VI. Katholieke Restauratie (19 nov. 1572 - 20 juli 1578)

[pag. 55]

VI KATHOLIEKE RESTAURATIE (19 nov. 1572 - 20 juli 1578)

Voor het goed verstaan van de nu volgende periode, wordt nu eerst een politieke schets gegeven tot 20 juli 1578:
Een week nadat Don Frederic de stad in genade heeft aangenomen, 27 nov. 1572, liggen er drie vendels van zijn duitse soldaten binnen de stadsmuren. De magistraat verklaart dat deze soldaten “civilick ende guetlick mit die burgereren conversieren” ( 1 [1. O.A. 225, blz. 346, 27 nov. 1572.])
Aan Berlaymont laat het stadsbestuur weten dat ze gedwongen is geweest de rebel Van den Berg binnen te laten. Steeds is de stad trouw geweest aan haar landvorsten, resp. de bisschoppen van Utrecht, Keizer Karel V, koning Philips II, diens hertogin van Parma en diens hertog Alva. ( 2 [2. O.A. 225, blz. 347-352, 28 nov. 1572.]) Behalve naar Don Frederic en naar Berlavmont, gaat er ook een gratieverzoek uit naar stadhouder Hierges. Een deputatie reist hiertoe op 30 nov. naar Deventer. De inwilliging van deze verzoeken houdt in dat Kampen na de Periode die op 11 aug. begon, vanaf 30 nov. weer volledig spaans gebied is geworden.
Tevredenheid is echter binnen haar muren allerminst. De duitse soldaten converseren wel goed met de burgerij, maar de stad is arm. De drie vendels o.l.v. PollwijIer kan de stad moeilijk onderhouden. Negentig paarden moeten worden verzorgd; de soldaten eisen wijn, bier en vlees. Dit alles terwijl de stad “meer als ’t derde deel on betimmert is, ende daerin voele huysen vermitz die sobere negociatie soe to water als to lande overlange herwertz ledich gestaen hebben”. Laat Van den Berg zich tijdens zijn drie maanden lange bewind onjuist hebben gedragen, dit “overlange herwertz” reikt veel verder dan de drie maanden dat de graaf de stad in handen had.
Gezien deze armoede is het niet verwonderlijk dat de stad reeds op 1 dec. een verzoek tot de stadhouder richt om te bemiddelen bij Alva en Don Frederic inzake troepenvermindering. ( 3 [3. O.A. 225, blz. 360, 361, 1 dec. 1572. (waar moet deze noot?)]) De spaansgezinde houding van de stad blijft echter aanwezig, want nog dezelfde dag wordt de burgerij een publicatie bekendgemaakt waarin het verboden is “saet, koorn, botter, kese, ofte andere victualien, schepen oft eenige andere guederen” uit Oraniegezinde steden als Enkhuizen en Hoorn in bezit te hebben of te verhandelen. De rebellen worden met niet

[pag. 56]

minder dan een handelsboycot benaderd. ( 4 [4. O.A. 243, 13 dec. 1572.]) De troepenlast blijft echter drukken. De stad verzoekt 23 dec. aan de bisschop van Deventer om bemiddeling bij Alva. ( 5 [5. O.A. 225, 23 dec. 1572.]) Begin 1573
gaan er twee bedankbrieven uit naar stadhouder en bisschop, resp. 5 jan. en 7 jan., want door hun bemiddeling zal Alva één van de drie vendels terugtrekken. ( 6 [6. O.A. 225, blz. 371, 5 en 7 jan 1573.])
Op 9 jan. wordt de raad vernieuwd om de verandering van 28 okt. 1572 weer ongedaan te maken. Voortaan wil Alva dat er een lid van de Koninklijke Raad bij de verkiezing aanwezig zal zijn. De centrale overheid krijgt hiermee dus direkte controle op de samenstelling van de stadsraad. ( 7 [7. O.A. 22, 9 jan. 1573.])

De band die er in die dagen tussen stadhuis en kerk bestaat, komt sterk uit in de verkiezingsprocedure. De zondag na Drie koningen vergaderen schepenen en raad met gezworen meenten om zes uur ´s morgens in de Minrebroederkerk, “alwaer dan etlicke missen de S. Spiritu gelesen worden ende wanneer die gedaen sinnen soe gaen sie op den raethuijse”. Daar wordt dan een college van negen man uitgeloot dat de macht heeft om de nieuwe schepenen en raad te kiezen. ( 8 [8. O.A. 225, 1 dec. 1572.])

Wat dit inhoudt laat een brief van Berlaymont niet in het ongewisse. Op 24 dec. 1573 laat hij de magistraat weten: “moegen U. Ersamen dienthalven daerinne voernemen, als bevorens die gewoente is geweest: opdat men daer toe solde zien, goede Catolische luyden in die wet toe erwelen”. ( 9 [9. O.A. 96, 24 dec. 1573.]) Een maand later, 23 jan. 1574, schrijft Berlaymont opnieuw een brief aan de magistraat, waarin genoemde opmerking herhaald wordt. ( 10 [10. O.A. 96, 23 jan. 1574.])
Alva’s houding t.a.v. hen die aan de zijde van de rebellen vechten, is onverbiddelijk. De raad moet aan al hun vrouwen de toegang tot de stad ontzeggen. Per publicatie van 8 mei 1573 moeten ze de stad onmiddellijk verlaten. Ze worden voorgoed verbannen. ( 11 [11. O.A. 243, 8 mei 1573.])
De periode vanaf 27 nov. 1572 tot 20 juli 1578 vormt een absoluut dieptepunt in de geschiedenis van de stad. Het garnizoen door Don Frederic in de stad gelegd, ruïneert de stad volkomen. De archiefstukken schetsen een droevig beeld in steeds donker wordende bewoordingen. Wil men enigszins aanvoelen in welk klimaat zich de gereformeerde kerk -ondergronds dan nog wel- in deze periode bevindt, dan moet hierop wat breder worden ingegaan:

[pag. 57]

De stad kan de soldaten “die wel mit hoer vrouwen, Jongen ende kijnderen an dije dusent personen int getal in soe cleynen stad sinnen” niet onderhouden. Reeds in aug. 1574 belooft de koning een vendel uit de stad te halen. Maar in febr. 1576 moet de stad hem voor de vijfde maal aan zijn belofte herinneren. Ook dan nog blijft de koning in gebreke. ( 12 [12. O.A. 226, De koning werd vijf maal een verzoek om verlichting van het garnizoen gedaan; zonder succes, cf. over 1574: 6 sept., 1 dec.; over 1575: 19-21 jan., 21-22 maart; over 1576: febr., niet nader gedateerd.])
Soldaten vallen de burgerij lastig. Op 14 okt. 1574 wordt Doctor Tengnagel zonder reden in eigen huis met een rappier en met de vuist geslagen. De soldaten breken zonder toestemming huizen open, “houwen ende verbarnen solderen, doeren, vinsteren, kasinen”; glasvensters worden moedwillig ingeslagen. Op 1 jan. 1575 eisen de soldaten meer geld. Als dit er niet snel komt, zullen ze “naestcommenden woensdach . . . in eeniger burgermeisters huysen vallen”. Op die bewuste woensdag wordt de stadsregering een dag lang door de soldaten op het raadhuis gevangen gehouden; zo willen de soldaten een voorschot op hun soldij afpersen. Een soldaat bij Arent Vrese ingekwartierd, mishandelt diens vrouw “wel vier urhen lanck seer onmanierlick mit stoten, slaen, trecken ende werpen, . . . den arm mit een tange in stucken geslagen ende noch evenwel daernae deerlicken gehandelt”. Arent Vrese protesteert, maar krijgt een geladen roer op de borst gedrukt. Zijn huisraad wordt op straat gesmeten en samen met dat van andere burgers in stukken geslagen. De stadhouder krijgt op 6 april 1575 van het stadsbestuur de mededeling dat het voor de burgers “vermitz den lanckduyrende onmanierlicken besweernisse (U. Genedigen menichmael geremonstreert) nijet Christelick noch mogeleck en is aetwes meer op te brengen”. De magistraat heeft niet teveel gezegd, want reeds vijf maal was de stadhouder om verlichting van dit garnizoen gevraagd ( 13 [13. O.A. 226, over 1574: 18 aug., 6 sept., 18 okt.: over 1575: 21 jan., 13 febr., 6 april.]) En het zou hem nog zeven keer tevergeefs eenzelfde verzoek doen! ( 14 [14. O.A. 226, 17 april, 5 mei, 10 mei; over 1576: 8 maart, 23 april, 22 juli en de laatste juli.]) De stadhouder krijgt te horen dat niet alleen veel burgers vertrekken, maar dat ook het stadsbestuur zelf “vertrecken en tguvernement van den Stat verlaten moeten, als nijet wetende enigen troost, raedt noch middel om die dingen langer in effec to onderholden”. Een deputatie van de raad krijgt op 10 mei 1575 van de legerleiding te horen dat de lansknechten meer geld willen lenen van de stad. Krijgen ze dit niet dan zullen ze de gehele raad “inden iseren tdoen slaen”, de poorten zullen gesloten worden en geen burger zal de stad meer uitmogen. De complete burgerij zal worden

[pag. 58]

gegijzeld. Tevens dreigen de soldaten nog, meer krijgsvolk in de stad binnen te halen. Op die dag zijn reeds “seer voele burgeren uthgeteert ende gantz uthgepuert (verlatende hoer huijsen desolaet und ledich) uth den lande armoetshalven afgereetz”. Op dit moment is binnen de stadsmuren een derde deel onbebouwd. Van het huizenbestand staat bovendien nog een derde deel leeg. Deze informatie is veelzeggend; vooral als daarbij dan nog gezegd wordt: “ende dat het getall der Soldaten meerder sij als der inwonerden burgeren. Under welcke burgeren dan seer voele sint alsoe arm . . .”. Aan pastoor Michael Hetsroey die buiten de stad verblijft, schrijft het stadsbestuu- op 17 okt. 1575 “ghien raedt noch troost langer en weten om in den groten lasten to volharden”. ( 15 [15. O.A. 226 fol. 52 r., 17 okt. 1575.]) Begin 1576 richt de stedelijke overheid een brief aan de koning. Daarin laat ze hem weten “oick selffs mede voel liever vertrecken solden, dan dat mennichfoldich clagent ende deerlick geschreij der verlatener ende verdruckter burgeren langer te sijen oft te hooren die sie langer ghien behulp, ontset oft verlichtinge bewijsen kunnen, alsoe dat sie oijck nootsaeckelick . . . tguvernament vander Stadt sullen moetn verlaeten”.
April 1576. De soldaten zetten hun zoveelste eis tot soldijverbetering kracht bij. Op Witte Donderdag verschijnen ze met volledige uitrusting in de Oudestraat. Het raadhuis, de muren, torens en poorten worden bezet. Met het geweer in de hand lopen ze door de zijstraten. Doverse burgers worden geslagen; vernielingen worden aangericht. De burgerij is onveilig op straat. De hele dag en de nacht en ook nog de dag erop- Goede Vrijdag- blijven de poorten gesloten. De godsdienstsamenkomsten het passiesermoen op witte Donderdag en op Goede Vrijdag, kunnen in de kerken niet door de burgerij worden bijgewoond. Op 4 mei wordt het vooraanstaand raadslid Arent to Boecop door een soldaat op straat lastig gevallen. Intimidatie van voorbijgangers is nu aan de orde van de dag. Mensen die rustig op de visbank zitten of door de poorten wandelen worden geslagen. Sommige burgers raken zeer zwaar gewond. De soldaten die Don Frederic in de stad heeft gelegerd, deinzen uit geldgebrek er zelfs niet voor terug kloosters en priesters te bedreigen. Op 28 maart 1577 wordt de stadsregering van ’s morgens negen uur tot de andere middag vijf uur vrijwel zonder eten en drinken op het stadhuis vastgehouden; inzet is een geldlening.

[pag. 59]

In het najaar wordt een notariële akte opgemaakt waarin de magistraat protest aantekent tegen het optreden van de spaanse huurlingen. Deze hadden nl. op 29 okt. 1577 de huizen van de lakenkopers en zijdenkremers bezet. Daarmee wilden ze een maandloon aan laken stoffen afpersen. De legeroverste tekent hierbij aan: “dat sie sulckes deden uth armuet, vermitz Con. Majesteit hoer ghiene betalinge erlegede”.( 16 [16. O.A. 22, 115-123, 29 okt. 1577]) ( 17 [17. noot 136 ontbreekt.])
Na 14 ! vergeefse verzoeken aan de stadhouder, na 2 aan de Raad van state, na 9 aan stadsdeputaten Coenraed van der Vecht en Arent to Boecop, na inschakeling van de Overijsselse Landdag, de Kamper pastoor, de notaris Hovius, ja na 5 vergeefse smeekbeden aan de koning is men in Kampen ten einde raad. In het Liber Memorandum Novus lezen we dat op 16 mei anno 1578 “als dese Stadt Campen seer heraut was, vermitz inlage der hoogdeutscher knechten Polwijlerischen Regiments, alsoe datmen in de uterste noot was geraden, ende men langer ghiene raedt noch troost en wust om penningen to wege te brengen tot leninge voer den voerseijden knechten, daermit sie uth der burgher cost blijven mochten, hebben demnae Burgemeisteren Scepenen, Raedt ende beijde gesworen gemeenten groot ende cleijn belieft, dat men der Stadtz silverwerek sal laten breken ende daervan klippepenningen doen slaen”. ( 18 [18. O.A. 22, 16 mei 1578.]) Het sprekende opschrift van deze penningen luidt: “Extremum subsidium”, d.w.z. laatste redmiddel. Naast geldgebrek ontstaat er ook schaarste aan voedsel. Rennenberg, stadhouder van Groningen, Friesland en Overijssel vindt naast Deventer ook Kampen als spaansgezind t.o. zich. Terwijl hij het beleg rond de stad slaat, stelen de spaanse soldaten het brood uit de ovens, zodat de burgerij honger lijdt. “Alsoe dat die armen hongers noot mosten vergaen, etlicke aaten onrijpe vruchten, hoppenbladeren ende ander oncruijt wie oick bevonden dat die vrucht van een vrouwe durch honger verdwijnt was”. ( 19 [19. O.A. 22, 4 juli 1578.])
Kampen verzoekt op 17 juli 1578 aan Rennenberg een kapitulatie-bespreking. Gedeputeerden van de Zwolse raad en van de Ridderschap van Overijssel komen met beide partijen samen bij de Venepoort. De stad kapituleert op 20 juli, “in utersten gebreck van proviande ende hongersnoot . . . ende oick groot mangel van bussenkruijt”. Dit om een “geweldigen inval ende gruntlicke verderffenisse der Stadt der burgeren ende inwoneren sampt der krijchsluyden voer toe komen”. ( 20 [20. O.A. 226 blz. 160-163.])

[pag. 60]

Na zes jaar overlast van Polwijlers troepen, verlaat Kampen in juli 1578 voorgoed het Spaanse kamp.

De situatie in Kampen hangt samen met de politieke ontwikkeling in de Nederlanden. De grote politiek werkt zich plaatselijk uit. Eind 1573 werd Alva naar Spanje teruggeroepen. Zijn opvolger Requesens sterft maart 1576. In het daaropvolgende gezagsvacuüm slaan de spaanse troepen aan het muiten. Dit hangt tevens samen met de financiële terugslag in Spanje. De huurtroepen ontvangen lange tijd te weinig of in het geheel geen soldij. Met deze politiek-financiële ontwikkeling hangt de pressie van Polwijlers’ leger in Kampen samen. Tevens verklaart dit de herhaalde smeekbeden van het Kamper stadsbestuur om steun, ook financiële, bij stadhouder en koning. Zoals de spaanse furie van 4 nov. 1576 te Antwerpen het accepteren van de Pacificatie van Gent dichterbij brengt -vier dagen na de bewuste vierde november wordt deze nl. getekend- zo maakt Polwijlers’ garnizoen Kampen rijp voor een anti-spaanse houding.

Tot zover deze politieke schets.

Nauwelijks is Van den Berg op 19 nov. 1572 verdwenen of de stad zendt een deputatie naar Don Frederic te Zutphen. Ook naar Berlaymont gaat een verzoek om gratie. De stad herinnert hem er aan hoe ze zich gedragen heeft “oick alsoe in vergangen jaere 1566 in anvanck der troubelen voer die Catholicksche religion, tegens de opgeworpen predicanten ende anderen”. ( 21 [21. O.A. 95, 28 nov. 1572. Uitgegane brief tussen ingekomen stukken verzeild, geraakt. Tevens daarin te vinden een ongedateerd stuk met iets uitgebreidere notering van deze zaak.; cf. ook: O.A. 225, blz. 347-352, 28 nov. 1572.])
Van den Berg is amper drie dagen de stad uit of de katholieke restauratie wordt door de magistraat in gang gezet d.m.v. een publicatie aan de burgerij, d.d. 22 nov.: “Scepenen en Raedt gebieden dat alle die ghene die enige ornamenten, versierselen, potten, ketels, glazen, huysraedt etc” of andere goederen van kerken, kerkhoven, kloosters of gasthuizen hebben, dit ter plaatse moeten terugbezorgen. Bij nalatigheid wordt men voor kerkschender aangezien. Vijf dagen later volgt herhaling van dezelfde bekendmaking, nu met de uitbreiding dat er mogelijk huiszoeking volgt. ( 22 [22. O.A. 243, fol. 33 v., 34, 22 en 27 nov. 1572.]) Weer vijf dagen later, op 2 dec., wordt aan Peter Woltersz. een stadsvolmacht verleend om kerkgoederen die door de bezetting van Van den Berg buiten de stad zijn geraakt, terug te vorderen. Tijdens diens bewind zijn kerken en kloosters binnen Kampen “gespolieert, die monstrantien, kelcken

[pag. 61]

ende andere golt ende silverwerck, sampt andere cleijnodien ende ornamenten” zijn meegenomen. Tot in steden langs de Rijn zijn deze kostbaarheden aangetroffen. ( 23 [23. O.A. 225, blz. 352, 353, 2 dec. 1572.])
Uiteraard staan al deze laakbare feiten niet in de archiefstukken vermeld die tijdens het beleg van Van den Berg werden geschreven. Er is heel wat meer gebeurd dan het verwijderen van beelden en altaren uit de, voor gereformeerde diensten bestemde, kerken. Deze kerk- en kloosterschenderij zal de niet-gereformeerde burgerij diep gegriefd hebben. Een weinig toegevende houding t.a.v. de gereformeerden zal daarvan weer het gevolg zijn geweest.
Inmiddels ligt in de stad een spaanse bezetting o.l.v. overste Polwijler. Deze bezetting is voor de stad een zware last. Als de magistraat opnieuw aan de stadhouder een verzoek om verlichting van dit garnizoen doet, motiveert ze dit als volgt: “soe een ijder int zijne nae sijn uterste vermoegen tot restauratie ende vercieringe der kercken ende cloesteren ende bevorderinge der ghiestlicke persoenen doende is”. ( 24 [24. O.A. 225, blz. 360, 361, 13 dec. 1572.])
Eenzelfde bericht staat te lezen in een brief van het stadsbestuur aan pastoor Hetsroey. Deze is voor de bezetting uit de stad ontweken naar ’s-Hertogenbosch. Ze laat de eerwaarde heer nu weten dat “soe die Rebellen die kercken, cloesteren ende altaren- leijder Godt- deerlicken gedevasteert ende gespolieert hadden, hebben wij ons beneerstiget deselve voorts nae hoeren vertreck soe voe moegelick toe restauriren ende durch den Hoechweerdigen Heeren Bischop van Deventer . . . repurgieren, reconcilieren ende consecreren laten. In gantzer behoepinge dat die gueder burgerschap hoere milde ende behulpsame handen uthstrecken werden -Wie sie dan oick algereetz vlitichlick ende mildelick doen- om die kercken, cloesteren mit hoeren altaren, monstrantien, kelcken ende ornamenten wederom to vercieren ende restitueren”. In deze brief laat het stadsbestuur pastoor Hetsroey verder weten, dat in afwachting van zijn terugkomst de mis wordt opgedragen door de bisschop van Deventer, Aegidius de Monte. De magistraat hoopt dat de pastoor weer spoedig in Kampen terug zal zijn. ( 25 [25. O.A. 225, blz. 354, 355, 12 dec. 1572.])
Het stadsbestuur werkt ondertussen verder aan het herstel van de oude religie. De burgerij wordt op 19 dec 1572 te verstaan gegeven “dat een ijder int sijne sich daer nae stellen sall, dat van nu voertan die begencknissen, inleijdigen en al-

[pag. 62]

le andere saeken onderholden worden als nae insettinge ende gebruick der hilliger kerken behoert ende van olts gewoentelick pleecht toe geschien. Gewende voerts mede den heren pastoer ende anderen, hoere obedienten gehoersaemkeit ende anderen rechten nae behoeren”. ( 26 [26. O.A. 243, fol. 35, 19 dec. 1572; begecknissen= begrafenissen.]) Uit deze mededeling blijkt dat de pastoor binnen een week na de brief van het stadsbestuur weer in Kampen terug is. De ontwikkeling na Van den Berg´s aftocht is blijkbaar voor hem positief genoeg om, direkt na het bericht van de magistraat, weer naar Kampen terug te keren. De magistraat grijpt de terugkeer van pastoor Hetsroev aan om de burgerij nog eens duidelijk te kennen te geven hoe ze over godsdienstzaken denkt.
Na Hetsroev’s overkomst is de bisschop weer naar Deventer vertrokken. Daar bereikt hem het verzoek van de Kamper magistraat om bij Alva aan te dringen op troepenvermindering. In het bijzonder verzoekt ze hem daarbij er bij Alva de aandacht op te vestigen dat de stad zich ingezet heeft voor het herstel van de oude religie: “die mildicheit die de burgeren tot restauratie ende vercieringe der kercken ende cloesteren. Ende bevorderinge der ghiestlicken personen gedaen hebben ende noch doende sinnen”. ( 27 [27. O.A. 225, blz. 359, 360, 23 dec. 1572.])
De nieuw ontstane situatie moet voor de gereformeerden moeilijker zijn geweest dan ooit te voren. Overheid en r.k. burgerij zullen na de periode ‘Van den Berg’ weinig toegevend meer zijn t.a.v. de aanhangers van de nieuwe leer. Het beleid van Van den Berg heeft de zaak der reformatie in Kampen geen goed gedaan. Toch blijft er ook in deze dagen van r.k. herstel een tegenbeweging gaande. Zo wordt op 20 maart 1573 Hilleken Vranck opnieuw aangezegd dat “sie in dit hoechtijt van paeschen ter kercken, toe bijchte, ende ter hilligen sacramenten gaen sal ende daervan anden pastoer oft an der burgermeisters beschijt brengen; oft Scepenen ende Raedt willen voerts na thoechtijt van Paesschen tegens hoer pronderen als behoeren sal”. ( 28 [28. O.A. 2262, blad 13, 20 maart 1573. Hilleken Vranck werd reeds eerder door de magistraat gewaarschuwd in mei 1562 en in dec. 1570.]) Hilleken Vranck blijft haar standpunt nu reeds 12½ jaar trouw.
Terwijl de troepen van Polwijler de stad steeds armer maken, komt Kampen ook nog zonder pastoor te zitten. Hetsroey verhuist naar Antwerpen. De stad schakelt de bisschop in om hem voor de stad te behouden. Blijkens de brief naar Deventer is de magistraat tevreden over Hetsroey: “Dan dewijle die voerscreven pastoer ons ende onse gemeente altijt in seer gueden leven voer-

[pag. 63]

gegaen ende in die oprechte Catholijcke Leringe ende religie geleert ende sonderlinge in desen vaerlicken tijden gestichtet heeft” ( 29 [29. O.A. 225, blz. 448, 449, 15 sept. 1573.])
November 1573 is het een jaar geleden dat Van den Berg de stad verliet. De raad wil dit feit herdenken. Daartoe verzoekt ze op 14 nov. de bisschop van Deventer om diens toestemming voor het houden van een jaarlijkse processie en dankdag. Het stadsbestuur licht dit verzoek nader toe: “Omdat de inwoner uth handen der Godtlosen ketteren, . . . dermate verlost, dat wij wederomme tot het gebruijck der Catholijcker Religion gekommen sinnen”. De processie en dankdag zou op 19 nov. 1573 gehouden moeten worden. Deze dag zou “van nu vortan alle Jaere ter eeuwijger gehoechnisse ende danckbarcheit voer soedane verlossinge hoechtijtlicken, gelijck den hillger paesschdach int generael processien om der Stadt” gevierd moeten worden. ( 30 [30. O.A. 225, blz. 462, 463, 14 nov. 1573.]) Twee dagen later maakt bisschop Aegidius de Monte op verzoek van de stad een akte op. Daarin stelt hij een dankdag vast wegens de verlossing van de Staatse bezetting. ( 31 [31. O.A. 2273, 16 nov. 1573.])
Maar ondanks de verlossing van de Staatse bezetting en het vieren daarvan ruïneren Polwijlers troepen de stad. In een brief van 20 nov. 1574 aan de bisschop blijkt door de troepen van Polwijler de situatie in de stad zo benepen “dat die cloesteren ende religiosen, die voermaels andere armen troostelick ende behulpelick plegen te sijn, nu selffs nijet alleene gebreck lijden, mer oick vergaen ofte verstroijt sullen moeten worden”. In deze situatie komt er een koninklijk plakkaat dat de inkomsten van kloosters, kerken, priesters en andere geestelijken inkort. De magistraat roept de bisschop tegen deze maatregelen van de koning te hulp. Tot opheffing van het koninklijk plakkaat wordt door de magistraat ook aangedrongen bij de stadhouder, bij de president van de Raad van State, bij de secretaris van de koning, ja zelfs bij de koning persoonlijk. ( 32 [32. O.A. 226, fol, 14 v., 15, 16, 20 nov. 1574: brief aan de bisschop te Deventer. O.A. 226, brieven aan stadhouder, president van de Raad van State, secretaris van de koning, aan de koning zelf; fol. 16, 27, 28, 29, resp. 20 nov. 1574, 18 jan., 19 en 21 jan. 1575.]) Ondertussen terroriseren Polwijler’s troepen de burgerij. Zo onveilig maken ze de stad dat in april 1576 op witte Donderdag en Goede Vrijdag de diensten in de diverse kerken door de burgers niet kunnen worden bijgewoond. ( 33 [33. Een bredere uitwerking van de pressie op de burgerij door het leger van Polwijler is te vinden in de politieke schets aan het begin van dit hfst..])
De stadhouder verzoekt de magistraat hernieuwde publicatie van het koninklijk plakkaat “tot onderholdinge van der Religie”. De overheid moet dit plakkaat publiceren, “onderholden ende observeren”, zo laat hij op 13 dec. 1575 weten. ( 34 [34. O.A. 96, 13 dec. 1575.])

[pag. 64]

In deze, voor de gereformeerden zo moeilijke tijd, zijn er ook personen die zich weer bij de r.k. kerk voegen. Zo op 20 nov. 1574 Johan en Arent Tengnegels. Van de leiding van de Minrebroeders komt het stadsbestuur te weten dat beiden zich “der Hilliger Kercken vereenicht hebben”. Hetzelfde geldt voor Alijdt Reiners. Ook zij is “geabsolveert ende gerehabiliteert”. Sindsdien heeft ze weer “die kercken gefrequentiert”. ( 35 [35. O.A. 226, fol. 16, 20 nov. 1574.]) Door de aanwezigheid van Polwijler’s garnizoen wordt de armoede binnen de stad ook voelbaar in de kerkelijke kas. Ieder die na 29 april 1576 een testament laat maken krijgt van de magistraat de verplichting opgelegd “daer in onser lieuver Vrouwen kerkcke tot onderholdinge derselver ten minsten een halven golden gulden legatiren oft maeken moeten, offte die testamenten sullen nijet gepasseert worden”. ( 36 [36. O.A. 243, fol. 47 v., 29 april 1576.])
Terwijl op 28 maart 1577 de stadsregering 32 uur op het stadhuis wordt vastgezet door de soldaten, laat de pastoor de magistraat op 17 mei weten dat hij verbetering wenst van zijn “pensien ex arario publico”, anders “solde verrijsen moeten”. ( 37 [37. O.A. 22, 112, 17 mei 1577.])
Hoogstwaarschijnlijk is de pastoor hierom inderdaad vertrokken, want op St. Michaelsdag 1577, 29 sept., wordt tot nieuwe pastoor benoemd Johan Havens van Ravensteyn. ( 38 [38. O.A. 2255.]) De akte van zijn aanstelling toont zeer duidelijk de omvang van de katholieke restauratie. De raad van Kampen stelt als patrones van de kerk de voorwaarden op. De pastoor zal twee of drie kapelanen aanstellen “onbesmet van eenige heresie, ende van guede leven gequalificeert om die gemeente mit Godtlicker Leringe ende anders bij nachte en dage . . . to onderrichten.” De pastoor zal zelf “predigen, misse ende vespere singen” op de volgende hoogtijdagen:” Op Nije Jaer, Trium Regum, Alle onser liever vrouwen dagen toe weten: Lichtmissen, Annunciationis, Visitationis, Nativitatis, Conceptionis. Op Hemelvaertsdach, des weerdigen hilligen Sacramentsdach, beijde dije kermissedagen, Aller hillegen, Animarum, S. Martensdach, S. Nicolaesdach. Item op Asschelwonsdach, Palmsondach, Gueden Vrijdach, Paesschavent, Pinxteravent”; bovendien zal de pastoor vanaf Palmzondag tot paasavond iedere avond “die Passie” prediken, dus gedurende de gehele lijdensweek. In totaal moet hij zelf dus 26 preken houden. De andere diensten kan hij delegeren. Tijdens de begrafenissen in de St. Nicolaeskerk zal hij op het metselaarsaltaar een mis (laten) lezen; op het altaar zullen dan twee waskaar-

[pag. 65]

sen moeten branden. Op Witte Donderdag, in de Goede Week van Palmzondag tot Pasen, moet de pastoor een bode naar de bisschop in Deventer sturen om er het “Chrisma met den hillighen oelij” op te halen. Op Goede Vrijdag daaraan volgend zal de pastoor twee waskaarsen laten branden die “dat hillige graff beluchten sullen”. Tot op het moment dat de pastoor in de paasnacht “dat cruijce” weer opneemt, zullen er twee waskaarsen blijven branden. Ook zullen er alle zondagen als men ter processie gaat twee waskaarsen branden. In de pastorie zal de pastoor waskaarsen in voorraad hebben voor kraamvrouwen en bruiden; ieder van hen ontvangt drie kaarsen. En “op die vonte” zal hij een of meer kaarsen plaatsen “tot kijnderen te karstenen, elck kijndt een keersse”.
Zowel in de O.L.V. kerk als in de St. Nicolaaskerk moet de pastoor Vigilia’s laten zingen “op Bovenkermsdach in den somer, op St. Michielsdach ende op Aller hilligendach”. ( 39 [39. “Vigilien heissen in der römischen Kirche die Vorfeste, ursprünglich die gottesdienstlichen, in Gesängen, Gebeten, Vorlesungen und Prozessionen bestehenden Handlungen, welche am Vorabend eines grossen Kirchenfestes vorgenommen wurden; sie sind die festliche Vorbereitung zur Feier des Hauptfestes. R.E.3, Band XX, S. 632, 633.]) De rector zal met de ondermeesters het schoolkoor leiden, waarvoor ze met wijn zullen worden beloond. Acht goede zangers zal de pastoor gedurende “die gehele Octava ( 40 [40. Oktave . . . . , die achttägige Feier gewisser hervorragender Feste”. “. . . . So steht die Oktave, die Oktave, die Nachfeier der Feste, zur Vorfeier derselben, der Vigilie . . .”. R.E.3, Band XIV, S. 350, 351.]) van den hilligen Sacrament” laten zingen. In de kerstnacht zal hij door zes zangers laten zingen “Liber generationis”.
Op de vier hoogtijdagen zal de pastoor worden bijgestaan door twee priesters “die dat gemene  communiceren moegen”. Het hele jaar door ligt de burgerij van Kampen in deze r.k. liturgische greep. Bovendien belooft de Kamper magistraat in de akte van benoeming een beleid te zullen voeren dat er op gericht is “dat alle ceremonien der hilliger Christelicke Kercken moegen onderholden worden”. De overheid verplicht alle inwoners er toe hun kinderen te laten dopen, hun doden kerkelijk te laten begraven, “die hillige echte versoecken, hoer kraemvrouwen te laten inleijden ende die obedientie oft gehoersamheit alle vijer hoechtijden te betalen”.
De magistraat betaalt de pastoor 230 goudguldens, ingaand 1578, “ende alsoe voerts Jaerlix”, maar het einde van deze uitbetaling zou sneller komen dan verwacht. De doorbraak van de Reformatie zal deze r.k. restauratie spoedig ongedaan maken.

Category(s): Geen categorie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *