plaats, waar alle kerkeraadsleden aanwezig waren, behalve br. Hillebrink van kerk A, daar deze door ziekte verhinderd was. Ds. Breukelaar rapporterde dat de maandagavond en dinsdagavond tevoren vergaderingen waren gehouden van elke gemeente onder zijn leiding als predikant van kerk A en consulent van kerk B. Met eenparigheid was daar de wenselijkheid uitgesproken dat beide kerken met elkaar in contact zouden komen hetzij door combinatie, hetzij door ineensmelting.

De voorzitter ds. Breukelaar lichtte vervolgens het voorstel van de commissie toe om niet over te gaan tot het vormen van een combinatie van kerken daar dit teveel problemen met zich zou mee brengen. Beide kerkeraden namen daarop het besluit ,,na het advies van de Commissie tot ineensmelting over te gaan en de conceptacte die daar ligt voorlopig vast te stellen’’.
Deze conceptacte moest daarna worden toegestuurd aan de deputaten van de synode en na terug ontvangst definitief worden vastgesteld en doorgezonden naar de classis. Want de Synode had uitgesproken: ,,zoolang de regelen voor combinatie en ineensmelting nog niet door de Generale Synode zijn vastgesteld blijft elke combinatie of ineensmelting een voorlopig karakter dragen, om eerst daarna door de Classis (mits in acht neming van de alsdan vastgestelde regelen) voor definitief te worden verklaard’’.

De vereniging van zusterkerken was een kerkverbandelijke zaak en daarom volgde men de synodale regels ook op. Deze doelden er immers op om samen in deze verheugende zaak van vereniging orde in de gemeente te houden opdat de bloei van de gereformeerde kerken zou worden bevorderd en bekrachtigd. De definitieve veststelling bleef zodoende nog enige weken uit,

[pag. 74]

waarom men ook nog niet definitief overging tot ineensmelting, maar afzonderlijk bleef vergaderen. Een laatste gecombineerde vergadering vond plaats op 30 september 1892 in het kerkgebouw aan de Hoogstraat. Beide kerkeraden waren bijna voltallig bijeen. De voorzitter ds. Breukelaar deelde in deze vergadering mee ,,dat hij ingevolge het besluit van de vorige vergadering de Conceptacte van ineensmelting van de plaatselijke kerken ter inzage heeft opgezonden aan de Deputaten voor advies, - dat echter van Professor Rutgers onder terugzending der stukken, bericht is ontvangen dat wegens de vele aanvragen van Classen en Kerken de Deptaten binnen kortentijds een advies in dezen hopen te geven en zulks in het Kerkblad te plaatsen’’.
Dit advies was intussen gepubliceerd en werd op de vergadering voorgelezen. Na enige wijzigingen was er geen enkel bezwaar deze acte vast te stellen en daarover de gemeente te horen. Zowel op woensdag 5 oktober 1892 in het gebouw aan de Hoogstraat als op donderdag 6 oktober in de kerk in de Nieuwstraat vormde deze acte onderwerp van bespreking in de beide gemeenten afzonderlijk. De bespreking had tot gevolg dat allen zich in de ineensmelting konden vinden, zodat deze een feit werd op 30 september 1892.

Eind oktober, de 28e kwam de verenigde kerkeraad bijeen. De classis had, naar ds. Breukelaar kon meedelen de ineensmelting in goede orde bevonden. Hij opende ook deze vergadering en ,,vervolgens leest Z Eerw een gedeelte uit Gods Woord en gevoelt zich gedrongen een woord uit het hart te moeten spreken tot de Broeders kerkeraadsleden nu de ineensmelting der beide kerkengroepen een feit is geworden, hetwelk hem een vreugde des harten is, daarbij tevens wijzende op de dure roeping die niet alleen de Leraar, maar ook de ambtsdragers hebben te vervullen tegen over de Gemeente, wenschende en biddende dat de Koning der Kerk getrouw makende genade moge schenken om gezamenlijk en ieder in het bijzonder, zoo te mogen werken en handelen, dat het moge strekken tot Eere van ’s Heeren Naam en tot opbouwing en welzijn der Gemeente’’.

Als nieuwe scriba werd H. Galenkamp Klzn gekozen. In verband met ,,het beheer der stoffelijke goederen’’ achtte men het gewenst een commissie in te stellen. Uit de kerkeraad werden daartoe verkozen de brs. H. Smit, H. van Mulligen en J. Visscher. Zo kon de opbouw van Christus’ gemeente met kracht voortgaan. De woorden door ds. G. J. Breukelaar gesproken waren treffend gekozen, want men was zich bewust door de genade van Christus tot elkaar gekomen te zijn. Als Koning der kerk heeft Hij zijn gemeente zelf trouw geschonken en kracht om te volharden, ondanks vele moeilijkheden die moesten worden overwonnen. Door Zijn genade werden mensen trouw aan Zijn Woord en was er weer ruimte gekomen om alleen dat Woord

[pag. 75]

heerschappij te doen krijgen in de kerk door de afscheiding van een hervormd genootschap.
Op die dag van vereniging is dan ook het werk van Harm Smit te Hasselt bekroond, of beter nog: Christus bekroonde Zijn eigen werk in de vergadering van Zijn gemeente.
Op die vreugdevolle avond van 28 oktober 1892 droeg ds. Breukelaar de kerkeraad op alles te verwachten van Hem Die alleen getrouwmakende genade schenken kan, opdat ook in Hasselt waarachtig geloof blijvend gevonden zou worden. Het is een wonder van Zijn genade dat in die negentiende eeuw Zijn gemeente bewaard bleef bij de belijdenis van Zijn Woord zoals de kerk deze belijdenis in de reformatietijd door veel strijd heen heeft leren uitspreken.

Category(s): Hasselt, Kerken
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *