I. De Gereformeerde Kerk nog Ondergronds: 1555 -sept 1566

[pag. 1]

I. DE GEREFORMEERDE KERK NOG ONDERGRONDS: 1555 -sept 1566

Pastoor in deze dagen is Aggno van Sneick (Aggneus Snecanus), Reeds in 1558 ontvangt hij geld uit de stadskas. ( 1 [1. O.A. 22, 18 mei 1558.]) Kort voor zeven sept. 1565 vertrekt hij naar Keulen. Slechts één kapelaan blijft in Kampen achter. ( 2 [2. O.A. 224, brief aan Mr. Henrick Erentz., licentiaat in de theologie, 7 sept. 1565.])

Reeds voor de komst van deze pastoor wordt op 27 jan. 1555 van stadswege een publicatie uitgevaardigd inzake verboden boeken. ( 3 [3. O.A. 242, fol. 172, 27 jan. 1555.]) Het stadsbestuur heeft nl. vernomen dat “sommige boekvoerrers, kraemers ende andere die mit boeken ommegaen hoer voervorderen ende underwinden voert tdoen to ercopen, distribueren ende under tgemene simpel volck to verspreiden, eenige suspecte boken, gemaeckt ende utghegeven bij eenen die sich noempt Johannes Anastasius Veluanus ertijdtz gewest pastoer vice-cureit offte Capelaen to Garderen upte Veluwe”. In dit boek, getiteld “kort bericht offte der leken wegewijser”, zouden zich veel ketterijen tegen de heilige kerk en de chr. religie bevinden. Daardoor zou “die simpel gemeente jamerlicken verleidt ende bedrogen” worden. Het boek zou oproer kunnen veroorzaken. Dit alles wil de raad bijtijds voorkomen door een algemeen lees- en verkoopverbod. Binnen drie dagen moet ieder die een exemplaar in bezit heeft, dit op het stadhuis bezorgen.

Ter typering van dit werk het volgende: Het boek wordt op 12 april 1554 te Straatsburg (?) gedrukt. Bij plakkaat van zes sept. 1554 wordt het in Gelderland verboden. Toch komt reeds in 1555 een tweede druk af. In 1558 verschijnt het werk op de Leuvense index. Het boek moet als zeer gevaarlijk voor de r.k. kerk worden beschouwd. Tot in details heeft de schrijver zijn hervormingsplannen gereed. Het komt er slechts op aan de reformatie in te voeren en gereformeerde kerken te vestigen. Anastasius raadt de Loci Communes van Melanchton en de Institutie van Calvijn aan. Ter bestrijding van het boek schrijft inquisiteur Bunderius, O.P., in 1556 een latijns werk, waarvan de vertaalde titel luidt: ‘Schild van het rechtzinnig geloof tegen de vergiftigde pijlen van Joannes Anastasius Veluanus’. ( 4 [4. Cf. F. Pijper, Bibliotheca Reformatoria Neerlandica, deel IV, 123-376.])

Ook binnen de katholieke kerk te Kampen ontstaan er moeiten. Pastoor Aggneus Snecanus daagt Heer Berendt voor de raad.

[pag. 2]

Deze geestelijke zou in zijn preken ketterijen hebben verkondigd. Op drie juni 1559 moet Heer Berendt Andriessen voor de raad verschijnen. ( 5 [5. O.A. 2257, 3 juni 1559.]) Zijn pastoor wil de raad “angeropen hebben als defensoren, protectoren ende patronen”, als “superioren Judicis ecclesiastici”. Tegen Heer Berendt zijn een viertal artikelen ingebracht betreffende diens visie op het avondmaal. Door zijn prediking was er onrust onder de luisteraars ontstaan. Pastoor Snecanus is toen zelf in de O.L. Vrouwekerk geweest. Bij de hoogmis heeft hij de predikatie van Heer Berendt aangehoord “upten lest verleden dinxtage”. Opvallend was toen allereerst diens spreken over “die geisteleke dronckenschap”. Zoals de wijn het hart van de mens vrolijk en blij maakt en alle zorgen in de gedronken wijn vergeten worden, “also worden wij die flou, verzaecht ende slap zijn, wederomme inden wijn des bloedtz Christi giestelicken droncken vereinichet ende gestercket, als nu gewisselicken ende sekerlicken vertroest zijnde, dat Christus mit dat hem gevent sijns lichaems ende uthstortinge sijnsbloetz, ons soendige menschen verloest hefft, daervan des menschen herte inden gelove alstan vroelick ende ontsticken wordt”. Met verwijzing naar Cyprianus en Calixtus houdt Heer Berendt vol dat hij “tselve also giestelick ende niet anders gemeint thebbende”. De pastoor houdt de raad echter voor bij Calixtus dit zo niet aangetroffen te hebben. Een tweede punt ontkent Heer Berendt. Hij gelooft wel degelijk in Christus’ reële presentie in het sacrament. Het ging hem echter om de zinsnede “doe dit tot mijn gedachtenis”. Met verwijzing naar 1 Cor. 11 wilde hij de kerkgangers op hun fouten en op de noodzakelijkheid van het geloof wijzen. Want ware “offerande van dancksegginge” kunnen wij mensen a11een brengen door het geloof: “tso wij uns daer tho niet waerdiglicken bevinden connen, dan hyr compt uns die gelove in to hulpe die uns alleen waerdich ende bequaem maeckt om dat te ontfangen”.

Als derde bezwaar tegen Berendt gelt zijn oproep tot het brengen van een offer van dankzegging door het nuttigen van het sacrament. Dit als geloofsreactie op Christus’ werk voor ons. “In een memorie des stervens ende lijdens Christi ende hem daervan danckbar to sijne van deze ende alde andere sijne

[pag. 3]

weldaden ende also tdoene een offerhandt der dancksegginge, want ons alstan tselve dat Christus voer uns gedaen ende eens geleden hefft als een angenaem offerhande sijns hemelschen vaders In nutting des sacramentz vermaent wordt”. Als vierde punt, deels met de vorige verweven, wordt op Heer Berendt het volgende aangemerkt. Ieder moet zichzelf onderzoeken of hij de geestelijke spijs van het lijden van Christus met een gelovig hart nuttigt, “want so wij niet en geloven konnen uns die Sacramenten niet to stade comen, so die geloeve voer all daer wezen moet”. Dit houdt Heer Berendt de daarop volgende dag opnieuw voor de raad vol. Aan zijn daging voor de raad was reeds een vermanend gesprek met een raadsdeputatie en de pastoor voorafgegaan. Tijdens dit onderhoud in het St. Brigittenklooster werd hem reeds voorgehouden “gien heresie offte anderen ketterschen articulen te prediken”. De geestelijke verdedigt zich voor de raad met diverse “autoriteiten der hilliger Schrifft ende catholische leres”. Kernbezwaar tegen hem blijkt het vierde punt. De dronkenschap die Paulus in 1 Cor. afkeurt, is een wérk, stelt de pastoor. Zijn redeneergang is als volgt: “dat die gelove niet allenen uns beguaem maeckt omme te communiceren” toont Paulus ons, want “die die Corinth straffet dat dieselve droncken quamen als sie solden communicieren welcker dronckenschap gien geloeff, maer een werck is, mit wijderen anhangenden woerden waerdorch wij geleert worden dat ons die gelove ende guide wereke tzamen bequam maken”. Nadat Heer Berendt zich de tweede dag over de beschuldigingen kan uitspreken voor de raad, komt Pastoor Snecanus met nog meer afwijkingen van de geestelijke naar voren. Alle beteffen de sacramentsleer. De raad moet volgens Snecanus maatregelen tegen Heer Berendt nemen. Zelf stelt de pastoor voor hem de toegang tot de stoel te ontzeggen. Verder wil hij hem bij de geestelijke overheid niet verschonen. Hij wijst erop dat het verlies van de zaligheid van de door Heer Berendt afgedwaalde schapen voor rekening van deze geestelijke komt. Om tijdens de afwezigheid van de pastoor erger te voorkomen, moeten volgens Snecanus strenge maatregelen worden genomen. Daarom verzoekt hij de raad als “sijne patronen, collatoren ende defensoren”, Heer Berendt “to priveren ab acte predican-

[pag. 4]

di confessiones audiendi et sacramenta administrandi, want he tselve niet weerdich en is tbedienen”.

Uit deze dagvaarding wordt duidelijk dat Heer Berendt het sacrament ziet als een geestelijke maaltijd, die op geestelijke wijze genoten wordt. Tevens typeert hij het sacrament als een offer van dankbaarheid. Dit dubbel karakter van het sacrament kan pas werkelijk functioneren als het geloof aanwezig is. De voorwaarde van goede werken naast dit geloof acht Heer Berendt voor een goede avondmaalsviering niet noodzakelijk. Goede werken liggen volgens deze geestelijke zelfs buiten de menselijke mogelijkheden. Vanuit r.k. standpunt moet deze avondmaalsopvatting zeker als heresie bestempeld worden. In de sacramentsopvatting van Heer Berendt klinken overduidelijk reformatorische geluiden door. De oordeelsbevoegdheid van de raad in deze theologische kwestie ligt gefundeerd in het patronaat van de stedelijke regering. Deze is patroon, collator, defensor, protector, superior Iudex Ecclesiae.

Naast de heresie van deze geestelijke vraagt ook het gedrag van de kerkgangers om aandacht. Op 15 mei 1560 gaat van stadswege een publicatie uit waarin gelaakt wordt het “groete myssbruick ende onbehoirlickheit int wanderen ende spatieren gaen inder kercken bijne-n desser stadt, die wijle ‘t woirdt Goedtz geprediciert” wordt. ( 6 [6. O.A. 242, fo. 199, 15 mei 1560. ]) Tevens wordt verboden dat herbergiers tijdens de sermoenuren bier tappen. Veel mensen vieren de zondagen, de aposteldagen en andere geboden vierdagen niet “tot schandalisatie oires ngesten, ende guede vrome luyden”. In plaats van de kerkgang blijven ze gewoon werken. Ook met de vastenvoorschriften nemen tal van mensen het minder nauw; op tijden dat dit verboden is, eten velen vlees. Al deze misbruiken worden in de publicatie namens de koning verboden. Verder komt in deze bekendmaking het schrijven, drukken, kopen en verkopen van verboden boeken aan de orde. Niemand mag tot het drukken van een boek overgaan buiten uitdrukkelijke toestemming van de raad.

De publicatie van 15 mei bevat echter bovendien een voor ons onderwerp zeer centraal gegeven. De raad gebiedt daarin nl. ook, “dat nijemants hij sij wie hij sij sall holden enijge heymelicke Scholen, leerhuysen off leerplaetzen, off enijge

[pag. 5]

heymelicke conventiculen off versamelingen In saeken van religiën. Dat oick niemanth hij sij wie hie sij sich begeven sall in alsulcke heyemelicke scholen off leerplaetsen, dan alleenijgen inden openbairen Sermonen bijnen Campen”. Dit laatste gebod wordt niet zonder reden gepubliceerd. Want nog op 30 dec. 1559 had stadhouder Aremberg in naam van de koning bevolen geen verboden boeken noch vreemde personen zonder certificaat van de pastoor toe te laten. ( 7 [7. O.A. 94, 30 dec. 1559.]) De stadhouder herinnert er in zijn brief de magistraat aan dat de koning voor zijn vertrek naar Spanje “allen anderen stadholderen, amptluyden ende gedeputeerden van alle den Steden … scherpelijck (doen) bevelen … die christelijcke Religion mit alle vlijt voer te staen ende to conservatie vaste ende eendrachteicheijt der selver to procederen Jegens die Annebrekers ende overtreders”. De stadhouder vreest dat sinds zijn afwezigheid er binnen Kampen “vele verscheijden verboden ende ongodlijcke boecken vercocht, verhanddelt ende gebruijckt worden”. Tevens is hij bang dat binnen de stad door vreemdelingen “heijmelijcke bijcompsten oder conventicula” gehouden worden, waardoor “vele simpele ende welmenende personen van onsen rechten christelijcken gelove an groete dwalingen, ketterijen, boese secten, ongodlijcke en gereprobeerde opruiingen ten prooie vallen”. Onder deze conventikelgangers vermoedt de stadhouder “oick vele moertbranders, wderdoepers ende ander vertwijvelde menschen”. De stadhouder ziet in de godsdienstige nieuwlichtrij een gevaar van ondermijning van de hele stedelijke samenleving.

Op 22 juni 1560 bezoekt de commissaris van de koning de stad. Hij is belast met het toezicht op de inquisitie, op de maatregelen tegen heresie en de drukkers van verboden boeken. Hij krijgt van het stadsbestuur een schriftelijke verklaring mee. Daarin staat dat men binnen Kampen op de naleving van de plakkaten en mandaten van de koning “roerende die materie vorscreven” tot nog toe heeft toegezien. ( 8 [8. R.A. 2, fol. 153, 22 juni 1560.]) Het hof houdt dus de gang van zaken in Kampen goed in de gaten. Het bezoek van de commissaris van de koning en de brief van stadhouder Aremberg van 30 dec 1559 vormen het kader waarbinnen de stedelijke publicatie van 15 mei 1560

[pag. 6]

te verklaren is. De religieuze politiek van het stadsbestuur wordt mede beinvloed door de stellingname van de gewestelijke en centrale regering. Deze directie is het gevolg van de maatregelen van de koning waardoor sinds 1559 de Nederlanden kerkelijk gereorganiseerd werden. In de persoon van Phillips II kwam het wereldlijk en kerkelijk gezag samen. De kern van deze kerkelijke reorganisatie -de benoemingen van nieuwe bisschoppen- stuitte bij de drie IJsselsteden op heftig verzet. Op 27 jan. 1562 wordt op de landdag van Overijsselse ridderschap en steden gesteld dat deze bisschoppen “sonder twijvell inquisitores fidei” zijn die “inbroek ende verliesinger hoerder angeborne vrijheid” doen. Dit is de “submissien ende tractaten gantzlicken to weder”. Op de landdag belooft men elkaar bij te zullen staan “omme sulx in tijden to behinderen ende behoirlicken wederstandt tdoene”. ( 9 [9. O.A. 2502, 27 jan. 1562.])

Op 24 mei 1561 wordt Symon van Oy uit de stad gebannen. Hij is “een verkeerder int geloeve”. Per publicatie wordt de burgerij bekend gemaakt hem niet “tho huissen, tho hoven, tho herbergen … offte enich underschutzell offte bijstant tdoene int heimelick offte oepenbaer”. ( 10 [10. O.A. 242, fol. 201 v., 24 mei 1561.])
Mede door hem zouden “den simpelen menschen lichtlicken tot ergernisse bewogen” worden. Om “verstuyringe des gemeinen Tranquilliteits en burgerlicke eendracht ende welfaert” te voorkomen, heeft de raad hem verbannen. ( 11 [11. R.A. 2, fol. 154 v., 24 mei 1561.]) Mogelijk hebben we in de persoon van Van Oy te maken met één der conventikelgangers.

Een jaar na de verbanning van Symon van Oy, 10 mei 1562, herinnert de magistraat er opnieuw aan dat het ten strengste verboden is geheime conventikels te houden. Reeds is de burgerij bij eerdere publicatie “mitter clocken” hiervan op de hoogte gesteld. ( 12 [12. O.A. 242, fol. 205 v., 206 r., 10 mei 1562.])
Het stadsbestuur herhaalt deze publicatie echter “nochmaels ten ovewloeth ende guider waerschuwinge”. Het verbod tot het houden van conventikels geldt “het sij bij daege, bij avende offte bij nachte, mit oepen offte besloeten doeren offte oick int velt, heimelick offte oepnbaer”. Deze specificatie doet vermoeden dat er ook in het gebied buiten de stadspoorten conventikels gehouden werden of dat men ‘s nachts vergaderde. Vanzelfsprekend geldt dit verbod ook het bijwo-

[pag. 7]

nen van deze geheime godsdienstoefeningen.

De publicatie van tien mei 1562 vindt niet plaats zonder reden. De dag tervoor, negen mei, werd een zekere Taeke Hettinga voorgoed uit de stad verbannen. De oorzaak daarvan is dat “hij sich heft verdrijstet heimelicke schoele off leerplaetze … tsijnen huis to holden en to lijden”. Ook werden andere samenkomsten binnen en buiten de stad door hem bezocht. ( 13 [13. R.A. 2, fol. 155 v., 156 r.v., 9 mei 1562.]) Hier wordt dus het eerst bekende vergaderadres van de ondergrondse gemeente genoemd: het huis van Taeke Hettinga. Op die bewuste negende mei zijn op het stadhuis de namen van nog meer conventikelgangers bekend. Nog diezelfde dag gaan er stadsboden naar diverse personen uit omdat deze of een verboden samenkomst hebben gehouden of omdat ze deze hebben bijgewoond. Hen wordt ernstig voorgehouden dat ze met hun gedrag het stedelijk bevel en het koninklijk mandaat negeren. Een aantal personen worden in de stukken met name genoemd: Joachim Messemaeker en zijn vrouw, Alijdt Ronne waegens en haar moeder, Lucas Schroer met zijn vrouw, Trijnken Nolle, Hilleken Vrancke met haar dochter, Hadewich Pijpers, Evert Schroer met zijn vrouw, Cathrina Kerstiens, de vrouw van Henrick van Dam met haar twee dochters, “ende meer anderen”. Deze worden allen ernstig gewaarschuwd van verder conventikelbezoek af te zien. Wie in het vervolg dit verbod overtreden, zullen streng door de magistraat worden gestraft. Samen met Taeke Hettinga vormen deze mensen een groep van meer dan achttien personen. Tussen het gezin van Lucas Schroer en dat van Evert Schroer bestaat waarschijnlijk een familierelatie. Ook nemen er drie moeders met hun dochters aan de samenkomsten deel. Verder is er een echtpaar Messemaker aanwezig. Van de achttien mensen zijn er dertien die de geheime samenkomsten samen met een familielid bijwonen. De conventikels zijn samengesteld uit personen die grotendeels door gezins-en familiebanden verbonden zijn.

Een jaar later volgt, bij publicatie van negen mei 1563, herhaling van dit conventikelverbod. ( 14 [14. O.A. 242, fol. 212 v., 9 mei 1563.])
Elke godsdienstige samenkomst buiten de “openbairen sermonen” is verboden. Wie als openbare ketter bekend staat, is vogelvrij. Niemand mag hem “herberghen, huessen, hoeven offt

[pag. 8]

eenighe menschelicke troest doen”. Op ieder rust de plicht openbare ketters die Kampen binnen durven komen, aan te geven. Bovendien moet ieder die op de hoogte is van verboden samenkomsten dit de burgemeester te kennen geven. In deze publicatie vindt eveneens herhaling plaats van het boekdrukverbod buiten consent van de magistraat. Ook het verspreiden van suspecte boeken wordt opnieuw verboden. Deze publicatie van negen mei 1563 wordt blijkens een aantekening in de marge herhaald op zeven mei 1564. Maar op 15 oct. 1564 blijkt publicatie opnieuw nodig. Verboden boeken en conventikels blijven in deze jaren dus de aandacht van de stedelijke overheid vragen. De bezorgdheid van de magistraat uit zich op vier juni speciaal m.b.t. de verspreiding van het boek “Protestatio comionatorum aliquot Augustane confessionis adversus conventum Tridentinum per (intium?) vere religioni et ecclesie molientem etc. adversus eius conventus auctorem Antichristum Romanum”. Niemand mag dit boek dat op het standpunt van de Augsburgse Confessie het concilie van Trente afwijst, in huis hebben. ( 15 [15. O.A. 242. fol. 216 v., 4 juni 1564.]) Schepenen en raad doen deze publicatie uit bevel van de stadhouder. Blijkens het verslag van de landdag van 16 maart 1564 heeft de stadhouder inderdaad Deventer en Kampen laten vermanen over hun beleid t.a.v. verboden boeken. De stadhouder heeft hen daarbij het voorbeeld van Groningen voorgehouden. Door het in het openbaar verspreiden van boeken van o.a. van Calvijn, is die stad bij de koning nl. in ongenade geraakt. ( 16 [16. O.A. 2513, fol. 16 v., 16 maart 1564.]) In het herhalen van genoemde publicatie door de raad klinkt de echo van dit stadhouderlijk vermaan door. De stedelijke politiek in godsdienstzaken wordt gericht door invloeden van buitenaf. Gewestelijke en centrale overheid bepalen mede het standpunt van de raad.

Over de periode van zeven juni 1564 tot 21 mei 1565 zwijgen de stukken. Op deze 21e mei 1565 bezoekt een deputatie uit Kampen de stadhouder Aremberg. De ontmoeting vindt plaats op het Huis te VoIlenhove. Aanleiding tot het bezoek is een brief van de stadhouder aan de raad. Daarin schrijft hij dat hem ter ore is gekomen dat er rond pasen een “zekere vergaderinge van uth ende Inheem-

[pag. 9]

schen menschen op der Stadt Campens eijlanden” heeft plaatsgevonden. De raad wordt door de stadhouder vermaand de plakkaten van de koning op dit punt te handhaven. De raad bedankt Aremberg voor zijn inlichtingen. Verder vertellen ze hem dat ze de dijkgraven op de eilanden opdracht hebben gegeven de zaak te onderzoeken. Veel te weten gekomen zijn ze echter niet. De stadhouder geeft nu zelf nadere inlichtingen over het gebeurde. Diverse personen zijn van Giethoorn naar de eilanden

van Kampen overgevaren om er een verboden godsdienstoefening te houden. De raad moet echter niet denken dat het alleen in Kampen mis is. Er zijn ook brieven uitgegaan naar Deventer en Zwolle. Daar zijn er die de processie en het Heilig Sacrament versmaden. Aremberg wil door het zenden van deze brieven aansporen tot een goed toezicht op de gang van zaken. Tot dit laatste zijn de Overijsselse steden verplicht. Hun belofte aan de koning staat geen verandering in de religie toe. Aan het eind van de ontmoeting brengt de stadhouder naar voren dat, mochten er in het landschap zich moeilijkheden voordoen, men hem als eerste moet waarschuwen. Hij wil als stadhouder proberen de moeiten op te lossen, voordat het Hof er in gemoeid wordt. Van zi]n kant wil hij bijtijds de steden waarschuwen voor zaken waar moeilijkheden uit zouden kunnen ontstaan. ( 17 [17. O.A. 2513, fol. 85, 21 mei 1565.])

Uit dit verslag blijkt hoe de verandering op godsdienstig gebied een gewestelijke problematiek is geworden. Godsdienstige moeilijkheden wil de stadhouder binnen het gewest zélf vroegtijdig tot een oplossing brengen. Daarbij zoekt hij een goede verstandhouding met de stedelijke regeringen. Tegenover het centrale Hof verwijst hij de steden naar de zelfstandigheid van het eigen gewest. De stadhouder weet dat de steden staan op locale – en gewestelijke rechten. Tevens is duidelijk dat in de twaalf maanden waarover de stukken zwijgen, het bezoeken van geheime godsdienstsamenkomsten niet verminderd is. Blijkbaar voelde men zich op het platteland veiliger dan in de steden bij het beleggen van verboden conventikels. Toch strekt zich de stedelijke controle zich via de dijkgraven-instruktie uit tot het omliggende platteland.

[pag. 10]

Elf maanden later, op 30 maart 1566, spreken de drie IJsselsteden met elkaar af, dat degenen die wegens ketterij uit één der drie steden gebannen zijn, in geen van deze drie steden binnen mogen. ( 18 [18. O.A. 2513, 30 maart 1566.])

Deze overeenkomst wordt op 7 april in Kampen afgekondigd. ( 19 [19. O.A. 242, 7 april 1566.]) Zij “die verdoemder ketterien halven uth deser stadt verbannen” zijn, mogen “hier nieth weder incoemen, noch in eenigen van den anderen tween steden huijselicken sich setten”. De taal is strenger dan voorheen. Degenen die de nieuwe religie aanhangen, krijgen het hierdoor moeilijker.

Ondertussen probeert de raad ook binnen de r.k. kerk predikers te houden die goed katholiek zijn. Als patronen en protectoren der kerk verzoeken de leden van de raad het fransiscaner klooster te Leiden de minrebroeder Guardiaan in Kampen te mogen houden. Dit, omdat hij “oick die gantsse onse gemeente mit gueden leven ende exempel voergegaen ende dieselvige niet preken ende leren van Goedes Woort inde catholicxsche ende waere religie seer neerstich gestichtet ende onderholden heft”. Zijn verblijf in Kampen dient tot “conservatie der religie”. De raad verzoekt het Leidse convent om in de persoon van heer Guardiaan de stad “van guede predicanten, als nementlich ons in desen tijden noedich, te willen versijen”. ( 20 [20. O.A. 244, 3 mei 1566.])

In de zomer van 1566 breekt de beeldenstorm los. Van zuid naar noord slaat de beweging over. In Overijssel ziet men het dreigend gevaar reeds vroegtijdig aankomen. Terwijl eerst half augustus dit geweld goed op gang komt, vergaderen reeds op 20 juli de Overijsselse regeringsleiders. Stadhouder Aremberg ontmoet deze dag in Zwolle de Drosten en de gezanten der steden. In het gezelschap zijn ook raadsheren van de Koning aanwezig. Eén van hen Mr. Van Til, iioudt ter vergadering “int lange voer die twijspaldicheit des geloves ende mennichvoldige vergadderingen soe sich in Brabant ende daeromtrent erheven hadden, waeruth dan meer inconvenienten toe besorgen, vermenende derhalven den Drosten ende Steden in tijts guede sorge ende toesicht te dragen dat sulx alhier in desen Lande voergecomen mochte worden. Stellende oick mede toe waecken alsulcke placaten als Matt. hier te bevoerens op den vagabunden heft doen publiceren”. ( 21 [21. O.A. 2513, 184, 20 juli 1566.]) Opnieuw wordt er door de overheid een

[pag. 11]

direkte relatie gelegd tssen het conventikeIbezoek en de vagebonderij. De regering ziet blijkbaar achter de godsdienstige verandering een beweging die oproer wil bewerken. Conventikelverbod en vagebondenplakkaat worden in eenzelfde kager aan de orde gesteld: het voorkomen van inconvenienten zoals in Brabant hebben plaatsgevonden. Twijspaldicheit des geloves” wordt vooral gezien als een vorm van sociale onrust.

Terwijl op tal van plaatsen in de gewesten de beelden vallen, vergadert op 27 augustus de Kamper’ raad met de Grote en Kleine Meente. De burgemeester houdt zijn toehoorders de ernst van de situatie voor: “alzoe die itzijge tijden vast geswindt ende periculoos weren ende onse naberlanden ende Steden vermitz die predicatie etlijcker nijer predikanten in commaotie gestalt ende die kercken gespolieert worden daer durch dan allerleije swaricheden ende meerdere lasten toe besorgen stonden”. Schepenen en raad vragen daarom steun van de Meenten voor het geval er binnen de stad zich nieuwe predikanten opwerpen og als men “eenige kercken ogt cloesteren begonden te schaffiren” of als men iets nieuws op godsdienstig gebied wilde invoeren. Schepenen en raad vragen beide Meenten steun voor hun standpunt om “gantz ghiene nije predicanten in dese vaerlicke ende periculose tijden in der Stadt noch in oeren vrijheit toe lijden, huijsen oft herbergen offte sich in hoere versamlinge ofte predicatien om die antoe hoeren in eeniger wijse toe begeven”. De raad stelt voor om per publicatie de burgerij hiervan op de hoogte te stellen. Op dit voorstel gaan beide Meenten in, echter pas na lang overleg en op voorwaarde dat de raad zich zou inspannen om goede katholieke predicanten te krijgen. ( 22 [22. O.A. 22, blz. 60, 61, 27 aug. 1566.])

In deze voorwaarde valt van de zijde der Meenten enige kritiek te beluisteren op het predikantenbestand binnen de katholieke kerk. Was op dit punt alles naar wens, dan lijkt het uitdrukkelijk stellen van juist déze voorwaarde m.i. overbodig. Als graadmeter van de ongerustheid bij de stadsregering kan dienen het besluit -in diezelfde vergadering genomen- om de wacht te verdubbelen en om de burgerij tot waakplicht op te roepen. Nog dezelfde dag wordt de burgerij de publica-

[pag. 12]

tie bekend gemaakt. Het angstklimaat laat zich illustreren met de volgende woorden uit deze bekendmaking: “to onderholdinge gueder vrede ende burgerlijcke eendracht ende tot stuer ende wederstant aller commotie, onstuijer ende oproer … noch oick in eeniger manieren hoeren handen an kercken ofte cloesteren toe slaen, ofte dieselve te spolieren ofte schaffieren”. De burgerij weet nu dat er in het geheel geen nieuwe predikanten in de stad zullen worden geduld; dat niemand zich naar de verboden vergaderingen of predicaties mag begeven; dat elke kerk- of kloosterschender zal worden gestraft. ( 23 [23. O.A. 242, fol. 227 r., 27 aug. 1566.])

Vier dagen later, op zaterdag 31 augustus 1566, komen ridderschap en steden op bevel van de stadhouder opnieuw bijeen. Te Windesheim worden steden en drosten dan opnieuw vermaand om goed toezicht te houden op de vrede en eendracht der burgerij. Vooral moet de stedelijke overheid er op letten dat “dat uthlopen uth den steden in den platten landen nae den nijen predicanten voergekomen wurden mochte”. Hieruit blijkt dus dat op het platteland geheime vergaderingen werden gehouden, door mensen uit de steden. Was de controle daar minder intensief dan binnen de stadsmuren? Deventer brengt in de vergadering naar voren hoe ze om verder ongemak te voorkomen, heeft toegestaan dat “het sacrament des altaers sub utraque specie den siecken ende gesonden dies begeerden binnens huys gegeven tworden”. Maar, aldus de gedeputeerden van Deventer, men was met deze toestemming tot sacramentsuitdeling bij particulieren thuis niet te-vreden. De aanhangers van de nieuwe leer verlangen nu een kerk “om sich daerinne nae der Augsburchsche confession tholden”. Als het stadsbestuur hen dit toelaat, hoopt men de burgerij rustig te kunnen houden. De gedeputeerden van Zwolle willen zich bij dit standpunt van Deventer aansluiten. Maar de Kamper deputatie stelt zich ter vergadering echter minder soepel op dan beide andere IJsselsteden. De inhoud van de publicatie van dinsdag 27 augustus binnen Kampen afgekondigd, wordt aan de vergadering voorgehouden. Kampen laat geen samenkomsten toe waarin nieuwe predikanten voorgaan. De landdag acht het nu wenselijk om te overwegen of in de gegeven omstandigheden niet een brief aan hertogin Van Parma geschreven moet worden. Daarin zou

[pag. 13]

haar verzocht moeten worden om namens de Koning aan de gemeente een kerk af te staan om er diensten naar de Augsburgse Confessie te beleggen. Afgesproken wordt nu dat de gedeputeerden dit ieder in de raad van hun eigen stad ter overweging zouden geven. Men hoopt op 4 september weer in Windesheim samen te komen. Op grond van de resultaten van de raadsbesprekingen zal dan een besluit genomen worden of er een brief naar de hertogin zal worden verzonden. Wat het plunderen van kerken betrefd, de Drost van Coevorden houdt de vergadering wel een plakkaat van de Hoge Overheid voor, maar gezien de tijdsomstandigheden wordt het beter geacht dit nu niet te publiceren. ( 24 [24. O.A. 2513, blz. 189, 190, 31 aug. 1566.]) Gelet op de publicatie van 27 auqustus en de opstelling van de Kamper deputatie op de landdag te Windesheim, ziet het er voor degenen die binnen Kampen verboden godsdienst-samenkomsten bijwonen, niet hoopvol uit.

Category(s): Geen categorie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *