V. De Gereformeerden en het bewind van Van den Berg 11 aug. 1572 - 16 nov. 1572

[pag. 47]

V DE GEREFORMEERDEN EN HET BEWIND VAN VAN DEN BERG 11 aug 1572 – 16 nov 1572

Voor een goed verstaan van de verdere ontwikkeling op godsdienstig gebied is kennisname van het politieke decor noodzakelijk. De politieke ontwikkeling blijkt direkte invloed te hebben op de positie van de gereformeerden binnen Kampen. Daarom volgt nu eerst een politieke schets over 1572:
Tot 1572 is het in politiek opzicht betrekkelijk rustig in Kampen. In iuni 1567 wordt landvoogdes Margaretha van Parma vervangen door Alva. Kampen is spaansgezind en ze blijft dit. Maar het jaar 1572 wordt in politiek opzicht een onrustig jaar. In april veroveren de watergeuzen Den Briel, ook andere steden uit het Noorden gaan over in het Oranje-kamp. Eind juli hebben de troepen van de Prins grote delen van Holland en Zeeland in handen. De invloed van Oranie breidt zich uit naar Gelderland en Friesland. Willem van den Berg, zwager van willem van Oranje, trekt Overijssel binnen. Hij verovert Zutphen, Elburg en Hattem. Daarna komt hij op Kampen aan.
De nadering van zijn leger brengt de Kamper stadsraad in beweging, Raad, meente en regering, ja heel de burgerij zweert hoofd voor hoofd de stad niet aan Van den Berg over te zullen geven. ( 1 [1. O.A. 22, L.M.N., blz. 85-87, 14 juni 1572.])
Het is dan 14 juni 1572, Reeds eerder, in mei, heeft Willem van Oranje de stad een brief geschreven. Deze heeft echter de stad niet bereikt. Op 3 aug. richt Oranje een herhaalde oproep aan de stad om Van den Berg in de stad toe te laten. Hij zal de stad beschermen tegen “dije meer als beestelickhe slavernie, daerinn der van Alba mit sijnen frembden anhanck under de schijn ende decksell des dienstes der konincklickken majesteit Iw . . . gantz tvrannisch hefft brenghen willen”. Tot eer van God en tot dienst aan de koning en tot welvaart van de landen is afwerping van dit juk noodzakelijk. Oranje belooft dat Van den Berg alle inwoners van de stad, zowel geestelijken als wereldlijken, in hun oude vrijheden, rechten en privileges zal respecteren. ( 2 [2. O.A. 95, 3 aug. 1572.]) Van den Berg schrijft op 9 aug. aan de stad een brief met soortgelijke inhoud. ( 3 [3. O.A. 95, 9 aug. 1572.]) De stedelijke overheid gaat echter niet op de verzoeken in. De stad wordt daarop

[pag. 48]

Belegerd. Tijdens dit beleg dat drie dagen duurt, zijn er een aantal overlopers die zich bij Van den Berg aansluiten: “ende men bevandt dat eenige uuther der stadt over die muvren totten rebellen . . . gevallen weren”. ( 4 [4. O.A. 225, O.M., fol. 350, 28 nov. 1572.]) Tevoren hebben “etlicke onse burgeren sich . . . uth der stadt verkropen ende bij den rebellen gegeven”. ( 5 [5. O.A. 225, O.M., fol. 349, 28 nov. 1572.]) De stad wordt beschoten. Met inzet van 14 of 15 stukken zwaar geschut en met 9 galeien en andere schepen en met allerlei klein geschut vindt een gevecht van drie dagen en nachten plaats. M.u. op de galeien vallen veel slachtoffers. Poorten worden in brand gestoken, een poortgewelf wordt met twee tonnen buskruit opgeblazen. Echter, enigen “weder willigen van die exercitie hoeren gewoentlicken gehoersaems onversienlick ende onverhoept ommegetoegen”, zijn er mede oorzaak van dat de stad zich onder protest moet overgeven. ( 6 [6. R.A. 2, Liber Causarum, 5, 7 jan., 2 maart 1574. Vermeld worden enkele overlopers: Thijs Oldenzeel, vaandrager; Johan ter Stege, Gerrijt Nijber, Willem Swaentgen.]) Op 11 aug. vindt overgave van de stad plaats op basis van een capitulatieverdrag waarbij o.a. het volgende wordt overeengekomen:

1. dat de stedelijke regering in dienst blijft van en gehoorzaamheid verschuldigt blijft aan de koning van Spanje.
2. dat de ingezetenen in het bezit blijven van “allen hoeren rechten, vrij - und gerechticheijden, privilegien, possessien und gewoenten als sie bis heer to gehadt, genoten und gebruijckt hebben”.
3. dat men “onverhijndert und onbeschadicht bliven an hoeren lieve und allen hoeren guederen”.
4. dat “alle priesteren, cloesteren, voirts geestelicke und werltlicke personen onverletzt, onbeschadicht und onbedwongen bliven in hoeren guederen ende regimente, sowel vander religion ende exercitie van dien als andere”.

In het capitulatieverdrag wordt Oranje gekwalificeerd als stadhouder en kapitein-generaal over Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht. Graaf Van den Berg heet lieutenant en stadhouder-generaal van Gelre, Zutphen en Overijssel in dienst van de koning. Trouw aan de koning van Spanje staat buiten discussie. Alva wordt getekend als een tiran. ( 7 [7. O.A. 95, 11 aug. 1572.])
Op het raadhuis formuleert men die dag de volgende resolutie: “na eijsschender noot alsoe overghelecht dat sie die opgevinge gheschien laten mosten, doch voer Godt ende die Werldt geprotestiert, dat sie daerinne nijet en consentierden”. ( 8 [8. O.A. 22, L.M.N., 11 aug. 1572.]) De stad kiest onder dwang voor de Prins. In de formulering

[pag. 49]

van de resolutie schermt het stadsbestuur zich af tegen eventuele latere beschuldigingen van spaanse zijde. Het politieke machtsevenwicht taxeert men binnen de raad als wankel. De nabije toekomst zou dit leren, want goed drie maanden later wisselt de stad weer van politiek kamp. De stad wordt dan weer spaans. Uit het drie maanden durende bewind van Van den Berg valt het volgende te vermelden:
Reeds op 20 aug. heeft Van den Berg de grootste kerk van Kampen, de St. Nicolaeskerk, aan de gereformeerden toegewezen. Deze hadden hem daarom verzocht. De toewijzing wordt door Van den Berg tweeledig gemotiveerd: 1. “Godt queme ommers het beste toe; die Stadt behoerde hem selffs om sulcke vergunninge te bidden”. 2. “Godt hadde hem die Stadt gegeven, soe behoerde hij oeck in teken van danckbaerheit die grootste kercke tot Godts Woorts verkundinge ordinieren”. ( 9 [9. O.A. 25 15, Dagvaardboek, 20 aug. 1572.]) In het licht van het capitulatieverdrag is deze toewijzing niet te rechtvaardigen. Kampens deputaat op de Overijsselse Landdag doet dan ook over deze gang van zaken terecht zijn beklag.
Op 22 aug. verzoekt een zestal deputaten uit de Kampense en Zwolse raad aan Van den Berg een vendel soldaten uit Kampen weg te halen. De last is voor de stad te groot, zo wordt gesteld.
In de maand sept. tekent zich opnieuw politieke onrust af. Op 10 sept. is de stad in het bezit van een brief van de graaf die hij aan de poorten wil aangeslagen hebben. Ieder die de stad verlaat om zich elders te vestigen buiten toestemming van Van den Berg, is strafbaar. Zijn goederen zullen worden verbeurd verklaard. ( 10 [10. O.A. 95, 22 aug. 1572.]) Vijf dagen later, 15 sept, krijgen herbergiers en de andere burgers bevel de namen van vreemdelingen die binnen de stad overnachten op de schepenkamer aan te geven. Op 17 sept. volgt een gebod om de jaar- en weekmarkten buiten de poorten te houden. ( 11 [11. O.A. 243, Digestum Novum, 15 en 17 sept. 1572.]) De contrôle verscherpt zich dus. Blijkbaar bestaat er angst voor infiltratie van spaansgezinden. Ruim een week later wordt een publicatie gereedgemaakt waarin de burgers verplicht worden net als de soldaten de wacht te lopen. Daartoe moeten ze de eed van trouw afleggen. De stad krijgt van Van den Berg opdracht haar voorraden buskruit te vergroten. ( 12 [12. O.A. 22, 25 sept. 1572.])
Bijna een maand later, 23 okt., blijkt de stad met een

[pag. 50]

extra vendel te zijn toegerust. De raad verzoekt de graaf nl. het pas ingelegde vendel waalse soldaten weer uit de stad weg te halen. De stad is arm en de walen kunnen niet met de duitse troepen en de burgerij overweg. ( 13 [13. O.A. 225, Olde Missivarum fol. 340, 23 okt. 1572.]) Drie dagen later volgt dit verzoek, nu aan Oranje zelf. Een hernieuwd verzoek aan Van den Berg vindt plaats daags daarop, 27 okt. .
Uit dit laatste schrijven blijkt hoe de soldaten de burgerij overlast bezorgen. Door waalse soldaten wordt een vrouw verkracht. ( 14 [14. O.A. 225, fol. 341, 342, 26 en 27 okt. 1572.]) De verzoeken van de raad werken bij Van den Berg averechts. Op 28 okt. vindt op zijn bevel -ondanks veel protesten- een verandering van de stadsregering plaats. Het schepencollege, de raad en de grote- en kleine gemeente worden vernieuwd. Tot schepen wordt dan o.a. gekozen Rutger Hudde; zijn naam komt in de politieke en kerkelijke verwikkelingen van deze periode herhaalde malen voor. ( 15 [15. O.A. 22, fol. 94, 95, 28 okt. 1572.])
Van den Berg ziet dat hij de stad niet kan houden. Met de nadering van Don Frederic en diens straffe voorbeeld van Zutphen voor ogen, verlaat de graaf op 19 nov. de stad.
Dezelfde dag bereikt Kampen een brief van Deventer. Deze boodschap is geschreven vanuit het leger rond Zutphen. Deventer raadt Kampen met klem aan een deputatie naar Don Frederic te zenden met het verzoek om gratie voor de stad. ( 16 [16. O.A. 22, 19 nov. 1572.]) Direkt gaat nu een twaalftal deputaten naar Zutphen op weg om “in allen oetmoet toe erschijnen voer . . . Don Frederico Alvarez de Toledo . . . om gantz demoedichlick toe bidden . . . van wegen Con. Mat. van Hispanien . . . die voirscreven Stadt Campen . . . . in genade op ende an toe nemen ende tgene daerinne geschiet mit genedigen oegen an to sijn, hoer in hoeren privilegien, rechten ende gerechticheiden te laten blijven ende mit soe weijnich krijchsvolcks to beleggen als ommers moegelick sal kunnen zijn”. De volgende dag verleent Don Frederic de stad gratie. Er zullen zoveel soldaten in de stad gelegerd worden als hij nodig acht.
Het stadsbestuur legt op 22 nov. een verklaring af dat de vernieuwing van de stadsregering van 28 okt. niet met hun instemming tot stand is gekomen. Ze verklaart uit dwang gehandeld te hebben. ( 17 [17. O.A. 22, 22 nov. 1572.])
Tot zover de politieke schets.

[pag. 51]

Het is niet toevallig dat de aanhangers van de nieuwe leer weer in het openbaar tevoorschijn komen zodra Van den Berg de stad in handen heeft. Wanneer op 11 aug. 1572 Kampen capituleert, wordt in het capitulatieverdrag een bepaling opgenomen die voor de gereformeerden een sterke verbetering van hun positie betekent. In het verdrag krijgt de magistraat de garantie dat “alle priesteren, cloesteren, voirts geestelicke und werltlicke personen onverletzt, onbeschadicht und onbedwongen bliven in hoeren guederen ende regimente, sowel van der religion ende exercitie van dien als ander”. ( 18 [18. O.A. 95, 11 aug. 1572.])
Hier wordt door Van den Berg de feitelijke aanwezigheid der gereformeerden erkent als wettig. En dat terwijl nog kort voor het beleg, op 12 april 1572, er van de magistraat een waarschuwing was uitgegaan tot een drietal personen om zich terstond bij de r.k. kerk te voegen. ( 19 [19. cf. blz. 46 slot.]) Vier maanden later, accepteert de stedelijke overheid -zij het onder de druk van capitulatie- bescherming van beide godsdiensten. De intocht van Van den Berg betekent voor de gereformeerden minstens zo’n hoopvol perspectief als dat van 1566, nu zes jaar geleden. ( 20 [20. cf. Hfst. II.])
Voor het eerst sinds haar ontstaan, geniet het gereformeerde deel der burgerij officiële erkenning, bescherming en vrijheid van publieke samenkomst.
Voor dit laatste is een vergaderruimte nodig. Een week na de capitulatie is aan Van den Berg reeds een supplicatie overhandigd met het verzoek om een kerkgebouw voor de gereformeerde diensten. Gevraagd wordt om de St. Nicolaaskerk. Beelden en altaren moeten daaruit dan verwijderd worden. De raad komt er achter dat deze supplicatie aan Van den Berg is gericht. Ze schrijft hem op 18 aug. daarover een brief. Daarin verzoekt ze de beslissing over toewijzing uit te stellen tot Van den Berg zelf in Kampen zal zijn aangekomen. De magistraat vreest kennelijk in de beslissing te zullen worden gepasseerd. Mocht de graaf toch tot toezegging overgaan, dan zou de magistraat graag zien dat i.p.v. de St. Nicolaaskerk de Minrebroederkerk zou worden toegewezen. Deze ligt nl. centraal. Bovendien is het gebouw groot genoeg voor het beleggen van de gereformeerde diensten. ( 21 [21. O.A. 225, blz. 332, 18 aug. 1572.]) De supplicanten worden door de raad getypeerd als “etlicke vreempden persoenen die een tijdtlanck alhier bij ons gewoent, doch

[pag. 52]

ghiene burgere en sinnen”. Kennelijk dient dit om hen bij de graaf te diskwalificeren als personen die geen burgerrechten hebben, laat staan dat ze bevoegd zijn tot het doen van een dergelijke supplicatie. De omvang van het gereformeerde deel der burgerij schat de overheid niet groter dan er personen in de Minrebroederkerk kunnen.
De vorm waarin het verzoek van gereformeerde zijde gesteld is, lijkt me niet gerechtvaardigd. Een bescheiden supplicatie die de hoofdkerk -de St. Nicolaaskerk is dat immers aan de aanhangers van de oude religie laat, lijkt me meer gepast. Binnen het kader van de toenmalige stedelijke samenleving moet een dergelijke forse supplicatie bij de roomsen en bij de stedelijke overheid overkomen als een greep naar de kerkelijke macht; dit laatste onder politieke dekking van Van den Berg’s aanwezigheid in de stad.
Terwijl de magistraat het grafelijk antwoord afwacht, vreest ze dat de supplianten samen met het krijgsvolk “mit inneminge der kercken voortvaeren sullen”. Daarom vaardigt ze direkt een deputatie af die naar de graaf in Hattem gaat. ( 22 [22. O.A. 2514, blz. 226, 19 aug. 1572.]) Onder de gedeputeerden die 20 aug. op weg gaan, bevinden zich de kerkmeesters van de St. Nicolaaskerk. Men wil de “St. Nicolaeskercke van die ruminge der beelden gevriet, ende die olde gewoentlicke cermonien (wie bes an heer tho geschiet) aldaer onderholden”. ( 23 [23. R.A. 2, fol. 179, 20 aug. 1572.])
Terwijl de deputatie op 20 aug. wegens de oorlogssituatie onverrichter zake halverwege moet terugkeren, heeft Van den Berg op 19 aug. de raad reeds teruggeschreven. Hij deelt mee dat “de St. Nicolaes kercke voer bequaemst daertho verordent is van ons”. Hij verzoekt de raad zich hierover niet bezwaard te voelen, maar het te beschouwen “als een saeke, die de eere Godts betrefft, damit alle dingen te geschicter ter eeren gods, upbouwinge der waerer Christlicker religien ende algemeynen welstandt ende welvaert toegaen magh”. Daarbij belooft Van den Berg “die ander geestlicke bij haere prebenden ende vicarien (te) laeten”. ( 24 [24. O.A. 225, blz. 333, 19 aug. 1572. O.A. 2514, blz. 266, 267, 20 aug. 1572.]) Direkt stuurt de magistraat de deputatie opnieuw naar de graaf, met het verzoek de grootste kerk voor de oude religie te mogen behouden. Van den Berg houdt hen voor: “Godt queme ommers het beste toe, die

[pag. 53]

Stadt behoerde selffs sijn Genade om sulcke vergunninge te bidden, gelijck oick etlicke burgeren daerom an sijn Genade gesuppliceert”. Herhaald aanhouden van de deputaten doet de graaf vervolgens opmerken dat “Godt hem die Stadt hadde gegeven, soe behoorde hij oick in teken van danck-baerheit die grootste Kercke tot Godts Woorts verkundinge ordineren”. Tevens geeft Van den Berg de deputaten nu opdracht “dat men der minrebroderskercke opruijmen solde”. Dit laatste zal betekenen dat deze kerk van beelden en altaren moest gezuiverd worden. ( 25 [25. O.A. 2514, 266, 267, 20 aug. 1572.])
Gezien het capitulatieverdrag is deze toewijzing niet te rechtvaardigen. Kampens deputaat doet op de Overijsselse Landdag dan ook over deze gang van zaken terecht zijn beklag.
Blijkens de dagvaart van de Landdag d.d. 25 aug. 1572 zijn ook in de Onze Lieve Vrouwekerk de diensten gedurende enige tijd verhinderd geweest. Dit gegeven valt op te maken uit de volgende zinsnede: “wie dan oick sijn Genade uthstelde dat versoeck der voerseijde gedeputeerden om die gewoentlicken diensten in onser 1. vrouwen kercken weder te doene” ( 26 [26. O.A. 2514, blz. 268, 25 aug. 1572.])
Ruim een maand later, 1 okt. 1572 wil Van den Berg twee of meer predikanten aanstellen. Dit valt af te lezen uit de volgende zin: “daena den Grave van den Berge gevraecht waevanne den predicanten, bij sijn Genade gestalt, onderholden solde”. ( 27 [27. O.A. 2514, blz. 269, 1 okt. 1572.]) Deze aanstelling gaat echter niet buiten de gilden en de burgerij om. Want door hen wordt verzocht Mr. Caspar Holstech tot predikant te mogen hebben. Na de affaire- “Van Plo” in 1567 heeft het vijf jaren geduurd dat Holstech Kampen heeft verlaten. De burgerij is zijn prediking echter niet vergeten. Vijf jaar na de beschuldiging door Van Plo ( 28 [28. cf. Hfst IV, blz. 29-31 en blz. 36-39.]) wordt Holstech door gilden en burgerij weer als predikant begeerd. Het getij is gekeerd. De magistraat zelfs gaat nu met hem praten. Of de voormalige rector inderdaad naar Kampen is gekomen, valt niet met zekerheid te zeggen. Daarover lezen we niets. Wel blijkt uit deze supplicatie dat Holstech niet alleen bij “etlicke vreempden persoenen”, maar ook bij gildeleden en andere burgers van Kampen geliefd was.
Naast Holstech worden de namen van nog twee predikanten genoemd; o.a. een zekere Oostendorp. Met alle drie zal de overheid gaan praten. ( 29 [29. O.A. 22, blz. 90, 7 okt. 1572.])
In Kampen wordt in sept. en okt. 1572 de waakzaamheid

[pag. 54]

verhoogd. Terwijl de stad door Van den Berg tot een sterke Oranje-vesting wordt vermaakt, zet de graaf zijn beleid in godsdienstzaken door. Op 12 okt. wordt Johannes Oostendorp door hem tot predikant van de hoofdkerk, d i. de St. Nicolaas-kerk, benoemd. Prediker in de Buitenkerk wordt een zekere Joannem van Emden. De raad krijgt opdracht in hun beider levensonderhoud te voorzien. ( 30 [30. O.A. 2414, 12 okt. 1572.]) Terwijl op 23 okt. een extra vendel in de stad aanwezig blijkt, heeft Van den Berg op 19(?23 okt. de raad per brief te verstaan gegeven: “das Ihr Anstundt in ansehen des brieves alle Papen und Municken, niemantz uitgescheiden euwere Stadt verweisset, und denselven mitt vrede darinto kommen verbiedet up unser hohcster Straff unnd ungnadt”. S. Elte dateert dit gegeven op 19 mei. Hoewel hij zelf -zoals in heel zijn geschrift- geen bronvermelding geeft, is het duidelijk dat dit gegeven ontleend moet zijn aan het in 1862 gedrukte werk “Uittreksels uit het Dagboek van Arent toe Boecop”, pag. 145. Daarin wordt dit gebod tot verbanning van de r.k. geestelijkheid echter niet op 19, maar op 23 okt. gedateerd. De laatste datum is een datum uit een eigentijdse bron. Vandaar dat we voorkeur geven aan datering op 23 okt..
Maar nog geen maand na dit “papen und Municken” verbod verlaat Van den Berg de stad. Hij kan Kampen niet houden. Terwijl Don Frederic Zutphen straft, trekt Van den Berg via de IJsselbrug de stad uit. Hij laad haatgevoelens tegen zijn ruim drie maanden durende bewind achter. De toekomst zal leren dat voor de gereformeerden een geforceerde doorbraak van de reformatie geen goede zaak is geweest.

Category(s): Geen categorie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *