Onze lieve vrouwe broederschap te Kampen

[pag. 29]

ONZE LIEVE VROUWE BROEDERSCHAP

TE KAMPEN.

_____

     Ontrolt de geschiedenis der middeleeuwen in menig opzicht een donker taffereel voor onze oogen, dat zich kenmerkt door verregaande ruwheid, gemis aan rechtszekerheid en aan algemeene ontwikkeling en beschaving, en doet hare beschouwing in zooverre ons min aangenaam aan, te ver gaan zij die niets dan duisternis, domheid en ellende in dit tijdperk meenen te ontdekken.
     Neen, met dankbaarheid moet het worden erkend, dat die dagen naast veel kwaads ook veel goeds hebben opgeleverd.
     Niet weinig hebben daartoe bijgedragen de verschillende vereenigingen en broederschappen die successivelijk ontstonden. Men denke aan het gildewezen, waardoor kunst en nijverheid tot een groote hoogte konde worden opgevoerd, waardoor eene hechte band werd gelegd tusschen werkman en werkgever, eene broederschap tusschen beiden in het leven werd geroepen waarvan men in onze dagen geen begrip heeft, en die toch, zoo ze thans nog aanwezig was, menig treurtoneel zou hebben

[pag. 30]

voorkomen, waar van de laatste tijden maar al te dikwijls getuige zijn geweest.
     Men denke verder aan de verschillende vereenigingen tot het verplegen en verzorgen der armen, aan de verschillende gestichten tot opname van zieken en bejaarden, aan de verschillende broederschappen en vereenigingen tot aankweeking van kennis en godsdienstzin.
     Van sommige dier inrichtingen plukken wij nog in onze dagen de vruchten, laat ons dit doen met dankbare erkenning van het goede dier dagen. De meeste dier instellingen zijn thans evenwel verdwenen, en de geschiedenis alleen geeft ons bericht van hun vroeger bestaan. Toch is het van groot gewicht voor een juiste beoordeeling van den maatschappelijken toestand dier tijden, om meer van nabij met deze inrichtingen kennis te maken, en het is daarom dat ik hier zal trachten eene korte schets te leveren van de voormalige Memorie van O. L. Vrouwe, of O. L. V. Broederschap in de L. V. kerk te Kampen.
     De oorspronkelijke stichtingsbrief dezer broederschap is niet meer voorhanden, maar de hoofdinhoud daarvan vinden we opgenomen in een brief die de memorie-meesters Jacob Bolhoorn, Johan Hermansz; Henrick van Steenre en Johan van Urk in 1520 aan den bisschop van Utrecht, Philips van Bourgondie zonden, om hem te verzoeken de broederschap op nieuw te bevestigen en te erkennen. (1 [1. Kamper Arch. Min. IV. p. 210.])
     Op St. Catharinen dag (den 28en Nov.) van het jaar 1380 vereenigden zich eenige goede en devote mannen en vrouwen, met consent van burgemeesters, Schepenen en raad en de gansche gemeente van Kampen, om tot vermeerdering van den dienst gods, die toenmaals in

[pag. 31]

de L. Vrouwe kerk gering was, zich tot eene broederschap ter eere van O. L. Vrouwe.
     Dat de dienst in deze kerk toenmaals gering was behoeft ons niet zoo bizonder te verwonderen, wanneer we in aanmerking nemen, dat ze, aanvankelijk eene met riet gedekte kapel zijnde, eerst ter eere der twaalf Apostelen, later van die der H. Maagd, (2 [2. Toe Bocop, Kron. P. 217]) eerst in 1369 begonnen werd gebouwd te worden op den voet zooals wij haar thans nog als een sieraad van bouwkunst kunnen bewonderen. In 1380 zal de kerk dus eerst kort voltooid zijn geweest, en verwondering behoeft het dus niet te wekken dat het kerkbezoek toenmaals nog niet groot was, te minder omdat waarschijnlijk tot voor kort de Burgel zich slechts tot het Kalverbosch uitstrekte en zich aldaar noord-oostwaarts naar den IJssel boog langs de botervatsteeg, zoodat al wat daarbuiten lag niet tot de stad gerekend werd, maar de buitenhoek werd genoemd. Sedert kort was dit deel met de stad vereenigd geworden, en was men ook hier begonnen meer huizen te bouwen, zoodat het eerst nu meer algemeen bewoond werd. (3 [3. Moulin, Kamper Kron. I. 151 ])
     Het doel der broederschap was tweeledig 1o. bevordering van den godsdienst, 2o. armverzorging.
     Wat het eerste punt betreft, vindt men bepaald dat men elken Saterdag met twee dienaren als diakenen en subdiakenen en de priesters en schoolkinderen (reeds toenmaals schijnt dus aan deze kerk eene school verbonden te zijn geweest) een zingende mis in O. L. V. kerk zoude houden, terwijl tevens op het kleine orgel der kerk dat aan de broederschap behoorde, zou worden gespeeld, en de groote klok zou worden gebeierd. Om

[pag. 32]

de dienst te beter in te richten schonken de broeders en zusters vijf altaren in de kerk, met alle daartoe benoodigde sieraden, dienstgewaad en ornamenten. Van deze altaren vond ik in de registers der vicariën en in de memorieboeken, vier met name genoemd, nl. het altaar van O. L. Vrouwe in Nooden, het St. Jacobsaltaar, het Allerzielen altaar, en het altaar van O. L. Vrouwe daar de ezel voor placht te staan. Deze ezel zal zeker de bekende houten ezel zijn geweest die jaarlijks op Palmdage dienst deed bij de intocht van de pelgrims van Jeruzalem.
     Tevens stelde men zeven priesters aan die geene andere missen zouden mogen aannemen dan alleen voor de zielen van de overledene broeders en zusters van de memorie, voor de levenden getrouwelijk zouden bidden, en alle dagen de zeven getijden in die kerk zouden zingen. Ze zouden vervolgens elken zondag na den Vesper en de Completen vigilien van negen lexen zingen, en des maandags zielemissen lezen voor de afgestorvenen uit de broederschap.
     Telken jare des Saterdags voor St. Agnetendag (21 Januari) zou men eene vigilie van negen lexen lezen, en des daags daarna en den geheelen Octave door zouden de broeders en zusters voor de overledene leden der broederschap, door alle priesters in Kampen zielemissen zonder tal doen lezen in de L. V. kerk.
     Ter gelegenheid van deze vigilien die ik elders in het memorieboek ,,de langhe vigilien’’, en dezer mis die ik de requiems mis vond genoemd, kreeg de schoolmeester een kwart wijns, (4 [4. Een take wijns was = 2 quarten, een quart = 2 mengelen. Een quart wijns gold in 1532, 3 stuivers holl. = 9 plakken.]) de koster een mengelen, en vier scholieren ieder van elke mis twee duutmers.

[pag. 33]

     De onkosten die deze plechtigheden veroorzaakten werden bestreden uit de giften en legaten die de broeders bepaaldelijk tot dit doel bestemden, en het schijnt wel dat het vieren dezer missen op hoogen prijs werd gesteld. Zoo werd zelfs het jaargetijde van Rudolf van Diepholt, bisschop van Utrecht gevierd. Ik lees nl. in het memorieboek: ,,Jtem die twe pont van dezen drien ponden voersz. sijnt ghecomen ende ghegeuen van Selighe bisschop Roloff van Diepholt ene ewighe iaerghetijde mede te holden. Jtem men sal gheuen van selighe bisscop Rolofs iaerghetijde elcken priester, schoelmeijster ende koster elc twe krumsterte.’’ Ook hij schijnt dus lid der broederschap te zijn geweest.
     Men vierde deze jaargetijden volgens eenen daarvan opgemaakten kalender, doch die niet tot ons is gekomen.
     Gelijk ik evenwel reeds zooeven opmerkte was het niet alleen de godsdienstoefening, maar ook, en vooral het onderhoud en de verzorging der armen die der broederschap ter harte gingen. Immers iederen zondag werden er door haar aan de armen aalmoesen uitgedeeld.
     De administratie van beide doeleinden der memorie, bevordering van den godsdienstzin en beoefening der weldadigheid, waren, later althans, geheel van elkander gescheiden, zoodat we op het Kamper Archief bezitten twee boeken der memorie, één voor ieder dezer beide afdeelingen afzonderlijk.
     Het boek waarin de giften voor aalmoezen werden opgeteekend, vangt aan met den jare 1459, en de aanhef zou kunnen doen vermoeden dat we hier het stichtingsjaar hebben voor dit deel der Memorie, ware het niet dat uit de zooeven medegedeelden inhoud der stichtingsbrief voldingend blijkt, dat vanaf den beginne de armverzorging mede het doel der memorie uitmaakte.

[pag. 34]

     Ik geloof dus dat men meer recht heeft om te gelooven dat eerst sedert 1459 de administratie der armverzorging eene afzonderlijke is geworden.
     Laat ons nu de bepalingen hieromtrent wat nader beschouwen. We lezen dan vooreerst dat de memorie-meesters uit de bijeengebrachte gelden zouden bedeelen: ,,die rechte arme huis sittende, de daghlix bider straten om gode nyet en ghaen, die beneden der broder straten wonen, wtwaert aen, die binnen Sante Nycolaus kerke van den hilligen cruce ghien prouen offte aelmissen en hebben.’’
     De giften zouden dus worden verstrekt aan de armen die te huis zaten, dus denkelijk gebrekkigen en ouden van dagen, die dagelijks niet meer bij de huizen konden rondgaan; tenzij men hier zou moeten denken aan meer fatsoenlijke armen, die niet bij de straat wilden gaan bedelen. Waarschijnlijk komt mij dit laatste evenwel niet voor, omdat men in die dagen het bedelen niet tot schande rekende, maar integendeel van gevoelen was dat het allezins billijk is dat de rijker bedeelden, herinnerd worden aan hunnen plicht om voor hunne armere natuurgenooten iets af te zonderen.
     In de stad Groningen werd tot verzorging van dezelfde kategorie armen in 1437 eene vereeniging in het leven geroepen, die met de onderhavige veel overeenkomst had. (5 [5. Diest Lorgion. Geschiedk. Beschr. v. Gron. I. 234.])
     Niet alle huiszittende armen te Kampen zouden evenwel van onze broederschap kunnen profiteeren, integendeel alléén degene die woonden beneden de Broederstraat naar den buitenhoek toe, welke, gelijk ik reeds zooeven opmerkte, toenmaals eerst in het opkomen was.
     Bovendien was nog voorwaarde dat ze geen aalmoezen

[pag. 35]

ontvingen of prouen hadden uit het bovenste gedeelte der stad, nl. van de Memorie van het H. Kruis, in de St Nicolaaskerk in 1311 opgericht, en die ook de zorg voor de armen op zich nam.
     De armhuiszittenden die aan deze voorwaarden voldeden, konden zich des Vrijdags telken weke vervoegen ten huize, van den memoriemeester, om een teeken of bon af te halen, om daarop des zondags als de eerste of tweede mis in de kerk gevierd was, van de memoriemeesters, een brood van een halven kromstaart, en een kop of een derde pond boter te ontvangen. Later werd door eene gift van de weduwe van zekeren Albert Daems, een half pond boter telkens gegeven, terwijl men in de vasten in plaats van boter, drie haringen op elk brood gaf.
     Ieder die der Memorie eene bijdrage tot de aalmoezen wenschte te geven, kon met niet minder dan drie heeren ponden des jaars volstaan, of zulk een kapitaal in eens als dit bedrag aan rente opleverde, en welke som in vaste renten zoude worden belegd. Wanneer door oorlog, brand of onvoorziene toevallen de goederen waaruit de renten gingen mochten verdorven worden of te niet gaan, dan was de memorie niet verplicht de aalmoezen tot een hooger bedrag uit te reiken, dan tot den werkelijken opbrengst dier goederen.
     In den regel was het aan de Memorie overgelaten om de personen aan te wijzen die de aalmoezen zouden genieten. In sommige giften evenwel vindt men uitdrukkelijk den persoon genoemd, ten wiens behoeve de gift voor eene aalmoes werd gedaan.
     Het spreekt van zelf dat het aantal der uit te reiken aalmoezen niet onbepaald konde zijn, omdat men dan weldra gevaar zou loopen boven de krachten der ver-

[pag. 36]

eeniging te gaan. Aanvankelijk was in de stichtingsbrief bepaald dat het aantal uit te keeren aalmoezen iederen Zondag zou bedragen een honderd en een. Allengs evenwel schijnt men van dit aantal te zijn afgeweken, en het aanmerkelijk te hebben vermeerderd.
     Het schijnt dat dit der stadsregeering minder aangenaam was, hetzij dat ze den invloed vreesde die de Memorie daardoor op de bevolking der stad uitoefende, hetzij ze vreesde dat luiheid en armoede de gevolgen van eene al te kwistige bedeeling zouden worden, hetzij eindelijk dat de inkomsten van het andere deel der memorie verminderden. Wat hiervan ook zij, zooveel is zeker dat de stadsregeering den 20en Aug. 1475 bepaalde, (6 [6. Dig. Nov. P. 23]) dat men het aantal aalmoezen door de memorie uit te keeren, met niet meer dan honderd zoude mogen vermeerderen, met verdere bepaling, dat zoo wat er meer zou worden gegeven, door de memoriemeesters voor de helft zoude worden uitgekeerd aan de kerkmeesters tot timmering der L. V. kerk, en voor de andere helft zoude worden aangewend tot den dienst Gods en de ornamenten der memorie. Ook zouden de aalmoezen niet meer mogen bedragen dan een half kromstaarts brood, een half pond roode boter, of haring of spek in de plaats en ter waarde van dien.
     Het bestuur der memorie was bij twee provisoren of Memoriemeesters, waarvan jaarlijks een moest aftreden en door een ander worden vervangen. De keuze dezer personen geschiedde door twee kerkmeesters en door drie of vier broeders van de memorie, die haar getrouwelijk hadden gediend. Aan deze memoriemeesters was de administratie der memorie in beide deelen geheel toever-

[pag. 37]

trouwd, zij betaalden alle onkosten en uitgaven, en inden al de renten en opkomsten.
     De aftreding van een hunner had telken jare plaats op den zondag na St. Agneten dag (21 Jan.). Dat was een feestdag voor de broederschap, die dan in haar geheel te zamen kwam, om op origineele, recht oudhollandsche wijze, onder gezelligen kout te spijzen en te drinken.
     In het memorieboek vinden we opgeteekend wat men dan zooal gebruikte, nl. zeventien tonnen Hamburger bier, zes tonnen dubbelde hoppen, ook een soort bier. Voor achtien aernemsche guldens aan brood, tweederde in stapelweggen, en een derde aan roggenbrood. Dit brood moest door drie of vier bakkers die leden der broederschap waren gebakken worden, terwijl deze personen tevens verplicht waren, ,,die laken in den huse te leggen’’, d.i. de tafel te dekken in het huis.
     Verder gebruikte men vijf hammen, en bij elken ham een metworst, anderhalf vierendeel van een os, tien paar kappoenen, dertien kazen, en vier halve vaten en zestien pond boter.
     Men ziet uit deze opgave dat de broederschap zich bij deze gelegenheid wel van spijs en drank voorzag, en reeds alleen uit de opgegevene hoeveelheden kan men afleiden dat het aantal leden vrij talrijk moet geweest zijn.
     Evenwel schijnt dit aantal ongeveer dertig jaren later, in 1493 aanmerkelijk afgenomen te zijn, of de kas der broederschap in slechten staat verkeerd te hebben, althans toen bepaalde men dat niet 17 maar 13 tonnen Hamburger bier bij de maaltijd zouden worden gebruikt, niet zes maar vier tonnen dubbelde hoppe en niet dertien maar tien texelsche kazen.
     Over het algemeen muntten, zooals bekend is, de enkele festijnen die de broederschappen in ons land

[pag. 38]

vierden, uit door eenen rijk voorzienen disch. Vooral was dit evenwel het geval met de broederschappen der Kalenden, die den eersten van iederen maand plachten samen te komen en van daar hunnen naam ontleenden.
     Was O. L. V. Broederschap te Kampen vroolijk op het jaarlijksch feestmaal, wanneer er iemand uit de broederschap overleed, dan heerschte er algemeene rouw; Dan gingen alle broeders en zusters, hetzij de overledene arm of     rijk ware geweest, met de priesters, schoolmeesters en schoolkinderen in processie en met gezang het lijk ten grave geleiden, en begingen het daar met waskaarsen, en het luiden van de groote klok.
     De onkosten hiervoor werden uit de Memorie bestreden. Doch wanneer iemand die zelf geen lid der broederschap was, op deze wijze wilde begraven worden, en het in het doodenboek wenschte opgeteekend te worden, dan zou hij minstens anderhalve heerenpond daarvoor moeten betalen.
     In 1530 werd met onze memorie vereenigd de St. Georgensmemorie, en het St. Georgensaltaar in de L. V. kerk aan deze memorie overgedragen, met al de ornamenten en toebehoor, onder voorwaarde dat O. L. V. broederschap, de missen die St. Georgensaltaar had aangenomen te vieren, voortaan zou doen celebreeren.
     Vreemd is het dat men van deze Memorie nergens elders eenig spoor ontdekt.
     Was het het altaar van St. Joris Schutten die in de Kamper Historie reeds vroeg voorkomen, en welk genootschap juist tegen dezen tijd ongeveer zich ontbond en oploste?
     Is dit het geval, dan is het altaar in 1555 wederom op het Schuttengezelschap overgegaan, want in dit jaar constitueerden zij zich op nieuw, en in het volgende

[pag. 39]

jaar werd het genootschap bij eenen openen bezegelden brief door Schepenen en Raad erkend bekrachtigd en bevoorrecht, en sedert dien tijd vindt men in de rekeningen van deze vereeniging voortdurend eene post onder de uitgaven, voor waschkaarsen voor St. Georgensaltaar.
     Tegen dit vermoeden zoude men evenwel eene bedenking kunnen inbrengen, oppervlakkig niet van gewicht ontbloot schijnende, en dat wel deze. Bij deze overdracht aan de L. V. Memorie bedong de St. Georgensmemorie o.a. ook dit: ,,oft sake were dat de schippers weder eene vaert
,,kreghen, datse haer memorie altyt holden moegen nae
,,olden ghewoenten op dyt altaer en laeten daer de
,,myssen opdoen nae older gewoenten alst hem belieuet.’’
     Men zou misschien geneigd zijn hieruit af te leiden dat de St. Georgensmemorie uit schippers bestond, en dus niet kan bestaan hebben uit de leden van de schutterij van dien naam.
     Ik geloof evenwel, dat de zaak aldus zal verklaard kunnen worden. Nevens de St. Georgens schutterij bestond te Kampen oudtijds de St. Annen schutterij. De St. Annen schutterij zal uit schippers bestaan hebben, daar St. Anna de patrones van het Schippersgilde was. Wellicht dat ze, gemeenschappelijk met de schutten van St. Joris eene memorie heeft gehad, en dat daaraan is toe te schrijven de bepaling aangaande de schippers bij de overdracht der St. Georgen memorie gemaakt.
     Wat de verdere geschiedenis onzer memorie betreft, de memorie boeken, de schraalste van allen, reiken niet verder dan tot het jaar 1533, en ook andere bronnen op het archief voorhanden geven ons geen uitkomst, zoozelfs dat een stuk van 1563 het laatste is waarin ze (behoudens de besluiten waardoor ze vernietigd werd) voorkomt.
     In dat jaar was er n.l. twist ontstaan tusschen Mr.

[pag. 40]

Aggaeus Snecanus of van Sneek, pastoor te Kampen, die Mr. Engbert Velen als kapellaan van de L. V. kerk wilde ontslaan, aan de eene - en de Raad van Kampen aan de andere zijde.
     De Raad verbood Hem namelijk om aan den kapellaan zijn ontslag te geven, daar niet hij, maar de provisoren, kerkmeesters en memoriemeesters van O. L. V. kerk, die macht toekwam.
     Wij mogen evenwel gerustelijk aannemen dat de jaren 1572 toen de stad werd ingenomen door den graaf van den Berg, 1578 toen Rennenberg dit deed, en 1580 toen er te Kampen hevige onlusten ontstonden, voor de Memorie zeer nadeelig hebben gewerkt.
     Bij ieder dezer gelegenheden toch scheen het te blijken dat een groot deel der bevolking meende eene uitstekende daad te verrichten door pronkstukken van kristelijke bouwkunst, en al wat goeden smaak verried onder den voet te werpen en te vernielen.
     De broederschap zal wellicht nog gedurende eenige jaren een kwijnend bestaan hebben gehad, totdat in 1598 door de stadsregeering werd besloten, dat de memorien zouden geadministreerd worden: ,,door vrome ,,eerbare luijden van de gereformeerde religie en van
,,goede correspondentie met de diaconen’’, welke laatsten voortaan de aalmoezen zouden uitkeeren.
     Het besluit van den Raad van 14 Januari 1598, waarbij de goederen der Hervormde diakonie en die der memorien tot een amalgama werd vereenigd, en onder het beheer van zes personen werd gebracht door den raad te benoemen, doch waaronder minstens twee diakenen moesten zijn, maakte eindelijk voor goed een einde aan de broederschap.

                                                                                     J. NANNINGA UITTERDIJK.

Category(s): Kampen
Tags: , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *