Negende Hoofdstuk

[pag. 183]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Van het jaar 1393 tot 1423.

__________

     De verkiezing van een’ nieuwen bisschop veroorzaakte groote oneenigheden onder de nabuurvorsten. Albrecht van Beijeren, graaf van Holland, had Rogier van Bronkhorst, schatbewaarder der kerken van Keulen, aanbevolen; maar Willem van Gulik, hertog van Gelder, schoon gehuwd met Albrechts dochter, werkte deszelfs pogingen tegen, en wist de kapittelheeren te beduiden, dat zijn neef, Frederik van Blankenheim, de man was, dien zij moesten verkiezen. Hij vond veel bijval in Overijssel, en de keus viel naar zijnen zin uit: Frederik werd met meerderheid van stemmen tot bisschop van Utrecht verkoren, en om de goedkeuring van den paus te erlangen, schreef de raad van Deventer aan Z. H. : « ons bisdom vordert thans meer dan een’ gewonen herder. In deze booze dagen behoeven wij een’ man, die de vijanden van buiten zoowel als de rustverstoorders van binnen, kloekmoedig onder de oogen durft zien. Zoodanig eenen hebben wij gevonden in Frederik van Blankenheim, die uit edelen stam geboren, hertogen en graven onder zijne voorzaten telt; die dapperheid, aanzien en vermogen bezit, om het wereldlijk zoowel als het geestelijk belang onzer kerk te handhaven. Hij is onder de toejuiching van de edelen des lands en

[pag. 184]

van de burgers der steden tot onzen heer en bisschop verkoren; wij bidden daarom U. H. onzen algemeenen wensch genadig te verhooren, en de gedane verkiezing met derzelver hooge goedkeuring te bekrachtigen. Dit gelukte naar wensch. Bonifacius IX gaf zijne goedkeuring, en Frederik van Blankenheim werd door den hertog van Gelder, vergezeld van 200 ridders, van Straatsburg begeleid naar Utrecht, en aldaar in 1393 als bisschop plegtig ingehuldigd. In het volgend jaar deed hij als landsheer van Overijssel aldaar zijne intrede, bevestigde de voorregten en vrijheden der steden, en ontmoette overal de duidelijkste blijken van de toegenegenheid der ingezetenen. Te Deventer werd hij met gejuich ingehaald en beschonken met een vat wijn van zeven aam, benevens twee zilveren wijnkannen, wegende 9 mark en 3 loot. In zeven eeuwen hadden vijftig bisschoppen voor hem, in gedurigen strijd met de binnenlandsche zoowel als buitenlandsche edelen, het land bestuurd. Hij was nu de eenenvijftigste, en men scheen te verwachten, dat hij de rust en veiligheid zou bevestigen. Maar al aanstonds rustte hij zich toe tegen de heeren van Raesfeld, die door rooven en branden in Twenthe en ter weerszijde van den IJssel in Salland, groote verwoestingen aanrigtten. Hij stelde zich aan het hoofd van een’ uitgelezen hoop ruiters en knechten, viel daarmede in Munsterland, in de bezittingen der heeren van Raesfeld, wier boeren hij geheel deed uitplunderen, huizen en schuren verbranden, en keerde met den geroofden buit, waaronder eene

[pag. 185]

menigte vee, in zegepraal terug. Toen wendde hij het oog naar Koevorden, hetwelk in pandschap bezeten werd door heer Reinoud van Koevorden, door wien de ingezetenen van Drenthe onophoudelijk werden geplaagd. Om daaraan een einde te maken, deed de bisschop hem het geld aanbieden, waarvoor Koevorden, naar luid des pandbriefs, konde gelost worden; maar Reinoud weigerde dit aan te nemen, verklarende in het bezit dier vesting te willen blijven. De bisschop, aldus teleurgesteld, trok met de heeren van Brederode, Vianen, Abcoude, Renesse en andere utrechtsche, benevens een aantal sallandsche edelen en een leger van burgers uit de steden Utrecht, Deventer, Kampen, Zwolle en Amersfoort, naar Koevorden, ontrolde aldaar zijne banieren, en begon uit verscheiden blokhuizen het kasteel met kanon te beschieten. Hij sloot inmiddels een verdrag met Evert van Hekeren, heer van Almelo, die, schoon zijne heerlijkheid in het oversticht gelegen was, niet onder de leenhoorigen des bisschops behoorde. Het verdrag hield in, dat Evert van Hekeren en Beatrix, jonkvrouw van Almelo, syn echte wijff, hun huys, slot en veste voor den bischop altoos zouden openzetten, om hem daarmede tegen zijne vijanden te beschermen; dat zij hem zouden helpen tegen allen die hem mogten aanvallen, en buiten zijnen wil geenen oorlog aanvangen. Hierdoor versterkt deed hij het beleg van Koevorden met ernst voortzetten. De vrienden van Reinoud, waaronder de heer van Bronkhorst en andere geldersche edelen, be-

[pag. 186]

gonnen zich nu ook in het veld te vertoonen, en zonden hunne ontzegbrieven aan den bisschop, hem tevens dreigende met de vijandschap van hunnen hertog, indien het beleg niet dadelijk werd opgebroken. Maar de bevelhebbers en de burgers, uit de steden verklaarden, liever eervol met hunnen heer den bisschop, voor Koevorden te willen sterven, dan met schande het beleg op te breken.
     De Gelderschen begonnen daarop het oversticht op verscheiden punten te verontrusten. Deventer werd door den heer van Bronkhorst bedreigd; het kasteel Wittenstein belegerd, en na eene dappere verdediging van vijftien dagen ingenomen. Kampen moest aan Arend ten Boecop, regter van Veluwe, 100 goudgl. jaarlijks toestaan, om van eenen aanval bevrijd te blijven. In ’t nedersticht werd het kasteel van Vianen door Jan van Arkel, heer van Rijnestein, aangevallen. De heer van Bronkhorst, die voor Deventer het hoofd had gestoten, verscheen met vele geldersche en luiksche ridders mede voor Vianen en deed rondom het slot alles uitplunderen; maar de burgers van Utrecht vielen deze gasten zoo onverhoeds en onzacht op het lijf, dat zij in verwarring de vlugt moesten nemen, en zich ter naauwernood op Rijnestein konden bergen. Dit kasteel werd aanstonds door de Utrechtschen omsingeld; de bisschop, hiervan verwittigd, verliet het leger voor Koevorden, en snelde met eenige edelen den zijnen voor Rijnestein te hulp. Hij deed nog een aantal burgers uit de overijsselsche steden derwaarts trekken, en maakte het den be-

[pag. 187]

legerden weldra zoo bang, dat al de ridders op het kasteel, ten getale van 300, zich met hunne schildknapen, alleen niet behoud van hun lijf, aan den bisschop moesten overgeven, die op het zien van deze rijkgedoste en geharnaste ridderschaar lagchend uitriep, dat hij nooit zoo vele fraaije rotten in ééne val geknipt had. Zij werden gevangen naar Utrecht gevoerd en niet dan tegen groot losgeld ontslagen. Het kasteel Rijnestein werd tot den grond toe afgebroken.
     Voor heer Reinoud van Koevorden zat er nu niets beters op, dan ook met den bisschop in onderhandeling te treden. De hertog van Gelder bood zich als bemiddelaar aan, en men kwam al spoedig overeen, dat Reinoud het kasteel van Koevorden aan den bisschop zoude overgeven en voor altoos afstand doen van het bewind over Drenthe; dat hij zijne bijzondere eigendommen aldaar zoude behouden; terwijl de bisschop aan hem zoude uitkeeren eene som van 15,000 oude gouden schilden, door de steden Deventer, Kampen en Zwolle te betalen in 1402. Zoodra de brieven hiervan bezegeld en uitgewisseld waren, werd het beleg opgebroken. De bisschop bedankte de burgers voor de gewigtige diensten, hem in dezen oorlog bewezen, en deze trokken met eer beladen naar hunne haardsteden terug, waar zij van het losgeld, door de op Rijnestein gevangene edelen betaald, hun aandeel ontvingen: dat der schutters van Deventer bedroeg 705 rijnsche guldens.
     De ingezetenen der drie steden verkregen vervolgens tolvrijheid te water en te lande door ge-

[pag. 188]

heel Drenthe, en de bisschop beloofde de bewaring van het slot te Koevorden te zullen opdragen aan een’ kastelein uit Drenthe of Salland, die zoude moeten zweren over den hilligen, met opgerichten vijngeren gestaefdes edes, dat hij het lant voor roef, brant en allen gheweltlicken saeken soude helpen bescudden ende bescermen; ook gaf de bisschop aan de steden de toezegging van schadeloosstelling voor de 15,000 oude schilden. Dan, ter meerdere verzekering hiervan, sloten zij een afzonderlijk verdrag, waarin zij elkander beloofden: weert sake, dat onse lieve here die bisscop aflivich ofte in een ander ghestichte transferiert worde, dat Got verbieden moet, eer die tijt, dat wij dien voorscreven ghelde ghequitet weren: als dat wij den bisscop, die dan na hem quame, bynnen onser steden enich, nyet ontfangen en soelen noch daer yn laeten coemen in enigher wys, hy hadde ons yrst ghequitet en voldoen van den voerscreven vyftien dusent olden scilden.
     NaauwIijks was dit tot stand gebragt, of er deden zich nieuwe onweerswolken op. De graaf van Holland dreigde Friesland met eenen oorlog, en de Friesen, de bui ziende naderen, sloten met bisschop Frederik een verdrag van vrede en vriendschap voor duizend jaar ! ! ! waarbij de bisschop beloofde geene hulp of doortogt door zijn sticht aan de Hollanders te zullen verleenen. Maar deze voorzorg kon niet baten. Het hollandsch leger werd door eene ontzaggelijke vloot overgevoerd. De Zuiderzee was bedekt met schepen, en de landing geschiedde in het gebied

[pag. 189]

van den heer van de Kuinre, die de onderneming begunstigde. De Friesen stelden zich dapper te weer, dood of vry! was hunne leus; maar zij moesten voor de overmagt zwichten en zich aan den hollandschen graaf onderwerpen.
     De handeldrijvende ingezetenen der overijsselsche steden hadden gedurende dezen oorlog veel geleden door de zeeroovers, die onder het krijgsrumoer de Zuiderzee onveilig maakten en schepen en goederen wegnamen. Een rijkgeladen koopvaarder, van Rouen komende, was door dezelve genomen en te Harderwijk opgebragt; de roovers hadden de lading in Amsterdam verkocht, en zich van daar naar Kampen en Genemuiden begeven, waar zij gevat en gevangen gezet werden, doch geholpen door hunne deelgenooten uit Harderwijk en eenig gespuis uit Enkhuizen, gelegenheid vonden om uit hunne gevangenis te ontsnappen. De reeders, wier klagten bij den bisschop en den hertog van Gelder weinig ingang hadden, moesten zich de schade getroosten. Ook de zeekusten werden hier en daar door de roovers bezocht, en de hertog van Gelder oordeelde het van helang, Elburg, dat nog een dorp was, met vesten te versterken. Zijn ambtman, Arend ten Boecop, wien dit werk opgedragen was, deed de kerk, het gasthuis en de huizen langs de beek, in ’t vierkant met muren omvangen, en de tusschenruimte door straten afdeelen. Voor den hertog, die zich in den omtrek dikwijls met de jagt kwam vermaken, liet hij een fraai gebouw oprigten met een’ hof en ruime paardenstallen. Toen deze het voltooide

[pag. 190]

werk kwam bezigtigen en vroeg, waartoe dat gebouw moest dienen, en wie hetzelve betalen zou, antwoordde ten Boecop: ik had de eer het voor mijnen heer den hertog te doen bouwen, en wil hem de eer laten om hetzelve te betalen. De hertog lachte om den inval, noodigde ten Boecop ter maaltijd, en op zijne gezondheid drinkende, reikte hij hem den zwaren zilveren beker met beide handen over, en gaf hem dien met het nieuwe gebouw ten geschenke. Ten Boecop vereerde daarop den hertog een fraai veluwsch paard, zoodanig afgerigt, dat het een opgejaagd hert konde inhalen.
     Bisschop Frederik, die intusschen onvermoeid werkzaam was, om de grenzen van het sticht te versterken, vond thans gelegenheid om de heerlijkheid de Kuinre daaraan te hechten. Heer Herman van de Kuinre had in den frieschen oorlog de Hollanders begunstigd, en was een gevaarlijk nabuur geworden. De bisschop trad met hem in onderhandeling, en kocht in 1397 het kasteel en de heerlijkheid van de Kuinre voor eene rente van 400 olde schilden, jaarlijks te betalen op St. Michiels altaar te Zwolle. Bij nadere overeenkomst werd echter bepaald, dat de koopschat in eens met 5250 oude schilden zoude worden voldaan. De steden Deventer, Kampen en Zwolle verbonden zich al weder, om in 1407 het geld daarvoor te leveren, waarvoor de bisschop den ingezetenen tolvrijheid in gemelde heerlijkheid gaf, met de verzekering, dat het kasteel ter beveiliging van het sticht en van den handel, zoude worden

[pag. 191]

toevertrouwd aan eenen ambtman uit Salland of Vollenhove. Deze voorzorg had het gewenschte gevolg. De Friesen, zich onder het hollandsche juk niet willende krommen, wierpen het reeds in 1398 weder af en joegen de Hollanders het land uit. Ook de Groningers overvielen de Hollandsche knechten op het steenhuis te Aitzum, en wierpen dezelve in het damster-diep, waarin ze allen verdronken. Hertog Albrecht zond andermaal een leger naar Friesland. De landing geschiedde nu aan de Lemmer, en de opstand werd spoedig gedempt, terwijl den Friesen nu eene jaarlijksche belasting van 6 stuiv. van ieder huis werd opgelegd. Maar zoodra het leger vertrokken was, werd ook dit verdrag weder verbroken; de Hollanders moesten ten derdenmale overkomen, om de rust te herstellen. Dan het baatte alles niets; de Friesen staken telkens de vrijheidsvaan weder op, en hertog Albrecht moest eindelijk besluiten, zijn plan van overheersching op te geven en hen met rust te laten.
     Hij had de Groningers genoodzaakt hem als hunnen heer te huldigen. Na zijn aftogt wilde bisschop Frederik zich weder als zoodanig doen gelden; maar de Groningers wezen ook hem af en wilden noch graaf noch bisschop erkennen, waardoor op nieuw oorlog ontstond.
     Bisschop Frederik sloot in 1399 een nieuw verdrag met Utrecht, Amersfoort, Deventer, Kampen en Zwolle, om hem van manschap en geld te voorzien. De sallandsche steden leverden steenbussen en ander belegeringstuig. Uit Deventer trokken vier leden van den raad en

[pag. 192]

een goed getal burgers met donderbussen en donderklooten, op karren geladen, naar het leger, en deze stad schoot eene som van 1042 rijnsche guldens, eene placke ende 6 butkens voor de kosten der onderneming. Uit de andere steden kwam een evenredig getal manschappen op, en het vereenigd leger trok in het volgend jaar op Groningen aan. De stad werd hevig beschoten en bestormd; maar door de Friesen geholpen, hield zij het beleg drie weken uit; waarna zij bij verdrag overging, belovende den bisschop weder als wettig heer te zullen erkennen. De overige verschillen werden door tusschenkomst der stichtsche steden vereffend, en de bisschop gaf het geregte van Groningen aan de stad Groningen in pacht voor honderd jaar, tegen 28 gouden fransche schilden in het jaar. Zoo de betaling geregeld geschiedde, zou de pacht om de honderd jaar vernieuwd worden.
     Terwijl de bisschop zich aldus geducht maakte naar buiten, werd zijn sticht van binnen door eene verschrikkelijke pestziekte aangetast, welke duizenden in het graf sleepte. Toen deze kwaal in 1398 uitbrak, werd inzonderheid de gemeene man, wiens gewone drank uit bier of water bestond, daarvan aangetast: vele rijken, die thans vrolijk leefden, meenden daarom, het gold alleen de waterdrinkers, men had niets te vreezen, zoo men zich maar trouw aan de wijnkan hield. Doch de wijndrinkers kregen weldra ook hunne beurt, en toen was goede raad duur; men wendde zich wel tot de heiligen, maar was het niet eens, wie van hen hier het zekerst helpen zou.

[pag. 193]

Zeker geestelijke, Mattheus van Dalen, beweerde dat de pest eene straf was, die om der zonden wil het menschdom overkwam, en vermaande zijne hoorders tot boetvaardigheid en verbetering van hart en wandel; maar de man vond weinig geloof: vasten, gebeden en ommegangen behielden de voorkeur en werden dagelijks gehouden. De bisschop begaf zich naar Rome, waar in het jaar 1400 het jubelfeest gevierd werd; vele vermogende ingezetenen volgden hem derwaarts, maar weinige keerden terug. In Rome stierven dagelijks 700 of 800 menschen, in Kampen en Deventer 20 of 30, en in Zwolle 50.
     Katharina van Beijeren, gemalin des hertogs van Gelder, werd door den dood verrast op haar lusthuis te Hattem. Terwijl haar gemaal in de velnwsche bosschen zich met de jagt verlustigde, hield zij dikwijls haar verblijf met eenen weidschen hofstoet van jonkeren en jufferen; een’ kapelaan, een’ dwerg, rijdenden en loopenden bode en vele hofbedienden, wel 60 in getal. Op hare welvoorziene paardenstallen vond men fraaije schimmels, het stuk 100 geldersche guldens waardig geschat. Bij uitersten wil gaf zij aan hare hofjuffers hare kostbaarste kleederen van fluweel, kamlaat, gulden en zijden taken, en tabbaarden met bont gevoederd, St. Martensvoeder genaamd. Verscheidene kloosters en geestelijken, en ook de armen werden zeer mild door haar bedacht.
     De zucht om kerken, kloosters en gasthuizen te bouwen was in dezen tijd zeer levendig. In 1403 werd door Pilgrom Morre te Kampen,

[pag. 194]

buiten de Zwanenpoort een gasthuis gesticht voor melaatschen of pestzieken, met eene kapel aan de H. Katharina gewijd. Cecilia van den Toren had eene vergadering van vrome zusters opgerigt in een huis, haar door den raad der stad daartoe gegeven, in de korte hofstraat bij de St. Nikolaaskerk, met een hof uitkomende aan den burgel, de toenmalige buitengracht. Deze vergadering was in 1410 zoo talrijk geworden, dat men besloot, met toestemming van den prior van Windesheim, voor dezelve een klooster te stichten. De regering der stad schonk daartoe St. Joris kamp en kapel te Brunnep, en door milde giften van eenige voorname ingezetenen werd het klooster, onder opzigt van Diederik Roevers en Lubbert Pieters, opgebouwd, de reeds aanwezige kapel tot eene kerk ingerigt, en het werk reeds in 1412 voltooid. De inwijding geschiedde onder een grooten toeloop van volk, door den prior van Windesheim, die 14 van deze zusters, wier eenvoudige gehoorzaamheid zeer geprezen werd, in de orde van St. Augustinus aannam, er 10 van als kloosternonnen, en 4 als conversen inkleedde. De kloosterkerk stond vervolgens open voor de burgers en de buren, die door het kloosterklokje dagelijks tot de dienst genoodigd werden. Door de eerste priorinne, Stijne Koornemerks, werd bepaald, dat er niet meer dan 36 nonnen, 12 conversen, en 20 dienstdoende zusters in het klooster zouden mogen huisvesten; maar naderhand is dit getal tot 120 aangegroeid, want vele aanzienlijke juffers namen het nonnenkleed aan,

[pag. 195]

waardoor het klooster groot aanzien verkreeg, en als het ryke jufferenklooster in Brunnep is bekend geworden. De woniug van den schoolonderwijzer aldaar is er een gering overblijfsel van. Met de ronde vloersteenen werd na de slooping de zoogenaamde pannekoekendijk belegd, terwijl de voormalige kloostergoederen thans nog de kloosterkampen, bagynenweide en patershof genoemd worden. Het huis in de korte hofstraat werd aangekocht door Johan Kenneken, die het tot eene vergadering van oude vrouwen bestemde, welke thans nog onder den naam van Uiterwijksvergadering bestaat.
     In 1416 werd door eenige burgers de memorie van het heilig kruis opgerigt in de St. Nikolaaskerk, die toen een hoogen trap van luister had bereikt. 8000 parochianen hadden er op paaschdag van dat jaar het avondmaal genoten. Op het hoog altaar stond een zilveren kruis, waarin men zeide, dat een stukje hout van het kruis van Christus werd bewaard, waarna deze instelling de broederschap of memorie van het heilig kruis werd genoemd. Het doel was, om de feestdagen ter eere en ter gedachtenis van het H. kruis, door gezang en orgelspel luister bij te zetten; de priester moest dan op den preekstoel, in een gepast sermoen, voor de afgestorven broeders en zusters der memorie bidden, de klerken en geleerde gezellen alle vrijdagen eene vroegmis helpen zingen, alle broeders en zusters dagelijks drie paternosters en drie ave-mariaas lezen, voor de overledenen omgangen doen in de kerk, des zondags na kruis-

[pag. 196]

verheffing eenen maaltijd houden op eene eerzame stede, waar men hun zoude voordienen, spek en moes en twee geregten daar toe, één gezoden en één gebraden; men mogt elkander dan niet toedrinken, geen kijf maken, onder den maaltijd moest gelezen en wat er van spijs en drank overbleef den armen gegeven worden, aan welke ook het geheele jaar door, des zondaags, door de memoriemeesters zoude worden uitgedeeld, één brood van twee plakke, en daarbij des winters een pond boter, des zomers een pond spek, en in de vaste drie haringen.
     Terwijl men zich met zoodanige instellingen bezig hield, werden ook op de bewaring van orde en rust nieuwe keuren vastgesteld. Zoo leest men in ’t guldeboek, van der schepen clocke toe slaen, als der stadt last ende noot anqueme ende geruchte worde.
     Omtrent de stads wachte werd in 1411 bepaald, dat die op de wacht geboden was, en niet verscheen, 100 schellingen (5 stads q) verbeurde. De schepenswachters moesten behoorlijk ronde doen; die hun niet antwoordde en daardoor in ongeval geraakte, had geen verhaal; die een’ wachter wondde of doodde, verbeurde lijf en goed, die na zonsondergang wapengerucht maakten, 100 sch. en die, niet tot de wacht behoorende, gewapend op straat verschenen in ’t harnas, met zwaarden, gensen, baseloren of lange messen, verloren de wapens en 40 stads q; ook mogten de lemmers der messen niet langer zijn dan eene halve el, op gelijke boete. Vond de schepenswacht eenige

[pag. 197]

mans- en vrouwlieden, die te zamen kooiden, in eene kwade herberge, waar ze niet behoorden, die verbeurden 100 sch. en de waard soo menig paer, soo menig 100 schillingen.
     Omtrent de gewapende uittogten der burgers was reeds in 1408 bepaald dat, wanneer bij wapengerucht de schepensklok geluid werd, ieder zich bij zijn’ hoofdman moest vervoegen, op verbeurte van lijf en goed. Diens bevel moest zonder tegenzeggen worden uitgevoerd, op eene boete of keur die hij zelf kon bepalen, tot 100 fr. schilden toe. Trok men met de stadsbanier te velde, dan had een lid van den raad of der gezworen gemeente het bevel: alwie zonder verlof het vaandel verliet, verbeurde zijn lijf, en wie vlugtte, ook zijn goed, waarvan hem niets gelaten zou worden. Een hoofdman uit de meente, met soldeniers op een’ togt uitgezonden, genoot dubbele soldij en dubbele buytinge; maar aan het hoofd van burgers uittrekkende kreeg hij niets, zijnen knecht zou de stad loonen en den kost geven. In 1413 werd echter goedgevonden, dat wanneer een groot getal burgers te veld trok, derzelver hoofdlieden, uit raad en meente gekozen, gezamenlijk het beleid van den togt zouden hebben, en bij hunne tehuiskomst behoorlijk rekening doen, zullende het dan aan het goeddunken staan van raad en meente, wat zij elk voor hunnen arbeid te verdrinken zouden hebben, alsmede voor hunne knechten.
     De leden van raad en meente moesten ook dikwijls verre en gevaarlijke reizen ondernemen,

[pag. 198]

wegens handels- of stads - aangelegenheden. In 1363 had men reeds bepaald, dat een schepen of raad op zoodanige reize gevangen rakende, men hem zoude lossen met 1000 oude schilden, indien ’t niet minder te krijgen ware. In 1413 werd hem ook een behoorlijk mijlgeld toegelegd, te weten; voor elke mijl afstands 4 kamper grooten, in en uit; ’twelk aldus werd berekend: van Kampen tot Deventer en weder te Kampen, 20 heerengroot. Naar des graven hage en Zeeland, 5 rijns. guld., de knecht ½ guld., naar Vlaanderen en Braband 8 R. guld., de knecht 1 guld., naar Bremen, Lubek, Hamburg en Lunenburg 25 R. guld., en verder oostwaarts naar de Sond en de wendische steden, 30 R. guld. en elken stadsdiender 6 R. guld., de gulden gerekend tot 13 vlaamsche grooten. Te huis komende zou hij daarenboven nog genieten een kwarte wijns, en de knecht een mingelen (1 [1. In later tijd werden zeodanige wijntaken in geld betaald, t. w. voor eene take wijns 12 stuiv., voor een quarte 6 st. en voor een mingelen 3 st.]).
     Tot belangrijke landszaken werden gewoonlijk twee schepenen afgevaardigd. De geschillen, welke na den aankoop van de heerlijkheid de Kuinre gerezen waren met de naburige Friesen, over de erfpacht van eenige landen, in IJsselham gelegen, werden door twee abten en twee schepenen uit elke der drie hoofdsteden afgedaan, (die uit Kampen waren Geert de Witte en Arend van Unden) welke als segslude en vren-

[pag. 199]

delicke dedingsmannen uitspraak deden, dat er eene nieuwe meting dier landen zou plaats hebben, volgens welke de friesche pachters van elke pondemaat jaarlijks 4 engelse sterlinge, (waarvan de 3 eenen franschen sulveren grooten deden,) zouden betalen op tynsregt, dat is, die zijne thins op den verschijndag niet had voldaan, zou op de volgende termijn tweevoldig betalen, daaraan niet voldoende, het derde jaar viervoldigen tijns schuldig zijn, en dan niet betalende, het erve waar de thins uitging verbeuren, hetwelk dan weder vrij aan den bisschop zoude komen. De Friesen moesten zich hieraan onderwerpen; maar de bisschop beloofde, dat de ambtman van de Kuinre gunstlic ende lieflic met hen soude leven, en hun goed regt doen wedervaren. De hevige twist met de Gelderschen werd insgelijks door de afgevaardigden der drie steden bijgelegd. Reinoud IV, namelijk, die zijn’ broeder Willem als hertog van Gelder was opgevolgd, had in 1404 de burg te Hattem versterkt met een’ toren, waarvan het muurwerk 25 voet dik was, en deed in 1407 aldaar tol heffen van alle koopvaardijschepen, die den IJssel bevoeren; dezelve werden door gewapende vaartuigen tot de voldoening van den tol gedwongen of met bussen beschoten, aangehouden en geplunderd; ook leden de boeren langs den oever daardoor veel overlast. De raad van Deventer drong bij den bisschop aan, om deswege van den hertog voldoening te eischen, en toen daarop niet spoedig antwoord kwam, werd door de gezanten van Kampen en Zwolle den volgenden brief uit

[pag. 200]

Deventer aan den bisschop afgezonden: Eerweerdighe, lieve en gheminde Here, want hijr mit ons een deel coeplude liggen, de uwes vrijes stroems gheerne ghebrucen solden, ende nyct upwart noch nederwart varen en dorren, waer up wi uwer ghenaden oetmoedelicen bidden en begheren, dat ghi ons willen doen scriven, soe wes ju van den hertoghe van Ghelre ter antworden weder ghescreven is. onse Here Got moet ju bewharen lanclivich, salich ende ghesunt enz. onder der stad secreet van Deventer.
     De bisschop, geen antwoord van den hertog ontvangende, gaf zijnen ambtman op Arkelstein aanstonds last, om de koopvaardijvloot veilig geleide te bezorgen naar Kampen. De ambtman trok daarop met 60 boeren naar Deventer; vier leden van den raad dier stad met een aantal burgers, voegden zich bij hem, verdeelden zich op de schepen, en zeilden den IJssel af, voorbij Hattem, naar Kampen; vele aldaar liggende hollandsche en andere koopvaarders keerden onder dezelfde bedekking terug, zonder van de Hattemers gemoeid te worden. Hertog Reinoud wilde echter niets toegeven, en de oneenigheden duurden voort tot groot nadeel van den handel. Eene groote hollandsche koopvaardijvloot, welke hare waren op de St. Martensmarkt te Deventer wilde brengen, moest een’ geruimen tijd voor Kampen blijven liggen, om het geleide naar Deventer af te wachten. De bisschop begaf zich eindelijk naar Deventer, om daarin te voorzien, en eerst in 1409 kwam hertog Reinoud te Hattem, om de afgevaardigden te hooren, welke

[pag. 201]

niet lang daarna het geschil, ten genoege der steden vereffenden, en den hertog bij die gelegenheid drie vette ossen ten geschenke gaven, waarvoor zij een hert terugontvingen. Reeds vroeger hadden schepenen en raad van Deventer den bisschop op den Brunenberg prachtig onthaald, en bij die gelegenheid hem een’ grooten steur, voor de stad gevangen, vereerd.
     De buitenlandsche handel leed thans ook groot, nadeel door zeeroovers, die zich in Oostfriesland ophielden, likedeelers genoemd. De kooplieden van Kampen, die om dezen tijd 120 groote schepen in de vaart hadden, en veel op de Oostzee voeren, deden in 1412, met die van Amsterdam, twee oorlogsschepen uitrusten, een ever en een hulk, voerende ieder, behalve de scheepskinderen of matrozen, 136 soldeniers. Door de overige hanzesteden werden insgelijks schepen uitgerust. De vloot verzamelde zich te Emden; het krijgsvolk werd aldaar ontscheept, trok op de kasteelen der likedeelers aan en roeide deze roofnesten geheel en al uit; waarna in 1418, op eene algemeene vergadexüng der hanzesteden, te Lubek gehouden, waar de afgevaardigden van 46 steden, en daaronder die van Deventer, Kampen, Zwolle en Hasselt verschenen, de belangen van handel en zeevaart werden geregeld.
     In den oorlog tusschen Jakoba van Beijeren, gravin van Holland, en haren oom, hertog Jan van Beijeren, die haar het bewind zocht te ontwringen, hield bisschop Frederik met de stichtsche steden de zijde van Jakoba, en deed de Hollanders en Gelderschen veel afbreuk. De

[pag. 202]

Kampers gaven ter zee blijken van ervaring en moed, en deden den Hollanders hunnen ouden wrok gevoelen. In 1415 hadden schepenen en raad, Otten van Diemen tot schout van Ens aangesteld, om dat eiland truwelick to bewaren ende to berichten, als een guet sculte sculdich is te doen; hij had schepenen daarop gegeven 60 rynse gulden, guet van golde ende gherecht van ghewichte, onder beding, dat hij van dat ambt niet zoude ontzet worden, tenzij hem dit geld teruggegeven wierd, en dat hij hetzelve niet zou verbeuren, zelfs al had hij in zaken der heerlickheyt andraghende iets misdaan, in welk geval men hem naar landsregt, goed regt zoude laten wedervaren. Van deze zonderlinge voorwaarde was voor de veiligheid van Ens, dat toenmaals een aanzienlijk eiland was, weinig goeds te verwachten, en Otten van Diemen schijnt zich dienaangaande ook niet zeer pligtmatig te hebben gekweten, alzoo deze overeenkomst niet lang daarna werd vernietigd.
     Hoe men ten dien tijde over de Hollanders dacht, bleek in 1415, toen raad en meente bepaalden, dat geene Hollanders of ballingen als burgers zouden worden ontvangen.
     Gedurende het beleg van Amersfoort in 1419, werd die stad van voorraad voorzien door gewapende kamper schepen, welke de Eem opvoeren, in weerwil van twee groote hollandsche hulken, die dit poogden te beletten. In de gevechten welke op de Zuiderzee voorvielen, behaalden de Kampers verscheidene voordeelen, en verontrustten de hollandsche kusten, schoon er ook ee-

[pag. 203]

nige hunner schepen genomen werden. In 1420 stevenden zij met gewapende roeibuizen naar het eiland Marken, overvielen en plunderden de inwoners, en staken derzelver huizen in brand; maar de burgers van Hoorn, de vlam ziende opgaan, vielen hen onverhoeds op het lijf, zoodat zij na een scherp gevecht, met verlies van eenige dooden en gekwetsten, de vlugt moesten nemen.
     Hertog Jan van Beijeren stak in hetzelfde jaar met eene vloot van 200 schepen de Zuiderzee over naar Kampen. Voornemens de stad te overrompelen, wilde hij zijn volk aan den Zwartendijk doen landen, en gaf bevel om den boom, waarmede de Reve gesloten was, in stukken te zeilen; maar het schip bleef op den boom zitten en werd uit het bijgelegen blokhuis zoo hevig beschoten, dat de hertog van de onderneming moest afzien en naar Holland terugkeerde.
     Terwijl de kamper vlag op de Zuiderzee werd ontzien, zag men ook de stads banier op de Veluwe schitteren in ’s bisschops leger, hetwelk de Gelderschen groote nadeelen toegebragt. Een aantal dorpen werden uitgeplunderd en verbrand, het huis te Arler, door zeven mannen verdedigd, werd stormenderhand ingenomen, rondom ’s hertogen lusthuis Rozendaal, en terwijl die zich met vele ridders en wel 400 paarden zelve aldaar bevond, werden alle hofsteden en boerenwoningen afgebrand, de akkers verwoest, en het land geheel uitgeput. Brood en bier werden schaarsch en duur; een mudde weit gold 5,

[pag. 204]

een mud haver 2 gulden; daarbij kwam weder de pest, die vele menschen wegnam; zelfs in ’s bisschops leger stierven 1500 vechters, maar de krijg werd evenwel voortgezet.
     Bisschop Frederik, thans een man van 79 jaren oud, had nog eenen aanslag op Wageningen in den zin. Op St. Martensnacht trok hij met 1000 man uit Utrecht. Met het harnas onder het koorkleed had hij aldaar des avonds te voren nog zelf den vesper gezongen. Een stormram op wielen, door 500 man getrokken, deed de poortdeuren van Wageningen openspringen, de burgers en vele derwaarts gevlugte edelen werden van hunne kostbaarheden beroofd, de bezetting gevangen genomen en de stad in brand gestoken. De bisschop trok met den geroofden buit naar Utrecht terug, loofde en dankte Gode, onze lieve Vrouwe en den goeden St. Marten, die hem zoo trouw had geholpen.
     In 1422 begon men om den vrede te denken, welke door de wederzijdsche afgevaardigden, waaronder ook die van Deventer, Kampen en Zwolle, te Kuilenburg werd gesloten en waarbij den ingezetenen der drie overijsselsche steden, tolvrijheid in Holland en Zeeland, gelijk voorheen, werd toegestaan.
     De drie hoofdpersonaadjes, welke nu hunne rollen hadden uitgespeeld, verlieten de een na den ander het tooneel dezer wereld: hertog Reinoud van Gelder overleed den 25 junij 1423, bisschop Frederik van Blankenheim den 9 october daaraanvolgende, en hertog Jan van Beijeren den 6 januarij 1425.

[pag. 205]

     Bisschop Frederik had gedurende zijne dertigjarige regering het sticht met roem bestuurd, de vijanden daar buiten gehouden en de ingezetenen, die hem met volk en geld bestendig ondersteund en zich vele opofferingen getroost hadden, onderscheidene voorregten doen genieten; terwijl Overijssel thans inzonderheid werd beveiligd door de landskasteelen Arkelstein, Goor, Diepenheim, Koevorden, Almelo, Vollenhove en de Kuinre, welker kasteleinen den eed van getrouwheid aan de steden moesten afleggen en derzelver handel beschermen. Dikwijls hield hij zijn verblijf op het kasteel te Vollenhove, waar hij ook is overleden. ln Zwolle deed hij een bisschoppelijk paleis bouwen, in Deventer en zelfs in Hasselt, zilveren munt slaan; hij verbeterde het dijkregt van Salland, beteugelde de veem- of heimelijke gerigten, en heeft den bloei en de welvaart der ingezetenen aanmerkelijk bevorderd.

Category(s): Kampen
Tags: ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *