Hoofdstuk 4 De Nieuwkomers 1893-1910

_______________↓_______________


|pag. 90|

Hoofdstuk 4 De Nieuwkomers 1893-1910

Daar wij … herhaaldelijk stuiten op bezwaren voortvloeiende uit de wijze van exploitatie van Uwe woningen, wenschen wij U daarom erop te wijzen dat U telkens aan vreemde menschen van elders Uwe woningen hebt verhuurd, die korten tijd hier gewoond hebbende bij een armbestuur aanklopten, menschen die zich hier niet zoo gemakkeliijk hadden kunnen vestigen hadt U ze juist niet in Uwe woningen ingelaten.
uit: Brief der gezamelijke armbesturen aan het bestuur
der Enschedesche Bouwvereniging, 16 nov. 1894.

Wat de opeenhoping van volk betreft, kan de Krim eene ramp voor Enschede worden genoemd; alles komt daar samen. Nu zegt de Burgemeester, dat men geen last heeft met andere eigenaren van arbeiderswoningen en dit geloof ik best; die hebben de woningen ook niet bij elkaar staan, maar hier en daar een paar; dat is de reden. Slechten zijn er altijd onder en millionairs komen niet om de Krimwoningen te huren.
T.P. Scholten, gemeenteraadslid en ex-kommissaris der Enschedese
Bouwvereniging, gemeenteraadszitting 4 apr. 1895.

Twee impressies van de Krim in de jaren negentig van de vorige eeuw: een vestigingsplaats voor armlastige vreemdelingen en een vergaarplaats voor allerhande slag volk. De tijden zijn veranderd en de Krim veranderde mee.
We zullen in dit hoofdstuk nagaan in welke opzichten.

_______________↓_______________


|pag. 91|

4.1. ENSCHEDE IN DE GROEI.

De jaren rond de eeuwwisseling werden gekenmerkt door een snelle groei van de Enschedese bevolking. Tussen 1890 en 1910 verdubbelde het aantal mensen. Voor 1900 was dat voornamelijk het gevolg van de toestroom van migranten, met name tussen 1895 en 1900 was er een groot vestigingsoverschot. Na 1900 werd dat weer minder en bepaalde het geboorteoverschot grotendeels de toename van de bevolking. Dat wil echter niet zeggen dat er zich nauwelijks meer nieuwe mensen in Enschede vestigden. Hun aantal bedroeg zelfs jaarlijks 2200 à 2700 mensen. Ieder jaar vertrokken er echter ook weer veel, zodat er sprake was van een grote doorstroom.(1 [1. Gemeenteverslagen.])

Tabel 1: Bevolkingsgroei 1890-1910. (bron: gemeenteverslagen)
 

1890 1885 1900 1905 1910
bevolkingscijfer 15615 19196 25707 30587 34992
groei in % van 1890 22.9 64.6 95.9 124.1
geboorteoverschot % 51 39 63 70
vestigingsoverschot % 49 61 37 30

 
De migratie vormde een in het oog lopend verschijnsel in deze jaren. De kranten maakten er af en toe melding van zoals in 1898:

     “De trek van vreemdelingen naar deze gemeente neemt met de dag toe.
Het schijnt dat men in andere provincieën van oordeel is dat het werk hier maar voor het vragen is. Velen zien zich echter bij hun komst alhier daarin teleurgesteld; het gebeurt dagelijks dat de politie werkzoekende arbeiders onderdak moet brengen en van reisgeld voorzien teneinde hen in de gelegenheid te stellen naar hunne woonplaats terug te keren
”.(2 [2. Tubantia 21 juni 1898.])

Blijkbaar was de toeloop dus groter dan het aantal arbeidsplaatsen. Toch maakte ook de industrie in deze jaren een grote groei door. De toename van de produktie-kapaciteit in weverijen en spinnerijen maakt dat duidelijk (zie tabel 2). De groei vond voornamelijk plaats tussen 1897 en 1907. Uit de tabel blijkt ook het verschil in groeitempo met de jaren ’70.

_______________↓_______________


|pag. 92|

Tabel 2: Toename van weefgetouwen en spindels in Enschede 1873-1907. (bron: verslagen van de Kamer van Koophandel)
 

periode weefgetouwen spindels
abs. % abs. %
1873-1882 90 2.7 422 2.6
1882-1894 163 3.9 3034 4.6
1894-1897 111 1.8 5419 4.9
1897-1902 298 4.6 21662 17.3
1902-1907 567 7.1 10922 4.7

 
Een minstens zo belangrijke ontwikkeling was de groei van het aantal ‘diverse stoomfabrieken’. In 1894 waren dat er 43, in 1907 maar liefst 85.
In deze kategorie zien we van de textiel-industrie afgeleide bedrijven zoals ververijen, blekerijen, sterkerijen en bedrijven voor de verwerking van katoenafval. Daarnaast zijn er enige machinefabrieken, molens, steenfabrieken, drukkerijen en konfektie-ateliers. Er kwam wat meer variatie in de werkgelegenheid maar de meeste bedrijven bleven toch op de textiel gericht. Vooral bedrijven voor de reiniging en sortering van katoenafval waren in de jaren ’90 in opkomst. Zij maakten zich meester van een groot deel van de handel in Nederland en bewogen zich ook op de internationale markt. Veel ongeschoolde arbeiders werkten ‘in ’t stof’ bij bedrijven als die van Zilverberg en Stofkooper.(3 [3. Raadsnotulen 20 dec. 1909, p. 296 en K. van K. 1896, p. 4.])
     De bouwnijverheid profiteerde aanvankelijk ook van groei van bevolking en industrie. Tussen 1887 en 1897 werden er jaarlijks gemiddeld 125 huizen gebouwd. In 1900 werden er maar liefst 353 vergunningen voor woningen aangevraagd en in 1901 waren het er 305.(4 [4. K. van K. 1897 en 1901.]) Daarna ging het echter slecht in de bouw en heerste er onder de bouwvakkers werkloosheid, met name in de wintermaanden. De situatie was zo ernstig dat de Kamer van Arbeid voor de Bouwbedrijven in 1904 voorstelde om een gemeentelijke arbeidsbeurs in te stellen. Daardoor zou het werk beter verdeeld kunnen worden en zou de komst van nog meer bouwvakkers tegengegaan kunnen worden. Voordat ze

_______________↓_______________


|pag. 93|

zich in Enschede zouden vestigen zouden ze eerst kunnen informeren of er werk was. Ook werden er maatregelen voorgesteld om overwerk tegen te gaan. Door de korte opleveringstermijnen moest er ofwel overgewerkt worden of er moesten tijdelijk meer arbeidskrachten aangenomen worden, die dan als het werk klaar was weer werkloos werden. Ook het onderaannemen door timmerlieden en metselaars stond een goede verdeling van het beschikbare werk in de weg, zij werkten soms wel 80 à 90 uur in de week.(5 [5. idem 1904 en 1905.])
     De problemen in de bouw hadden niet alleen gevolgen voor de werkgelegenheid maar ook voor de huisvesting. In deze jaren heerste er woningnood en daardoor was inwoning een veel voorkomend verschijnsel. In de Tubantia van 10 april 1895 lezen we: “Tal van gezinnen wonen bij anderen in tot zelfs op zolder onder de pannen -en dat tegen den winter”. De bouwvereniging ‘de Volkswoning’ schrijft in haar verslag over 1907:

     “Deze nood steeg voortdurend en er werd reeds in maart geconstateerd dat er 112 woningen waren, waarin twee of meer gezinnen waren gehuisvest, terwijl daarenboven nog 93 gevallen voorkwamen waarbij gehuwde kinderen bij hunne ouders inwoonden”.(6 [6. Verslagen van de ‘Volkswoning’, Gemeenteverslagen 1907 en 1908.])

Uit deze korte impressies van Enschede rond de eeuwwisseling komt het beeld naar voren van een snelgroeiende industriestad. De toename van de bevolking ging gepaard met een toename van de bedrijvigheid, hoewel er niet altijd voor iedereen werk te vinden was. Met name in de bouw heerste na 1900 werkloosheid. Enschede kon ook niet alle nieuwkomers voldoende onderdak bieden en de bevolkingsdruk in deze jaren leidde tot overbevolkingsverschijnselen. Om die reden verlaten ook weer veel mensen de stad.

4.2. HERKOMST VAN DE KRIMBEWONERS.

De groei van Enschede bleef niet zonder gevolgen voor de Krim. De huizen van de E.B. die in 1890 nog in grote getale leegstonden werden geleidelijk aan weer bewoond. In mei 1891 waren alle woningen weer verhuurd, nu voor een groot deel aan huurders die niet uit Enschede of naaste omgeving afkomstig waren.

_______________↓_______________


|pag. 94|

Tabel 3: Herkomst van de gezinshoofden in de Krim in 1893. (bron: bevolkingsregister)
 

geboorteplaats % geboorteplaats %
Enschede 16.8 Friesland 6.9
Lonneker 13 Gelderland 6.9
elders in Twente 19.1 elders in Nederland 9.2
samen 48.9 Duitsland 7.6
N.O.-Overijssel 8.4 samen 30.6
N.W.-Overijssel 6.9
elders in Overijssel 5.3 (N = 131)
samen 20.6

 
Van de gezinshoofden is nog geen 20% uit Enschede afkomstig en meer dan de helft komt niet uit Twente. Zoals we gezien hebben moet in 1893 de grootste migratiestroom nog komen en het zal dan ook geen verwondering wekken dat de verhoudingen in 1910 nog meer in het voordeel van de nieuwkomers uitvallen. Uit Enschede en direkte omgeving is dan nog slechts 35% van de gezinshoofden afkomstig. De rest komt van verder weg, voor een vrij groot deel (29.5%) uit de Kop van Overijssel en Friesland. (zie par. 5.2)
De Krim was in deze jaren dus duidelijk een buurt waar zich veel migranten vestigden. Als we niet alleen de gezinshoofden maar ook de andere Krimbewoners meetellen kunnen we de Krim vergelijken met Enschede.

Tabel 4: Herkomst van de bevolking van Enschede en de Krim. (bron: bevolkingsregister en Blonk, Fabrieken en Menschen)(7 [7. A. Blonk, a.w., p. 106.])
 

Enschede de Krim Enschede
geboorteplaats 1889 % 1893 % 1899%
Enschede 42.4 31.4 43.5
elders in Overijssel 43.8 46.6 36.3
elders in Nederland 9.1 15.3 16.6

 

_______________↓_______________


|pag. 95|

De Krim blijkt dus in deze jaren minder geboren Enschedeërs te herbergen dan de stad in haar geheel. Ook zien we dat het aandeel van de mensen die buiten Overijssel geboren zijn in 1893 in de Krim al bijna even hoog is als in Enschede in 1899. We kunnen hieruit afleiden dat de Krim in deze jaren in nog sterkere mate dan Enschede te maken kreeg met nieuwkomers.
     De mensen die zich in de Krim vestigden waren voor een deel afkomstig uit Noord-Oost overijssel: de streek Avereest en het gebied rond Hardenberg. Voor een belangrijk deel kwamen ze ook uit de Kop van Overijssel en het aangrenzende veengebied van Weststellingwerf. De komst van deze groep hing samen met de ekonomiese achteruitgang van de veenstreken daar. Omdat het op de plaats waar ze vandaan kwamen slecht ging en hen onder andere door predikanten verteld werd dat er in Enschede nieuwe mogelijkheden voor hen lagen trokken ze daar naartoe, Er werd door de Twentse ondernemers niet aktief geworven, zoals later bij de Drentse veenarbeiders het geval was.(8 [8. idem, p. 112.])
     Voor de meeste migranten die in de Krim terechtkwamen was dat ook de eerste woonplaats in Enschede. Dat geldt voor 40 van de 43 van wie ons het jaar van vestiging bekend is. Een groot deel van deze mensen was ook rechtstreeks afkomstig uit de geboorteplaats of de omringende streek, dat geldt voor ongeveer 40%. De overigen woonden eerst ergens anders. Enkelen daarvan kwamen via Lonneker in de Krim te wonen, er waren enkele Friezen en mensen uit de Kop van Overijssel die zich eerst in de buurt van Ommen vestigden om vervolgens de overstap naar Enschede te maken, maar meer dan 40% kwam via Duitsland de Krim binnen.
     In deze tijd gingen veel arbeiders heen en weer over de grens. De trek naar de mijnen in het Ruhr-gebied deed in de Westfaalse katoenindustrie vraag naar arbeiders ontstaan. Aangelokt door het aanbod van een woning door Duitse fabrikanten trokken veel arbeiders de grens over en vestigden zich in Rheine, Epe of Nordhorn. Ook werkten er vele arbeiders in Gronau.(9 [9. idem, p. 113 en 123.])
Ze bleven in Enschede wonen en gingen dagelijks op en neer met de ‘klompentrein’. De arbeiders die het verderop zochten en niet konden vinden keerden soms weer terug naar Enschede of trokken heen en weer tussen de steden aan de Duitse kant van de grens.
     Deze migratiebewegingen blijken uit de geboorteplaatsen van de kinderen van de Krimbewoners. Ongeveer 30 à 40 gezinnen hadden kinderen die op verschillende plaatsen geboren waren en niet in de geboorteplaats van de ou-

_______________↓_______________


|pag. 96|

ders of in Enschede of Lonneker. Uit de bevolkingsregisters blijkt ook af en toe hoe de komst naar Enschede in zijn werk ging. In sommige gevallen ging het gezinshoofd vooruit, soms vergezeld van een deel van het gezin: om alvast woonruimte en werk te zoeken. De rest van het gezin kwam dan ook wat later. In andere gevallen kwam het hele gezin tegelijk. Het kwam ook voor dat er zich later nog familie bij het gezin voegde, ouders, broers en zusters of neven en nichten van de kostwinner of diens vrouw. Ook trokken er wel eens streekgenoten bij de nieuwkomers in als kostganger. Soms huwden deze dan met een dochter des huizes, bleven eerst een tijdje inwonen en verwierven later zelf een woning in de Krim. In hoeverre de Krim voor al deze nieuwe mensen een blijvend thuis werd zullen we nog zien in de paragraaf over het buurtleven.

4.3. BEROEPEN.

De twee faktoren die we in de inleiding van dit hoofdstuk besproken hebben, de toestroom van migranten en de ontwikkeling van de werkgelegenheid, hebben ertoe geleid dat de beroepssamenstelling van de Krim in 1983 anders was dan in 1866. Wat betreft de beroepen van de gezinshoofden zijn er vier opvallende verschillen. Het aantal fabrieksarbeiders is kleiner geworden, er is een toename van het aantal van bouwvakkers en losse arbeiders en er zijn ook meer kooplieden, venters en kramers. (vgl. par. 3.3)
     Het kleiner aantal fabrieksarbeiders lijkt te maken te hebben met het grotere aantal losse arbeiders. Het grote probleem hierbij is dat het gebruikte begrip ‘arbeider’ vertroebelend werkt; het is onduidelijk waar deze arbeiders werkten. De groep bestaat voor bijna de helft uit migranten uit Friesland, de kop van Overijssel en N.O.-Overijssel. Deze aldaar werkloos geworden land- en veenarbeiders lieten zich bij aankomst in Enschede waarschijnlijk inschrijven als arbeider. Waren ze eenmaal een tijdje in Enschede dan veranderde hun beroep. Daardoor staat er vaak in het “overzicht van de bevolking van de Krim en Sebastopol”, waaraan wij de beroeps gegevens hebben ontleed, een andere beroepsaanduiding dan in de bevolkingsregisters. Als we de verschillen tussen deze beide bronnen analyse-

_______________↓_______________


|pag. 97|

Tabel 5 Beroepsbevolking van de Krim in 1893, (bron: bevolkingsregister en ‘overzicht van de Krim en Sebastopol’(10 [10. De telling van de beroepen van gezinshoofden is gebaseerd op een onderzoek dat in 1893 in opdracht van de burgemeester is verricht en vastgelegd in het ‘overzicht van de bevolking van de Krim en Sebastopol’ (archiefnr. 2389). De beroepen van de overige Krimbewoners zijn gebaseerd op de bevolkingsregisters.])
 

Hoofden Totaal
aantal % aantal %
I Middenstand 7 4.9 7 4.1
     a. winkeliers 2 1.4 2 1.2
     b. zelfst. amb.lieden 5 3.5 5 2.9
II Arbeiders 64 44.4 101 58.7
     a. handwerkers 1 0.7 4 2.3
     b. fabrieksarbeiders 32 22.2 61 35.5
     c. bouwvakkers 30 20.8 35 20.3
     d. rest 1 0.7 1 0.6
III Marginalen 52 36.1 64 37.2
     a. zelfstandigen 16 11.1 18 10.5
     1. verk. van arbeid 5 3.5 6 3.5
     2. verk. van goederen 11 7.6 12 7
     b. loonafhankelijken 36 25 46 26.7
IV Zonder 21 14.6

 
ren dan valt op dat ongeveer twee derde van degenen die in de ene bron als arbeider vermeld staan in de andere als grondwerker, opperman, dagloner, kramer of venter staan aangeduid, dus als losse arbeiders in de bouw of als handelaren. Een derde staat als fabrieksarbeider vermeld.
Op grond hiervan lijkt het ons niet te gewaagd om te veronderstellen dat het bij de arbeiders voor het grootste deel om marginalen gaat. Wij vermoeden dat er verschillende in de katoenafval-verwerking de kost verdienden. Aangezien we de losse arbeiders in de bouw niet tot de marginalen gerekend hebben, waar zij eigenlijk wel bij horen gezien de aard van hun beroep, bestaat er daardoor een compensatie in kategorie II voor die arbeiders uit kategorie III die toch in de fabriek werkten. Zo bezien blijft de verhouding tussen beide kategorieën toch redelijk juist. Wel volgt uit deze kanttekeningen dat er waarschijnlijk wat meer fabrieksarbeiders waren dan er staan aangegeven.

_______________↓_______________


|pag. 98|

De toename van de bouwvakkers kan in verband gebracht worden met de toegenomen bouwaktiviteiten in het snelgroeiende Enschede van deze tijd. Ook het grotere aantal kooplieden, venters en kramers kan voor een deel verklaart worden uit de groei van Enschede en de grotere mogelijkheden voor straathandel. (zie ook 5.3) Onder hen bevonden zich vier oude Krimbewoners, die al praktisch vanaf het begin in de Krim woonden. Er was een vrouw die eerst in de fabriek werkte en later het beroep van haar overleden vader overnam die petroleumventer was. Er waren twee joodse kooplieden, een uit Amsterdam afkomstig en de ander uit Warschau.
Tenslotte waren er drie mensen die in het bevolkingsregister als arbeider vermeld staan en in het ‘Overzicht’ als venter of kramer. Voor een groot deel van deze mensen geldt dus dat het ‘handelen’ als het ware ‘in de familie’ zit. Verder vinden we enkele arbeiders die wellicht geen werk konden vinden of het straatleven verkozen boven de arbeiders-discipline in de fabriek.
     Wat de andere marginalen betreft hebben eind jaren ’80 een scharensliep en een kermisreiziger, die als muzikant de kermissen afreisde, hun intrede in de Krim gedaan. Begin jaren ’90 kwamen er in de Frederik-Hendrikstraat twee stoelematters wonen, waarvan de een ook nog muzikant was en later een slaapstee begon in zijn twee afdakswoningen. Tenslotte was er nog een commissionair of pakjesdrager die zich al in 1882 in de Krim gevestigd had.

     De Krim werd in de jaren rond de eeuwwisseling dus meer en meer een buurt van losse arbeiders, waaronder veel nieuwkomers, en scharrelaars.
Toch zullen ook veel Krimbewoners de dagelijkse gang naar de fabriek gemaakt hebben; we doelen hier op de kinderen. Voor 1893 kunnen we geen goed beeld geven van de arbeid van kinderen in de textiel-fabrieken.
Als we de bevolkingsregisters moeten geloven waren er maar 21 fabrieksarbeidsters- en arbeiders die ongehuwd waren en bij hun ouders inwoonden.
In 1910 waren dat er echter weer 157. Dit grote verschil moeten we verklaren uit de onvolledigheid van de gegevens van 1893. We hebben geen reden om aan te nemen dat niet ook de kinderen uit de Krim deel uitmaakten van het groeiend aantal kinderen tussen 12 en 16 jaar dat in deze

_______________↓_______________


|pag. 99|

jaren in de fabrieken werkzaam was. In 1894 bedroeg hun aantal 1081, in 1897 was dat toegenomen tot 1807. (Zie noot 10)
     In 1893 en 1910 treffen we (onder de fabrieksarbeiders) geen kinderen meer aan die jonger zijn dan 12 jaar zoals in 1866. Het wettelijk verbod van kinderarbeid van 1874 heeft dus een einde gemaakt aan deze toestand.
Dat neemt niet weg dat veel kinderen zogauw ze 12 waren door fabrieksarbeid hun bijdrage aan het gezinsinkomen moesten leveren, De meeste ‘kinderen’ treffen we in 1910 echter aan in de kategorie 16 tot 15 jaar.

Tabel 6: Fabrieksarbeid van ongehuwde kinderen. (bron: bevolkingsregister)
 

1910 1866
abs. % abs. %
Mannen 91 58 51 60
12 – 16 jaar 29 18.5 16 18.8
16 – 25 jaar 52 33.1 28 32.9
25 jaar en ouder 10 6.4 7 8.2
Vrouwen 66 42 34 40
12 – 16 jaar 19 12.1 1 8.2
16 – 25 jaar 43 27.4 17 20
25 jaar en ouder 4 2.5 10 11.7

 
De vrouwen die in 1910 betaalde arbeid verrichtten waren bijna allemaal ongehuwd; van de 78 vrouwen waren er 5 gehuwd. In 1893 waren er 2 gehuwde vrouwen die in de fabriek werkten. Verder werd ook door weduwes betaalde arbeid verricht; in 1910 waren het grotendeels koopvrouwen die een handeltje dreven, in 1893 waren er 2 fabrieksarbeidsters en 1 arbeidster. De overige vrouwen werkten in de huishouding, hielpen in de winkel, trokken met man en kinderen langs de straat of leverden op allerlei andere manieren hun bijdrage om de eindjes aan elkaar te knopen.

_______________↓_______________


|pag. 100|

4.4. INKOMENSPOSITIE

De verschuivingen in de beroepssamenstelling van de Krim in de richting van minder stabiele beroepen (bouwvakkers, marginalen) leiden tot de veronderstelling dat veel Krimbewoners in deze tijd onregelmatige inkomsten hadden. In vergelijking met de voorgaande periode, toen er hoofdzakelijk fabrieksarbeiders woonden, zou er dus sprake kunnen zijn van een slechtere inkomenspositie. Omdat enigzins na te kunnen gaan, hebben we de huurachterstand als graadmeter genomen en twee periodes van 9 jaren met elkaar vergeleken: 1872 – 1880 en 1891 – 1899. In beide periodes waren er over het geheel genomen geen abnormale hoge huurachterstanden evenmin als er economiese recessies waren.
     In de eerste periode bedroeg het gemiddelde percentage huurders dat achterstand had 75.5%. Zij hadden een gemiddelde jaarlijkse huurachterstand van ƒ 5,47. In de tweede periode had gemiddeld 51.2% van de huurders achterstand, het gemiddelde bedrag was ƒ 6,16. De vergelijking wordt enigzins bemoeilijkt doordat in de jaren ’90 de huurprijzen niet gelijk waren aan die in de jaren ’70.(11 [11. In de jaren ’70 was de huur 90 cent, in 1891 80c., in 1892 85c., in 1894 90c., in 1897 ƒ 1,- en in 1898 ƒ 1,10. Jaarverslagen E.B.]) Dat neemt niet weg dat we kunnen zeggen dat in de jaren ’70 een gemiddeld hoger percentage huurders een gemiddeld lagere huurachterstand had dan in de jaren ’90.
     Over het geheel genomen was de inkomenspositie van de bewoners in de jaren ’90 niet slechter dan in de jaren ’70, gezien het lagere percentage huurders met achterstand. Dat wordt bevestigd door het feit dat de huurverhogingen in deze jaren volgens de E.B. geen problemen opleverden.(12 [12. Jaarverslag E.B. 1893, 1894.])
Dat het lagere percentage huurders verantwoordelijk was voor een gemiddeld hogere achterstand wijst er echter op dat er in de jaren ’90 meer mensen met grote betalingsmoeilijkheden waren. Dat wordt bevestigd door de bedragen die in de balansboeken van de E.B. als ‘verloren post’ opgegeven staan. Daarin zijn begrepen de niet-betaalde huur van de huurders die zonder op te zeggen ‘stil vertrokken’ en huurders die wegens achterstand uit hun huizen gezet werden. De vooruitbetaalde huur is van deze bedragen afgetrokken. Ook de kosten van gerechtelijke vervolging en waarschuwing spreken duidelijke taal.

_______________↓_______________


|pag. 101|

Tabel 7: Verloren posten, waarschuwings- en vervolgingskosten. (bron: balansboek E.B.)
 

1872 – 1880 1891 – 1899
verloren posten ƒ 167,68 ƒ 1041,27
aantal huurders 9 50
waarschuwings- en
vervolgingskosten
ƒ 17,27 ƒ 1333,40
aantal huurders 34 90

 
     Onder de bewoners van 1883 waren er 14 bij bij wie de huurachterstand zo hoog was opgelopen dat ze in de loop van de jaren ’90 uit hun huizen gezet werden of zich van betaling onttrokken door stil te vertrekken.
 

Daarbij waren : 2 fabrieksarbeiders 1 ventster
1 timmerman 1 kramer
1 huisschilder 5 arbeiders
1 polderwerker en 1 weduwe.
1 zandkruier

 
     Bij een aantal van deze mensen moet de oorzaak gezocht worden in de gezinsgrootte en het afhankelijk zijn van 1 kostwinner. Dat geldt voor 5 van de 14 gezinnen. Voor de overigen kunnen verschillende oorzaken gegolden hebben. Ziekte, tijdelijke werkeloosheid, arbeid waaruit ongeregelde inkomsten verkregen werden (losse arbeiders en scharrelaars) of drankmisbruik konden ertoe leiden dat de huur niet betaald kon worden.
     De timmerman uit ons rijtje schrijft in mei 1895 een brief aan het bestuur waaruit enkele oorzaken van zijn huurachterstand naar voren komen.
Hij schrijft dat hij weliswaar belooft heeft om wekelijks ƒ 3,00 te betalen om zijn achterstand aan te zuiveren maar dat hem dat haast onmogelijk is:

     “dan zou ik zoodoende mij niet met mijne huishouding kunnen redden.
Uedelen moet wel in oogmerk nemen als dat ik nu al weer in geen 8 weken iets heb kunnen verdienen om mijne ziekte. En moet Uedelen wel degelijk in oogmerk nemen als dat ik niemand ergens lastig om ben geweest en ik zoodoende nog meer te betalen heb
.”

_______________↓_______________


|pag. 102|

Als tweede reden noemt hij het alleen moet verdienen en een gezin van 7 personen moet onderhouden, Hij verzoekt daarom te mogen volstaan met het betalen van ƒ 1,50 per week. Hier kan het bestuur niet mee akkoord gaan, zij eiste ƒ 2,50 per week. De timmerman die niet om bedeling vraagt omdat hij “niemand ergens lastig om” wil zijn kan dit niet betalen. Hij wordt met zijn gezin in oktober 1895 op straat gezet.(13 [13. Brief van J.G.M. aan het bestuur, archief E.B., map: “kontakten met huurders t/m 1899”. En notulen bestuursvergadering 7 mei 1895 en 7 okt. ’95.])
     Niet alle huurders verkeerden in een slechte financiële positie. De helft van de bewoners bleek geen huurachterstand te hebben en kon dus enigermate rond komen van het inkomen dat de verschillende gezinsleden inbrachten. Voor een differentiatie van de inkomenspositie zou je rekening moeten houden met drie variabelen, het beroep, de gezinsgrootte en het aantal kostwinners. Dat hebben we niet kunnen doen maar wel was het mogelijk enigzins te differentiëren naar beroepskategorieën op grond van de huurachterstand.

Tabel 8: Huurachterstand 1893 per beroepskategorie. (bron: grootboek E.B.)
 

gemiddeld bedrag aantal geen achterstand
kleine middenstand ƒ 0.85 1 6
fabrieksarbeiders 4.14 16 8
bouwvakkers 7.58 18 6
scharrelaars 4.59 6 10
losse arbeiders 6.75 13 16
zonder beroep 9.08 8 8

 
Mensen zonder beroep, bouwvakkers en losse arbeiders hadden dus de meeste achterstand, allemaal mensen met een instabiele inkomenspositie. Dat het beroep niet alleen bepalend is voor het inkomen blijkt wel uit het feit dat er 16 losse arbeiders geen achterstand hadden.
     De kleine middenstanders verkeerden duidelijk in gunstiger omstandigheden als de vorige Krimbewoners, alleen een kleermaker had een week achterstand. In deze groep vinden we dan ook mensen die aangeslagen werden voor de hoofdelijke omslag, een direkte belasting naar het inkomen. Zij vielen echter wel in de laagste klassen met een belastbaar inkomen van

_______________↓_______________


|pag. 103|

tussen de ƒ 650,– en ƒ 350,–. De bedragen van de aanslag varieerden van ƒ 7,56 tot ƒ 1,63.
De rijkste Krimbewoner was een koopman uit de Oranjestraat die in 1893 een belastbaar inkomen had van ƒ 1200,–. In de kategorie marginalen zitten dus niet alleen arme sloebers maar ook mensen met centen. In 1893 werden echter maar twee kleine kooplieden aangeslagen en in 1900 maar een, een zoon van de koopman uit de Oranjestraat, nu echter voor een inkomen van ƒ 550,–. Ter vergelijking, een spinner verdiende in 1890 zo’n ƒ 650,– en een wever ƒ 425,– per jaar. In 1908 lagen de lonen in de spinnerij en weverij gemiddeld op ƒ 560,– jaarlijks.(14 [14. Hoofdelijke omslag, archiefnr. 1217. Gegevens over de lonen zijn gebaseerd op Blonk, a.w p. 221: weekloon spinner ƒ 12,50 x 52, weekloon wever ƒ 8,15 x 52. Verder A.H. Op ten Noort, Eenige gegevens betreffende omvang en betekenis van Enschede in 1913, p. 54: dagloon gemiddeld 1,80x6x52.])

Illegale ekonomiese aktiviteiten

Sommige Krimbewoners moesten (een geringe) belasting betalen over hun inkomen, anderen konden van hun inkomen nog niet de huur betalen en werden uit hun huizen gezet. Een aantal Krimbewoners nam dan ook middelen te baat om aan de kost te komen die de grenzen overschreden van wat volgens wetten en regels toelaatbaar was.
     Huurders konden op straat gezet worden omdat ze huurachterstand hadden, maar ook nog om een andere reden. Het gaat hier om een verschijnsel dat er juist ten dele de oorzaak van was dat vele huurders geen of nauwelijks achterstand hadden, namelijk het verhuren van het achtervertrek ofwel het houden van kelderbewoners zoals dat toen heette. De bewoners van de Krim maakten op deze wijze gebruik van de woningschaarste om hun inkomen aan te vullen. Wij telden in 1893 17 kostgangers en 4 inwonende gezinnen die geen verwanten van de hoofdbewoners waren, waarvan er 1 door de R.C. Diaconie in de Krim ondergebracht was. De bewoners die een kostganger of een gezin in huis hadden, waren meestal niet meer dan 1 of 2 weken huur ten achter, als ze al een achterstand hadden.
     In 1906 ontvingen 3 huurders uit de Frederik Hendrikstraat een brief waarin de E.B. hen dreigde met ontruiming. Alle 3 hadden zij 2 panden gehuurd en waren daarin een logement begonnen. De E.B. was er door de gezondheidskommissie op attent gemaakt dat in deze, alleen voor woning bestemde huizen een slechte toestand heerste en dat deze slaapsteden opgeheven dienden te worden. Nadat de E.B. dit aan de huurders doorgegeven had

_______________↓_______________


|pag. 104|

met het verzoek de slaapsteden op te heffen of de woning te ontruimen, ontving zij van een der huurders bericht dat hij de logementsgasten wel als kostgangers zou kunnen opgeven en zodoende zijn slaapstee zou kunnen aanhouden. De E.B. ging daar niet op in en de man verliet de woningen om later in de Beltstraat een logement te beginnen. De andere twee werd toegestaan tot mei 1907 te blijven wonen waarna de logementen werden afgeschaft.(15 [15. Notulen Bestuursvergaderingen E.B. 1906 en 1907.])
     Afgezien van deze exploitatie van woningen als logement kwam het ook herhaaldelijk voor dat bewoners het achtervertrek verhuurden, hoewel hen dat bij het huurkontrakt niet was toegestaan. Af en toe ondernam de E.B. hiertegen maatregelen en werd de huur opgezegd als de bewoners de kelderbewoners niet tijdig hadden verwijderd. In sommige gevallen werd aan de kelderbewoners een leegstaande woning aangeboden. De hardnekkigheid van het verschijnsel wijst erop dat het voor de Krimbewoners een belangrijke bron van inkomsten kon vormen, en dat velen van hun gezinsinkomen alléén nauwelijks rond konden komen.
     Een andére vorm van ‘illegale’ ekonomiese aktiviteiten was het houden van een ‘stille tapperij’ in de woning. Verschillende keren wordt er in de Tubantia melding gemaakt van bekeuring wegens verkoop van sterke drank in het klein.(16 [16. Tubantia 25 aug. 1896, 6 okt. 1896, 1 jan 1898 en 31 mei 1898.]) Daaronder waren ook enige Krimbewoners. Nadat een timmerman in 1894 om een vergunning verzocht had en hem die ook was verleend, kwamen er bij de gemeente meer verzoeken binnen. B & W stuurden daarop een brief naar de E.B. met het verzoek om het oprichten van bierbottelarijen in haar woningen te verbieden. Zij gaf daaraan gevolg door de betrokken bewoners van het verbod op de hoogte te stellen. Deze verzochten echter om de verbodsbepaling weer op te heffen omdat zij door de kleine bijverdienste met hun grote huishoudens “beter door de wereld“ konden komen.
Zij wezen erop dat zij nog nooit iets met de politie te maken hadden gehad en dat door het verbod het verbruik van sterke drank niet zou verminderen omdat er in de buurt van de Krim nog genoeg andere tapperijen waren. Het bestuur besloot daarop haar verbod in te trekken en de zaak op zijn beloop te laten.
     De gemeente bleef de tapperijen bestrijden. In 1896 werd de winkelier G. daar de dupe van, hij had geen vergunning en kreeg een bekeuring. Het bestuur kwam dat te weten en er werd voorgesteld om hem uit zijn woning te

_______________↓_______________


|pag. 105|

laten verwijderen. Op verzoek van G. werd uiteindelijk toegestaan dat hij bleef wonen met behoud van zijn bierbottelarij. Hij mocht echter geen sterke drank meer verkopen en het werd ook de overige huurders verboden een slijterij of tapperij te houden. De stille kafeetjes die in de jaren ’90 voor het eerst in de Krim opdoken waren echter niet uit te roeien. Uit de interviews weten we dat ze er in de jaren ’20 ook waren en waarschijnlijk zijn ze nooit verdwenen.(17 [17. Brief aan B & W van het Bestuur der E.B., 12 juni 1895.
Brief van enige huurders aan de E.B., ongedateerd. Verder notulen bestuursvergadering 11 juli 1900 en interview met men. De v.]
)

In de strijd om het bestaan schrokken sommige Krimbewoners er niet voor terug om eens iets te nemen dat een ander toebehoorde. In de kranten van 1896 – 1900 vonden we geen berichten van diefstal in de Krim of door Krimbewoners gepleegd, maar in de jaren 1907 – 1910 vonden we er 13. In 8 van deze gevallen gaat het om diefstallen ten nadele van Krimbewoners, van 2 daarvan staat vast dat ze door andere bewoners gepleegd werden. Van de andere is niet bekend wie de dader was.
     De diefstallen die door Krimbewoners gepleegd werden waren gelegenheidsdiefstallen. Wat is er gemakkelijker dan een winkellade te lichten als er niemand te zien is, zoals enkele kinderen deden? Waarom zou je een portemonnaie laten liggen die uit de zak valt van een vrouw die een andere vrouw in de haren vliegt, als je wel wat extra’s kunt gebruiken. Een handkar huren, deze verkopen en zeggen dat ie is gestolen, is ook een manier om aan geld te komen. Dergelijke diefstallen werden in de Krim gepleegd. Van georganiseerde diefstal was geen sprake. Uit al deze illegale manieren om aan de kost te komen blijkt dat verschillende Krimbewoners al dan niet door nood gedwongen, het niet zo nauw namen met de door de overheid en de bouwvereniging gestelde wetten en regels. Ook blijkt daaruit dat hun inkomenspositie niet zodanig was, dat ze niet eens een extraatje konden gebruiken.
De hardnekkigheid van verschijnselen als kelderbewoning en stille kafeetjes wijst erop dat de bewoners deze inkomstenbronnen niet konden missen.

4.5. EEN BOUWVERENIGING IN DE PROBLEMEN

De jaren waarin Enschede een invasie van migranten te verwerken kreeg gingen niet ongemerkt aan de Enschedesche Bouwvereniging voorbij. Zij werd gekonfronteerd met een groeiend aantal huurders dat niet in staat was de huur geregeld te betalen en reageerde daarop door deze mensen te laten verwij-

_______________↓_______________


|pag. 106|

deren. ze was immers geen filantropiese instelling maar een vereniging die de belangen van de aandeelhouders diende te behartigen. Behalve huurachterstand waren ook slecht gedrag en het verhuren van de kelders aanleidingen om huurders op straat te zetten. De E.B. trachtte hierdoor het niveau van de huurders op peil te houden, zowel financieel als moreel. Dit verhuurbeleid werd echter aanleiding tot een aantal hoogoplopende konflikten met gemeente, armbesturen en huurders. Daar willen we een aparte paragraaf aan wijden, omdat daaruit op een andere manier dan uit gegevens over beroepen en inkomens naar voren komt welke mensen er in de Krim woonden.
     In de jaren ’90 kreeg de E.B. in toenemende mate te maken met de Enschedese armbesturen. Het lijkt erop dat haar houding tegenover mensen die onderstand ontvingen enigzins is gewijzigd. De E.B. blijkt bereid geweest te zijn deze mensen in de Krim en Sebastopol op te nemen, mits de armbesturen zorgden voor een regelmatige betaling van de huur. Onder de bewoners van 1893 waren 5 gezinnen waarvan de huur door de Hervormde, Rooms Katholieke of Nederlands Israelitische Diaconie betaald werd. Op 1 na zijn deze allemaal tussen 1884 en 1891 in de Krim komen wonen, in de jaren dus waarin er in de Krim woningen leeg stonden.
     Deze afwijking van haar oorspronkelijke doelstelling heeft de E.B. heel wat moeilijkheden opgeleverd. Haar verhuurbeleid ondervond felle kritiek van de kant van burgemeester Van der Zee en van de armbesturen. Het begon allemaal in 1890 toen de burgemeester een onderzoek liet doen naar een aantal bewoners waarvan het resultaat bekend gemaakt werd aan de E.B. in de vorm van een lijst van Krimbewoners waarop de burgemeester het een en ander had aan te merken.(18 [18. Aanmerkingslijst van de burgemeester, april 1890, archief E.B.]) De bezwaren richtten zich tegen mensen die Duitsland uitgezet waren, ongehuwd samenwonenden, muzikanten die met bedelen de kost verdienden, tegen Russische joden, of tegen arme of er armoedig uitziende mensen. Typerend zijn ook de beroepen die vermeld werden: naast muzikanten, ook poldergasten, een opperman, een scharensliep, een koopman in borstels, een stoelematter en een mandenmaker. In feite luidde de beschuldiging van de burgemeester dat de E.B. zomaar mensen van “het allerminste allooi” of “echte pruttel” in haar woningen opnam, zonder enige vorm van selektie toe te passen.
     Direkteur Ter Weele verweerde zich tegen deze beschuldigingen door op

_______________↓_______________


|pag. 107|

te merken dat de meeste der genoemde bewoners regelmatige betalers waren, waarop weinig viel aan te merken en waarvan niemand last had. Een gezin dat wel lastig was voor de buren werd verwijderd. Over de armlastige bewoners merkte hij op dat de beide gezinnen waar het om ging, op verzoek van de politie in de Krim waren toegelaten en dat de provisorie voor hen een huurkontrakt had getekend en de huur betaalde. Op die manier was de E.B. natuurlijk wel verzekerd van de huur en hoefde het opnemen van behoeftige gezinnen geen bezwaar te zijn.
     Wat betreft de mensen die ‘met een ander leven’, of zoals dat heette met een ‘bijzit’ huisden schreef Ter Weele aan Commissaris Scholten dat hij van mening was dat hij daarover niet kon oordelen, dat hij niet kon weten of deze mensen “zedelijk” zouden leven en dat deze toestanden op meer plaatsen in de stad voorkwamen. Commissaris Ledeboer maakte daarbij de kanttekening dat “aan zoodanige personen” geen woningen verhuurd moesten worden, “onwetendheid zondigt natuurlijk niet, doch men dient er toch wel toezicht op te houden”.(19 [19. Brief van commissaris Ledeboer aan de direkteur, 10 april 1890, archief E.B.]) De burgemeester werd van een en ander op de hoogte gebracht en daarmee was de zaak voorlopig afgedaan. Overigens woonden er in 1893 3 gezinnen in de Krim waarvan de man en de vrouw niet getrouwd waren. Ook in Sebastopol kwam dit voor. Het was dus voor de E.B. waarschijnlijk niet mogelijk hier voldoende toezicht op te houden.
     Nog geen jaar later raakte de E.B. in konflikt met een der armbesturen.
De Hervormde Diaconie weigerde nog langer de huur te betalen voor de hoogbejaarde weduwe ‘Bokjanna’. Zij was van mening dat haar getrouwde kinderen, die haar ook zo nu en dan iets gaven, haar wel konden onderhouden. De kinderen hadden echter zelf grote gezinnen en konden dat niet opbrengen. De E.B. probeerde de Diaconie te bewegen alsnog de huur te betalen, wat haar niet lukte. Bij de oude weduwe woonde ook nog een gezin in de kelder, dat er door de Diaconie geplaatst was. Deze kelderbewoning was steeds oogluikend toegestaan door de direkteur omdat hij begreep dat de lasten voor de Diaconie te zwaar zouden worden als zij voor dit gezin een andere woning moest huren. De Diaconie bleek dus goed op de centen te zitten, maar dat zij weigerde voor de weduwe Bokjanna te betalen ging de E.B. te ver. Het keldergezin werd daarom verwijderd, de weduwe mocht echter gratis blijven wonen, een unicum in de geschiedenis van de E.B.(20 [20. Brief aan de hervormde diakonie, 10 febr. 1891. En brief van de direkteur aan commissaris Ledeboer 23 april 1891.])

_______________↓_______________


|pag. 108|

Deze vorm van partikuliere weldadigheid heeft de E.B. niet over andere huurders willen uitbreiden, dat blijkt wel uit de huisuitzettingen in deze jaren. Naar aanleiding daarvan geraakte zij opnieuw in konflikt met de armbesturen, en ook met de burgemeester. Ten gevolge van de bevolkingsgroei van Enschede zagen de armbesturen zich gekonfronteerd met stijgende uitgaven voor de bedeling. Om die reden hadden zij bezwaren tegen de wijze van exploitatie van de E.B. Op de eerste plaats kwamen de uit hun huizen gezette huurders bij de armbesturen aankloppen om huisvesting en onderstand. Op de tweede plaats verweten zij de E.B. niet selektief geweest te zijn ten aanzien van nieuwe huurders. Vreemde mensen van elders werden zomaar toegelaten, ook armlastigen die bij de armbesturen om onderstand aanklopten. Door de uitzettingen bewees de E.B. echter opeens wel selektief te zijn, en weer klaagden de armbesturen dat zij daarvan de dupe werden:

     “Door Uwe handelswijze om in tijde van woningovervloed Uwe woningen beschikbaar te stellen voor behoeftigen en menschen zonder geregelde verdienste om wanneer woningen schaarsch worden die aan betere betalers te verhuren en de minder goede maar op straat te laten zetten jaagt U de armbesturen op groote kosten”(21 [21. Brief van de gezamenlijke Armbesturen 16 nov. 1894.])

     De Provisorie wees er de E.B. op dat door deze handelswijze het gevaar bestond dat in de toekomst de armbesturen de armenzorg niet meer zouden kunnen dragen en er in de kosten door hoofdelijke omslag zou moeten worden voorzien:

     “…al is Uwe Vereeniging geen philantropische instelling, Uwe aandeelhouders toch meest allen zijn ingezetenen der gemeente Enschede, die er belang bij hebben dat de middelen noodig voor armenzorg in onze stad uit particuliere weldadigheid kunnen worden verzameld.”(22 [22. Brief aan de Provisorie, ongedateerd.])

Met andere woorden: de kommissarissen der E.B., die allen tot de gegoede stand behoorden en aan de armenzorg meebetaalden met vrijwillige bijdragen, werden erop gewezen dat zij door hun handelswijze een systeem van armenzorg in de hand werkten waarbij zij de bijdrage niet meer zelf konden bepalen, maar deze moesten betalen in de vorm van een belastingaanslag. Daarom kon de E.B. de uitzettingen maar beter beperken. De bouwvereniging

_______________↓_______________


|pag. 109|

weerde zich in een brief aan de armbesturen tegen de beschuldigingen.
Daarin wees zij erop dat de E.B. niet de enige was die vreemdelingen opnam en dat de toename van de kosten der armenzorg niet het gevolg was van háár beleid maar van de groei van Enschede. Bovendien werd er wel degelijk geselekteerd. Adspirant-bewoners dienden op te geven waar zij werkten en hoeveel zij verdienden en als ze van elders kwamen werd er een getuigschrift van de burgemeester van de vorige woonplaats gevraagd.(23 [23. Brief van de E.B. aan de Armbesturen, in: Tubantia 8 april 1895.]) Uit de notulen van de bestuursvergaderingen blijkt dat dat inderdaad gebeurde. Behoeftige gezinnen werden veelal alleen met toestemming van de armbesturen toegelaten, die garant moesten staan voor de huur. Gezinnen die door ziekte of werkloosheid tijdens hun verblijf in de Krim verarmden kon de bouwvereniging niet helpen, deze werden eruit gezet indien de armbesturen niet bijdroegen. Het gebeurde wel regelmatig dat de armbesturen voor deze gezinnen de huur gingen betalen, zodat uitzetting uit- of afgesteld kon worden. In dat laatste geval werd het betreffende armbestuur door het laten tekenen van een huurkontrakt verantwoordelijk gesteld voor de huur. Wel probeerden de armbesturen het middel van de kelderbewoning nog te gebruiken om huurkosten te drukken. Deze kelderbewoners werden echter door de E.B. verwijderd. Aan de problemen met de armbesturen lijkt een einde gekomen te zijn wanneer alle bewoners in 1897 vanwege huurverhoging een nieuw kontrakt moeten tekenen. Ook de armbesturen krijgen dan nieuwe kontrakten voorgelegd die zij bij wijze van borgstelling voor een aantal gezinnen die niet altijd de huur konden betalen moesten tekenen. Na enig tegenstribbelen gebeurde dat.(24 [24. Notulen Bestuursvergadering 1897.])

De Enschedese Bouwvereniging was na de kwestie met de armbesturen nog niet van de problemen rond haar verhuurbeleid verlost. Zij kreeg nl. nog te maken met huurders die niet accepteerden dat zij uit hun woningen gezet werden. In augustus 1894 werden er twee huurders vanwege huurachterstand met hun gezin op straat gezet. Zij legden zich daar niet zomaar bij neer en bouwden uit wat ze maar krijgen konden twee hutten op de straat, pal voor de deur van hun voormalige woningen. Met hun hele hebben en houden namen ze daarin hun intrek.

_______________↓_______________


|pag. 110|

Deze hutbewoners waren niet de eersten die zo reageerden op hun verwijdering. In 1884 was het ook al eens voorgekomen. De hut werd toen op last van de burgemeester naar een braakliggend terrein van de E.B. verplaatst. Later kreeg het gezin weer een woning van de E.B. op voorwaarde dat de helft van de achterstallige huur betaald werd. In mei 1894 was er weer een huttenbouwer in de Krim, die waarschijnlijk als voorbeeld voor de aktie van de eerstgenoemde huurders heeft gediend.(25 [25. Notulen Bestuursvergadering E.B., 28 febr. 1884, april 1884, juni ’85 en 7 mei 1894.])
     Deze vorm van spontaan verzet gaf aanleiding tot een groot konflikt tussen de E.B. en de burgemeester. Deze was namelijk als hoofd van de politie verplicht de keten te verwijderen omdat de bouw ervan in strijd was met de gemeentelijke bouwverordening. De ene keet heeft er echter een half jaar gestaan en de andere zelfs 10 maanden. Hoewel hij daartoe verschillende malen door de commissarissen van de E.B. verzocht werd heeft hij steeds geweigerd om opdracht te geven om de keten te verwijderen.
Op één zo’n aan hem gericht verzoek waarin de E.B. dreigde de Kommisaris der Koningin in te zullen schakelen antwoordde van der Zee:

     “Uw hoogst ongepast en aanmatigend schrijven, met de daarbij gevoegde bedreiging laat mij volstrekt koud en toont alleen de niet te qualificeeren wijze waarop ge als zedelijk lichaam tegenover de bewoners van Krim en Sebastopol handelt, in een anderen vorm op het hoofd der politie wilt toepassen”.(26 [26. Gemeentearchief, archiefnr. 116, Brief van de E.B. aan de Raad 9 okt. 1894.])

De burgemeester was het niet eens met het beleid van de E.B. Dat blijkt ook uit het verslag van de raadszitting van 4 april 1895 gewijd aan deze kwestie. De wijze van exploitatie van de E.B. werd door van der Zee als “laakbaar en onmededogend” bestempeld. Hij nam het op voor de uitgezette huurders: “B. en W. kunnen en mogen die arme menschen met kleine kinderen niet dakloos laten, die arme schepsels moet woning verschaft of moeten worden ingekwartierd in eene slaapstêe.” Het was echter de vraag wie dat moest gaan betalen en hier blijkt de tegenstrijdigheid in de houding van de burgemeester. Hij wilde niet dat er mensen dakloos werden, maar hij wilde ook geen gemeentelijke armenzorg. De kerkelijke armbesturen klaagden dat zij door de uitzettingen der E.B. en het aannemen van huurders die armlastig zijn, op kosten gedreven worden die hun middelen te boven gaan. Het gevolg daarvan zou kunnen zijn de instelling van gemeentelijke armenzorg, waartegen Van der Zee zich “met alle kracht

_______________↓_______________


|pag. 111|

en macht en gloed” zei te zullen verzetten. Het standpunt van de burgemeester is duidelijk. Hij wilde het krot laten staan omdat hij geen mensen dakloos wilde maken maar ook geen maatregelen wilde nemen deze mensen een ander en beter onderdak te verschaffen omdat hij zich tegenstander verklaarde van gemeentelijke armenzorg.
     Een van de hutten werd in februari 1895 afgebroken door marechaussee, gemeentepolitie en stadswerkers op last van de burgemeester omdat de hut een ogenblik “heerloos” was. Blijkbaar ging hij er van uit dat de bewoner ander onderdak gevonden had, anders is het niet te rijmen met zijn standpunt, omdat hij dit voorbeeld juist aanhaalde in de raad om aan te tonen dat hij daarbij bleef. Over het lot van de bewoner van deze hut kunnen we alleen melden dat hij in juni naar Duitsland vertrok.
     De andere hut bleef tot eind april staan. De burgemeester was er pas na een gerechtelijke sommatie toe te brengen tegen de bewoner proces-verbaal te laten opmaken wegens overtreding van de bouwverordening en de keet op te laten ruimen.(27 [27. Gemeenteraadsnotulen 4 april 1895, Notulen van Bestuursvergaderingen der E.B. 1894 en 1895.])
     Het heeft er alle schijn van dat burgemeester Van der Zee in deze zaak de E.B. eens flink de les wilde lezen door de hutten maar te laten staan.
Het was hem en de armbesturen een doorn in het oog dat de bouwvereniging uit winstbejag slecht betalende huurders op staat zette. Men mocht van een “zedelijk lichaam” toch wel anders verwachten. Bovendien klopten de uitgezette huurders bij de armbesturen aan en het was niet de bedoeling dat deze voor de kosten van het verhuurbeleid van de E.B. zouden opdraaien. De bouwvereniging liet echter niet met zich spotten:

     “Zoo het de bedoeling mocht zijn, om de Vereeniging het lastig te maken, opdat zij geen bewoners meer uit de woningen zullen laten verwijderen, dan moeten zij verklaren dat die maatregel bij nalatigheid in het betalen der huur of wangedrag steeds zal blijven bestaan en nimmer kan voorkomen worden.”(28 [28. Jaarverslag E.B. 1894 en 1895.])

Verzet tegen huisuitzetting vond ook op minder spectaculaire wijze plaats.
Als de deurwaarder kwam om de huur op te zeggen werd er door de bewoners wel eens ontkend dat ze een huurkontrakt getekend hadden. Als de E.B. niet het bewijs kon leveren voor het tegendeel moest er een civiele procedure aangespannen worden en dat betekende tijdwinst voor de huurders.
     De met uitzetting bedreigde bewoners kregen soms ook steun uit een on-

_______________↓_______________


|pag. 112|

verwachte hoek. De gang van zaken rond een ontruiming was als volgt.
Eerst moest de huur opgezegd worden en kregen de bewoners een maand de tijd uit eigen beweging te ontruimen. Gebeurde dat niet dan moesten ze eerst gedagvaard worden en konden ze op grond van het huurkontrakt veroordeeld worden tot ontruiming. Deze ontruiming moest geregeld worden door de deurwaarder die de bewoners met hulp van de politie moest verwijderen als ze niet vrijwillig gingen. Tussen de veroordeling en de uiteindelijke verwijdering kon nog weer een hele tijd verstrijken. Dat kwam omdat de deurwaarder niet altijd even snel was met ontruimen. Twee keer diende de bouwvereniging een klacht in bij de kantonrechter over het lakse optreden van de deurwaarder. Zo had hij bijvoorbeeld een huurder die op 27 februari veroordeeld was, op 15 april nòg niet ontruimd. Een jaar later liet hij weer eens anderhalve maand verstrijken zonder zelfs de gerechtelijke akten af te halen die bij de ontruiming nodig waren. De kantonrechter dreigde hem met schorsing en de E.B. stelde hem aanspakelijk voor de te vorderen bedragen van de twee betrokken huurders. De deurwaarder betaalde deze kosten en de huurders konden blijven wonen!
     Voor dit opmerkelijke optreden van de deurwaarder zijn enkele redenen bekend. In sommige gevallen ging hij niet tot ontruiming over omdat de huurders beloofden te betalen. Een keer was er een vrouw komen te bevallen. Waarom hij echter de te vorderen bedragen van de twee huurders betaalde is niet duidelijk. Als hij dat geld uit eigen zak betaalde dan was dat wel een wat vreemde vorm van partikuliere liefdadigheid.(29 [29. idem, verder notulen van Bestuursvergaderingen der E.B. 1896 en ’97 en brieven van deurwaarder Barendtzen 1894-1897.])
     De mensen die de huur niet konden betalen lieten het niet altijd op ontruiming aankomen. Sommigen onttrokken zich aan betaling door stilletjes hun huis te verlaten voordat hen de huur opgezegd werd. Anderen vertrokken na opzage of dagvaarding, voordat de deurwaarder er aan te pas moest komen.

Met haar uitzettingsbeleid probeerde de E.B. te voorkomen dat zich in de Krim de minst draagkrachtigen vestigden. Dat geschiedde vooral in het belang van de aandeelhouders. Daarnaast probeerde zij ook het ‘zedelijke’ gehalte van de bewoners op peil te houden. We zagen al dat ongehuwd samenwonen voonr de E.B. niet door de beugel kon. Verder konden mensen ook wegens wangedrag verwijderd worden (zie ook par. 4.7) en probeerde de E.B. mensen die om een een woning vroegen ook in dit opzicht te selekteren. Dat leidde tot konflikten met aspiranthuurders die niet aksepteerden dat hen

_______________↓_______________


|pag. 113|

een woning geweigerd werd. In nov. 1896 deed zich een gebeurtenis voor die misschien wel een der oudste gevallen van ‘kraken’ in Nederland is geweest.
     Aan de opperman W. was door de E.B. een woning geweigerd omdat hij slecht stond aangeschreven bij de politie. W. drong een leegstaande woning binnen via de zolder van de buren, wat niet moeilijk was omdat deze zolders over drie huizen doorliepen. De opzichter drong aan op ontruiming maar W. weigerde het huis te verlaten. De E.B. wilde de marechaussee inschakelen maar dat kon niet want er was geen sprake van inbraak omdat de woning leeg stond. Onmiddelijk werden alle gerechtelijke instanties ingeschakeld, tot de minister van Justitie toe. Er bleek echter geen wet te zijn die in dit soort gevallen voorzag. Het bestuur werd geadviseerd een civiele aktie bij de rechtbank in Almelo te ondernemen en schadevergoeding en verwijdering te eisen. Omdat er nog wel een maand overheen zou gaan voordat de uitspraak er was, luidde het advies verder dat de E.B. het wonen ondertussen zo ondraaglijk mogelijk zou kunnen maken door bv. de ramen en deuren er uit te breken (het was november). Met dergelijke middelen kon de direkteur zich echter niet verenigen.(Noot 29a.: Notulen Bestuursvergadering E.B. nov. 1896.)
     Besloten werd de buurman R., over wiens zolder W. naar binnen was geklommen, de huur op te zeggen als hij niet zorgde dat w. binnen een dag vertrokken was. Dat gebeurde niet en er werd een rechtzaak tegen W. aangespannen die een maand later veroordeeld werd maar zich aan de uitvoering van het vonnis onttrok door naar Amsterdam te vertrekken. Waarschijnlijk in gezelschap van R. die ook zijn woning verlaten had.
     Naar aanleiding van deze zaak werd de minister van Justitie geadviseerd om de lakune in de wetgeving zo snel mogelijk op te vullen, omdat in de bestaande situatie iedere leegstaande woning door “elke landloper” tijdelijk in bezit genomen kon worden, zonder dat er iets tegen te doen was. De regering antwoordde dat deze klacht niet voor tussenkomst van haar kant vatbaar was.(30 [30. idem.])
     Een ander geval betreft de zaak S., een ex-Krimbewoner die in 1892 door de armbesturen in staat gesteld was naar Amsterdam te vertrekken. Hij keerde echter in 1894 terug en wist zich in de Krim te vestigen door iemand anders een woning voor hem in de Frederik Hendrikstraat te laten huren.
Omdat S. de huur niet kon betalen werd besloten hem alleen in de Krim te laten wonen als het Israëlitisch armbestuur de achterstand en de deurwaarderskosten betaalde en zich d.m.v. een huurkontrakt garant stelde voor de

_______________↓_______________


|pag. 114|

huur. Omdat het armbestuur hier niet op in ging werd geprobeerd bij de valse huurder te Borne het geld te achterhalen, wat niet lukte. In april 1896 werd S. uit de woning gezet.(31 [31. idem, 3 dec. 1894, 7 mei 1895 en 9 juni 1896.])
     In 1904 werden de zogenaamde ‘Dalenoordswoningen’ aan het Gronause Voetpad afgebroken. Deze woningen waren rond 1898 gebouwd in strijd met de gemeentelijke bouwverordening en de daarin vastgestelde rooilijnen.
Daarom moesten ze op last van de gemeente weer afgebroken en een eindje naar achteren gezet worden. Nog voordat ze helemaal afgebouwd waren werden deze woningen ‘gekraakt’ door mensen die er de buurt op stelten zetten.
De bewoners van het Gronause Voetpad schreven de gemeente:

     “Ondergeteekenden geven te kennen, dat de toestand in de door hen bewoonde buurt onhoudbaar is; dat sedert eenigen tijd aldaar onbeheerd staanwoningen, zonder eenig recht zijn betrokken door personen van het minst allooi, die de geheele buurt onveilig maken en er de rust verstoren …”(32 [32. idem, 6 juni 1904.])

Toen deze huizen, die slechts enkele jaren gestaan hebben, werden afgebroken, kwamen enkele bewoners ervan bij de E.B. met het verzoek om in de Krim te mogen wonen. Twee ervan werden door de bouwvereniging toegelaten, de rest werd geweigerd. Omdat er in deze jaren weer veel woningen leegstonden in de Krim (zie par. 4.7.) trok een van hen tot twee keer toe in een van de leegstaande huizen. De tweede keer werd hij door de politie bekeurd. Blijkbaar was dat nu wel mogelijk.(33 [33. Als de vestigings- en vertrekdatum niet vermeldt staat in de bev. registers zijn ze niet in de telling opgenomen.])

Uit al deze voorvallen blijkt dat het verhuur-beleid van de E.B. van verschillende kanten weerstand ondervond, van de kant van officiële instanties, het gemeentebestuur en de armbesturen, maar ook van de kant van mensen die niet toegelaten werden in de Krim en mensen die eruit gezet werden. Hoewel de E.B. pogingen in het werk stelde om het gehalte van haar huurders zowel moreel als financieel op peil te houden, had zij het niet altijd voor het uitzoeken. Bij de grote toestroom van migranten kon zij niet altijd weten hoe de mensen eraan toe waren die zich aanmelden voor een woning. Verder onttrok het verarmen van gezinnen door ziekte of werkloosheid zich aan haar invloed. Omdat ze zich niet beschouwde als een filantropiese instelling handelde zij zoals van haar verwacht kon worden, zonder pardon.

[hier is goed te zien hoe klein de ‘kelder’ was.]

_______________↓_______________


|pag. 115|

4.6. WOONOMSTANDIGHEDEN.

Door de bevolkingsgroei en het daarmee gepaard gaande gebrek aan woonruimte werd de situatie in en om de Krimwoningen er niet bepaald beter op. Werden de huizen rond 1866 nog bewoond door gemiddeld 4 à 5 mensen, in 1893 woonden er per huis gemiddeld 5 à 6 mensen. Rond 80% van de Krimbewoners moest het kleine huisje delen met 5 of meer huisgenoten, ongeveer 50% met 7 of meer en 20% woonde zelfs met 9 of meer personen in een huis met eigenlijk maar anderhalve kamer.

Tabel 9: Huishoudensgrootte in 1893. (bron: bevolkingsregister)
 

huishoudensgrootte aantal % aantal pers. %
1 à 4 personen 45 34.1 131 18.2
5 à 8 70 53 424 59
9 à 11 17 12.9 164 22.8

 
De Krim was in de jaren ’90 een overbevolkte buurt. Wij telden 14 inwonende gezinnen, waaronder ook getrouwde stellen die bij hun ouders introkken omdat er voor hen geen woning was. Er waren 17 kostgangers, de logementsgasten niet meegeteld. In 45 huishoudens woonden mensen die niet tot het kerngezin behoorden, daaronder waren er 14 waarin drie generaties bijeen woonden. Dit alles bevestigt de citaten over de woningnood die we aan het begin van dit hoofdstuk gaven.
     De gevolgen van de overbevolking en het grote verloop (zie par. 4.7.) voor de staat van de huizen laten zich aflezen uit de stijgende uitgaven van de bouwvereniging voor het onderhoud. (tabel 10) Uit deze gegevens blijkt ook dat de E.B. de uitgaven voor onderhoud in de jaren van leegstand en vlak daarna beperkt hield.
     Van het geld dat aan onderhoud besteed werd schilderde men onder andere de huizen van buiten en van binnen, de vloeren werden gerepareerd, de schoorstenen, die in een bouwvallige staat verkeerden, werden hersteld en eindelijk werd er ook een rij bomen geplant in de Frederik-Hendrikstraat.(34 [34. Notulen bestuursvergadering 8 nov. 1897.]) Desondanks waren deze maatregelen vaak halfslachtig omdat het goedkoop moest. Zo wilde men bijvoorbeeld de stenen vloeren vervangen door

_______________↓_______________


|pag. 116|

Tabel 10: Onderhoudskosten 1882-1906. (bron: grootboek E.B.)
 

periode onderhoudskosten % van de ingekomen huur
1882-1888 ƒ 1420.34 16.8
1887-1891 926.57 13.7
1892-1896 1546.72 17.2
1897-1901 2525.09 23.1
1902-1906 2791.32 25.5

 
beton, wat stuitte op bezwaren van de bewoners omdat ze glad waren en vochtig uitsloegen. De stenen die men daarna voor de vloeren aanschafte sloegen zwart uit bij het schrobben. De uitgebroken vloerstenen uit de voorvertrekken werden voor de vloeren van de achtervertrekken gebruikt.(35 [35. idem, 14 mrt. 1898, 1 aug. 1897, 10 jan. 1898.])
     In 1904 werd ook eindelijk Sebastopol bestraat. Na lang touwtrekken met de gemeente en na een klacht van de bewoners over de eeuwige modderpoelen voor hun deuren besloot de E.B. de bestrating maar vooreigen rekening te nemen. Eerst werd voorgesteld daarvoor veldkeien en brokken van een vervallen trottoir, dat voor de huizen lag, te gebruiken. Omdat de veldkeien niet te krijgen waren kreeg Sebastopol uiteindelijk toch een ‘gewone’ straat.(36 [36. idem, 12 dec. 1904.])
     Enkele bewoners van de Krim waren in staat zelf verbeteringen in hun woningen aan te laten brengen. Soms gebeurde dat door het personeel van de bouwvereniging, waarbij de kosten bestreden werden door huurverhoging. Meestal ging het hierbij om verbouwingen van huizen tot winkeltjes. Enkele bewoners konden voor eigen rekening gas- en waterleiding laten aanleggen!
Een andere bewoner liet de kelder verbreken om er zijn nieuw gekochte orgel in te kunnen stallen.(37 [37. idem, 8 mei 1901, 6 juli 1903, 2 april 1906, 14 febr. 1907.])
     De mensen die niet zo goed bij kas waren om waterleiding aan te laten leggen bleven aangewezen op de pompen. Een plan om alle woningen van waterleiding te voorzien strandde op de onwil van gemeente en bouwvereniging om de kosten te dragen. De E.B. meende dat de Krim in aanmerking kwam voor gratis aanleg van de waterleiding tot in de woning. Dat was volgens de regels van het waterleidingbedrijf mogelijk voor alle perceelen die minder dan ƒ 4.- per jaar aan water zouden verbruiken. Deze bepaling was opgesteld om

_______________↓_______________


|pag. 117|

het ook arbeidersgezinnen mogelijk te maken een aansluiting op het waterleidingnet te krijgen, ter bevordering van hun gezondheid en reinheid. De gemeente beschouwde echter een rij woningen als één perceel en niet een afzonderlijke woning. De gratis aanleg ging daarom niet door en de E.B. vond de kosten te hoog om het zelf te laten doen, zodat er uiteindelijk een leiding door de Krim gelegd werd met daarop in iedere straat een paar pompen.(38 [38. Map: Drinkwaterleiding E.B. en Notulen Bestuursvergadering 1892.])
     Net als bij de bestrating van Sebastopol, die meer dan 20 jaar op zich liet wachten omdat gemeente noch bouwvereniging het wilden betalen, raakten de belangen van de bewoners ook in de waterleidingskwestie in het gedrang.
De gemeente schreef dat de E.B. het belang van de gezondheid der bewoners hoger zou moeten stellen dan winstbejag ten koste van de gemeente. De E.B. verweet de gemeente dat zij niet handelde in het belang van de gezondheid der arbeiders door de uitleg die zij gaf aan de bepalingen voor de aanleg van de waterleiding. Ondertussen waren enkele van de oude pompen in de Krim buiten werking geraakt en de gemeente weigerde ze te herstellen omdat de oude gemeentepompen verwijderd zouden worden als de aanleg van de waterleiding in Enschede gereed was. Waarschijnlijk probeerde ze zo de E.B. onder druk te zetten om toch maar snel waterleiding aan te laten leggen. De bewoners van de Krim zaten echter zonder water. Omdat gemeente en bouwvereniging met elkaar overhoop lagen beklaagden enkele bewoners zich bij een hogere instantie: de Kommissaris der Koningin. Deze verzocht de gemeente iets te ondernemen, maar de gemeente speelde de zaak weer door naar de E.B. en deze op haar beurt weer naar de gemeente. Het is typerend voor de wijze waarop de belangen der bewoners genegeerd werden.(39 [39. Notulen bestuursvergaderingen in 1891, ’93, ’97, ’99, 1900, ’01 en ’02 en ’06.
In al deze jaren is de afwatering aan de orde geweest.]
)
     De afwatering in de Krim was ook een probleem dat de gemeente en de bouwvereniging op elkaar probeerden af te schuiven. Herhaaldelijk stonden er achter de huizen stinkende waterpoelen. Op foto’s van de achterkant van de huizen is te zien dat er geen dakgoot langs de daken liep. Het water liep van het dak rechtstreeks achter het huis en de kleine ruimte tussen de huizen was helemaal volgebouwd. Geen wonder dat het water niet weg kon.
Er lagen wel gootjes achter de huizen maar voor een goede afwatering zou aansluiting op de riolering in de Diezerstraat nodig zijn geweest. De gemeente wilde daar wel voor zorgen als de E.B. het betaalde, die vond het echter te duur. Omdat de woningen bij zware regenval onderliepen werden er

_______________↓_______________


|pag. 118|

toch maar straatjes met nieuwe goten achter de woningen gelegd.(40 [40. Notulen Bestuursvergaderingen E.B.])
     Dan was er ook nog het huisvuil. Eerst werd dat nog achter de huizen gedeponeerd en af en toe op last van de bouwvereniging verwijderd. In 1897 bleek dat het vuil er niet zomaar lag. De bewoners gebruikten het als mest op een stukje grond dat ze gepacht hadden. Daarom besloot men het maar te laten liggen, de bewoners zouden het zelf te zijner tijd wel weghalen.
Later werden vuil en mest door de gemeente opgehaald. De bewoners hadden geen geld om vuilnisbakken aan te schaffen en gooiden het vuil op straat.
De E.B. bestelde toen vuilnisbakken en verplichtte de huurders om er een aan te schaffen. Voor het legen van de tonnen uit de sekreten vroeg de gemeente in 1899 ook een vergoeding. Enkele bewoners weigerden die te betalen omdat hen gezegd was dat het ophalen gratis zou gebeuren. Voor straf werden hun tonnen weggehaald. De bouwvereniging eiste ze namens de bewoners terug, maar volgens de gemeente waren ze al ergens anders in gebruik en waren er geen andere in voorraad.(41 [41. idem, 3 aug. 1899.])
     Uit dit alles blijkt dat de bewoners nog steeds verantwoordelijk werden geacht voor het verwijderen van hun eigen vuil. Er werden wel voorzieningen getroffen maar daar moesten ze wel voor betalen. Bij de E.B. blijkt af en toe nog enig begrip bestaan te hebben voor de manier waarop de bewoners met hun vuil omsprongen. Ze schreef bijvoorbeeld dat de mensen het vuil bij gebrek aan vuilnisbakken wel op straat moèsten gooien omdat het daar opgehaald werd.(42 [42. idem, 7 sept. 1903.]) Wel verplichtte ze de bewoners om op eigen kosten een bak aan te schaffen. Bij de gezondheidskommissie bestond weinig begrip voor de levenswijze van de Krimbewoners. Ze bleef protesteren tegen het houden van dieren. Ook de bouwvereniging zag dit liever niet, een varken moest uit een achtervertek verwijderd worden en ze liet de stallen en getimmerten achter de huizen verwijderen toen er straatjes aangelegd werden.(43 [43. idem, 11 juni 1906 en 8 okt. 1906.]) Voor paarden kon zij echter wel begrip opbrengen en er werd besloten om daarvoor in de kelders van degenen die er een nodig hadden wijzigingen aan te brengen.(44 [44. Eerst werd besloten het paard buiten beantwoording van de brief van de gezondheidskommissie te laten (11 juni 1906), daarna werd besloten de woning aan te passen omdat de gemeente driegde met onbewoonbaarverklaring (juli ’06).])

_______________↓_______________


|pag. 119|

4.7. BUURTLEVEN.

Hoezeer de Enschedesche Bouwvereniging ook haar best gedaan heeft om niet gewenste bewoners te weren, het lukte haar niet de Krim tot een ‘nette’ buurt te maken. De fabrieksarbeiders, waar de E.B. aanvankelijk op gemikt had, keerden de Krim de rug toe en zochten een betere stee. Nadat de huizen die door hen verlaten waren in grote getale jarenlang leeg gestaan hadden, werden ze opnieuw bevolkt door mensen die van ver buiten Enschede kwamen. In de Krim vestigden zich meer en meer scharrelaars en losse arbeiders.
In deze jaren begon de Krim de karaktertrekken te vertonen die haar ook in de laatste jaren van haar bestaan zouden kenmerken.
     In vergelijking met de voorgaande periode bleven de bewoners gemiddeld langer in de Krim wonen. In 1866 was de gemiddelde verblijfsduur 12 jaar, in 1893 14 jaar. Die langere verblijfsduur werd echter veroorzaakt door een kleine groep vaste bewoners, die iets meer dan een kwart van het totaal uitmaakte. Ongeveer een derde van de bewoners woonde er niet langer dan 5 jaar.

Tabel 11: Verblijfsduur der bewoners van 1866 en 1893. (bron: balansboek en grootboek E.B.)
 

1866 % 1893 %
1 – 5 jaar 23.5 33.1
6-10 30.4 22.8
11 – 15 15.7 9.4
16 – 20 11.3 7.1
21 jaar of langer 19.1 27.6

 
In vergelijking met 1866 was er dus in 1893 een grotere kern van vaste bewoners maar daarnaast bleef ook een groter gedeelte van de bewoners maar kort in de Krim. Dat er in deze jaren sprake was van een nog groter verloop dan in de vorige periode blijkt ook uit de vertrekcijfers in tabel 12.
Uit deze tabel blijkt ook dat het percentage bewoners dat langer dan 5 jaar in de huizen woonde ook na 1893 gering was, ongeveer 35%. De Krim blijkt dus in de jaren rond de eeuwwisseling een nog minder stabiele buurt geweest te zijn dan daarvoor al het geval was. We kunnen dat in verband brengen met

_______________↓_______________


|pag. 120|

Tabel 12: Verblijfsduur en vertrek 1870-1905. (bron: balansboek en grootboek E.B.)
 

I II I II
1870 62.4 16.6 1890 28.9 34.8
1875 43.7 24 1895 34.5 31.6
1880 41.1 17.6 1900 38.6 28
1885 47.7 24 1905 33.9 38.8

 
I= percentage bewoners dat er 5 jaar tevoren ook woonde
II= gemiddeld percentage bewoners dat jaarlijks verhuisde, terugschrijdend gemiddelde over 5 jaar.

(1870-1885: Krim, Sebastopol en Hoog & Droog; 1890-1905: Krim)

het feit dat ook in Enschede in deze jaren sprake was van een grote doorstroom. Het beeld dat uit paragraaf 4.1. naar voren kwam was dat van een zeer mobiele bevolking op zoek naar werk en een geschikte plaats om te wonen.
     Een groot aantal mensen vestigde zich in de Krim en vertrok weer binnen niet al te lange tijd. Een deel van hen keerde echter ook weer terug. Wij troffen 25 bewoners aan die tussen 1890 en 1910 de Krim verlieten maar er soms na enige maanden, soms na jaren weer terugkeerden.(45 [45. Het zijn alle bewoners die in een andere woning terechtkwamen. De mensen die in dezelfde woning terugkeerden zijn niet meegeteld, dat was moeilijker na te gaan. Bewoners die de voorhuur terugbetaald kregen maar nog in dezelfde maand een woning der E.B. betrokken werden beschouwd als zijnde intern verhuisd en niet meegeteld.]) Daaronder waren er 6 die bij hun eerste verblijf langer dan 5 jaar in de Krim woonden. Het overgrote deel woonde er echter korter dan twee jaar en keerde binnen twee jaar na het vertrek weer terug. Daarnaast waren er ook 19 bewoners die in deze jaren van de Krim naar Sebastopol verhuisden of omgekeerd.
     Een aantal faktoren kunnen dit verschijnsel verklaren, hoewel we bij gebrek aan gegevens geen exakte uitspraken kunnen doen. In sommige gevallen zullen vertrek en terugkeer te maken hebben gehad met het zwervende karakter van beroepen als venter, kramer of kermisreiziger, hoewel verschilleRde van deze mensen hun huis gewoon aanhielden als ze op reis waren. In andere gevallen waren het arbeiders die hun geluk in Duitsland beproefden, er niet konden aarden en weer naar Enschede terugkeerden. Ook tijdelijk werk in andere plaatsen in de buurt kan de oorzaak van vertrek geweest zijn. Arbeiders moesten immers in de buurt van het werk wonen omdat ze afstanden

_______________↓_______________


|pag. 121|

meestal te voet moesten afleggen. Uit de terugkeer naar de Krim en ook uit de verhuizingen van de Krim naar Sebastopol en omgekeerd blijkt dat verschillende mensen vanwege hun inkomen of het gebrek aan woningen toch voornamelijk op de huizen van E.B. aangewezen waren.
     Woningschaarste heerste er op het eind van de 19e eeuw. In de eerste jaren van de 20e eeuw was dat minder het geval. Voor de tweede keer in haar bestaan stonden er in de Krim vele woningen leeg. In 1902 waren er 44 huizen onbewoond. Er bestond op dat moment geen uitzicht dat ze op korte termijn weer betrokken zouden worden. De ramen werden daarom door de timmerman dichtgespijkerd.

Tabel 13: Leegstand 1900-1905. (bron: Grootboek E.B.)
 

leeggekomen woningen gemidd, duur v.d. leegstand
1900 3 2 jaar 3 mnd.
1901 7 2 8
1902 17 1 7
1903 16 1 2
1904 4 9
1905 4 11

 
De leegstand moet voor een deel toegeschreven worden aan de gevolgen van de staking die in 1902 bij van Heek begon en door de fabrikanten beantwoord werd met het stopzetten van alle fabrieken gedurende 2 dagen per week. Voor de arbeiders betekende dit een vermindering van het loon met een-derde deel.(46 [46. H. Roland Holst, Kapitaal en Arbeid, dl II, p. 59 e.v. en verslag K. van K. 1902.]) Dit grote konflikt tussen arbeiders en fabrikanten heeft 5 maanden geduurd, maanden waarin zich minder mensen vestigden in de roerige stad en waarin bovendien velen eruit wegtrokken. Ook Krimbewoners verlieten de stad of betrokken elders vrijgekomen woningen. Er werden juist in deze jaren veel woningen gebouwd (zie par. 4.1.) en vanwege het vertrekoverschot was er van woningnood geen sprake meer. Het gevolg was leegstand in de Krim, een bewijs te meer dat het voor velen niet de aantrekkelijkste buurt van Enschede was.
     In de jaren na 1902 hernam de bevolking haar groei; tussen 1905 en 1910 was er een toename van 4400 mensen. De in 1907 opgerichte ‘Vereeni-

_______________↓_______________


|pag. 122|

Tabel 14: Vertrek en Vestiging in Enschede 1900-1904. (bron: gemeenteverslagen)
 

vestiging vertrek overschot
1900 2520 1692 828
1901 2709 1993 716
1902 2323 2354 -31
1903 2729 2190 539
1904 2582 2472 124

 
ging de Volkswoning’ merkte in haar eerste jaarverslag op dat, mede ten gevolge van de hogere eisen aan de woningbouw door de nieuwe woningwet, de bouw van nieuwe huizen achter bleef bij de groei van de bevolking.
De gevolgen waren nieuwe woningnood, bewoning van zo’n 200 huizen door twee of meer gezinnen en herbevolking van de Krim.

In hoeverre de Krim zich bij dit grote verloop en deze leegstand kon ontwikkelen tot een buurt is moeilijk te zeggen. Een aantal voorwaarden daarvoor waren wel aanwezig. Op de eerste plaats had een groot deel van de bewoners dezelfde ekonomische achtergrond in de marginale beroepen. De toename van het aantal venters, kooplieden, scharenslijpers, muzikanten en kermisklanten zal in ieder geval wel geleid hebben tot meer vertier op de straat. De bekendste foto van de Krim (zie omslag) dateert van rond 1900.
Daarop zien we dat het straatbeeld ook in deze tijd bepaald werd door de karren van handelaren en scharenslijpers, op straat geparkeerde woonwagens en mensen die voor de deur hun werk verrichten, zoals de stoelematter van de foto. Op grond hiervan kunnen we wel stellen dat de Krim ook in deze periode een straat- en buurtleven gekend heeft dat vergelijkbaar is met de situatie zoals die in hoofdstuk VI beschreven wordt. Toch was de Krim in deze tijd een minder homogene buurt. Het grote verloop en het feit dat er mensen uit verschillende streken in de buurt woonden, wijzen daarop. Aan de ene kant kan herkomst uit dezelfde streek voor bepaalde groepen een basis voor sociale kontakten hebben gevormd, evenals de ekonomische positie die ze gemeen hadden. Aan de andere kant wijst het grote verloop erop dat dat de mensen toch niet genoeg aan elkaar verbond.

_______________↓_______________


|pag. 123|

     Als we de kranten uit deze tijd moeten geloven was de Krim ook niet bepaald een gezellige buurt en woonde er ‘ruw volk’. Het voor de buitenwereld meest in het oog springende aspekt van het buurtleven in deze tijd waren de gewelddadigheden in de Krim. We gaan daar nu vrij uitgebreid op in, omdat er typerende trekken van deze buurt uit naar voren komen. Ook de relatie tussen de Krim en de ‘buitenwereld’ komt erin tot uitdrukking. We moeten wel bedenken dat het slechts één aspekt is, hoe belangrijk ook, en dat we verder over het buurtleven weinig kunnen zeggen, met name door gebrek aan materiaal en interviews over deze periode.
     Herhaaldelijk verschenen er berichten in de Tubantia over vechtpartijen in de Krim. Tussen 1895 en 1899 vonden we in totaal 18 berichten over gewelddadigheden in de Krim, Diezerstraat en Lindelaan meegerekend, of over vechtpartijen en vernielingen waarbij Krimbewoners waren betrokken.
Tussen 1906 en 1910 waren dat er 51. Er lijkt dus sprake van een duidelijke toename, hoewel we wat voorzichtig moeten zij ten aanzien van de krant als betrouwbare bron. In de regel zullen niet alle vechtpartijen vermeld staan. De berichten hebben bijna alle betrekking op vechtpartijen of gevallen van mishandeling waarbij gewonden door de politie-arts verpleegd moesten worden, of waarin proces-verbaal werd opgemaakt. Als de politie er niet aan te pas kwam, wat ongetwijfeld ook vaak het geval was, dan schreef de krant er ook niet over. De politie was prakties haar enige informatiebron. Verder kunnen ook zaken als ruimtegebrek (vanwege andere belangrijkere voorvallen) geleid hebben tot het niet plaatsen van berichten. Het vermelden van het adres van de geverbaliseerden gebeurde ook niet altijd. Als er echter Krimbewoners bij betrokken waren, stond dat er wel vaak bij. Wat dat betreft had de Krim wel een naam, en die werd door de krant duidelijk onderstreept. Een voorbeeld uit 1898:

     “Iets wat sedert geruimen tijd hier niet meer voorkwam had zondagavond op den Zuiderhagen plaats; bij eene vechtpartij werden de messen gebruikt. Een drietal polderwerkers, daarbij een kermisreiziger en eenige Krimbewoners raakten slaags. Er vielen aan weerszijden geduchte klappen en meer dan een werd bloedend verwond. De politie maakte aan het vechten een einde en riep voor de gewonden geneeskundige hulp in.”(47 [47. Tubantia, 19 april 1898.])

_______________↓_______________


|pag. 124|

De gewelddadigheden waar we het over hadden waren vechtpartijen, soms met de blote vuist, soms met messen, mishandelingen van voorbijgangers of kafébezoekers waarvan de aanleiding vaak niet vermeld staat, of verzet tegen arrestatie wegens dronkenschap. Daar raakte soms de hele buurt bij betrokken en dat kon aanleiding geven tot taferelen als deze:

     “Bij een arrestatie van een dronken persoon door een paar agenten van politie werd zondagavond in de Krim ernstig verzet ondervonden niet alleen van den betrokkene, maar ook van Krimbewoners die te hoop liepen en gewapend met stokken en stoelen enz. de agenten te lijf gingen. Het kwam tot een formeele vechtpartij, waarbij de agenten geduchte klappen kregen, zoodat zij genoodzaakt waren van hun wapens gebruik te maken.

De te hulp gesnelde veldwachter Franke, bijgenaamd de ‘Zwarte Gedaante’, werd er echter de dupe van; hij werd getroffen door de kogels. Eerst leek het een schampschot, maar later bleken er twee moeilijk te verwijderen kogels in zijn hoofd te zitten, die overigens ongevaarlijk waren. De arresstant wist aanvankelijk in het gedrang te ontkomen maar werd even later alsnog gegrepen.(48 [48. idem, 2 en 11 aug. 1910.]) Ook in enkele andere gevallen bleken Krimbewoners het voor elkaar op te nemen tegen de politie. Soms lukte het de arrestant vrij te krijgen, maar even later werd hij dan toch ingerekend als er versterking was gehaald.
     Over de direkte aanleidingen van ruzies en vechtpartijen is niet zoveel bekend. Een enkele keer wordt er in de krant melding van gemaakt. Zo werd een tapper in de Diezerstraat mishandeld omdat hij weigerde sterke drank te verkopen aan een viertal dronken mannen, waarvan overigens niet vaststaat dat het Krimbewoners waren. In een ander geval werd een vishandelaar verwond omdat een klant beweerde “een groter geldstuk in betaling te hebben gegeven, dan de vischhandelaar zeide ontvangen te hebben”. De klant pakte daarop de vishandelaar aan en sloeg erop los.(49 [49. idem, 1 nov. 1906 resp. 19 mei 1899.]) Dronkenschap en lichtgeraaktheid waren in deze gevallen dus aanleiding om slaags te raken.
     Veelzeggend is het volgende voorval uit 1906. In de Mauritsstraat vond een grote vechtpartij plaats, waarbij gevochten werd met hamer, zeis, stoelpoten, messen, tangen en knuppels. Verschillende mensen werden daarbij gewond en maar liefst 20 personen werden opgepakt en bekeurd. Dat

_______________↓_______________


|pag. 125|

gebeurde allemaal naar aanleiding van een burenkwestie; er waren enkele buren niet uitgenodigd op een bruiloft!(50 [50. idem, 4 jan. 1906.]) Dit wijst erop dat er in de buurt bepaalde normen waren waar men zich aan diende te houden. Overtreding ervan gaf aanleiding tot hooglopende ruzies. We zullen daarvan in het volgende hoofdstuk nog meer voorbeelden tegenkomen.

De vechtpartijen en gewelddadigheden kwamen ter sprake in de vergaderingen van het bestuur van de bouwvereniging. Ze deed haar best om vechtersbazen en raddraaiers te verwijderen. In 1896 werd een gezin uit huis gezet omdat de man moeilijkheden had met de politie en andere bewoners opstookte. Soms gebeurde zo’n verwijdering op verzoek van de andere bewoners zoals in januari 1896, toen een gezin wegens “schandelijke handelingen” tussen de ouders door de buren werd aangeklaagd. De E.B. zette hen op straat, mede vanwege drankmisbruik en vernieling van de woning.(51 [51. Notulen E.B. 12 okt. 1896 en 13 jan. 1896.]) In 1891 schakelden enkele bewoners zelfs de burgemeester in. Deze verzocht de E.B. om de personen, waarover de buren zich beklaagden, uit elkaar te plaatsen omdat ze altijd met elkaar overhoop lagen.(52 [52. Brief van B & W 22 dec. 1891.])
     In 1910 stuurden enkele bewoners een brief naar de bouwvereniging, waarin zij zich beklaagden over een gezin dat regelmatig hun nachtrust verstoorde met drinkpartijen, vechtpartijen, het intrappen van de voordeur of het stukgooien van ruiten. “… het is nadelig voor ons werk en ook voor dat van onze kinderen.”(53 [53. Brief van bewoners 30 mei 1910.]) Zij moesten namelijk al om 5 of 6 uur beginnen met werken. Het zijn typerende geluiden uit een buurt waar zowel mensen woonden met geregeld werk als mensen die minder onder een strenge arbeidsdiscipline leefden, of die daaruit vluchtten in de drank of door vechtpartijen en vernielingen hun agressie afreageerden. Het is kenmerkend voor deze periode, die we als een soort overgangsperiode kunnen beschouwen tussen een arbeiders- en een scharrelaarsbuurt.
     De E.B. kon door de verwijderingen de gewelddadigheden niet verhinderen.
Ze werden zelfs herhaalde malen aan de orde gesteld in de gemeenteraad. In de debatten werd zowel gesproken over de oorzaken als over de bestrijding ervan. Door het raadslid Ter Kuile, wiens familie aandelen in de E.B. had, wordt in 1909 opgemerkt dat Enschede in vergelijking met Hengelo veel meer paupers herbergt. Hij suggereert dat ze in Enschede te gemakkelijk onderdak krijgen of door de armenzorg te royaal worden ontvangen. Dat schiet burge-

_______________↓_______________


|pag. 126|

meester Bergsma in het verkeerde keelgat. Hij vraagt Ter Kuile enigzins hatelijk of hij met paupers de mensen in de Krim bedoelt, die de autoriteiten veel last bezorgen. Hij stelt dat het voor de hand ligt, “dat dergelijke instelling (!) de vestiging van bedoelde menschen in de hand werkt.
Wanneer die reeksen van woningen niet bestonden zou het aantal paupers zeker dalen.
” Even tevoren heeft hij al het volgende opgemerkt:

     “De plaatsen waar achterbuurten zijn, daar gaan ze naar toe. Nu zijn er behalve die paupers tal van menschen die op allerlei manieren aan de kost komen, doordat zij door de ouders te vroeg zijn losgelaten of te vroeg geld in handen hebben gekregen, althans niet geleerd hebben het goed te gebruiken. Dergelijke menschen vormen eene rubriek dien zeer veel last veroorzaakt.
De rubriek ‘gemengd nieuws’ levert daarvan het bewijs. Men heeft voorts nog de groepen van kwajongens die, niet alleen het latende bij sarren en plagen maar zelfs lichamelijke verwondingen aan de politie-agenten toebrengen, toezicht eisen.
(54 [54. Raadsnotulen 1909, p. 294 e.v.])

     Volgens de burgemeester trekt de Krim niet alleen paupers aan maar ook “menschen van lichtschuwende bedrijven”. De aantrekkingskracht van de Krim op deze mensen is gelegen in het feit dat de lange rijen huizen een achterbuurt vormen. Afgezien van het feit dat zeker niet alle Krimbewoners paupers of misdadigers waren, schuilt er in deze aantrekkings-theorie waarschijnlijk wel een kern van waarheid. De Krim kan als een vergaarplaats van onaangepasten beschouwd worden, hoewel er ook ‘nette’ gezinnen woonden zoals we gezien hebben. Maar wat eigenlijk verklaard moet worden is de ‘onaangepastheid’.
Daar kunnen we alleen bij benadering iets over zeggen; we komen er in het volgende hoofdstuk nog op terug. Hier willen we slechts op een enkel aspekt ingaan en wel de migratie.
     In het raadsdebat van 1909 dat we zojuist aangehaald hebben, werd gesproken over een rapport over proces-verbalen in Enschede. Daaruit bleek dat de meeste overtredingen en misdrijven gepleegd werden door mensen die van elders kwamen. Dat is op zich niet zo verwonderlijk als we bedenken dat meer dan 50% van de bevolking niet in Enschede geboren was.(55 [55. A. Blonk, a.w., p. 106.]) Toch zal de overgang van het plattelandsleven naar het stadsleven voor velen de nodige problemen hebben opgeleverd. Het massale stadsleven, de strenge arbeidsdiscipline, voor sommigen de werkloosheid, het heen en weer trekken

_______________↓_______________


|pag. 127|

tussen de Twentse en Duitse steden op zoek naar werk, dergelijke zaken zullen een ontwrichtende invloed op de mensen gehad hebben. Drankmisbruik en agressie waren het gevolg. Ook het feit dat de nieuwkomers niet altijd geaccepteerd werden in hun nieuwe omgeving zal daaraan bijgedragen hebben.
Scheldnamen als ‘zwartsok’ en ‘kluen’ (zware turf) (56 [56. A. Blonk, a.w., pp. 113 en 114.]) werden tegen hen gebruikt en de vijandigheid uitte zich ook in vechtpartijen tussen Enschedese en van elders afkomstige jongeren.(57 [57. Tubantia 29 nov. 1898. Vechtpartij tussen Enschedese en Vollenhovense jongens van ong. 20 jaar met messen en stokken.])
     De situatie in de Krim was voor de nieuwkomers ook niet bepaald rooskleurig zoals we gezien hebben. Hoewel de Krimwoningen nog gunstig afsteken bij de hutten die bijvoorbeeld door Friese veenarbeiders werden bewoond 58 [58. Zie b.v. J. Giele, Arbeidersleven in Nederland 1850-1914, Nijmegen 1979, p. 242.], mag de Krim door de dichtbevolkte, dichtopeengepakte huizen toch geen grote verbetering genoemd worden.

De bestrijding van de gewelddadigheden in de Krim is in de jaren tussen 1907 en 1909 ook een paar keer aan de orde geweest in de raad. Het strijdpunt hierbij was de vestiging van een permanent bemande politiepost in de Krim. Al in 1902 werd deze zaak besproken in een bestuursvergadering van de E.B.. Er werd overwogen een pand op de hoek van de Mauritsstraat gratis aan de stad af te staan, zodat daar een politiepost gevestigd zou kunnen worden. Dat hoefde de E.B. geen cent te kosten want de omwonenden, middenstanders uit de Diezenstraat en de Oranjestraat zouden daarvoor tezamen de huur willen betalen. De gemeente ging niet in op dit bereidwillige aanbod. Waarschijnlijk schrok men terug voor de personeelskosten die de bezetting van zo’n post met zich mee zou brengen. Dat was althans bij latere plannen van een politiepost wel ’t geval.(59 [59. Notulen Bestuursvergadering E.B. 15 september 1902, 5 januari 1903.])
     Door de omwonende middenstanders werd in 1907 een adres opgesteld, waarin zij zich beklaagden over de baldadigheid in de Krim, waardoor mensen liever omliepen over het van Heekplein en de Diezerstraat meden.
     Ze liepen daar namelijk de kans om met modder bekogeld te worden. Hun verzoek om een politiepost werd echter afgewezen omdat men bezig was een politiepost aan de Haaksbergerstraat te vestigen en de vestiging van ook nog een politiepost in de Krim te duur zou worden. Er werd een verscherpt politietoezicht toegezegd. Deze toezegging werd ook opgenomen in de gemeentebegroting van 1909. Het raadslid Elhorst (A.R.) stelde naar aanleiding daarvan dat deze maatregel niet het gewenste succes had gehad en pleitte om een politiepost in het brandspuithuisje aan de Diezerstraat:

_______________↓_______________


|pag. 128|

     “Wanneer daar echter altijd een agent geposteerd is, dan is dat niet alleen voor de bewoners eene gerustheid maar ook voor het passeerende publiek. Eerst dan zal de rust daar ook geheel kunnen terugkeren en het zou bovendien ook moreel werken.

In deze stellingname werd hij bijgevallen door het raadslid Brinkhuis (SDAP) die stelde dat een politiepost noodzakelijk was en dat daarvoor geen geld werd uitgetrokken omdat de Krim een “armeluis-buurt” was.
De burgermeester wees deze beschuldiging aan het adres van het stadsbestuur van de hand als ook beschuldigingen aan het adres van de politie die niet zou durven ingrijpen als er in de Krim een samenloop was.
Hij stelde dat de Krim niet de enige buurt was waar met modder gegooid werd, dat gebeurde ook aan de Oostveenweg, de Brinkstraat, de Dennenweg en figuurlijk zelfs in de raad! Verscherpt politietoezicht was het enige dat men kon doen. Vestiging van een politiepost in het brandspuithuisje werd afgewezen vanwege de kosten van meer politiepersoneel die ermee gemoeid waren.(60 [60. Raadsnotulen 11 maart 1907, Behandeling Gemeentebegroting 1909.])
     Het is tekenend voor hoe er in bestuurskringen gedacht werd over de gwelddadigheden in de Krim dat bij de bestrijding ervan enkel gedacht werd aan de “sterke arm”. Meer politiekontrole of de permanente aanwezigheid van enige orde-handhavers in de Krim werden als de geëigende middelen beschouwd om vechtpartijen, samenscholingen en het lastig vallen van voorbijgangers tegen te gaan. Ook wordt duidelijk wiens belangen daarmee gediend werden: hoewel een raadslid stelde dat het ook in het belang van de Krimbewoners zelf was, wier ruiten het regelmatig moesten ontgelden, werden toch de belangen van de zakenlieden uit de naaste omgeving het vaakst als reden voor de bestrijding van de baldadigheden aangehaald.
     Ordehandhaving behoorden tot de taak van de overheid, maatregelen die meer het karakter van “sociale hulpverlening” droegen niet. Dat was het terrein van partikuliere instanties als de “Volksbondvereninging tegen drankmisbruik”. Deze vereniging beijverde zich o.a. om jongens van de straat te houden door de avonduren een kursus voor huisvlijt te organiseren onder het motto: “Wie niet iets goeds te doen heeft, doet licht iets minder goeds.

_______________↓_______________


|pag. 129|

Het doel van deze kursus was het voorkomen van drankmisbruik:

     “Een jongen die geen bezigheid heeft, begaat licht kattekwaad uit verveling. De practijk van dezen regel maakt verscheidene jongens tot straatslijpers en brengt mannen in de kroeg, werkt het drankqebruik en -misbruiK in de hand.”(61 [61. Tubantia 31 aug 1906.])

Of door deze vereniging ook de jeugd van de Krim bereikt werd is niet bekend. In het kader van de drankbestrijding werd ook het Volkskoffiehuis en logement “de Volksvriend” opgericht. In 1898 was daarvoor door Ariëns en enkele heren uit de gegoede stand geld bijeengebracht waarmee een pand aan de Diezerstraat gekocht werd om een proef te nemen met een Volkskoffiehuis. Deze vestiging tegenover de Krim was niet toevallig, de Volksvriend was bedoeld voor:

     “…gewone jongelieden uit de Krim en de naaste omgeving, benevens kleine kooplieden uit de Krim en naaste omgeving, wier weg hen vanzelf in deze buurt bracht.

Vanouds waren er namelijk al verschillende logementen in de Krim en omgeving, zodat het voor de hand lag de Volksvriend hier te vestigen. Verder was bestrijding van drankmisbruik in de Krim en naaste omgeving een uitdrukkelijk doel van de oprichting. In de jaarverslagen wordt steeds vermeld dat de Volksvriend gunstig werkte en bijdroeg aan de bestrijding van drankmisbruik in de Krim. Of dat ook werkelijk het geval is geweest is niet na te gaan. Het is waarschijnlijker dat de Krimbewoners het Koffiehuis, waarvan de beheerder wat spottend “Koffie-Graads” werd genoemd, nauwelijks bezochten omdat er geen drank geschonken werd.(62 [62. Verslagen van de Volksvriend, Gemeenteverslag 1900-1909. Twentse Courant 7 dec. 1982 en interview met mevr. B.])
     Behalve vechten kon men in de Krim ook feestvieren. De koninginnefeesten waren daartoe vaak een goede gelegenheid. Een hoogtepunt voor de Krim was het bezoek van Koningin Emma en Prinses Wilhelmina in 1895. Een rijtoer van koningin en prinses voerde ook door de Diezerstraat, langs de Krim. De kinderen van een winkelier uit de Diezerstraat en een slaapsteehouder uit de Frederik Hendrikstraat mochten bloemen aanbieden en een metselaar uit de Mauritsstraat zong een lied voor het hoge bezoek. De Krim was Oranje-gezind, dat bij een later bezoek van Wilhelmina en Juliana nog weer eens blijkt. Toch vond er een incident plaats, maar niet in de eigenlijke Krim. Door een socialist was in de Willemstraat,

_______________↓_______________


|pag. 130|

tegenover de Krim, een rode vlag uitgehangen. Het heet dat burgermeester Van der Zee, bijgenaamd de held van Soerian wegens zijn optreden in Nederlands-Indië, zelf ingreep bij dit incident.(63 [63. Tubantia 3 sept. 1895 en L.A. Stroink, a.w., p. 547.])
     Het bezoek werd nog jaarlijks herdacht. In 1907 vonden we dit bericht:

     “De bewoners en kinderen uit de Diezerstraat, Willemstraat en een gedeelte(!) van de Oranjestraat vierden Donderdag namiddag ter herdenking van het koninklijk bezoek feest…”(64 [64. Tubantia 3 aug. 1907.])

Hier blijkt overduidelijk dat er een kloof bestond tussen de bewoners van de huizen der E.B. en de bewoners der omringende straten. Mauritsstraat en Frederik-Hendrikstraat vierden niet mee en slechts een gedeelte van de Oranjestraat, aan de overkant van de rij afdakswoningen, deed wel mee. De Krim-bewoners zullen er niet om getreurd hebben, zij hadden hun eigen feesten.

[Achterom]
 
– Bosch, M. & Jagt, G. (1983). Al is de Krim ook nog zo min: Geschiedenis van een Enschedese volksbuurt, 1861-1934. (Doctoraalscriptie). Economiese en Sociale Geschiedenis, Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen.

Category(s): Geen categorie
Tags: ,

Comments are closed.