Het kasteel of blokhuis te Genemuiden

Het kasteel of blokhuis te Genemuiden

     Onder de versterkte sloten of huizen in Overijssel in de tijden, toen het wereldlijk gezag van de Utrechtsche kerkvoogden zeer aan het tanen was, behoort voorzeker het slot of kasteel te Genemuiden eene eerste plaats.
     De rustelooze Karel van Egmond, die onverzoenlijke vijand van het Bourgondische huis, bij hetwelk de Utrechtsche Bisschoppen telkens hun heul moesten zoeken, was in het begin der zestiende eeuw gerugsteund door de steden, voornamelijk door Zwolle, een geruimen tijd de beheerscher van Overijssel; jaren achtereen leed het platte land van dit gewest veel ouder zijne strooptogten.
     Om nu te meer op een vasten voet zich in Overijssel te nestelen, was hij bedacht op het stichten van versterkte huizen.
     Genemulden, toen ten tijde eene versterkte veste, scheen hem een geschikte plaats te zijn als gelegen aan de mond van het Zwarte water bij de Zuiderzee, om aldaar een versterkt kasteel, of zoo als men toen sprak „Blokhuis” te stichten, althans ons komt het voor dat hij en niet Karel de Vijfde daarvan de stichter is geweest. De meeste schrijvers als: van Meieren, Fresinga en anderen verhalen, dat Karel de Vijfde in 1527 het Blokhuis zoude gesticht hebben en daartoe bezigde de afbraak uit de Castellenie van Kuijnre. Moonen noemt echter Karel van Egmond als de stichter en wij volgen hem te gereeder na, omdat in 1527 eerst door een zwakken kerkvoogd Hendrik van Beijeren het wereldlijk gebied van het Utrechts bisdom aan Karel de Vijfde werd opgedragen. Hy moest dus al aanstonds het kasteel te Genemuiden gesticht hebben, doch in een instructie die de Staten van Overijssel aan hunne gecommitteerden naar Brussel in 1531 medegaven, wordt onder anderen gemeld dat de huizen Arckensteijn, Lage, Genemuiden, Enschede en Kuijnre, na noetdruft restaureert ende mijt Soreell personen dair sij mede bewaart sijnt versijen worden.
Het was dus nog geen 4 jaar na de bovengemelde stichting dat er reeds sprake van herstelling was en ook wordt Kuijnre daarbij nog met name genoemd.
     Hieruit dunkt ons bewijslijk te zijn dat Karel de Vijfde nadat de oorlogen met den Hertog van Gelder geëindigd waren op aandrang van de Staten van dit gewest het huis te Genemuiden verder heeft versterkt en dat hij daartoe de bouwstoffen van de afgebroken Castellenie van Kuijnre kan hebben gebezigd.
     Hij en zijn opvolger deden tot 1563 aan de versterking arbeiden; overigens vindt men van de lotgevallen van dit kasteel zeer verschillende berigten bij de ouderscheidene schrijvers; hetgeen bij deze daarvan staat geboekt, gevoegd bij de ongedrukte stukken die wij onder de oogen hebben gehad, vermeenen wij de vermelding belangrijk genoeg te zijn de vergetelheid te ontrukken.
     Het kasteel te Genemuiden onder de regering van Fhilips de Tweede, bij uitnemendheid genoemd Koninklijk Majesteits Blokhuis, hetzij dan door Karel de Vijfde, hetzij door Karel van Egmond gesticht, was van eene groote uitgebreidheid, zoowel wat het gebouw zelf als de buitenwerken aanbelangt.
     Het was door hooge bolwerken omringd en buitendien met bijzondere huizen betimmerd. Guicciardijn noemt het een fraai kasteel en dat er steeds eene Koninklijke bezetting op lag.
     Karel de Vijfde achtte het dan ook van dat belang, dat hij tot Bevelhebber van dit Blokhuis benoemde George Schenk Vrijheer tot Toutenburgh; zijne commissie is in het oorspronkelijke nog voorhanden en wij vermeenen dezelve in zijn geheel te moeten laten volgen.
     Kaerle bij der gracien Gods, Keijzer van Roomen, altijts vermeerer, ’s Rijex Coninck van Germanén, van Castilliën, van Leon, van Grenaden, van Arragon, van Navarre, van Naples, van Ciciliën, van Maillorque, van Sardane, van den Eijlandcn, van IJndien ende van den vasten eerde der zee oceaue. Eersthertoge van Oostenr. Hertoge van Bourgnen, van Lothr., van Braband, van Limborch, van Luxemburch, Grave van Vlaenderen, van Artois, van Bourgnen, Palsgraue van Henegouwe, van Holl., van Zeeland, van Ferette, van Hagenau, van Namen, etc. Maregrave des heiligen Rijcx, Heere van Vrieslant, van Salines, van Mechelen, der landen van Utrecht, ende van Oueryssel, ende Dominateur in Asie, ende Affrique, allen deughenen die desen onseu brief sullen sien salut.
     Alsoe wij onlanx nemende revlectie op te punten en de articulen, dienende tot securiteijt en de gemene welvaert onser landen van Ouerijssel, onder andere gedertimineert ende gesloten hebben de sterkte en de vestenisse, begrepen in onser vlecke te Genemuijden, in onsen voorscr. lande van Ouerijssel te houden en nogh voerder te doen bevestigen naer dat bevonden sal werden de noot Sulex te ijsschen.
     Ende om dan deselve stercte te verwaren van noede zij ijemant daer op te verordeuen dije deselve te dragen hebben. Soe eest dat whij naar sekere 🞼 (1 [1. 🞼 Dit woord is onleesbaar]) hierop gehouden bij goet dunken onser lieve Suster Vrouwen Maria Coningne dowargiere van Hongeren ende van Bohemen, Eersthertogne van Oostenr. voer ons regente in desen onsen Nederlanden ende bij advijse van den hoofde ende luijden van onsen secretenrade en de financien, neffens haer wesende deser tijt geen nutter nogh bequamer dairtoe en hebben connen gevinden dan onsen lieven getrouwen Ridder van onsen oorde Rijcx Camerline en de Stadholder Gener. onser landen, van Vrieslant ende vau Overijssel, Schenck Jorijan frijheeren te Toutenborgh, doen te weten, dat wij den voormelden onsen Statholder generaal volcomentlich betruwende sunderling om de goede kennisse die wij hebben van zijn ijver ende van zijnre Experentie in saecken van ooreloge, denselven onsen Stadtholder gecommittierd ende gemaeckt hebn comitteeren ende maken, overmits desen onsen brieve Overste bevelhebber van der voorschr. sterkte en de fortalitie op Genemuijden, bevelende de last en de bewaringe derselver op ten eedt die hij ons gedaen heeft Sulxter maten dat hij ’t ons tot alre tijt daer af weet te verantwoorden, dies hebben wij hem geconsentiert ende consenteren so hij daer niet selve blijven nogh resideren en magh eenen Lieutn. ende Capitain onder hem daarop te moghen stellen tot zijn selfs laste ende pericul, denwelcke hij toebetruwe ende die tot jaerlijcxe wedden voir sijn hooft ende onderhout hebben, sal de some van Drie honderd Karolie gulden to XX stuijver den gulden, tot welcken Capitain hij schuldig sal sijn soe veel goeder regtsinniger kneghten te onderhouden tot bewaring ende meerdere versterktheid van den huijze als tot twe ende dertigh soetten ofte paijen toe dair hij eenige verfaren crijgsluijden toe nemen sal mogen tot dubbelt soldiren naer dat sulcx van node ende ons bevelen wesen sal, welcke kneghten bij Commissaris die wij dairtoe ordineeren gemonstert ende voorts bij handen van onsen Tresorier van den oorlogen tegenwoordige ofte toecomende, ende van deu Penningen comende van den ordinairissen domain onses lants van Vrieslant betaalt sullen worden van drie maanden te drie maanden bij gelijcke portie, soe lange alst ons gelieven sal dus sal hiervan dienst angaen op den dagh van der toecomende maent van meeste dat men se monsteren sal elcx van den voorschr. kneghten tot veertigh golden gulden brab ct. gereeckent gelijcker mate als onse kneghten ordinairijcx garnisoen in onsen lande van Vrieslant houdende.
     Bevelen hierom den voorn. onsen tresr. van den oorloghen tegenwoordige ofte toecomende de voors. betalinge alsoe te doen.
     Ende mits overbrengende ter eerster reijse deze tegenwoordige ofte Copie autenticque derselver ende tot elcken reijse oft termijn van betalinge behoirlicke quitanc van den voorschr. onsen Stadthouder wesende in den name van voorschr. kneghten, de voorschr. betalingen sullen hem gepassieert worden in t’ uijtgeven zijner rekeninge ende gecort van den penningen van zijn ontfangh bij onsen lieven getruwen President ende luijden onser Camere vau den rekeningen geordonneert binnen onser Stadt van Rijssel denwelcken wij oec bevelen dat al soe te doen sonder eenige difficulteijt want ons alsoe gelieft.
     Ende der oorconde hebben wij onsen Segel hieran doen hangen.
     Gegeven in onse Stadt van Brussel den IX dagh van februario in ’t jair onses Heeren duijsent vijfhondert een ende dertigh van onsen Keijzerrijcke XII ende van onse andere rijcken van Germanien van Castilien etz. XV (op de Plijcke Stond) bij den Keijzer.
     De hooge betrekking, welke de Stadhouder Schenck bekleedde, maakte het voor hem ondoenlijk om dit Bevelhebberschap in eigen persoon te bekleeden, zoo zelfs dat zijn broeder Willem Schenck door Karel de Vijfde hem als luitenant of Plaatsbekleeder in het beheer over de Militie in geheel Overijssel werdt toegevoegd.
     Van daar dat dan ook alras Lubbert Mulert Schultus van Hasselt als Bevelhebber op het Huis Genemuiden wordt aangetroffen en voor of na hem Otto van Rechteren, blijkens nog voorhanden brieven van den 12 November 1538 en 12 September 1539.
     Een geruimen tijd later wordt Hendrik van Broeckhusen vermeld als Hopman en Bevelhebber van het Huis te Genemuiden, mede blijkens een nog voorhanden zijnden brief van dezen van 30 October 1572.
     Beide laatstgenoemde Bevelhebbers worden genoemd Drosten van Genemuiden.
     De laatste welke die titel voerde was Richard van Unia.
     Arend toe Boecop die ten tijde van Hendrik van Broeckhusen door den Graaf van den Berg op het Blokhuis te Genemuiden gevangen werd gezet geeft ons van de uitgebreidheid van dit Drostambt een juist denkbeeld, wanneer hij zegt dat de jurisdictie van deze alleen bestond op het Blokhuis over zijne Soldaten tusschen die Homeie.
     Volgens geschreven aanteekeningen bestond in 1574 de bezetting uit 25 Soldaten, welke toen door de Stad Genemuiden van al het noodige moesten verzorgd worden, waarover de Regering van die Stad bij herhaling aan de Staten van dit gewest klagtig viel. Tusschen beide was de bezetting talrijker voor welks onderhoud dan de Regering van Genemuiden had te zorgen.
     Zoo onder anderen werdt uit Stads kas betaald aan den kapitein Johan van Gulpen in het jaar 1573, voor geleverd brood, bier, boter en andere nooddruftigheden, de som van duizend veertig gulden, en wanneer omstreeks dien tijd de Stadhouder nu en dan zich op het Huis te Genemuiden bevondt, werdt dezelve aldaar door de Regering van Genemuiden onthaald.
     Volgens de schrijver van de Hedendaagsche Staat van Overijssel, IV Deel, Ie Stuk, bladz. 155 werd het Blokhuis op den 8 April 1580 bij verdrag aan de Gecommitteerden uit de Staten overgegeven, die het aanvankelijk door eenige Burgers uit Kampen en Zwolle lieten bezetten, terwijl Ridderschap en Steden terstond aan Zijne Hoogheid en de Algemeene Staten voorsloegen om hetzelve te doen slechten. Dit zoude ten deele geschied zijn en dat weinig tijds daarna een ander gedeelte door een hoop Staatsgezinden in brand gestoken, maar dat een ander gedeelte nog zou zijn staan gebleven tot in den jare 1584, toen het waarschijnlijk geheel zoude zijn geslecht.
     Ons is het uit ongedrukte stukken die zeker den schrijver onbekend waren, gebleken, dat op den 6 April 1580 de Burgers der drie steden Deventer, Kampen en Zwolle, met eenigen uit Hasselt, Steenwijk en Vollenhove, bij Rade van Ridderschap alingher landtschap het Huis van Genemuiden opgeeischt en belegerd hebben en daarna bij verdrag met Richard van Unia, Drost van hetzelve Huis veroverd en ontrest hebben. Daarna werdt de bewaring van dit Huis op last van Ridderschap en Steden opgedragen aan de Ingezetenen van Genemuiden, die onder opzigt van twee Burgemeesters en twintig burgers dagelijksch daarover de wacht hielden.
     Burgemeester, Schepenen en Raden der Stad Genemuiden klaagden over dit bezwaar en verzochtten dat de hand wierdt gehouden aan een vroeger Besluit van Ridderschap en Steden waarbij het afbreken van het Blokhuis was bevolen en hetwelk moest worden verrigt door de ingezetenen van de naast bijgelegene plaatsen en waaraan maar ten deele door eenigen was voldaan.
     Op dit klaagschrift werd genomen op den 17 Mei 1580 de navolgende Apostille Ridderschap en Steden doen aanschrijven aan de Scholte van Hasselt om die Kerspels luijde van Staphorst en Rouveen ernstiglijk toe gebieden haar toegeslagen quota van den Blokhuize op bet spoedigste te demolieeren en alzoo die van Genemuiden met den eersten van hare wachte te verschoonen.
     Het schijnt evenwel dat daaraan nog geen genoegzaam gevolg is gegeven, want op den 20 Junij 1580 hebben ittelicke burghers van Zwolle met eenighe van den Adel dat Huijs te Genemuiden verbrandt en hoewel de wijnt ten zeluighen tijde vth den Noorden waeijde is nochthans durch Godts Handt ende mede durch gude voerssichtigheijt der burghers en in-

_______________↓_______________


|pag. 4|

woonders met eendrachtige vthoefinghe de Stadt ouverbrant blijven staen.
     De grond waarop deze sterkte gesticht is, is tot op dezen dag nog bekend onder den naam van het Blokhuis en werd daarna als onder de Domeinen van den lande behoorende, gebragt onder den beheer van den Landrentmeester van Zallandt, tot dat in 1635 door Ridderschap en Steden derzelver Gedeputeerden werden gemagtigd aan de Stad van Genemuiden te verkoopen het Kasteel belt tot Genemuiden met zijne annexens huisplaatsen en een stuk lands in de Gemeente aldaar liggende te zamen met zijn raad en onraad gehoord hebbende tot de Domeinen des lands van Zallandt, alles blijkens acte van transport van den 24 Junij 1635.
     In de Raadzaal van het Stadshuis te Genemuiden is nog een oude schilderij van dit Blokhuis aanwezig.
     In den Overijsselschen Almanak voor oudheid en letteren, derden jaargang, vindt men daarvan een afbeelding gevoegd, bij een Berigt omtrent Arend toe Boecop door den heer Mr. J. van Doorninck, Provinciaal Archivaris in Overijssel.
     Wij nemen hiermede afscheid van het Blokhuis te Genemuiden met den wensch dat ook anderen zich mogen opgewekt gevoelen, bijdragen tot de Geschiedenis van Overijssel, waartoe nog zoovele bouwstoffen voorhanden zijn, te leveren.
     S. Januarij 1857.                              X.X.X.
 
– Ebbinge Wubben, F.A. (1857, 13 januari). Het kasteel of blokhuis te Genemuiden. Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 77 (4), p. 3-4.

Category(s): Genemuiden
Tags: ,

Comments are closed.