Hoofdstuk 2: Het ontstaan van de Krim

_______________↓_______________


|pag. 34|

Hoofdstuk 2 Het ontstaan van de Krim

“In vroeger garen had men in onze stad straten zoals ze nu ook zijn; daar woonden in de grote straten de burgers, en in de achterstraten woonden de arbeiders. De arbeiders stonden toen in onmiddellijke aanraking met de burgers en met hunne werkgevers; was er nu armoede in een huisgezin, dan bleef er toch altijd enige voeding. Dit heeft opgehouden sedert de brand.
Toen heeft men de dwaasheid begaan om de arbeiders buiten de stad te brengen, in de Krim en Sebastopol. In die plaatsen kwamen dus lieden van êêne kleur; de goeden daaronder zijn langzamerhand vertrokken, die voelden zich daar niet tehuis. Al wat min was, waar iets aan loos was, bleef daar en zodoende is er een broeinest ontstaan”
.(1 [1. Enquete, gehouden door de staatscommissie, benoemd krachtens de wet van 1890 ( staatsblad no.1 ), Tweede afdeling, Twenthe (Getuigenverhooren, p. 75). De opdracht van deze parlementaire enquetekommissie luidde, een onderzoek in te stellen “omtrent de maatschappelijke toestanden der arbeiders, omtrent de verhoudingen tusschen werkgevers en arbeiders in de verschillende bedrijven en omtrent de toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid en de gezondheid der werklieden”.
Deze enquete wordt geciteerd door, M.W. Heslinga, Twentse textielarbeiders, Een sociografiese schets, Utrecht 1954, p. 11.]
)

2.1. WONEN IN ENSCHEDE

     In het eerste deel van het bovenstaand citaat schetst de door de parlementaire enquête kommissie geinterviewde een beeld van een nog pre-industriële samenleving. Voor de brand, die in 1862 geheel Enschede in de as legde, hadden de arbeiders een direkt kontakt met hun werkgevers. Van een groot standsverschil was geen sprake; arbeiders, weef- en spinbazen, verfbazen en ook fabrikanten woonden dicht bij elkaar en in de onmiddellijke omgeving van de fabrieken. Behalve in fabrieken werd er binnen de stadsgrachten nog thuis geweven en gesponnen. Deze thuisarbeiders hadden veelal een moestuintje en wat vee. Ook veel zgn. buitenwevers, die na de invoering van de snelspoel naar de Enschedese fabrieken gelokt werden en veelal buiten de stadsgrachten gingen wonen, bewerkten een eigen stukje grond.(2 [2. H. ter Weele, Enschede voorheen en thans, Enschede z.j., pp. 74-82.]) Zelfs in de tachtiger jaren van de 19e eeuw, toen het weven op het platteland snel verviel, hielden veel arbeiders nog lang een voorkeur voor het bewerken van een stuk grond naast hun fabrieksarbeid. Enschede had sterke wortels in de agrariese samenleving: één der getuigen dacht dat het aantal textielarbeiders dat uit de boerenstand afkomstig was 3 à 400 bedroeg. Een ander sprak van een ‘massa’.(3 [3. A. Blonk, Fabrieken en Menschen. Een sociografie van Enschede, Enschede 1929, p. 189.]) Deze situatie was ken-

_______________↓_______________


|pag. 35|

merkend voor de overgangsperiode waarin een overwegend agrariese samenleving werd omgevormd tot een industriële; ook een industrieel centrum als Tilburg telde vele fabrieksarbeiders die een stukje grond bezaten en bij hun woning wat groente konden telen en vee hielden.(4 [4. H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Woontoestanden van de volksklasse in de 19e eeuw, in: Spiegel Historiael, 11 (1976 9, p. 499.])
     In 1890 vroegen de stakers bij de firma ter Kuile en Morsman (in Enschede) o.a. nog gelegenheid om dinsdagsmorgens, als het nodig was, l½ uur naar de markt te gaan. De lonen noodzaakten hen elke penning op z’n voordeligst te besteden. Er werd niet alleen voedsel maar, in bepaalde jaargetijden, ook poot- en plantgoed voor de akkertjes, die velen toen bewerkten, op de markt ingeslagen. Er waren zelfs fabrieken die op de marktdag om halftwaalf stopten, of waar gehuwde vrouwen dinsdags de gelegenheid tot marktbezoek kregen. Eerst langzamerhand trokken winkels en straathandel de voedselvoorziening naar zich toe en werd de markt hiervoor niet langer de eerst aangewezen plaats.(5 [5. A. Blonk, a.w., p. 81.])

arbeidershuisvesting

     Hoe stond het nu met de huisvesting van deze eerste generatie fabrieksarbeiders die met hun gedachten waarschijnlijk meer bij het akkertje of moestuintje dan bij de snelspoel waren. Heslinga stelt dat de Twentse steden rond 1860 nog geen grote-stadsatmosfeer ademden; ondanks de bevolkingstoename bleef de huisvesting er over het algemeen typies landelijke trekken vertonen. Er werd nog veel grond door tuinen in beslag genomen. In tegenstelling tot de grote steden met hun ‘kazernebouw’ werden in het landelijke Twente overwegend eensgezinswoningen gebouwd. Het bezit van een eigen woning met een stukje grond was voor de meeste arbeiders erg aanlokkelijk; hun veelal agrariese afkomst zal hier niet vreemd aan geweest zijn.
     In 1880 deed de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Enschede de uitspraak dat er weinig fabriekssteden waren, waar het bezit van eigen woonhuizen onder de fabrieksarbeiders zo veelvuldig voorkwam. Naar aanleiding van de Enquête van 1890 kwam de Kamer van Koophandel in 1893 met een overzicht waaruit bleek dat van de 3.581 bewoonde huizen binnen Enschede er 435 op naam van fabrieksarbeiders stonden. Volgens ene ds. Cramer was het de grootste wens van de arbeider een eigen

_______________↓_______________


|pag. 36|

stukje grond te bezitten en kwam het veel voor dat arbeiders een woning lieten bouwen. Ook van het loon dat de kinderen inbrachten werd wel gebouwd. Er is zelfs een voorbeeld bekend van een jong echtpaar, dat bij het huwelijk nauwelijks de kerkelijke onkosten kon betalen maar drie à vier jaar later een eigen huis bezat. De vrouw had daartoe ook elke mogelijkheid aangegrepen om naast haar man met fabrieksarbeid de inkomsten te vergroten.(6 [6. A. Blonk, a.w., pp. 302, 303.]) Dat het arbeidersstreven naar woningbezit niet was voorbehouden aan de tachtiger jaren van de 19e eeuw, maar wortelde in een oudere ‘traditie’ blijkt uit een telling van onroerend goed – eigenaren in 1832. Onder de 368 eigenaren -afgezien van eigenaren als stedelijke overheid, kerken en fabrieken- waren 97 arbeiders.(7 [7. J.C.H. del Canho Kauffmann, De ‘Enschedese Bouwvereniging’ 1861-1916. Een sociologiese studie, Boekelo 1980 (onuitgegeven skriptie ), p. 11.]) Het streven naar woningbezit onder arbeiders lijkt voor de gehele 19e eeuw, zeker over de periode na 1830, voor Enschede een gegeven.
De stadsbrand en aansluitende wederopbouw heeft daarin klaarblijkelijk geen verandering gebracht. Er werd voornamelijk gebouwd door kleine kapitaalbezitters, neringdoenden (middenstand) en arbeiders. Partikuliere of banken stelden in de 19e eeuw geen kapitaal beschikbaar voor massale woningbouw, aldus Blonk.
     Over het kwalitatieve aspekt van de huisvesting in de tijd van voor 1860 is niet veel bekend. Blonk stelt dat de woningen der meer gegoeden niet aan alle eisen voldeden en dat aan de arbeiderswoningen nog minder eisen werden gesteld. Een zogenaamde ‘afdakswoning’ ging voor een redelijke arbeidswoning door. Een dergelijke woning bestond uit een woon- of voorkamer, die de keuken werd genoemd, waarachter onder het laag aflopende dak een achtervertrek lag, de kelder, waar gekookt en ook wel geslapen werd. Boven deze vertrekken bevond zich een lage zolder. (8 [8. A. Blonk, a.w., p. 290.])
     Del Canho- Kauffmann stelt konkluderend dat wanneer de arbeiders-huisvesting van Enschede tot 1862 met het algemene beeld vergeleken wordt, Enschede geen gek figuur slaat. De stad had in deze tijd relatief weinig bewoners en veel vrije ruimte om te bouwen. Er stonden veel arbeiders-eengezinswoningen en de huizen telden nooit meer dan twee verdiepingen. Bij veel woningen lag een stukje grond en het gemiddelde huurbedrag in Enschede zal voor een arbeider die vast werk had niet te hoog geweest zijn aangezien de lonen relatief hoog waren

_______________↓_______________


|pag. 37|

en voor een belangrijk deel in de eigen voedselbehoefte kon worden voorzien,(9 [9. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w., p. 12])
     Het beeld dat Van den Eerenbeemt schetst voor brede lagen van de volksklasse; de verkrotte huisjes, de als kazernewoning gebruikte vervallen herenhuizen en het fenomeen van de zogenaamde kelderwoningen gaat voor Enschede in de betreffende periode niet op. Eerst later zal daar in bepaalde buurten sprake van zijn.(10 [10. H.J.F.M. van den Eerenbeemt, a.w., p. 497, 498.]) Datzelfde geldt voor de typerende woonomstandigheden die Catharina Lis binnen de kontekst van het ‘proletaries wonen’ voor de grote europese steden schetst of de woonomstandigheden die Niethammer als volgt omschrijft:
“In het achterhuis, in de kelder, bestaat een andere wereld; overal werd gewerkt, overal waren lichamen, geen eigen giek. ‘Kochtopf und Nachttopf’, sexualiteit en opvoeding van kinderen in dezelfde ruimte en vooral op elkaar gepakt wonen, familie en vreemden door elkaar….”(11 [11. Lutz Niethammer (herausg.), a.w., p. 7.])

     Hoewel de huisvestingssituatie in Enschede relatief gezien geen slechte indruk maakte waren er wel slechte woningen. Benthem noemt ‘ellendige krotwoningen’ in de Walstraat die geheel ongeschikt waren om als mensenwoning te dienen en betreurt het dat na de wederopbouw deze ‘slobbetjes en binnengangen’ weer bewoonbaar zijn gemaakt.(12 [12. Gz.A. Benthem, Geschiedenis van Enschede en zijne naaste omgeving, Enschede 1920, pp. 252, 269.])
Ook Ter Weele noemt schamele arbeiderswoningen, zonder tuintje of plaatsje, en woningen waarvan de vochtige, onhygiëniese vertrekken jarenlang de gezondheid van de bewoners ondermijnden.(13 [13. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w., p. 11.]) In 1861 kwamen er tevens meer en meer gevallen van samenwoning. Zo huisden in meer dan één geval drie gezinnen, in één geval zelfs 21 ongehuwden bijeen. Dit, al dan niet, gedwongen samenwonen wijst erop dat er in 1861 een gebrek aan woonruimte was. Benthem wijt dit aan de opkomende industrialisatie.(14 [14. Gz.A. Benthem, a.w., p. 243.])
     Bij Enschedese fabrikanten leidde het besef van dat er woningnood heerste -en misschien daarachter de gedachte arbeidskrachten door het verschaffen van woningen aan zich te binden- in 1861 tot de oprichting van een bouwvereniging. Dit initiatief kende een precedent. Reeds kort na 1835 namelijk, toen de stoomkracht in de spinnerij werd toegepast werd van ondernemerszijde de woningbouw met het oog op de huisvesting

_______________↓_______________


|pag. 38|

van de industriearbeiders in Enschede bevorderd. Zo liet in 1837 een lid van de familie Van Heek een 30-tal woningen, de ‘Langehuizen’ -zo genoemd omdat ze aaneengesloten gebouwd waren- langs de weg naar Hengelo bouwen.(15 [15. A. Blonk, a.w., p. 299.])

2.2. FABRIKANTEN IN DE BOUW

     Op 9 maart 1861 werd de ‘Enschedesche Vereniging ten doel hebbende het verstrekken van woningen aan den arbeidersstand’ opgericht. De vereniging kende 36 aandeelhouders, die tezamen 110 aandelen van elk ƒ 200,— bezaten, en allen tot de notabelen van Enschede gerekend konden worden. Op veel aandelen staan de namen van bekende fabrikanten en hun familieleden vermeld. Onder de kommissarissen bevond zich de direkteur van de Twentsche Bank, een agent van een hypotheekbank en maar liefst zeven aandeelhouders waren tevens gemeenteraadslid. Op 27 juni werd de vereniging bij Koninklijk Besluit erkend als ‘zedelijk lichaam’.
     Op de zogenaamde ‘Belt’, een stuk grond dat voor ƒ 30,— grondrente per jaar van de gemeente gehuurd werd, werden 33 afdakswoningen gebouwd voor een totale prijs van ƒ 18.599,—, met andere woorden ƒ 563,60 per woning. De huurprijs werd vastgesteld op 90 cent per week. Omdat er volgens het bestuur grote behoefte aan bestond werden er met het oog op eventuele kostgangers drie tweeverdiepingshuizen gebouwd. Dat deze behoefte minder dringend was dan werd verwacht blijkt uit het jaarverslag van 1861. Hierin staat vermeld dat twee van de drie tweeverdiepingshuizen niet verhuurd waren. Toch was er reden tot tevredenheid omdat de winst over het eerste jaar toch al ƒ 517,48 bedroeg.(16 [16. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w., pp. 13, 14.])

     Het initiatief van de Enschedese fabrikanten tot het bouwen van arbeiderswoningen stond niet op zichzelf. Tussen 1850 en 1870 werden er 16 woningbouwverenigingen door fabrikanten opgericht. De eerste in Amsterdam in 1851.(17 [17. idem.]) Bakker Schut stelt dat in het midden van de vorige eeuw, toen voor het eerst op grotere schaal door werkgevers

_______________↓_______________


|pag. 39|

-eerst in Frankrijk en later in Duitsland- begonnen werd met de bouw van arbeiderswoningen, de sociale verhoudingen van zo’n aard waren dat woningbouw hetzij een verlicht soort van filantropie was, hetzij de vorm van gedwongen woningnering aannam. Laatstgenoemde werd mogelijk gemaakt door het ontbreken van arbeidersorganisaties, eerstgenoemde door ’t toenmalige nauwere kontakt tussen werkgever en arbeiders. De fabrikant kende zijn arbeiders meestal persoonlijk en stelde dikwijls belang in hun huiselijke omstandigheden. De kombinatie van deze beide vormen vertoond dan het beeld van de fabrikant als weldoener, maar strenge vader voor zijn arbeiders. Als voorbeeld daarvan noemt Bakker Schut de duitse fabrikant Staub die in 1868 als motief voor de woningbouw ondermeer noemde: “denn zo konnten wir Sie zu sparsamen, fleissigen und intelligenten Arbeitern heranbilden” en als motief voor huurwoningen noemde hij o.a.: “damit wir um so besser die Macht bewahren würden unsere Absichten durchzuführen, deshalb die Häuser nur durch geordnete Familien bewohnen zu lassen, solche daraus zu entfernen, welche sich undern Intentionen nicht fügen wollten”.(18 [18. F. Bakker Schut, Industrie en Woningbouw. Een technisch-ekonomische beschouwing over bemoeiingen van de industrie met arbeiderswoningbouw, Arnhem 1933, pp. 17, 18.])
     C. Lis noemt enkele voorbeelden van franse ondernemers die de discipline van de werkplaats systematies probeerden over te planten in speciale arbeiderswijken. Sommigen richtten in de wijken zelfs scholen, kerken, winkels en ontspanningslokalen op. Met behulp van deze voorzieningen konden zij de arbeiders in een gesloten gemeenschap houden waarin sexualiteit, drankverbruik, amusement e.d. onder permanent toezicht stonden.(19 [19. C. Lis, a.w., p. 352.]) In gemeenten waar de industrie een belangrijke plaats innam en waar de lokale overheid een liberale gezindheid had -en daarom in gebreke bleef voor voldoende huisvestingsmogelijkheden te zorgen- werd de bouw van arbeiderswoningen vaak als een zaak gezien waarvoor de fabrikant diende te zorgen. Zijn bemoeiing met de arbeidershuisvesting had een zuiver zakelijk motief, namelijk, waar die ontbrak, woonruimte te verschaffen om arbeiders te kunnen aantrekken en ze aan het bedrijf te binden.(20 [20. H.J.F.M. van den Eerenbeemt, Wat leidde tot de woningwet van 1901, in: Spiegel Historiael, 11 (1976), p. 524.]) Voor fabrikanten was dit een noodzaak: zonder aktieve deelname aan de arbeidershuisvesting zou de grotere produktiekapaciteit, mogelijk gemaakt door technologiese veranderingen en fabrieksuitbreidingen, niet uitgebuit kunnen worden.

_______________↓_______________


|pag. 40|

motieven

     De motieven die tot bemoeienis van fabrikanten met arbeidershuisvesting kunnen leiden onderscheidt Bakker Schut als volgt. In de eerste plaats de direkt ekonomiese motieven als produktievermeerdering, besparing op lonen, besparing op vervoerskosten, beperking van het verloop en verhoogde arbeidsprestatie. Deze zijn de motieven die meestal de doorslag geven. In de tweede plaats de indirekt ekonomiese motieven die onderscheiden kunnen worden in de meer bedrijfstechniese motieven als gedwongen woningnering, verbetering van het arbeidersgehalte, en verruiming van de arbeidsmarkt. Daarnaast zijn er motieven van hoofdzakelijk sociale aard zoals verhoging van het beschavingspeil, grotere tevredenheid en beloning van arbeidskracht en trouw. Achter elk van deze afzonderlijke motieven gaat een hele uiteenzetting schuil. Die willen we niet geven maar volstaan met enkele voorbeelden.
     In 1912 kwam het in Enschede voor dat er ‘gezinsdwang’ werd uitgeoefend, dat wil zeggen dat in ruil voor een woning alle huisgenoten zich ter beschikking van de fabriek moesten stellen, ongeacht hun andere werkzaamheden. Deze gedwongen woningnering leek ingegeven door de wens om op goedkope wijze in tijdelijke of seizoen-werkzaamheden te voorzien.(21 [21. F. Bakker Schut, a.w., pp. 28-32.]). Een voorbeeld van woningbouw met als motief de kwaliteit van de arbeid te verbeteren leverde de Twentse textielfirma Salomonson. Vanuit de noodzaak van elders werkkrachten aan te trekken en daaruit een vaste weverskern te vormen voor de nieuw opgerichte fabriek in Nijverdal werden in 1852 tachtig huizen gebouwd. Deze werden tegen een lage prijs verhuurd.(22 [22. H.J.F.M. van den Eerenbeemt, Wat leidde tot de woningwet van 1901, a.w, p. 524.])
     In het algemeen stond woningbouw door fabrikanten niet in verhouding tot de werkelijke behoefte van de fabrieksarbeiders aan betere huisvesting. Bovendien was de kwaliteit van het gebouwde lang niet altijd goed. Het sociale element werd vaak vergeten. Het oogmerk was meestal zuiver ekonomies, namelijk onderdak kreëren om arbeiders voor het bedrijf te kunnen aantrekken.(23 [23. idem.])

     Welke waren de motieven van de Enschedese fabrikanten zich met arbeidershuisvesting te gaan bemoeien. Opgericht om aan de ‘treurige

_______________↓_______________


|pag. 41|

     toestand’ van de woningnood een einde te maken werd de Enschedese Bouwvereniging niet zozeer gedreven door sociale bewogenheid of liefdadigheid. Toen B & W van Enschede zich in 1863 met enige vragen tot de Bouwvereniging richtten en daarin suggereerden dat zij een liefdadigheidsinstelling zou zijn haastte de vereniging zich het college te verzekeren dat dit niet het geval was; ze beschouwde zich liever als een vennootschap. Tijdens een gemeenteraadsvergadering in 1862 brandde een diskussie los over de vraag of de E.B. al dan niet een ‘zedelijk lichaam’ was. Tenslotte werd opgemerkt dat het niet om een zedelijk lichaam ging, maar om een maatschap, “want zij beoogt voordelen” En wanneer voordelen uitbleven werd er teleurgesteld gereageerd. Toen in april 1863 de balans werd voorgelezen en de winst van ƒ 2.603,80 als onbevredigend werd ervaren, werd nog eens duidelijk vanuit welke achtergrond de Bouwvereniging opereerde: “Het oorspronkelijke doel waarmee onze vereniging werd opgericht, was eenvoudig een vereniging van het belang der aandeelhouders niet dat der arbeidersklasse; men erkende de behoefte aan betere huisvesting van dien stand en men meende dat ook de geldschieters om dergelijke inrigting tot stand te brengen daarbij rekening zouden vinden”.
     Aan welke arbeiders de E.B. zich ten doel stelde woningen te verschaffen blijkt uit de statuten. Het waren namelijk die arbeiders die “geenen onderstand van eenige instelling van weldadigheid hebben”, met andere woorden arbeiders waarvan verwacht kon worden dat ze trouw elke week hun huurpenningen zouden betalen. En de huur van 90 cent per week was zeker niet laag. Reeds in 1861 kwamen er klachten van huurders dat de huur te hoog was. Het bestuur vond de huur ook wel wat aan de hoge kant, maar meende dat de huurders in normale tijden tot betalen in staat moesten worden geacht. Er werd echter wel besloten om nieuwe huurders voor de zekerheid een kwartaal vooruit te laten betalen. Het systeem van de zgn. ‘voorhuur’ werd daarmee een feit.
Wat betreft de gemaakte winst werd overeengekomen dat aanvankelijk niet meer dan 5% dividend uitgekeerd zou worden. De rest zou in een reserve-kast gestort worden. Deze kas diende om ‘geheel buitengewone herstellingen’ te verrichten èn om in slechte tijden toch tenminste 4% dividend uit te kunnen keren.(24 [24. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w., pp. 13 e.v.]) Geheel in overeenstemming met

_______________↓_______________


|pag. 42|

de doelstelling werd aldus in de reserve-kas het belang van de aandeelhouders -winstuitkering- verenigd met het belang van de huurders, te weten goed onderhoud van de woningen. Deze belangenvereniging zou in de praktijk steeds meer een belangentegenstelling gaan worden. De E.B. was niet de liefdadigheidsinstelling, waarvoor de gemeentelijke overheid haar aanvankelijk hield, maar een typiese fabrikanten-onderneming. Door woningbouw voor de arbeidersklasse trok men de arbeiders waar de zich uitbreidende fabrieken behoefte aan hadden, naar zich toe en kon men er tevens financieel beter van worden. In 1862 zou de E.B. een grote kans krijgen om haar winstoogmerk met het bouwen van woningen in praktijk te brengen.

2.3. DE ‘VERBRANDE BURGERS’

     Op 7 mei 1862 vond om bijna één uur ’s middags een gebeurtenis plaats die de huisvestingssituatie in Enschede drasties zou veranderen: Enschede brandde af en veranderde in een rokende puinhoop. De gehele stad binnen de gracht werd verwoest; ook buiten de gracht bleef niet veel overeind. Afgezien van de hervormde kerk en het Elderingshuis -allebei stenen gebouwen- stonden de huizen die gespaard bleven buiten de gracht. Acht huizen in de Veenstraat, de 33 arbeidswoningen die de E.B. juist een jaar daarvoor had laten bouwen, en enkele verspreide woningen vielen niet ten prooi aan de vlammen. In totaal werden 633 panden, waaronder het raadhuis, scholen, kerken, weeshuis en zeven textielfabrieken, verwoest. Maar liefst 3.675 personen werden dakloos.
     Een dag na de brand werd een Hoofdcommissie ingesteld die moest voorzien in de behoeften van “de door brand beroofden”, de zgn. Brand commissie. Uit Nederland stroomden giften binnen; kleding, levensmiddelen, tenten, dekens en financiële giften ter waarde van een kwart miljoen gulden. Verder werd er door 9 verzekeringsmaatschappijen een bedrag van ƒ 3.293.000,— uitgekeerd. De herbouw van de stad werd met elan ter hand genomen. De gemeenteraad nam de beslissing Enschede volgens het oude stratenplan te herbouwen, voor de bouw van openbare

_______________↓_______________


|pag. 43|

gebouwen werd geld geleend.(25 [25. idem])

     Een maand na de brand wordt de eerste bouwvergunning afgegeven en op 1 juli 1862 staan er al weer 99 woningen overeind. Nog een maand later zelfs 198.(26 [26. Notulen Raadsvergadering 31 juli 1862.]) De Enschedese Courant meldt op 5 augustus dat hele straten alweer herbouwd zijn en op 13 augustus dat er zowel voor de burgerklasse als de lagere klasse veel gebouwd wordt. Het gemeenteverslag van 1863 meldt dat er, anderhalf jaar na de brand, weer 630 panden zijn herbouwd. In het verslag van 1864 staat dat er in dat jaar 490 vergunningen zijn afgegeven en: “Het geheel der stad is dan ook weder hersteld; er zijn zeer veel aanzienlijke gebouwen; geen houten gevels meer; de stad heeft een fraai en ruim voorkomen; het brandgevaar is aanzienlijk verminderd”.
     Wat opvalt is dat, met de 490 aangevraagde bouwvergunningen in 1864 meegerekend, er rond 1865 zeker 1.100 woningen zijn herbouwd. Dat zijn er maar liefst ± 470 meer dan er in 1862 waren afgebrand. Omdat de bevolking in de betreffende jaren niet buitengewoon toegenomen is, van 4.330 personen in 1860 naar 5.092 in 1870,(27 [27. A. Blonk, a.w., p. 103.]) lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat veel van de mensen die na de brand een zelfstandige woonruimte kregen tot het tijdstip van de brand bij anderen -al dan niet gedwongen- inwoonden.
     Gezien het aantal gebouwde woningen was het in 1865 redelijk tot goed gesteld met de arbeidershuisvesting. In 1863 was dit volgens Benthem zeker nog niet het geval, vooral niet nadat op 21 april van dat jaar een nieuwe brand 19 van de door de E.B. gebouwde panden verwoest had. In 118 gevallen zouden 2 gezinnen bij elkaar gewoond hebben, in twaalf gevallen zelfs drie. Deze gevallen van samenwoning betroffen de 145 huizen van de Enschedese Bouwvereniging -112 ervan waren in 1862 gereedgekomen- die op de ‘Belt’ gebouwd waren en bekend stonden onder de naam de ‘Krim’.(28 [28. Gz.A. Benthem, a.w., pp. 266, 267.]) Ook Ter Weele noemt enige zgn. ‘verbrande burgers’ die tijdelijk in de Krim onderdak gevonden zouden hebben. Door de grote kapitaalbezitters, de ondernemers en de banken, werd niet veel geld beschikbaar gesteld voor woningbouw ten behoeve van arbeiders, dat heeft Enschede waarschijnlijk gespaard voor kazernebouw zoals in veel andere fabrieksplaatsen gebeurde.(29 [29. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w. p. 18.])

_______________↓_______________


|pag. 44|

     Waarschijnlijk hebben de fabrikanten al hun kapitaal in hun ondernemingen gestoken. De fabrieksgebouwen waren afgebrand en moesten herbouwd worden. Juist een jaar voor de brand was een begin gemaakt met de toepassing van stoomkracht in de weverijen; de noodzakelijke nieuwbouw bood nu de gelegenheid de fabrieksinrichting en de nieuwe machinale produktiewijze op elkaar af te stemmen. De nieuwbouw schiep de mogelijkheid de produktielijnen volgens de nieuwste techniese vindingen in te richten en daarvoor de allernieuwste machines aan te schaffen. In een bewaard gebleven briefwisseling tussen een Enschedese moeder en haar dochter die in Deventer op een kostschool zat staat onder 2 juni 1862 te lezen: “Willem gaat spoedig naar Engeland om nieuwe machines te bestellen …”(30 [30. C. Elderink, Het geslacht Blijdenstein, familieboek, gouda 1926, p. 339.]) En Willem zal zeker niet de enige geweest zijn. Feit is dat Enschede in 1861 dertien stoomweverijen telde en in 1867 maar liefst 34. In die periode vond de grote overgang naar het machinale fabrieksweven plaats en werd de huisindustrie verdrongen.(31 [31. A. Blonk, a.w., p. 76.]) Ongetwijfeld zou zonder de stadsbrand die overgang ook plaatsgevonden hebben, maar zeer waarschijnlijk heeft de brand de overschakeling naar fabrieksmatige produktie wel versneld.

wederopbouw

     De wederopbouw van Enschede werd met voortvarendheid ter hand genomen. Het ene huis na het andere verrees uit de as. In eerste instantie waren dit voornamelijk huizen van de wat meer kapitaalkrachtigen.
De arbeidershuisvesting moet, zeker vóór de winter van 1862, een groot probleem geweest zijn. De uitspraken van Benthem geven dit aan. Zij waren aanvankelijk aangewezen op de tenten die tijdens de aktie ‘Nederland helpt Enschede’ naar de ‘verbrande burgers’ waren gestuurd. Het vooruitzicht om een winter onder niet meer dan een dun textielen dak door te brengen moet evenwel niet erg aanlokkelijk geweest zijn.
     Tijdens een bespreking van de Brandcommissie van het probleem der arbeidershuisvesting werd het idee geopperd om voor ƒ 50.000,– van de verkregen giften aandelen te nemen in de Enschedese Bouwvereniging. Dit idee werd op 30 mei gelanceerd door B.W. Blijdenstein. Hij was behalve lid van de Brandcommissie en direkteur van de Twentsche Bank

_______________↓_______________


|pag. 45|

ook gemeenteraadslid en commissaris van de E.B.; een niet geringe verstrengeling van belangen in één en dezelfde persoon! De gemeenteraadsleden Loeff en Stroink, tevens aandeelhouder van de E.B., werden met de uitvoering van Blijdensteins voorstel belast. Op 16 juni 1862 besloot de Brandcommissie de E.B. nog eens ƒ 20.000,— te lenen voor de bouw van 30 woningen aan de Heurne, het latere ‘Sebastopol’. Tussen de Brandcommissie en de E.B. werd de overeenkomst gesloten dat in ruil voor de ingebrachte ƒ 50.000,— er voor 1 november 1862 100 woningen in de Krim bijgebouwd moesten zijn. De Brandcommissie verlangde ‘uitvoering ter goeden trouw’ van deze overeenkomst, anders moest de ƒ 50.000,— met rente teruggegeven worden. Binnen de E.B. was Jordaan tegen het plan omdat dan alles op één punt gebouwd zou worden en dit “strijdig met het primitieve doel en schadelijk voor de zeden der arbeiders” zou zijn. Jordaan stelde voor houten noodwoningen te bouwen van ƒ 240,— per stuk. Zijn plan werd echter verworpen en op 9 juli werd besloten 112 woningen in de Krim te laten bouwen voor ƒ 730,— per stuk, in totaal voor ƒ 8.760,—.
     Ruim drie maanden later, op 20 oktober, waren er al 64 woningen voor bewoning geschikt; de overige 48 zouden vóór 1 december bewoond zijn. Volgens de kommissarissen van de E.B. was de overeenkomst met de Brandcommissie een “…zaak die tot stand kwam met stellige afwijzing van het oorspronkelijke doel der vereniging: er werd zeer duur gebouwd en daardoor woningen verkregen wier redelijke huurprijs het vermogen van onze arbeider verre te boven zouden gaan; de grote nood echter en de onmiddellijke behoefte om daarin te voorzien kunnen als gegronde redenen aangevoerd worden dat men het belang der aandeelhouders zo verwaarloosd heeft”. Het citaat is gedateerd op 30 april 1863 en de gememoreerde afwijzing van de oorspronkelijke doelstelling der vereniging -woningen te verschaffen aan arbeiders die geen ‘onderstand’ genoten- is gelegen in het feit dat veel huurders niet in staat waren om de huur te betalen. Reeds op 30 december 1862 vroeg de E.B. de Brandcommissie om financiële hulp omdat de huurders veelal werkloos waren, op 2 maart 1863 werd nog eens ƒ 105,90 voor niet of gedeeltelijk betalende huurders gevraagd. De E.B. liet dus niet alleen 112 woningen, de zgn. ‘Nieuwe Krim’, bouwen met de gelden van de Brandcom-

_______________↓_______________


|pag. 46|

missie; ze liet de Brandcommissie zelfs de achterstallige huur betalen! De samenwerking tussen de E.B. en de Brandcommissie werd er echter niet door geschaad. Integendeel, op aandringen van de Commissie werden in 1863 nog eens 40 woningen -bekend onder de naam ‘Sebastopol’ gebouwd. Deze woningen werden gebouwd voor in totaal ƒ 26.580,—. Hiervan kwam ƒ 20.000,— uit een lening van de Commissie, een bedrag dat overigens noch in de boeken van de Brandcommissie, noch in de boeken van de E.B. terug te vinden is. De Commissie verplichtte zich zelfs tot het betalen van borgsommen voor de nieuwe huurders van Sebastopol.(32 [32. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w., pp. 20-23.])

     De personele bezetting van de bestuurszetels van de E.B. en de Brandcommissie buiten beschouwing gelaten, is het heel logies dat de Commissie bij de Bouwvereniging aandrong op het bouwen van woningen.
De nood was hoog. Er moest snel gebouwd worden, dus wat lag er meer voor de hand dan een bouwvereniging in te schakelen die zojuist was opgericht en die, getuige het afleveren van 33 arbeiderswoningen, bewezen had tot het bouwen van woningen in staat te zijn. Ook de manier waarop de Commissie bijdroeg aan de woningbouw, namelijk door de aankoop van aandelen voor ƒ 50.000,— was plausibel. Wat er daarna volgde valt echter het best te omschrijven met ‘financiële malversaties’. In ruil voor de ƒ 50.000,— werden 250 nieuwe aandelen uitgegeven; deze kwamen op naam van Loeff, Blijdenstein, Jannink en Stroink die allen al aandeelhouder van de E.B. waren. Op een later tijdstip verkocht de gemeente, in de persoon van deze vier heren van de Brandcommissie haar aandelen weer. Van de 250 aandelen werden er 95 geschonken (!) aan fabrikanten en hun familie. De overige aandelen werden tegen de helft van de aankoopsom op één na verkocht aan de aandeelhouders van het eerste uur: ook voornamelijk fabrikanten of hun familieleden. Del Canho -Kauffmann stelt dat de Brandcommissie de Bouwvereniging op vier manieren steunde. Zij verkocht goed renderende aandelen voor de halve prijs; de voor ƒ 50.000,– gekochte aandelen hebben ten hoogste ƒ 24.5 33,25 opgebracht. Zij leende ƒ 20.000,— uit zonder deze in de boeken te verantwoorden; regelrechte fraude dus. Verder schonk zij nog eens een bedrag van ƒ 1.500,— en betaalde

_______________↓_______________


|pag. 47|

zij voor 15 juni 1863 ten minste al een bedrag van ƒ 795,— aan onbetaalde huur of gerechtskosten.(33 [33. idem.]) Al met al deed de E.B. bij de wederopbouw van Enschede geen slechte zaken. De belangen van de mensen die in de gemeenteraad, de Brandcommissie en de Bouwvereniging zitting hadden waren verregaand met elkaar verweven. Vaak waren het fabrikanten of bankiers, vaak ook waren ze uit dezelfde familie afkomstig. Het gevolg van deze belangenverstrengeling was dat een belangrijk deel van de gemeenschapsgelden van de Brandcommissie uiteindelijk terechtkwam in de handen van enkele notabelen -voor het merendeel fabrikanten- die niet schroomden er persoonlijk voordeel mee te behalen.

2.4. VAN CRÊME TOT KRIM

     In 1861 bouwde de E.B. haar eerste huizen. Deze 33 aaneengebouwde woningen werden ten zuiden van de zogeheten Zuiderhagen gebouwd. De gemeente verhuurde hiertoe voor ƒ 30,— per jaar een stuk grond dat grensde aan de gemeente Lonneker en dat de ‘Belt’ genoemd werd. Deze rij huizen werd vanaf de aanvang ‘De Krim’ genoemd. In 1862 werden er na de brand nog eens 112 huizen bijgebouwd, de zgn. ‘Nieuwe Krim’.
Ten zuiden van de oude binnenstad was nu een komplex huizen verrezen dat drie straten, met in totaal 145 woningen, telde. (Zie kaartjes bij dit hfst). De straatnamen zijn in de loop der tijd enige malen veranderd. Direkt na de bouw werd er gesproken van de Eerste Krim, de Krim en de Oude Krim; in 1889 werd dit veranderd in respektievelijk Eerste, Tweede en Derde Krimstraat. In 1891 werden de straatnamen gewijzigd in Oranjestraat, Prins Mauritsstraat en Prins Frederik Hendrikstraat om uiteindelijk in 1899 definitief te worden vastgesteld als Oranjestraat, Mauritsstraat en Frederik Hendrikstraat.(34 [34. ‘Straatnamen in de gemeente Enschede’, aanwezig in gemeentearchief E’de.])
     De afbraak van het Krimkomplex vond plaats tussen 1929 en 1934, op de plek van de huizen bleef een kaal stuk grond over -het ‘Krimpleintje’- dat voor verschillende doeleinden gebruikt werd. Tijdens de oorlogsjaren werd door bombardementen een groot deel van de aangrenzende straten verwoest. Na 1945 kwam er een wederopbouwplan voor de binnenstad en de voormalige Krim werd hierin opgenomen.

_______________↓_______________


|pag. 48|

Woonden tot ongeveer 1860 arbeiders, middenstanders en fabrikanten dicht bij elkaar en stonden de arbeiders ‘in onmiddellijke aanraking met hunne werkgevers’, met de bouw van de Krim -en later Sebastopol- kwam hierin verandering en zette de ontwikkeling naar segregatie in.
Deze ontwikkeling bracht een door de parlementaire enquête kommissie van 1890 ondervraagde Enschedeër tot de uitspraak:

Toen beging men de dwaasheid om de arbeiders buiten de stad te brengen, in de Krim en in Sebastopol. In die plaatsen kwamen dus lieden van êêne kleur; de goeden daaronder zijn langzamerhand vertrokken, die voelden zich daar niet tehuis”.(35 [35. M.W. Heslinga, a.w., p. 12.])

     De naamgeving van de Krim roept enkele vragen op. Volgens Buursink wordt in het algemeen aangenomen dat de arbeiderswoningen de ‘Krim’ werden genoemd omdat de Krimoorlog (1853-1856) nog vers in het geheugen lag en een willekeurige naam, die tevens blijk zou geven van plaatselijke belangstelling bij het internationale gebeuren, wel geschikt leek. Echter, bij de verkoop van een perceel grond wordt in 1805 reeds de naam ‘Krim’ genoemd. Volgens Buursink is het goed mogelijk dat de Krim niets te maken heeft met het Rusies schiereiland maar zou het een verbastering zijn van het Franse ‘crème’ (modderpoel) zijn. Op de plek van de Krim zou ooit een modderpoel, ontstaan uit afvalwater van leerlooierijen en ververijen en de fecalieën van de Enschedeërs, gelegen hebben.(36 [36. J. Buursink, Historisch Stadsalbum van Enschede, Enschede 1975, pp. 48, 49.]) Hoewel de verbasteringstheorie van Buursink aannemelijk klinkt lijkt de naamgeving ‘Sebastopol’ aan de 40 huizen die een jaar na de Krimwoningen gebouwd werden eerder het verband tussen de naamgeving ‘Krim’ en de Krimoorlog te onderstrepen.
Wij denken dat alleen ethymologies onderzoek uitkomst zal bieden. De Krim is echter zeker geen toevallige naam. Zo is er in Noord-Oost Overijsel een plaatsje dat de Krim heet en ligt er in de buurt van Coevorden een dorpje dat Nieuwe Krim heet.

voorzieningen

     Benthem schrijft over de Krimwoningen:

Jammer dat, geheel in de geest van dien tijd, bij de bouw van dit complex zulk een hopelooze eenvormigheid werd in acht genomen. Daar

[afbeelding: dichtopeengepakte rijen]

_______________↓_______________


|pag. 49|

bij waren de achtergevels van de woningen eener dubbele rij op te vertrouwelijke afstand van elkaar. De invloed van de omgeving kon vooral op den latere bewoner, toen de omgeving dichtbebouwd was, geen gunstige invloed uitoefenen, daar zeer weinig wat aantrekt of behaagt, het gevoel streelt of het oog boeit, zijn dagelijks verblijf veraangenaamde en daarentegen veel van wat neerdrukt en beklemt hem omringde. Aan hygiëne werd in die tijd bij het ontwerpen van dergelijke woningen niet gedacht, zelfs niet aan het aanbrengen van voldoende licht en lucht”.(37 [37. Gz.A. Benthem, a.w., p. 244.])

     Bij Blonk valt iets soortgelijks te lezen:

De lage eischen, die toen aan arbeiderswoningen werden gesteld, deden de gebreken over het hoofd zien van die zeer beperkte tweekamer-woningen, welke zelfs als modellen werden aangeprezen, doch die nu alleen nog kunnen aantonen, dat de maatschappelijke waarde van een goede, woning in een vriendelijke omgeving toch nog niet hoog werd aangeslagen”.(38 [38. A. Blonk, a.w., p. 299.])

     Benthem vindt echter ook dat de feiten naar hun data gewaardeerd moeten worden en stelt dat de Krim in de tijd dat het pas gebouwd was dikwijls bezocht werd door bouwondernemers en industriëlen van elders.
Zij zagen in het Krimkomplex een model dat het in alle opzichten verdiende om als voorbeeld, te dienen. Een voorbeeld dat gevormd werd door vijf rijen afdakswoningen. Zo dicht op elkaar gebouwd dat een vergelijking met de Engelse ‘Back-to-backs’ niet misstaat. Woningen met de w.c. achter het huis en zonder tuin; zonder mogelijkheid om ‘achterom’ te gaan. Om achter het huis te komen moest men door de woonkamer, langs de bedsteden en door de zogenaamde kelder. Een lompenhandelaar of orgeldraaier die een paard nodig had om de kar te trekken moest met z’n beest dwars door het huis. Daarachter had ie vaak een stal gebouwd waar het dier een onderdak kon vinden. Ook hadden veel Krimbewoners een kippehok achter hun huizen; de kleine ruimte die ze hadden werd veelal helemaal volgebouwd en diende tevens om afval te storten of spullen op te slaan. Boven de benedenkamers was een zolderruimte die over de hele lengte van de rij huizen doorliep, om de drie huizen was

_______________↓_______________


|pag. 50|

een brandmuur gebouwd.
     Benthem stelt dat aan de hygiëne niet gedacht was toen de woningen gebouwd werden. Reeds in 1863, toen de tyfus die in Enschede woedde ten dele werd toegeschreven aan de toestand van veel oude woningen, werd opgemerkt dat men vreesde dat het in de Krim weldra niet beter gesteld zou zijn.(39 [39. idem.]) Het ophalen van huisvuil was voor de Krim vrijwel gedurende haar hele bestaansperiode een groot probleem. Al in 1862 waren er klachten over de rommel achter de woningen. Door onenigheid tussen de Bouwvereniging en de gemeente over wie de kosten moest dragen duurde het tot 1882 voordat er in de Krim een zgn. ‘tonnenstelsel’ werd ingevoerd. Het vuil achter de huizen bleef echter liggen. Zeker daar waar beesten werden gehouden lagen mestvaalten achter de woning. Op aandringen van de gezondheidskommissie werden huurders met uitzetting bedreigd wanneer ze niet eenmaal per week het vuil in tonnen verzamelden. In 1906 werden zelfs alle ‘getimmerten’ achter de huisjes weggehaald en de open ruimtes geplaveid. Toen in 1914 de bewoners verplicht werden om zelf afvaltonnen aan te schaffen deden deze al snel dienst als wasketels!
     Een ander misstand was de riolering. Na de brand werd voorzichtig begonnen met een systeem van overdekte riolen. In 1893 vroeg de E.B. de Krim aan te sluiten op de riolering in de aangrenzende Diezerstraat. Opnieuw ontstond onenigheid over wie de kosten betaalde. Het gevolg was dat de Krim van riolering verstoten bleef. Gootstenen en regenwaterpijpen bleven op de trottoirs lozen. Pas in 1928, toen de eerste huizen al waren afgebroken werd de Krim op het rioleringsstelsel aangesloten. Ook de drinkwatervoorziening was een probleem. In 1863 werd het water -uit de gemeentepomp- opnieuw afgekeurd. Er werd toen een extra pomp geplaatst. In 1889 besloot de gemeenteraad tot de aanleg van een gemeenschappelijk waterleidingnet. De E.B. wilde dat de Krim op dit net werd aangesloten. Opnieuw werd het een centenkwestie en na veel touwtrekkerij werd de Krim in 1892 aangesloten op het waterleidingnet. Op aanraden van de gemeente werd toen ook meteen de huur verhoogd.(40 [40. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w., pp. 3, 4 en 33-35.])

_______________↓_______________


|pag. 51|

     Bakker Schut noemt een aantal voorzieningen die bij een woningkomplex nodig geacht kunnen worden. Hij onderscheidt enerzijds voorzieningen met een ekonomies karakter als winkels, een wasserij, gezellentehuizen en centrale eethuizen en anderzijds voorzieningen met een sociaal karakter. Hieronder verstaat hij ondermeer kinderspeelplaatsen, badhuizen, buurthuizen, sportterreinen, parken, scholen en kerken.(41 [41. F. Bakker Schut, a.w., p. 152 e.v.]) In de Krim waren de meeste van deze voorzieningen niet aanwezig. Afgezien van haar ligging nabij het centrum zijn daar een tweetal hoofdredenen voor aan te geven. In de eerste plaats het denken over huisvesting en wijkvoorzieningen. Toen Bakker Schut zijn boek schreef stonden er van de Krim nog maar enkele huizen overeind.
Bij de bouw van de Krim ging het er simpelweg om te zorgen dat de arbeiders een dak boven hun hoofd hadden. Bij de lange werkdagen in de fabrieken was er geen tijd om te sporten of vermaak te zoeken in een buurthuis; bovendien dacht daar niemand aan, een volkssport als voetbal raakte pas na 1900 ingeburgerd. Fenomenen als kinderspeelplaatsen (en badhuizen) vormden nog geen reële verlangens of wensen in het bewustzijn van de arbeiders; de kinderen gingen op hun 12e jaar naar de fabriek en waren vroeg oud. Het eerste badhuis verscheen rond de eeuwwisseling door toedoen van Van Heek. Echter, parken kende Enschede er vele. De fabrikanten onderkenden al vroeg de noodzaak van groenvoorzieningen en schiepen de mogelijkheid voor ‘hun’ arbeiders en arbeidsters om op de vrije zondag een frisse wandeling te maken. Veel fabrikanten schonken de gemeente een fraai park of een stuk grond waar een park kon worden aangelegd.
     Een tweede belangrijke reden waarom de Krim weinig van de door Bakker Schut genoemde voorzieningen telde is gelegen in haar grootte.
Het ging om 145 huizen die door acht à negenhonderd mensen werden bewoond. Een kerk of school stond er niet in de Krim, in de nabije omgeving echter wel. Een wasserij of eethuis was er evenmin, maar dat gold waarschijnlijk voor geheel Enschede. Er was wel voorzien in de mogelijkheid alleenstaanden of kostgangers te huisvesten. Daartoe waren er in de Frederik Hendrikstraat drie twee-verdiepingswoningen gebouwd. Met deze logementshuizen verwachtte de Bouwvereniging in een reële behoefte te voorzien en huisvesting te verschaffen aan de al-

_______________↓_______________


|pag. 52|

leenstaande arbeiders en arbeidsters die als gevolg van de industrialisatie naar Enschede getrokken waren.
     Winkels of liever winkeltjes, waren er in de Krim bijna evenveel als huizen. Dat gold nog niet voor de periode tot 1890 toen er een enkele kruidenier of koopman in de buurt woonde. Vooral na 1900 waren er vele bewoners die een eigen handeltje dreven. Er was van alles te koop; niet alleen groente, fruit, brood, vlees en vis, maar ook zand om op de vloer te strooien of kolen en turf om een potkacheltje mee te stoken. In zekere zin was de Krim zelfvoorzienend. Verder waren er huizen waar drank gekocht kon worden -een enkele bewoner dreef een ‘stil’ kafeetje- en was er een enkel bedrijfje, doorgaans in lompen of oud ijzer. Ook in de aangrenzende straten, de Beltstraat, Diezerstraat en het deel van de Oranjestraat dat niet bij de Krim hoorde, was menig bedrijf gevestigd. Er waren koper- en blikslagerijen, lompenhandels, smederijen, een slachthuis, slagerijen en een graanhandel te vinden.(42 [42. Deze gegevens zijn ontleend aan de aanvragen die werden ingediend om een hinderwetvergunning te krijgen. De gegevens hieromtrent zijn door het gemeentearchief geinventariseerd.])
     Kortom de Krim en haar direkte omgeving vormden in verschillende opzichten een centrum van ekonomiese bedrijvigheid.

2.5. INRICHTING VAN DE HUIZEN

     Naast het schetsen van de uiterlijke kenmerken van de Krim -haar ligging in Enschede, de bouw van de huizen en de voorzieningen die er in de buurt waren- is het van belang enig inzicht te krijgen in de inrichting van de woningen, het interieur en de wijze van bewoning.
Met behulp van schriftelijk bronnenmateriaal is het moeilijk om aan gegevens over deze vragen te komen. In ons geval bood een interview met meneer R. (*) een oud Krim-bewoner, uitkomst.(43 [43. Het interview met meneer R. is niet door onszelf afgenomen. Het werd ons, met zijn toestemming, ter beschikking gesteld door het Textielmuseum te Enschede dat, voor hun tentoonstelling over de Krim, bij hem te rade ging over het uiterlijk en het interieur van een Krimwoning.
We hebben de geinterviewden bij hun initialen genoemd. De reden hiervoor is dat we niet officieel om hun toestemming gevraagd hebben om hun namen voluit te schrijven en omdat we van een enkeling weten dat ie liever niet met naam en toenaam genoemd wil worden. Vandaar, m.u.v. een alom bekende Krimbewoner, de initialen. Achteraf bedachten we dat het beter en prettiger was geweest de voornamen te gebruiken of een gefingeerde naam te nemen.]
)

  • Zijn verhaal is het verhaal van één bewoner en is gebaseerd op de situatie in de 20e eeuw. Een generalisatie kan dus niet gemaakt worden. Niettemin geven zijn opmerkingen een duidelijk beeld van inrichting en bewoning van een Krimwoning en denken wij dat hetgeen hij vertelt ook voor andere bewoners representatief geacht mag worden.

[afbeelding: Een interieur rond 1930]

_______________↓_______________


|pag. 53|

Het verhaal van meneer R:

“We hadden voor een keuken, een vierkante keuken van ongeveer 4 bij 4 meter. De woonkeuken noemden we dat. Er lagen rooie en grijze stenen in; in een vierkant. Er lag niets op de vloer, alleen zondags gingen we schoon zand halen bij de oude ‘Kadater’. Dat zand droogden we op een oud kacheltje of op ’t fornuis, daarna strooiden we dat door de keuken, dan hadden we zondag. Achterin de woonkeuken zaten twee bedsteden met een deur ertussen. Er zaten houten blinden voor. Als we ’s avonds naar bed moesten deed mijn vader de blinden dicht. We sliepen op stro en tussen oude dekens en jassen. Lakens kenden we niet. Onder de beddeplank was een lege ruimte, daar deden we wel eens aardappelen en bieten in. De muren van de bedsteden waren opgeteerd omdat we last van wandluis hadden. De andere muren waren gewit met carbitkalk, tegen het ongedierte. We sliepen in de bedstee met drie wichten aan het voeteneind en drie jongens aan ’t koppenend, zes kinderen sliepen in één bedstee. In de andere bedstee sliepen vader en moeder.
Die sliepen later in een ijzeren ledikant onder het raam. We hadden toen 9 kinderen en moesten de bedstee delen …

     … Naast de voordeur zat het raam. Voor ’t raam zat een smal vensterbankje met fucsia’s ervoor. We hadden wel gordijnen voor het raam, gewone gladde gordijnen. Van katoen, wit met een randje. Die kon je losschuiven; wij hadden ze meestal dichtgeschoven want we wouden niet dat ze erin konden kijken. Niet iedereen had gordijnen, daar hadden ze geen centen voor. Onder de schoorsteen stond ’t fornuis, als ’t koud was zetten we er ook nog een kacheltje voor. Een vuurduveltje, een ouderwetse potkachel, een driegatskachel. De zomerdag ging dat kacheltje vort. We hadden een ouderwets zwart fornuis. Er waren ook lui met Belgiese fornuizen, van die witte, dit waren meest lui uit woonwagens. Naast het fornuis stond een kolenkit en ook een oude houten stoof. Op ’t fornuis stonden een geëmailleerde koffiekan en theepot. Voor ’t eten hadden we nog gewone geëmailleerde potten en ook wel ijzeren potten met zo’n handhengsel eraan …

_______________↓_______________


|pag. 54|

     … Midden in de keuken hing een petroleumlamp aan de zolder, een hele ouderwetse. Later kregen we elektries. Maar als dat kapot was had m’n moeder zo’n pitje staan. Dat gebruikten we ook als we het licht niet konden betalen en ’t werd afgesneden. Onder de lamp stond een tafel met stoelen. Een gewone houten tafel, die schuurden we met zand want we hadden toch geen tafelkleed. Om te eten hadden we blikken borden en kroesjes, we hadden ook wel van die witte kommen. In de tafel zat een tafella, daar zaten de lepels en vorken in. Die waren van hout, later hadden we ook ijzeren. Voor kleine kinderen gebruikten we houten lepels en vorken want we waren bang dat ze zich anders zouden bezeren. We hadden een stuk of zes stoelen met biezen matten erop. We hadden een klok aan de muur hangen, zo’n staartjesklok, met een slinger erin en een glazen deurtje d’r voor. En we hadden bordjes langs de deur aan de muur hangen. En er stond een houten kabinet met een dubbele deur, die was ongeveer 2m. hoog en 1.20m. breed. Daar hadden we ook kleren in …

     … Achter ’t kelderluik was een ruimte, die hadden we verhuurd aan P. De huur was twee kwartjes of zoiets. Daar stond een ledikant in met beddegoed. En er stond een kacheltje in, ze hadden een gat in de muur gemaakt en daar stond de kachel voor. Op de vloer lag een biezen mat. Links van de deur zat een klein raam en rechts een groot, daar keek je door in de paardestal en de w.c. achter het huis. P. was een lompenkoopman, de lompen had ie buiten achter de schuur. Later is P. eruit gegaan en toen hebben wij die ruimte gebruikt om haringen in te maken. Er stond ook een kachel in, daar moesten we mosselen op koken en dan opboren en inmaken in flessen…

     … Met de trap op ’t kelderluik kon je naar de zolder. Daar hadden we hooi op liggen en stro en daar sliep de knecht in. Er zaten geen brandmuren tussen, als je bij ons naar de zolder ging kon je bij iedereen over de zolder lopen. En dan had je achter het huis zo’n klein smal straatke, ‘stoepke’ noemden we dat. Daar had je een goot langs lopen en daar stond dan de w.c. aan. Daar stond zo’n tonnetje in en daar zat zo’n houten bord op, een rond houten bord en daar een

_______________↓_______________


|pag. 55|

rond bord overheen met een knopke van hout. Voor het huis waar we woonden hadden we ook een gootje, dat deden we schoonhouden. Dat noemden we ’t ‘guttenstroatje’. Daar piste je in, daar poepte je in (de kinderen w.s.) en daar had je een put in zitten waar het water in liep. In die goot deden ze ook de ‘eerdappel’n schudden’. Naast de w.c. had je ook nog een beetje ruimte en daar hadden we een hok staan, een schuurtje. Daar kon je rommel indoen. En de handkar, die er niet in kon, zetten we voor het huis”.

2.6. LIEDEN VAN EEN KLEUR

     Een aantal Enschedese notabelen, grotendeels fabrikanten, besloot tot oprichting van de Enschedese Bouwvereniging op een tijdstip dat er sprake was van woningnood. De Vereniging wilde woningen bouwen voor de arbeidersstand, maar hoopte tegelijkertijd dat de aandeelhouders er ook ‘rekening’ bij mochten vinden. De arbeiders aan wie de E.B. wilde verhuren mochten geen ‘onderstand’ genieten; de aandeelhouders wilden zeker zijn van een geregelde huurbetaling.
     Met de bouw van de Krim begon een nieuwe ontwikkeling binnen de Enschedese huisvestingsgeschiedenis. Voor het eerst was er sprake van een duidelijke en bewuste segregatie van arbeiders. Om de geënquetteerde Enschedeër -met wiens citaat dit hoofdstuk opent- nog eens aan te halen: “Men beging de dwaasheid de arbeiders buiten de stad te brengen. In die plaatsen (Krim, Sebastopol) kwamen dus lieden van ééne kleur: de goeden daaronder zijn langzamerhand vertrokken”.
     Binnen de Bouwvereniging was Jordaan vanaf de aanvang een tegenstander van het plan om alle woningen op één punt te bouwen, mede omdat dat schadelijk zou zijn voor de zeden der arbeiders. In 1863 bleek dat velen zijn bezwaar deelden. Door de haast, geboden door de situatie na de brand, zou er echter geen tijd geweest zijn om een meer geschikte plaats te zoeken.(44 [44. J.C.H. del Canho-Kauffmann, a.w., pp. 20, 21.]) Dat roept de vraag op of in een situatie waarin geen haast geboden zou zijn geweest men wèl tot de bouw van het Krim-komplex was overgegaan. Het antwoord op deze vraag blijft spekulatief, maar het is waarschijnlijk dat de Krim meer uit

_______________↓_______________


|pag. 56|

nood geboren is dan dat het een bewust, op lange termijn, geplande bouwaktiviteit was. Overigens lijkt ook enig opportunisme van de aandeelhouders van de E.B. -de situatie na de brand kreëerde lukratieve mogelijkheden voor de Bouwvereniging- aan de basis van de bouw van de Krimwoningen te liggen.
     De kwaliteit van de nieuwe Krimwoningen was niet al te best. Daarvan getuigt het feit dat architekt Koch zijn laatste salaris van ƒ 300,— niet uitbetaald kreeg omdat door zijn zorgeloosheid de 112 woningen zo slecht gebouwd zouden zijn.(45 [45. idem.])
     En wie zouden de Krim gaan bewonen? De arbeiders die ‘geenen onderstand’ genoten en waarvoor de E.B. zich ten doel stelde te bouwen?
In 1862 werd daaromtrent in een ingezonden kranteartikel reeds de nodige twijfel geventileerd. De briefschrijver heeft

“… met leedwezen vernomen dat het plan van de 112 arbeiderswoningen is aangenomen en alle bij elkaar geplaatst! Een noodlottig plan, dat niet zal nalaten zijn wrange vruchten te dragen. Hoe zal het nu gaan met de obligatiën genomen door de commissie van onderstand? Ik vrees slecht, veel slechter dan men elkander heeft trachten wijs te maken. De wijk, bijgenaamde de Krim, zal door de opeenhoping van arbeiders geheel gedemoraliseerd worden; reeds nu trokken de huurders die anders konden, niet naar de Krim en de slechtste kwamen daar: zelfs den 7 Mei stonden nog een paar woningen ledig. Als nu de grootste behoefte aan woningen geweken zal zijn, als de eigenaars van arbeiderswoningen met den herbouw weder klaar zullen zijn, zal de Krim gedeeltelijk ledig staan en dit vooruitzigt moet nadelig op de prijs der obligatiën werken…”(46 [46. Enschedesche Courant, 23 juli 1862.])

In het volgende hoofdstuk zal blijken in hoeverre de twijfels van de briefschrijver werden bewaarheid.

_______________↓_______________


|pag. 57|

[kaart 1]

Enschede in 1884. De Krim was het eerste woningenkomplex dat buiten de grachten gebouwd werd.

_______________↓_______________


|pag. 58|

[kaart 2]

[Stratenplan van de Krim en de naaste omgeving in 1912]

_______________↓_______________


|pag. 59|

[kaart 3]

[Het centrum van Enschede in 1912. De lange rijen Krimwoningen vallen meteen op. Rechtsboven is Sebastopol te zien.]

_______________↓_______________


|pag. 60|

[kaart 4]

Enschede in de jaren ’30. Op de plaats van de voormalige Krimwoningen ligt nu het Krimplein.
 
– Bosch, M. & Jagt, G. (1983). Al is de Krim ook nog zo min: Geschiedenis van een Enschedese volksbuurt, 1861-1934. (Doctoraalscriptie). Economiese en Sociale Geschiedenis, Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen.

Category(s): Geen categorie
Tags: ,

Comments are closed.