Hoofdstuk 3. De Arbeiders 1861-1893

_______________↓_______________


|pag. 61|

Hoofdstuk 3 De Arbeiders 1861-1893

In zijn sociografiese schets van Twentse textielarbeiders gaat Heslinga in op de vraag of er voor 1880 al sprake is van ‘het Twentse textielproletariaat’. Hij konkludeert dat dat niet het geval kan zijn en dat de meeste arbeiders in de Enschedese en Almelose textielfabrieken voor 1880 “in wezen nog halve plattelanderst” zijn, die niet dachten “in klassen, die tegenover elkaar staan, maar in standen die op elkaar betrokken zijn”. Voor 1880 kan er volgens Heslinga hoogstens sprake zijn van een geproletariseerde fabrieksarbeidersgroep in de Twentse steden en hij vervolgt:

Een deel van de bewoners van buurten als de Krim en Sebastopol, in het algemeen van de meer verstedelijkte arbeiders, zal wel, en dan nog tot op zekere hoogte, geradicaliseerd te noemen geweest zijn. Tot op zekere hoogte, dat wil zeggen dat er zich een gevoel van onbehagen van had meester gemaakt, een zekere ontevredenheid. Eet komt ons evenwel niet waarschijnlijk voor, dat uit deze bevolkingsgroep nog veel textielarbeiders werden gerecruteerd: verschillende oude arbeiders hebben ons tenminste verzekerd dat alleen de ‘nette mensen’ hun kinderen naar de fabriek stuurden in die tijd en dezen hielden er niet van in de Krim en dergelijke te wonen” (‘net’ is in dit geval het tegenovergestelde van geproletariseerd).(1 [1. M.W. Heslinga, a.w., p. 14.])

     Tegenover dit citaat van Heslinga kunnen we een citaat van Johan Buursink stellen die over de Krim, Sebastopol en Hoog en Droog schrijft:

Dit waren oorspronkelijk zeer fatsoenlijke arbeidersbuurten, maar elk oud Enschedeër weet, dat vooral beide eerstgenoemde complexen in de loop van een halve eeuw degradeerden tot de onaanzienlijkste krottenwijken van Enschede…”.(2 [2. J. Buursink, a.w., p. 47.])

     Was de ‘Krim’ in de eerste decennia na haar ontstaan die ‘fatsoenlijke arbeidersbuurt’ waar Buursink over spreekt, woonden er in die tijd de fabrieksarbeiders waarvoor ze oorspronkelijk gebouwd was, of werd de Krim al snel door dezen gemeden, die naar wij het in het vorig hoofdstuk vernomen, liever een huis met een stukje grond hadden en die wens ook voor een deel konden verwezenlijken?

_______________↓_______________


|pag. 62|

     Voordat we deze vraag kunnen gaan beantwoorden moeten we eerst het een en ander opmerken over de bevolkingsgegevens van 1866, ons peiljaar voor de eerste periode. De bevolkingsregisters van Enschede tot 1880 zijn in zeer slechte staat, ze waren niet bruikbaar voor ons. Omdat de gemeente na de brand van 1862 geen goed overzicht meer had is er in 1866 een telling langs de huizen gehouden. De resultaten hiervan werden genoteerd in enkele oude registers.(3 [3. Bevolkingsregister 1, folio 168 e.v./ Gemeenteverslag 1866.]) Uit deze telling hebben we de bevolking van de Krim weten te achterhalen.
     In het register waren geen adressen vermeld, we vonden echter een groot aantal namen bij elkaar die ook in de boeken van de Enschedese Bouwvereniging stonden. Via vergelijking van voornamen en initialen hebben we 115 hoofdbewoners weten terug te vinden, waarvan we vrijwel zeker zijn dat ze in de Krim woonden. Op basis daarvan kunnen we een redelijk betrouwbaar beeld geven van de oudste bewoners, we hebben immers bijna 80% van het maximaal aantal hoofdbewoners (145) teruggevonden. Het is mogelijk dat er enkele bewoners van Sebastopol tussen zitten, maar dat mag geen bezwaar zijn omdat er dezelfde soort mensen woonden.(4 [4. De redenen waarom we niet alle bewoners gevonden hebben:
– de namen der huurders staan in de boeken der E.B. niet op volgorde van de huisnummers.
– in het bevolkingsregister 1 stonden tussen de namen der Krimbewoners af en toe ook namen die niet in de boeken der E.B. voorkwamen. Waarschijnlijk zijn dit bewoners van omringende straten. Daarom hebben we enkele veel voorkomende namen als b.v. Amelink niet in de telling opgenomen als we niet heel zeker waren of de persoon in het bevolkingsregister dezelfde was als in de boeken der E.B.
– er zitten enkele gezinnen tussen die uit andere registers komen, namelijk de nummers 35 t/m 38. Deze hadden we al gevonden voordat we de telling van 1866 tegenkwamen. Hier kunnen Sebastopol-bewoners tussenzitten.]
)

3.1. ENSCHEDE NA DE BRAND

     Geleidelijke groei kenmerkt de jaren die volgden op het herstel van de afgebrande stad. In deze tijd vond de overgang plaats van het thuisweven naar het fabrieksweven met stoomkracht. Deze overgang ging zeer geleidelijk. In 1881 is er nog steeds sprake van thuiswevers die naar de stedelijke fabrieken trokken. De geleidelijke groei van de textielindustrie spreekt ook uit de toename van het aantal weefgetouwen en spindels in de fabrieken.(5 [5. Gegevens afkomstig uit de verslagen van de K. van K.])

tabel 1 weefgetouwen en spindels in Enschede 1873-1882, (bron: verslagen van de Kamer van Koophandel).
 

jaar weefgetouwen spindels
1873 3.358 68.700
1876 3.574 72.500
1879 3.599 81.648
1882 4.168 84.978

 

_______________↓_______________


|pag. 63|

Uitgedrukt in percentages van 1873 nam het aantal weefgetouwen jaarlijks toe met 2,7% en het aantal spindels met 2,6%.
     De werkgelegenheid in de fabrieken van Enschede en Lonneker nam hierdoor ook toe. Het aantal arbeidskrachten groeide zelfs sneller dan de bevolking. Tussen 1871 en 1881 nam het aantal arbeidskrachten in de fabrieken toe met 3.531, terwijl de bevolking slechts met 2.740 mensen toenam.6 [6. Gegevens afkomstig uit gemeenteverslagen van Enschede en Lonneker.] Het toegenomen aantal arbeidsplaatsen blijkt dan voornamelijk bezet te zijn door bewoners van Enschede en Lonneker zelf.(7 [7. We hebben voor deze periode Enschede en Lonneker samengenomen omdat ze min of meer een ekonomiese eenheid vormden. Enschede werd vrij nauw ingesloten door Lonneker grondgebied. Een deel van de fabrieken der Enschedese fabrikanten stond in Lonneker. Lonneker arbeiders werkten in Enschede en Enschedese arbeiders in Lonneker. In 1884 werd een deel van Lonneker grondgebied door Enschede geannexeerd, zodat we voor de periode 1890-1900 alleen Enschede bekijken. Door de annexatie van 1884 ontstaat er ook een vertekend beeld van de Enschedese bevolkingsgroei, dat we op deze manier willen korrigeren. Zie ook Blonk, a.w., p. 103.])
Daarin weerspiegelt zich de overgang van huisarbeid naar fabrieksarbeid. In de fabrieken nam vrouwenarbeid een steeds grotere plaats in. Dat blijkt uit de verdeling van de werkgelegenheid naar sekse en leeftijd.

tabel 2 werkgelegenheid verdeeld naar sekse en leeftijd in Enschede en Lonneker 1871-1881 in %, (bron: gemeenteverslagen)
 

sekse en leeftijd 1871 1881
mannen:
boven 16 jaar 51.3 47.5
onder 16 jaar 12.7 11.3
totaal 64 58.8
vrouwen:
boven 16 jaar 26.9 32.6
onder 16 jaar 9.1 8.6
totaal 36 41.2

 
Ook de toename van het aandeel van de vrouwenarbeid wijst erop dat de textielfabrieken de arbeidskrachten in deze jaren voor een groot deel uit de eigen bevolking betrokken. De groei van de bevolking van Enschede en Lonneker is dan ook nog geleidelijk te noemen in vergelijking met de jaren rond de eeuwwisseling.

_______________↓_______________


|pag. 64|

tabel 3 bevolkingsgroei van Enschede en Lonneker 1870-1900, (bron: gemeente verslagen)
 

bevolkingsgroei 1870 1880 1890 1900
Enschede 5.238 5.440 15.625 25.707
Lonneker 10.664 13.102 7.631 12.236
toename in % (*) 17.2 24.7 63.2
* toename in % = groei in percentages van de voorgaande kolom.

 

Het is duidelijk zichtbaar dat de grote groei van Enschede pas na 1890 plaatsvond. In de jaren ’70 scheen de bevolkingsgroei zelfs af en toe het tempo van de industriële groei niet te kunnen volgen. Er bestond vraag naar arbeidskrachten ten gevolge waarvan de lonen stegen. Verschillende arbeiders konden daarvan nog iets opzij leggen, met de bedoeling een huis te kunnen bouwen. Van deze twee-onder-een-kap- huizen werd dan de helft verhuurd.(8 [8. Verslag K. van K. 1873 en 1882.])
     De groei van de industrie was echter niet altijd even stabiel.
Vooral na de brand waren er moeilijkheden. Een aantal fabrieken was door de brand in de as gelegd en het duurde tot 1865 voor ze allemaal weer overeind stonden. In de tussenliggende jaren lagen de fabrieken die wel konden draaien vaak stil ten gevolge van hoge katoenprijzen.
In de winter van 1882 werd naar aanleiding van een oproep van de Kamer van Koophandel een Kommissie gevormd uit de gegoede ingezetenen om via werkverschaffing in de behoefte aan arbeid te voorzien. Met medewerking van deze kommissie werden de stadsgrachten gedempt en de straten der stad schoongemaakt. Pas in 1865 ging het weer beter, behoefte aan werkvolk deed de lonen stijgen.9 [9. Gemeenteverslag 1865 en gem. verslag 1863.]
     We zullen hier niet verder het wel en wee van de Enschedese industrie bespreken. Als achtergrond voor het verhaal over de Krim in deze periode zijn de globale indrukken die we hier gegeven hebben voldoende. Voorzover de ontwikkelingen op ekonomies gebied verder nog van belang zijn wordt er op ingegaan waar dat noodzakelijk is.

_______________↓_______________


|pag. 65|

3.2. HERKOMST VAN DE BEWONERS

     Gezien tegen de achtergrond van wat we in de vorige paragraaf hebben opgemerkt zal het geen verwondering wekken dat de bevolking van de Krim in 1866 voor een groot deel bevolkt werd door geboren Enschedeërs.

tabel 4 geboorteplaatsen van gezinshoofden 1866 (N=115), (bron: bevolkingsregister)
 

plaats % plaats %
Enschede 53 elders in Nederland 7.8
Lonneker 16.5 Duitsland 7.8
elders in Twente 14.8
totaal 84.3 15.6

 
In deze gegevens vinden we het beeld terug van Enschede als een industriestad die haar arbeidskrachten voornamelijk betrekt uit de eigen gelederen en het omringende platteland, de landbouwende bevolking en de handwevers. Rond de 80% kwam uit Enschede zelf of uit het gebied binnen een straal van 15km daaromheen, ofwel een afstand van 3 uur gaans.
     Wel moeten we bij deze tabel bedenken dat het slechts een momentopname is en dat met name in de jaren ’80 de verhouding zich gewijzigd zal hebben. Er zullen meer mensen zijn die elders in Twente geboren zijn en minder geboren Enschedeërs. Dit is het gevolg van een toegenomen vestigingsoverschot, dat bijvoorbeeld in 1885 537 tegen 303 in 1880 bedroeg en 109 in 1875. Het blijven echter nog voornamelijk mensen uit de direkte omgeving. De migratie van verderweg komt pas eind jaren ’80 langzaam op gang om na 1895 sterk toe te nemen. (Zie par. 4.2.).

3.3. BEROEPEN

     Nu we gezien hebben waar de mensen die rond 1870 in de Krim woonden vandaan kwamen en dat geplaatst hebben tegen de achtergrond van

_______________↓_______________


|pag. 66|

de ontwikkeling van Enschede als opkomende industriestad, zullen we ons meer direkt gaan bezighouden met de vraag die we aan het begin van dit hoofdstuk gesteld hebben: was de Krim in de beginjaren een arbeidersbuurt? Tabel 5 geeft de indeling van de beroepen die we in de bevolkingsregisters aantroffen volgens het schema dat we in hoofdstuk 1 gegeven hebben.

tabel 5 beroepsbevolking van de Krim in 1866, (bron: bevolkingsregister)
 

kategorieën hoofden (N=117) totaal (N=206)
aantal % aantal %
I kleine middenstand 8 6.8 8 3.9
     a. winkeliers 5 4.3 5 2.4
     b. zelfstandige ambachtslieden 3 2.5 3 1.5
II arbeiders 76 65 180 87.4
     a. handwerkers 1 0.9 1 0.5
     b. fabrieksarbeiders 62 53.0 159 77.3
     c. bouwvakkers 12 10.2 19 9.2
     d. rest 1 0.9 1 0.5
III marginalen 16 13.7 18 8.7
     a. zelfstandigen:
          1. verkopers van arbeid 4 3.4 5 2.4
          2. verkopers van goederen 4 3.4 4 1.9
     b. loonafhankelijken 8 13.6 9 4.4
IV zonder 17 14.5

 
Deze tabel roept enkele vragen op. Onder I b. staan drie zelfstandige ambachtslieden, het gaat om een bakker, een kleermaker en blikslager, waarvan niet geheel duidelijk is of ze voor zichzelf werken of voor een werkgever. Je zou verwachten dat er in de huizen van de Krim nauwelijks ruimte was voor het uitoefenen van een bedrijf. We weten echter dat er in latere jaren een aantal panden als timmerwerkplaats of lompen-opslagruimte gebruikt werden. In 1863 was er ook een aanvraag voor een bakker die in Sebastopol 2 woningen wilde huren om een bakkerij te vestigen. Dit werd door de E.B. goedgevonden als hij bij vertrek de panden weer in oorspronkelijke staat opleverde.

_______________↓_______________


|pag. 67|

     De bakker uit onze telling huurde ook twee panden. Het is dus waarschijnlijk dat hij zijn bedrijf erin uitoefende. Van de blikslager weten we dat hij een van de twee-verdiepingshuizen huurde, die eigenlijk als logement bedoeld waren en door de bouwvereniging moeilijk verhuurd konden worden.(10 [10. Zie hoofdstuk 2, noot 16]) Mogelijk oefende hij op de onderverdieping zijn bedrijf uit. De kleermaker huurde slechts 1 pand en had waarschijnlijk zijn atelier in het achtervertrek, zoals dat ook in latere jaren bij een kleermaker het geval was.(11 [11. interview met men. R.]) Op grond van deze argumenten delen we deze ambachtslieden in bij kategorie I.
     De groep bouwvakkers bestaat uit 4 metselaars, 6 timmerlieden, een schilder en een polderwerker. De timmerlieden huurden geen werkplaats in een pand van de E.B. Waarschijnlijk waren het dus bouwvakkers die in dagloning de kost verdienden. Opvallend is dat er in 1866 geen opperlieden in de Krim woonden.
     In de kategorie ‘zonder beroep’ treffen we 3 weduwnaren en 13 weduwes aan, voor wie de kinderen, die wel een beroep hadden, de kost verdienden. Een gehuwde man stond ook vermeld als zijnde zonder beroep. Hij was Jansenist en afkomstig uit Amsterdam, een vreemde eend in de Krim, waar verder alleen hervormden, katholieken en enkele joden woonden. Uit de beroepsindeling van de gezinshoofden blijkt al dat de Krim in 1866 inderdaad een arbeidersbuurt was. De kategorie marginale beroepen is nog niet sterk vertegenwoordigd. Ze bestaat uit enkele kleine handelaren, hoofdzakelijk Joodse kooplieden, waarvan er een in parapluus handelde. Daarnaast was er ook een marskramer.
De anderen in deze kategorie zijn dagloners en dagloonsters, losse arbeidskrachten waarvan niet bekend is wat voor werk ze deden. Als we alle mensen die een beroep uitoefenden meetellen, dus ook gehuwde vrouwen, kinderen en kostgangers, dan blijkt nog duidelijker dat de Krim in de eerste jaren een arbeidersbuurt was. Dat is te zien in de tweede kolom van tabel 5.
     De arbeid van kinderen is hier niet ‘kinderarbeid’ in de gebruikelijke zin van het woord. Kinderen zijn hier alle kinderen die ongehuwd waren en bij hun ouders inwoonden. Zij werkten bijna allemaal in de fabrieken, een enkele bouwvakker uitgezonderd. Tezamen maken ze 62% van het aantal fabrieksarbeiders in de Krim uit. Als we deze

_______________↓_______________


|pag. 68|

groep naar leeftijd indelen dan kunnen we ook de ‘echte’ kinderarbeid eruithalen, namelijk van kinderen jonger dan 16 jaar. Vanaf 16 jaar werd men in deze tijd als volwassene geteld.(12 [12. In de gemeenteverslagen is dit het geval.])

tabel 6 kinderarbeid 1866, (bron = bevolkingsregister)
 

leeftijd jonger dan 12 jaar 12 – 16
sexe M. V. totaal M. V. totaal
fabrieksarbeider/ ster 5 2 7 16 7 23
zonder beroep 15 17 42

 
In deze kategorie 16 jaar en ouder bevinden zich de meeste ‘kinderen’, 35 fabrieksarbeiders en 27 -arbeidsters. Opvallend is dat in de groep 12 tot 16 jarigen het aantal kinderen waarbij geen beroep vermeld staat 2 keer zo groot is als waarbij wel een beroep staat. Voor meer dan de helft zijn dit meisjes, die waarschijnlijk thuis gehouden werden om in de huishouding te helpen.
     Naast 36 ongehuwde fabrieksarbeidsters waren er in de Krim 4 gehuwde vrouwen die in de fabriek werkten. Samen vormden ze 27.2% van het aantal mensen dat in de fabriek werkte. Dat is wat aan de lage kant als we dat vergelijken met de cijfers van Enschede en Lonneker in 1871, (zie tabel 3). Volgens gegevens over 1866 (13 [13. Gemeenteverslagen Enschede en Lonneker 1866.]) maakten vrouwen 31.8% van het aantal fabrieksarbeiders uit, dat komt al dichter in de buurt. Gezien het karakter van de Krim zou je eigenlijk een minstens zo groot of nog groter percentage vrouwen verwachten dan voor geheel Enschede en Lonneker. We hebben gezien dat tussen 1866 en 1871 alsook tussen 1871 en 1881 het aandeel van de vrouwen in de fabrieksarbeid toenam. We mogen dan ook aannemen dat het aantal vrouwen uit de Krim dat in de fabrieken werkte wat hoger lag dan wij gevonden hebben en na 1866 ook meegegroeid is.
     Onder de gehuwde vrouwen waren er geen die voor kinderen moesten zorgen. Twee ervan hadden (nog) geen kinderen en twee hadden oudere kinderen die in de huishouding konden helpen. Gehuwde vrouwen gingen dus nauwelijks mee de fabriek in en als ze kinderen op te voeden hadden al helemaal niet. Wel moesten ook de meisjes meehelpen ver-

_______________↓_______________


|pag. 69|

dienen totdat ze gingen trouwen, echter wel in mindere mate dan jongens.
     Enkele vrouwen stonden aan het hoofd van een huishouden: de weduwes. Vier van hen verdienden zelf de kost door betaalde arbeid, 2 waren dagloonsters, 1 was naaister en een slaapsteehoudster. Van de overige weduwes verdienden de kinderen.

3.4. INKOMENSPOSITIE

     Voor het beantwoorden van de vraag of de Krim-bewoners aan de inkomsten uit hun arbeid ook rond konden komen moeten we een aantal faktoren in de beschouwing betrekken. Op de eerste plaats de lonen. Volgens een staat van de Nijverheid in Enschede uit 1871 (14 [14. Gemeenteverslag 1871.]) lagen de werklonen in de fabrieken tussen ƒ 3,60 en ƒ 7,50 voor mannen en tussen ƒ 3,60 en ƒ 6,50 voor vrouwen. De lonen van jongens en meisjes onder de 16 jaar lagen tussen ƒ 1,— en ƒ 6,—.
     Of deze lonen toereikend waren hangt af van de prijzen, de gezins grootte en het aantal mensen per gezin dat een inkomen inbracht. Behalve over de huur hebben we geen gegevens over prijzen. Een huur van 90 cent per week betekende voor de laagstbetaalden, waar het gezin van het inkomen van één kostwinner afhankelijk was, een flinke aanslag op de portemonnee. Van de ƒ 3,60 moesten ze een kwart afdragen aan huur. Waarschijnlijk bleef er dan te weinig over om voldoende te eten en een beetje gekleed te gaan.
     Van alle gezinnen in de Krim waren maar liefst 60% aangewezen op het inkomen van 1 kostwinner, 30% had er 2 of 3 en 10% 4 of meer.
Voor het grootste deel bestonden de gezinnen met 1 kostwinner echter uit minder dan 5 personen. Er blijven dan een stuk of 10 grote gezinnen over die van een loon afhankelijk waren en het waarlijk niet breed gehad zullen hebben.
     Deze gegevens bieden niet voldoende houvast om te konkluderen of de lonen in het algemeen toereikend waren voor het levensonderhoud van de gezinnen. Daarom moeten we zaken als huurachterstand, bedeling en neveninkomsten uit ‘illegale’ aktiviteiten als indikaties bekijken.

_______________↓_______________


|pag. 70|

huurachterstand

     In de balansboeken der E.B. werden jaarlijks de bedragen genoteerd van de achterstallige huur. Ook de kosten van waarschuwingen en sommaties, dagvaarding en huisuitzetting en de zogenaamde ‘verloren posten’ van uitgezette of zonder opzegging ‘stil’ vertrokken huurders zijn daarin te vinden. Het blijkt dat er altijd huurachterstand was. Over het algemeen was dat echter niet zo’n probleem voor de E.B. omdat de huurders een kwartaal vooruit moesten betalen bij aanvaarding van de woning. Dit “tot meerdere zekerheid van het inkomen der huurpenningen”(15 [15. Jaarverslag E.B. 1862.]) In veel gevallen is de huurachterstand dan ook geen echte achterstand, omdat er vooruitbetaald was. Als een bewoner vertrok kreeg hij of zij de vooruitbetaalde huur terug, na aftrek van de huur die achterstallig was.
     Over het algemeen was de gemiddelde huurachterstand per bewoner lager dan het bedrag van de vooruitbetaalde huur. Wel was het aantal huurders dat achterstand had konstant vrij hoog. In de jaren 1872-1879 was dat jaarlijks het geval met gemiddeld 75% van de huurders en in de periode 1886-1893 met gemiddeld 48%. Voor een deel is dit te verklaren doordat de bouwvereniging haar huurders toestond maximaal 3 weken huur achter te zijn. Daardoor kwam het voor dat wanneer de huur een keer niet betaald kon worden het achterstallige bedrag lang open bleef staan en verschillende jaren achtereen bij de balans werd meegeteld. Uit het grote aantal huurders dat achterstand had blijkt wel dat velen af en toe moeilijkheden hadden met het betalen van de huur.
De inkomenspositie van de meeste Krimbewoners was waarschijnlijk niet zodanig dat ze ingeval van ziekte van één van de kostwinners of andere tijdelijke tegenslag wat achter de hand hadden om de huur te kunnen blijven betalen. Daarnaast waren er echter ook 2 periodes waarin de achterstand abnormale proporties aannam en waarin de meeste huurders zich niet konden veroorloven de wekelijkse huur regelmatig af te dragen.
     De eerste periode waarin de huurachterstand zeer hoog is loopt van 1863-1866. Een grafiek laat dat zien. Het gaat hier om alle huizen van de E.B., de Krim was er niet apart uit te halen.

_______________↓_______________


|pag. 71|

grafiek 1 huurachterstand 1863-1880, (bedragen in guldens), (bron: balansboek E.B.)

De betalingsproblemen van de huurders vloeiden voort uit de naweeën van de grote stadsbrand en de hoge katoenprijzen. Hierdoor was er tot 1865 sprake van werkloosheid onder de fabrieksarbeiders zoals we al in de paragraaf 3.1. gezien hebben. De malaise in de nijverheid zien we duidelijk terug in de problemen die de E.B. had met het innen van de huur. In de winter van 1861 werd de huur met 15 ct. verlaagd omdat ze voor velen te hoog was. Het bestuur was echter van mening dat: “althans in gewone tijden de huurders volkomen in staat zijn het door hun verschuldigde te kunnen (!) voldoen”. Er werd besloten de huur in juni 1862 weer op het normale peil te brengen.(16 [16. idem]) Een jaar later werd de huur echter weer verlaagd en op 60 ct. gesteld. Dat bleef zo tot augustus 1864. De slechte ekonomiese omstandigheden hadden ertoe geleid dat vele huurders de huur niet meer konden opbrengen en achterstand hadden opgelopen, zelfs bij de verlaagde huur.
     Het bestuur besloot in juni 1864 de achterstallige huurders, 65 in getal, te doen waarschuwen. Van dezen bleven er uiteindelijk nog 15 over die gedagvaard werden, drie daarvan werden gerechtelijk uit hun huizen gezet.(17 [17. Jaarverslag E.B. april 1863 en ’64.]) Was de E.B. enerzijds wel genoodzaakt om door het “ongunstige tijdsgewricht” de huren te verlagen, anderzijds werd streng opgetreden tegen degenen die zelfs de verlaagde huur niet konden betalen.

_______________↓_______________


|pag. 72|

     In augustus 1864 werd de huur weer verhoogd tot 90 ct. De E.B. merkte al snel de gevolgen daarvan. Op advies van de direkteur werd drie maanden later de huur weer op 75 ct. gebracht omdat de huurachterstand zeer sterk steeg. Het grootste gedeelte van de huurders bleek wegens geringe verdienste niet in staat de verhoogde huur te betalen. De zeer grote huurachterstand werd dan ook vooral toegeschreven aan de verhoging tot 90 ct. Een klein rekensommetje leert dat dat niet juist is. De verhoging maakte slechts een klein deel uit van de stijging sedert april 1864. Deze bedroeg ruwweg ƒ 1.650,— en het aandeel der gestegen huur kan daarin slechts maximaal 18% hebben bedragen:

aantal huurders x aantal weken x verhoging
171 12 15 ct. = 307,8

Het moet voor de huurders dus ook onmogelijk geweest zijn de 60 of 75 ct. huur op te brengen.
     In het boekjaar 1865-1866 werd opnieuw door het bestuur een maatregel getroffen tegen de achterstand. De huur werd wekelijks aan huis geïnd door een vertrouwd persoon. Dit had een regelmatige invordering tot gevolg, maar de achterstand werd waarschijnlijk eerder verminderd door de gunstige tijdsomstandigheden, de grotere werkgelegenheid en de hogere lonen. Daar maakte de E.B. gretig gebruik van om de achterstand te verminderen, de huur werd snel weer verhoogd tot 90 ct.
Blijkbaar is er overwogen deze nog meer te verhogen want in het jaarverslag valt te lezen: “zoo heeft het bestuur het toch raadzaam geacht de huur niet te hoog te stellen, maar liever de post van achterstallige huur op de balans van het vorige jaar te doen verminderen, en is daarom besloten iedere huurder die meer dan de vooruitbetaalde huurpenningen achterstallig was 30 ct. en die minder dan deze som was teruggebleven 15 ct. ’s weekelijks te doen overbetalen, deze maatregel is zelfs zoover toegepast, dat huurders wier verdienste ’s weekelijks bedroeg acht gulden daarvan zestig cent, en zij die tien gulden verdienen negentig cent overbetaalden …”. Het bestuur meende dan ook “de vergadering (der aandeelhouders) te mogen vlijen met een even goede uitkomst in een volgend jaar”.(18 [18. Jaarverslag E.B. 1866.])

_______________↓_______________


|pag. 73|

     Een jaar later was alle achterstallige huur welke nog uit vroegere jaren dateerde op honderd gulden na achterhaald. De hoge achterstand in de jaren 1864, ’65 en ’66 is dus voornamelijk een gevolg geweest van de slechte ekonomiese omstandigheden. Ze verdween toen er weer volop werk was in de fabrieken en er hoge lonen betaald werden.

     In het begin van de jaren ’80 was er opnieuw sprake van een ongebruikelijk hoge achterstand. (Zie bijlagen ). In tegenstelling tot het midden der jaren ’60 was er nu geen sprake van een slappe tijd.
De gemeenteverslagen in de jaren 1881-1883 berichten dat er in de fabrieken voldoende werk was. “Een ieder die werken kon en er overuit was kon behoorlijk in zijne levensbehoefte voorzien niet alleen, maar door velen werd nog wat overgespaard.”(19 [19. Gemeenteverslag 1881, hoofdstuk XI.]) Ook in de verslagen van de Kamer van Koophandel van 1882 en 1883 lezen we geen ongunstige berichten. Hoge lonen, voldoende werk, en toename van de spaargelden van fabrieksarbeiders, het bouwen van eigen huizen door fabrieksarbeiders, toegenomen produktie en afzet van garens en manifacturen kenmerken deze jaren.(20 [20. Verslagen K. van K. 1882 en 1883.])
     De oorzaak voor de opgelopen huurachterstand is dus niet de algemene ekonomiese situatie. De verslagen van de E.B. noemen twee oorzaken. Ten eerste wordt gewezen op de strenge winters van 1880-1881 en de verdiensten die daarbij ook niet hoog zijn. En ten tweede konstateert het bestuur dat haar huizen langzamerhand meer bewoond gaan worden door een minder soort huurders:

“… de goede betalers verlaten de Krim zodra zij beter teregt kunnen en daarvoor komt een minder soort in de plaats.(21 [21. Jaarverslag E.B. 1883.])
     Om het effekt van de strenge winters op de achterstand na te gaan hebben we 5 winters met elkaar vergeleken, van 1879-’80 t/m 1882-’83.
Over het algemeen vertoont de ingekomen huur hetzelfde patroon. (Zie bijlagen ). Vanaf september vertoont ze een stijgende lijn tot november waar het hoogtepunt ligt, vervolgens trad een daling op met het dieptepunt in januari, waarna weer een stijging in februari, een daling met een dieptepunt in april en een stijging in mei. Dat dit patroon zich steeds herhaalt kan geen toeval zijn, hierin weerspiegelen zich de seizoeninvloeden op het inkomen, dat wordt eens temeer beves-

_______________↓_______________


|pag. 74|

     tigd door het feit dat de Krim en de Heurne (Sebastopol en Hoog en Droog) hetzelfde patroon vertonen. Tot zover de overeenkomsten.
     De verschillen tussen de winters zijn de volgende: ten opzichte van de winter van ’78-’79, die een zeer lichte schommeling laat zien, vertonen de winters van ’79-’80 en ’80-’81 een scherpe daling in jannari. In de winter van ’81-’82 ligt het dieptepunt in februari. We kunnen dus wel stellen dat we hier te maken hebben met een aantal strenge winters op rij, ook de winter van ’82-’83 vertoont een sterke schommeling met een dieptepunt in december.
     Een faktor die de gegevens nog in belangrijke mate kan beïnvloeden is de leegstand. Helaas ontbreken gegevens over maandelijkse leegstand, zodat we op een andere manier moeten proberen dit euvel te ondervangen. Dat hebben we gedaan door per winter een gemiddeld week-huurbedrag per huurder te berekenen, door de gemiddelde werkhuur te delen door het aantal huurders dat in de balansboeken genoteerd staat.
Hoewel je op die manier geen rekening houdt met maandelijkse wisselingen lijkt het ons dat je zo toch een globaal beeld krijgt van de situatie.

tabel 7 ingekomen weekhuur (bron: grootboek E.B.)
 

winter I II
1878-’79 153.27 1.07
1879-’80 122.02 1.06
1880-’81 129.39 1.01
1881-’82 117.96 0.78
1882-’83 134.15 0.84

 
I = gemiddeld bedrag van de totale ingekomen huur per week in de periode december – april
II = gemiddeld weekhuurbedrag per huurder in de periode december – april.

We zien dat in ’81-’82 de laagste gemiddelde huur te vinden is (22 [22. Dat de gemiddelde huur meer is dan 90 cent, dan het bedrag van de toenmalige weekhuur, kan komen door:
– huurders die meerdere panden of tweeverdiepingshuizen huurden
– huurders van Hoog en Droog die grond erbij huurden
– fouten in de boekhouding, waardoor er meer huurders zijn dan in de boeken staan (zie jaarverslag E.B. 1884).]
)
Dat korrespondeert met de sterke stijging van de huurachterstand in april ’82. Ook in ’82-’83 blijft de gemiddelde huur onder de 90 ct. die betaald moest worden. Daarom vormen de strenge winters een belangrijke verklaringsgrond voor de opgelopen achterstand. Eerst komt de zorg voor het eten en dan de zorg voor de huur.

_______________↓_______________


|pag. 75|

     Als tweede reden voor de achterstand werd genoemd het mindere soort huurders. De goede huurders verlieten de
Krim en hun plaatsen werden ingenomen door minder goede. In de verslagen van de K.v.K. wordt inderdaad gewag gemaakt van een zeer grote vraag naar woningen, vooral naar de betere soort woonhuizen voor fabrieksarbeiders. Ook het bouwen door fabrieksarbeiders die hun gespaarde geld opvragen voor een eigen huis komt veel voor.(23 [23. Verslagen K. van K. 1883, p. 8 en 1882, p. 8.])
     Blijkbaar voldeden de huizen van de Krim en Sebastopol niet aan de eisen die de arbeiders aan een woning stelden. Dat bleek al in hoofdstuk II waar de enquête van 1890 aangehaald werd, het blijkt ook uit het jaarverslag van de E.B. uit 1886:

Met het einde van het boekjaar zijn door enige bewoners de woningen opgezegd of reeds verlaten, waardoor er op dit ogenblik eenige ledig staan; volgens opgave van huurders omdat zij buiten de stad woningen met een stukje grond kunnen verkrijgen”.

Het lukte de E.B. in de jaren ’80 dan ook niet om haar woningen bewoond te houden, ondanks maatregelen als huurverlaging in Sebastopol, een verzoek tot bestrating van de weg daar aan B & W en een advertentie in de Enschedesche Courant en Tubantia voor de verhuur van woningen zonder vooruitbetaling! Die laatste maatregel sorteerde in zoverre effekt dat de woningen wel langzamerhand weer verhuurd werden, echter aan slecht betalende huurders.(24 [24. Jaarverslag E.B. 1881. Ook in 1875 zijn er reeds opmerkingen hierover te vinden.])
     Om de achterstand terug te dringen nam de E.B. weer krachtiger maatregelen. Allereerst werden de gebruikelijke middelen gehanteerd als waarschuwing sommatie en gerechtelijke vervolging, die in een aantal gevallen leidde tot huisuitzetting van huurders; hoeveel precies is niet bekend, in 1881 en ’82 zijn het er 3 in 1884 “eenige”. De kosten van deze maatregelen werden bij de huurders in rekening gebracht. Door degenen die blijven wonen werd het op den duur betaald, bij degenen die eruit gezet werden, of die zich aan betaling onttrokken door met stille trom te vertrekken, verscheen het op de balans als ‘verloren post’.
     Het bestuur trad ook in overleg met de fabrikanten om de verschuldigde huur in te houden op het weekloon. Er zal niet veel overredings-

_______________↓_______________


|pag. 76|

kracht nodig geweest zijn om zich van medewerking te verzekeren, gezien het belang der heren fabrikanten in de E.B. Van drie Krimbewoners is ons bekend dat dit inderdaad ook gebeurde, alsook van een weduwe in Sebastopol voor wie de huur op het loon dat de kinderen bij van Heek & Co verdienden werd ingehouden.
     In 1883 overleed direkteur Ter Weele. Zijn vervanger, van den Heuvel-Rijnders, kontroleert de boeken en konkludeert dat er het een en ander niet klopte, zo was er bijvoorbeeld een tekort in kas en waren de boeken slecht bijgehouden. Er werd ook gekeken of de achterstand wel klopte, waartoe de huurders op het matje geroepen werden om kwitanties te tonen als zij geen achterstand meenden te hebben, en om de betaling van de schulden te regelen als niet kon worden aangetoond dat de genoteerde achterstand niet klopte. Van de 164 huurders hadden er 18 geen achterstand, waren er 3 bij wie ten onrechte achterstand genoteerd stond en 8 waarvan de achterstand in twijfel getrokken werd, ofwel omdat ze altijd op tijd betaalden, ofwel omdat het armbestuur voor hen betaalde, van 26 bleek er iets niet te kloppen in het bedrag van de achterstand 6 zeiden geen achterstand te hebben 2 begrepen niet hoe ze aan de achterstand kwamen, 1
zei al betaald te hebben bij Ter Kuile, maar had daarvan geen kwitantie, van 4 oude, getrouwe huurders werd de geringe achterstand kwijtgescholden, 2 huuders betaalden onmiddellijk en 6 waren al aan het afbetalen, 40 zeiden te zullen betalen of zouden trachten te betalen, sommigen noemden een bedrag per week, anderen een tijdstip: voorjaar of zomer.
Hoewel de bedragen soms niet klopten, bleken de meesten dus wel achterstand te hebben. Het grootste gedeelte beloofde te betalen, hoewel sommigen zich wat voorzichtiger uitlieten en zeiden dat ze zouden

_______________↓_______________


|pag. 77|

trachten te betalen. Enkele huurders bleken niet bereid te betalen, omdat ze meenden geen achterstand te hebben. Voor een deel klopte dat ook want nog geruime tijd later verschijnen er af en toe huurders met zoekgeraakte kwitanties bij de direkteur. Na verloop van tijd was de achterstand dan ook weer tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht.
     Wat verder nog bleek uit deze affaire is dat er naast de algemene oorzaken voor achterstand zoals strenge winters en ekonomiese malaise ook individuele redenen waren waarom mensen de huur niet konden betalen. Enkele bewoners hadden met ziekte te kampen gehad en een gezin werd als ‘armoedig’ betiteld.(25 [25. Het verhaal over de huurachterstand van 1883 is afgeleid uit briefjes met aantekeningen die in het Grootboek lagen.])

     In het algemeen kunnen we konkluderen dat de huurachterstand een redelijke graadmeter is gebleken voor de inkomenspositie. Over het geheel genomen blijkt het inkomen dan toereikend geweest te zijn als er zich geen bijzondere omstandigheden voordeden. Waren die er wel dan kwamen veel bewoners meteen in de moeilijkheden. De meesten wisten daarna de achterstand weer tot een aanvaardbaar nivo terug te brengen.
Wat er nog bleef staan werd van de vooruitbetaalde huur afgetrokken als ze hun huizen verlieten. Enkele huurders onttrokken zich aan betaling van de achterstallige huur door “stil” te vertrekken en vrij regelmatig werd ook een enkele huurder gerechtelijk uit huis gezet.

bedeling

     Bij de bestudering van de huurachterstand bleek dat enkele huurders niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. Zij waren afhankelijk van de bedeling en de huur werd voor hen betaald door een der armbesturen. Het gaat hier slechts om 4 mensen die permanent bedeeld werden. Drie ervan woonden al in 1866 of eerder in de Krim, de vierde kwam er pas in 1883 te wonen, maar waarschijnlijk heeft deze er ook al van 1866 tot 1879 gewoond. Er lijkt dus geen sprake te zijn van een veranderde houding der E.B. die immers alleen die huurders wilde toelaten die geen onderstand ontvingen. Wel bleek zij toe te staan dat oude huurders die door ouderdom van de bedeling afhankelijk waren geworden, in hun huizen bleven wonen.

_______________↓_______________


|pag. 78|

     Om te voorkomen dat zich minder goede huurders in haar woningen vestigden werden een aantal mensen die een woning vroegen geweigerd.
Ze worden beschreven als ‘slecht bekende gezinnen’.(26 [26. Jaarverslag E.B. 1886.]) De eerdere ervaringen met ’t binnenhalen van huurders die geen voorhuur hoefden te betalen en de huur slecht betaalden zijn hier waarschijnlijk aanleiding toe geweest. In 1894 beriep de direkteur zich erop dat de E.B. liever woningen leeg liet staan dan ze te verhuren aan “niet gegoeden”. “Alleen voor 1883 heb ik gevonden dat toentertijd wel eens de hand daarmede schijnt gelicht te zijn”, schreef hij.(27 [27. Tubantia 8 april 1895.]). Armlastige gezinnen werden niet toegelaten behalve zoals later nog zal blijken indien de Diaconiën garant stonden voor de huur.
     Om de behoeftige gezinnen te weren moesten aspirant-bewoners opgeven bij wie ze werkten. Vaak wordt er dan nog eens bij de werkgevers geïnformeerd wat zij verdienen. Mensen die van buiten de stad komen moesten getuigschriften tonen van de burgemeester van hun vorige woonplaats. Om verarmde gezinnen of wanbetalers gemakkelijker te verwijderen liet men in 1 boekjaar 1885-’86 de huurders een kontrakt tekenen waardoor dit mogelijk werd gemaakt.(28 [28. Jaarverslag E.B. 1886. Map: ‘Kontakten met huurders’, archief E.B.])
     Dat men er van alles aan deed om arme gezinnen te weren vloeide voort uit het doel waarmee de E.B. was opgericht. Maar niet alleen financiële overwegingen speelden een rol bij het verhuurbeleid. In 1884 werden enige ‘slecht oppassende’ gezinnen gerechtelijk verwijderd, “teneinde te trachten ook eenige zedelijke verbetering onder de bewoners aan te brengen”. Dat de E.B. dit nodig achtte zegt ook iets van het karakter van de buurt in deze tijd.

illegale ekonomiese aktiviteiten

     Uit enkele gegevens blijkt dat de Krimbewoners ook in deze periode af en toe de wet overtraden of regels van de bouwvereniging niet naleefden om in hun levensonderhoud bij te dragen. Zo werd in 1868 een vrouw uit de Krim veroordeeld wegens het sprokkelen van hout in november 1867. Zij was door een veldwachter betrapt in een bouwval die rond een weiland achter de Krim lag.

_______________↓_______________


|pag. 79|

Overwegende dat voorgeschreven feit daarstelt het anglistig wegnemen van enig goed dat aan een ander toebehoort en moet worden gequalificeerd als enkele diefstal van groen of ander hout, gehakt of niet gehakt, gepleegd noch met behulp van voertuigen noch met behulp van trek- of lastdieren, noch in vereeniging van meer dan 4 personen, …

besloot de kantonrechter haar te veroordelen tot een geldboete van ƒ 15,—, een bedrag waarvan meer dan 4 maanden huishuur betaald kon worden, of 5 dagen gevangenisstraf.(29 [29. Gemeentearchief Enschede, nr.3118.No.63 van de rol van 1868.]) Gezien de hoogte van de geldboete zal de vrouw waarschijnlijk 5 dagen in de gevangenis gezeten hebben en dat voor een beetje brandhout in de kachel.
     Er werd ook wel eens stiekum gevist in water dat aan fabrikanten toebehoorde. In 1866 en 1890 werden enkele Krimbewoners daarvoor veroordeeld tot respektievelijk ƒ 3,— of 1 dag en ƒ 6,— of 1 dag. Het is niet geheel duidelijk of hier sprake is van baldadigheid of dat de Krimbewoners zich op deze manier een maaltijd wilden verschaffen.
     De meest duidelijke wijze waarop Krimbewoners in hun levensonderhoud trachtten bij te dragen op een manier die niet was toegestaan, is het onderverhuren van de woning. De achtervertrekken, ook wel kelders genoemd, omdat ze lager waren dan het voorvertrek, werden verhuurd aan zogenaamde kelderbewoners. Voor het eerst is daarvan sprake in 1883, het jaar waarin er grote huurachterstand was. Omdat ze de huur niet op konden brengen namen enkele bewoners andere mensen in huis.
     In de jaren ’80 zijn er drie keer kelderbewoners gesignaleerd door de E.B. en alle drie keren werden ze verwijderd.(30 [30. idem, processen verbaal kantongerecht 1866 en 1870.]) De bouwvereniging en de gemeente waren van mening dat inwoning van gezinnen in de kelders de onzedelijkheid bevorderde. Dat het voor de bewoners een bron van inkomsten was werd niet in overweging genomen. In november ’85 moesten alle bewoners een nieuw huurkontrakt tekenen. Op grond daarvan konden ze vervolgd worden als ze kelderbewoners opnamen. Als de hoofdbewoner niet zelf een inwonend gezin verwijderde kon hij zelf ook vertrekken. Daarmee kwam er echter geen eind aan het verschijnsel kelderbewoning, we zullen het nog vaker tegenkomen.

_______________↓_______________


|pag. 80|

3.5. WOONOMSTANDIGHEDEN

     Er zijn al wat algemene opmerkingen gemaakt over het wonen in de Krim, (zie hoofdstuk II). In deze paragraaf willen we een aantal zaken bespreken die zich voordeden in de periode 1862-1890. Op de eerste plaats het aantal bewoners per pand. In 1866 was dat gemiddeld 4 à 5, (4.8), dat lijkt akseptabel voor deze huizen. Er waren echter ook een aantal grote tot zeer grote huishoudens waarvoor de ruimte in de Krimwoningen veel te klein was.(31 [31. Notulen bestuursvergaderingen van de E.B. jan 1883, apr. 1884 en nov. 1885.])

tabel 8 woondichtheid 1866, (bron: bevolkingsregister)
 

grootte huishouden aantal % aantal personen %
2-5 personen 77 67 286 51.7
6-10 personen 38 33 267 48.3

 
De tabel geeft aan dat hoewel slechts een derde van het aantal huishoudens uit 6 of meer personen bestond, daar toch bijna de helft van het aantal mensen in woonde. Hanteren we het kriterium van Niethammer die de grens van overbevolking van tweekamerwoningen op 7 personen stelt dan woonde nog altijd een derde van het aantal mensen in te kleine behuizing.(32 [32. Onder huishouden verstaan we hier voor het gemak alle mensen die in een huis woonden.]) We kunnen dan wel stellen dat de helft à een derde van de Krimbewoners dagelijks en vooral nachtelijks met ruimtegebrek werd gekonfronteerd. Omdat we verder geen tellingen hebben kunnen doen in deze periode kunnen we niet zeggen hoe de woondichtheid zich verder ontwikkelde. We verwachten dat deze in de jaren na 1866 wat groter is geweest vanwege jonge gezinnen die in 1866 nog in de beginfase van de gezinscyclus verkeerden, met maar een of twee kinderen.
     Inwoning schijnt in deze jaren nog niet zoveel voorgekomen te zijn. In de jaren ’80 wonen er enkele kelderbewoners. Daarnaast waren er ook kostgangers, die wel toegestaan waren, enkele inwonende gezinnen die familie waren van de hoofdbewoner, en andere inwonende verwanten. In 1866 telden we 3 inwonende gezinnen, 8 kostgangers/sters en 13 gezinnen met inwonende verwanten die niet tot het kerngezin

_______________↓_______________


|pag. 81|

behoorden. In 6 gezinnen woonden 3 generaties bijeen. Wij verwachten niet dat inwoning na 1866 sterk is toegenomen. We zien dit verschijnsel alleen in perioden van woningschaarste en die waren er nauwelijks in deze jaren. Er was eerder sprake van leegstand van woningen der E.B. (Zie par. 3.6.)
     Behalve dat een deel van de bevolking van de Krim in overbevolkte huizen woonde was de situatie in en om de woningen allesbehalve rooskleurig. Verscheidene bewoners deelden de beperkte ruimte nog met dieren. In 1869 werden volgens een onderzoek van de burgemeester 21 geiten aangetroffen in de kelders van de Krim-woningen. De gezondheidscommissie besloot het bestuur der E.B. hierop attent te maken, omdat:

dusdanige zamenwoning (!) van menschen en dieren in tijden van epidemische koortsen of andere ziekten, gevaarlijk en altijd afkeurenswaardig is”.(33 [33. Lutz Niethammer / u.m.a. F. Brüggemeier, a.w. pp. 86-88.])

     Behalve op grond van het gevaar voor de gezondheid dat deze situatie met zich meebracht wees de gezondheidscommissie het houden van dieren door Krimbewoners ook af omdat het inging tegen de burgerlijke fatsoensnormen. Deze dieren werden echter gehouden om in het levensonderhoud van de Krimbewoners te voorzien, op een manier die ze waarschijnlijk altijd gewend waren geweest. Bij de bouw van de Krim was hier absoluut geen rekening meegehouden.
     Het bestuur besloot er tegen op te treden. Geitehokken en andere getimmerten achter de woningen moesten verwijderd worden. Een verzoek van de bewoners om de geitehokken te mogen houden werd slechts ter kennisgeving aangenomen.(34 [34. Verslag gezondheidskommissie 1869.]) Evenals de keiderbewoning bleek ook dit verschijnsel niet uit te roeien. In 1882 werden tijdens een inspektietocht in gezelschap van burgemeester van der Zee ondermeer ongetraliede kippenhokken, twee paarden en een koe aangetroffen. De kippenhokken mochten blijven bestaan, mits voorzien van tralies of raster, maar verder werd het houden van beesten verboden zowel in de woningen als in stallen erachter. De eigenaar van de paarden en de koe hoefden deze niet meteen te verwijderen.(35 [35. Notulen Bestuursvergaderingen E.B. 18 juni en 1 aug. 1865.]) Blijkbaar kon de E.B. toch enig begrip opbrengen voor het belang van deze dieren voor het

_______________↓_______________


|pag. 82|

levensonderhoud van de mensen.

     Een groot probleem werd gevormd door het huisvuil, het afval van mens en dier. De mest uit de sekreten werd in mestgaten achter de woningen gedeponeerd, evenals overig huisvuil. Een verzoek van B & W om de ze te dichten en te vervangen door mestblokken of zinkpotten, die in Sebastopol gemaakt waren, werd afgewezen door de E.B. Wel werd voorgesteld te onderzoeken wat het kostte om tonnen met een deksel bij de sekreten te plaatsen. Daarop werd echter nooit teruggekomen in de bestuursvergaderingen.(36 [36. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., maart 1866.])
     Het vuil hoopte zich op achter de woningen. De bewoners moesten zelf zorgen voor de verwijdering ervan, dat konden ze doen door het te laten ophalen door landbouwers uit de buurt, of door het zelf weg te brengen naar iemand die het gebruiken kon. Dat werd hen echter niet bepaald gemakkelijk gemaakt. Op grond van de politieverordening van 1863 was het verboden “sekreet-mest te vervoeren tussen 5 uur ’s morgens en 11 uur ’s avonds”. In 1866 werden drie landbouwers betrapt op het vervoeren van sekreet-mest in de Krim en wel om halfzes ’s middags. Dat kwam hen te staan op een boete van ƒ 1,—: of 1 dag gevangenisstraf. Een bewoner van Sebastopol was hetzelfde lot beschoren, omdat hij een keer ’s middags om twee uur zijn sekreet ledigde.(37 [37. Gemeentearchief, nr. 3118, processen verbaal van het Kantongerecht 1866 en ’70.])
Het opruimen van mest moest dus ’s nachts gebeuren, geen wonder dat dat problemen opleverde.
     De gemeente en de E.B. probeerde wel de bewoners aan te zetten om het vuil regelmatig te verwijderen. Al in 1862 moesten de bewoners een verklaring ondertekenen dat ze elke maand het vuil zouden opruimen. Met de gemeente werd overeengekomen dat de politie er toezicht op zou houden. In 1868 werd dan ook een bewoner bekend voor het hebben van vuilnis achter zijn huis.(38 [38. idem 1869.]) Het haalde allemaal niet veel uit. In 1867 heerste er in Nederland een cholera-epidemie en op aandringen van de gezondheidscommissie besloot de E.B. toch (met ƒ 700,—) bij te dragen in de kosten van het opruimen. Achter de Oude Krim bleef het vuil echter liggen, omdat er dat jaar naar de mening van de E.B. al teveel aan onderhoud was uitgegeven.(39 [39. Del Canho-Kauffmann, a.w., p. 33.])
     Dergelijke maatregelen waren halfslachtig en tijdelijk van aard.

_______________↓_______________


|pag. 83|

Er veranderde pas echt iets door het plaatsen van tonnen in de privées, wat in 1879 werd voorgesteld en in 1880 werd uitgevoerd, en het regelmatig weghalen daarvan. In 1884 werd dat door de burgemeester persoonlijk geregeld met een landbouwer uit de buurt.(40 [40. Notulen Bestuursvergaderingen E.B., juli 1884.]) Hierna leverde het huisvuil de eerste jaren geen problemen meer op, maar het was nog niet voorgoed geregeld zoals we nog zullen zien.

     In de Krim en meer nog in Sebastopol hadden de bewoners vaak wateroverlast. Een degelijk systeem van afwatering bestond er niet. Al in 1863 was dit probleem in de Krim onderkend. De E.B. probeerde de commissie voor de werkverschaffing in dat jaar voor haar karretje te spannen om er iets aan te doen. Pas in 1886 werd er besloten om goten achter de woningen te leggen, nadat de gemeente besloten had een afvoerbuis langs de Krim te leggen.(41 [41. idem, 2 februari 1863 en maart 1868.]) Dit zouden echter weer geen afdoende maatregelen blijken. (Zie hoofdstuk 4).
     In Sebastopol waren de toestanden nog veel erger dan in de Krim, het water liep er de kelders binnen, omdat de huizen onderaan een heuvel gebouwd waren. Ondanks de aangelegde draineerbuizen bleef het er vochtig. Door het graven van een sloot en het leggen van een goot die met afvoerbuizen in verbinding stonden èn door cementen vloeren in de kelders te leggen in plaats van tegels wist men de zaak uiteindelijk droog te krijgen.(42 [42. idem, dec. 1866, okt. 1867, maart 1868.]) De weg die voor de huizen langsliep was echter niet bestraat en veranderde bij regen in een modderpoel. Verzoeken aan de gemeente om bestrating werden telkens afgewezen.

     Aan onderhoud van de woningen zelf is door de E.B. wel het nodige gedaan. Wel moest dat altijd zo goedkoop mogelijk en werden er meestal eerst aan slechts enkele huizen herstellingen verricht bij wijze van proef. Soms volgde dan de rest, maar soms ook niet. Om zo goedkoop mogelijk uit te zijn werd het onderhoud uitbesteed tegen een jaarlijkse som, natuurlijk werd de minste inschrijver het werk gegund. Deze verrichtte het onderhoud volgens een daartoe opgesteld bestek van rond de ƒ 1.200,— jaarlijks.(43 [43. Wat dat bestek inhield is niet precies bekend, o.a. het schilderen van de woningen. Jaarverslagen E.B. 1871 en 1874.]) De eerste jaren voldeed hij daaraan, in latere jaren bleken, bij kontrole, bepaalde zaken steeds achterwege gelaten te zijn, zoals herstellingen aan de privées, het rei-

_______________↓_______________


|pag. 84|

nigen van goten en herstellen van regenpijpen. Men besloot in 1880 niet langer met de aannemer in zee te gaan, maar een eigen timmerman/ metselaar aan te stellen, die met twee knechts het onderhoud verzorgde. Hij kreeg twee woningen in de Krim ter beschikking.
     Behalve dat het onderhoud zo goedkoop mogelijk moest en er altijd eerst uitvoerig gewikt en gewogen werd voor er iets gebeurde, werd ook het eerst op onderhoud bezuinigd als het slecht ging. In 1888 toen veel huizen leegstonden werd de 2e knecht ontslagen en de post onderhoud werd drasties verlaagd.

tabel 9 onderhoudskosten, (bron: grootboeken E.B.)
 

periode onderhoudskosten
jaarlijks gemiddelde
% ingekomen huur
jaarlijks gemiddelde
1882-1886 1.420,78 16.8
1887-1891 926,57 13.8

 
De woningen in de Krim waren in deze jaren waarschijnlijk nog wel redelijk te noemen, behalve over bederf van de onderlagen der bedsteden werden er geen opmerkingen over gemaakt in de notulen der bestuursvergaderingen: Sebastopol daarentegen was in 1877 al aan een grondige ‘renovatie’ toe. Aanvankelijk werden de kosten daarvan begroot op ƒ 14.000,—. üiteindelijk werd er ƒ 5.300,— voor uitgetrokken, waarvoor de E.B. geld moest lenen. In 1878 werden ze als ‘voltooid tot gezonde woningen’ opgeleverd.(44 [44. Zie jaarverslagen E.B. 1877 en 1878.])

     In 1887 diende de E.B. een plan in voor de verfraaiing van de Krim. De gemeente werd gevraagd om bomen, liefst kastanje of lindebomen aan de noord- en zuidzijde te plaatsen met daartussen dennen of evergreen om zoende de sekreten aan het oog te onttrekken en verder in de straten rijen bomen te planten. Het bestuur was van mening:

“..dat deze bomen veel kwade en ongezonde bestanddelen van den bodem zullen opslorpen en daardoor niet anders dan voordelig op de gezondheid der bewoners kunnen werken; dat het wonen in genoemde wijk door een en ander aangenamer wordt, daar bij plaatsing van eenige bankjes

_______________↓_______________


|pag. 85|

gelegenheid wordt gegeven aan zwakken, ouden en reconvalescenten, om in de schaduw van het plantsoen de buitenlucht te genieten, terwijl ook de kinderen die terreinen dan als speeltuinen kunnen gebruiken”.(45 [45. Archief E.B. Map: ‘Vervuiling’])

Het bestuur had het goed voor met haar huurders, getuige deze idylliese schildering, zolang het haar maar geen geld kostte. De gemeente had er helaas ook niets voor over. Ze zag tot twee keer toe geen gelegenheid een post voor dit plan op de begroting te plaatsen.(46 [46. idem.])

3.6. BUURTLEVEN

     In de begintijd was de Krim een arbeidersbuurt, maar in hoeverre was ze ook een ‘buurt’ voor die arbeiders? Om die vraag te beantwoorden zullen we proberen de statistieken te laten spreken. We zullen trachten na te gaan in hoeverre het beeld van een niet geslaagde arbeidersbuurt, dat in paragraaf 3.4. naar voren gebracht is, gestaafd kan worden door cijfers over verblijfsduur en verhuizingen.

tabel 10 verblijfsduur van de bewoners van 1866, (bron: grootboek E.B.)
 

verblijfsduur aantal %
1 – 5 jaar 27 23.5
6 – 10 jaar 35 30.4
11 – 15 jaar 18 15.7
16 – 20 jaar 13 11.3
21 jaar en langer 22 19.1

 
Uit bovenstaande gegevens blijkt dat bijna een kwart van de bewoners van 1866 na 5 jaar vertrokken is. De rest blijft er betrekkelijk lang wonen. Bijna een vijfde deel woont er zelfs langer dan 20 jaar!
De gemiddelde verblijfsduur is, mede daardoor, dan ook vrij hoog: 12 jaar. Deze gegevens zeggen nog weinig over de verdere ontwikkeling tot aan de jaren ’90. Om daar enig zicht op te krijgen hebben we in navolging van Del Canho -Kauffmann een 5-jaarlijkse telling gehouden

_______________↓_______________


|pag. 86|

waarbij de bewoners van 1870 vergeleken werden met die van 1865, die van 1875 met die van 1870, enzovoort.(47 [47. We hebben haar gegevens niet rechtstreeks overgenomen omdat de tellingen niet geheel bleken te kloppen, mede omdat we in de boeken 7 namen vonden die niet in de Balansboeken stonden waarop zij haar tellingen baseerde.]). We kunnen dan percentages berekenen van de bewoners die langer dan 5 jaar in de huizen van de E.B. woonden. Om de faktor leegstand niet het beeld te laten vertekenen, hebben we het aantal bewoners ook uitgedrukt in percentages van het aantal panden, (kolom II) (48 [48. Uitgedrukt in % van het aantal bewoners kregen we voor 1885 een veel te hoog cijfer, omdat er in 1880 maar 112 bewoners vermeld stonden. Daardoor leek het alsof er in de periode 1880-1885 een veel grotere groep bewoners was die er langer dan 5 jaar woonde terwijl het vertrekcijfer even hoog lag als in 1875.]) Verder zijn in kolom III de jaarlijkse gemiddelde vertrekcijfers gegeven. Ze hebben betrekking op de 5 jaar voor het jaar dat in de voorste kolom vermeld staat. De tabel geldt voor alle bewoners van huizen der E.B.

tabel 11 verblijfsduur en verhuizingen, (bron: balans- en grootboek E.B.)
 

jaar I II III
1870 71.5 62.4 16.6
1875 48.3 43.7 24
1880 52.3 41.1 17.6
1885 83.9 47.7 24
1890 31.3 28.9 50.6

 
We zien dat er in de jaren na 1870 nog slechts de helft van de bewoners 5 jaar of langer bleef wonen. Het percentage panden dat door deze bewoners werd bezet is nog lager. Uit de tweede kolom blijkt ook dat 1885 niet zo’n uitschieter vormt als de eerste doet voorkomen.
Het aantal huurders waarop dit percentage gebaseerd is bedraagt 94, niet zoveel meer dan in 1875, toen waren het er 86. Mede gezien de vertrekcijfers kunnen we een vrij groot verloop konkluderen in deze jaren, een verloop dat tot abnormaal grote proporties uitgroeide op het eind van de jaren ’80 toen er een massale leegloop in de Krim plaatsvond. (Zie tabel 12).
     De gegevens bevestigen dat de Krim als een buurt voor arbeiders niet erg geslaagd is geweest. Dat er in deze jaren ook regelmatig leegstand was versterkt het beeld van een buurt waar de arbeiders vertrokken wanneer ze de kans kregen. In 1872 wordt er door het bestuur voor het eerst melding gemaakt van tijdelijk leegstaande woningen “ten gevolge van den aanbouw van meer doelmatiger arbeiderswoningen door particulieren”. De leegstand betreft voornamelijk de Heurne-

_______________↓_______________


|pag. 87|

woningen, het bestuur besluit de huur te verlagen om te voorkomen dat ze allemaal verlaten worden. Als in het jaar daarop ook in de Krim leegstand ontstaat wordt er besloten de huur daar op de gewone prijs te laten, omdat de leegstand van circa 14 panden minder verlies oplevert dan huurverlaging. Daarbij wordt echter aangetekend: dat “evenwel zoude de verlaging van huur dit voordeel kunnen hebben dat het verder aanbouwen van arbeiderswoningen door particulieren zoude verminderen’.(49 [49. Jaarverslag E.B 1873.]) Er is dus blijkbaar overwogen om met andere huiseigenaren een soort konkurrentieslag aan te gaan.
     Tot in de jaren ’90 bleef er voortdurend leegstand bestaan, uitgezonderd 1876 en ’77 en in 1883 en ’84, in dat laatste jaar werd er zelfs melding gemaakt van een grote vraag naar woningen en het afwijzen van enkele aspirant-bewoners. Ondanks maatregelen als huurverlaging en tijdelijke afschaffing van de vooruitbetaling lukte het niet om alle huizen bewoond te houden. Een duidelijk bewijs voor het feit dat de woningen in de Krim en Sebastopol niet zeer in trek waren.
     In de jaren na 1885 neemt de leegstand ongekend grote vormen aan.
In augustus ’87 staan er bijvoorbeeld 62 huizen leeg, 46 in de Krim en 16 in Sebastopol. De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal huizen dat langer dan ½ jaar leegstond.

tabel 12 leegstand 1885 – 1890, (bron: grootboek E.B.)
 

jaar aantal huizen
dat leegkomt
gemiddelde duur
van de leegstand
1885 1 1 jaar en 1 maand
1886 19 2 4
1887 (*) 24 2 5
1888 6 2 4
1889 7 2 1
1890 1 1 3

 
* 1 pand staat leeg van 1887-1901 en wordt dan bergplaats. Dit pand is niet meegeteld.

Door deze omvangrijke en langdurige leegstand moeten de Krim en Sebastopol op het einde der jaren ’80 een beetje op spookbuurten gele-

_______________↓_______________


|pag. 88|

ken hebben, omdat soms bijna een derde van de huizen leegstond. Eens temeer wordt het beeld dat wij van de Krim geschetst hebben hierdoor bevestigd. Toch zijn er in deze periode ook mensen geweest die er zeer lange tijd hebben gewoond. In welke beroepskategorieën we deze mensen vinden blijkt uit de gemiddelde verblijfsduur.

tabel 13 gemiddelde verblijfsduur per beroepskategorie, (bron: balansboek en grootboek E.B.)
 

kategorieën jaren
I      a. winkeliers 18
     b. zelfstandige ambachtslieden 9.5
II      a. handwerkers 1
     b. fabrieksarbeiders 12.5
     c. bouwvakkers 13.5
     d. rest 3
III      a. zelfstandigen:
          1. verkopers van arbeid 19
          2. verkopers van goederen 33
     b. loonafhankelijken 14
IV      zonder 10

 
Het blijkt dat met name de kleine kooplieden er ook de verkopers van arbeid en de winkeliers eruit springen door een gemiddelde verblijfsduur die ver boven het gemiddelde van 12 ligt. Als we de groep mensen die er langer dan 21 jaar woonden, verdelen naar beroep dan blijken ook 10 fabrieksarbeiders en 2 bouwvakkers het lang uitgehouden te hebben in de Krim. We moeten wel opmerken dat het mogelijk is dat zij van beroep zijn veranderd. Een van hen is later in ieder geval koopman evenals een zoon van een andere, die prakties zijn hele leven in de Krim heeft gewoond. Een derde is in 1893 zonder beroep, maar zijn kinderen werken wel in de fabriek. We kunnen over het geheel genomen zeggen dat met name de marginalen, maar ook enige arbeiders in de Krim een blijvend thuis vonden.

     Over hoe het er in deze tijd in de buurt aan toeging weten we erg weinig. Het leven zal er minder bepaald zijn geweest door de straat-

_______________↓_______________


|pag. 89|

     handel dan in latere jaren. Aangezien de meeste mensen in de fabriek werkten zal er voornamelijk ’s avonds en op zondag wat op straat te doen zijn geweest. Wat een aantal zaken die voor het kantongerecht dienden blijkt dat de Krim-bewoners daarbij niet altijd even braaf waren. In de jaren tussen 1865 en 1870 werden in een aantal gevallen Krimbewoners veroordeeld wegens het verwekken van nachtelijk burengerucht ofwel: “het luidruchtig hebben gekreund en getierd zodanig dat daardoor de rust der inwoners kon worden verstoord”. Na een kroegbezoek werden de bloemetjes buitengezet ais er een borrel teveel gedronken was, soms bleef men ook tot na sluitingstijd in de kroeg hangen wat dan ook weer een bekeuring tot gevolg had.
     Er mocht in deze tijd niet veel. Zaken die een weinig vertier konden bieden waren strafbaar en werden beboet. In 1868 loopt er een zwervende muzikant door de straten van de Krim en speelt wat deuntjes.
Daarvoor moet hij voor het kantongerecht verschijnen en krijgt een boete van 2×3 gulden of 2 x 1 dag celstraf opgelegd omdat hij ook nog in een herberg muziek had gemaakt. De aloude Twentse sport ‘klootschieten’ was evenmin toegestaan. Twee Krimbewoners werden er in 1870 voor beboet dat zij dit spel ergens in de buurtschap ‘Knalhutte’ bedreven hadden.(50 [50. Diverse processen verbaal kantongerecht 1865-1870, archiefnr. 3118 e.v])
     In deze jaren waren er in de Krim ook ruzies. Dat valt op te maken uit het feit dat er af en toe ruiten sneuvelden. De E.B. achtte de bewoners hieraan zelf schuldig want ze moesten de ruiten zelf maar betalen.(51 [51. Notulen bestuursvergaderingen E.B., aug. en sept. 1878.]) Een burenruzie leidde in 1870 tot een rechtzaak. Een bewoonster werd door enige andere bewoners voor het kantongerecht gedaagd omdat haar hond, die een kwaadaardig karakter had, enkele mensen had aangevallen. In latere jaren zouden dergelijke ruzies wel op wat andere manier uitgevochten worden.
 
– Bosch, M. & Jagt, G. (1983). Al is de Krim ook nog zo min: Geschiedenis van een Enschedese volksbuurt, 1861-1934. (Doctoraalscriptie). Economiese en Sociale Geschiedenis, Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen.

Category(s): Geen categorie
Tags: ,

Comments are closed.