Een ,,betooverde’’ Kamper jongen in 1685

[pag. 164]

Een ,,betooverde’’ Kamper jongen

in 1685 (1 [1. Balthasar Bekker, de bekende bestrijder van bijgeloof, gaf in 1691 uit zijn boek ,,De betooverde wereld’’, waaraan dit verhaal door ons werd ontleend.])

DOOR

A. J. REIJERS.

═══════

     Het is op een December dag van het jaar 1685, dat wij ons bevinden aan de IJselkade te Kampen onder de lindeboomen voor het Tolhuisje bij de IJselbrug.
     Het sneeuwt. De rustig-vredige stad met haar hooge muren en poorten ligt daar schilderachtig voor ons. De witbesneeuwde torenspitsen geven het beeld van Kampen een groote aantrekkelijkheid, want tegen het luchtegrauw steekt het wit der sneeuw en de omtrekken der torens fraai af.
     In de stad lijkt alles kalm. Wij zien eenige menschen op straat, die zich moeilijk over den gladden weg voortbewegen, wat door de koude Noord-Ooster nog wordt bemoeilijkt.
     Door het gewarrel van sneeuwvlokken klinkt, ietwat dof, het liedje dat het klokkenspel van den Nieuwen toren de lucht in strooit, terwijl wij de Oudestraat opgaan.

[pag. 165]

Bij het pothuis van het huis de Pelikaan, Oudestraat hoek Vischsteeg, staan eenige mannen onder de luifel beschut voor sneeuw en wind, in druk gesprek.
     De Oudestraat biedt een teekenachtigen aanblik, door de vele luifels van winkelhuizen, talrijke top- en trapgevels en de sierlijk gesmeede uithangborden. Vooral in de straatbocht bij de Speldenmakerssteeg (nu Burgwalstraat) geeft dit geheel een rijk stadsgezicht, waar bovenuit zich statig en voornaam verheffen de Boventoren met kerk, nog verhoogd door de rake toets der sneeuw.
     De schepenklok van het oude Raadhuis wordt geluid: zeker zullen schepenen en raden vergaderen.
     Hoewel overigens over de geheele straat en omgeving een rustige stemming weldadig aandoet, merken wij nu toch - het luiden der klok doet het reeds vermoeden - dat er iets ,,gaande’’ is.
     Men staat aan groepjes van drie, vier en vijf ernstig te praten; gewichtige en bezorgde gezichten doen ons vreezen, dat er een ongeluk moet zijn gebeurd.
     Laten wij luisteren en ons voegen bij gindsche mannen, die daar bij den ingang van de Vischpoort staan.
     ,,De jongen is behekst door een groentevrouw’’, zegt er een.
     ,,Wat zegt ge?’’ vraagt een ander, naar zijn schootsvel te oordeelen, een smidsgezel.
     ,,Ja’’, zoo luidt het antwoord, een groentevrouw heeft gisteren den zoon van den meester-leidekker betooverd’’.
     Ontsteltenis op aller gelaat. De oudste van het groepje, die tegen den ronden torenmuur van de Vischpoort had staan leunen, vraagt: ,,heeft de jongen ook last van brakingen en geeft hij ook op?’’
     ,,Man’’, zegt eerstgenoemde, ,,alles komt uit zijn maag: naalden, spelden, spijkers, potscherven, haarvlechten, en de dominé zegt dat er zelfs latijnsche thema’s uit zijn maag zijn gekomen.’’

[pag. 166]

     ,,Dan is het zéér ernstig’’, zegt de oude man. ,,Veel toovergevallen heb ik meegemaakt, maar zóó gevaarlijk zag ik het nog nooit.’’
     ,, ’t Is maargoed’’, merkt een timmerman op, ,,dat de dominéés er Zondag over preeken zullen, en dat de domineesvrouwen soep voor den jongen laten brengen en de buren den stumper ververschingen en lekkernijen geven, anders zou zoo’n jongen van 13 jaar nog den hongerdood sterven.’’
     ,, ’t Is diep droevig’’, zegt de oude man.
     Eenige oogenblikken spreekt er niemand en allen staren, in gedachten verzonken, met verkleumde gezichten stil voor zich uit.
     ,,Voor het raadhuis staan soldaten en dienders’’, roept de timmerman.
     Oogenblikkelijk voegen zich daarbij vele menschen, die allen met vragende blikken en langgerekte halzen door de vensters van het raadhuis trachten te kijken.
     ,,Mijne heeren van den Gerechte’’ zijn op het raadhuis vergaderd en hebben de oude vrouw, die verdacht wordt de heks te zijn, op het raadhuis doen verschijnen.
     Heeren Schepenen hebben de vrouw ondervraagd en de zaak onderzocht doch bevinden haar onschuldig, zoo wordt onder het publiek gezegd; maar dit bevredigt het volk niet.
     ,,In Wilsem woont haar zuster’’, zegt de smidsgezel. ,,Zoo’’, schreeuwt een ander uit het publiek, dan zullen wij die eens gaan bezoeken’’.
     Intusschen bleef de onschuldige vrouw voorloopig nog op het raadhuis en werd zij later, onder geleide van dienders en soldaten, buiten de stad gebracht. Het volk had de ruiten der armoedige woning van deze vrouw, uit woede reeds stuk gegooid, zoodat de overheid die woning moest laten bewaken.
     De betooverde jongen was natuurlijk op aller tong.

[pag. 167]

Niet alleen aan de Hagen- en Venepoort en in Brunnepe, neen, ook in de aangrenzende dorpen en op het Kamper-Eiland waren de menschen zeer verontrust.
     Men kan het nooit weten!
     Zoo werd, voor alle zekerheid, de dood-onschuldige vrouw, die te Wilsem woonde, zuster van de verdachte, nog deerlijk door de Wilsemers geplaagd en gekweld.
     Evenwel, de stedelijke overheid liet ook de betooverde jongen voor zich verschijnen. Nam hem in voorloopige bewaring, ondervroeg hem en liet hem scherp bewaken.
     En ziet, er kwam nu niets meer uit de maag van den kwajongen en eindelijk bekende hij dan, dat hij, om van ’t leeren op school en ’t werken in den winkel verschoond te zijn, zijn ouders had bedrogen en daarom de geheele toovergeschiedenis had verzonnen.
     De rechters lieten toen de ouders roepen, wien de zaak werd medegedeeld. De ouders moesten den deugniet een geducht pak slaag geven voor straf, wat ook wel zal zijn geschied.
     Zoo eindigt dit stukje Kamper geschiedenis.
     Deze Kamper tooverhistorie kwam Bekker ter oore en in zijn ,,Betooverde Wereld’’ schrijft hij er over.
     Hij roemt de houding der stedelijke overheid, doch spreekt er zijn afkeuring over uit, dat de Kamper predikanten dit kwaad eerder hebben vergroot dan bestreden.
     Geven wij Bekker zelf het woord:

     ,,Veel beter heeft de magistraat gedaan, die voor de
,,veiligheid dan gezorgd, en tot ontdekkingen van het
,,snood bedrog geijverd heeft. Wat predicant heeft sig
,,also gequeten? Sy hebben liever ’t blinde volk tot
,,onderdrukkinge van die onnoosele arme vrouw nog in
,,de dolinge gestijfd; en sig ook niet gebeterd nadat dit boos bedrogh was uitgebarsten; dan, zijn daarna verhard

[pag. 168]

,,gebleven, als hebbende nog na verloop van sevenjaren
,,sich opentlik gewapend tot verdoemen van mijn boek,
,,waer in ik ’t gruwelijk gevoelen dat sy nopende dat
,,werk des Duivels hebben, tegen spreke. Dat hebben sy
,,doen blijken in de synodes ’t voorleden jaar gehouden
,,binnen Kampen. En gedenckt gy niet, broeders, hoe
,,schandelijk gy onlangs van een kint bedrogen zijt geweest?’’

     Maar laten wij Bekker niet verder aanhalen, wij zouden anders te uitvoerig worden.

*          *
*

     En nu, in de 20e eeuw, lezer, de couranten maken er nog dikwerf melding van, komen nog z g. spook- en toovergevallen voor.
     Had voor ongeveer twintig jaren ook Kampen nóg niet een spookhuis, waar de booze geesten onder uit de vloeren en achter het behang wegkwamen en wel zóó, dat de bewoners, die met den ,,geest’’ kennis maakten er hoofd- en andere verwondingen bij opliepen? Natuurlijk was ook dit bedrog.

*          *
*

     Menigeen zal met ons uit zijne kinderjaren zich herinneren de verhalen door ouders en grootouders gedaan, verhalen, waarin dan zoo stemmingsvol, zoo poëtisch, werd medegedeeld hoe Kampen er in de 50er jaren der vorige eeuw uitzag en wat er toen alzoo voorviel.
     In het schemeruurtje werd ons dan veel verteld, wat ons onbegrijpelijk voorkwam.
     Als Heinrich Heine ging het ons dan ook: ,,onder ’t luisteren van die verhalen, kregen wij allerprettigst kippevel’’.
     Dan werd ons verteld, dat midden op de Nieuwe Markt, 's avonds na 12 uur, een groote, zwarte kardoeshond

[pag. 169]

met een zwaren ketting om den hals, die markt onveilig maakte. Niemand kon dien hond verwijderen, want men kon hem niet grijpen.
     En dan op het Muntplein bij de Bovenkerk, boven de graven der afgestorvenen, waarvan de soms diep verzakte grafzerken nog grootendeels in de bestrating lagen. Zoo was de toestand nog omstreeks 1830. Daar zag men des middernachts, terstond na het slaan van 12 uur, in ’t wit gekleede dames gracieus over ’t Muntplein naar het Kinderhuis (nu school voor Reserve-officieren) of naar het Bregittenkerkhof wandelen, om dan, zeer geheimzinnig, weer te verdwijnen.
     Zoo was het, dat in de voormalige muntmeesterswoning, (hoek Burgwal en Schoolstraat) des nachts eigenaardige geluiden werden gehoord, dat ’t huisraad was verzet, zonder dat er iemand bij- of aan was geweest en dat men ,,voelen’’ kon dat daar in huis een onzichtbare ,,geest’’ door de kamers waarde. Ook hoorde men des nachts, toen later in dit gebouw de trijpfabriek van den heer Gallé was gevestigd, dat de weefgetouwen werden gebruikt door ,,de geesten’’, die tot domein hadden het kerkhof om de Bovenkerk en dat van ’t Bregittenklooster.
     Meer geheimzinnige verhalen leefden vroeger onder de menschen.
     Wij zullen die hier niet opnieuw in herinnering brengen.
     Maar nog zijn wij, het blijkt meermalen uit de couranten, niet ontworsteld aan bijgeloof.
     Laten wij echter eeren de nagedachtenis van Balthazar Bekker, die steeds als een wakkere bestrijder van bijgeloof op de bres stond.

     Kampen, December 1928.

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *