De IJsselbrug

[pag. 80]

MERKWAARDIGE GEBOUWEN.

DE IJSSELBRUG.

     Kampen aan den Gelderschen oever van den IJssel gelegen, had oudtijds slechts met een pontveer, ’t welk aan de Koornmarktspoort was gelegen, gemeenschap met den overkant.
     Reeds in 1334, lezen we, dat Schepenen en Raad het veer verpachtten. Deze toestand duurde tot het jaar 1448, toen men er toe overging, om op de plaats, waar thans nog de brug ligt, een vaste brug te leggen. De stad Deventer dacht dat ze daardoor schade zou lijden, en de steden Munster, Coesveld, Warendorp, Boicholt, Borken, Vechten, Alen en Renen, te Munster ter dagvaart zijnde, even als Lubeck, verzochten de stad Kampen dringend, om van haar voornemen af te zien. Zelfs de Bisschop van Utrecht, ja wat meer zegt, de Roomsch Koning Frederik, werd tegen Kampen te hulp geroepen. Deze laatste deed dientengevolge in 1448 een verbod tegen Kampen uitgaan, inhoudende dat, daar hij vernomen heeft dat de stad Kampen van zins is om een brug over den IJssel te leggen, en dit eene nieuwigheid is, waardoor de koopmanschap en de vaart zullen worden belemmerd, terwijl ook zulke nieuwe gebouwen niet zonder des Keizers en des Rijks vergunning mogen worden gebouwd, hij aan de stadsregeering verbiedt, om tot den bouw over te gaan, en zoo men soms reeds iets mocht hebben gebouwd, gelast, op boete van honderd pond loodig goud en zijn ongenade, om het gebouwde weder geheel af te breken.

[pag. 81]

     Kampen stoorde zich echter aan al die vermaningen en bedreigingen niet, en de bouw, den 29en April 1448 aangevangen, werd met ijver vervolgd. De hei, waarmede men de palen in den bodem heide, woog 805 ponden; des Maandags na St. Jacobsdag lagen de palen, die tot onderleggers dienden, daarover, en des Zaterdags na St. Jansdag onthoofding, sloeg men de planken er op, zoodat men er over kon gaan. De kosten beliepen 17575 rijnsguldens.
     Deze brug leed echter spoedig groote schade. In 1451 des daags na St. Paulusdag sloegen 13 jukken van de brug weg. Op St. Margareta’s avond ving men weder met heien aan, en op St. Martens avond konde men weer over de brug gaan. De kosten van herstel bedroegen 14000 rijnsguldens.
     Hoe groot de doorvaartopening in deze brug is geweest, valt moeielijk te bepalen; alleen weten we dat het vaarwater toen langs de stad liep, zoodat zich de brugopening ook aan dien kant bevond. Het schijnt dat men soms, wanneer nieuw gebouwde schepen van boven kwamen, die niet door de brugopening konden, een deel der brug wegnam. Althans we lezen, dat de raad in 1461 besluit, dat men voortaan niemand ten believe, om de nieuwe schepen door te laten, de brug zal opnemen. Herhaaldelijk werd de brug door storm en ijsgang belangrijk geteisterd. Zoo in Nov. 1570, in Jan. 1573, in 1584, in 1598 enz. Vooral echter in 1635 leed de brug veel schade door een zwaren ijsgang. Vele bezuinigingen werden in het financieel beheer ingevoerd om de kosten van herstel te kunnen goedmaken, en een scholde werd gekocht om voorloopig in de behoefte te voorzien. Men besloot in 1637 om, in stede van vijf jukken, zooals tot nu toe, drie dubbele jukken te maken, en de galgen zoo te verzwaren, dat ze de jukken konden dragen.
     In 1658 leed de brug door zwaren ijsgang weer zeer veel, zoodat een juk en een gebint wegspoelden. Ook in 1739, 1755, 1773 werd ze gerepareerd. Maar den 4en Maart 1784, des morgens tusschen zes en zeven ure, sloegen door een hevigen ijsgang de twee

[pag. 82]

achterste vaste jukken met de daarop liggende brug los, en dreven naar zee.
     In 1782 en 1785 werd tot goedmaking van de kosten van herstel f 100000 door de stad genegotieerd, terwijl ook onderscheidene nieuwe belastingen werden ingevoerd en de bruggegelden, die door personen, rijtuigen en vee, die over, en schepen, die door de brug gingen, moesten worden betaald, werden verhoogd.
     Den 1en Juni 1785 werd het herstel aanbesteed aan Sipke Jans en consorten van Leeuwarden, en in 1786 werd het voltooid.
     Tot sieraad der stadsavenuën besloot men toen ook, den weg zuidwaarts van af de Mastenbroeker sluis, noordwaarts van af den hoek van den steenen dijkmuur naar den zaagmolen toe, (vroeger daar ter plaatse staande en behoorende aan de familie Bijsterbos) te doen ophoogen, bestraten en beplanten, en het bruggehoofd zelf met ijzeren pilasters en leuningen en steenen pilaren, waarop het stadswapen, gehouden door leeuwen, te doen voorzien.
     ’t Totaal der toen gemaakte onkosten bedroeg de aanzienlijke som van 118408 guldens.
     Zoo zag de brug er uit die wij nog gekend hebben, en die acht vaste jukken in de rivier had. De brugopening was tusschen het derde en vierde juk van den stadkant, dus veel nader bij de stad dan thans.
     Van Juli tot September 1872 werd deze afgebroken, een hulpbrug, die f 50000 kostte, voorzag zoolang in de behoeften van het verkeer en den 5en Januari 1874 werd de tegenwoordige nieuwe brug opengesteld, waarvan 29 October 1872 de eerste steen was gelegd. De kosten bedroegen
f 368829.255, waarvan f 138726.45 voor den onderbouw; f 46277.53 voor de portieken en torens en
f 165565.255 voor den ijzeren bovenbouw.
     De brug mag sierlijk en smaakvol worden genoemd en de beide beelden op den ingang, aan den stadkant, de landbouw, aan den landkant, de stedemaagd, gehouwen door den te vroeg ontslapen kunstenaar, Joseph Graven van ’s Hertogenbosch, zijn wezenlijk fraai. De kosten daarvan bedroegen
f 4000.

[pag. 83]

     De oude brug over den IJssel uit de 17de eeuw, heeft steeds voor eene merkwaardige constructie gegolden, merkwaardig vooral, omdat de draagkracht boven was aangebracht door houten galgen. Toen in de achttiende eeuw de brug geheel verbouwd was en de constructie eene geheel andere, veel minder kunstige was geworden, verkondigde men nog uit oude gewoonte den lof van de Kamper brug, tot zelfs op onzen tijd toe.
     Op den bij dit werk gevoegden platten grond uit de 17de eeuw, ziet men een afbeelding van de oude, inderdaad merkwaardige brug.

_____________

Category(s): Kampen
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *