BIJLAGE II

BIJLAGE II.

Brief van de Commissaris van Politie te Kampen aan den President van het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel.
Deze President is de Predikant Ds. N. S. Hoek (1782-1852), 1808 predikant te Zijderveld, 1809 te Engelen, 1815 te Kampen.
(Overgenomen uit archiefstukken der afscheiding van 1884, deel II).

[29]

KAMPEN, 13 Juny 1835.

Aan den Heer President van het Provinciaal Kerkbe­stuur
van Overijssel te Kampen.

Ter beantwoording van Uwe geeerde letteren van den 11 dezer maand heb ik de eer UwEerw. te rescriberen, dat ik den 3e Juny 1.1. vernam, dat de zich noemende Gereformeerd leeraar onder het kruis, H. de Kok, de vorige dag te Genemuiden zich bezig gehouden had met het doopen van menschen van verschillende ouderdom en het ordineren zijner kerk. Zooals hij den volgenden dag aan een talrijke menigte gepredikt heeft ten huize van Dirk Hoksbergen in de gemeente Wilsum en ook aldaar de gemeente geordineerd had, is hij des nachts ten half elf ure ten huize van Roelof Nijhuis, van beroep grutter, binnen deze stad gekomen, alwaar ik vernam, dat de volgende nademiddag zoude gepredikt worden. Ik begaf mij daarheen, doch kwam na afloop dier predikatie, terwijl eenige overge­blevenen met opengeslagene bijbels nog rondom de tafel za­ten, aan welkers hoofd de Kok geplaatst was, en geestelijke liederen zongen. Op de aan hem gerichte vragen heeft hij mij gezegd, dat hij Hendrik de Kok, Gereformeerd leeraar onder het kruis was, de broeders en zusters kwam bezoeken en nu bezig eene vergadering te houden, waarin hij Gods Woord verkondigd had. Ik heb H. de Kok geobserveert, dat de wet verbood illicite vergaderingen te houden, dat ik hem verzocht daarin niet voort te gaan, dat ik hem intusschen in civiele be­waring zoude plaatsen ten huize van R. Nijhuis, indien deze tot dat verblijf toestemde, totdat ik van Mijnheer de Procureur Crimineel in deze Provincie antwoord, hoe verder in deze te handelen bekomen zoude hebben. Ten einde tevens voor te komen, dat De Kok in zijne vereenigingen niet het getal door de wet bepaalde leden zoude overschrijden, gaf ik hem kennis, dat een der bedienden van policie aldaar tegenwoordig zoude zijn om daartegen te waken De Kok beloofde mij, terwijl Nij­huis genoegen nam in deze maatregel, dat hij zich overeenkom­stig het bij de wet vastgestelde zoude blijven gedragen, aan welke belofte hij gedurende eenige dagen tamelijk wel vol­deed, zonder dat de bezoeken van elders, nog uit en om de stad daarom stil stonden.
Intusschen vermenigvuldigde(n) dezelve zich in zoodanigen hoogen graad op Dinsdag 9 Juny j.1. en werd de toeloop ten huize van R. Nijhuis van de verafgelegenste plaatsen zoo groot, dat men van de zijde der inwoners dezer stad onaange­naamheden vreesde, en de Burgemeester, de Heer Lemker mij liet ontbieden en verzocht daarin te willen voorzien. Mij ten huize van Nijhuis vervoegende, vond ik aldaar in de gang, de

[30]

kamer, waar de Kok zich ophield, en de plaats, waarop die kamer uitkwam, opgepropt met menschen, meest vreemdelingen van Zwolle, Zwartsluis, Genemuiden, verders uit de provinciën Gelderland en Drenthe. Ik gaf de Kok mijn ongenoegen te kennen over dit misbruik van vertrouwen, hetwelk ik in hem gesteld had, en verklaarde hem, dat ik hem daarin zoude we­ten te verhinderen, toen ik hem verzocht mij te volgen naar mijnen woning, alwaar ik een kamer voor zijn verblijf inruim­de; en na het middagmaal bij mij gebruikt te hebben, heb ik zijn persoon des avonds in het logement de Bonte Os vergezeld om nachtverblijf te houden, en den volgenden dag in den vroe­gen morgen met rijtuig naar Zwolle doen overgeven met pro­ces verbaal van het voorgevallene gedurende zijn verblijf al­hier, ten einde voor en ter dispositie van Mijnheer de Officier van Justitie aldaar te worden gestelt, waartoe ik gemeend heb, hoe eerder hoe beter te moeten overgaan, dewijl de gemoede­ren der ingezetenen, ofschoon in hunne gesprekken en gevoe­lens eene hooge mate van langmoedigheid en medelijden je­gens De Kok en de zijnen doorstraalde, zich echter tegen de vereenigingen en het geloop van Nijhuis zoo duidelijk begon­nen te verklaren, dat het mij hoogstnoodzakelijk toescheen, dat de evengenoemden De Kok deze stad verliet. Ziehier, Mijn­heer de President, een getrouw verhaal van het met De Kok voorgevallene in deze Gemeente, en vertrouw daarmede aan Uw WelEerw. verlangen voldaan te hebben.

De Commissaris van Policie,
(get.) C. F. NEHRKOKER.

Brief van Ds. N. S. Hoek te Kampen aan den Secre­taris en Adviseur van den Minister van Staat, belast met de Generale Directie voor de zaken der Hervorm­de Kerk enz. J. D. Janssen. (Deze Janssen is in de geschiedenis der Afscheiding een zeer beruchte figuur).

Herv. Eered.
17 Juni 1835, no. 1 P geheim.

Kampen, 15 Juny 1835.

Weledelgestr. Heer,

Confidentiëel heb ik de eer UwEdGestr. te berigten, dat De Kok wel naar Zwoll is getransporteerd en voor een Kommissie uit de Regtbank ondervraagd is, maar terstond weder op vrije voeten is gesteld en ten huize van een zeer rijk man (J. Ridderinkhof - J.) heeft gedineerd en gelogeerd, die zijne zaak zeer

[31]

voorstaat. Men noemt als reden hiervan, dat er in de wet geen genoegzame termen zijn om hem en zijnen aanhang te fnuiken. Helaas ongelukkig! want het vreet voort als de kanker en zoo­wel rijken als armen worden door dien predikant onder het kruis als betooverd. Men zegt, dat hij vertrokken is naar de Smilde, anderen, dat hij in de omtrek alhier zwerft. Hij heeft zijne Gemeente hier (Kampen dus — J.) — die ik hoorde dat door hem georganiseerd is en waarin ook kinderen zouden ge­doopt zijn — beloofd van terug te zullen komen. Dus zijn wij dagelijksch in vreeze voor zijn terugkomst, en dan rijdt gansch Kampen en omstreek als op stelten. Het schuilt hier nog wel onder de mindere klasse, maar waarom zouden ook hier met de tijd geenen uit hoogen stand ertoe overgaan op het voet­spoor van aanzienlijker steden? Vooral van dezulken, die er nu nog mede spotten loopen velen gevaar. Mag ik ronduit tot Uw EdGestr. spreken, dan wordt het hoe langer hoe meer mijn vurige wensch, dat het Z.M. behagen mogt, aan allen die dat 1618 en 1619 zoo stellig terug willen hebben, als eene de facto bestaande afdeling der Protestantsche kerk, of gezindheid vrij­heid te geven en zich te laten constitueren. Zij zullen wel aan fondsen weten te komen en dan kwam er rust, terwijl het nu hoe langer hoe meer een zonderling en in waarheid vreeswekkend aanzien krijgt. Bloed moet er stromen, roept de Kok. Uwe leeraars zijn volksverleiders durfde hij den Burgemeester alhier toe te voegen. Ja al de domeneers hier zijn verleiders, duwde een lid onzer gemeente, de hospes van De Kok, met het schuim op den mond den Burgemeester toe. Niet dat wij voor dat blaaskaken een ogenblik bang zijn, maar wat deden en dreigen de anderen? Welgeklede mensen zeiden openlijk tegen den Kommissaris van Policie: wij laten het uit vreeze voor U, Mijnheer! anders was het huis van dien grutter spoedig onder den voet gehaald. Indien nu in de wet geene termen zijn om zulk woelen te stuiten en de rijke aanhangers van De Kok vrijuit tegen den Kommissaris kunnen zeggen: doe wat gij wilt Heer Kommissaris, gij zult het niet winnen, maar wij, en zullen het U nog betaald zetten, — wat moet er dan toch van worden? Indien ik het gerucht geloven moet dan wordt De Kok door penningen van elders, uit aanzienlijke steden on­dersteund. Ik zie geen einde aan de zaak dan langs den weg van legale vrijheidsvergunning tot eigen gezindte, en zoo dat niet kan, dan moet het Gouvernement ernstige maatregelen nemen en stuiten, wat er nu nog te stuiten is. Daarom wenschte ik, inter nos, dat ons Ministerie invloed kon uitoefenen op het Ministerie van Justitie, en daarom achtte ik mij verpligt deels officieel en deels confidentieel UwEdGestr. te schrijven, om ook het mijne te doen ter bevordering van de goede zaak en

[32]

ter voorkoming van wezenlijk dreigende gevaren. Mogt ik een klein wichtje in de schaal hebben gelegd, zal aangenaam zijn aan hem, die zich met alle hoogachting noemt,

Weledelgestrenge Heer,
UwEdGestr. dv. Dienaar
N. S. HOEK.

Er volgt hieronder nog een naschrift ter aanbeveling van zijn neef cand. A. Uden Marsman.
Op zijn beurt schrijft de in bovenbedoeld schrijven genoem­de Janssen weer naar de Minister van Justitie, bij brief van 20 Juny 1835. 21 Juny stuurt de Minister van Justitie bovengenoemde brief door om rapport naar de Procureur Generaal bij het Hoog Gerechtshof.
De Procureur Generaal stuurt daarna beide brieven door naar de Procureur Crimineel te Zwolle.
24 Juny 1835 antwoordt de Procureur Crimineel met een zeer uitvoerig rapport aan de Procureur Generaal.
Aangezien in al deze brieven en rapporten voor ons doel geen nieuwe gezichtspunten worden genoemd, volstaan we slechts met vermelding.

Category(s): Kampen, Kerken
Tags: , ,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *