Een verdwenen stadsgezicht

[pag. 137]

Een verdwenen stadsgezicht.

════

De voormalige Cellebroederspijp, thans Cellebroedersweg.

DOOR

A. J. REIJERS.

═══════

     In den loop der tijden verandert het aspect van iedere stad. Vooral geldt dit voor oude steden, die dikwijls als vestingen, dus dicht aaneen zijn gebouwd, derhalve smalle straten hebben. Men had zich toen nog niet met verkeersvraagstukken bezig te houden.
     Dit zien wij treffend op die oude plattegronden, vogelperspectieven genoemd, ongeveer overeenkomende met de luchtfoto’s van thans. Wanneer wij die oude gravures bezichtigen, dan laten zij soms heel duidelijk zien met hoe weinig straatbreedte men destijds volstaan kon, daar waar men nu een straat van meer dan gewone breedte aantreft en noodig heeft. Men heeft dan ook, helaas, veel schoone gebouwen moeten afbreken en menig schilderachtig grachtje moeten dempen om aan de eischen van het moderne verkeer te kunnen voldoen (1 [1. Men denke b.v. aan het vroegere Damrak, (destijds ,,het Water’’ geheeten) te Amsterdam.]). Maar maakte

[pag. 138]

men, volgens onze begrippen, de straten en kaden smal (2 [2. De fraaie Oudestraat en de Graafschap te Kampen zijn gunstige uitzonderingen en voor oude straten breed te noemen.]), de pleinen daarentegen waren breed van aanleg, wat begrijpelijk is, omdat die als marktplaatsen dienst moesten doen. Over die kaarten van oude stads plattegronden nog een kort woord.
     Deze kaarten zijn niet altijd betrouwbaar; de teekenaar week wel eens van de juiste afmetingen en verhoudingen af, wanneer hij door misteekening daartoe gedwongen was. Toch zijn deze kaarten van veel waarde, mits zij door deskundigen, die de historische topografie der stad kennen, worden gebruikt. Dien verschaffen zij soms belangrijk geschiedkundig materiaal.
     Wij schreven, dat vroeger menig mooi grachtje verdwijnen moest; dit nu zal ook het geval zijn geweest met de voormalige Cellebroederspijp (3 [3. Een ,,pijp’’ in dezen zin is een nauw kanaal in een stad. Men vindt die nog te Leeuwarden, waar zij ook nog pijp worden genoemd.]) te Kampen. En nu gebruiken wij hier een woord, dat voor het meerendeel onzer stadgenooten een onbekende klank heeft.
     Deze ,,pijp’’ zal veel overeenkomst hebben gehad met het schilderachtige beekje, dat het naburige Elburg zoo’n vroolijk aanzien geeft.

*          *
*

     Wanneer wij de geschiedenis der Cellebroederspijp willen beschrijven, voor zoover ons dit mogelijk is, dan zijn ook daarvoor noodig genoemde oude plattegronden der stad. Wij raadplegen de kaart, die Paul Utenwael, stempelsnijder aan de stadsmunt te Kampen, in 1598 vervaardigde. Deze graveur was te Kampen thuis, kon dus met zaakkennis zijn teekening maken, maar maakte in weerwil daarvan toch nog fouten, die echter voor onze beschrijving niet van invloed zijn.

[139]

     Van deze kaart wordt hier een fragment in reproductie den lezers aangeboden. In het kort geven wij daarvan de volgende toelichting.
     De Korenmarkt met Korenmarktspoort, alsmede de Bovenkerk, de IJselkade met vestingmuren, waarvoor de lagere bolwerken, ziet men duidelijk. Ook ziet men het Bregittenplein met Klooster aan den Vloeddijk en den toen reeds met boomen beplanten Burgwal. Aan de overzijde van het Bregittenplein, aan den Burgwal, vindt men de Muntgebouwen, daar waar nu het Kantongerecht met de aangrenzende Nuts-Spaarbank, heerenhuizen en de Lagere school met woning staan. (4 [4. De woning van den Muntmeester was gelegen Burgwal hoek Papensteeg (nu Schoolstraat).])
     Aan de bovenzijde der kaart teekende de graveur een molen, want toen stonden daar, langs de destijds bevaarbare Reve, (een riviertak, nu Cellebr. wetering) korenmolens op hooge, watervrije, belten (5 [5. Nog in 1850 stond daar een korenmolen, van de bekende molenaarsfamilie Reijnders. Deze molen werd toen afgebroken en herplaatst aan den IJseldijk, nu de ,,tweede’’ molen, naast de fabriek Van Heel.]). Op genoemde kaart zien wij dat de Singelgracht haar water laat kabbelen tegen een daar uitgebouwd bastion, waaraan de middeleeuwsche Cellebr. poort grenst. Evenwijdig met den vestingmuur, langs de gracht, vindt men boomgaarden en tuintjes, die weer van den weg gescheiden waren door een sloot, welke men later de Spuisloot noemde; maar hierover later meer. (6 [6. Menigeen met ons zal zich de zeer vervuilde Spuisloot herinneren, evenals de daaraan grenzende (nu volgebouwde) boomgaarden met tuinen, waarin een enkele typische theekoepel. De spuisloot was dáár waar men nu de tuinhekjes der huizen aan de Ebbingestraat aantreft.])
     In Noordelijke richting, aan den Vloeddijk, teekent zich af de St. Agnietenkapel, (afgebroken in 1636, later vervangen door een volmolen, een wolweverij en trijp-fabriek) nu Openb. Lagere School. Het Boven- of St, Geertruids Gasthuis is schuin over genoemde Kapel

[pag. 140]

gelegen in het blok, dat omgrensd wordt door Burgwal, Brandtsteeg, Boven-Nieuwstraat en Geerstraat. Laatstgenoemde straat lag toen, evenals nu, ongeveer in het verlengde van de Cellebroederspijp, nu Cellebroedersweg.
     Maar gaan wij naar ons onderwerp terug. Het grachtje ,,de Pijp’’, (7 [7. De Kampenaar sprak van de Piepe; men woonde op (niet aan) de Piepe. Ook zegt de echte Kamper, dat iemand niet in of aan, maar op de Oudestraat woont, wat begrijpelijk is, als zijnde deze straat de hoogst gelegene van de oude stad.]) vinden wij dus tusschen Vloeddijk en Cellebr. poort, welke ,,pijp’’ door een halfronde opening, waarover een boog, in den Burgel uitmondt. Dit is geen fantasie, neen, Utenwael gaf hier de werkelijkheid juist weer. En wie thans gaat staan op den Burgwal bovenstrooms de Cellebr.brug, en kijkt in de richting van de Cellebr.weg, ontwaart in den kaaimuur langs den Vloeddijk aldaar nóg deze halfronde boog, waaronder de later dichtgemetselde opening en hij ziet dan ook ook de schuif, die het hierna te noemen riool in den Cellebr.weg afsluit.

*          *
*

     Waterstaatkundig was de toestand vroeger de volgende.
     De, als gezegd destijds bevaarbare, Reve stond in verbinding met de Singelgracht, welke door de Cellespijp weer verbonden was met den Burgel, die op zijn beurt weer het water van den IJsel aan- en afvoerde, wat nog het geval is. De Spuisloot dan, welke de plattegrond niet duidelijk laat zien, voerde ook haar water gedeeltelijk af in de Cellebroederspijp, bij de poort. Voor spuiïng had men een duiker, (nog aanwezig, doch niet meer dienst doende) gemaakt ongeveer in het midden tusschen de Broeder- en de Cellebroederspoort en loodrecht op de gracht uitloopende. Nu heeft men den Burgel en de riolen der Ebbingestraten volkomen van

[pag. 141]

{Afbeelding}

[pag. 142]

{Afbeelding}

[pag. 143]

de gracht afgesloten, zoodat in waterstaatkundigen zin de toestand geheel veranderd en verbeterd is. (8 [8. De Ebbingestraten werden gerioleerd in de jaren 1893. ’94, ’95 en 1896, toen de Spuisloot werd gedempt.])
     De Singelgracht was aan de Zuidzijde der poort doorgegraven tot aan de Z.O. zijde daarvan. Aan de plantsoenzijde daar ter plaatse was dit stadsgedeelte overbrugd door een smaakvol brugje met sierlijke leuningen, zooals ons dit een hierbij gaande reproductie laat zien. Dit overbrugde grachtgedeelte voerde dus naar de Pijp, die ongeveer bij het ingangsdeurtje van de poort dooreen sluis was afgesloten, van welke sluis men aldaar nog muurfragmenten vinden kan en wat ook een afbeelding laat zien.
     De Vloeddijk liep heel gewoon als straat door, maar daaronder stroomde, als gezegd, de Pijp als duiker in den Burgel uit, ter plaatse waar men nu nog meergenoemde boog, en schuif in den kademuur aan den Vloeddijk, bij de Cellesbrug, aantreft.
     Men begrijpt, dat voor de ,,watervrijheid’’ der stad het sluisje bij genoemde poort een belangrijk punt was, waaraan de noodige zorg moest worden besteed.

*          *
*

     Tot de 60er jaren der vorige eeuw bleef de Pijp bestaan, maar daarna komt ook hier verandering. Wij schrijven 1871. En in dit jaar besluit de Gemeenteraad haar, na rioleering, te dempen. Men wenscht zeker meer veiligheid bij hooge waterstanden, het schoonhouden van het grachtje is wellicht bezwaarlijk en een breedere verkeersweg acht men allicht noodig. Wellicht zijn dit de motieven geweest, die de Pijp deden verdwijnen. (9 [9. De desbetreffende raadsverslagen zullen den belangstellenden lezer zeker volledig hierover inlichten.])
     In November 1871 wordt dit werk aan besteed en begin Maart daaraanvolgende gaat men tot de uitvoering daarvan over. De omvang dezer uit te voeren werken wordt in het Bestek als volgt omschreven:

[pag. 144]

     BESTEK No. 15
               1871.
                    __

          BESTEK EN VOORWAARDEN, waarnaar Burge-
          meester en Wethouders der gemeente Kampen
          voornemens zijn op het Raadhuis te Kampen op
          Maandag 20 Nov. 1871, des voorm. van 9 tot 12 nur
, in
          het openbaar aan te besteden (10 [10. Het gecursiveerde werd volledigheidshalve er door ons ingevoegd.]) :

                    Het gedeeltelijk afbreken der Kaaimuren
                    en het dempen van de Cellebroederspijp,
                    met bijbehoorende werkzaamheden, enz.

Hieronder volgt de in het Bestek meer gedetailleerde omschrijving:
                    De ruimte, die gedempt moet worden, is
                    een arm van den Burgel en loopt van den
                    Burgel tot bij deCellebroederspoort te Kampen

Verder vermeldt dit Bestek, dat moet worden verricht:
                    Het gedeeltelijk wegbreken van beide zij-
                    of kaaimuren en den eenen eindmuur langs
                    het genoemde water.
                    Het uitbreken van de beide sluisdeuren met
                    de slagstijlen en het puntstuk (11 [11. Dus van het sluisje bjj de poort, hiervoren genoemd.])
                    De opening in den Kaaimuur (dit is dus
                    onder meergenoemden boog, R.) van den
                    Burgel dichtmetselen.
                    Het leggen en metselen van een riool ter
                    lengte van het geheele bestaande Kanaal
                    en een riool tot verbinding der Spuikanalen,
                    loopende van de sloot van de Bovenhaven
                    (de Spuisloot, R.) tot het riool tusschen de
                    Cellebroeders- en Broederpoort (dit riool is
                    genoemde duiker loopende loodrecht op- en
                    naar de Gracht, R.) met de noodige zinkputten
                    en afsluitingen.

[pag. 145]

     De werkzaamheden werden door den stadsarchitect, W. Koch, ter plaatse aangewezen op Woensdag 15 Nov. 1871, des voorm. te 11 uur.
     De op Maandag 20 November d.a.v. gehouden aanbesteding had het volgende resultaat. Ingeschreven werd alleen door aannemers te Kampen gevestigd, meerendeels nog niet onbekend, en wel voor de volgende bedragen, achter hunne namen vermeld:

G. J. Bruggink f 2480,-
H. J. Kroeze 2040,-
J. W. Diebrink 2000,-
H. v. Werven en H. J. v. Eekeren 1998,-
G. P. Rekveld 1695,-

     Aan Rekveld, (12 [12. G. P. Rekveld had later een houthandel (gesticht plm. 1840 door den oud-Hoofdonderwgzer Kooiman) thans de bouwmaterialenhandel van den heer J. Dekker, Burgwal bij de U.L.O. -school.]) laagste inschrijver, werd het werk gegund. Als medeaannemers traden op G. J. Laarman, Mr timmerman en H. Wellmann, Mr stucadoor, beide te Kampen.
     Het Bestek was onderteekend door Mr S. H. de la Sablonière als Burgemeester en J. G. Hissink als secretaris.
     In Art. 9, ,,Afbraak’’, lezen wij, dat ,,de bestaande
,,houten brug over het kanaal met de aangrenzende »schuttingen, hekwerken’’ enz. moeten worden verwijderd, en ook dat ,,13 ijzeren balusters langs en bij het gewelf
,,van het kanaal’’ moeten worden weggenomen (Dit was dus aan beide zijden van dit gedeelte Vloeddijk, daar de Pijp onder doorliep, R.). Verder wordt bepaald, dat ,,de metalen potten en tappen van de sluisdeuren eigendom der gemeente blijven’’. (Dit was dus van het sluisje bij de poort, R.).

*          *
*

     Deze omschrijving, aan genoemd Bestek ontleend, teekent ons aan de hand van bijgaande reproductie vrij volledig den vroegeren toestand. De teekening, die wij den kunstenaar C. Springer danken, en wiens zoon, den bekenden tuinarchitect, ons vergunning tot reproductie gaf, zal dagteekenen van ongeveer 1865. En had die kunstenaar de Pijp niet geteekend, wij zouden er geheel geen afbeelding van hebben gehad. Maar nu zien wij nog de door zerken afgedekte kademuren, het geestige grachtje, waarover het brugje en de schutting daarbij. Wij zien op dit prentje hoe mooi het silhouet der poort dat intieme stadsbeeld afsloot, hoe schilderachtig het gestoffeerd was door stevige iepen en aan de andere zijde door huizen van een karakteristieke architectuur. (13 [13. Hier, aan deze zijde woonde be bekende kunstschilder Gaal.])
     Het zal menig minnaar van stedenschoon hebben gehinderd, dat dit mooi gestemde spel van lijn, kleur, en verhouding moest worden verstoord. Wij echter, gewoon geraakt aan den Cellebroedersweg van thans, zouden dien niet meer kunnen missen, want tegenwoordig vraagt het verkeer nu eenmaal andere verhoudingen.
     Maar gelukkig, in onzen tijd tracht men met den aanleg van nieuwe stadsgedeelten, of bij het veranderen van oude, ook stedenschoon te geven, al is het dan ook, noodwendig, van ander karakter.

          Kampen, December 1928.

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *