Hoofdstuk 2. Verandering door reformatie.

[pag. 16]

2. Verandering door reformatie

Het is niet geheel duidelijk of de strijd om het pastoraat, zoals deze zich in de jaren dertig van de zestiende eeuw in Hasselt afspeelde, teruggaat op de invloed van de reformatie, die zich in het land al meer doorzette in deze zelfde tijd.
Er is wel een vermoeden, dat de reformatie toch wel op de achtergrond meespeelde, maar een vaag vermoeden blijft het slechts.
Van 1518 tot ongeveer 1550 lag het pastoraat in handen van Johannes Fabri van Nyenhuse. Omdat hijzelf niet in de stad woonde, was een priester als zijn plaatsvervanger benoemd. In 1529 was Berend Bulsinck zijn plaatsvervanger die met anderen een geschrift aan de keizer opstelde met de vraag om toestemming tot het bouwen van een nieuwe rivierbrug. Deze toestemming werd later aan Hasselt verleend vanwege de onderdanigheid en trouw van Hasselt aan de Spaanse koning. Daartoe zal de trouw van deze Berend Bulsinck ook zeker hebben bijgedragen, zijn trouw aan de roomse koning. De stad had de Spaanse overheid trouw bewezen in de Gelderse oorlog. Dat was een boeiende tijd voor de burgerij, maar we kunnen in dit verband niet verder ingaan op deze Gelderse oorlog, die Hasselt vaak in conflict bracht met het minder Spaans gezinde Zwolle en Kampen. Vandaar dat Hasselt belang had bij een brug over de waterverbinding met Zwolle om de doorvaart aan banden te kunnen leggen en tol te heffen!

Enkele jaren later werd deze Berend Bulsinck door de stadsraad ontslagen en Johannes Fabri benoemde tot zijn plaatsvervanger Albert Smit uit Almelo. Dit had echter tot gevolg dat uit naam van de koning zowel Johannes Fabri als Albert Smit werden ontslagen en van alle geestelijke arbeid te Hasselt vervallen verklaard.
Deze pastoor Smit stoorde zich niet aan dit koninklijk bevel dat hem uit handen van de stadhouder van Friesland, de heer Schenck van Tautenburg aangereikt was en hij verscheen daarom gewoontegetrouw in de kerk om op zijn koorstoel plaats te nemen. Toen men hem sommeerde de kerk te verlaten, weigerde hij dat bevel op te volgen en er ontstond groot rumoer in de kerk. Nogmaals schreef de stadhouder een brief aan de raad van de stad, maar deze raad stond achter pastoor Smit en het kwam zelfs zo ver dat de vroede vaderen van deze stad weigerden nog langer brieven over deze zaak te ontvangen zodat zowel Johannes Fabri, die tegelijk kanunnik van de St. Plechelmuskerk te Oldenzaal was, als Albert Smit pastoor van de stad Hasselt bleven.

En enkele jaren later in 1574 toen Johan Storck als nieuwe plaatsvervanger zijn ambt in Hasselt zou gaan aanvaarden, werd hem - en dat is na genoemde gebeurtenissen op zijn minst merkwaardig - in zijn aanstellingsbrief uitdrukkelijk verboden om iets nieuws te leren of te prediken: ,,und niets

[pag. 17]

nhyes vurnhemen predigen offt lezen anders dan tho Deventer, Campen unde Swolle geschiet’’! (Ebbinge Wubben)1 [1. Verder als: E-W aangeduid.]

Of en in hoeverre (de invloed van) de reformatie in Hasselt te danken is aan de activiteiten van de burgers zelf (krachtens het ambt der gelovigen, zo nog niet door de roomse leer verkracht en nog aanwezig) is minder goed aanwijsbaar, maar wel valt duidelijk op te merken dat de reformatie is bevorderd door het optreden van menig voorganger, die daardoor toonde zijn herderlijke taak serieus te nemen.
De eerste pastoor die zich openlijk begon te verzetten tegen alle uitwassen en verwording van de kerk zoals deze door de invloed van de roomse leer in de gemeente van Christus tot stand waren gekomen, was Johan Cornelissen die het herdersambt over deze gemeente aanvaardde in 1562. Hij wordt in roomse geschriften afgeschilderd als een man die op eigen winstbejag uit was. En hier komt de smaad naar voren die men om Christus’ wil al meer moest gaan dragen, wanneer men naar het apostolisch bevel de gemeente wilde gaan weiden in het Woord Gods om ieder gemeentelid te leren onderhouden alles wat God daarin bevolen had te geloven. Want dergelijke klachten over winstbejag zijn tegen verschillende voorgangers ingebracht. Maar dat is ook zeer verklaarbaar. Wanneer men immers weigerde de missen te lezen, moest op andere wijze levensonderhoud worden nagestreefd. Daardoor moest men meer dan tevoren er zijn aandacht aan geven om in eigen onderhoud te kunnen voorzien.

Maar ondanks het geldelijk voordeel verbonden aan het nauwgezet verrichten van de roomse riten en gebruiken, keerde deze herder zich daartegen. Hij heeft voor het eerst vanaf de preekstoel publiek al die gebruiken gehekeld.
Er waren mensen, zo zei hij een keer vanaf de preekstoel in de Stefanuskerk, die bij het dopen van hun kinderen geen zout noch dergelijke roomse bijkomstigheden wilden gebruikt zien (,,gien solt, licht noch smeer gebruickt wolden hebben’’). Deze gemeenteleden had hij vaak vermaand, zo hield hij zijn toehoorders voor, maar nu was hun kerfstok wel vol. Voortaan konden er geen vermaningen meer bij en dus hield hij op zulke leden nog langer te vermanen. En in een gesprek met Claes Colck verklaarde hij zich alleen met preken te willen bezighouden als de schepenen en de raad van de stad hem ,,alle vier hoechtyden twintig golden wolden geven’’. (E-W)
Om deze uitspraak klaagde men de pastoor aan bij de rechter der stad. Maar of ook een veroordeling is gevolgd, of dat alles met een berisping afliep is onbekend. Wel staat vast dat, toen een zogeheten kettermeester onderzoek kwam doen naar leer en wandel van de burgers en de geestelijken van Hasselt,

[pag. 18]

Afbeelding: ,,den sluys’’

[pag. 19]

rechter Andries werd afgezet, daar hij verdacht werd de ’nieuwe’ leer niet ongenegen te zijn geweest.
Ondanks verzet en tegenwerking begon de reformatie steeds meer door te dringen en het hart van sommige burgers te veroveren. Op 27 maart 1565 kreeg de pastor van Hasselt Johannes Cornelissen zelfs verlof van de burgemeesters (zes in getal) van de schepenen en de stadsraad om op zon- en feestdagen ’te twaalfder ure’ te preken zonder een mis te bedienen en verkreeg hij eveneens vrijstelling van de dinsdagse misbediening. In die tijd vonden er trouwens, in ieder geval vanaf november 1563 al was het buiten de muren van Hasselt, hagepreken plaats. Men vergaderde aan ’den sluys’, waarschijnlijk in de buurt van de Buiten Enk-Poort en zelfs een van Hasselts burgemeesters, Johan Coninck namelijk, heeft zich in die tijd regelmatig bij deze hagepreken laten vinden, waardoor ook zijn naam onder het volk in opspraak werd gebracht vooral door Ernst Mulert. Ook raakten enige priesters in deze tijd uit de gunst van de kerkelijke leiders. Men gaf voor dat het om hun levenswandel ging. Verschillende priesters en vicarissen werden ervan beticht een losbandig en zorgeloos leven te leiden doordat ze zich om de roomse leer minder bekommerden. Ondanks waarschuwingen en maatregelen kon de steeds sterker wordende begeerte naar reformatie niet worden gebroken. De begeerte naar terugkeer tot de leer van de apostelen zoals zij deze van Christus hadden ontvangen en door God hun was overgeleverd.

In 1572 schaarde Johan Cornelissen zich aan de zijde van de Prins van Oranje, waarom hij door de bisschop werd afgezet. Hij keerde naar zijn geboorteplaats terug. Zijn opvolger werd dr. Thomas van Dinxlaeken, die zijn studie voltooid had in Keulen onder de voormalige pastoor van Kampen, Aggeus van Sneek. In 1573 kwam hij in Hasselt om zijn dienstwerk als pastoor van deze stad op zich te nemen. Ook werd hij tot schoolmeester aangesteld. Maar zijn verblijf in deze stad duurde niet lang, want reeds drie jaar later op 11 aug. 1576 nam hij zelf ontslag en begaf zich naar Heidelberg, waar hij als student werd ingeschreven. Na zijn promotie aldaar keerde hij naar Zwolle terug, waar hij lector werd aan de ’Latijnsche School’. Dat dit alles voor Hasselt niet zonder gevolgen was gebleven, kwam aan het licht bij de jaarlijkse visitatie in 1575. De aartsdiaken uit Deventer Franciscus de Monte die de visitatie had te leiden, bemerkte dat er van de zestien missen die wekelijks moesten worden gelezen in de ’heiligestede’ slechts zes bediend werden en dat vele voorwerpen voor de eucharistie-viering niet meer aanwezig waren. Daarom benoemde men na Thomas van Dinxlaeken een pastoor van wie bekend was dat hij zeer trouw de roomse leer verdedigde, maar ook hij kon

[pag. 20]

de begeerte om terug te keren naar de zuivere leer der apostelen, de leer van Gods Woord niet terugdringen en daarom de reformatie niet stuiten. Want de worsteling van hen die de hagepreken organiseerden ging door. Men wilde dat het Woord van God weer beslag zou leggen op aller hart. Toch bleef een belangrijk deel van de inwoners nog rooms- en Spaansgezind. En dat bracht de magistraat tot een halfslachtige houding. Vooral onder de druk van Ernst Mulert, nazaat van de reeds eerder genoemde familie Mulert, die sterk ijverde voor de heerschappij van de roomse leer, zwichtte de magistraat telkens voor de aandrang om de trouwe roomse aanhangers te beschermen en hun belangen te behartigen. Ernst Mulert gebruikte daartoe zijn positie als schout van Hasselt. En zijn woord had gezag, want hij was lid van een van de oudste en aanzienlijkste families uit deze stad. Velen van zijn voorgeslacht hadden deel uitgemaakt van de schepenen en waren belast geweest met de rechtspraak ter plaatse.

Zo kwam de stadsraad ertoe zich te blijven onderwerpen aan de roomse koning. Dat kwam wel heel duidelijk uit in die bewogen dagen van de jaren 1580-’81.

In die jaren had Rennenberg op verraderlijke wijze de stad Groningen in handen gespeeld van de Spanjaarden. Dat verraad bracht onder het volk vooral van Overijssel een woedeuitbarsting teweeg. En toen Rennenberg in brieven ook aan de grotere en kleinere steden van Overijssel de reden van zijn daad uiteenzette in de hoop deze steden voor zich te kunnen winnen, grepen de burgers naar de wapenen en bestormden de kerken en kloosters. Een maand tevoren nog hadden de inwoners van Friesland, Ommelanden en Drenthe de beelden in de kerken vergruizeld en de kloostergoederen buitgemaakt en verkocht.
In Deventer en Zwolle, maar ook in Utrecht werd aan de roomsen veel schade toegebracht: ,,Alzoo dat Rennenberghs afval den Catholijcken quade vruchten voortbrachte’’.

En wat was de houding van de kleinere steden in Overijssel? ,,De kleijne Steden als Oldenzeel/Steenwijck/Hasselt/ ende andere hielden noch altemael met Rennenbergh/ hoewel sij veijnsden by de Staten. Maar de Prince van Orangien liggende tot Campen/trachtte die van Overijssel in gehoorsaemhyt te houden’’. (Van Meteren)
Deze halfslachtige houding van de stadsraad van Hasselt werd veroorzaakt door de grote invloed van deze aanzienlijke en rijke roomse families. Zelfs bracht de vrees voor de roomsgezinde burgers de gereformeerden tot een aarzelende houding.
Want toen de gereformeerden die regelmatig, zij het niet in het kerkgebouw, de Stefanuskerk, maar toch als gemeente vergaderden, in 1572 voor het eerst

[pag. 21]

een predikant hadden beroepen en de beroepen predikant Hendrik Middsdorp uit Steinfort in Noord-Holland op 16 oktober van dat jaar zijn herdersambt zou aanvaarden, kwam hem ter ore dat hij vanwege de nederlaag van de Prins van Oranje tegenover de beruchte Spaanse hertog Alva in Hasselt misschien niet geheel welkom zou zijn. De gereformeerden hadden hem zonder toestemming en medewerking van de stadsraad beroepen. Terecht! Maar ze durfden niet door te zetten. Deze predikant schreef vanwege die situatie een brief waarin hij hun de vraag voorlegde of ze hem in Hasselt, nu de Prins zijn leger had moeten ontbinden, nog wel begeerden en of hij nog wel welkom zou zijn in hun midden vanwege hun vrees voor de Spaansgezinde families in de stad. Hij schreef ook of hij, wanneer hij niet welkom zou zijn vanwege de politieke situatie toch een vergoeding mocht ontvangen. Vanwege zijn aanstaande vertrek had hij zijn huisraad moeten vernietigen. Hij verzocht de gemeente daarom dat ze hem ,,den schaden nicht alleyne laeten dragen’’! (E-W) En zes jaar later, 9 augustus 1578 stuurde dezelfde predikant vanuit Texel eenzelfde brief. Weer vroeg hij of men hem in Hasselt nog als predikant begeerde.

Twee jaar later kwam er bij de gereformeerde kerk een brief van ’ridderen en steden’ met het bevel dat Hasselt moest zorgen voor de uitoefening van de gereformeerde religie.

Aan de halfslachtige houding van de stadsraad en ook van de gemeente kwam een eind toen in 1582 de bezetting van Steenwijk onder aanvoering van Coenraet van Steenwijk, Wolter van Doerninx en Nicolaes van Haarlem naar Hasselt oprukte in de vroege morgen van de 26e oktober en zich in alle stilte voor de poorten van de stad opstelden. Op het moment dat de poorten werden geopend, drong het krijgsvolk plotseling de stad binnen en dwong de bewoners van de kloosters zich over te geven.

De pastoor Hendrick Grubbinck werd gevangen genomen en in zijn huis onder bewaking gesteld. De stadsraad werd eveneens gedwongen zich aan de bezetting te onderwerpen en voortaan alleen de Prins van Oranje in alles te gehoorzamen en trouw te blijven. Met geweld werd op deze wijze de invloed van de roomse families in deze stad doorbroken. De soldaten sleurden vele voorwerpen van heiligenverering door de roomsen uit de kerk en namen ze mee naar Steenwijk. Enkele beelden die lange jaren in Hasselt op afgodische wijze waren vereerd, voerden ze mee en zetten ze in Steenwijk neer op de muren van de vestingwerken, want, zo spotten ze, nu moesten die beelden hun macht maar eens tonen en de wacht houden over hun stad tegen de vijand. Andere beelden van heiligen werden aan de galg opgehangen.

[pag. 22]

Afbeelding: Stadhuis (na de brand) aan het marktplein met pomp.

[pag. 23]

Vanaf deze datum dateert dan ook de reformatie te Hasselt: 26 oktober 1582, toen werd de reformatie in deze stad officieel doorgevoerd.

Dat gaf een grote verandering, want men wilde bevrijd worden van de heerschappij van de roomse leer. En nu deze bevrijding gekomen was, wilde men bevrijd blijven en geheel en al los komen van de roomse praktijken om zich in alles te richten naar de eisen die God in zijn heilig evangelie stelt. Daartoe verzocht de gereformeerde kerk aan de stadsraad om de predikant die zijn diensten reeds enige tijd had verleend door in de samenkomsten voor te gaan, te erkennen. Het was een zekere Johannes Silvius, die eveneens zonder toestemming en aanstelling van de stadsraad, burgemeesters en schepenen zijn werk had verricht. Het verzoek om hem als wettig predikant van de kerk te Hasselt te erkennen, werd door de stadsregering ingewilligd en op 11 mei 1583 werd hij als zodanig aangenomen.

Dat was een belangrijke beslissing, want zo werd officieel ingestemd met de gedachte dat de gereformeerde kerk evenals elders in ons land ook hier ter plaatse de wettige voortzetting was van de kerk die hier door de evangeliepredikers was gesticht enkele eeuwen geleden. Tegelijk betekende dit het einde van de vervolgingen en verdrukkingen voor degenen die wilden blijven bij het ware geloof in de Heilige Schrift. Daardoor konden zij aanspraak maken op de kerkelijke goederen. En zo wijzigde zich de gehele situatie in Hasselt, want van die tijd af kreeg alleen de leer van Gods Woord zeggenschap in prediking en onderwijs, zodat de invloed van honderden jaren bijgeloof en ongeloof en niet minder afgoderij met bijvoorbeeld brood en wijn in het heilig sacrament van het avondmaal kon worden teruggedrongen en uitgebannen. Om dat Woord van God alle ruimte te geven en bekend te maken, is deze genoemde predikant na zijn officiële erkenning begonnen elke dag uit de bijbel te preken. Want de prediking was het enige middel om het volk met de inhoud van de bijbel vertrouwd te maken. Tevoren waren de mensen dom gehouden en door de regelmatige prediking kon het bijgeloof en vooral ook de onkunde worden overwonnen om de mensen zekerheid te kunnen geven van hun heil en hun vrede met God door waar geloof in Christus Jezus. De prediking van het Woord Gods alleen kon hun die rust verschaffen. Daarom was daar ook de begeerte naar reformatie gegroeid en tevens de hunkering om onder de knechtende heerschappij van het roomse bijgeloof vandaan te komen. Want achter de grootst vermeende zekerheid over het heil van de mens door het verrichten van allerlei door Rome verklaarde goede werken, ging de hoogste onzekerheid schuil voor wie de roomse leer nog serieus nam en zijn hart erop wilde zetten wat de kerk leerde.

[pag. 24]

Immers op de vraag: wanneer zijn mijn goede werken voldoende om voor God rechtvaardig te zijn, kon de kerk het antwoord niet geven en bleef dan ook de paus het antwoord aan Maarten Luther schuldig, nadat Luther hem deze kardinale vraag in Rome had gesteld: hoe krijg ik een genadig God? Vanwege het belang van de prediking werd het in alle steden en dorpen waar de reformatie doorgang vond, gewoonte de predikant op te dragen elke dag een deel van Gods Woord uit te leggen. Dat gebeurde ook in Hasselt, maar tegenstand openbaarde zich direkt.
Om de mensen dagelijks naar de Woorddienst te nodigen, moest elke morgen tussen half acht en acht uur de klok worden geluid. Maar tegen dat klokluiden rees verzet. Want toen ds. Silvius op een morgen zich wilde gereed maken om de predikatie te houden, werd op de bepaalde tijd de klok niét geluid. Natuurlijk moest de koster zich daarvoor verantwoorden. Deze gaf ten antwoord dat de predikant zijn taak veel te nauwgezet waarnam, en hij vond het overbodig om elke morgen de klok te gaan luiden.

Ds. Silvius eiste toen de sleutels van de Stefanuskerk op. De koster wilde deze echter niet uit handen geven en antwoordde dat hij alleen de stadsraad en de schepenen bevoegd achtte over het kerkgebouw te beschikken. Het werd een groot tumult voor de deuren van de kerk op de markt. Wendele Mulert, de vrouw van de al eerder genoemde Ernst Mulert, begaf zich onder de inmiddels verzamelde menigte en trachtte hen samen met Henrick Swaafken de schout, tegen de gereformeerden op te zetten. Maar het verzet liep op niets uit en alle kerkelijke goederen werden in beslag genomen. Men trok de kerk in en alles wat nog maar aan de vroegere roomse leer herinnerde werd weggehaald. Ook trok men naar de sacramentskapel en deze werd afgebroken en gesloopt, om voortaan elke afgoderij met het avondmaal onmogelijk te maken, zodat ook aan de bedevaarten een halt kon worden toegeroepen. Kostbare gewaden, bewerkte sieraden, oude manuscripten en verdere kostbaarheden werden verbrand. Het verzet van de koster bracht heel wat teweeg.

De stadsraad stemde ermee in dat de kerkelijke goederen in handen bleven van de gereformeerde kerk en dat de uitoefening van de roomse godsdienst werd verboden en de handhaving van de roomse leer zou worden verhinderd. Kerkelijke plechtigheden die tot nu toe werden in stand gehouden, werden afgeschaft. Daartoe werden keuren en plakkaten uitgevaardigd. Ook het onderwijs werd geregeld zodat de kinderen onderricht ontvingen in de gereformeerde leer en Gods Woord konden leren lezen. De betekenis van de reformatie voor de gehele samenleving, in kerkelijk opzicht maar ook uit politiek, sociaal en cultureel oogpunt kan niet gemakkelijk overschat worden.

[pag. 25]

Maar toch was de instemming van de stadsraad met de reformatie niet helemaal van harte, want deze verwikkelingen hadden wel tot gevolg dat de stadsregering ds. Silvius minder vriendelijk gezind werd en weigerde hem te onderhouden, al moest ze hem wel blijven erkennen. Hij is dan ook spoedig hierna uit Hasselt vertrokken en op aandrang van de genabuurde predikanten en door de synode van Deventer is bij ’ordonnantie’ van de kerkeraden uit de hoofdsteden van Overijssel Thomas Rothuis op 28 mei 1583 als predikant van Hasselt aangesteld.
Voor hem was met toestemming van de overheid - maar voor die toestemming was toch weer de druk van de hopman uit Steenwijk vereist - de pastorie van de roomse pastoor, die tot nu toe in de stad was gebleven en in zijn huis werd ’gevangen’ gehouden, ingeruimd en de pastoor werd de stad uitgezet.

Dat betekende dat de reformatie opnieuw maar dan ten volle haar beslag had gekregen en voorgoed was gevestigd in deze stad aan het Zwarte Water. Van nu af aan kon de prediking onbelemmerd uitgaan om de burgers geheel te winnen voor het evangelie van Jezus Christus.
Het ongeloof en bijgeloof waren echter diep geworteld. En alle verhoudingen konden daarom niet direkt recht gezet worden en ingericht naar uitwijzen van het evangelie Gods. Jaren, ja eeuwen lang was men bijvoorbeeld gewend geraakt aan de nauwe band tussen kerk en overheid. Zo had de kerk met name het benoemingsrecht van ’geestelijken’ toch weer vaak gelegd in handen van de overheid. Wanneer er geen erfgenamen waren voor de vicariën kwam het collatierecht in handen van de stadsregering. En aanzienlijke roomse families maakten deel uit van de stadsraad. Geen wonder dat ook de gereformeerde kerk het in die dagen als een min of meer vanzelfsprekende zaak achtte dat de predikanten werden benoemd door de overheid en daardoor leunde de gereformeerde kerk maar al te vaak aan tegen de beschermende hand van de stadsregering en zocht men meer dan eens zijn kracht in het gebruik van geweld in plaats van in de overtuiging door middel van het Woord.

Wel hebben we daarbij te bedenken dat de omstandigheden toen geheel anders waren. Want spannende en bewogen jaren bleven het, plaatselijk evenals in het gehele land. De Spanjaarden berustten niet in deze verandering en grepen telkens de mogelijkheden aan om de reformatie te keren en te verbreken om opnieuw de roomse leer tot gelding te kunnen doen brengen. En niet alleen de Spanjaarden, maar ook de Spaansgezinde en roomse burgers zaten niet stil. Onophoudelijk hebben ze gepoogd de roomse leer opnieuw heerschappij te doen hebben en ingang te doen vinden. Een sterke legermacht van Spanjaarden was steeds te Staphorst en te Rouveen geves-

[pag. 26]

tigd. Deze trachtten telkens de stad voor de Spaanse koning in handen te krijgen. En vanwege de vele Spaanse troepen in de onmiddellijke omgeving waren daartegenover voortdurend veel Staats- en Prinsgezinde soldaten in de stad. Dat bracht nog al eens botsingen met zich mee tussen soldaten en burgers. Conflicten konden haast niet uitblijven. In het bijzonder betreffende de voedselvoorziening rezen er nog al eens moeilijkheden. En dat was dan ook voortdurend een aangrijpingspunt voor de roomse inwoners om de verstandhouding tussen de stadsregering en de gereformeerde kerk te verstoren. Wanneer dan ook klachten werden ingediend over het optreden van de soldaten, probeerden de rooms-gezinden daar voordeel aan te behalen en hun positie te versterken. Maar het lukte hun niét om goedkeuring te verkrijgen voor de uitoefening van de eucharistie-viering.
Pas langzamerhand drong de reformatie in alles door. Maar de worsteling om de volle heerschappij van Gods Woord was nog maar net begonnen en de strijd om bij iedere inwoner en in elk huis de bijbel te doen zegevieren vergde dan ook nog vele jaren.

Ook de stadsregering had zich uiteindelijk voor de reformatie gewonnen gegeven, zo kon er krachtig worden opgetreden. Dat gebeurde door het uitvaardigen van vernieuwde keuren en plakkaten van overheidswege, omdat alleen de gereformeerde kerk als de staatskerk werd erkend. Zo werd door de overheid ernaar gestreefd om alle afgoderij uit te roeien en de valse godsdienst te gronde te richten.

Lange tijd waren zulke plakkaten nog nodig. De in vorige eeuwen heilig verklaarde gebouwen waren wel met de grond gelijkgemaakt en wat de grote kerk betreft volledig gereinigd, maar vele roomsen uit de stad zelf en uit de omliggende plaatsen trokken toch nog naar deze heilige plekken waar de gebouwen hadden gestaan, in het bijzonder naar de plaats waar de sacramentskapel had gestaan om daar, al was het zo onopgemerkt mogelijk, meestal laat in de avond, de heiligen alsnog hulde te brengen, te vereren en te aanbidden. Eén van die stille aanbidders was Petertje, haar man Derk Wychers, was reeds overleden. Tegen het verbod van de magistraat in om op het kerkhof van de voormalige ’heilige stede’ ter bedevaart te gaan, bevond ze zich in het jaar 1601 daar neergeknield in aanbidding.

Dat was aanleiding dat nieuwe plakkaten en keuren werden afgekondigd tegen allen die het durfden wagen naar Hasselt ter bedevaart te gaan. Zelfs nog op de synode van Zwolle in 1615 werden opnieuw ernstige klachten vernomen over het toenemend aantal bedevaartgangers. Deze provinciale synode besloot aan de raad van de stad te verzoeken, aangezien het jaarlijkse

[pag. 27]

feest van de toenmalige ’Hasselter Aflaat’ weer naderde ,,sulcx met alle mogelijke discretie meer en meer te verhinderen’’. De stedelijke regering van Hasselt leende daartoe gewillig het oor en vaardigde een nieuw verbod uit aan ,,allen utheymschen ende inheymschen personen, mannen ende vrouspersonen, olt ende jongk’’ op straffe van een zware boete. (E.W.).

In de tweede helft van de zeventiende en ook in de achttiende eeuw, de tijd dat het verval in kerkelijk opzicht, maar eveneens op andere terreinen van het leven, sterk om zich heen greep en men zich minder inzette voor de heerschappij van het Woord Gods en de gereformeerde leer daarom minder nauwgezet en trouw handhaafde, won de roomse godsdienst weer aan invloed en begon afgoderij en bijgeloof opnieuw sterk beslag te leggen op de harten en gedachten van verschillende inwoners. Maar tegelijk moest de strijd worden aangebonden tegen anderen die het Woord van God begonnen aan te vallen en de heerschappij van de waarheid te verzwakken. Zo werd de strijd om de handhaving van Gods Woord en de christelijke leer opnieuw in verhevigde mate ingezet. Een leer die de verhoudingen binnen Hasselt meer en meer had weten gezond te maken en velen uit de greep van angstig bijgeloof en afgoderij had weten te halen. Opnieuw werd het een zware strijd, waarbij de sterke arm, de bescherming van de stadsregering, zich niet meer liet vinden. Integendeel!

Category(s): Hasselt, Kerken
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *