Gualtherus Sylvanus

GUALTHERUS SYLVANUS,

Eene bijdrage tot de geschiedenis van het onderwijs in

het begin der XVIIe eeuw.

_______

Toen in 1594 het Rectoraat aan de Latijnsche school te Deventer door den dood van JOANNES PISCATORIUS vacant was geworden, wendde zich de regering tot den oud-Burgemeester EVERARD BRONCHORST, destijds Hoogleeraar in de Regten te Leiden ( 1 [1. Bij schrijven van 25 April. Zie Overyss. Alm. 1844, bl. 240; 1849, bl. 235.]), met de vraag: of hij hun geen geschikten opvolger wist aan te wijzen. Hij gaf hun een tweetal op, namelijk PAULUS TOSSANUS en GUALTHERUS SYLVANUS ( 2 [2. Bij schrijven van 3 Mei, berustende in het Deventer Archief.]); de eerste werd door hem op den voorgrond gesteld en door de Regering benoemd; van den laatsten, dien ik aan den lezer wensch voor te stellen, geeft hij de volgende getuigenis: ,,Vorts so hefft sich bij mij gepresentiert ein Jonger gesell van Doessborch, Jn die Latijnsche spraek sehr wall erfaren ende oick then deill in Graecis. die solde wall die conditie van Lesen in quinta Classe willen annemmen, hie schrift oick ein herlick Carmen, ende etlick mall excellente Carmina hefft Jn druck wtgegeven, so dat hie angahnde die gelertheit suffisant ende

[pag. 2]

bequaem genoech dartho sijn soll. Hie is gebaren van Doesborch, genaemt WOLTERUS GERARDI, die Sohn van GERRIT WOLTERSSEN, ende syn vader is aldaer borgemr. gewest, ende die reformirte religie van herten tho gedahn, dan hie oick vm die religie willen, als die stadt van den viandt verauert, nha Arnhem gevluchtet, ende sijne godern mehste all vm die bekentenis der waren religien verlaten, daerum men ock sijnen Sohn, die van gelijcke gesintheit is, vor Jemants anders behoirt tho promovieren. Hie hefft hijr in particulari Schola vor twie Jaren gelesen, ende hefft darna noch twie Jaren in die Academia alhijr Jn den vrijen kunsten ende hillige Schrifft sehr nerstich gestudirt. Ock hefft hie gode herlicke documenta ende getuichenisse sijnes frommen levents ende wandelss. Hij is van ein und twintich Jaren, dan klein van persoen ende geringer staturen, so dat villicht hie so groten ansehn nith soll hebben vm Jn so hoge Classe tho lesen, altoiss solde hie wall in Sexta ofte Septima konnen lesen.’’
WOLTERUS GERARDI of WOLTERUS GERRITZEN, van wien deze brief gewaagt, was niemand anders dan GUALTHERUS SYLVANUS (of zooals hij ook wel genoemd werd GUALTHERUS GUALTHERI of WOLTER WOLTERS), omtrent wien ik het een en ander wensch mede te deelen als bijdrage tot de geschiedenis van het onderwijs. Innerlijk en uiterlijk zoude ik hem niet beter aan den lezer kunnen voorstellen, dan de briefschrijver het gedaan heeft en wij kunnen dus terstond overgaan tot de vermelding zijner verdere lotgevallen.
Wat er van hem geworden is tusschen 1594 en 1603 is mij niet gebleken; waarschijnlijk is het hem gelukt elders dan te Deventer eene betrekking te krijgen, want bij geene der in dien tijd voorkomende vacatures heeft hij zich aangemeld. TOSSANUS vertrok in 1597 naar elders; de predikant MICH.

[pag. 3]

KECKIUS nam daarop tijdelijk het Rectoraat waar, totdat nog in hetzelfde jaar VOLCERUS WESTERVOLTIUS aangesteld werd: deze zag zich wegens het schrale tractement in 1600 genoodzaakt te bedanken. Volgens Molhuijsen bleef de school toen tot 1603 zonder Rector, doch dit is (blijkens Dumbar bl. 307 en vooral blijkens Revius p. 567, wiens grootmoeder van moeders zijde S0PHIA HEIJNCK met STEDEMEIJER gehuwd was) onjuist, want in het midden van 1601 was BERNARDUS STEDEMEIJER als zoodanig werkzaam. Eerst in 1603 vindt men SYLVANUS weder. Het Rectoraat had reeds lang opengestaan; immers op 3 Oct. 1602 wordt JO. CRELLIUS als zoodanig aanbevolen, doch deze is niet in functie getreden en de betrekking bleef onvervuld, totdat op 26 Febr. 1603 de Regering een contract met SYLVANUS sloot, waarbij hij, in te gaan met Paschen, voor den tijd van 6 jaar tot Rector benoemd werd op eene jaarwedde van 500 Car: gl. van 20 stuiver het stuk benevens het schoolgeld en vrije woning ,,in einen geistlicken huyse achter den Papen Cloester op ’t hoek tegens die Praestije auer gelegen, daer zal. COERDT BECKER Canonicus in plach to wonen.’’ Tevens werd hierbij echter de voorwaarde gesteld, dat men hem, zoo hij niet bleek te voldoen, na verloop van één jaar zoude mogen ontslaan ( 3 [3. Dit contract berust in het Deventer Archief.]). Naar het schijnt heeft zijn onaanzienlijk uiterlijk en klein postuur tot niet veel vertrouwen op zijne geschiktheid geleid. Dat eene nadere kennismaking hierin verandering te weeg gebragt heeft, laat zich reeds hieruit afleiden, dat hij langer het Rectoraat bekleed heeft, dan verreweg de meeste zijner voorgangers en opvolgers, terwijl er destijds niet veel noodig was, om een besluit tot ontslag der onderwijzers uit te lokken.
Toch was de taak, welke hij aanvaardde, geene gemakke-

[pag. 4]

lijke. Immers hij vond, volgens zijn eigen woorden, ,,een so verwierden ongeordonierden monstreusen staet, als (hij) achtte, dat noyt geweest en is, noch hier noch elders, sedert dien tijt, dat de Barbaries eens geluckelick is ouerwonnen ende uutgebannen.’’ Zoodra hij zich van de geheele inrigting der school behoorlijk op de hoogte gesteld had en voordat nog zijn proefjaar om was, diende hij bij de Scholarchen een vertoog in, houdende: ,,dat de schole van bouen tot beneden niet guet en was, datter een clas of twe sonder Meisters waeren, dat de Vocabularius Rythmicus niet en dochte, dat de Donaet welcke wy pro Rudimento leerden, geen goede introductie en gaf tot onse Grammaticam, dat de Grammatica selfs, wel goet zijnde, de jonge ende eerst aenkommende jeucht niet geapproprieert en was, dat de camer ( 4 [4. Het schoollokaal.]), also genoemt, gelijckse nu geholden wort, niet anders en is, dan een ongenuechlick ende ellendich Tijtverslijt’’; al welke zaken z.i. behoorden verbeterd te worden. Niettegenstaande de Scholarchen zijn vertoog gunstig opnamen, gaven zij hem te kennen, dat daarvan niets komen konde ,,tendeel om de kosten, tendeel om de gesintheit ende gewoonte der burgerijen.’’ Alleen werd toegestaan den Vocabularius en den Donaet af te schaffen, waarvoor het door SYLVANUS zelven opgestelde Rudimentum in de plaats gesteld werd, en besloten, dat bij de eerste gelegenheid banken in de school gemaakt zouden worden. Waarop de leerlingen dan tot dus ver gezeten waren? Of zij gewoon waren te staan? Of bedoelde men, dat er nieuwe of meer banken zouden toegesteld worden?
Gaarne zoude SYLVANUS gezien hebben, dat men wat minder vasthoudend geweest ware aan hetgeen nu eenmaal een oud gebruik was, en hij liet niet na in bijzondere gesprekken

[pag. 5]

pogingen te doen, om zijne begrippen ingang te doen vinden, maar veel verder durfde hij niet te gaan, bedenkende, dat zijn goede raad hem op eene vorige standplaats zijne betrekking gekost had. ( 5 [5. Dit schijnt ten minste te moeten worden opgemaakt uit de woorden ,,gedinckende hoe Jck onlanx voor mijn comste alhier, aen een ander plaets voor mijnen goeden raet bedanct was.’’])
Aan het gebrek aan verband tusschen de verschillende klassen trachtte hij te gemoet te komen door twee extra uren aan grammatica en stijl te wijden, welke hij niet verpligt was te geven. En zoo ging alles tamelijk wel.
De Regering gaf hem zelfs een bewijs van ingenomenheid, door hem met een half aam wijn te vereeren, toen hij op 8 Mei 1607 in het huwelijk trad met ODA, dochter van den predikant THOMAS ROOTHUIS en zoo doende de banden versterkte, die hem aan de stad zijner inwoning verbonden.
Doch weldra had hij minder gelukkige tijden te beleven.
In 1608 namelijk kwam een storm tegen hem opzetten, waarvan wel niet alle oorzaken en bijzonderheden kunnen opgegeven worden, doch waartoe het mij voorkomt, dat het volgende aanleiding gegeven heeft.
Onder de praeceptoren, die SYLVANUS ter zijde stonden, behoorde JOHAN VAN LIJNE of à LINE, Rector der BursaCusana. Hij schijnt een verdienstelijk onderwijzer ( 6 [6. Revius p. 567 roemt hem ook als dichter en staaft zijne meening door een Latijnsch vers van hem mede te deelen op het jaar 1600.]) geweest te zijn, daar Schepenen en Raad hem bij besluit van 5 Junij 1608 eene toelage van 50 daalder per jaar, de halve burgerschap en de expectance op het Rectoraat der Latijnsche school vereerd hebben, ten einde hem te bewegen niet naar Delft te gaan, waar hij tot Conrector op voordeelige voorwaarden benoemd was. Deze nu telde onder zijne bursalen een zoon van

[pag 6]

JOANNES GOSMANNUS, in 1604 van den Ham in Westphalen tot predikant te Deventer beroepen en hier in 1613 blind overleden. Tusschen de moeder van dien knaap en SYLVANUS ontstond in 1608 een hevige twist voor den Kerkeraad, welke eerst na herhaalde comparitie van partijen in April 1609 eindigde. Het onderwerp van dezen twist wordt in de Notulen met opzet verzwegen, doch uit den brief van SYLVANUS schijnt te blijken, dat zijne tegenpartij hem ter zake van zijn onderwijs belasterd had. Zij werd bijgestaan door à LINE zoo ’t schijnt, terwijl de twee praeceptoren HOLZEMIUS en VAN HERLE voor den Rector partij kozen. Dat deze zaak over het onderwijs moet geloopen hebben, valt ook daaruit op te maken, dat SYLVANUS de inrigting der school destijds voor Schepenen en Raad blootgelegd moet hebben.
In 1611 werd hij op nieuw lastig gevallen. Hij had een broeder zijner vrouw, JOHANNES ROOTHUIS, en een zusters zoon bij zich aan huis. Aan dezen en een tiental andere leerlingen gaf hij onderwijs in de Grammatica, omdat aan deze op de Latijnsche school naar zijne meening niet genoeg tijd besteed werd.
Hieruit ontstond tegen hem eene beschuldiging, dat hij een novateur was, dat de school niet deugde en dat dit aan hem te wijten was. Dat de school niet was, zooals behoorde, had hij van den beginne af zelf gezegd, maar men had hem niet toegestaan de noodige veranderingen aan te brengen. Onverdiend maar grievend was daarom dat verwijt en toen de Regering hem gelastte zich schriftelijk dienaangaande te regtvaardigen, heeft hij gemeend zich op eene uitvoerige wijze te moeten verdedigen.
Daaraan zijn wij de Deductie met den begeleidenden brief verschuldigd, waarin hij uiteenzet, hoe het onderwijs was en hoe het behoorde te zijn, stukken, die mij om meer

[pag. 7]

dan ééne reden belangrijk genoeg voorkomen om in hun geheel te worden uitgegeven ( 7 [7. Men zal de Deductie vinden in het 2e stuk der Bijdragen, de begeleidende brief volgt hierachter reeds.]).
Uit dezen strijd schijnt hij zegevierend getreden te zijn, al heeft men zijn stelsel niet geheel gevolgd.
Andere geschriften van zijne hand zijn er weinig bewaard gebleven, doch voor zoover zij aanwezig zijn verdienen zij hier genoemd te worden.
Zijn meest gelezen vers is zonder twijfel de bekende pentameter.

Fide Deo, Vigila, Consule, Fortis age

die in gulden letters op de Deventer torenspits prijken.. Hij heeft dit op verzoek der regering vervaardigd, doch indien Revius het niet verhaalde, zoude men het niet weten, want als de maker zelf de kerk en den toren beschrijft in zijne straks te noemen Beschrijvinge, maakt hij daarvan (zedig genoeg) met geen enkel woord melding. Overigens zijn er van zijne latijnsche gedichten slechts twee bewaard gebleven, het eene een lofvers voor BAUDAERT’S Gedenkw. Geschiedenissen; het andere een epigram op Deventer (door Revius p. 578 vermeld) van den volgenden inhoud:

Telluris almae non pudenda filia
Soror gigantum, fratribus dispar tuis,
Alumna libertatis, et vindex simul,
Sed serva summi non superba Numinis,
Nutrix sororum ter trium, cultrix trium,
Foecunda Mercurialium, nihilo minus
Foccunda Martialium parens virûm,
Privigna sortis impotentis interim,
Vicissitudinisque ludicre pila,
En, nube pulsa purus apparet dies,

[pag. 8]

Vultum noverca Matris induit pie
Pacata magnis, ominor, laboribus:
Jam pone vestem temporis testem mali,
Stolamque sume candidam, et videntium
Oclos morare, stringe et invidentium,
O inclytum Transisalaniae decus
Ocelle civitatium Daventria.

Meer bekend heeft S. zich gemaakt door zijne Beschrijvinge der stad Deventer in 1616 uitgegeven bij Johan Christianus, Boekvercoper in ’t vergulde Schrijffboeck bij ’t Raethuys aen ’t Groote Kerckhoff. Deze uitgave was weldra zoo zeldzaam geworden, dat haar bestaan geheel in vergetelheid geraakte en indertijd een herdruk achter Moonen’s Korte Chronijke geplaatst werd naar een afschrift, dat onder DUNBAR berustte.
Mogelijk heeft dat geschrift hem in populariteit doen winnen en medegewerkt tot zijne benoeming in 1617 tot lid der Gezworen Gemeente. Deze betrekking was echter van korten duur, want het volgend jaar werd hij, gelijk hij in een verzoekschrift meldt ,,onder pretext van geen burger te zijn (God weet door welcke ende welcker motiven) seer versmedelic ende met lesie van existimatia, sonder exempel van voorgaende tijt, versmeten’’ ( 8 [8. Dat hij geen burger was, had niet belet, dat hij op 12 Maart 1604 tot ouderling gekozen was. Op 16 Maart 1618 trad hij als zoodanig af.]).
Nog twee jaar hierna bleef SYLVANUS als Rector werkzaam. In 1619 werd de Schoolraad gewijzigd; tot leden daarvan werden aangesteld JACOBUS REVIUS en CASPAR SIBELIUS: zij zouden het onderwijs vooral aan de Latijnsche school reformeren. Hunne denkbeelden, inzonderheid aangaande het onderwijs in den Catechismus, strookten niet met die van

[pag. 9]

SYLVANUS en den 10 Junij 1619 werden niet alleen hij, maar ook de Lectoren WINANDUS HERLENSIS en  HENRICUS DANIELIS eervol ontslagen.
Ik meen te mogen zeggen eervol, omdat het ontslag gepaard ging met de aanbieding van een jaar tractement. Hij verliet Deventer om naar zijne geboorteplaats Doesburg terug te keeren. Het Burgemeesterschap, dat hij daar ging bekleeden, waarborgde hem en zijne kinderen echter niet voor broodsgebrek; geldelijke verlegenheid noopte hem, om 12 Maart 1625 in den vollen Raad te Deventer te verschijnen en daar zijn treurigen toestand uitvoerig bloot te leggen, met een beroep op zijne 16 jarige diensten als Rector, op de wijze, waarop hij ontslagen was en op de verdiensten van zijn schoonvader ROOTHUIS. De Raad, door zijn ongelukkigen toestand bewogen, legde hem ,,ex mera commiseratione’’ tot wederopzeggens toe 200 Car. gl. per jaar toe; op 1 Julij 1627 werd deze toelage weder ingetrokken, als hebbende de reden daartoe - dosr welke oorzaak wordt niet gezegd - opgehouden; doch bij besluiten van 27 Febr. 1628, 15 Nov. 1630 en 23 Aug. 1631 werd hem telkens op nieuw ƒ 200 toegelegd.
Ziedaar de levensbijzonderheden, die ik aangaande S. heb kunnen opsporen.

__________

DE BEGELEIDENDE BRIEF VAN SYLVANUS.
(No. 1035 van het Deventer Archief).

______

Hoochachtbare wijze zeer Discrete ende vroome Heeren.

Mijn Heeren, Beroepen sijnde van Uwe E.E. ende aengenomen, tot een Moderateur end Regent van de Jonge Ieucht, deser loflijcker Stat Deventer, zo veel alsser sich begeven sol-

[pag. 10]

len tot de oeffeninge der liberale kunsten ende geleerde Talen; heb Jk gemeent, dat Jck niet beter uwer E.E., doemaels noch onuerdiende, gunst zol verdienen konnen, quam Spartam, quam nactus essem omnibus modis ornando, ende te toonen, dat Uwe E.E., int kiesen van eenen zulcken Amtman, den rechten ende getrouwen getroffen hebben.
Getreden zijnde int Perck ende in Arenam meam, heb Jk gevonden een so verwierden ongeordonierden monstreusen staet, als Ik achte, dat noijt geweest en is, noch hier noch elders, sedert dien tijt, dat de Barbaries eens geluckelick is ouerwonnen ende uutgebannen geweest. Ende heb gelooft, mijn stuck te zijn, daeruut wechtenemen, datter te ueel in was, bij te doen, datter gebrack. Het quade goet te maken ende het lijdelicke te verbeteren, ende alle gedeelten in goede ordere te disponeren.
Maer ouermits, dat Uwe E.E. dickwijls ueranderinge sonder verbeteringe van mijn naeste voorsaeten gedaen, gesien hadden, hebben u E.E. wijsselicken ende uoorsichtelicken met mij bescheijden, geene uerandering te willen maken, twelck Jk aengenomen ende gelaeft hebbe, niette doen, uerstaende, sonder uwer E.E. nieuwen wil ende goetduncken door uertoninge van goede reden te uercrijgen ( 9 [9. Dit punt en het getal uren, dat hij ouderwijzen moest, schijnt mondelings bepaald te zijn.]).
Heb derhalven noch binnensjaers mijns dienstes, als Jk nu alles wel doorgesien ende overwogen hadde, verthoont, met goede redenen aen mijn Heeren de Scholarchen, in der tijt: dat de Schole van bouen tot beneden niet goet en was, datter een clas of twe sonder Meisters waeren ( 10 [10. Voor de 6 klassen (tertia, quarta, quinta, sexta, septima en octava) waren er van 1603-1609 4 leeraars: de Rector in tertia, de conrector J. LINIUS in quarta, HUBERTUS HOLZEMIUS in quinta en sexta en WINAND VAN HERLE in septima en octava. Deze laatste kreeg in 1609 een adjunct HERMAN TER BRUGGEN.]), dat de vocabula-

[pag. 11]

rius Rijthmicus niet en dochte. dat de Donaet, welcke wij pro Rudimento leerden, geen goede introductie en gaf tot onse Grammaticam, dat de Grammatica selfs, wel goet zijnde, de jonge ende eerst aenkommende jeucht niet geapproprieert en was, dat de camer, also genoemt, gelijckse nu geholden wort, niet anders en is dan een ongenuecklick ende ellendich Tijtuerslijt, ende wijders gediscuuriert, hoe dit alles behoorde gecorrigiert te sijn. Welck verthoon mijn E.E. Heere Scholarchen, (doemaels AUGUSTINUS ende ROECK zal. ged. ( 11 [11. AUGUSTINUS is voor 21 Jan. 1607, ROECK in 1609 overleden.])) danckelick van mij aengenomen ende gepresen hebben, maer gesecht, dattet tendeel om de kosten, tendeel om de gesintheit ende gewoonte der burgerijen, niet en conde int werck gestelt werden. Alleen uergunt, dat de vocabularius ende Donaet mochten uerandert werden, in plaets uan welcke Jk ingebracht hebbe, het Rudimentum, een boexken, dat Jk selve gemaeckt hebbe, twelck haer E.E. geapprobiert hebben, ende den drucker beuolen te drucken ( 12 [12. 8 April 1604: ,,Schepen ende Raedt consentieren datt al sodaene Rudimenta Latinae Lingnae Jn Jnfima classe huins scholae geproponiert ende van die jonge Joegett geliert worden, gelijck ad vsum scholae triuialis, quae est Lugduni Batauorum, hijr beuorens in praelo gegaan, oeck datt dieselvige opt nije in 8° gedruckt, ende auerall die woerden sine abbreviationibus geexprimeert worden. Volgentz vinden haer E. voir goedt, datt ter Jrster gelegentheit Jn der schole bencken gemaect ende datt Jn priuata disciplina geene andere lezen offt boecken geleest, sonder alleene die repetiliones der boecken geholden, die in der schole voergelesen worden.’’
Korten tijd na het ontslag van WOLTERS is deze Rudimenta door eene andere vervangen blijkens het volgende besluit van 1 Julij 1619: ,,Schepen ende Raedt hebben geoctroijeert en octroijeren mits desen SEBASTIAN WARMBOUTS ordinaris Boeckdrucker deser stadt alleene te mogen drucken seker Boexken geintituleert Rudimenta Latinae Linguae in usum Scholae Dauentriensis, verbiedende tot dien eijnde allen Boeckbinderen ende Boeckuercoperen deser stadt hetselve niet te doen nadrucken, offte op andere plaetsen nagedruckt alhier te uercopen.
Bij uerbeurte derseluer Exemplaren en gestelt te worden ter Schepen Claringe.’’ Zonderling genoeg komt op den Index Lectionum pro Schola Dauentriensi van October 1619 (no. 1034 van ’t Archief) deze Rudimenta niet voor. Daarentegen leest men in Res. v. Sch. en R. van 20 Oct. 1647: ,,Sijnde bij Schepen ende Raedt geexaminiert die Rudimenta ingestelt ende verandert bij den rectore CELLARIO Js goet gevonden daerbij te verblijven ende te verstaen datt uoorts niet alleen in de onderste maar in alle classen gedoceert sallen worden sodane boeck, als in elencho Lectionum an° 1619 sijn geordineert, sonder eenige ueranderinge.’’]
).

[pag. 12]

Hiermede is de schola in infimis classibus merckelick gestichtet, maer niet ueerder. Heb derhaluen bij gelegentheit, in familiere bijkumpsten, al wederom gediscouriert van de reste: maer beuindende dattet niet wesen en wol, om vooruerhaelden oorsaecken, ende om den tijt, die doemaels uariabel stonde, Heb Jk mijn hert in rust gestelt, gedenckende, hoe Jk onlanx voor mijn comste alhier, aen een ander plaats voor mijnen goeden raet bedanckt was ende heb gedacht, te willen laueeren, connende niet te varen kommen, beide voor stroom ende uoor wint ende ondertussen somtijts mederoeijen. Ziende dan, dat Jk anders geen studenten in Tertia krijgen en konde, ten waer dat Jkse onbequamer als quintanos liet opgaen, sodanige als Jkker vonde, doe Jk quam; heb Jk extra ordinem twe zomers lanck, sonder eenich genot voor mijnen arbeit, smorgens uan negen ueren tot elve of half eluen, na gelegenheit, genodicht ende geladen de quintanos ende sextanos, wie vrijwillich wollen, op de schole te kommen: ende heb haer daer gedociert deselve Grammaticam, om te toonen dat de Jeucht uut die oock wel leeren cond, alsse op een bequame wijse uoorgedragen worde, ende haer ondertusschen mede geoeffent in stilo. Ende die hier gekommen sijn, sijn meest altesamen wel geuaren, ende sijn daerna rasser voortgegaen, sij sullens mij, hoop Jk, al haar leuen bedancken. dit is een deel uan mijn roeijen geweest.

[pag. 13]

lck heb ook al den tijt mijns dienstes, een uer dages meer gedociert, dan mij bij uwe E.E. geinjungiert was, ende als mijn uoorsaten gedaen hebben. In de sommige eerste Jaeren des somers twee ueren meer. Dit is het anderdeel van mijn roeijen geweest.
Ick heb altoos onbequamen ad Tertiam moeten laten opgaen, wol Jk studenten hebben, end eer Jk uan deselve wil conde krijgen, de Grammaticam en Sijntaxis voorafgeleert, ende allenskens so veerder gebracht, twelck mijn laueeren is. Ende dus doende theeft altoos met onse schole redelick toegegaen, so dat wij tamelicke wal studenten uutgeleuert hebben, ende die altesamen bequaem ad Academiam, gelijckse in Schola Triuiali behoren te werden. Diewelcke oock alle, soueel alsser met onsen oordeel vertrocken zijn, geleerde mannen wederom kommen sullen, de sommige sijn het al.
Ick heb oock so doende goede gunst gehat, eerst bij mijn Heeren, die mij so veel eeren gedaen hebben als wel een eergierigen contenteren konde, ende dan bij meest alle Burgeren, die mij so ueel vruntschaps bewesen, dat Jk niet meer en uersochte, ende daerom oock afsloech een ueel heerlicker ende rijkker Conditie als dese is, daerthoe Jk op so eerlicken wijse beroepen ende uan so aensienlicke mannen geroepen ben, als wel eenigen Rector emmers of ergens.
Hierna heft Inuidia sich tegen mij gespitst, ende haer dochter ende dienstmaecht Calumnia, den last gegeuen, om haer voornemen uitterichten. Hierdoor sijn alle de vrienden van mijn Tegenparthije afkeerich geworden van mij, de sommige oock uinnich tegen mij; hebbende geen ander oorsaeck daertho, dan dat Jk door ’t panser uan mijn onschult, scheutvrij ende steeckvrij was, ende onrecht lijdende, mij lieuer weerde, als danck hebt seijde. Van dien tijt af, was Jk den sommigen een Ramist, den zommigen een Novateur, hetwelck

[pag. 14]

beide so niet en is. de sommige uonden mij onnodich, hebbende in mijn Classe doemaels, maer drie enckele studenten, die alle drie tetfens ses weken voort Examen ad Academiam trocken, zodat Jk ses geheele weken niet te doceren en hadde. Niet eens considerende, dat Jk stuerman was, ende dat mij tregiment meer toekomt dan tonderwijs, ende dattet mijn prijs is, datt Jk mijne studenten eer kan uutleueren, eer Jk uut de Lege classen anderen krijge, ende dattet een misprijs is uan de meesteren der Leger classen, datter weinige of geene in de hooge en sijn.
Ziende dan ’t onuerstandich oordeel des peupels ende affectie tegen mij, ende desseluen uermeugen in een popularen staet uan regeringe Jk heb nodich geacht voor uwer E.E. Schole ende voor mij, noch eens te doen de duck gedaene remonstrancie. ende dat niet meer voor mijn heeren Scholarchen in forma privati colloquij. Maer voor den geheelen Eersamen Raet of gedeputierden desseluen int raethuis. twelck Jk door de Heeren Scholarchen uersocht ende verworuen hebbe, en hebse gedaen, mondelick, so als mij doe in den Sin quam.
Beslutende, dat men een van beiden behoorde te doen, of mij in mijn stuk na mijn uerstant te laten wercken, of mij den quaden Event, so lang als Ik vlijtich dede, dat mij beuolen was, niet te wijtten of te laten misgelden. Want die neerstich doet dat hem beuolen is, die is een getrouw dienaer, al verdorf hij de saecke Jndien hij sulx te vooren behoorlick geremonstriert heft.
Ick ben doemaels uan mijn uoorgeven, der goeder redenen haluen, wel bejegent: maer euenwel en heb Ik niet anders opgedaen, dan dat ons noch een collega geadjungiert worde int leechste clas, daerder min een nodich was, dan int gene, dat noch vaciert. Wat de oorsaeck daeruan is, can Jk nu lichtelick conjecteren, ende Jk vermoedde het doe al.

[pag. 15]

Van daer af, twelck nu geleden is meer als anderhalf jaeren, zol Jk mijn hert ende hooft gerust geholden hebben, als hebbende mijn conscientie ontlast, ende den Event, Gode end uwe E.E. beuolen en haddet niet geweest, dat Ik just een wijfs broeder ende een zusters zoone gehat hadde, die Ik om der natuerliker liefden wil, niet lijden en konde, den tijt so qualick te slijten, ende nae gedanen arbeit ongeleert te blijven. Derhalven heb Jk mij vermoet braeckt, ende ondernomen in mijn huis, voor deselue eenige lessen te doen, voor eenen seckeren tijt lanck, so lange, tot dat Jk haer genoechsaem geuoordert zach. Ende omdat sij elck uan verscheiden classen waeren ende daerom niet eenpaerlick geinstitueert werden konden, Item dat men eenen student alleenigen niet wel leeren en kan, so heb Ik andere goede burger kinderen, die haer beijde gelijcken waeren, daer thoe geladen ende also gekregen omtrent twaelf of vierthien studenten in alles, begerende geen meerder, noch willende, dit langer harden, dan den noot van mijn bloetvrienden vereischten, twelck Jk met de Olderen overkomen ben.
Int werck nu sijnde, heb Ik meer absurditeiten beuonden, dan Ik te voren bedencken conde, te lanck te verhaelen, ende heb gesien, dat noch Jk de mijne noch een andere de zijne, geensins, oock met kleine vrucht, onderwijsen conden, tenwaer dat elck discipel die Grammaticam maer eens leerde ende eens repetierde onder eenen ende denseluen meester twelck niet geschieden en konde, ten waer allenigen in de schole of alleenige ten huise des Meesters. anders, doceerde de eene sus ende de andere repetierde anders, ende den student wordt geconfundeert. deen goet ende nodich kennende, dat dander quaet ende onnodich kende, etc.
Ende wel meinende, dat Ik des macht hadde van mij seluen, dewijl het maer een verschikkinge van uer ende plaets

[pag. 16]

en is, twelck het substantiel niet en roert, want men kan in deen plaats so wel als in de andere, eetende zat werden ende aenhorende geleert. Evenwel, om mij niet te branden, Ik hebbet den H. Burgemr Roesen, doemaels scholarche zijnde, te kennen gegeven.
Ende dewijl dan een van beiden nodich was of alleen in Schola of alleen in Cubicuo, beide gedociert ende gerepetiert te werden. Ik heb mijn collegen de keur van beiden gegeuen: dewelcke differerende te kiesen, Jk hebse selfs genomen. lck heb gekoren, seg lck, dat Jk achte van beiden tbest te sijn. ende heb geordineert dat de Grammatica sol gedociert werden, tusschen negen ende elf ueren, elck van den Meester, daeronder hij gaat ter kameren ende aldaer oock alleenigen gerepetiert die te vooren gedociert worde half smorgens ter eerster lesse end half snamiddaechs.
Ende dit daerom, ten eersten omdat Jk hierbij won twe stonden daechs, om Autores bonos te lesen, sonder dewelcke de Grammatica niet een vees te beduiden en heft.
Ten anderen om de Excusatie der Meesteren wech te nemen, diewelcke, als Jk klaech, dat de studenten niet voort en gaen, te seggen hebben: dat Jkker aen leer dat leertter een ander af, onse lessen ende onse repetitien passen op malcanderen niet, als hij caepes ontfangen heft, so werden hem Allia afgeeischt.
Ten derden, opdat de Meesteren tegen mij, ende tegen sich onder malcanderen om best in de wed arbeiden mochten, ende de Joncheit middelertijt gevoordert werden mocht.
Die nu hiervan desperere of vresen de minste bevonden te werden, maken die luden, die qualick geneucht aen den voortganck van haer kinderen, wijs: dattet komt omdat de Schole niet en deucht, ende datse daerom niet en deucht, om datter geen Grammatica ingeleert wert.

[pag. 17]

lck en weet niet wel, of sij bij de schole, dat gebouw uerstaen, daerin wij altesamen dachelix compareren in classibus, of de geheele disciplijn ende leersame Ieucht; verstaen sijt Gebouw? Jk ontken, dattet daarom te minder deucht, want der en is niet losse pan om afgeuallen. Verstaen sij de Jeucht en de geheele disciplijn? Ick ontken, datter geen Grammatica geleert en wert, ten sij trouwen, dat sijt nalaten, daarvan Jk geen wetenschap en hebbe.
Euenwel, dit schijnt een fijne rede, de school en deucht niet, want der en wert geen Grammatica geleert, diet fondament van de ander kunsten is. Om welcken onuerstant te bejegenen, Ick mij erboden heb, deselue tijt met de mijnen op de school te komen, bijdien dat sijt oock solden doen, of bij auontueren, de plaets eenige verborgen eijgenschap hadde, datmen daer doen conde, datmen elders niet en konde. Maar te vergeefs, want sij weten wel, dat daer de hacht niet en leit, end Jk wel, waerse leit. Middelertijt seg Jk, ende hold staende, datter de Grammatica geleert wert, beter dan in vijfthien jaeren gedaen is, ende datter geleerder studenten recht end geduerende den gehelen tijt mijns dienstes geweest, dan in vijf en twintich jaeren te uoren. maer, twelck mij alleenigen moeit, weiniger en dunner, danner wesen conde, indient na mijnen zin voorlang gegaen had.
De luden uan buten, die maer na de korst ordelen, ende naert opschrift van de bussen, doen haer profijt hiermede ende interpreterent na de gunste, diese mij toedragen, ende hebben nu de saecke soueer gebrocht, met spreken ende met preken, Dat uwe E.E. beweecht geworden sijn, Hierop, als een gewichtige faulte, te inquireren. ende mij daerover belast die boeckken, die wij hebben, ende de ordere der lessen bij geschrifte te stellen, om te sien, waerin Ik mij mocht verlopen hebben.

[pag. 18]

Ik beuindende, wat zwaricheit, dat kommen conde, sonder wederuerhaal vant tgeene, dat Jk hierbouen van den staet der scholen gediscouriert hebbe, heb gebeden, mits dat mij het schrijven te lanck sol vallen, mondeling daervan te discoureren, dewijl Jk daer tho nummer meer ongereet en ben.
Twelck niet konnende erholden, heb u E.E. gebeden, mij tijt te gunnen om dat te doen, dewelcke, zoo u E.E. te lanck gedocht hefft, u E.E. gelieue te dencken, dat niet min andachts end tijts, tot het discours van de schole, als van een cleine republijcq behoort gebracht te sijn: dewijlse niet veel anders en verscheelt uan die, als een schuit in de Riuiere, van een hulck in de Zee. of als een Goltgewicht van de groote statswaege.
Ten anderen, dat Jk bouen mijnen ordinarisen arbeit, den verdrietelicken last droech, van de huislessen, ende just nu oock den tijt was vant Examen, die mij meer te doen gift. Daerenbouen ben Jk moreux ende kops over mijn eijgen werck, ende behaech mij altoes qualick, waerom dat Jk geen noder dinck en doe als schrijueu, sonderling dat langer duert dan met een impetus gedaen kan sijn; ende het regeren is lichter te doen, als van alle puncten des regiments correctelicken te disputeren. Ick hoope, dattet uwe E.E. duncken sal, gekommen te zijn. sat cito si sat bene.
Het gansche deduct is vervat in drie portien, het eerste m bepaelt, wat een Triuiael schole sij, ende daerin om gaet te sijn van noden. Het tweede, wat uan die dingen, in onse tegenwoordige schole sij of niet en sij, ende hoe hetzelve met de minste moeite ende kosten te vercrijgen sij. daerna volcht eerst ten derden tgeene, dat uwe E.E. mij eijgentlick geinjungiert hebben, specificatie van de tegewoerdige disciplijn. Daerop ten vierden ende ten laetsten behoorde te volgen een attouchement ende aenstrijck van mijnen arbeit ende vlijt aen

[pag. 19]

de voorgestelde deductie, als aen een proefsteen, daer Jk geheel van zwijge, toeuertrouwende uwer E.E. discretie, daervan Jk mij tot noch toe bedancke, dat dieselue tgeene, dat Jk uerswijge, suppleren sal ende mijn onschult voertaen nemen in haer defensie tegen sulcke onuerstandige sprekers Ende prekers. Praeterea, si innocens sum defensionis uberioris non egeo, si nocens, uti non debeo.
Indien het auerst uwe E.E. te lanck duncken mochte, men mach de twe stukken ouerslaen ende uan hieraf tot het derde kommen.
In welcken allen, indien iet twijffelachtichs of onbequaems of onbetamelix in uwer E.E. oordeel erkent mocht werden gestelt te sijn. Ik, daeruan uermaent sijnde, hoope uwe E.E. zeer goet contentement te doen, als de beste interpres van mijn eijgen woorden ende meininge.
Om den stijl en  ben Jk niet veel bekommert geweest te vreden sijnde, dat die sodanich geacht werde, als uwe E.E. gunnen konnen datse sij.
Eindigende bid Jk Got u E.E. sodanigen goeden raet te laeten vinden, daermede sijn eer groet gemaeckt en dese goede Republijcque gevordert werde en dat u E.E. lang genieten mach desseluen raets vruchte.

V.E.E. getrouwe Diener
Wr WOLTERS R(ector).

De mededeeling van het ,,Deduct’’ zelf stel ik tot eene volgende gelegenheid uit, omdat ook ik - even als S. zelf - anders vrees, dat het den lezer ,,to lanck duncken mochte’’, en ongaarne zijnen raad wil overnemen, om de twee eerste stukken dier verhandeling over te slaan.

V.D.

Category(s): Deventer
Tags: , , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *