Hoofdstuk V. Samenvatting en conclusies


     Hoofdstuk V. Samenvatting en conclusies.
     V. 1. Samenvatting.

     Zoals wij gezien hebben behoren de jaren 1745 – 1750 tot de meest woelige in de geschiedenis van Steenwijk. In het eerstgenoemde jaar waren er ernstige twisten ontstaan naar aanleiding van een tweede predikantsplaats. De toenmalige magistraat wilde uit het oogpunt van bezuinigingen de opengevallen tweede predikantsplaats door een proponent laten vervullen. De kerkeraad wenste hier niet mee akkoord te gaan, waarop de magistraat niet naliet de kerkeraad permanent dwars te zitten wanneer er door de kerkeraad een beroep werd uitgebracht op een tweede predikant. De magistraat verminderde toen het tractement van de pas beroepen predikant Hillers, waarop deze voor de eer bedankte. De magistraat wilde persé zijn zin doordrijven en de predikant De Blanche beroepen zien. De twisten hieruit ontstaan, waarbij het over en weer brieven en vertogen regende, duurden ruim vier jaren.
     In de zomer van 1748 braken er in Steenwijk burgerlijke twisten uit, die voor een groot gedeelte versterkt werden door de er aan voorafgaande kerkelijke twisten. Willem IV was overal aan de macht gekomen onder invloed van de alom in het land heersende angst voor de binnengevallen Fransen. Van hem verwachtte men dat hij de overal bestaande misstanden in het bestuur van de provincies en de steden zou wegnemen. Toen dat niet zo snel gebeurde als men verwachtte ontstonden op vele plaatsen ongeregeldheden, die in Friesland zelfs het karakter aannamen van een volksopstand. Deze onlusten dreigden over te slaan naar Steenwijk. In deze stad heersten ook in het burgerlijk bestuur vreemde toestanden. De magistraat benoemde de keurmeesters en de keurmeesters benoemden de magistraat. Men nam het niet al te nauw met de bestaande verordeningen, wanneer het er om ging iemand te weren of te doen verkiezen. De burgemeesters beheerden de financiën van de stad, van de kerk en allerlei liefdadige instellingen, maar zij legden geen of onvoldoende rekening af van hun financiële activiteiten. Om aan deze misstanden een einde te maken trachtte een deel van de burgerij door middel van een burgerrekwest aan de magistraat de bestaande grieven weg te nemen.
In het rekwest, opgesteld door burgergecommitteerden, werd o.a. geëist: beëindiging der kerkelijke geschillen en aan de kerkeraad de vrije hand te laten in het beroepen van predikanten, rekening en verantwoording der financiën binnen acht dagen, openbare aanbesteding van werken en benodigdheden ten dienste der publieke instellingen e.d. Bij niet-inwilliging zou men het burgerrekwest doorspelen naar de stadhouder, Willem IV. De magistraat echter beschouwde het rekwest als een oproerig geschrift.

|pag. 71|

_______________↑_______________

     De oppositie werd geleid door Harmen Coops Fledderus, pachter der accijnzen, die zelfs een Oranje-Vrij-Compagnie oprichtte, waarop de magistraat burgemeester Ram toestond een eigen vendel op te richten. Grote verontwaardiging ontstond toen een detachement Zwitserse troepen ingekwartierd moest worden. Dit gebeurde uitsluitend bij de 164 ondertekenaars van het rekwest. Daarnaast was het de magistraat een doorn in het oog dat Fledderus cs. een eigen Compagnie had opgericht zonder toestemming van de magistraat. Nachtelijke vechtpartijen, vaak uitgelokt door Ram en de zijnen, deden de stemming meer en meer vertroebelen. Op een gegeven moment werd Fledderus gevangen genomen en na een kort proces, dat nauwelijks die naam mocht hebben, ter dood veroordeeld en terechtgesteld. Tuttel, Thomasz en Vogelzang werden opgesloten in het kasteel te Vollenhove en de vrees was groot dat ook zij hetzelfde lot zouden ondergaan als Fledderus. Een der gecommitteerden, J. Meesters, werd zelfs openlijk door een handlanger van de magistraat vermoord. Vele burgers vluchtten de stad uit en trokken naar Holland. Zij wendden zich tot de stadhouder, die afgaande op de eenzijdige inlichtingen van de magistraat daaraan pas gehoor gaf, nadat de moeder van Tuttel, de dames Fledderus en Vogelzang en de gecommitteerde P. van der Licht de Prins persoonlijk hadden ingelicht. Hierop stuurde de Prins een Commissie naar Steenwijk. Een onderzoek bracht aan het licht dat er veel in Steenwijk mis was. De magistraat was behoorlijk over de schreef gegaan.
Vele door de gecommitteerden gesignaleerde misstanden bleken te kloppen met de situatie welke de Commissie aantrof. Het bleek o.a. dat de magistraat er een heel speciale financiële vriendjespolitiek op na hield, waarbij de portemonnees van de leden van de magistraat en de stadssecretaris niet werden vergeten. Tal van getuigenverklaringen à charge in het proces tegen Fledderus bleken afgelegd te zijn onder pressie van de magistraat. Spoedig verscheen daarop een Politiek Reglement (12 november 1749), dat de voornaamste grieven der gecommitteerden wegnam. Kort daarna – in 1750 – werd de gehele magistraat, met de gemeensluiden en andere stedelijke functionarissen in opdracht van de Prins door de Commissie van hun functies ontheven. Het gevolg was dat de Oranjepartij het roer in de stad kon overnemen. Tuttel werd stadssecretaris en Fledderus werd in ere hersteld en herbegraven in de St. Clemenskerk.

|pag. 72|

_______________↑_______________

     V.2 Kerk en magistraat.

     Alvorens een oordeel te kunnen vellen over de handelwijze van de kerkeraad en het optreden van de magistraat in het onderhavige conflict moeten wij eerst ingaan op de verhouding kerk tegenover de overheid. Wij moeten daarbij verwijzen naar Valvijns denkbeelden ten aanzien van de kerkorde. Daarin is zeer duidelijk aanwezig de drang naar vrijheid van de overheidsvoogdij. Volgens Calvijn diende de kerk door ambtelijke vergaderingen geleid te worden, zowel regionaal als nationaal. Die gedachte kon de democratische gedachte bevorderen en maakte de calvinistische kerk weerbaar. De calvinisten eisten volledige vrijheid van de kerk van de staat, op grond der volstrekte gehoorzaamheid aan haar Heer. Maar juist omdat hij beide machten scherp onderscheidde, kon hij ze ook nauw verbinden.
Dit betekent nooit dat de kerk over de staat moet heersen, maar wel dat de overheid het welzijn van de kerk moet beschermen 1 [1. Berkhof/ de Jong, Geschiedenis van de kerk 179]).
De calvinisten zagen volgens de schrijvers Berkhof en de Jong scherp de grens van het overheidsgezag. Wanneer de overheid het Evangelie weerstaat is verzet geoorloofd, mits geleid door volksvertegenwoordigende organen of door prinsen van den bloede 2 [2. Ibid hier 180]).
Daarom ook richtte de kerkeraad van Stëenwijk zich tenslotte tot de stadhouder. Toch eiste de overheid zeggenschap in de beroeping van de predikanten, de keuze van ouderlingen moest haar welgevallig zijn. Wij denken hierbij meteen aan de Conventie van 1650 en de uitspraak van Ridderschap en Steden van Overijssel in 1704. Zo zond de overheid commissarissen-politiek naar de gewestelijke en nationale synodes en bezat zij het recht van approbatie en het recht van correspondentie. In Steenwijk waren zelfs twee burgemeesters tegelijkertijd ouderlingen.
     Al vrij snel na het het begin van de Tachtigjarige Oorlog, maar vooral in de loop van de zestiende eeuw, begonnen evenwel de belangen van kerk en overheid uiteen te lopen: de kerk wilde vrij zijn van overheidsbemoeiing, terwijl de overheid niet meer door de kerkelijke vergaderingen gecorrigeerd wenste te worden. Daarin ligt ook de oorsprong van de moeilijkheden tussen de kerkeraad van Steenwijk en de magistraat. De regenten hadden altijd een sterke greep gehad op de Hervormde Kerk door het benoemingsrecht van predikanten en door de commissarissen-politiek. Volgens Roorda waren deze bedoeld om de goede correspondentie tussen de Staten en de Synode, tussen de magistraat en de kerkeraad te verzekeren. In de praktijk evenwel bracht deze instelling nogal eens moeilijkheden met zich mee, vooral omdat het instituut de plaatselijke gemeente doorgaans dan opgedrongen werd als de goede correspondentie ontbrak 3 [3. Roorda, Partij en factie 61]). Dit was ook een van de redenen waarom de magistraat zijn eigen wil bij de

|pag. 73|

_______________↑_______________

benoeming van een tweede predikant in Steenwijk wilde doorzetten.
Hij wilde de kerkeraad een predikant opdringen die de kerkeraad niet welgevallig was.
     Als instelling had de kerk twee aspecten: in de eerste plaats was zij een godsdienstige organisatie waarin het overgrote deel van het volk was verenigd, met uitzondering van o.a. Twente, de Achterhoek, de Kop van Noord-Holland en de Generaliteitslanden. In Steenwijk waren halverwege de achttiende eeuw ± 1100 mensen lidmaat van de Hervormde Kerk op een totale bevolking van nog geen 1600 inwoners van de stad. Zij was een godsdienstige organisatie die zich ook politiek kon doen gelden en het beleid van de overheid kritisch kon volgen. In de tweede plaats was de Hervormde Kerk een soort staatskerk. De overheid zag de kerk als een verlengstuk van haar macht om een vaste greep op de bevolking te kunnen houden.
Zij liet de predikanten in hun preken wel eens overheidspropaganda bedrijven. Bovendien was het gebruikelijk dat verordeningen ’s zondags na de preek vanaf de kansel werden voorgelezen. De eerste taak van de predikant was om gehoorzaamheid aan de overheid te preken.
Toch waren de predikanten lang niet altijd het gewillige propaganda-apparaat van de overheid, getuige ook het optreden van Ds. Metelerkamp. Dat hing ook nauw samen met de positie van de predikant. Aan de ene kant genoten ze een hoog aanzien, aan de andere kant stonden ze dicht bij het volk. Ze stonden tussen overheid en onderdanen in.
Er waren evenwel mogelijkheden waarbij predikanten geen onderdanigheid aan de overheid preekten. bijvoorbeeld indien de overheid de belangen van de onderdanen onvoldoende behartigde of indien de overheid de belangen van het ware geloof onvoldoende verdedigde.
Daarin vinden wij ook de oorsprong van het conflict tussen de kerkeraad en de magistraat van Steenwijk. Omdat die verdediging vooral werd verwacht van de stadhouder zien wij ook Ds. Metelerkamp in de rol van “opruier” sinds 1745, De politieke keuze van de predikant zal ook bepaald zijn geweest door de factie waarmee hij banden kan hebben gehad. Zo kon Metelerkamp in werkelijheid de spreekbuis zijn van de onderliggende factie die via een regeringsverandering de macht probeerde te krijgen. De vraag waarom het in de discussie over de verhouding tussen kerk en overheid ging was in feite niet òf de overheid invloed op de kerkelijke zaken zou hebben, over de wenselijkheid daarvan was nagenoeg iedereen het wel eens, maar de vraag was hoe groot deze invloed moest zijn. In het begin was dat vooral een onderwerp van vaktheologen geweest, maar in de loop van de achttiende eeuw kwam het in verschillende plaatsen tot scherpe conflicten, waarbij bijvoorbeeld een predikant met een deel van de kerkeraad en enkele leden van de magistraat kwamen te staan tegen-

|pag. 74|

_______________↑_______________

over een andere groep binnen de kerkeraad en de stedelijke overheid. Steenwijk is daarvan een treffend voorbeeld. In deze strijd speelden naast de theologische en kerkrechterlijke vraagstukken ook allerlei persoonlijke en familiebelangen een niet te onderschatten rol en deze zijn soms wel, maar vaak ook niet van elkaar te onderscheiden.

     In de achttiende eeuw bestond de kerkeraad van Steenwijk uit twee predikanten, vier ouderlingen en vier diakenen. Ouderlingen en diakenen vergaderden gezamenlijk onder voorzitterschap van een der predikanten, terwijl de andere predikant dan fungeerde als scriba. Ieder jaar traden twee ouderlingen en twee diakenen af.
De verkiezing van hun vervangers gebeurde niet door de lidmaten van de kerkelijke gemeente, maar deze was voorbehouden aan de zittende kerkeraadsleden en zij zorgden zelf voor hun kandidaten.
Elk kerkeraadslid kon daartoe één naam noemen aan de predikanten en dezen maakten die tijdens de verkiezingsvergadering bekend, waarna er gestemd werd. Langs deze weg kon de kerkeraad zijn eigen signatuur behouden, maar tegelijkertijd een paar figuren gebruiken waarvan men wist dat zij verklaarde tegenstanders van de magistraat waren, zoals Jan Nessink, Andries van Lubek, Hilbrand Tuttel en Hendrik de Boer. Tot de verkiezing kon pas overgegaan worden nadat de rekening van de diaconie door een commissie van de magistraat was goedgekeurd en ondertekend. De gekozenen mochten minstens twee jaar geen zitting gehad hebben in de kerkeraad en twee van de te kiezen ouderlingen kwamen uit de in functie zijnde magistraat. Op die manier was het aandeel van de magistraat duidelijk aanwezig.
     Tussen de stedelijke overheid en de kerk bestond een zeer nauwe band. De overheid betaalde uit de kerkelijke bezittingen, die zij bij de Reformatie in beslag had genomen, allerlei kerkelijke lasten, zoals bijvoorbeeld het tractement van de predikanten, aangevuld met een subsidie van ƒ 300,- Car. guldens per predikant, ter beschikking gesteld door Ridderschap en Steden van Overijssel.
Hierin ligt een andere reden voor het ontstaan van het conflict, namelijk het verlagen van het tractement voor de nieuw te benoemen predikant. uit het eerst genoemde vloeide voort dat de magistraat de eis kon stellen, dat de diaconie jaarlijks tegenover een commissie uit het stadsbestuur verantwoording moest afleggen 4 [4. Berends, Oud-Archief 158]).
Vooral in de periode direkt voorafgaande aan het conflict heeft de kerk regelmatig aangedrongen op maatregelen welke de magistraat zou moeten nemen in verband met de zondagviering (zie art. 1 van het burgerrekwest dd. 1748, bijlage E ). Door het ingrijpen van de stadhouder werd deze kwestie geregeld. Wij kunnen hieruit opmaken dat de kerk haar greep op het openbare leven wenste te handhaven.

|pag. 75|

_______________↑_______________

Ds. Metelerkamp was dan ook een goede leerling van Voetius en Driessen gebleken. Uit dit alles blijkt wel heel duidelijk de grote invloed van de plaatselijke overheid op de gang van zaken in de kerk. Het is daarom ook niet verwonderlijk dat juist door deze nauwe verwevenheid van politieke en kerkelijke zaken de kans op conflicten erg groot was.

     Hoewel het conflict tussen de kerkeraad en de magistraat zich afspeelde in het midden van de achttiende eeuw, de tijd van de opkomende Verlichting, is mij niets gebleken van een interne kerkstrijd in de zin van welke predikant meer of minder beïnvloed zou zijn geweest door moderne ideeën. Hier gold veel meer de vraag:
“Wie heeft er tenslotte het recht om een predikant te benoemen ?”
Daarnaast is het conflict niet los te denken van de strijd tussen de magistraat en de burgers, daar waar het ging om een groot deel van de grieven onder de burgers weg te nemen, een conflict waaruit een deel van de burgers de moed putte om via de kerkeraad de macht in de stad te kunnen overnemen, maar tegelijkertijd een conflict dat tenslotte eindigde in een doodvonnis, mogelijk gemaakt door de slappe en aarzelende houding van stadhouder Willem IV, welke veel te laat, dat wil zeggen nadat de executie van Fledderus reeds had plaatsgevonden, besefte welke krachten er in Steenwijk waren losgebarsten.

     V.3. Burgers en magistraat

     Zoals wij gezien hebben op bladzijde 62 waren naast Fledderus ook de andere burgergecommitteerden in staat van beschuldiging gesteld. Tuttel, Vogelzang en Thomasz waren al gevangen gezet, maar tenslotte door het ingrijpen van ’s Prinsen Commissie in vrijheid gesteld. Samengevat waren zij beschuldigd van het volgende:

  1. het beleggen van een vergadering om een “oproerig geschrift” op te stellen en te laten ondertekenen. (blz. 51-52)
  2. het aannemen van de kwaliteit van gecommitteerde (blz. 52)
  3. het niet verschijnen op de Landdag (blz. 53)
  4. het aanzetten tot het plegen van vernielingen aan diverse huizen (blz. 50-51)
  5. het onder bedreiging van geweld opeisen van de tweede trom (blz. 58)
  6. het plegen van verzet tegen de eenzijdige inkwartiering (blz. 55)


|pag. 76|

_______________↑_______________

     Het doel van het burgerrekwest was om de staat van verval waarin de stad verkeerde en de rechten van de kerk en de burgerij, die beperkt waren, te herstellen. Daartoe waren gecommitteerden aangesteld met de bedoeling om bij de stadhouder redres te vragen nadat zij dit niet van de gemeenslieden en de magistraat hadden kunnen verkrijgen. Maar dit werd wel het hoofdpunt op grond waarvan Fledderus ter dood veroordeeld werd en welk feit ook in de acte van beschuldiging tegen de anderen was ingebracht 5 [5. Houttuyn, Steenwijk beroerd 535]).
Het rekwest werd in alle berichten, rapporten en geschriften als een “oproerig geschrift” betiteld en de gecommitteerden werden afgeschilderd als “perturbateurs van de gemene ruste”, dat wil zeggen als onruststokers. De bedoeling van de magistraat was geweest om die kwalificatie algemeen aanvaard te krijgen, opdat de opstellers en ondertekenaars als rebellen behandeld konden worden. Er is overigens niet door de magistraat onderzocht of de zaak waarover het rekwest gaat goed of verkeerd was, maar alleen of er ondertekend was. Dan kon men gaan procederen tegen de ondertekenaars door middel van boetes of door ze over te leveren aan de beul. Toen het eenmaal tot “oproerig geschrift” was verklaard dacht de magistraat alles gewonnen te hebben.
     Het was onjuist van de magistraat te stellen dat in het burgerrekwest artikelen zouden staan die ten doel hadden om de algehele wijze van bestuur binnen Steenwijk te wijzigen. Er is geen artikel in het rekwest te vinden welke ingaat tegen het regeringsreglement van l675. Het enige daarin zou kunnen zijn de inspectie van de rekeningen der collegiën door burgergecommitteerden, maar dat hield nog geen verandering van bestuur in. Aangezien de inkomsten van de stad verminderden stelde de burgerij een middel voor om verdere achteruitgang van inkomsten te voorkomen, namelijk door middel van toezicht van gedeputeerden uit de bevolking op de administratie der fondsen, zonder inbreuk te maken op het stadsbestuur. Zo werd bijvoorbeeld in 1703 onder de punten welke de burgerij de magistraat toen voorhield in artikel 11 verzocht, “dat ook nu de 12 Gecommitteerden zullen de Stads Rekeningen nevens de Gemeensluiden bijwonen, als zes uit de Oosterkluft en zes uit de Westerkluft, en dat als dan drie uit de Oosterkluft en drie uit de Westerkluft zullen afgaen, en dan weder zes in de plaets kiezen, drie uit de Oosterkluft en drie uit de Westerkluft, en dat deze Verkiezing zal geschieden door de zes afgaende”. Hieruit blijkt dat ook toen al het aanstellen van burgergecommitteerden bij het opnemen en afhoren der rekeningen als een gezond middel werd beschouwd om alles beter te besturen.

|pag. 77|

_______________↑_______________

     Wat de “oproerigheid” aangaat kan men moeilijk iets onwettigs ontdekken omdat men zich immers op grond van de publicatie van de stadhouder van 8 juni 1748 door middel van een request diende te wenden tot de overheid om redres te verkrijgen .. Om zich door middel van een rekwest tot de magistraat te wenden was in Steenwijk niet ongebruikelijk getuige een passage in het Stadrecht, waarin beschreven staat op welke wijze men zich tot de stadsregering diende te wenden inzake redres 6 [6. Ibid hier 544-545]). Zoo de Burgeren of Inwoonders, in ’t geheel of voor een deel, van de Overigheid in gemeene zaken zich bezwaard vinden of gevoelen, zullen hunne Bezwaernissen bij formelijke manieren, schriftelijk voor Schepenen, Raden ende Meenthe remonstreren, om daerin bij alle mogelijke middelen te verzien, en te remedieren naer de gerechtigheid en meeste welvaert; en zoo zij als dan tot hun contentement bij denzelven geen afscheid bekomen, zal men zulks, om alle moeite te schouwen, leggen en de bescheiden tot Decisie van hoger Overigheid: en wes in die strijdige gemeene zaek bij de hooge Overigheit na verhoor zal worden gedecideerd, zal men daer in volgen en nakomen bij de vorige poenen van Seditie”
Met deze “hogere overigheid” werd doorgaans bedoeld de Vergadering van Ridderschap en Steden. Aangezien de magistraat geen vergadering van Raad en Meenthe had belegd, maar het request had behouden tot “zolang zij het geëxamineert hadden en dan weder te zullen uitgeven” (zie blz. 51/52) – hetgeen niet gebeurd is -richtten de gecommitteerden zich tot de stadhouder om redres. Hier viel dus geen oproerigheid in te bespeuren. Bovendien was niemand gedwongen geweest om het rekwest te ondertekenen. Omdat het stuk niet door de gehele menigte aan het stadsbestuur kon worden aangeboden was dat gebeurd door de gecommitteerden. Kennelijk zag de magistraat de gecommitteerden niet voor vol aan, aangezien hij het niet nodig achtte om de gecommitteerden te horen of omdat hij bang was dat de gecommitteerden de leden van de magistraat spoedig zouden ontmaskeren.
Van de zijde der gecommitteerden was in het slot van het rekwest te kennen gegeven dat “indien iemand de regenten ter zake van deze punten enige overlast zou bezorgen, men alles zou doen om de regenten daar tegen te beschermen”. Dat was volgens hen de enige juiste weg om redres te krijgen.
     Een andere beschuldiging van de magistraat was geweest dat het rekwest in een herberg was ondertekend. Dat was gebeurd omdat de burgerij geen andere openbare gelegenheid had waar dit soort zaken kon plaatsvinden. Oorspronkelijk was hier-

|pag. 78|

_______________↑_______________

voor de Kleine Kerk gebruikt, maar de gecommitteerden oordeelden dat dat niet de meest geschikte plaats was voor dergelijke profane zaken, hoewel burgemeester Ram diezelfde Kleine Kerk later gebruikte als exercitieplaats voor zijn Compagnie 7 [7. Ibid hier 555-556]).
Ook bestond er de beschuldiging van de magistraat als zouden de ondertekenaars door de gecommitteerden rijkelijk van drank zijn voorzien. Deze beschuldiging ging volledig mank, omdat iedereen die wat wilde gebruiken dat zelf kon bestellen maar ook zelf moest betalen. Bovendien waren de gecommitteerden ervan beschuldigd het rekwest mede te hebben laten ondertekenen door Joden en Katholieken, een rekwest dat nota bene voor de helft betrekking had op zaken aangaande het bestuur van de kerk ….. De magistraat ging er gemakshalve maar aan voorbij dat de andere helft redres verlangde inzake zaken als politiek bestuur, de belastingen, het opslaggeld en de Dieptol en dat iedereen vrijwillig tekende voor datgene waar hij persoonlijk belang bij had, terwijl burgemeester Ram in zijn Compagnie zelfs Katholieken als officieren had opgenomen.
     Verder was een hoofdpunt van beschuldiging tegen de gecommitteerden ingebracht dat twee van de gecommitteerden op “expresse order” naar Kampen moesten komen om zich te verantwoorden voor Gedeputeerde Staten van Overijssel, alwaar zij niet waren verschenen 8 [8. Ibid hier 567]). Niemand had evenwel die “expresse order” mogen zien. De opdracht was mondeling meegedeeld door gerechtsdienaar J. Santink in opdracht van de magistraat (zie blz. 53).

Maar volgens artikel 9 van het Landrecht zullen “er geen boodschappen of dagleggingen door Gerechtsdienaers mogen gedaen worden dan met Consent van den Richter 9 [9. Ibid hier 568]). Duidelijk was dat de magistraat hier fout zat en dat daar onmogelijk een overtreding in gezien kon worden. Daarom waren de twee gecommitteerden niet naar Kampen gegaan, maar ook omdat er niet zo’n “expresse order” door de Edele Mogenden was afgegeven 10 [10. Ibid hier 568]).

     De magistraat had het zo weten te spelen dat H. Tuttel, zijn beide broers en Andries van Lubek verantwoordelijk waren voor het niet kunnen beroepen van een nieuwe predikant.
Met name H. Tuttel en Andries van Lubek hadden als laatst fungerende diakenen van de kerkeraad niet willen instemmen met het beroepen van een predikant zoals door de magistraat gewenst was en naderhand had doorgezet in strijd met de Conventie van 1650 (zie Bijlage A) en de Resolutie van Ridderschap

|pag. 79|

_______________↑_______________

en Steden van 1704 (zie Bijlage B) en uit dien hoofde ook die van 19 april 1749 (zie blz. 48) Dit is waarschijnlijk bedoeld geweest om een schijn van wettigheid aan het handelen van de magistraat te kunnen geven door het zo voor te stellen alsof de kerkeraad de magistraat een predikant wilde opdringen.
De ervaring had echter al geleerd dat de kerkeraad steeds de belangen van de kerk had verdedigd en hij zou zijn belangen zeker niet laten behartigen door een stel relschoppers om op die manier een predikant te kunnen beroepen. De kerkeraad had immers al voorgesteld om de verkiezing van een predikant te laten verrichten door alle lidmaten. Dat dit gebeurd zou zijn in combinatie met het inslaan van de glazen tussen 9 en 10 juni 1748 (zie blz. 51) is ook niet juist, omdat men op dat moment nog niet zeker was van de bedoelingen van de magistraat omtrent het opgemaakte tweetal. Een voorstel tot een verkiezing door alle lidmaten was pas gedaan op 26 juni, dus zestien dagen later …. Ook klopte het tijdstip van de onrust niet, want volgens de beschuldiging zou dat midden in de nacht hebben plaatsgevonden. Dat was een ongunstig tijdstip aangezien nagenoeg iedereen dan te bed is. Deze beschuldiging kwam in feite voort uit de getuigeverklaring van Jacob Greve, een niet al te fraaie figuur 11 [11. Ibid hier 573]). Deze had verklaard dat het volk “geklopt” moest worden, maar daar zou al gauw zo’n één à twee uren mee heen gegaan zijn. Indien men werkelijk van plan was geweest een oproer te ontketenen had men veel sneller en direkter de kerkdeur kunnen forceren en de klokken kunnen luiden. Voor wat de toeleg betreft had Jacob Greve getuigd om eerst bij Fledderus, dan bij Tuttel, dan bij Jan van Lubek en zo vervolgens bij Ds. Metelerkamp langs te gaan. Dat Fledderus zich bij de dronkemansbende voegde is best te begrijpen (zie blz. 51), gezien zijn positie als pachter van de door het volk zo gehate impost op de brandewijn en gebrande wateren. Als zodanig kon hij so wie so verwachten het eerste slachtoffer te zijn. In Kuinre had hij dat reeds ondervonden. Dat hij hun drank heeft gegeven is begrijpelijk, al was het alleen maar om de oproerkraaiers in de gaten te kunnen houden.

     Volgens de magistraat waren de gecommitteerden schuldig aan het feit dat zij een Oranjecompagnie hadden opgericht.
Met name H. Tuttel zou de opdracht hebben gegeven de trom te

|pag. 80|

_______________↑_______________

roeren. Daarnaast zou men de opdracht hebben gegeven om een biljet te laten rondgaan met de bedoeling manschappen te werven voor de Oranjecompagnie, zonder voorafgaande toestemming van de stadhouder of van de Ed. Mog. Heren Staten van Overijssel. Tegen het verbod van de magistraat in zou men een tweede trom hebben laten roeren (zie blz. 56) en de trom gewapenderhand hebben opgeëist. De gecommitteerden brachten daar tegen in dat zij niet de oprichters van de burgercompagnie waren aangezien zij er altijd al geweest was sinds het stadhouderschap van de Prins over de provincie. Zij werd niet alleen door de magistraat getolereerd maar zij had zelfs de trommel van de magistraat gekregen. De compagnie was bij alle festiviteiten uitgerukt en had de trommel en wapens gebruikt met toestemming van de magistraat. Burgemeester Ram cs. hadden met steun van de magistraat een eigen Compagnie opgericht met de bedoeling tweedracht te zaaien onder de burgerij en aldus de gecommitteerden van rebellie te kunnen betichten. De beschuldiging dat de benoeming van burgercompagnieën door de stadhouder geapprobeerd diende te worden klopte niet, omdat de Compagnie niet diende om oorlogstaken te vervullen in dienst van de stadhouder. Het enige doel was bij voorkomende gelegenheden hulde te betonen aan het Huis van Oranje en daar schuilt op zich geen kwade bedoeling in.
In de beschuldiging stond onder meer dat een aantal gecommitteerden de trom gewapenderhand had opgeëist. De magistraat sprak in dit verband van pieken, maar in werkelijkheid waren dat rottingen geweest, die uitsluitend bedoeld waren om ermee te kunnen paraderen en zeker niet om er geweld mee uit te oefenen.
Wat het opeisen van de trom aangaat (zie blz. 58) moeten we opmerken dat deze trom niet meer in goede staat was en door een paar schutters de opdracht was verstrekt om die trom te laten repareren. Deze schutters hadden zelf de kosten ervan à raison van ƒ 8,- voorgeschoten. Deze kosten had men geprobeerd te verhalen op de magistraat (zie blz. 58). Na de weigering van de magistraat eisten de gecommitteerden, waaronder H.C. Fledderus, de ƒ 8,- op of teruggave van de trom. De gecommitteerden maakten duidelijk dat zij tevreden waren indien het geld werd teruggegeven, de trom hoefden zij niet terug.
De beschuldiging van president-burgemeester Kroeven als zou hij hierbij gemolesteerd zijn was niet in overeenstemming met de waarheid en blijkt ook uit het feit dat de dienstbode van Kroeven de verlangde ƒ 8,- ’s avonds aan de gecommitteerden was

|pag. 81|

_______________↑_______________

komen overhandigen in de herberg van Peter Wyben, hoewel de gecommitteerden opgemerkt hadden dat de ƒ 8,- niet aan hen toekwam maar aan de schutters, die het geld hadden voorgeschoten.

     V4. De rol van de beide Compagnieën in het conflict.

     Sinds de middeleeuwen waren de schutterscompagnieën verenigingen van in de wapenhandel geoefende burgers ter verdediging van de stedelijke onafhankelijkheid. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw waren zij geworden töt burgerlijke groeperingen die bestonden uit regenten of regentenvrienden. Regenten zowel als regentenvrienden wilden wel officieren van een schuttersvendel zijn, maar ze kochten zich van de gewone dienst vrij door het stellen van een remplaçant. Deze schutterijen waren ooit de gewapende burgerij geweest, maar in de loop der tijd geworden tot een burgerwacht die gesteld was onder officieren door de magistraat aangewezen en onder bevel stond van de burgemeesters. Zo konden ze ingezet worden tegen volksoproeren als een machtsinstrument van de regenten. In 1747-1748 moesten ze weer een orgaan van de burgerij worden. Ofschoon deze eis niet werd ingewilligd, wees het feit dat men een burgercompagnie had opgericht ter ondersteuning van de wensen der burgers, in de richting van een moderne volksbeweging. Gevaar voor de positie der oligarchie kon alleen van de burgerij uitgaan, dat wil zeggen van de brede middenstand tussen de regentenfamilies en de massa. Die stand bezat nog een organisatie welke misschien voor politieke ontwikkeling vatbaar was, de burgerwacht. Die schuttersvendels waren de enige macht waarmee in de steden de orde bewaard kon worden. Volgens Geyl deden zij ook in de jaren 1747-1748 hun plicht en kwam het schieten van burgers op burgers zelden voor 21).
     In Steenwijk gaven de gecommitteerden aan de Prinselijke Commissie te kennen dat het beslist niet hun bedoeling was geweest om onrust dan wel een oproer te veroorzaken, maar dat de oprichting van de Oranje-Vrij-Compagnie slechts bedoeld was om blijk te geven van haar aanhankelijkheid aan het oranjehuis. De magistraat, jaloers als hij was, richtte daarop een eigen Compagnie op als tegenwicht, maar had daarmee tevens de bedoeling de Oranje-Vrij-Compagnie uit te schakelen. Zoals reeds vermeld richtte Ram een eigen Compagnie plus een burgerwacht op. Deze pretendeerden de gehele burgerij te vertegenwoordigen. Haar rol komt tot uitdrukking tijdens de aanslag op H.C. Fledderus, het oprukken van een commando tot voor de stadspoort, het onderzoeken van het schip van Jan Thomasz, het paraderen tijdens de publicatie van de goedkeuring van de

|pag. 82|

_______________↑_______________

magistraatsverkiezing, het aanwezig zijn bij de executie van Fledderus en de activiteiten op de dag van de Vrede van Aken. Dit laatste was vooral bedoeld om aanhang onder de burgerij te verwerven 12 [12. Houttuyn, Steenwijk beroerd 248]).
Opmerkelijk is dat Ram cs. stelden dat 1e. de ondertekening van het rekwest tot oprichting van Rams Compagnie vrijwillig zou zijn geschied en uit eigen beweging, ervan uitgaande dat degenen die het burgerrekwest van Fledderus cs. hadden ondertekend, dat onbezonnen gedaan hadden en daartoe verleid waren onder valse voorwendsels en veel drank, 2e. Rams Compagnie zou het grootste deel van de burgerij vertegenwoordigen (de aanzienlijksten en vermogendsten, als in fatsoen als in stand). De ondertekenaars van het burgerrekwest zouden bestaan uit een samenraapsel van het slechtste soort mensen, namelijk Roomsgezinden, Joden enz. Velen konden niet eens hun naam schrijven …… Deze beschuldiging van de zijde van Rams Compagnie wijst o.a. op een anti-Katholieke houding en kan te maken hebben met de inval van het Katholieke Frankrijk in 1747 – 1748.
     De gecommitteerden hadden dit geschrift ter oprichting van Rams Compagnie nooit gezien. Aangezien dit vaak als instrument tegen hen gebruikt werd eisten zij het voor de verdediging van hun zaak nodig te weten wie dan wel die voorname lieden waren, die hun steun aan de magistraat hadden gegeven. Het bleek dat:

  1. dit rekwest door secretaris Ten Broeke was opgesteld en dus van de magistraat afkomstig was,
  2. dat Ram bij de meeste burgers zijn sergeanten en korporaals, zelfs de gerichtsbode had rondgezonden om te zijnen huize te komen tekenen,
  3. dat daar enige lieden klaar zaten om iedereen aan te sporen dienst te nemen onder hopman Ram, onder voorwendsel dat dat slechts voor één dag, namelijk de algemene vreugdedag ter viering van de Vrede van Aken, zou zijn. Dat zij niet konden exerceren, voor vrouw en kinderen de kost moesten verdienen enzovoorts werd niet als een bezwaar gevonden, als zij hun handtekening maar zetten. Van een vrijwillig en uit eigen vrije wil ondertekenen was dus geen sprake.
  4. dat Ram een groot gedeelte wier namen onder het rekwest stonden op een leeg vel papier had laten tekenen.

     Omdat er gezegd werd dat de ondertekenaars van Rams Compagnie de vermogendste en meest aanzienlijken waren, hadden de burgergecommitteerden een lijst gemaakt van alle burgers en ingezetenen, die het burgerrekwest niet hadden ondertekend, maar de kant van de magistraat hadden gekozen en deze in vijf rangen verdeeld.

|pag. 83|

_______________↑_______________

     Deze rangorde luidde als volgt:

  1. de gemeenslieden
  2. de naastbestaande vrienden van burgemeesters en gemeenslieden
  3. de stadsofficianten, leveranciers en werklieden
  4. de Katholieken, waarop zo’n kritiek was geleverd door de magistraat
  5. degenen die niet tot de bovengenoemde behoorden en verdeeld werden in vermogenden en onvermogenden, waarbij de eerstgenoemde weer verdeeld werden in geïnteresseerden (= partijdigen) en onpartijdiger.

Nadat dit alles was opgemaakt bleek dat van de gehele bevolking slechts twaalf tot die laatste groep behoorden. Aldus klopte het niet dat er sprake kon zijn van een vrijwillig certificaat van de vermogendste en fatsoenlijkste lieden uit de burgerij

  1. werd er opgemerkt dat de ondertekenaars waren voorgesteld als familiehoofden, maar in werkelijkheid bleek, zoals de gecommitteerden aantoonden, dat uit één huisgezin meerdere personen hadden ondertekend.
  2. dat er dus een hele reeks kinderen beneden de zestien jaar hadden ondertekend.
  3. dat er vele arbeiders en dagloners onder hen waren.
  4. dat de knechten der regenten en leerjongens bij gemeenslieden en elders woonden.
  5. dat onvermogende ingezetenen geen burgers waren, inclusief afgedankte en gedeserteerde soldaten.
  6. dat velen hun naam niet konden schrijven.
    De gecommitteerden hadden van diegenen een lijst gevormd en het bleek dat anderen hun namen hadden opgeschreven en zij zelf slechts een kruisje hadden gezet.
    Toen de gecommitteerden de Commissie van de Prins hiervan op de hoogte stelden, oordeelde deze dat de beide Compagnieën ontbonden moesten worden omdat zij anders broeinesten van onenigheden en partijschappen zouden blijven. Dit gebeurde door middel van een publicatie op 25 november 1749 13 [13. Ibid hier 719-720]).

     Een onpartijdige magistraat had er beter aangedaan, toen hij bespeurde dat er onder de burgerij de behoefte bestond om bij speciale gelegenheden onder de wapenen te komen, als vanouds de stad in twee wijken te verdelen en daarover kapiteins en officieren, deels uit de gecommitteerden en deels uit de magistraat aan te stellen en te gelasten dat iedereen zich in zijn wijk moest laten regis-

|pag. 84|

_______________↑_______________

treren om zonodig tot de burgerwacht opgeroepen te kunnen worden.
Bovendien had hij de officieren kunnen bevelen dat niemand op een bijeenkomst van de wacht of Compagnie over burgerlijke geschillen mocht spreken op straffe van een boete. Op die manier hadden wellicht de zaken beter in de hand gehouden kunnen worden.

     V.5. De kwestie van de inkwartiering.

     Met name G. Vogelzang, een der gecommitteerden, was ervan beschuldigd de aanstichter te zijn geweest van de weigering tot inkwartiering. De magistraat was hierbij wel heel partijdig te werk gegaan (zie blz. 55). De inkwartiering was alleen bedoeld bij degenen die het burgerrekwest hadden ondertekend. Voor dat doel had de magistraat een lijst opgesteld waarop alleen de namen van de ondertekenaars van het burgerrekwest voorkwamen (zie bijlage K).
Niet alleen de partijdigheid van de magistraat heeft deze weigering tot inkwartiering veroorzaakt, maar ook het feit dat de burgerij lange tijd moest wachten op haar kwartiergelden. De gecommitteerde Vogelzang hitste de burgerij zeker niet op, maar spoorde daarentegen met een bajonet op zijn borst de burgerij juist aan zich rustig te houden uit angst voor erger. De gecommitteerden waren van mening dat inkwartiering diende te geschieden naar ouder gewoonte en zonder partijdigheid en daar schuilt uiteraard geen misdaad in.

     V.6. Slotbeschouwing.

     Toen in 1702 stadhouder Willem III was overleden besloot een aantal gewesten geen nieuwe stadhouder te benoemen.
In de periode 1702 – 1747 was er geen sprake van politieke Oranje-bewegingen. Maar in 1747 – 1748 des te meer. De situatie leek op die van 1672, toen de Republiek eveneens door Frankrijk werd bedreigd. In sommige plaatsen vonden betogingen plaats voor een stadhouder. Hoewel in vele steden de benoeming van Willem IV met veel feestvertoon was gevierd, was een dergelijk feest in Steenwijk achterwege gebleven. Daar liet de magistraat zelfs de doodklok luiden bij het vernemen van de geboorte van de latere stadhouder Willem V. Kennelijk voelde de magistraat zich sterk. In Steenwijk probeerde een deel van de burgerij duidelijk te streven naar grotere invloed van de burgerij op de stadsregering. De gebeurtenissen in 1748 en 1749 echter deed velen in de stad beseffen dat een volledige omme-

|pag. 85|

_______________↑_______________

keer in de macht binnen de stad tot de mogelijkheden was gaan behoren. Hier probeerde de onderliggende factie, aangevoerd door de burgergecommitteerden, aan de macht te komen en zij slaagde in haar opzet door tussenkomst van de stadhouder die na een gehouden onderzoek in de stad een politiek reglement had uitgevaardigd op 12 november 1749.
     De trouwste aanhangers van de Oranjes treffen we aan onder de calvinisten die in het herstel van de stadhouder weer mogelijkheden zagen om met zijn hulp veranderingen aan te brengen in de naar wat zij noemden verderfelijke toestand waarin de Republiek verkeerde. Daarin moeten wij mede het verzet zien te vinden van de zijde der kerkeraad van Steenwijk tegen de handelwijze van de magistraat in de kwestie van de benoeming van een tweede predikant. Volgens Geyl zorgden de magistraten in den lande er
voor dat de beide calvinistische richtingen (Voetiaans en Coccejaans) bij predikantsbenoemingen tot hun recht kwamen 14 [14. Geyl, Geschiedenis van de Nederlandse Stam IV, 1044]).
Volgens hem deden zij dat ter geruststelling van de ijverig gereformeerde kleine burgerij, want het meest wezenlijke van het verschil was nu zijn maatschappelijk betekenis geworden: de Voetiaanse predikanten kwamen voort uit en behoorden bij de kleine luiden, hun Coccejaanse ambtsbroeders streefden ernaar de meer ontwikkelden te behagen; de eersten, stipt op de zondagsheiliging, leefden streng en sober, de anderen meden de gezelligheid niet en kleedden zich naar de mode. Deze voorstelling van zaken door Geyl gaat voor wat Steenwijk betreft slechts ten dele op aangezien hier de problemen zich meer toespitsten op het benoemingsrecht van de predikanten.
     De moeilijkheden in Steenwijk kunnen niet los gezien worden van de reactie van de zijde der magistraat. Deelnemers aan redresbewegingen wilden immers het handelen van de overheid beinvloeden. De vraag is of de gecommitteerden zich baseerden op “oude rechten” Inderdaad was dat in Steenwijk het geval. Een eerste blik in het burgerrekwest leert ons dat: “sedert eenige jaren herwaert eenige inconvenienten zijn ingeslopen in de bestieringe van de Stad, het Capittel, de Memorie, als andersins, waer omtrent wel redres van nooden ware ” Gedurende de jaren van het conflict ijverden de gecommitteerden voor het herstel van de oude rechten, maar tegelijkertijd probeerde men via de machtswisseling en de herstelde rechten meer welvaart te bereiken. Wellicht kon de stadhouder dit herstel van oude rechten bewerkstelligen maar was de werkelijke oranje-gezindheid minder groot.

|pag. 86|

_______________↑_______________

     Een reactie van de kant van de magistraat kon niet uitblijven, omdat in een kritieke situatie de overheid vaak gedwongen wordt toe te geven aan de eisen. Naast de direkt inzetbare middelen ter handhaving van de orde – gerechtsdienaren, schout, garnizoenstroepen – bestond er oorspronkelijk de schutterij.
De officiersplaatsen werden bekleed door regenten, terwijl de burgemeesters de hoogste autoriteit vormden. In reactie op het spontane ontstaan van de Oranje-Vrij-Compagnie stichtte Ram zijn Compagnie. Oorspronkelijk werd de schutterij gevormd uit de middenklasse vaak ook moest men zijn eigen uitrusting zelf betalen. Door de achteruitgang in welvaart waren velen daartoe niet meer in staat en was de schutterij tot een naam beperkt gebleven. Ram schermde met:
“voornaemste burgers” en dergelijke, maar rekruteerde zijn manschappen o.a. uit de laagste volksklassen. De komst van de soldaten ter handhaving van de orde riep bij de burgerij een afwijzende reactie op. Velen weigerden de soldaten te laten inkwartieren. Men wist dan ook niet wat voor klanten men binnen de muren kreeg. De berechting van overtreders van de wet vond plaats door de drost van Vollenhove en de magistraat van Steenwijk. Praktisch handelde men snel zonder een diepgaand onderzoek in te stellen. Een snelle berechting in het onderhavige conflict, waarbij Fledderus’ terchtstelling als een “afschrikwekkend exempel” werd voorgesteld, gold kennelijk als een axioma.
De vraag waarom de magistraat hierbij zo’n haast had kan wellicht afgeleid worden uit het onderzoek naar de achtergronden van het conflict.

     Ook in Steenwijk vormden de regenten een politieke elite binnen de hogere burgerij. Tot de grotere middenklasse behoorden de winkeliers, de ambachtslieden en de schippers. De lagere klasse werd gevormd door het dienstpersoneel, arbeiders en soldaten. Tenslotte waren er nog de ongeschoolde arbeiders die steeds moeilijker van de armen te onderscheiden waren. Over het algemeen zijn de motieven voor de moeilijkheden in het jaar 1747-1748 af te leiden uit het doelwit dat door de relschoppers was uitgekozen, bijvoorbeeld een belastingpachter. Bovendien lagen godsdienstoproeren en belastingoproeren dicht bij elkaar, doch Steenwijk vormt daarop een uitzondering. Van voedsel of belastingoproer was in Steenwijk nauwelijks sprake. Hier was er sprake van een godsdienstig en een politiek

|pag. 87|

_______________↑_______________

oproer, hoewel belastingproblemen er wel de eerste aanzet toe vormden, gelet op de aanslag op Fledderus’ opslag in Kuinre.
De deelnemers richtten zich vooral tegen degenen met wie ze rechtstreeks te maken hadden, te weten de belastingpachters, de collecteurs en hun personeel. In Steenwijk was het evenwel een belastingpachter die zich aan het hoofd stelde van de beweging.
Het is niet direkt uitgesloten dat deze dat deed uit zelfbehoud.
Volgens C.H.E. de Wit is achter elk oproer leiding van bovenaf te herkennen. Hij noemt dit de “complottheorie”16). De deelnemers zouden slechts hand- en spandiensten verrichten aan diegenen die via volksbewegingen door tussenfiguren uit de lagere klassen gerekruteerd worden: bier was meestal voldoende om deze amorele paupers in actie te brengen. Ook in Steenwijk leek het daar verdacht veel op, getuige de beschuldiging van de zijde der magistraat dat “men werd uitgenodigd op een half vat bier” bij de plaatselijke herbergier. Ook kon men dan de Oranje-Compagnie gebruiken voor het zogenaamde eerbetoon. Roorda wees er al op dat we vaak aangewezen zijn op de onthullingen van de tegenstanders.15 [15. Roorda, Partij en factie 9]). Ook in Steenwijk lijkt dat op te gaan, getuige de gebeurtenissen op de avond van 9 juni 1748 toen volgens de magistraat in opdracht van de gecommitteerden de ruiten ingeslagen dienden te worden bij sommige huizen en de beschuldiging dat Fledderus porselein voor de ramen had laten plaatsen om dat vervolgens kapot te laten gooien. Overigens valt de complottheorie moeilijk te bewijzen aangezien naar mijn gevoelen het er wel wat al te dik bovenop ligt. De facties in Steenwijk streden vooral om de macht ter plaatse. De inzet was vaak de begeving der ambten. Een aantal lieden was in afwachting van bepaalde ambten of een leverantie.
Zonder bescherming door hun machtige relaties zou dat vergeefs zijn. Een aantal liet zich gebruiken om in tijden van crisis contacten tussen de burgerij en de regenten te leggen. Onder de burgers leefde een oerconservatief verlangen naar redres, dat wil zeggen herstel van het oude. Waren de hoogste ambten voor de middenstand onbereikbaar, voor de lagere ambten gold dat niet. In Steenwijk konden de regenten vele ambten vergeven en daarmee konden zij een grote aanhang vormen onder de gewone man. Volgens Geyl waren in Gelderland en Overijssel de gemeenslieden al half op weg om zelf een nieuwe oligarchie te gaan vormen 18). De gilden, de schutterijen, de wijkvergaderingen waar de hervormers naar omzagen, waren alle kleinburgerlijke groeperingen: regentenvrienden wilden

|pag. 88|

_______________↑_______________

bijvoorbeeld wel officier van een schuttersvendel zijn. In Steenwijk zien wij een ander beeld bij de oprichting van de Oranje-Vrij-Compagnie. Wanneer wij ervan uit gaan dat de magistraat het niet apprecieerde dat anderen in zijn keuken keken valt het wellicht te verklaren waarom de magistraat snel probeerde te handelen, bang als hij was dat er teveel bekend zou worden ten aanzien van zijn activiteiten. In dit licht bezien is het des te interessanter de rol van H.C. Fledderus te bekijken. Fledderus was gehuwd met Wyts ten Wolde, eerder weduwe van Joan Zeger Ram. Het ligt daardoor voor de hand dat met name Fledderus via zijn vrouw op de hoogte was van de minder fraaie praktijken van de magistraat van Steenwijk. Daarom is het aannemelijk te veronderstellen dat vooral burgemeester Ram de felste tegenstander van Fledderus werd toen die de kwaliteit van gecommitteerde aannam. Lagen er misschien familieruzies aan ten grondslag? Ter illustratie: het stiefdochtertje van Fledderus heette …. Hendrina Ram. Het lijkt er sterk op dat de magistraat er alles aan gelegen is geweest deze zo belangrijke getuige zo snel mogelijk uit te schakelen, maar daarmee bereikte de magistraat tegelijkertijd dat diezelfde Fledderus een martelaarsfiguur werd.

     Zoals wij gezien hebben waren er in Steenwijk gedurende de periode 1704-1745 nauwelijks grote problemen. Maar in 1745 deden zich dermate grote moeilijkheden voor, die hoewel ze begonnen waren met een kerkelijk conflict sterk deden denken aan de conflicten binnen Steenwijk gedurende de Plooierijen (1703-1704). Evenals in 1745 was ook de benoeming van een nieuwe predikant in 1703 de aanleiding geweest tot felle tegenstellingen, welke niet alleen de kerkeraad en de magistraat tegenover elkaar brachten, maar ook grote delen van de burgerij. In 1704 werd het conflict nog bijgelegd door middel van een conventie, doch in 1745 bestreden de magistraat en de kerkeraad eikaars rechten inzake de benoemingsprocedure voor een nieuwe predikant. Evenals in 1703 koos in 1745 een deel van de burgerij voor de magistraat en een ander deel voor de kerkeraad. Doch in de periode 1745 – 1748 werden de moeilijkheden omvangrijker omdat een deel van de burgerij zich niet alleen achter de kerkeraad schaarde inzake het benoemingsrecht van een nieuwe predikant, maar ook met een burgerrekwest kwam waarin de praktijken van de magistraat werden gehekeld. Opvallend is niet alleen de grote gelijkenis van dit burgerrekwest met de

|pag. 89|

_______________↑_______________

“brieven van beswaer” van 1703, maar ook de grote gelijkenis van de familienamen welke onder beide stukken worden aangetroffen. Daaruit kunnen wij de conclusie trekken dat de ondertekenaars van het burger rekwest van 1748 in verband zijn te brengen met de Nieuwe Plooiers van 1703. Alles duidt erop dat net als in 1703 ook in 1745-1748 de onderliggende factie van de moeilijke omstandigheden waarin men was komen te verkeren gebruik probeerde te maken door een poging te ondernemen zich van de macht meester te maken. Het grote verschil is echter dat daar waar men in 1703 probeerde de bakens te verzetten bij afwezigheid van de stadhouder, men zich juist in 1748 richtte tot de pas herstelde stadhouder Willem IV. Via de stadhouder verwachtte men de zittende magistraat aan de kant te kunnen zetten, in welke opzet zij na vele moeilijkheden volkomen slaagde na het persoonlijke ingrijpen van de stadhouder. Doch hierin liggen reeds de kiemen besloten voor de latere gebeurtenissen tijdens de jaren 1780-1787. Na 1750 had de Oranjepartij de politieke macht overgenomen van de factie die gedurende tientallen jaren de politieke macht had uitgeoefend, maar die grotendeels door de gebeurtenissen in 1750-1751 uit de stad was vertrokken of zich terzijde had moeten opstellen. Aan regeringshervorming in democratische zin werd echter nauwelijks gedacht. Hoogstens was de herinnering aan de oude privileges opgewekt, waarvan men zich had voorgesteld dat zij de rechten van de burgerij tegenover de nieuwe magistraat waarborgde. In die zin verviel de Oranjegezinde factie in dezelfde fouten als de factie van vóór 1751, namelijk bevoorrechting van de eigen factie. De nieuwe stadhouder Willem V zou de gevolgen daarvan spoedig ondervinden. De regeringsreglementen vormden de basis van zijn macht, maar diens sukkelachtige houding deed bij velen de hoop op ingrijpende verbeteringen vervagen. Toen het verzet tegen de stadhouder tijdens de Patriottenbeweging zich manifesteerde bleek de onderliggende factie in Steenwijk nog wel in staat om een deel van de burgerij in actie te brengen tegen de Oranjegezinde magistraat, maar omdat de Patriottenbeweging in Steenwijk uitermate zwak was leverde dat voor de oude factie niets op.
Uit het voorafgaande moge duidelijk blijken dat er duidelijke lijnen zijn te trekken vanaf de Plooierijen in 1703-1704 toen de onderliggende factie niet in haar opzet slaagde de macht over te ne-

|pag. 90|

_______________↑_______________

men, maar wel toegang kreeg tot de ambten. In de periode 1745-1750 slaagde de onderliggende factie erin de macht volledig over te nemen en werden de zittende magistraat en haar clientèle eruit gewerkt. Tenslotte was het de beurt van de afgezette factie in 1750 om tijdens de Patriottenbeweging het verloren terrein te herwinnen, een poging waarin zij niet slaagde.

|pag. 91|

_______________↑_______________

 
– Spreen, H. (1988). Kerkelijke en burgerlijke bewegingen in Steenwijk 1745-1750. (Scriptie M.O.). Geschiedenis, Noordelijke Leergangen, Zwolle.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.