Bevers in den IJssel

[pag. 95]

BEVERS IN DEN IJSSEL.

________

     In de laatste eeuwen is het voorkomen van Bevers in onze vaderlandsche rivieren als een zeer zeldzaam verschijnsel aangemerkt. Wat den Ijssel betreft, daaromtrent meldt MARTINET, in zijnen Katechismus der Natuur D. II. bl. 143, dat er in het jaar 1757 een gevangen is bij Middachten, en hij meent, dat deze dieren afgedwaald en afgezakt zouden zijn van de Lippe, alwaar zij nog zouden voorkomen. In de maand December 1799 werd op de hoeve Beltman, in de Buurschap Epse bij Deventer, dergelijk dier in eene otterval gevangen. Het had getracht, zich daaruit los te maken; doch was onder deze vruchtelooze inspanningen afgemat, in het water gevallen en verdronken. Het had zich aan den oever zeer kunstig eene woning van wilgentakken gebouwd, ongeveer zes voeten hoog en even uitgestrekt in vierkante oppervlakte. Op het uiterlijk aanzien zoude men haar voor ecnen onregelmatig zamengebragten hoop wilgenhout gehouden hebben, maar bij nader onderzoek bleek het, dat zij vrij vast en stevig gebouwd was. Binnen in lagen vele dunne takken, riet en bladeren; van buiten was het hout en het riet met klei verbonden.

[pag. 96]

De grond naar het water heen was hellend gemaakt; boven den grond bevonden zich twee vertrekken, elk in het benedenste gedeelte met eene opening naar het water, om gebruikt te worden naar den hoogeren of lageren stand der rivier. De massa hout, daartoe gebruikt, zoude naauwelijks door twee paarden hebben kunnen vervoerd worden. - De Bever zelf, die nog jong en van het mannelijk geslacht was, werd eerst, zoo hier als te Amsterdam, aan het publiek vertoond, vervolgens verkocht en door den Hoogleeraar A. BONN naauwkeurig ontleed. Hij gaf in het jaar 1806 aanleiding tot eene naauwkeurige akademische verhandeling, waarin eene uitvoerige anatomische beschrijving van dit dier voorkomt, en waaruit blijkt, dat het tot geene andere soort behoorde, dan tot de Noord-Amerikaansche en Siberische Bevers, gelijk zij door BUFFON en andere Natuurkenners beschreven worden (1 [1. ANDR. CONR. BONN, Anatome Castoris atque chemica Castorei analysis ejusque in medicina usus. Lugd. Bat. 1806.]).
     Het blijkt uit de Kameraarsrekening van Deventer, dat deze dieren in vroeger tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt, dat de stedelijke Regering eene premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt deze vermelding voor op den post van uitgaven, en bij eene naauwkeurige optelling zoude men het getal zeer aanzienlijk vinden; waarbij wij nog in het oog

[pag. 97]

moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat tijdvak ontbreken. Bij een vlugtig overzigt zijn b.v. in het jaar 1454 opgemerkt vier, in 1467 veel meer, waaronder één op de Worp werd gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de stads weerden, in 1470 drie jonge op de Landeweer in den ouden IJssel, en nog vijf, in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge, waaronder ook levende, en zoo verder jaarlijks een grooter of kleiner getal. Somtijds wordt de naam der personen gemeld, die de premie ontvingen, b.v. Item Willem Duyvenvenger gegeven van enen bever ij arn. g. fac. 1 q iiij kromsteerten - somtijds niet b.v. Item een deel gesellen die gevangen hadden ij jonge bevers. viij kromsteerten. Deze menigvuldigheid doet ons gelooven, dat zij in vroegere eeuwen de rivieren van Germanië en ook onze Nederlandsche rivieren in groot getal bewoond hebben, maar door de toenemende scheepvaart, in het bezit der oevers en het voldoen aan hunne kunstdrift gestoord, en daar bovendien de menschen jagt op hen maakten, langzamerhand geheel verdwenen zijn, zoodat hun voorkomen in later tijd tot de zeer zeldzame verschijnselen behoort. Sedert de toeneming der kultuur in Noord-Amerika en Siberië houden zij ook daar op, in geregelde maatschappijen te leven, en verminderen hoe langer zoo meer. Het is overigens buiten allen twijfel, dat deze dieren, die in de rekeningen voorkomen, otters zouden geweest zijn, dewijl hier en daar ook melding gemaakt wordt van eene jagt op otters, die zich in groote hoe-

[pag. 98]

veelheid in de nabijheid der stad moeten opgehouden hebben, en ook thans niet tot de zeldzaamheden behooren.

                                                                                                                   P.C. Molhuijsen.

______

Category(s): Overijssel
Tags: ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *