Kamper Nieuwjaarsdichten van het jaar 1700

[pag. 254]

KAMPER NIEUWJAARSDICHTEN.

VAN HET JAAR 1700.

________

     Niet altijd mocht zich de Kamper regeering verheugen, zich zulk een liefelijk en verdienstelijk jaardicht te zien toewijden, als dat van den jongen Martinius, in den voorlaatsten jaargang van dezen Almanak herdrukt. Hetzij echter door het voorbeeld van dien dichter, hetzij door eigen inwendig dichtvuur aangelokt, 69 jaren na Martinius vond zich de minder begaafde, al is het niet minder welmeenende Kamper Roedrager B. Arentsen Utenhout genoopt, zoo den ,,Heeren van de gezworene gemeente en de daaruit getrokken keurnoten’’ (1 [1. De gezworen Gemeente noemde men de 36 – uit elk espel of wijk der stad 9 – mannen, die, met de eigenlijke Overheid, den breederen raad uitmaakten, en door gene in zaken van bijzonder gewicht moesten geraadpleegd worden; terwijl hun tevens de jaarlijksche verandering der Magistratuur – ’s Woensdags na Drie Koningen – was opgedragen. Keurnoten of Heeren noemde men die twaalf hunner, die alsdan door het lot tot het doen der keuze bepaaldelijk werden aangewezen.])

[pag. 255]

van de stad zijner inwoning, als hunnen nederigen Dienaren, ,,de gezamenlijke Roededragers en Dienders der stad,’’ zijne heilwenschen in dichtmaat te wijden; terwijl hij in zijne weelderige dichtvlaag ook ,,de vijf eerwaarde en godzalige Predikanten der gemeente Jesu Christi te Kampen,’’ daarbij niet onbedacht liet. Zijne kreupelrijmen, door de Stads Overheid met een gift van 150 gulden beloond, kwamen ’s mans tijdgenooten zoo merkwaardig voor, dat zij, op hunne beurt, de Heeren dier Overheid in een ,,Lofdicht’’ bezongen, ,,ter occasie dezelve Heeren’’ hun gelukkigen dichter die milde ,,vereering’’ schonken.
          Den IJssel wordt een Hengstebron,
          En Campen kan met regt verstrekken
          De Schoole om geesten op te wekken,
          Een nieuw verrezen Helicon!
     zoo zong men daar onder anderen, en van de Stadsregeering heette het:
     En gij, o vaders van ’t Gemeen!
          Gij zijt ook de echte en trouwe vadren
     Van die het vuur steeds vloeit in de adren,
          Ontstooken door de Godlijkheên.
     Gij schat de dichtkunst naar haar aart,
          Daar mag Heer Utenhout op roemen:
     ……………………………..
          …………………………….
     Wie is niet weggevoerd van vreugd?

[pag. 256]

          Wie niet door blijdschap uitgelaten?
     Wie zingt niet, op verheven maten
          Van heldentoon, uw roem en deugd?
     Wat dichter tracht niet daar zijn huis
          Te stichten? —
     Men moet dan ook bekennen, dat ’s Heeren Utenhouts rijmen, in hunne vermakelijke kreupelheid, die verrassing zijner stad- en tijdgenooten bij hunne rijke bekrooning allesins wettigden; en ieder die ze doorloopt, zal zich gewisselijk licht verklaren kunnen, dat zekere ongenoemde N. N. hen kort daarna, van de weinige volgende regelen begeleid, ten vermake zijner landgenooten in het licht gaf: ,,Mijnheer! –
Gij, een liefhebber van de dichtkunst zijnde, zoo vinde ik mij verplicht, UEd. te zenden de inleggende gedichten, welke zoowel hebben kunnen behagen aan onze Magistraat en Gemeente, dat den Maker, als een Poëta laureatus bij haar is ingehaald, en beschonken met een gifte van 150 gl. Leest dezelve met vermaak en laat niet na de Amsterdamsche Poëten die te overhandigen.’’
     Daar Utenhouts dicht ook voor onze dagen nog niets van zijne vermakelijkheid verloren heeft, nemen wij de gelegenheid, ons in dezen Almanak gegeven, te baat, het na ruim anderhalve eeuw nogmaals het licht te doen zien.
          Deventer 15 Dec. 1854.                                                                                     V.

[pag, 257]

I.

Geduchte Heeren van de Meente in ’t generaal,
Uwen seer geringen Dienaar wenst u altemaal,
In dit van u allen beleefde jaar seventien hondert,
Dat den Hemel noyt ten quaden over u dondert;
En dat gij, gelijk als ’t laatstleden afgeloopen drie jaar,
Nog lange meugt in vreugde en blijdschap by malkaar
Blijven; ja, zoo lange in de aanstaande nieuwe ewe,
Dat God, de Heere, allergenadigst gunne en geve;
En als zijnen raad hier hebbende uitgediend,
Dat gij dan met vreugde voor hem verschijnt.
     1.     En in ’t bijzonder wensch ik dit den oltsten redenrijken Heer Olikan,
          Die op heden nog is zoo een dapper en sterke man:
     2.     En ook den zoetvloeyenden Heere Bisschop,
          Die alles neemt zonder erg en ten besten op.
     3.     En ook den niet verdrietigen Heer Hartog,
          Die heeft leeren verdragen, en blijft altijd denzelven nog.
     4.     Immers ook den in alles wel oordeelenden Heere Munt;
          O treffelijke deugd! die iedereen goed gelijk hem zelven gunt.

[pag. 258]

     5.     Ja ook den prijswaardigen en liberalen Heer Oestrinck,
          Die wenscht     dat alle ding na regt en reden gingk.
     6.     Maar ook den wakkeren en weldoenden Heer ter Heyde,
          Die God lief heeft en den naasten alle beyde.
     7.     En dan ook de vermakelijke Rentmeester van Dijk,
          Die yder wenscht te doen regt, billijk en gelijk.
     8.     Wel ook den zeer goedaardigen Rentmeester Marie,
          Die daarin blinkt veel schoonder dan een parle.
     9.     En nog den kennelijken Heer Ekelboom,
          Bij wien iedereen is wellekoom.
     10.     Doch immers den in alles welbescheiden Heer Suirman,
          Die ten beste doet voor ’t Gemeen al wat hij kan.
     11.     Ja den hooggeleerden Heer en Advokaat van der Wolfsen,
          Die deftig is in lijf en geest en taal en schrijven met de pen.
     12.     Niet minder den schranderen Dokter en Fiscaal, vader Meyer,
          Die regt bemint, maar nooit den bedriechelijken vleyer.

[pag. 259]

     13.     Hetzelfde den lieftalligen en zoetvloeyenden Heer Smit,
          Die gaarne bij de beste en braafste Heeren zit.
     14.     Wel dan ook den godzaligen Heer vader Brouwel;
          Die kwalijk spreekt van hem, dat is een groote grouwel.
     15.     Insgelijks ook den voorzichtigen Heer Kerkmeester van der Meulen,
          Die regt en weldoet, in groote spijt van veulen.
     16.     Zoo ook den kloeken Heer Tollenaar van de Graaf;
          Die in alles regt doorgaat, is dat niet wel een braaf?
     17.     Mede den goedwilligen Heer Nieuwenburgh,
          Die leeft en zweeft met groote zurgh.
     18.     Als ook den vrindkoudenden Heer Velthoen,
          Die trouw, regt, vroom en wel is in al zijn doen.
     19.     Met den Edelgeboren Heer van Ingen,
          Die tracht dat goed, regt, en wel gaan alle dingen.
     20.     Ook den trouwhartigen Heer Passer,
          Die leeft als een braaf man en nooit als een brasser.
     21.     Immers ook den deftigen Heer Docter Hermeyer,

[pag. 260]

          Die in alles wel doet en nooit een verleyer.
     22.     Van gelijken den welgestelden Heer Sckeppinck,
          Die nooit schrikt en vreest voor eenig dingk.
     23.     Zoo ook den vromen en deugdzamen Heer van Es,
          Die waarlijk meer deugden heeft als vijf of zes.
     24.     En de Hooggeleerde Heer Ter Beeck,
          Van wien niemand kwalijk denkt of spreekt.
     25.     Met allen den edelmoedigen Heer Roeterinck;
          Och, dat het hem wel met eene brave dame ginck!
     26. Maar nog de onvermoeide Heer Stercke,
          Die regt en weldoet, dat yder merke.
     27.     Ja den vromen en opregten Heer Stuirman,
          Die alles wel voegt, het best dat hij kan.
     28. Wel dan den zoetvloeyenden Heer Vollenhoven;
          Dat ydereen hem ten hoogste prijze en love.
     29.     Zoo mede den Heer Petrus van de Weteringe;
          Niemand die leeft acht u geringe.
     30.     Gelijk mede den gestadigen Heer van der Wende,

[pag. 261]

          Die menich mensch verlost uit groot en zwaar ellende.
     31.     Gelijkerwijs den roemwaardigen Heer Antony Eeckhout;
          Bewijst hem eer, gij alle, jonk en oud!
     32.     Neffens den standvastigen Heer Bondam,
          Die altijd vrolijk is, nooit verstoord of gram.
     33.     Van gelijken den verstandigen Heer Hendrik Eeckhout,
          Die in regte en weldoen nooit verstout.
     34.     Ook den kloekmoedigen Heer Mense van der Heyde;
          Dat de Heere hem beware, sture en geleide.
     35.     Hier by den welbedagten Heer van Berkem;
          Die goede waar begeert, die ga bij hem
     36.     En dan nog den nooit ledigen Heer Nessinck,
          Die uit liefde in uw gezelschap gingk.
     Tot besluit: die dan ontvangt de boonen (2 [2. De twaalf Keurheeren werden door het trekken van een gelijk aantal gouden bonen aangewezen.]),
     De Heer wil in uw hart en in uw ziele wonen;
     Heeren Keurnoten, dit heb ik bedacht,
     U te wenschen onder ’t uitverkoren geslacht;
     Dat is de beste keur, die u kan blijde maken,
     Dat is de beste geur in alle uwe zaken.

[pag. 262]

II.

(Aan de Predikanten).

Ik heb mijn gedachten laten gaan,
Over de schoone Nieuw-jaarwensch aan ons gedaan,
Aan de Camper zondige menschen;
Wie zou u ook niet wat goeds wenschen?
Of met hart, of tong, of pen;
Dat doe ik met die drie, gelijk ik schuldig ben,
En dat in ’t laatste jaar van deze Eewe;
Die dit veracht ik schrik en beeve.
Want zeer verkwikkend zijn die geweest,
En mij verheugt in mijnen geest.
Mijn pen moet schrijven, dat mijn hart
Mij hier toe ook heeft uitgetart,
Dat ik moet dankbaarheid betoonen.
Maar wat zou ik? de Hemel wil ’t u loonen!
Zoo wensch ik u, vijf Herders en Leeraars,
De gave Gods vele en niet schaars
In de uitspraak uwer lippen;
En dat u niet mag ontglippen,
Dat zoude strekken tot oneer
Van onzen grooten God en Heer;
Maar zoo ons alleen moogt leeren,
Dat gij en wij voor eeuwich mogen zijn als Engelen des Heeren.
1.     Bezonderlijk den oltsten Heer Van der Meer,

[pag. 263]

Die ijvert zeer voor Gods leer en ook Gods eer.
2.     En dan ook den uitmuntenden Heer Bomius,
     Wie is er in geleerdheid dus?
3.     Wel dan ook den doorgeleerden Heer Heimenberg,
     Die van harte beoogt het regte wit en merg.
4.     Maar ook den waarlijk trouwhartigen Heer Galé,
     Die leert en preekt altijd ter snee.
5.     Immers ook den doorgeleerden Heer Roldanus,
     Die leert naar waarheid en niet met een verkeerde kus.
En nu nog tot besluit, Heeren Predikanten
Die waarlijk zijt van den grooten God gezanten,
Die niets spreekt als uit des Heeren mond;
De Hemel spare u lange frisch en gezond!
Tot dat gij ons niet meer kondt leeren,
Want dan wordt gij t’huis geroepen van den Heer der Heeren.
Dit wensch ik u en ook de gansche Consistorie,
Geniet die van den Heer voor uw verkregen glorie.

III.

     Daar de Heeren drinken en eten,
Worden geen Dienaars ooit vergeten,
     Zoo ook, nu der een versje, ter eeren

[pag. 264]

Van haar welgebiedende Heeren,
     Van haar Confrater is gemaakt,
Aanstonds haar herte daar ook naar haakt.
     Wel dan, zes Dienaars van deze stad,
Eet en drinkt, maar nooit te zat.
     Om dat je mij ernstig hebt verzocht,
Heb ik dit op ’t pampier gebrocht,
     En wensch u, met dit Nieuwe jaar
Van zeventienhonderd, allegaar,
     Dat gij nog lang in voorspoed hier,
Tot Heeren en Borgers hun plaisier
     Meugt leven, en ook t’ uwen besten;
En eindelijk als dan, ten lesten,
     Mogt komen in die beste stad,
Daar niemand eenig leed meer vat.
     1.     Bogaerd den oltsten van allegaar,
          Onze gulhartigen Bestevaar.
     2.Uysman, aardig om te verhalen
          Dingen, waarom wij lachen altemalen.
     3.     In rang de derde is Utenhout (3 [3. Nam. de rijmer zelf.]),
          Die heeft als anderen ook zijn fout.
     4.     De gunsteling Claas Visser,
          Geen beter Dienaar isser.
     5.     Van Meurs, de besten ijveraar
          Van de zes Confraters allegaar,
     6.     Van allemaal de jongste is Jan Seele,
          Zeer gedienstig ons, en dan nog velen.

[pag. 265]

     7.     Die meester is van de Vischmerkt,
          Men vindt hem daar of in de Kerk.
     8.     En dan de Beuder Eickelens,
          Dat is een welgemaakt mensch.
     9.     Gerrit Coetsier, een man van behagen,
          Die niet en weet, die laat hem vragen.
     10.     Egbert de Coetsier, geboortig van Heerde,
          Dat is een man te voet, nog deftiger te peerde.
     11.     Van meester Frerick zegt men geen leed,
          Die wonder wel het ijzer smeedt.
     12.     Ten lesten twee Executeurs naar ons behagen,
          Die gedurig voor ons het kwaad verjagen.
     Nu, Dienaars van de stad hier beneden,
     De Heere hoor hier boven u suchten en gebeden!
     En als wij allen hier hebben uitgediend,
     Dat wij dan komen bij Jezus, onzen besten Vriend,
     Met allen die hier zijn zoo jonk als oud!
     Wel dan, op uwen God betrout,
     Die ons zal door den dood doen leven,
     En ons een veel uitnemender leven geven,
     In ’t getal der Hemelsche Heirscharen;
     Dat wensch ik u Roedragers, en Dienaren!

     (Te Amsteldam, gedruckt voor de liefhebbers, anno 1700.)

_________

Category(s): Kampen
Tags:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *