Kroniek van de H. Josephkerk te Vasse

KRONIEK VAN DE H. JOSEPHKERK TE VASSE

Pastoor L.Engbers en zijn parochie

1800 – 1860

UITGAVE VAN DE ST. HISTORISCHE KRING VASSE MANDER HEZINGEN 1 [1. Met dank aan de Historische Kring Vasse Mander Hezingen voor de gegeven toestemming voor digitalisatie en plaatsing op dboverijssel.]

[ ]

“Waar iemand duizend vreugden zoekt,
Mijn vreugde is in dees? Achterhoek.”

Willem Sluyter, predikant te
Eibergen van 1627 tot 1673.
 
Een parafrase op het leven van
Lambertus Engbers, pastoor te
Vasse van 1804 tot 1855.

H. JOSEPH
eikenhouten beeld afkomstig uit de eerste parochiekerk

_______________↓_______________


|pag. 1|

VOORWOORD

Op 25 maart 1985 vierde de stichting Historische Kring Vasse Mander Hezingen haar 5-jarig bestaan. Ruim een jaar geleden is er door de bestuursleden overlegd over de wijze, waarop dit feit gevierd zou kunnen worden. Aangezien onze voorkeur uitging naar een blijvende herinnering bóven b.v. het houden van een receptie, werd unaniem besloten om een historisch onderzoek te verrichten betreffende een onderwerp, dat alle inwoners van de drie buurtschappen zou moeten aanspreken; de resultaten van dit onderzoek zouden dan op een feestelijke bijeenkomst worden gepresenteerd.
Wij menen in deze opzet geslaagd te zijn, want voor U ligt een boekwerk waarin de resultaten van een intensieve speurtocht naar het ontstaan en de geschiedenis van de parochie, haar eerste kerk en haar eerste pastoor, in de periode 1800 – 1860, zijn neergelegd. Onze voorzitter, pastor J.G. v.d. Kuil, heeft in zijn artikelenreeks “Bijzonderheden uit het verleden van de parochierk van Vasse” in het JAARBOEKJE van de Historische Kring, geput o.a. uit het parochie-archief. Dit archief vertoont juist over deze periode grote hiaten, zodat allereerst een uitgebreid bronnenonderzoek moest worden verricht. Verschillende archiefbewaarplaatsen werden persoonlijk bezocht, andere aangeschreven: alle mogelijke oudheidkundige instanties werden benaderd. Daarnaast moest de geschiedenis van de katholieke kerk, speciaal in Twente, worden bestudeerd, alsmede de kerkelijke architectuur in de eerste helft van de 19de eeuw.
Er werden meerdere gesprekken gevoerd met de oudste inwoners en oud-inwoners van de parochie, die in hun prille jeugd de ‘oude pastorie’ nog hebben gekend, er als misdienaar of om andere redenen wel eens binnen waren geweest. (Hoe moeilijk het is uit jeugdherinneringen een juist beeld van een vroegere situatie te verkrijgen, is uit deze gesprekken wel gebleken!)
De belangrijkste stukken die werden opgespoord, waren de tekeningen en het bestek van een verbouwing van de kerk, die in 1843 heeft plaatsgevonden, én een inventaris van roerende en onroerende goederen behorende aan de parochie, onder beheer van kerkmeesters en pastoor, uit 1855.

_______________↓_______________


|pag. 2|

Er is gerekend, getekend, gemeten en overlegd: er is gegraven naar fundamenten en gezocht naar overblijfselen van deze vroegere kerk, om maar zo zeker mogelijk te zijn. Tenslotte maakten alle verzamelde gegevens tezamen het mogelijk om het verhaal op papier te zetten, maar tevens om de kerk, zoals deze er vóór en na 1843 moet hebben uitgezien, zowel uiterlijk als inwendig, op schaal na te bouwen. Met behulp van een oude topografische kaart en de oudste kadasterkaart (ca. 1830) kon de kerk tevens in zijn omgeving worden geplaatst.
De Historische Kring hoopt met dit werkstuk een waardevolle, blijvende herinnering aan haar eerste lustrum te hebben samengesteld, en dankt hiermee tevens allen, die op welke wijze dan ook, hieraan een bijdrage hebben geleverd.

Het bestuur.          

_______________↓_______________


|pag. 3|

Het landschap waarin de eerste kerk van Vasse, Mander en later Hezingen gesitueerd was, toonde een grote afwisseling van essen, houtwallen, bossen, heide en beken. Deze nederzettingen zijn zeer oud: schriftelijke bronnen vertellen ons, dat reeds in de 10de eeuw in Mander en Vasse boerderijen hebben gelegen, die eigendom waren van de abdij van Werden aan de Ruhr.
De bewoners van de streek waren omstreeks het jaar 700 voor het eerst met het Christendom in aanraking gekomen door de Benedictijnse monniken (Angelsaksische missionarissen) Marcellinus en Lebuïnus, waarvan Marcellinus waarschijnlijk de eerste kerken in Oldenzaal en Ootmarsum heeft gesticht.
Het Christelijk geloof, dat vervolgens door Karel de Grote (742-814) met het zwaard en door het opleggen van boetes aan de bevolking van Twente werd opgedrongen, begon in de loop der jaren toch bij de mensen te leven. Nog vóór het jaar 1000 waren er 11 parochies ontstaan, waaronder Oldenzaal en Ootmarsum, die eeuwen lang belangrijke kerkelijke centra zouden blijven. Tot Ootmarsum, de grootste van allen, behoorden: Almelo, Tubbergen, Albergen, Geesteren, Vasse, Mander, Hezingen, Nutter, 0ud-0otmarsum, Brekkelenkamp, Lattrop, Tilligte, Noord-Deurningen, Denekamp, Berchem, Klein- en Groot Agelo, Reutum en een deel van Weerselo.
Tot het begin van de 16e eeuw was het Katholicisme in de Nederlanden overheersend. Onvrede over de gang van zaken binnen de katholieke kerk, en veranderende denkbeelden aan het einde van de Middeleeuwen, brachten de Hervormingsbeweging op gang; het was met name het Calvinisme, dat in de Noordelijke Nederlanden aansprak. Philips II, vanaf 1555 koning der Nederlanden en een fanatiek katholiek, liet de afvallige gelovigen onbarmhartig vervolgen. Deze houding was echter in strijd met het Nederlandse volkskarakter: het verzet der Calvinisten, maar ook van Katholieken tegen dit optreden leidde tot de Tachtigjarige Oorlog, die in Twente voor de Staatsen en de Spaansen met wisselend succes verliep. De Vrede van Münster bracht in 1648 de onafhankelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden onder calvinistisch bestuur, dat verregaande

_______________↓_______________


|pag. 4|

beperkingen oplegde aan de Katholieken: zij mochten hun godsdienst niet meer openlijk belijden, zij werden uit openbare functies geweerd, hun kerken werden door de Hervormden in bezit genomen. De situatie was voor velen zeer verwarrend, en in grote getale liet men het geloof los. In Noord-Twente lag de zaak echter anders: doordat Oldenzaal gedurende 20 jaar in Spaanse handen was gebleven, had Sasbout Vermeer, en na hem Philippus Rovenius, beiden in de functie van Vicaris-Generaal van de Hollandse Zending (waarover later meer) de gelegenheid gekregen om ter plaatse de contra-reformatie op gang te brengen. Zij zorgden ervoor, zo goed en zo kwaad als het ging, dat de bevolking op het platteland door priesters van de nodige zielszorg werden voorzien, waardoor ze voor het katholieke geloof behouden kon blijven.
Eén van deze priesters was Henricus Smithuis (1680-1726), pastoor te Ootmarsum (en van 1705-1726 aartspriester van Twente).
Door onenigheid met de Overheid gedwongen om Ootmarsum te verlaten, vestigde hij zich over de grens te Halle en richtte op het erve Koninck een schuurkerk op, waar hij voor zijn parochianen ongestoord de mis kon celebreren. Bij grote toeloop van gelovigen kon hij tevens op het erve Holthuis terecht. In 1705 werd er ten behoeve van de Manderse- en Vasser boeren een tweede schuurkerk op het erve Scholte-Nielink gebouwd. In de verschillende buurschappen stelden boeren hun huis of schuur als schuilkerk aan de priesters ter beschikking, die heimelijk over de grens kwamen om er diensten te houden. Naarmate de jaren verliepen werd de houding van de Overheid t.o.v. de Katholieken steeds soepeler en in de tweede helft van de 18de eeuw mochten er hier en daar schuurkerken worden gebouwd, die echter aan bepaalde eisen moesten voldoen: het mochten slechts eenvoudige ruimtes zijn met een vlak plafond, enkele vierkante ramen en een deur. Een kruis erop was niet toegestaan, evenmin als een klok erop of erbij. Klokgelui, orgelspel en gezang waren uit den boze, dit alles op straffe van sluiting der kapel bij overtreding. Omstreeks 1770 stond er op het erve Elferman in Mander en op het erve Masselink in Vasse een dergelijke

_______________↓_______________


|pag. 5|

schuurkerk.
Tegen het einde van deze eeuw begonnen geleidelijk de ideeën ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’ vanuit Frankrijk in de Nederlanden door te dringen. Van de daardoor toenemende vrijheid van godsdienst maakte de toenmalige aartspriester van Twente, pastoor Bloemen van Tubbergen (1733-1806) dan ook gretig gebruik om het aantal parochies in zijn ambtsgebied uit te breiden. Zo ontstond in 1784 de zelfstandige parochie Almelo, in 1795 Weerselo, in 1797 Hengelo, in 1798 Zenderen, gevolgd door Albergen in 1800.

Nu wilde pastoor Bloemen Vasse en Mander onder zijn parochie brengen, om het verlies van Almelo, dat evenals Albergen eerder onder Tubbergen viel, te compenseren. Dit plan kreeg de goedkeuring van de Nuntius in Münster, Ciamberlani; de boeren van Vasse en Mander waren hiertoe echter niet genegen en besloten zelf een kerk te bouwen. In 1799 kozen zij zes Kerkmannen om in hun naam te handelen, dat waren volgens een akte dd.
1 nov. 1803: J.F. Bruggink, J. Masselink, H. Hofsté, G. Mensink, J. Amsink en H. Velthof.
De oudste stukken die betrekking hebben op de oprichting van de parochie Vasse en Mander, betreffen de aankoop van een stuk grond voor de te bouwen kerk. Deze oude, vergeelde stukken uit het ‘Registrum Memoriale Parochiae St. Joseph, gehavend door de tand des tijds, zijn toch nog vrij goed leesbaar.
Het oudste document vertelt over de transactie van de grond en is gedateerd 14 december 1800. De partijen zijn de kerkmannen enerzijds, en ‘Gerrit Geesink en des zelfs huisvrouw Marie’ anderzijds. De laatsten bekennen verkocht te hebben ongeveer een mudde land ($\frac{1}{2}$ ha) aan de kerkmeesters van Vasse en Mander (Hezingen hoorde toen nog niet bij de parochie), voor de somma van honderdvijftig gulden, vrij van alle belastingen en bezwaren.
“De wallen rondt om zijn daarbij verkogt”. Verder lezen we, dat “de overdragt zal passeren wanneer het de coopers zal believen.
Zoo zal deesen dienen tot coopbrief”.

Koopacte betreffende de grond waarop de H. Josephkerk is gebouwd. 14 dec. 1800.

_______________↓_______________


|pag. 6|

Dat de Kerkmeesters niet zo vlot waren met betalen blijkt ook uit deze koopbrief, want er staat onderaan vermeld wanneer de eerste aanbetaling is gedaan, nl. F 50.- op 9 mei 1802 en de tweede en laatste betaling, F 100.-, op 2 februari 1803:
“waarmee ik ondergetekende bekenne ten volle voldaan te zijn.
Vasse den 2 febr. l803. Gerrit Geesink”.
Na de aankoop van dit stuk woeste grond kon met de bouw van de kerk worden begonnen. Op 9 juli 1800 werd de eerste steen gelegd, maar al spoedig daarop kwam er een verbod van de Nuntius om met de bouw verder te gaan. Het werk werd echter voortgezet; er schijnen dus wel ernstige moeilijkheden te zijn geweest, en was er sprake van een conflictsituatie.
Op 9 november 1800 werd de bijna voltooide kerk door een storm geheel vernield. In deze noodsituatie vroegen de kerkmannen raad aan aartspriester Bloemen. Met diens toestemming werd met de herbouw begonnen en legde men op 23 april 1801 voor de tweede maal een eerste steen.
De kerk (toen nog kapel, want pas in 1802 werd het recht van doop en begraven verkregen) kwam te staan op het tegenwoordige kerkhof. Het gehele gebouw werd 37 meter lang en 12 meter breed; daarvan was het kerkgedeelte 24 meterlang. De overige 13 meter vormde de pastorie, die in het verlengde van de kerk lag, onder hetzelfde dak. Het was een zeer eenvoudig gebouw met een onversierde voorgevel, waarschijnlijk alleen in het midden een deur. In de beide zijgevels van de kerk zaten 6 gietijzeren ramen met rondbogen. De muren waren van baksteen, afkomstig van de steenbakkerij van Ootmarsum, die het eigendom was van de toenmalige Drost van Twente, Von Heyden Hompesch.
Op het zadeldak, dat was gedekt met rode pannen, bevond zich een houten torentje met een uurwerk en twee klokken. Op de pastorie zal ongetwijfeld een schoorsteen hebben gestaan.
Evenals bij boerderijen en schuren was er een geraamte van eikenhout, het zgn. vierkante werk. Staande posten, die waarschijnlijk omtimmerd en geschilderd waren, deelden de ruimte in de lengte in drieën. De zijbeuken waren voorzien van een vlak plafond, het middenschip had een gewelfd, gestucadoord plafond,

_______________↓_______________


|pag. 7|

een zgn. tongewelf. De vloer bestond uit Bentheimer zandsteen.
Via een trap bij de ingang kon men op de koorzolder komen waar zich het orgel bevond, en van daaruit op de blaasbalgenzolder.
Het koor werd ondersteund door vier kolommen, die bekuipt (omtimmerd) waren, voorzien van kapitelen, en waarschijnlijk geschilderd.
Van de pastorie is weinig bekend: ze bestond uit één verdieping met boven enige slaapkamers. Aan de noord-oost zijde werd een flinke schuur gebouwd.
Het kerkhof, dat in 1802 in gebruik werd genomen, lag aan de noord-west zijde van de kerk en was 39 meter lang en 13 meter breed, en was omheind en afgesloten met een ijzeren poort. Er stond een groot houten kruis op stenen voetstuk.

Reeds in september 1801 werd begonnen met het houden van kerkdiensten in Vasse. Een maand later werd de nieuwe kerk door de aartspriester ingezegend; de feestpredicatie werd gehouden door de toekomstige eerste pastoor, toen nog kapelaan in Tubbergen, Lambertus Engbers.
Opmerkelijk is, dat de afscheiding van Ootmarsum begint bij de dood van pastoor Heiter van die plaats, op 20 mei 1801, want bijna onmiddellijk daarna krijgen Vasse en Mander een eigen doopboek en in 1802 een eigen kerkhof. Hieruit zou mogen worden afgeleid, dat Vasse en Mander nooit onder de parochie Tubbergen zijn geweest, maar direct na de afscheiding van Ootmarsum tot een zelfstandige parochie zijn verheven. Het heeft er alle schijn van, dat de verhouding tussen pastoor Heiter en de ingezetenen van Vasse en Mander niet bijzonder goed is geweest, en de boeren aldaar de aartspriester onder druk hebben gezet, om tot het stichten van een eigen parochie over te gaan. Om de eer aan zich te houden, liet de aartspriester kapelaan Engbers reeds als pastoor optreden maar om de pastoor van Ootmarsum niet te kwetsen, stelde hij de officiële benoeming uit tot na diens dood.
Lambertus Engbers werd geboren te Oldenzaal op 17 maart 1772,

_______________↓_______________


|pag. 8|

als zoon van Hendrikus Engbers en Suzanna Meilink. Al op jeugdige leeftijd gaf hij de wens te kennen om priester te worden. Hij was intelligent; met goed gevolg deed hij eindexamen aan het gymnasium te Vreden (D) en voltooide zijn voortgezette studie aan het Groot-Seminarie te Leuven (B). Nadat hij op 18 september 1796 te Mechelen tot priester was gewijd, keerde hij terug naar Oldenzaal, waar hij in de Plechelmus-kerk zijn eerste mis opdroeg. Nog diezelfde dag vertrok hij naar Tubbergen om daar gedurende zeven jaar als kapelaan onder pastoor Bloemen te werken. (Als zodanig bediende hij al in 1800 de gelovigen van Vasse en Mander.) Van daaruit werd hij door aartspriester Bloemen op 16 november 1803 aangesteld als deservitor (dienaar) van de zelfstandig geworden parochie (statie) Vasse en Mander, en pas het jaar daarop, op 5 mei 1804, officieel tot pastoor (herder) benoemd. Hij was toen 32 jaar oud.
Uit deze periode is de volgende, voor ons nu merkwaardige overeenkomst tussen pastoor en kerkmeesters bewaard gebleven:

“Wij ondergetekende Kerkmannen Der Rooms Catholieke Kerke te Vasse en Mander, belooven mits deesen so voor ons selfs als ook namens de geheele Rooms Catholyke Gemeenschap van Vasse en Mandere, aan onsen toe komenden Deservitor de Eerw. Heer Lambertus Engbers, tot desselfs onderhoud jaarlijks en alle jaar te geven, ene somma van hondert en vijftig gulden waarvan de halfscheid ieder halve jaar zal betaald worden, zullende het eerste halve jaar vervallen op 1 Maij aanstaande en het 2de halve jaar op 1 November, alsmede in de collecte alle jaar van ieder vollen Boer 6 spind rogge, van iedere halven Boer 3 spind, van ieder kotter of kleinen Boer 2 spind, en van ieder Huurder 1 spind; mitsgaders eene collecte van boekweite, dog waarvan de quantiteit of hoeveelheid aan ieders redelijkheid en believen word overgelaaten alsmeede ook vlas en botercollecte volgens gewoonte, als ook van ieder Boer jaarlijks een voer turf, en so veele mist als hij jaarlijks tot de hof sal nodig hebben.
Waartegen gemelden Heer Lambertus Engbers sig verbind om in

_______________↓_______________


|pag. 9|

gen. R.K. gemeente van Vasse en Mandere alle kerkelijke diensten en geestelijke functies volgens syn ampt en pligt behoorlijk te verrigten en waar te nemen; voor welk een en andere wij ondergetekenden een voor alle en alle voor een verbinden onse persoon en goederen.”
Actum in Vasse en Mandere den 1 November 1803. Is getekend:
L. Engbers, Pastor, en J.F. Bruggink, Jan Masselink, Hermjan Hofsté, Gerrit Mensink, Jan Amsink en Herman Velthof als Kerkmeesters en getuigen.

Het eerste persoonlijke schrijven dat wij van pastoor Engbers bezitten is een opgave die hij doet ingevolge een Koninklijk Besluit dd. 6 juni 1807 uitgevaardigd door Lodewijk Napoleon, over “Den Staat der R.C. Gemeente van Vasse en Mander, Gerigt Ootmarsum”. Het luidt als volgt:

“Deze gemeente bevat 635 zielen, 270 Ledematen, 1 Pastoor genaamt L. Engbers, 1 Kerk.
Deze Kerk is voor weinige jaaren nieuws gebouwd met een Torentjen en annexi Pastoorswoninge, is in een behoorlijken staat, Dog sonder eenige eigendommen of inkomsten daar toe behorende, is nog bezwaart met een Capitaal van 5900 guld. wiens interesse in jaarlijkse reparatie betaald word door de onderhorige Ledematen.
Aldus gedaan den 18 augustus 1807. L. Engbers, Pastor.”

Dat de afscheiding van Ootmarsum niet zonder gevolgen is gebleven moge blijken uit een bewaard gebleven copie van een dagvaarding uit 1818. Hierin worden de inwoners van de Buurschap Mander wegens achterstallige betaling, na herhaalde waarschuwingen door de kerspelkerk te Ootmarsum, door de Rechtbank in Almelo gedagvaard. Deze kerk was vanouds één van de primaire – of moederkerken in Twente. Elke kerk, evenals haar pastoor(s), moest financieel door de lidmaten worden onderhouden. De lidmaten van een afgescheiden kerk waren echter verplicht, behalve aan eigen kerk en pastoor, te blijven bijdragen aan de moederkerk,

Handschrift van pastoor L. Engberts – 1807

_______________↓_______________


|pag. 10|

wellicht gedurende een overeengekomen tijdsduur.
Uit de dagvaarding zou men kunnen opmaken, dat in dit geval de verplichting liep tot 1810. Er was echter door de Manderse boeren al vanaf Michaëli (29 sept.) l808 niet meer betaald. Op 30 maart 1810 hadden zij een schuld van 812 guldens 1 stuiver en 8 penningen. Daarbij kwam dan nog de rente over deze som à 5% vanaf 30 maart 1810 tot 30 maart 1818, ten bedrage van 324 guldens en 16 stuivers.
De gedaagden in deze rechtzaak worden alle benoemd; de namen die op de eerste, ontbrekende bladzijde van de dagvaarding moeten voorkomen, zijn teruggevonden op de rol van de Rechtbank van den eersten Aanleg, zitting houdende te Almelo (1818, N°33) Zij waren ‘de navolgende Goedsheeren en Eigen Geërfden des Buurschaps Mander’:
1° Gerrit Jan Booijink, 2° Hendrikus Kottink, voor zich en als Vader en Voogd van zijnen minderjarigen kinderen, 3° Jan Amsink, 4° Jan Elferink, 5° Jan Albrink, 6° Albertus Tijink, 7° Hendrikus Ribberink, 8° Jannes Broeneman, 9° Härmen Jan Klarink, 10° Gerart Deneman, 11° Berend Veldhof, 12° Jan Scholte, 13° Jan Nijhuis, 14° Jannes Schurink, 15° Jan Willem Elert, 16° Jannes Wolbert, 17° Gerart Jan Bekman, allen landbouwers, wonende in de Boerschap Mander in de Gemeente van Tubbergen en Eigenaren van de Erven van dien naam.
18° Jan Hendrik Evers, landbouwer in de Boerschap Tilligte, 19° Jannes Meenderink, landbouwer in de Boerschap Agelo, beiden in de Gemeente van Ootmarsum, in qualiteit van voogden van Jannes, Hendrikus en Gezina, minderjarige kinderen van wijlen Hermen Jan Masselink en Vrouwe Mina Meenderink, Eigenaren van het Erve Masselink in Mander.
20° Bernard Schöningh, medicinaer Doctor wonende te Ootmarsum, als eigenaar van het Erve Bennink te Mander,
21° Bernard Cramer, koopman, wonende te Ootmarsum, als Eigenaar van het Erve Hesselink te Mander,
22° Heer Adolf Graven van Rechteren, Rentenier wonende te Dalfsen, als Eigenaar van het Erve Meyer te Mander.
Uit overlevering is bekend dat de Manderse boeren in het gelijk

_______________↓_______________


|pag. 11|

zijn gesteld, het bewijs hiervoor is tot heden toe echter nog niet gevonden.

Na pastoor Bloemen van Tubbergen was pastoor H.A. Peese te Denekamp van 1805 tot 1829 aartspriester van Twente. Vanaf 1822 werd hij in dit ambt bijgestaan door een coadjutor (medehelper) met het recht van opvolging. Hiertoe werd Lambertus Engbers aangesteld, die hem op 10 november 1829 inderdaad als aartspriester van Twente opvolgde.
De benoeming tot coadjutor had hij te danken aan de bijzondere nauwgezetheid, ijver en liefde, waarmee hij zich aan zijn taak als priester wijdde, aan de inspanningen die hij zich getroostte om volwassenen en kinderen in de godsdienst te onderwijzen.
Zijn voorzichtige en tevens vertrouwelijke omgang met de parochianen maakte dat hij diep ingewortelde ‘misbruiken’ opspoorde en door zijn goede invloed, zijn indrukwekkende en krachtige preken wist te verbeteren of uit te bannen. Hijzelf was in zijn levenshouding een lichtend voorbeeld.
De functie van aartspriester bestond in de katholieke kerk al in de 4e eeuw: hij was in eerste instantie plaatsvervanger van de bisschop. Naarmate het geloof zich verspreidde, werd zijn functie verlegd naar het platte land, waar hij aan het hoofd van een ‘doopkerk’ kwam te staan en toezicht moest houden op de daarvan afhankelijke kerken. Hij werd toen ook wel ‘landdeken’ genoemd. Van de 11de tot de 17de eeuw raakte het aartspriester schap echter op de achtergrond.
Door de Hervorming kwam de organisatie der katholieke priesters in de Noordelijke Nederlanden in de problemen: na het overlijden van de toenmalige bisschop van Utrecht in 1580, werd door de Paus geen nieuwe bisschop meer benoemd, maar werd de Republiek tot Missiegebied verklaard, bestuurd door een apostolisch vicaris (hulpgeestelijke) onder directe verantwoordelijk heid van een Nuntius (plaatsvervanger van de Paus), die als vice-superior van de Hollandse Zending optrad. Het missiegebied werd verdeeld in verschillende districten, met ieder aan

_______________↓_______________


|pag. 12|

het hoofd een aartspriester:
1. Holland, Zeeland, West-Friesland
2. Utrecht
3. Gelderland
4. Twente
5. Salland en Drente
6. Groningen
7. Friesland
(8. Lingen en 9. Kleef-Bergen)

Na 1727 werd de functie van apostolisch-vicaris om bepaalde redenen afgeschaft, waardoor de zelfstandigheid van de aartspriesters toenam en zijn bevoegdheden aanzienlijk werden uitgebreid:

  1. De aartspriester oefent toezicht uit op de geestelijken (missionarissen) in de staties van zijn district.
  2. Hij fungeert als administratieve tussenpersoon tussen de Nuntius en de geestelijkheid.
  3. Hij dient overplaatsingen van geestelijken binnen het distr. voor te bereiden en uit te voeren.
  4. Benoemingen van pastoors door de Nuntius geschieden op zijn voordracht. Kapelaans benoemt hij zelf.
  5. Hij houdt visitaties en brengt daar verslag over uit.
  6. Hij geeft advies aan de Nuntius en voert zijn bevelen uit.
  7. Hij deelt de Heilige Olie uit, verleent en verlengt dispensaties, consacreert kerken en wijdt liturgische voorwerpen.

Toch moet men zich van dit ambt geen overdreven voorstelling maken. Het gezag van de aartspriester, zonder feitelijke hogere kerkelijke waardigheid, tenzij de juris-dictionele, was veelal afhankelijk van zijn eigen handigheid en persoonlijk crediet tegenover collega’s. De aartspriesters, die in naam van de Nuntius dus o.a. benoemingen deden en toezicht hielden op de administratie van de parochies in hun gebied – twee gevoelige punten – waren niet te benijden. Vaak hadden zij dan ook te weinig overwicht. Iedere pastoor stond op zijn plaats als het oppermachtig kerkelijk gezag en liet zich, naar gelang zijn per-

_______________↓_______________


|pag. 13|

soonlijkheid, gelden tegenover zijn gelovigen en zijn kerkelijke en wereldlijke superieuren. Het feit dat spoedig na het herstel van de kerkelijke hiërarchie de alleenheerschappij van de streek-eigen pastoors werd beëindigd, zal zijn reden wel gehad hebben.
In dit verband is het niet zo bevreemdend, dat een bescheiden en bekwaam mens als Lambertus Engbers, zich niet liet verleiden om na zijn benoeming tot aartspriester, het landelijke en afgelegen Vasse te verlaten, hoewel hem vaak en dringend was verzocht om van gemeente te veranderen. Zijn invloed op de confraters zal waarschijnlijk eerder gewonnen hebben dan verloren, door zich te houden aan zijn eigen, nederige standplaats.

Zowel aartspriester Peese als Engbers hebben een belangrijke tijd in Twente meegemaakt. Zij hebben zich verzet tegen de in hun ogen verkeerde gebruiken en gewoontes. Uit de opmerkingen en verklaringen van tijdgenoten blijkt, dat Engbers een deugdzaam en voorbeeldig priester was. Verschillende geschriften van zijn hand, bedoeld om de godsdienstige kennis van volwassenen en kinderen te vergroten, zijn meer dan vijfenzeventig jaar in gebruik gebleven en hebben in die tijd een aantal herdrukken gekend. De vijf publicaties die we van pastoor Engbers kennen waren ongewoon populair. Deze geschriften geven alle zijn betrokkenheid weer bij de godsdienstige opvoeding der gelovigen. Door de Reformatie was er van een regelmatige kennisoverdracht bijna geen sprake meer geweest, vandaar dat er grote behoefte bestond aan gepubliceerd materiaal, zowel voor kinderen als voor volwassenen.
Zijn eerste werk is:
‘ZONDAGSCHOOL TOT OEFENING VAN HUIS-AANDACHT VOOR ROOMS-CATHOLIJKEN’ (1821)2 [2. Dit werk is gedigitaliseerd door Google Boeken: Zondagschool tot oefening van Huis-aandacht voor Rooms-Catholijken’ (1821)]
Dit boek tracht leiding te geven aan het godsdienstige leven binnen de gezinnen, en geeft uitleg van het Evangelie zoals dat werd voorgelezen in de kerk, om het ‘voor Burger en Landman’ begrijpelijk te maken. Het werd door de gebr. Thomson te

Titelblad van een van de werken van pastoor Engberts

_______________↓_______________


|pag. 14|

Rotterdam uitgegeven.
Een tweede werk verscheen reeds een jaar later:
‘DE KERKPLEGTIGHEDEN VERKLAARD’, (1822)3 [3. Dit werk is gedigitaliseerd door Delpher: De kerkplegtigheden verklaard]
een leer – en leesboekje voor de Catholieke jeugd, met als ondertitel: ‘ondermengd met gesprekken tusschen een pastoor en zijn Parochiekinderen’. Het verscheen bij J.W. Robijns te Deventer en beleefde 8 herdrukken.
In 1830 verscheen een boek dat 31 maal werd herdrukt, bij uitgeverij J.T. Sommer te Almelo:
‘KORT ONDERWIJS VOOR CATHOLIEKE KINDEREN’.4 [4. Dit werk is gedigitaliseerd door Google Boeken (24e druk):Kort onderwijs voor Katholijke kinderen.]
Naderhand heeft hij hierop een afzonderlijk ‘bijvoegsel’ geschreven, hoofdzakelijk ter verklaring van de Tien Geboden. Dit ‘BIJVOEGSEL voor kinderen, die niet in de grooteren catechismus leeren’5 [5. Dit werk is gedigitaliseerd door Google Boeken (4e druk): Bijvoegsel voor kinderen] is eveneens door Sommer te Almelo uitgegeven, als ook: ‘AANDACHT TOT GOD’, een kerkboekje dat 11 maal werd herdrukt .
De vijfde verhandeling die pastoor Engbers het licht deed zien was getiteld: ‘EVANGELIËN MET UITLEGGINGEN VOOR ALLE ZON- EN FEESTDAGEN VAN HET KERKELIJK JAAR’.
Ook zijn waarschijnlijk de berijmde Tien Geboden door hem hier in Twente ingevoerd; de volksmond noemde ze ‘de Tien Geboden van Engbers’. De eerste regels luiden:

‘Bovenal bemin één God
ijdel zweer noch spot
Vier de dag des Heren
Vader, Moeder zult ge eren.’

Met het herderlijk schrijven over de grote bruiloften, de “mestmaaltjes” en de “groevenmaaltjes”, bevorderde hij de goede zeden:
“Mogten hedendaags op de bruiloften ook nog die eerbaarheid, zedigheid, sober- en matigheid gevonden worden, als destijds bij de Bruiloft te Cana! doch thans mag men van de meeste bruiloften wel zeggen, dat nu de duivel in plaats van Jezus daar genoodigd wordt. Bruiloften die wegens onmatigheid, dronkenschap, nachtzwerverijen, wulpsche minnarijen en andere God onterende zonden, die er te dikwerf bij voorvallen, eerder bruiloften van Heidenen en On-Christenen schijnen te zijn, dan wel van personen, die na-

_______________↓_______________


|pag. 15|

volgers van Christus moeten wezen; zoodat ouders en oversten zich soms een zwaar oordeel op den hals halen, die het van zich kunnen verkrijgen, om hunne kinderen of onder hoorigen, zonder hunne tegenwoordigheid zulke bruiloften te laten bijwonen”.
Typische staaltjes van het landelijk pastoraat uit de dagen van Engbers zijn er trouwens genoeg bekend: de pastoors leidden hun parochie overeenkomstig haar aard, nogal ruig en autoritair. Het schijnt dat de tijd van de schuilkerken aan het geheel van het kerkelijke- en geloofsleven niet zoveel goeds had gedaan. De mensen werden met strenge hand in het gareel gehouden, er werden krasse nummertjes van boetepredicaties, voorspellingen en strafexercities weggegeven! Wanneer men de oude portretten van pastoors uit deze periode beziet, dan zijn er opvallend veel ascetische figuren bij. Mensen, die het blijkbaar voor zichzelf niet gemakkelijk namen en bij tijd en wijle voor hun gelovigen nogal streng waren en, laten we er aan toevoegen, misschien streng moesten zijn. Zij hebben de typische karaktertrekken van hun tijd en afkomst niet verloochend.

In zijn functie van aartspriester vroeg Engbers de pastoors uit zijn district een opgave te doen van hun inkomsten. Zelf schreef hij:
1. “Dat de inkomsten voor den Pastoor aldaar (Vasse en Mander) allenelijk bestaan uit onsekere inkomsten van ‘Jura Stola’ , (voortvloeiend uit de rechten die aan het ambt verbonden zijn, zoals betaling voor doop, trouwen en begraven), collecten en liefdegiften van de Leden dier Gemeente.
2. Dat deszelfs kerke word geadministreerd door den kerkmeesters, die de interessen der schulden en de jaarlijkse reparatie brengen ten laste der Leden van de Gemeente.- Dat de armen door twee armbesorgers onder assistentie van den Pastoor worden bedeeld uit de collecte die met het sakje in de kerke gehouden word- Dat de administratie der kerke, der armen, en

_______________↓_______________


|pag. 16|

der inkomsten van den Pastoor niet vereenigd, maar ieder afsonderlijk geschiet.
3. Dat ten opsigte der Jura Stola nog wet nog seekere bepalinge nog vast usantie plaats heeft, maar van den eenen min den anderen meer, na minder of meerdre gegoedheid of genegenheid, wilkeurig gegeven word.
4. Dat geene vaste Tractamenten of inkomsten voor den Pastoor uit eenige kasse fonds of goederen voortkomen,- Dat egter de Leden der gemeinte den Pastoor vrije woninge ten hunnen kerke geven en door wijze van collecte onder hun aan geld koren boter en vlas den Pastoor tot onderhoud hebben versorgt jaarlijks s.g. ƒ 300 guldens
5. Dat de onsekere of toevallige inkomsten voor den Pastoor uit de Jura Stola en liefdegiften syner gemeinte na overslag der voorige jaaren s.g. bedragen ƒ 150 guldens.
6. Dat den Pastoor geene bysondere lasten in het onderhoud, of voorsien der kerke te dragen heeft.
7. Dat de leden der gemeinte het onderhoud van den Pastoor seer beswaarlijk valt, en deselve wenschen, dat sij omtrent het onderhoud van hunnen Leeraar met die van de gereformeerde gesinde op eenen egalen voet gesteld worden”, (deze genoten n.1. een vast salaris dat betaald werd uit ’s Rijks kas)

De financiële situatie van de St. Joseph-parochie is nooit erg rooskleurig geweest: al in 1807 meldde pastoor Engbers een tekort van ƒ 5900.-, in 1819 was er een schuld van ƒ 6600.- en had men voor reparaties aan de kerk nog eens ƒ 6575.- nodig.
Willem I, koning der Nederlanden van 1813 tot 1840, hield zich tijdens zijn regeringsperiode intensief bezig met godsdienstzaken. Hij beschouwde de kerken als nationale instellingen, die de Staat bij de opbouw van het door de vele oorlogen geteisterde land, moest helpen. Zijn kerkelijke politiek ging er vanuit, dat de geestelijke ontwikkeling van de onderdanen de taak van de Staat was, onder leiding van de vorst.
Nadat alle godsdiensten in de Grondwet van 1814 officiëel werden erkend, maakte hij het mogelijk voor nieuwbouw en herstel-

_______________↓_______________


|pag. 17|

werkzaamheden van kerken van alle gezindten een Rijkssubsidie te verkrijgen. Pastoor Engbers wilde echter om een andere reden van deze mogelijkheid gebruik maken: op 25 februari 1830 verzocht hij om ƒ 4800.- uit ’s Rijks kas, teneinde de schulden van de kerk te kunnen afdoen.
Er was door het Ministerie van de Rooms Catholieke Eeredienst gesuggereerd om kleine parochie-gemeenschappen samen te voegen, vooral die welke niet in staat waren aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Engbers schreef uit naam van zijn parochianen, dat de kerk van Vasse en Mander behouden zou moeten blijven, omdat zij te ver van andere kerken verwijderd ligt om daarmee gecombineerd te kunnen worden’, “zonder dat de Ingezetenen in de onaangenaamste gelegenheid gebragt wierden hunnen Godsdienst naar behooren te kunnen uitoefenen: het is ook om deze bijzondere reden, dat de kerk destijds nieuw is opgerigt, en de onderhoorigen tot eene afzonderlijke gemeente geformd zijn.”
Verder prijst hij de mensen, als zijnde “over het algemeen naarstige en vlijtige landbouwers, en daarbij spaarzaam van leefwijze, waardoor zij zich eerst na hunne vermogens best gekweten hebben om de aangewende kosten tot opbouw en onderhoud der kerk en pastory voor het grootste gedeelte goed te maken, maar dat nu in deze latere jaren, bij de lagere koornprijzen en andere nadeelen aan den boerenstand overkomen, het verre de meeste Ingezetenen zuur en bitter valt, de overige schuld van hun kerkgebouw uit eigene middelen te kunnen afhelpen……”
De correspondentie had tot gevolg dat de Koning zijn goedkeuring gaf tot het verlenen van ‘een onderstand’ van ƒ 3000.-, benevens een lening van ƒ 1800.-, welk bedrag in 10 jaarlijkse termijnen moest worden terugbetaald. Deze verplichting werd door de kerkmeesters aanvaard.

Bij decreet van 27 september 1832, uitgegeven door de vice-superior der Hollandse Zending, Mgr. A. Antonucci te Münster, werd bepaald, dat een gedeelte van Hezingen en Nutter bij de parochie Vasse en Mander zou worden gevoegd. Het document luidt als volgt:

_______________↓_______________


|pag. 18|

“Fidelis habitantes propius Ecclesiam in Vasse quam Ootmarsiae ab Ootmarsensi statione separentur et constituantur sub Ecclesia in Vasse nempe omnium domorum istius partis Hezinge quae facet ad occidentem respectu viae publicae ducentis ab Ootmarsia ad Hardenberg uti etiam domorum Haselbekke et Heggeboer in Nutter….”

De vertaling luidt:
“Gelovigen die dichter bij de kerk in Vasse wonen dan die in Ootmarsum, zullen van de kerk in Ootmarsum worden afgescheiden en toegevoegd aan de parochie in Vasse, namelijk de bewoners van alle huizen van dat gedeelte van Hezingen, dat ligt westelijk van de openbare weg, die loopt van Ootmarsum naar Hardenberg en ook de bewoners van de huizen Hazelbekke en Heggeboer in Nutter….”
Deze beslissing werd noch door het kerkbestuur van Ootmarsum, noch door ‘enige hoofden van gezinnen in de buurschap Hezingen’ zonder meer geaccepteerd; zij richtten een bezwaarschrift tot de Directeur-Generaal voor de zaken van de Rooms Catholieke Eeredienst. Meer gegevens hierover zijn niet gevonden: een definitieve oplossing kwam pas twintig jaar later, met het vaststellen van de parochiegrenzen.

Gedurende het aartspriesterschap van Lambertus Engbers werden veel kerken in Twente of wel geheel nieuw gebouwd, of vergroot en verfraaid, en door hem zelf ingewijd. Door zijn bemoeienis kwamen er vier nieuwe kerkgemeentes tot stand, nl. Lonneker, Reutum, Langeveen en Buurse. Ook zijn eigen kerk in Vasse werd vergroot en verfraaid. De parochie had zich in de loop der jaren slechts langzaam uitgebreid, maar door de toevoeging van een deel van Hezingen was de kerk toch te klein geworden. Correspondentie tussen pastoor Engbers en de kerkmeesters enerzijds, en de Directeur-Generaal de Pelichij anderzijds, begon met de aanvraag om de kerk, door het verplaatsen en vernieuwen van de voorgevel, met een afstand van 2.30 ellen (=m), waardoor het

_______________↓_______________


|pag. 19|

tekort aan zitplaatsen kon worden aangevuld. Ze eindigde op 29 december van hetzelfde jaar met de toestemming van De Pelichij op voorwaarde:

  1. dat de kosten van de begroting, geraamd op ƒ 1731.10, buiten geldelijk bezwaar van het Rijk, uit eigen middelen der gemeente zouden worden bestreden.
  2. dat die werken -volgens een door een Ingenieur van Waterstaat op een enkel punt gewijzigd plan en bestek- in het openbaar aanbesteed zouden worden, en uitgevoerd, zoveel als nodig, onder toezicht van een door de Gouverneur van de Provincie Overijssel aan te wijzen beambte van Waterstaat.

De inmenging van de Koning in kerkelijke zaken ging zover, dat Ingenieurs van Waterstaat werden belast met het ontwerpen van de kerkgebouwen en het houden van toezicht op de bouw. Deze zgn. ‘Waterstaatskerkjes’ hadden een herkenbare stijl die geïnspireerd was op het Nederlands klassisisme uit de 17de en 18de eeuw, waarbij vaak de hele kerk of alleen de voorgevel wit werden gepleisterd of geschilderd. Verscheidene van deze kerkjes zijn heden ten dage nog in gebruik, (een typisch voorbeeld uit deze periode is de N.H. kerk in Ootmarsum)
Deze eenheidsbouw werd toegepast voor zowel Protestantse en Katholieke kerken, als ook voor Synagogen, waardoor deze zich alleen door karakteristieke tekens- wel of geen kruis, Davidsster- van elkaar onderscheidden.

Op 7 maart 1843 meldde pastoor Engbers aan zijne Excellentie de Gouverneur, dat het karwij na openbare aanbesteding was gegund aan J.H. Boerrigter, meester-timmerman te Tubbergen, met de leverantie van alle nodige materialen, voor de som van ƒ 1398.-. De pastoor verzocht zijne Excellentie over te gaan tot de benoeming van een beambte van Waterstaat.
Aangesteld werd opzichter G. Zandbult te Hengelo, wiens naam men bij de bouw van verschillende Waterstaatskerkjes tegenkomt.
Deze zou af en toe komen kijken als zijn drukke werkzaamheden dit toelieten, “mits tegen billijke beloning van hem daarvoor,

Bladzijde uit het werkboek van meester-timmerman J.H. Boerrigter te Tubbergen, betreffende de verbouwing van de H. Josephkerk. 1842.

_______________↓_______________


|pag. 20|

door het kerkbestuur te verstrekken, waarover hetzelve zich met die beambte zal dienen te verstaan”. (20-3-1843)

De voorgevel werd 2.30m in westelijke richting verplaatst. Na afbraak van de oude gevel moest allereerst het vierkante werk, het geraamte van het gebouw, worden verlengd. De zijmuren werden aangebouwd en de nieuwe voorgevel opgezet. Daarna kon de koorzolder worden uitgebreid en ondersteund met vier kolommen, bekuipt, geschilderd en afgewerkt met een kapiteel, precies als de vier kolommen die de steun vormden van het bestaande koor, dat voor de verbouwing niet behoefde te worden verbroken.
Ook het pijporgel kon op zijn plaats blijven staan.
In de beide zijgevels werd een extra raam aangebracht, gelijk aan de bestaande ramen. Na het dichtleggen van de vloer met Bentheimer zandsteen, werd de trap naar het koor verplaatst in de richting van de voorgevel.
De nok van het zadeldak werd tenslotte d.m.v. een ‘wolfdak’ verbonden met de voorgevel. Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat het torentje moest worden verplaatst, kan worden aangenomen dat vóór de verbouwing dit torentje niet in het verlengde van de voorgevel heeft gestaan, zoals bij de Waterstaatskerkjes uit latere tijd vaak het geval was.
De façade was opgebouwd uit baksteen en Bentheimer zandsteen.
De houten deur was versierd met rechthoekige panelen; de deurstijlen droegen een lijst waarvan de vorm terugkeerde in de bovenliggende lijsten. De flankerende pilasters, eindigend in kussenvormige kapitelen, droegen het architraaf, een zware dwarsbalk. Daarboven was een onversierd fries aangebracht, gevolgd door een brede kroonlijst. Deze werd afgedekt door een driehoekig fronton, met daarachter een dwarsbalk welke dienst deed in de constructie van het schuin aflopende dak.
De hoekpilasters hadden eveneens kussenvormige kapitelen; de schuine daklijsten vormden de verbinding met het entablement, dat aan beide zijden van het middendeel verlengd was.
In de gevel waren drie slanke ramen met rondbogen, waarschijnlijk

[ ]

[ ]

Maquette van de verbouwde H. Josephkerk – 1843

_______________↓_______________


|pag. 21|

van zandsteen, aangebracht: één boven de deur en twee lager geplaatste zijramen. Onder deze zijramen liep een cordonband, waardoor de muur horizontaal in tweeën werd gedeeld.
De pilasters en de deurstijlen waren geplaatst op sokkels, even hoog als de muurplint; voor de ingang lag een stoep van Bentheimer zandsteen.
Op 16 november 1853 staat het volgende geschreven in ‘De Godsdienstvriend (deel 71):
…,”de kerk die, destijds eenvoudig, en op eenen woesten en onbebouwden grond was opgetrokken, mag heden met alle regt onder de sierlijkste kerken van Twenthe gerangschikt worden, en is met zeer fraaie tuinen omgeven”.

Een belangrijke gebeurtenis in het leven van pastoor Engbers moet zijn benoeming tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw zijn geweest (K.B. 18 mei 1842, N°5), wegens zijn vele verdiensten voor kerk en maatschappij. Op 19 mei werd hij in Zwolle door Koning Willem I tot Ridder geslagen en kreeg hij de bijbehorende versierselen omgehangen.
Deze ‘vererende onderscheiding van alle Nederlanders die bewijzen geven van beproefde vaderlandsliefde, bijzondere ijver en trouw in het volbrengen hunner burgerplichten of buitengewone bekwaamheid in wetenschappen en kunsten’, werd op 29 september 1815 door de Koning ingesteld (K.B. 47). Hij hoopte hiermee een heilzame invloed uit te oefenen op ‘de aankweking van deugd en kennis’.

Het was op 4 maart 1853 dat paus Pius IX door de Breve ‘Ex Qua Die’ de Hiërarchie in Nederland herstelde. Daarmee kwam er een einde aan de Hollandse Zending en dus aan het aartspriesterschap. Er werden nu 5 bisdommen opgericht, waarbij Twente werd ingedeeld bij het bisdom Utrecht, met Johannes Zwijsen als aartsbisschop. In Twente werden twee dekanaten in gesteld, één in Almelo en één te Oldenzaal.
Voor zijn vele kerkelijke activiteiten ontving Lambertus Engbers

_______________↓_______________


|pag. 22|

nu een kerkelijke onderscheiding: op 9 maart 1853 werd hij tot ‘Buitengewoon Geheim Kamerheer van de paus’ benoemd. Drie maanden later, op 7 juni, stelde Mgr. Zwijsen hem aan tot eerste Deken van Almelo.
Inmiddels was de huishoudster van pastoor Engbers, Mietje (Marietje) Stroot uit Tubbergen, naar Amsterdam vertrokken; zij werd medestichteres van de Orde van de Goddelijke Voorzienigheid, waarbij een pensionaat voor de armste meisjes van de stad, aan de Lauriersgracht. Op 5 juni 1853 deed zij daar haar intrede en was jarenlang als Overste aan de Orde verbonden.
Spreekt hieruit mogelijk de invloed van haar Vasser pastoor?

Mocht Lambertus Engbers op 28 september 1846 zijn gouden priesterfeest vieren temidden van zijn parochianen, in 1853 volgde zijn gouden jubelfeest als pastoor van de parochie. ‘De Godsdienstvriend’ van 1853 wijdt op 16 november een lang artikel aan deze bijzondere gebeurtenis. Een gedeelte van dit artikel willen we hier laten volgen:
“Algemeen was dan ook de deelneming der gemeente aan het feest van haren beminden en ijvervollen Herder, en niet minder groot hare dankbaarheid voor alle zorgen, welke hij gedurende eene halve eeuw bij dag en nacht voor ons zielenheil gedragen, en voor alle diensten welke hij ons, zoowel in het tijdelijke als in het geestelijke, bewezen heeft. Dit getuigde het feestelijk aanzien der geheele gemeente, wier bewoners naar de kerk stroomden, om hunne gebeden met het dankoffer van den Jubilarius te vereenigen;- dit getuigde de smaakvolle versiering der kerk;- dit getuigde eindelijk de zeer fraaije en prachtige kelk, welke hem uit vrijwillige bijdragen der geheele gemeente, des avonds tevoren, nadat het feest door het statig luiden der klokken was aangekondigd, door de kerkmeesters uit naam der gemeentenaren werd geschonken.
Reeds vroeg in den morgen wapperde de nationale vlag van den kerktoren, en stroomde het volk van wijd en zijd toe, om de feestelijkheden bij te wonen. Ten 9 uur, nadat beurtelings door het

_______________↓_______________


|pag. 23|

koor en de geestelijkheid de lofzang ‘Veni Creator’ was gezongen, begon de solemneele Mis ter eere der Allerheiligste Drievuldigheid tot dankzegging voor de ontvangene weldaden.
Het dankoffer werd opgedragen door onzen HoogEerw. Jubilarius, geassisteers door den WelEerw. Heer A.H. van Coeverden, Pastoor te Tubbergen, als Index: den WelEerw. Heer J. Warger, Pastoor te Albergen, als Diaken: den WelEerw. Heer J. Rietjes, Pastoor te Geesteren, als Subdiaken: den WelEerw. Heer H.J. Wenneger, Kapelaan te Tubbergen, als Ceremoniarius: de WelEerw Heeren J. Hilbert, Pastoor te Reutum, en H. Bloemen, Kapelaan te Tubbergen, als Acolieten.
Treffend was voorzeker het ogenblik voor den hoogbejaarden Herder, toen hij het altaar beklom, waarop hij voor 50 jaren op denzelfden dag, als eerste Pastoor dezer gemeente, voor het eerst de H. Geheimen had gevierd; en niet minder indrukwekkend was het voor de gemeentenaren, die allen, als kinderen om hunnen vader, zich rond het altaar hadden geschaard, waarop dat dankoffer door den HoogEerw. en hooggeachten Herder,- die de meesten onzer gedoopt en tot de eerste H. Communie aangenomen, en alle huwelijken, van welke beide echtelingen nog leven, ingezegend heeft,- aan God werd opgedragen, terwijl zijne bevallige en zeer zuivere stem zich plegtig hooren deed.
Na de plegtige Mis, beklom de WelEerw. Heer H.A.A. Teusse, Kapelaan van den HoogEerw. Jubilarius, den kansel en hield naar aan leiding der tekstwoorden (Levit. cap. XXV; 10): ‘Sanctificabisque annum quinquagesimum…..’ eene treffende redevoering, waarin zijn Eerw. betoogde:
1. dat het feest buitengewoon was vanwege de 50 jarige herderlijke bediening in een zelfde en ook nog nieuwe gemeente; 2. dat het feest rijk was aan herinneringen wegens gewichtige gebeurtenissen, welke hier in eene halve eeuw hebben plaats gehad: verbetering van de geestelijke toestand van de gemeente en de onderscheidingen die de Jubilarus van wereldlijke en geestelijke autoriteiten te beurt gevallen waren; 3. dat de band van Herder en gemeentenaren sterk was,- deze dag was daar een duidelijk bewijs van- en dat de Jubilarius herhaalde-

_______________↓_______________


|pag. 24|

lijk en dringend verzocht was van gemeente te veranderen, maar steeds de vererendste uitnodigingen van de hand wees, en reeds voor jaren zijn grafsteen op het kerkhof deed plaatsen ten teken, dat hij onder hen leven en sterven, en temidden zijner schapen van Vasse en Mander rusten wilde…(verkorte weergave)
Diep was de indruk, dien deze redevoering zoowel op den Jubilarius en de aanzienlijke Priesterschaar, als op de gemeentenaren maakte, uit wier oogen zij menige traan deed wellen. Het feest werd met een plegtig ‘Te Deum Laudamus’ gesloten.
Nimmer zal deze dag uit het geheugen en hart van Vasser en Manders inwoners gewischt worden, maar steeds in dankbaar aandenken blijven en den wensch doen koesteren, dat de Algoede deze bevoorregte gemeente nog vele jaren in het bezit van haren hooggeachten en zeer geliefden Herder moge laten”

Op 10 september 1854 benoemde de Aartsbisschop van Utrecht, Mgr. Zwijsen, tot kerkmeesters van de parochie Vasse de heren: Stephanus Engbers (overl. 1876), Joannus Booyink (overl. 1875), Joannus Henricus Veer (overl. 1891), en Gerardus Joannus Rasink (overl. 1862).
Bij schrijven van 24 september 1854 werden eindelijk door het Bisdom de definitieve parochiegrenzen vastgesteld. Het document luidt als volgt:
“In de plaats der voormalige Statie van Vasse wordt Canoniek opgerigt eene parochie van den H. Pancratius te Vasse gelegen in het Dekanaat Almelo van het Aartsbisdom Utrecht, waarvan de grensscheiding is als volgt:
Vanaf den koninklijken grenssteen van Hanover N°81 bij den Helleweg eene regte lijn op den mark-grenssteen, die Nutter van Hezinge scheidt en het naast aan den Helleweg gelegen is. Van dezen westwaarts op den naast daaraan volgende grenssteen, insgelijks Nutter van Hezinge scheidende. Van dezen zuidwaarts op het westeinde aan van een stuk lands genaamd Effenbrei, verder tot op het zuidwest punt van het stuk lands, genaamd

_______________↓_______________


|pag. 25|

Huizenstuk. Van hier westwaarts tot op de grenssteen gelegen op den Paalberg scheidende Vasse van Nutter en Haarle. Wijders westwaarts tot aan het Ledderken op den Tubbergerdijk en langs den dijk tot aan de Kottendijkerbrug.
Van deze noordwaarts tot op het oostpunt van het stuk weiland genaamd Scholtenkamp (ook wel Hambroekermoeije) verder tot op het zuidwest punt bij de Elsbeke, waar zich de Vasser buitengrond scheidt van de Mander buitengrond.
Van dit punt langs de grenzen (of Kielspit) der Mander binnengrond tot aan de Plasbeke in het Veen, wijders oostwaarts tot op den Hanoverschen grenssteen N°91 de grensstenen van Hanover volgende tot de steen N°81 bij de Helleweg.
Voorts verklaren Wij tot Parochiekerk der aldus omschreven Parochie de kerk te Vasse, aan de H. Pancratius toegewijd, bij de Roomskatholieken in gebruik. Wij maken echter deze bepalingen onder voorbehoud, dat hetzij door Ons, hetzij door Onze opvolgers, zoo Ons of Hun zulks heilzaam mogt toeschijnen, én ten aanzien der grenzen, én ten aanzien eener splitsing of verdeling der Parochie gelijk zij thans is omschreven, veranderingen kunnen worden aangebracht.
En zal dit Ons besluit, hetgeen Wij voor God, na met der zaak en plaatselijke omstandigheden kundige mannen te hebben beraadslaagd genomen hebben, aan de gelovigen van Vasse, door aflezing op den eerst volgende zondag worden medegedeeld, alsmede deze in het parochie-archief bewaard.
Gegeven op Huize Gerra onder Haaren, onder Onze handtekening en Ons zegel, den vier en twintigsten September van het jaar onzes Heeren 1800 vier en vijftig.
was getekend: J. Zwijsen

Het laatste officiële stuk, opgemaakt door pastoor Engbers en zijn kerkmeesters dateert van 31 juli 1855, een maand voor het overlijden van de pastoor. Het betreft een inventaris van eigendommen der H. Pancratius te Vasse, verdeeld in onroeren-

_______________↓_______________


|pag. 26|

de – en roerende goederen, benevens de waardepapieren, vallende onder de verzorging en het beheer van het kerkbestuur, en de zaken welke door de pastoor werden verzorgd en bewaard.
Het eerste hoofdstuk vertelt over de gebouwde eigendommen:
 
1. Eene kerk met Pastorie onder één dak zamen 37 ellen lang, 12 breed en 4 hoog. De lengte der kerk alleen is 24 ellen. Zij is voorzien van een gestukadoord plafond en behalve in de voorgevel, met ijzeren ramen. Zij heeft een torentje met uurwerk en twee klokken, zamen ca. 250 Ned. Ponden. De Pastorie van ééne verdieping, boven eenige slaapvertrekken.
2. Eene schuur belendend aan de Pastorie van behoorlijke grootte.
Als aanmerking: De kerk is te laag en te klein, behoort op den duur verhoogd en vergroot of geheel vernieuwd te worden.
3. Ongebouwde eigendommen: Een bijna vierkant terrein van één bunder drie roeden 28 ellen waarin de kerk pastorie en schuur met kerkhof en tuin gelegen is. Zuidwaarts den tuin op dit terrein, is een plek van ca. 90 ellen lang en 7 breed, bepoot met dennen, en aan de Noordzijde een plek van ca. 44 ellen lang en 14 breed, met eiken boomen. Oostwaarts, onmiddellijk achter den tuin, is de publieke weg, met toestemming der Vasser boermannen met eiken telgen bepoot, tot bijna aan den esch. Voormeld kerkhof is 39 ellen lang en 13 breed, voorzien van een groot houten kruisbeeld op steenen pedestal; zy is omheind met eene beuken haag, en lindeboomen en gesloten met een ijzeren poort.
Meubelen:
4. Een middelmatig orgel.
5. Veertien Statieën of kruisweg op doek geschilderd.
6. Een glazen kroon voor twaalf lichters.
7. Een houten Moeder Godsbeeld (droevige Moeder)
8. Een gypsen Moeder Godsbeeld.
9. Een houten Josephsbeeld met aanhangende Relequië.
10. Twee Godslampen, de eene van berlijnen zilver, de andere van koper.
 

Glazen kroon voor twaalf lichters uit de H. Josephkerk

_______________↓_______________


|pag. 27|

Onder het beheer van de pastoor vielen o.a. voorwerpen bestemd ‘tot de bediening van de Godsdienst’:
Gewijde Vaten:
1. Een zilveren Ostensorium met vergulde stralen en witzilveren wijnrankstokken en eenige aanhangende gouden ringen en versierselen, zwaar één Nederlandsch pond en acht ons.
2. Een zilveren Ciborie geheel verguld, zwaar zes ons en vier lood.
3. Een zilveren kelk geheel verguld met eene vrij zware pateen en lepeltje zamen zwaar zes ons en drie en een halve lood.
4. Een zilveren kelk met zilveren bladen aan de Cuppa en een met zilveren parelen randje om den voet met pateen en lepeltje zwaar zes ons twee en een half lood.
5. Een zilveren kelk geheel verguld zeer schoon bewerkt en met eenige engelenhoofden en andere versierselen, voorzien met patena en lepeltje zwaar vijf ons.
Als aanmerking: Door de gemeentenaren in 1853 aan den Pastoor bij de viering van deszelfs vijftigjarig pastoorschap in die gemeente, geoffreerd en door dezen aan de kerk geschonken.
6. Een zilveren ziekenbusje zwaar twee ons een en een half lood.
7. Een kleiner zilveren ziekenbusje zwaar een ons vier lood.
8. Een klein metalen doch verzilverd Ostensorie met echt zilveren en vergulde lunela.
Verder: lijnwaad, gewaden en versierselen, missalen en zangboeken.
In de kerk stonden: een hoog Altaar, een Moedergods en een Josephs Altaar.
Een steenen doopfont, een biechtstoel, een preekstoel.
Een zilveren wierooksvat en dito schuitje, twee koperen wierooksvaten met één schuitje, een stel zilveren ampullen met blaadje, twee stel tinnen ampullen met blaadje en een stel glazene.
Zes groote en dito vier kleinere verzilverde altaarkandelaren met dito twee kleine lichters aan het Tabernakel, tien groote tinnen met dito vier kleine Altaarkandelaren, benevens twee

Voetstuk van het kruis op het kerkhof, daterend uit de tijd van de oorspronkelijke begraafplaats.

_______________↓_______________


|pag. 28|

koperen lichters aan het Tabernakel en twee tinnen tafelkandelaren.
Drie houten kruisbeeldjes roet een dito grooter voor het beaardigen, een groote koperen wijwaterseramer roet twee wijkwasten, drie houten ordinaire Missaalstoeltjes benevens een koperen en een metalen altaarschel.
Voorwerpen ten gebruike van den Pastoor:
Vier ladders, een ijzeren stookfornuis, een zonnewijzer en de geheele moestuin met den zoogenaamden aanleg.”
Deze Inventaris werd naar waarheid opgemaakt door de Ondergeteekenden en gesloten in de Zitting van het Kerkbestuur den 31 Julij 1855: L. Engbers, Pastoor en G.J. Rasink, J. Booyink, S. Engbers en J.H. Veer: Kerkmeesters.

Op 29 augustus vond de teraardebestelling plaats, geleid door Deken G. Binkhorst en bijgewoond door alle parochianen. Midden voor het grote Missiekruis op het kerkhof in Vasse was het graf gedolven, waarvoor pastoor Engbers de steen al voor jaren had laten neerleggen, als bewijs dat hij zijn gemeente nooit zou verlaten.

Al gedurende een aantal jaren liet pastoor Engbers zich tijdens de diensten assisteren door pastoor Binkhorst uit Denekamp, die tot zijn co-adjutor was benoemd. Naarmate hij ouder en vermoeider werd, liet hij steeds meer aan zijn helper over, om zich in alle rust op zijn naderend levenseinde te kunnen voorbereiden.
Hij las daarbij veel in de Heilige Schrift en in een werk van Thomas à Kempis: ‘In Navolging van Christus’.
Nadat hij de zondag daarvoor nog in de kerk de Mis had gelezen, overleed Lambertus, de eerste pastoor van de parochie Vasse, Mander en Hezingen, op zondagmorgen 26 augustus 1855, op 83-jarige leeftijd.

_______________↓_______________


|pag. 29|

Hiermee eindigt het verhaal over het ontstaan van de parochie, de bouw en verbouw van de eerste kerk in Vasse en het leven van Lambertus Engbers.
Hij werd opgevolgd door zijn neef, pastoor Teusse, die al sinds 1839 kapelaan in de parochie was. Tijdens zijn pastoraat werd in 1860 een begin gemaakt met de bouw van de tegenwoordige kerk: na de voltooiing volgde in 1865 de afbraak van de H. Josephkerk, nadat het ‘meubilair’ naar de nieuwe kerk was overgebracht.

Vasse- september 1985          
J.G. van der Kuil.          

_______________↓_______________


|pag. 30|

BRONNEN

  • Gemeentelijk Archief Tubbergen- doos 359, map 1.
  • Alg. Rijks Archief te ’s Gravenhage- bouwtekeningen en bestek.
  • Rijks Archief Utrecht: Inventaris Aartspriesters Hollandse zending en Collectie Rijssenburg.
  • Archief van het Bisdom Utrecht: map parochie Vasse.
  • Rijks Archief Overijssel te Zwolle: o.a. Inv. N°32- Rechtbank van de 1e aanleg Almelo.
  • Kadaster te Zwolle: Minuutplan en O.A.T. 1832.

Verder:

  • Registrum Memoriale Parochiae St. Joseph te Vasse
  • Dodenboek, R.K. kerk te Vasse
  • Kerkelijk en wereldlijk Twente door W.G.A.J. Röring. (1902)
  • Zielzorg en Godsdienstig leven. Essay van Mag. P. Schmit, o.Carm. in ‘Honderd jaar katholiek Twente. (1853-1953)
  • Zondagsschool voor Roomsch Catholijken door L. Engbers (1820)
  • Enige Bijdragen tot de geschiedenis van het Aartsdiaconaat en Aartspriesterschap Twente door J. Geerdink (1895)
  • Kerkelijke Geschiedenis van Tubbergen door Fr. Smit en B. Smithuis (1972)
  • V.O.R.G. Verslagen en Mededelingen 18e stuk: Moeder- en dochterkerken in Overijssel door Mr. G.A.J. van Engelen van der Veen (1925)
  • V.O.R.G. Verslagen en Mededelingen 85e stuk: De buurschap Mander en omgeving in de historie door Dr. C.C.W.J. Hijszeler (1970)
  • De Godsdienstvriend: deel 71 (1853) en deel 75 (1855).
    _______________↓_______________


    |pag. 31|

DANKWOORD

Deze kroniek van de H. Josephkerk te Vasse maakt geen aanspraak op volledigheid, daarvoor is het verzamelde historische bronnenmateriaal toch nog te fragmentarisch. U hebt momentopnamen uit deze geschiedenis te lezen, en enkele historische documenten te zien gekregen.
Dat dit boekwerkje gereed is gekomen is mede te danken aan mevr. A. Mulder-Essink en mevr. Paskamp- van Santen, die mij hebben geholpen met het opsporen en bijeenbrengen van het bronnenmateriaal.
Een speciaal woord van dank wil ik hier richten aan de heer en mevr. Paskamp voor hun grote hulp bij resp. de selectie en verzorging van het foto-materiaal en het redigeren en typen van de tekst.

J.G. v.d. Kuil.          

  • Kuil, J.G. van der (1985). Kroniek van de H. Josephkerk te Vasse: Pastoor L. Engberts en zijn parochie 1800-1860. Vasse/Mander/Hezingen: St. Historische Kring Vasse Mander Hezingen.
Category(s): Vasse
Tags: ,

Comments are closed.