De St. Nicolaas- of Bovenkerk

DE ST. NICOLAAS- OF BOVENKERK.

     Vermoedelijk in de 8e eeuw, bij de invoering van het Christendem in deze streken, bekwam Kampen, toenmaals nog een onaanzienlijk vlek, een houten bedehuis, ’t welk, door de toeneming der bevolking, waarschijnlijk in de 11e eeuw, door een romaansche steenen kerk, werd vervangen.
     Het algemeen, meer uit toe Boecop nageschreven, dan na onderzoek aangenomen gevoelen, dat de thans nog aanwezige gothische kerk in 1369 door Mr. Rutgher van Keulen werd gebouwd, kan ik geenszins aannemen.
     Reeds in 1236 bepaalde bisschop Otto van Utrecht, dat Ismahel, priester te Kampen, die van zijne burgers en parochianen tot dien tijd twee ponden Deventersche munt genoot, voortaan in de plaats daarvan, de opkomsten van acht hoeven op het Kamperveen, die de parochianen daarvoor hadden aangewezen, zoude genieten.
     Volgens den nog al nauwkeurigen schrijver van de oudheden en gestichten van ’t bisdom Deventer, zou de kerk in 1296 gesticht zijn. Of dit een drukfout is, zooals de schrijver van den Tegenwoordigen Staat van Overijssel beweert, is niet bewezen. Gesticht is de kerk toen zeker niet, ze bestond reeds lang, maar misschien is ze verbouwd.

[pag. 119]

     Uit 1300 is het volgende stuk, waarbij de deken en het geheele kapittel der kerk te Deventer verklaren, dat de goederen aan de vicarie in de kerk te Kampen gelegateerd, of nog te legateeren, in geenerlei wijze tot de pastoriegoederen of aan den persoon van den rector der kerk zullen komen, maar dat de vicaris de inkomsten tot eigen gebruik zal behouden, wanneer hij elken morgen de mis waarneemt voor de levenden en de dooden, die de vicarie begiftigd hebben of zullen begiftigen.

De prima vicaria in ecclesia parochiali.

     Nos decanus totumque Dauentriensis ecclesie capitulum, notum facimus tenore presencium, cognoscentes quod bona vniuersa ad vicariam in ecclesia Campensi a fidelibus legata et leganda, ad dotem siue ad personam rectoris ecclesie eiusdem non debere aliquatenus deriuari, sed vicarius qui pro tempore in eadem vicaria fuerit constitutus, ipsos prouentus sibi ad proprios vsus reseruabit, quolibet de mane missam dicturus pro viuis et defunctis qui predictam vicariam dotabuntur vel dotauerunt, nisi fortasse inpedimentis legitimis se potuerit excusare. In cuius rei testimonium et firmitatem, sigillum capituli nostre ecclesie Dauentriensis est appensum. Datum anno domini MCCC feria secunda post dominicam qua cantatur Oculi mei semper ad dominum.

     Dit stuk wordt in afschrift uit het midden der 15e eeuw gevonden op folio 65 van het Privilegieboek, en nu lette men op het opschrift daar boven geplaatst: de prima vicaria etc, het betrof alzoo de eerste vicarie, in ’t stuk de vicarie genoemd en die toen dus zeker de eenige vicarie der parochiale kerk was.
     Volgens mijne stellige overtuiging, is in 1296, of althans in het laatste vierde gedeelte der 13e eeuw, om de oude roniaansche kerk eene nieuwe gothische gebouwd, zijn de muren der oude hooger opgetrokken, en vormde die oude kerk, nadat de muren tot pilaren waren doorgehakt, het middenschip der nieuwe gothische kerk.
     Bij gelegenheid van dien bouw had men natuurlijk

[pag. 120]

geld noodig en daar men bevreesd was dat ook de opkomsten van de eerste vicarie der kerk, tot andere deeleinden dan waarvoor ze bestemd waren, zouden worden besteed, vaardigde in 1300 het kapittel te Deventer den zooeven medegedeelden brief uit.
     Dat er omstreeks dien tijd ook giften voor den bouw werden gegeven bewijst het volgende stuk.

◦◦◦◦

     Anno domini mccc vicesimo quinto dominica Esto michi, venit coram Scabinis quidam famulus de Locheym et petiuit hereditatem Johannes Slode, dicendo se esse proximum heredem, et tune venerunt coram scabinis Laurencius et Hermannus filius Beatricis, qui fuerunt scabini in premissis et Hermannus Butenscoue, qui fuit scultetus et kornoten et fecerunt quantum de jure debebant, quod Johannes Slode dedit suum testamentum in hunc modum. Hoc est testamentum Johannis Slode, quod post mortem suam et post mortem vxoris sue, Scabini in Campen erogabunt si bona eorum post mortem amborum tantum valeant, primo ad structuram sancti Nicolai xx lib., paruorum; item ad structuram fratrum minorum in Campen x lib. paruorum; item ad structuram hospitalis ibidem x lib.; item ad dotem iij lib.; item ad primam missam iii lib.; item Glorie nepti vxoris sue viii lib.; item pauperibus et indigentibus x lib. ad vestes et calces. Item voluntas Johannis predicti fuit, quod predicta non debent exponi, nisi post mortem suam et post mortem vxoris sue. Item scabini predicti vendent suam partem de omnibus suis bonis mobilibus et immobilibus, vbicunque habuerint et facient suum testamentum ut prescriptum est, si bona sua post mortem vxoris sue tam bona sunt quod vxor sua in communibus eorum bonis sedebit quamdiu vixerit. Si fuerint bona meliora quam testamentum prescriptum, Scabini tollent singula sibi cedencia, et ipsa dabunt vbi saluti anime eius expedierit.
     (Fol. I. fol. 17.)

     Daaruit volgt nog wel niet direct dat men toenmaals, vóór 1325, bezig was met het bouwen van de kerk, maar het feit dat de gift voor de St. Nicolaas

[pag. 121]

vooropstaat en het dubbele bedraagt van de andere giften, wijst toch op eene bizondere begunstiging van den bouw. Ik wijs er op, dat hier de L. V. kerk niet genoemd wordt, en dat de eerste vicarie of de eerste mis der kerk ook weer in dit testament begiftigd werd.
     In 1339 werd er eene tweede vicarie gesticht van St Paulus en Barbara, bij den volgenden brief door den bisschop goedgekeurd:

     Nos Johannes dei gracia episcopus Traiectensis, Ad vniuersorum noticiam deducimus per presentes quod assignacionem, fundacionem et dotacionem bonorum infrascriptorum per personas infrascriptos, ad altare secunde misse in ecclesia parochiali opidi nostri Campensis fundatum, et dotatum, in honorem sancti Pauli apostoli et beate Barbare virginis, videlicet centum lib. paruorum denariorum per Wluinum de Molendino assignatos; Item per Harmannum Keye triginta lib. eiusdem monete; Item per Curlandum Dobeler centum lib. eiusdem monete; Item per Adulphum quondam curatum in Campen quinquaginta lib. dicte monete; Item per Baldewinum Scelewart quinquaginta lib. dicte monete; Item per Altetum Dobeler viginti lib. eiusdem monete; Item per Alfardum de Scuren sedecem lib. dicte monete; Item per Andream filium Jacobi quadraginta octo lib. eiusdem monete; Item per Alfardum Wonderlike centum lib. dicte monete, gratas et ratas habentes, auctoritate nostra ordinaria in dei nomine confirmamus, decernentes dicta bona ac pecunias sic assignatas et dotatas, ecclesiastica fore ac ea libertate frui de cetero et gaudere; jure parochialis ecclesie in omnibus semper saluo. In cuius rei testimonium sigillum nostrum presentibus literis duximus apponendum. Datum anno demini mmo cccmo tricesimo nono, sabbato post Ascensionen eiusdem.

     Dat de omtrek van de kerk in 1343 reeds bepaald was, en dat de kerk reeds uitwendig den verlangden vorm en omvang had gekregen, maak ik daaruit op, dat in dit jaar de kerk grond kocht om dien tot kerkhof te gebruiken, als ’t den schepenen behaag-

[pag. 123]

de. We lezen n.l. in den Oudsten Foliant, fol. 250:

     Sante Niclaes heeft betaelt de vierdeel van den erue daer Mette Vincke op plach te wonen, mit xxx scillinge groten, te bezeghen ten kerchoue wanneer den Scepenen behaecht.
     Daaronder met dezelfde hand:

     Die Scepenen leenden Zanter Niclays inden jair xlv hundert punt zuarten. Voirt leenden zie hem vyf punt grote ende dertyen solid. gros.
     Item sub Hermanno et Xristiano xlv, sol. gros. et x gr. Item xiiij lib. tres solid. et decem gr.
     Item tenentur van stene xiiij sol. gr.

     Hieruit blijkt voldoende dat de stad geld van de St. Nicolaaskerk te vorderen had wegens geleverden steen en dat er dus aan de kerk werd gebouwd; de stad had n.l. hare eigene tichelovens. De bijvoeging dat een deel daarvan verschuldigd was, sub Hermanno et Christiano, waaraan men mijns inziens den zin moet hechten: terwijl Herman en Christiaan met den bouw belast waren, geeft ons een naderen leiddraad aan de hand.
     Christiaan is zeker dezelfde als Kerstiaen steenmesseler, die in 1327 in het burgerboek voorkomt, terwijl meester Herman die messeler in 1345 als burger verschijnt.
     Deze twee zullen dus waarschijnlijk omstreeks 1345 samen aan den bouw der kerk gearbeid hebben.
     Omstreeks dezen tijd sloot de stad echter een afzonderlijk contract met meester Herman en zijnen broeder van den volgenden inhoud. (Foliant I fol. 199.)

     Dit sin dy voerwarden van Meyster Herman den steenbicker ende synen broeder.
     Ten eersten, dat sy Sante Nychlawes voert maken sollen, dy eyne sal bi den werke bliuen ende sal helpen houwen ende werken, ende sal hebben des daghes alse voele gheldes als eyn ander man heeft, ende dy andere sal af ende tho gaen ende vizeren dat werk, ende dat stadtwerk sollen sy daer tho maeken, om al so

[pag. 123]

voele gheldes als sy ouerdraghen. Des solle wy hem gheuen jaerlics xxiiij pont cleyne ende ix ellen wandes als wy onse stadt knechte gheuen. Ende si sullen hebben dat hus daer sy inne woenen ende burghers te wesen ende negheyne hervaert the doende ende negheyne scattinghe the gheuen ende nyet te wakende ofte the buerwerkende. Dit sollen sy hebben also langhe als sy beyde leuen.

     Meester Christiaan zal waarschijnlijk de broeder van Mr. Herman zijn geweest, welke eerste, gelijk we zagen, reeds vroeger burger der stad was geworden.
     Terwijl alzoo deze twee zeer vermoedelijk reeds in 1345 aan den bouw der kerk arbeidden, sloot de stad eerst in 1369, dus vierentwintig jaren later, het navolgende contract met Mr. Rutgher van Ceulen.

     Wi Scepen ende Raet in Campen doen kont allen Iuden in desen brieue, dat wi ontfanghen hebben meyster Rotgher van Colen tot eenen wercmeyster Sante Nyclaes kercken ende Onser Vrouwen kerken onser stat de tho feysierne ende to berichten in der meyster vorme ende gheuoeghe, in al dusdanen vorworden. Int irste soe sal hy elkes jaers hebben op paschen achtien pont cleyne alzulkes payments dar men broet ende bier mede mach coepen in Campen, dar de kercmeysters van Sante Nyclaes kerken de helfte van betalen zullen ende dar tho zouen ellen wandes, ende die ander helfte de kercmeysters van Onser Vrouwen kerken, ende dar tho zes ellen wandes, de wile beyde de kerken voersz. niet volbracht en sin. Mer wert sake dat de ene kerke volbracht worde by synen lyue, soe solden hem de kercmeysters de kerke de niet volbrocht en were, alle jare uten de achtien pont ende zouen elle wandes; dar tho sal hy hebben daghelix al so vole beers, als men eenighen eenen knapen gheuet wanner men open werck heft, et sy dar bouen, oft der buten. Mer wert sake dat beyde de kerken voersz open werck hadden, soe wanner dat ghevele, soe solde de eene kerke dat loen half uten ende de ander kerke de ander helfte, doch eist also te verstane,

[pag. 124]

dat hij mer eens knapen loen hebben sal. Voertmer sal hi hebben, oft hy wil, den thorn dar meyster Herman uppe plach te wonen, alse tot synes selues woninghe, mer niet voir te verhuyrne, ende hi mach der hofstede by Onser Vrouwen kerken bruken, ten ware dat men de oerbern wolde ter kerken behoef, soe solde men hem jarlix op paeschen dar vore twe schellinge payments voersz [geven] Voirtmer sal hy schotvry sitten ende van allen andern dienste der stat ende vorwerke. Ende alle dese puncte sullen duyren tot meyster Rotghers lyue, sonder arghelist. In oerkonde des briefs beseghelt mit onser stat secreet. Gegeuen in t jaer ons heren m°ccc neghen ende tsestich.
     Men ziet hieruit, dat Rutgher van Keulen geenszins als de bouwmeester der kerk kan beschouwd worden, immers Mr. Herman treedt 24 jaren vroeger veel meer als bouwmeester op. Dat echter Rutgher voor een deel diens zaak overnam en dat Mr. Herman waarschijnlijk was overleden, blijkt daaruit, dat hij ook zou mogen wonen op den toren, dien Mr. Herman placht te bewonen. Terwijl echter in de overeenkomst met Mr. Herman en diens broeder wordt gezegd dat ze de St. Nicolaaskerk zullen maken en dat de een zal houwen en de ander ’t werk vizeren, wordt in de overeenkomst met Mr. Rutgher meer gesproken van ’t feysierne (viseeren) en berichten (ordineeren in orde brengen).

     Mijn bestek laat niet toe hierover breeder uit te weiden, ik hoop echter door ’t medegedeelde nieuw en beter licht over den bouw te hebben verspreid.
     In 1393 was men naar ’t schijnt nog met den bouw bezig, daar men toen verbood steenen te werpen bij het nieuwe werk van de St. Nicolaaskerk.
     Blijkens lijfrenten die het stadsbestuur in 1453 en 1456 aan onderscheidene personen verkocht, voor sommen ,,dair Sanct Nicolaus kerke mede getymmerd wordt’’ werd er om dien tijd weder druk aan de kerk gewerkt, zeker om daaraan veranderingen en verbeteringen aan te brengen.

[pag. 125]

     In 1498 sloten de kerkmeesters eene overeenkomst met een meester te Mechelen, om een nieuw sacramentshuis te maken van latoen of geel koper, terwijl de stad de kerkmeesters machtigde, om, zoo ze soms op de termijnen het te betalen geld niet voor handen hadden, dit op te nemen op de wijze die hun het best voorkwam. Den meester te Mechelen zou men verwittigen dat men zich aan de overeenkomst met hem gesloten, hield. - Wie die meester te Mechelen was, wordt niet gevonden, maar zijn werk in 1572 door den graaf van den Berg tot geschut gegoten, is zeker een meesterstuk en van grooten omvang geweest. Althans om het te kunnen schuren had men altoos steigerwerk noodig en ’t bovenstuk alleen woog dan ook 9063 ponden.
     De toren die naar ’t schijnt vervallen was, werd in 1516 van uit den grond op nieuw gebouwd volgens het plan van Mr. Clement van der Gouwe. Hij schijnt echter grootendeels van de materialen van de afbraak herbouwd te zijn, althans hij bevat veel dufsteen. Omtrent dezen bouw van den toren lezen we:

Anno xvc xvi den xix Julij.

     Alsoe Scepenen ende Raedt metten gesworen meente geschicketende gevuegt om enen nyen kerck toren an Sancter Nicolaes kercke bij meisters rade an to leggen, op alre bequemste, ende soe deselue geschicte dan nu gehadt hebben meester Clement van der Gouwe, die ’t fundament geschoren ende getogen, ende dairvan de sticken gesteken heeft alsoe men den nyen toren sal anleggen, soe hebben dairop geweest de gemeene Raedt, metten gesworen meente vorscreuen, ende hebben de sticken ende de wydte des torens besien ende des meesters vorsz. meininge dairvan verstaen en het ontwerp gesien, ’t welck sy al to samen dair synde, alsoe belieft ende voirt beste geraden hebben ende voirt deselue deputaten van den Rade ende van der meente, als nementlicken Evert van den Veen ende Gysbert van Leeuwen, van den Rade, geschickt, ende Lubbert van Hattem ende Johan Kruese provisoren ende Gosen van den Dam, Peter Mulre ende

[pag. 126]

Mathys Henricsz ende Jaspar Jansz van de gezworene meente, metten kerckmeisters: Henrick Croeser, Pilgrum van Yngen voirt bevolen dairjnne, gelijck de sticken nu syndt gesteken, ende voirt na des meesters rade ende oren guetduncken, to procederen, ende dairmede metten yrsten to wercke to gaen ende wes sy dair jnne voirt beste raden ende doen, sal men hem tot geenen tijden verkeeren noch naseggen.

     In 1611 werd de toren der kerk belangrijk hersteld en in 1620 werd daarin door Mr. Jan Carlier, uurwerkmaker te Zwolle, een nieuw uurwerk geplaatst. Wegens belangrijke verzakking, eerst naar den kant der Nieuwstraat, sedert 1649 naar den kant der Oudestraat, werden er in 1627, ’28, ’29, ’47, ’48, ’49 en ’50, allerlei werkzaamheden aan den toren verricht, totdat men in 1686, nadat onderscheidene architecten waren geraadpleegd, die geadviseerd hadden om dien af te breken, daar ze hem onherstelbaar achtten, aan Mr. Jan de Jonge, architect te Derdrecht, de voorziening tegen het overhangen opdroeg. Deze wist den toren in korten tijd geheel recht te zetten, en daar hij geen honorarium hiervoor verlangde, werd hem door de stadsregeering voor zijne goede diensten 2000 car. guldens, benevens het grootburgerrecht, voor hem en zijne kinderen verleend. In 1662 werd er een nieuw dak op den toren gezet, ’t welk in 1808 door het tegenwoordige werd vervangen.
     Het orgel der kerk werd van 1670-1676 door Johan Sleger gemaakt, en toen het gereed was, metselde men twee ramen aan de zijde ieder met een halven steen toe. Het werd wegens ’t verzakken van den toren eerst tegen een zijwand geplaatst, maar in 1686 aan den torengevel opgesteld en met lofwerk voorzien. In 1686 werd het door J. Duischot te Amsterdam en in 1742 door A. A. Hinz. hersteld en o. a. bespeeld door den vermaarden abt Vogler. Door de orgelmakers Schnitger en Freytag te Groningen werden in 1789 nog verbeteringen aangebracht, o. a. een vrij pedaal.
     Al de verschillende geringere veranderingen en ver-

[pag. 127]

bouwingen der kerk na te gaan, laat mijn bestek niet toe. Genoeg zij ’t hier nog aan te stippen, dat de stadsregeering in 1565 aan den koning van Spanje Filips II een nieuw geschilderd glasvenster voor de kerk vroeg: ,,tot vermeringe der eren Gods almachtig ende tot cyerheit derselver kerken’’ en in ’t volgende jaar ook werkelijk een nieuw geschilderd glasraam, door bemiddeling der hertogin van Parma ten geschenke van den Koning erlangde, ’t welk geplaatst werd in ’t kruiswerk aan de noordzijde.
     Aan deze kerk was reeds vroeg, immers vóór 1300, eene parochiale school verbonden, waar de latijnsche taal, zang enz. werd onderwezen, en die de oorsprong is van ’t hier ter stede nog bestaande gymnasium.
     Omtrent den tegenwoordigen toestand der kerk merk ik nog kortelijk het volgende op. Het schip bestaat uit een vijfbeukige kruisgewelfde basilica van vijf traveen, rustende op geprofileerde pilaren. Het transept rust niet, zooals het schip, op vierkante of achtkante pilaren met of zonder diensten of kolonetten, maar op ronde. Overigens stemt het in architectonisch karakter met het middenschip overeen; het heeft dezelfde breedte en de gewelven liggen op dezelfde hoogte.
     Het koor heeft drie beuken met absis of kooromgang, een kapellentrans van drie traveën en een koorsluiting met zeven zijden van een twaalfhoek, op zeer rijk geprofileerde pilaren.
     In het koor bevindt zich de zitplaats voor de drie officianten (sedilia) gedekt met een baldakijn, ’t welk, hoewel zwaar beschadigd, fraai en rijk is. De houten koorafsluiting met koperen balustrade ving men den 12en Maart 1552 aan te maken, uit een legaat van 340 goudguldens, van Weyme van der Straeten, den 20en Februari 1550 overleden. De zijkapellen zijn half zoo diep als de kooromgang breed is, en zijn door steenen wanden van elkander gescheiden.
     De beide portalen zijn vierkant met diagonaal contreforten en voorzien van steengewelven op kraagsteenen rustende.
     De preekstoel van zandsteen gehouwen is zeer geschon-

[pag. 128]

den, en met een dikke verflaag bedekt, maar overwaard om schoongemaakt en hersteld te worden in den stijl waarin ze in de 15e eeuw smaakvol werd gehouwen.
     De geheele kerk is een meesterstuk van bouwkunst, zooals ons land er weinig oplevert. Laat ons hopen dat door de krachtige en belanglooze pogingen van de rijksadviseurs eene geleidelijke en degelijke restauratie der kerk door de vereende krachten der kerkelijke en burgerlijke gemeenten en van den staat moge aanvangen, opdat dit juweel van bouwkunst, tot sieraad der stad en tot eer der ingezetenen, voor ruïne bewaard blijve.

_________

Category(s): Kampen
Tags: , , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *