Een drukpers-delict te Kampen in 1845

[pag. 30]

EEN DRUKPERS-DELICT TE KAMPEN

IN 1845.

______

     In October 1845 verscheen bij den uitgever K. van Hulst, te Kampen, De Staatkundige Tooverlantaren of Utopisch-Politische Snelwagen. Ze verscheen eens per maand.
     In de Kamper Courant van 27 October 1845 annonceerde de heer K. van Hulst dat eerstdaags zoude verschijnen: Kritiek der Troonrede, Bijwagen van den Utopisch-Politischen Snelwagen.
     Die kritiek, die eenige dagen later inderdaad verscheen, was niet malsch:
     ,,Den Koning wijten wij het schaamteloos staatsstuk niet, waarmede men heeft kunnen goedvinden Hem de tegenwoordige zitting der Staten-Generaal te doen openen. Den Koning wijten wij noch de stuitende aanmatiging, noch de officiëele logentaal, waarvan dat stuk overvloeit. Wij stellen Hem niet, wiens mond ze uitsprak, verantwoordelijk voor de woorden die anderen Hem gaven; vooreerst omdat het geheel in strijd is met alle constitutioneele begrippen dat eenige aansprakelijkheid op het Hoofd des Staats ruste, en dus al van zelve het regtsvermoeden bestaan moet, dat elke daad en elk woord door Hem, in zijne hoedanigheid van Koning, verrigt of gesproken, afkomstig is van zijn bestuur, dat er de verantwoordelijkheid van dragen moet; en ten andere omdat aan dit Staatsstuk, onze Koning zeer stellig geheel vreemd is, en hier dus het regtsvermoeden met de daadzaak overeenstemt. De Koning kan dat stuk niet gesteld hebben; in de eerste plaats omdat hij Koning is; en ten tweede omdat Zijne Majesteit de Hollandsche taal niet genoeg magtig is om zoo vele ronde volzinnen te kunnen zamen stellen. Het is toch van algemeene bekendheid hoeveel moeite het den Koning kost, hoe menigmaal Hij zich zoodanige rede laat voorlezen, hoe dikwerf Hij diezelve, hardop, in het bijzijn van eenen teregtwijzer, leest en herleest, eer het

[pag. 31]

Hem gelukt zoovele volzinnen in het openbaar verstaanbaar, uit te spreken. Wij hebben hier dus dubbelen grond om Z.M. geheel vreemd te achten aan deze openingsrede en dus ook dubbele oorzaak om met vrijmoedigheid, ja met onverbiddelijke strengheid dit stuk te beoordeelen’’.
     Tegen den uitgever werd door de Rechtbank te Zwolle rechtsingang verleend op grond dat dit stuk: niet alleen door deszelfs geheele strekking in het algemeen, maar ook bijzonder door verschillende daarin voorkomende zinsneden onder anderen op bladzijde 1, 2, 4, 7, 14 en 15, de waardigheid en het gezag des Konings boosaardig en openbaar zijn aangerand en de persoon des konings op gelijke wijze is gesmaad, gehoond of gelasterd, tegen welke wanbedrijven is voorzien bij art. 1 der wet van 1 Juni 1830 staatsbl. no. 15.
     Hij kwam daartegen in verzet omdat niet was aangewezen welke de geincrimineerde zinsneden waren en hij dus niet wist waarop hij zich verdedigen moest.
     Dat verzet werd afgewezen en 3 Januari 1846 de zaak ter openbare zitting voor strafzaken der Rechtbank behandeld. Het openbaar ministerie werd waargenomen door Mr. G. D. Ribbius substituut officier van Justitie. Als verdediger van den beklaagde trad op Mr. J. H. G. Bossevain, advocaat te Arnhem.
     De eisch was vijf jaren gevangenisstraf en veroordeeling in de kosten.
     Den 15 Januari werd het vonnis uitgesproken en van Hulst veroordeeld tot eene correctioneele gevangenisstraf van twee jaren en in de kosten des gedings.
     Hij kwam in hooger beroep bij het Hof waar de zaak 14 Febr. 1846 dienen zoude, maar uitgesteld werd      tot 25 Februari, toen Mr. J. H. G. Boissevain verklaarde,     dat     hij zelf het geincrimineerde stuk aan den appellant had gezonden en hem last had     gegeven dat te doen drukken.
     De heer van Hulst verzocht nu dat hij buiten het geding zou worden gesteld, of wel dat de behandeling der zaak in hooger beroep zou worden geschorst of gestateerd.
     Het openbaar ministerie vorderde beslissing op het hooger beroep en betoogde dat de drukker door het niet noemen van

[pag. 32]

den schrijver de verantwoordelijkheid op zich had genomen.
     Den 5enen Juni 1846 kwam de Koning Willem II te Kampen om de Tentoonstelling van voorwerpen van Nijverheid en Kunst, welke in de Concertzaal te Kampen werd gehouden, te bezoeken.
     Met het stoomjacht de Leeuw kwam de Koning des morgens het Keteldiep binnen, en te half een kwam hij aan de kade aan.
     Na een bezoek aan de Tentoonstelling, werd den Koning in de Nieuwe Stadsherberg, thans Buiten Sociëteit, een déjeuner aangeboden.
     Hier was het dat de echtgenoote van den heer K. van Hulst den Koning om vergiffenis voor haren man vroeg.
     Dat verzoek werd afgewezen, en de pers vond dit zeer hard, te meer omdat men beweerde: ,,dat de heer van Hulst alleen tengevolge van misleiding, een offer van de lang niet algemeen gedeelde zienswijze der regterlijke magt omtrent de beoordeeling eener troonrede geworden is.’’ (Weekblad Overijssel.)
     Den 17en October onderging van Hulst zijn straf nadat den avond te voren in de Sociëteit ,,Vrede best’’ in de Dom van Keulen, een betooging te zijner eere was gehouden. Hem was vergund zijne straf te Zwolle te ondergaan en zijne vrienden W. J. Swart en C. A. Frowein geleidden hem derwaarts en hebben hem door bezoeken zijn straftijd helpen dragen.
     Terwijl hij in de gevangenis zuchtte verzocht de Heer van

[pag. 33]

Hulst den Heer Boissevain, hem te doen toekomen de gelden waartoe deze zich tegenover hem verbonden, had. In plaats daarvan deed de heer Boissevain geheel buiten den Heer van Hulst om, een oproeping in de dagbladen plaatsen, om geldelijke steun te verleenen aan dezen, om na zijn straftijd zijne zaken te kunnen hervatten.
     Met verontwaardiging werd namens den Heer van Hulst daartegen geprotesteerd in het Dagblad Overijssel van 3 Februari 1847.
     De Kamper Courant van 4 Februari dit stuk overnemende zegt, dat de oproep: ,,is geteekeud door den onschuldigen Mr. Boissevain, die van Hulst met de beste intentie in de kast werkte.’’
     In de Kamper Courant van 11 Februari 1847 heeft Mevrouw van Hulst-Metelerkamp uitvoerig het onwaardig gedrag van den heer Boissevain tegenover haren man op de kaak gesteld.
     Bij Koninklijk Besluit van 29 October 1847 no. 47 werd aan den Heer van Hulst kwijtschelding van zijn verderen straftijd verleend, na 350 dagen gevangen geweest te zijn. Met grooten jubel werd hij 4 November door zijn vrienden ingehaald en des avonds werd hem bij fakkellicht eene serenade gebracht.
     Ter herinnering werd door zijne vrienden W. J. Swart en C. A. Frowein aan den Heer K. van Hulst een zilveren beker vereerd. De Heer van Hulst liet twee geheel gelijke bekers van nikkel vervaardigen die aan zijne vrienden W. J. Swart en Frowein werden vereerd; die aan den Heer Swart geschonken is in mijn bezit en vertoont aan de eene zijde binnen een krans van rozen een ketting met een slot, en aan de andere zijde binnen een krans van eikenloof het opschrift: ,,K. van Hulst aan W. J. Swart in 1846 en 1847.’’

     Kampen.                                                                      Mr. J. NANNINGA UITTERDIJK.

Category(s): Kampen
Tags: , , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *