Geschiedenis van Zwolle I


[ ]

GESCHIEDENIS VAN ZWOLLE

[ ]

GESCHIEDENIS
VAN ZWOLLE

door

DRS. THOM. J. DE VRIES

DEEL I

DRS. THOM. J. DE VRIES

Het ontstaan en de ontwikkeling van
de stad tot de invoering der Reformatie


1954

Koninklijke Drukkerij en Uitgeverij van de Erven J. J. Tijl N.V. — Zwolle

[ ]

[ ]

VOORREDE

     Dit boek is een geschenk aan mijn stadgenoten. Het verdriet me, dat het aantal Zwollenaren dat met de stadsgeschiedenis op de hoogte is, hoe langer hoe kleiner begint te worden. Vroeger — ongeveer vijftig jaar geleden — was dat anders; toen waren nog talrijke Zwolse families in het bezit van de „Geschiedenissen van Zwolle” van Mr. Burchard Joan van Hattum. Maar omdat dit definitief tot het verleden behoort — Van Hattum’s werk kan onmogelijk worden herdrukt — was het nodig, dat de stadsgeschiedenis herschreven werd.
     Dit boek heeft dus tot doel, de Zwollenaren in kennis te brengen met hun verleden. Maar ondergetekende hoopt, dat ook niet-Zwollenaren met dit werk zullen kennis maken. Immers in het verleden heeft Zwolle talrijke bijdragen geleverd tot verheffing van het cultureel peil van N.W.-Europa. De invloed van de moderne devoten en de faam van de „Meester van Zwolle” en diens kleinzoon Gerard ter Borch heeft zich over geheel Europa en Amerika verbreid.
     Dit boek is nieuw. Men vindt hierin allerlei gegevens die men elders niet vermeld vindt. Het grootste deel der gegevens is uit het Oud-archief der Gemeente afkomstig. Het getal der verwerkte archiefvondsten is echter zo groot, dat niet van elke vondst rekenschap kon worden afgelegd. De voetnoten zijn tot het minimum beperkt.
     Vakgenoten zullen echter gemakkelijk zien aan welke documenten de gegevens ontleend zijn. Voor hen hoop ik een exemplaar van noten te voorzien; dit zal ik ten archieve deponeren.
     Tenslotte breng ik gaarne hartelijk dank aan de H.H. archivarissen te Zwolle, te Deventer en te Kampen; in het bizonder aan de heer J. Geesink en mr. S.J. Fockema Andreae, die mij op velerlei wijze met hulp en advies hebben gediend.

Thom. J. de Vries.          

[ ]

[ ]

INHOUD
Hoofdstuk pag.
I. Vanaf de stichting der stad tot de eerste definitieve ommuring van 1378 9
II. Opkomst der gilden 32
III. Stadboeken van Zwolle 67
IV. Zwolle tijdens het Utrechts Schisma 95
V. De stad in het herfsttij der middeleeuwen 117
VI. Zwolle tijdens de Gelderse oorlog 141
VII. Op weg naar de Reformatie 162
VIII. Opkomst en overwinning van het Calvinisme 192

 


HOOFDSTUK I

Vanaf de stichting der stad tot de eerste
definitieve ommuring van 1378

DROEF en mooi is de geschiedenis van het middeleeuwse Zwolle.
     Droef, omdat zij vervuld is van krijgsrumoer, bloedige burgertwist en eindeloze competentie-strijd tussen geestelijke en wereldlijke machten. Doch mooi en verheffend is zij tevens. Want de mensen die in dit tijdperk leefden, waren met hoge idealen bezield, zij geloofden in het Recht, althans in datgene wat zij er te goeder trouw voor hielden. Nooit zijn de vruchten van vooruitgang, vroomheid en arbeidzaamheid zo zichtbaar geweest, als juist in deze tijd.

     De oudste geschiedenis der stad ligt in nevelen gehuld. Het enige wat men zeker weet is, dat de mensen die in de vroege middeleeuwen de zandige, langgerekte strook gronds die zich tussen IJssel en Zwartewater bevond, hebben bewoond, veehouders geweest moeten zijn. Want telkens wanneer er in de Sassenstraat op ongeveer twee meter diepte wordt gegraven, vindt men schedels en beenderen van runderen en een enkele maal die van een groot hert. Het moet er primitief zijn toegegaan, want van huizen is nog nooit een spoor gevonden, van dikke lagen mest echter des te vaker. Mensen en vee leefden in één ruimte, de schoorsteen werd gerepresenteerd door een gat dat zich in het dak bevond, het vee werd op de gemeenschappelijke weide gedreven en als het was geslacht, dan begroef men de beenderen eenvoudigweg voor de deur.
Naast het vlees, zal de vis een kleine afwisseling gebracht hebben op de primitieve dis.
     Wanneer het Christendom hier is verkondigd, is onbekend, maar het is aannemelijk, dat dit vanuit Utrecht is geschied. Want er bestaat een oorkonde, althans een bericht uit 1040, dat de hl. Bernoldus, die toen bisschop van Utrecht was, de rechten over de Zwolse kerk zou hebben weggeschonken aan het kapittel te Deventer. Dat wilde in de praktijk zeggen, dat dit college van geestelijke heren, aan welks hoofd een proost stond, het recht verkreeg om de pastoor te mogen benoemen en dat het plaatsje jaarlijks een recognitie-geld moest betalen. Uit hoofde van het feit dat de kerk aan de aartsengel Michaël is toegewijd, mag men gissen, dat ter plaatse vroeger een heidens offeraltaar gestaan heeft. Want het kwam wel eens voor, dat de missionarissen, Wodan, die de god van de krijg was, gingen vervangen door de aanvoerder der hemelse heirscharen,

|pag. 9|

_______________↑_______________

omdat het aldus wat gemakkelijker viel de heidense Germanen tot het Christendom te bekeren. Het is echter niet aannemelijk, dat de oudste geschiedenis van het St. Michaëlskerkje erg rustig is geweest. Want uit opgraving van talrijke Vikinger-urnen te IJsselmuiden weten we, dat daar een grote nederzetting van Noormannen is geweest. Doch zowel over het een als over het ander ontbreekt ieder nader bericht. Toch kan men aannemen, dat ten tijde van Karel de Grote hier het Christendom verkondigd is. Immers de plaats was gunstig gelegen aan de aloude weg, die vanuit Utrecht over de Veluwe naar Zwolle liep en dan oostwaarts afzwaaide in de richting van Ommen en Coevorden. Wanneer dus krijgstochten naar het oosten of naar het noorden moesten worden ondernomen, was Zwolle om haar ligging van het grootste gewicht.
     Politiek gesproken, was deze plaats gelegen in een uithoek van het Duitse Rijk, welks keizers deze gebieden bestuurden door middel van de Utrechtse bisschop, die in wereldlijk opzicht hun vazal was. Maar de moeilijkheid was, dat de bisschop in de eerste plaats een geestelijk ambt bekleedde, en als zodanig was hij de suffragaan van de aartsbisschop van Keulen, die op zijn beurt weer ondergeschikt was aan de paus te Rome. Zolang paus en keizer in vrede met elkaar samenwerkten, waren ook hier — behoudens locale storingen — rust en orde verzekerd.
Doch dit veranderde wanneer deze machten in onmin leefden. De weerslag deed zich dan spoedig gevoelen, want het gezag des keizers was in deze uithoek gering. De positie van de bisschop-landsheer werd in dergelijke omstandigheden moeilijk en wankel. Door zijn dubbele functie van geestelijk en wereldlijk heer miste hij vaak die vrijheid van handelen, welke noodzakelijk was om een effectieve regeerkracht te kunnen ontplooien. Bovendien was het Sticht belend door de graven van Holland en Gelre, die telkens wanneer er moeilijkheden rezen, gaarne van de gelegenheid gebruik maakten, om politieke voordeeltjes binnen te halen.
En om tenslotte de kroon op de moeilijkheden te zetten, kwam daar nog bij dat Drenthe, Groningen en Friesland, zowel door de aard hunner bevolking als door hun ontoegankelijkheid, eeuwenlang nauwelijks gepacificeerde gebieden bleven. De bisschoppen probeerden telkens weer opnieuw hun politieke autoriteit daar te doen gelden en het bisschoppelijke hoeven-systeem in te voeren, omdat dit dienstig was voor de toenmalige belasting-vordering. Zo werd Zwolle, om haar ligging, een belangrijke étappe op de weg naar die streken.
     Dit is tevens een sleutel van ons verhaal. Tussen Vecht en TJssel lagen omstreeks 1100 en 1200 drie marken, Zwolle, Middelwijk en Assendorp; drie buurtjes welker bewoners tamelijk welvarend waren door de aanwezigheid van goede weidegronden. Deze zouden aan de landsheer hulp kunnen verstrekken bij de pacificatie der noordelijke gebieden.
Bisschop Hardbert (1139—1150) had dit reeds begrepen. Omdat erin het noorden voortdurend politieke troebelen waren, stelde hij daar twee zijner broeders aan, respectievelijk tot burggraaf van Groningen en Coevorden, met de bedoeling zich aldus van trouwe vazallen te verzekeren.
Deze heren pretendeerden echter, dat hun ambt erfelijk was en begonnen zich eigenmachtig te gedragen. Omstreeks 1181 was er weer oproer.
Dit was een doorn in het oog van de Utrechtse heren, in het bijzonder

|pag. 10|

_______________↑_______________

van de domproost Otto II van Lippe, die in 1216 de zetel van de hl. Willibrordus beklom. Bij zijn ambtsaanvaarding bevond hij zich al aanstonds in moeilijkheden. Eerst moest hij een oproer in Vollenhove neerslaan, daarna trok hij gedurende anderhalf jaar ter kruistocht. Dit werd hem noodlottig. Van zijn afwezigheid maakte graaf Gerard III van Gelre gebruik om in 1222 de Rijntol van Arnhem naar Lobith te verplaatsen om aldus alle schepen, die vanuit het zuiden naar Salland voeren, te kunnen aanhouden en schatten. Dit had hij gedaan met behulp van Engelbert de aartsbisschop van Keulen, die in geestelijk opzicht de principaal van de Utrechtse bisschop was. Maar toen Otto hieraan een einde wilde maken, bleek dat de graaf van Gelre inmiddels de boeren van Salland en van de Vecht tegen hem in oproer had gebracht, en met zulk een succes, dat zij de bisschoppelijke rentmeesters — vanwege het gehate bisschoppelijke hoeven-systeem — er uit smeten.
     Zo was de binnenlandse oorlog ontbrand, die tenslotte zou leiden tot de tragische dood van de landsheer en tot de stichting van de stad Zwolle.
     Om dit boeren-oproer te dempen, bracht bisschop Otto in 1223 met zijn broeder Herman van Lippe en met bisschop Dirk III van Isenburg b. van Munster een leger op de been. Zij gaven elkaar rendez-vous te Deventer, trokken op naar het door de Sallanders versterkte dorp Herculo, namen het in, doodden weinigen, maar namen velen gevangen.
Ofschoon de streek geïnundeerd was — dijken bestonden hier toen nog niet — liep de tocht wonderlijk goed af. Want Otto slaagde er bovendien in, om nog twee kastelen van de heer van Voorst te verwoesten en in een derde, dat van de heer van Buckhorst, wierp hij het vuur, zodat dit tot op de grote toren na afbrandde. De heren schijnen het toen met de boeren eens geweest te zijn, want de kroniek meldt, dat hij voorts alle ridders uit deze streken verdreef en dat hij zijn ruiterij bij hen inkwartierde. Nadat de bisschop het volk met een geldboete had belegd, keerde hij als overwinnaar naar Deventer terug.
     Ondanks deze geldboete zullen de bewoners van Zwolle hem dankbaar geweest zijn, want de ligging van het dorp was zodanig, dat men moet aannemen dat er niet alleen de veeteelt werd beoefend, maar ook de handel. Reeds in die dagen bestond er een oeconomische tegenstelling tussen de dorpsbewoners en de kasteelheren, die in werkelijkheid niet veel meer dan roofridders waren en die iedere ontwikkeling van handel en verkeer tot een aanfluiting maakten. Bisschop Otto, die enerzijds een ware houwdegen, en anderzijds een zeer conciliant man was, was de aangewezen persoon om orde te scheppen. In de oorlog met Gelre had hij geluk. Door bemiddeling van de pauselijke gezant Koenraad van Marburg slaagde hij erin om in 1226 een tamelijk gunstige vrede met Gelre te sluiten. Salland en de advocatie van de Sallandse goederen van de abdij van Essen (Dld.) bleven voor hem behouden. Doch geen rust was hem beschoren. Nu werd zijn burggraaf te Groningen lastig gevallen door de partij der Gelkingen. Dezen riepen de hulp in van zekere Rudolf, die burggraaf van Coevorden was en die een grote aanhang had onder de woeste Drentse boeren. Weldra was Groningen een belegerde stad.

|pag. 11|

_______________↑_______________

     Ogenblikkelijk vertoonde de bisschop een zeldzaam staaltje van dapperheid. Persoonlijk spoedde hij zich naar Groningen, riep de vechtersbazen ter verantwoording en zo groot was zijn autoriteit, dat zij de wapens neerlegden en hem beterschap beloofden. Doch op aanstichten van de lastige en trouweloze Rudolf hielden de Gelkingen zich niet aan hun eed. Even later was het oproer opnieuw losgebroken. Deze trouwbreuk noodzaakte de bisschop maatregelen te nemen. Hij legerde zijn Sallandse ridders in Ommen om druk uit te oefenen. Maar Rudolf sloeg hen „alsof het vrouwen waren” uit Ommen en plunderde het plaatsje. Nu werden de Drenthen stoutmoedig, met Rudolf trokken zij op naar Groningen.
     Inmiddels kondigde de bisschop de algemene mobilisatie af en zo groot was de afschuw over de trouweloosheid van Rudolf, dat zelfs zijn traditionele tegenstander de graaf van Gelre van de partij was.
Van alle zijden stroomden ridders toe, graaf Gijsbert II van Aemstel, heer Dirk de proost van Deventer, graaf Bodeken van Bentheim en de destijds beroemde kruisridder Bernhard van Horstmar, allen met hun knapen en knechten. Ontzagwekkend was de toerusting. De gehele adel uit het Sticht en uit Twenthe was gemobiliseerd en ook was er — denkelijk te Zwolle — een binnenvloot uitgerust, die levensmiddelen, blijden en ander oorlogstuig langs de Vecht stroomopwaarts zou voeren.
Te Ommen hield men rendez-vous en dit was tevens de loopplaats van het leger.
     Nauwelijks had Rudolf lucht gekregen van wat er op til was, of hij brak het beleg van Groningen op en trok met zijn bende in zuidelijke richting. Omdat het duidelijk was, dat de bisschop eerst naar Coevorden zou optrekken en hij de marsroute kende, wachtte deze listige man het bisschoppelijk leger op, precies op dat punt, dat voor hem het gunstigst was. Op de 28e Juli 1227 lagen beide legers op de rechter Vechtoever tegenover elkaar bij Ane, slechts gescheiden door een ongepeild moeras. De bisschop sprak zijn volk toe, stelde aflaat in het vooruitzicht en gaf allen zijn zegen. Zo voelden zij zich zeker van de overwinning. De graaf van Goor, die als banierheer het vaandel van St. Maarten voerde, schreed voorop, en zo begon de slag met het noodlottig commando: „gaet recht nae dye vyende toe!”
     Maar recht daarvoor lag niet Rudolf, maar de verraderlijke Mommeryte. Bij een koewed raakten zij slaags en van manoeuvreren was geen sprake. Door de geschapenheid van het terrein kreeg de bisschop geen gelegenheid zijn macht te ontplooien of te chargeren. De zwaargewapende paarden met hun geharnaste heren verzonken al spoedig in het veen en wie niet door het moeras werd verzwolgen, vond een ellendige dood in de turf kuilen. Met pijlen en lange spiesen werden zij gedood, anderen in handgemeen met de zwaarden afgeslacht. Van alle kanten schoten de woeste boeren toe, de bisschop staken zij met hun messen de keel af, scalpeerden zijn schedel en lieten zijn lijk in de modder liggen. Stervenden werden naakt uitgeplunderd en daarna afgemaakt, zelfs vrouwen namen aan het bloedige handwerk deel en „als vee” werden de ridders afgeslacht, zo meldt de kroniek. O dies, omnium nostrorum funestissimus! O dag, rampzaligste van al onze dagen! verzucht de kronist,

|pag. 12|

_______________↑_______________

want wel 400 ridders werden gesmoord in de poelen en door de boeren en hun wijven doodgeknuppeld. Het werd een paniek en een sauvequi-peut. Alras steeg Rudolf met zijn mannen te paard, joeg mensen en schepen de gehele dag na langs de Vecht en hij wist nog velen te vangen en te doden. Ook Berend van Horstmar bleef in de strijd.
Behalve een grote buit, wist Rudolf de heren van Gelre en van Aemstel zwaargewond naar zijn kasteel te Coevorden te slepen; ook de proost Dirk was daarbij, doch deze bezweek aan zijn wonden.
     Ontzettend was de indruk, die deze gebeurtenis op de tijdgenoten maakte. Moge het voor de Drentse boeren een Gulden Sporenslag geweest zijn, door de adel en de geestelijkheid werd het als een ramp beschouwd. En toen in het najaar zware stormen losbraken, zagen zij daarin de wrekende hand Gods, zij geloofden dat de wereld zou vergaan en dat de Dag des Oordeels nabij was.

Ouwê, ez kumt ein wint, daz wizzet sicherliche,
dâ von wir hoeren beide singen unde sagen:
Der sol mit grimme ervaren älliu künicriche;
daz hoere ich wallaere unde pilgerine klagen:
Boume, türne ligent vor im zerslagen:
starken liuten waet er diu houbet abe.
Nu suln wir fliehen hin ze gotes grabe …

Zo luidde de dichterlijke verklanking van de vermaarde minnezanger Walter von der Vogelweide, hij zag geen andere uitweg dan zijn toevlucht te nemen tot het Graf des Heren.
     Maar de kanunniken, die twee dagen treurende en jammerende doorbrachten te Utrecht in de Kapittelzaal, dachten in de eerste plaats aan het graf van hun verslagen heer en het doel van hun kruistocht heette Coevorden! Op de derde dag, toen de beraadslagingen zouden beginnen, werden twee mannen per brancard binnengedragen, nl. de heren van Gelre en van Aemstel, die zich tijdelijk en tegen zware beloften uit de gevangenschap te Coevorden hadden weten los te maken en zich ondanks hun zware verwonding naar Utrecht hadden laten transporteren. Nu zwoeren zij wraak en slechts één vraag was op aller lippen, wie geschikt zou zijn om als „idoneus vindex” d.w.z. als een bekwaam wreker op te treden. Allen verenigden zich met het voorstel van de graaf van Gelre om diens neef, bisschop Willebrand van Paderborn te benoemen. Dit was een man met machtige relaties, hij was reeds domproost van Utrecht, hij was ter kruistocht geweest en hij had — zo meldt de kronist — in verschillende krijgstochten en oorlogen God gediend. Op dat moment bevond hij zich echter in Apulië, maar zij gingen hem halen en in Augustus 1228 arriveerde hij te Utrecht. Nadat hij was ingehuldigd, werd er een diner gegeven en hier trokken de ministerialen hun zwaarden en zwoeren wraak. Doch reeds eerder had de kronist opgemerkt: zij hebben er zich later slecht aan gehouden …
Want niet de leden van de hoge adel of de kanunniken van het kapittel, maar de boeren van Zwolle moesten tenslotte de situatie redden.
     Aanvankelijk ging alles voorspoedig. Met zes legers werd Rudolf

|pag. 13|

_______________↑_______________

aangevallen en reeds in October moest hij capituleren. Dit waren de voorwaarden: hij moest veertig gijzelaars stellen en deze naar het bisschoppelijk kasteel te Vollenhove sturen en de bisschop 3000 mark Keuls geld als boete betalen. Voorts moest hij honderd gewapende kruisvaarders naar Lijfland ter kruistocht zenden, als boete moest hij een klooster stichten voor 25 geprebendeerde personen — dit was het ontstaan van het Benedictinessen-klooster aan het Zwartewater — en bovendien nog twee kastelen afstaan en ook Coevorden zelve, terwijl de jurisdictie over Drenthe hem werd ontnomen. Nu konden de zes legers worden ontbonden en toen de bisschop daarop zegevierend Groningen binnentrok, zongen de clercken: „Advenisti desiderabilis”, hoe welkom is uw komst! Zo scheen alles gepacificeerd.
     Maar de schijn bedroog. Mokkend over het verlies van zijn macht bleef Rudolf achter, nog binnen het jaar pleegde hij verraad en maakte zich meester van Coevorden. Weer bracht hij Drenthe in opstand en nu stond het er slecht voor. Want de bisschop kon de ridders van het Sticht niet meer oproepen, want de moed was hun in de schoenen gezonken en de Twenthenaren wilden hem niet op eigen kosten dienen. Slechts de mannen van Deventer, van Salland en van Vollenhove waren bereid aan de expeditie deel te nemen. De Zwolse boeren moeten ingezien hebben, dat zij nu een unieke kans kregen om het begeerde stadsrecht te verkrijgen.
Kort daarvoor had nl. keizer Frederik II het z.g. Privilegium in favorem principum uitgegeven, waarin hij aan zijn ondergeschikten het recht verleende zelfstandig steden te stichten. De Zwollenaren kunnen dat geweten hebben. Toen de bisschop het voornemen te kennen gaf om te Hardenberg een kasteel te gaan stichten dat Coevorden in bedwang kon houden, reikten zij hem de hand. Zij stonden hem grote sommen gelds af voor dit doel en ook hielpen zij persoonlijk een handje mee, want voor de bouw sleepten zij de planken van het slot Schuilenburg naar de nieuw te bouwen reuzenschans. Want Hardenberg was toen nog geen kasteel, pas in 1358 werd dit ommuurd en eerst in 1381 is het kasteel van steen opgetrokken. Trouwens, dat was toen nog algemeen het geval, nog in 1380 was het roofslot Eerde voornamelijk uit dikke balken geconstrueerd. Zo sneed voor de Zwollenaren het mes naar twee kanten: de weg naar Groningen zou veilig zijn door het bedwingen van Coevorden en het ontmantelen van de Schuilenburg, bovendien zouden zij als beloning het stadsrecht ontvangen. En als men vraagt, wie bij dit alles de leiding gehad moet hebben, dan komt daarvoor in de eerste plaats in aanmerking de man, die als eerste getuige fungeerde, toen op 31 Augustus 1230 aan de Zwollenaren te Deventer, het Deventerse Stadsrecht werd geschonken, dat was de pastoor, heer Ludolf.
     Voor de Zwollenaren was het een dag om nooit te vergeten. Op 31 Augustus 1230 kregen zij het recht om hun dorp, dat voornamelijk bestond uit de marken Zwolle, Middelwijk en Assendorp te mogen versterken „met grachten, muren of planken” en daarbinnen vrij te mogen wonen onder het bestuur van de schepenen, die zij zelf hadden gekozen. De rechtspraak zou echter worden uitgeoefend door de schout, die door de bisschop zou worden aangesteld. Doch daarmede waren zij niet tevreden. Al spoedig hadden zij het zo ver

|pag. 14|

_______________↑_______________

gebracht, dat zij konden bepalen, dat niemand te Zwolle schout mocht zijn dan hij, die te Zwolle geboren was, dat deze vooraf van zijn medebestuurders permissie moest hebben om dit ambt te aanvaarden en dat hij slechts die zaken mocht berechten, welke de schepenen hem toevertrouwden. Zo kreeg langzamerhand het stadsbestuur de gehele rechtsmacht in handen. Zij bouwden een stadhuis vlak bij de kerk, op het hoogste punt, dat ook bij noordwesterstorm watervrij bleef, nl. in de Sassenstraat, ter plaatse waar nog heden het raadhuis ligt. Zij schaften zich een boek aan, waarin zij op perkament de door hen ontworpen bepalingen deden optekenen en schreven later daarbij:

wes in desen boec ghescreven steet, dat zollen die scepen ende die rade voer recht claren, ende dat zal erflijc ende ewelic recht bliven.

Bij toerbeurt werden telkens twee van de schepenen met het dagelijks bestuur belast — later noemde men hen borgermeyster — en de andere heren fungeerden dan als raden. Zij moesten in het bezit zijn van een paard en elke Maandagmorgen „op ’t huys” compareren om de zaken ter hand te nemen.
     Het vertrouwen dat deze mensen in hun recht hadden, moet iets zeldzaams geweest zijn. Want van alle kanten schoten de landlieden toe om zich in het nieuwe stadje te vestigen. Nu kregen zij een kans om zich aan hun heren te onttrekken, want wie jaar en dag binnen de muren had gewoond, gold als burger, d.w.z. hij was vrij man geworden. Aanvankelijk heerste het principe, dat alle weerbare mannen zoveel mogelijk aan het bestuur en aan de dynamiek van het maatschappelijke leven moesten deelnemen. Allen golden als gelijk, zij hadden gelijkelijk het recht om hun vee op de stadsmars — in Assendorp — te laten weiden en allen die een huis bezaten, waren bij toerbeurt tot waakdienst verplicht.
Niemand mocht zich daaraan onttrekken, zelfs de geestelijkheid niet.
Want later, nog in de 15e eeuw, werd aan de nonnen aangezegd, dat zij twee wakers moesten aanstellen, immers deze vrouwen bezaten een huis.
De verkiesbaarheid tot een openbaar ambt en het meerderjarig zijn hingen samen met de waakdienst; wie waker was, werd over ’t algemeen geacht meerderjarig en verkiesbaar te zijn. In den beginne was iedereen die medewaakte en medewerkte aan dijken en wallen gerechtigd om tot schepen te worden verkozen en wie eenmaal gekozen was, was verplicht het ambt op zich te nemen. Maar toen er bij de groei van de stad verschil ontstond tussen hen die reeds lang hier woonden en die welke zich kort geleden gevestigd hadden, en dus tussen hen die wel een huis, en die niet een huis bezaten, werd, om te voorkomen dat allerlei nieuwkomers in het bestuur zouden komen, bepaald, dat alleen hij schepen mocht worden, die hier gedurende enige tijd had gewoond en die was „geërvet met liggende erve” d.w.z. die in het bezit was van enig onroerend goed, gelegen binnen de stad.
     Naar het voorbeeld van Deventer vond „de keur” plaats op Petri ad Cathedram, dit is op 22 Februari, wanneer de kerk de dag herdenkt waarop Petrus op de stoel verheven werd. Maar dit was geen „verkiezing” in de moderne zin van het woord. Het geschiedde bij onderlinge samen-

|pag. 16|

_______________↑_______________

spreking en wie dan het geschiktst leek, werd aangewezen. Zo ontstond langzamerhand naast het college van de schepenen een college dat „raad” heette en dat bestond uit de heren die het vorige jaar schepenen waren geweest en die tot taak hadden om nog een jaar lang de nieuwe schepenen te assisteren met hun advies. Doch deze heren mochten de schepenen niet kiezen, dat was de taak der burgers. Om dit te kunnen doen, ontstond zo langzamerhand een college dat „meente” heette, hetwelk uit 4 secties bestond, genoemd naar de 4 straten of wijken van de stad. Deze heren werden „bi huselang” d.i. huis voor huis ten stadhuize ontboden om daarna in een apart huis, het meensliedenhuis te beraadslagen over de aanwijzing van de nieuwe schepenen.
     Voor de organisatie van de waakdienst was de stad ongeveer volgens de vier windstreken verdeeld in vier wijken, Sassenstraat, Voorstraat, Diezerstraat en Waterstraat en voor elk dezer wijken waren er 3 schepenen. Maar de kleinheid der stad, de onderlinge samenspraak en de middeleeuwse mentaliteit brachten mede, dat het schepen-college zich liefst door coöptatie ging aanvullen en daarover is later in 1341 grote onenigheid ontstaan. De middeleeuwse mentaliteit bracht tevens mede, dat er nooit besluiten werden genomen door een raadsmeerderheid bestaande uit de helft der stemmen plus één. Dat was eenvoudigweg ondenkbaar en van „stemming” in de moderne zin was nooit sprake. Bij alles heerste de tendens, dat allen het over een bepaald voorstel zoveel mogelijk eens moesten zijn; was dat niet het geval, dan werd de zaak „geversted” d.w.z. uitgesteld. Ook bestond er geen Raad in de moderne zin van het woord. Het politieke leven begon op Lucie, dus op de 13e December met de aanvulling van de vacatures in de meente.
Ongeveer van die datum af werd er zo nu en dan vergaderd tot op de 22e Februari, waarop het nieuwe stadsbestuur werd aangewezen. En zelfs deze spanne tijds werd nog te groot geacht, want toen Zwolle zich na 1300 meer en meer van Deventer invloed wist vrij te maken, werden in ieder geval na 1343 de deliberatiën verkort tot Pauli Conversio, d.i. de herdenking van Paulus’ bekering, die op de 25e Januari gevierd wordt. In die tijd was eenieder die wat presteerde druk met de politiek, of met het controleren van de Rekeningen, met het organiseren van maaltijden voor de regeringspersonen, met het doen van allerlei proclamaties — toen kerckenspraecken genoemd — met verpachtingen enzovoorts! Daarvoor diende de wintertijd, immers dan was men thuis; des zomers moest men aan ’t werk, naar het land, elders ter markt om koopmanschap te drijven of desnoods ten oorlog. Nadat aldus in de periode die wij kerstvacantie zouden noemen, de voornaamste besluiten waren genomen, werd het gehele verdere bestuur aan de 12 schepenen overgelaten en dezen riepen slechts dan de raden bijeen, wanneer er werkelijk grote gebeurtenissen op til waren. Doch daartoe bestond geen enkele vaste bepaling. De meente had aanvankelijk noch een politieke, noch een controlerende bevoegdheid; het was louter een college van kiesmannen, welks leden door de schepenen werden aangewezen.
     Aldus hadden de burgers hun eigen lot in handen gekregen. Behoudens de opbrengst van de decimales of tienden aan de landsheer, waren zij practisch vrij van belastingen. Stadsbestuurders genoten geen salaris,

|pag. 16|

_______________↑_______________

[ ]
GULDEN SPOREN
Bij de slag aan het koewed bij de Ane verloren in 1227 sommige ridders hun gouden sporen; later werden deze opgegraven uit het moeras – zie pag. 12

NIEUWE BURGERS VAN 1336
Telkenjare gaven de Schepenen op Petri ad Cathedram (22 Februari) aan nieuwe burgers gelegenheid de burgereed af te leggen; hun namen werden genoteerd in het Stadboek. Zwolle bezit die naamlijst vanaf 1336

[ ]

STADBRIEF 1230
Copie in het Privilegeboek der stad – zie pag. 14

[ ]

slechts de „scriver” d.w.z. de secretaris en twee clercken met enige vaste dienders werden bezoldigd. De bronnen voor hun onderhoud werden gevonden uit de opbrengst van de verpachtingen van de stadslanderijen en uit boetes, die wel tamelijk laag waren, maar die toch vaak en snel werden opgelegd. Dit op te tekenen, was de taak der coermeysters. In de rekeningen kan men zien, dat de salarissen niet alleen in geld, maar gewoonlijk ook in naturalia werden uitgekeerd, nl. aan de regeringspersonen telkens een hoeveelheid wijn en aan de dienaars van tijd tot tijd een nieuw stel kleren. Weliswaar moest de stad ook opkomen voor het levensonderhoud van de pastoor, maar het is niet aan twijfel onderhevig of de parochianen zullen terwille van heer Ludolf en zijn opvolgers — tenminste wanneer zij resideerden — gaarne royale giften afgestaan hebben, die in de kerk tijdens de mis bij het offertorium op de offerschaal werden aangeboden. Bovendien had de stad de inkomsten van enige landerijen voor de kerk beschikbaar gesteld en waren de altaren al spoedig gedoteerd met enige inkomsten. Daarenboven had de pastoor min of meer vaste revenuen zoals begrafenisgelden en dergelijke. Zo zal de herder weinig zorg voor zijn levensonderhoud hebben gekend.
     Toch was er een andere zorg, die nog moeilijkheden genoeg ter wereld zou brengen, nl. deze, dat het kapittel van Deventer pretendeerde het patronaatsrecht te hebben op de Zwolse kerk, d.w.z. het recht om de pastoor aan te stellen. De desbetreffende oorkonde, die pretendeert van 1040 te dateren, is een vervalsing of minstens een schijnbaar origineel. En omdat het menselijk is, dat de proost van Deventer het Zwolse pastoraat gaarne wegschonk óf aan een gunsteling óf aan iemand die hij gaarne kwijt wilde zijn, was dit een bron van grote onenigheid.
Want sommige pastoors beschouwden hun ambt als een sinecure, die hun een bron van inkomsten was; zij resideerden hier soms niet, streken het geld op en lieten hun ambt waarnemen door een slecht betaalde vicaris 1 [1.      Dit is de „gehuerde herde” waar Joan Cele tegen predikte; men leze zijn Duutsche Sermoenen er eens op na, om te zien welk een indruk dit destijds gemaakt moet hebben.]). Welk een bron van ergernis! De schepenen meenden terecht, dat hierin het best zou kunnen worden voorzien, indien zij zelve de pastoor benoemden. Immers zij waren ook eigenaars van het kerkgebouw en zij moesten voor de „kerkfabriek” d.w.z. voor het onderhoud zorgen.
     Klein was het stadje in den beginne. De westgrens werd gevormd door een gracht, die gelegen was ter plaatse waar thans de huizen staan van de Luttekestraat-westzijde, en deze straat heette toen Waterstraat. Tot ongeveer 1400 lag er een brugje ter hoogte van het steegje, dat thans de Ossenmarkt met de Luttekestraat verbindt, want dat gaf toegang tot de z.g. Hof van Zwolle, een terrein waarop later de Kruiskerk zou verrijzen. De noordgrens werd aanvankelijk gevormd door de Grote Aa, die stroomde over het tegenwoordige Gasthuisplein, Oude Vismarkt, Grote Markt en Melkmarkt. De oude stadsmuur begon ongeveer op het punt waar nu de Vijfhoek ligt en liep dan langs de huizen van de tegenwoordige Walstraat naar de Sassenpoort — de voorgangster van de huidige — die de voornaamste toegangsweg vormde. Daarna liep

|pag. 17|

_______________↑_______________

de muur verder langs de tegenwoordige huizenrij van de Koestraat naar de oude Lutteke-poort, vlak bij het huidige verkeersknooppunt aan de Nieuwe Haven. Daarbinnen lag als enige en voornaamste straat de Sassenstraat, die om haar hoge ligging ook bij noordwesterstormen watervrij bleef. Wat later — men weet niet precies wanneer — is de stad uitgebreid met het rayon dat loopt vanaf de Luttekestraat langs de Kalverstraat, Kamperpoort — toen Voorsterpoort geheten — en Korte Kamperstraat. Op het punt waar hier de stadsmuur de Grote Aa bereikte, verrees de Rode Toren. Meer dan twee eeuwen lang lagen er nog onbebouwde stukjes land in de stad, die gescheiden waren door ouderwetse open goten met planken of vonders er over. Want de bekende Windesheimer kanunnik Jan ten Busch — een geboren Zwollenaar — verhaalt, dat de rector magister Joan Cele, die eerst achter op de tegenwoordige Melkmarkt woonde, eens op een donkere morgen toen hij zich naar de kerk spoedde, kwam te struikelen over de vonder tussen Ossenmarkt en Luttekestraat en dat hij bij deze val zijn voortanden verspeelde. Want van straatverlichting was voor 1400 natuurlijk geen sprake.
     Omdat Zwolle gunstig was gelegen op een kruispunt van wegen te land en te water, kon de handel zich voorspoedig ontwikkelen. Reeds voor de stichting der stad vond telkenjare op St. Michaëlsdag d.i. 29 September een jaarmarkt plaats en reeds in 1265 verwierven de Zwollenaren van bisschop Hendrik I een privilege van vrijgeleide, dat zich uitstrekte over de vier dagen voorafgaande aan de St. Bonifatiusdag van 5 Juni en over de vier dagen daaraan volgende. Zo was de veiligheid en de z.g. marktvrede verzekerd. Binnen de honderd jaar hadden zij het al zo ver gebracht, dat ook op 15 Augustus en 20 October een grote markt mocht worden gehouden. Als marktcentrum was Zwolle uitzonderlijk gunstig gelegen; reeds omstreeks 1250 kennen wij de Hessenwegen waarlangs de koopwaar per as werd aangevoerd en ook het Zwarte water en de Vecht waren toen drukke verkeerswegen. Omstreeks 1270 werden de Zwolse kooplieden gesignaleerd in het Oostzeegebied; het jaar waarop zij in de Hanze getreden zijn staat niet vast, maar wel is duidelijk, dat ze aan deze machtige Noordduitse associatie al vroeg deel hebben genomen. Ook in westelijke en zuidelijke richting hadden ze relaties, want er bestaat een privilege van graaf Floris V, krachtens hetwelk zij handel mochten drijven op het Zwin. Doch hoe groot deze handel was, valt zelfs niet bij benadering te schatten.
     Voor de veiligheid van het verkeer moest de landsheer zorgen, en het was een geluk wanneer de bisschop een krachtig man was. Zulk een man was bisschop Guido of Guy, die in 1301 de stoel beklom. Nog in October 1301 bevestigde hij de Zwollenaren in hun privileges en uit alles blijkt, dat hij de stad gunstig gezind was. Onder zijn bewind is de eerste grote poging ondernomen om Salland min of meer watervrij te maken. Weliswaar bestonden er toen dijken, maar uit de straks te vermelden Guyendycbrief blijkt, dat het er treurig mee gesteld was. Men liet in de letterlijke zin Gods water over Gods akker vloeien, want in winter en voorjaar stond de gehele omgeving van de stad blank. Reeds lang was het de gewoonte, dat er twee maal per jaar met de landsheer

|pag. 18|

_______________↑_______________

werd geconfereerd over zaken betreffende het landsbestuur. Dit geschiedde op de Spoolderberg, eens „bi grase”, dat is in het voorjaar en eens „bi stroo”, dus in het najaar. Nadat op de voorjaarsvergadering van 1308 druk was geconfereerd, kwam in dat jaar op 4 Juni de beroemde Guyendycbrief tot stand.
     Voor deze streken was dit iets nieuws, immers nu zouden de boeren — ook wanneer ze dat niet wensten — gedwongen worden zich te organiseren. Maar uit juridisch oogpunt bood het Guyendycrecht weinig nieuws, het komt overeen met het toen algemeen geldende waterstaatsrecht. Nieuw was voor Salland de algemene Dijkstoel. De inhoud van het document wijst er op, dat toen voor ’t eerst een ernstige poging is gedaan om de IJssel beneden Deventer te bedijken en enige orde te scheppen in het dijkbestuur. Er werd een dijkgraaf aangesteld, die als voorzitter zou optreden van een college van heemraden en dezen moesten driemaal per jaar „schouw” houden, d.w.z. zij moesten de dijken inspecteren eerst in Mei, daarna tussen 24 Juni en 1 Juli en tenslotte nog eens tussen 15 Augustus en 5 September. Als principe gold: wie het water deert, die het water keert; en wanneer er een doorbraak was ontstaan, moest de dijk binnen zes weken in orde gemaakt worden. Alle belanghebbenden die in de buurt woonden, moesten op eigen kosten het afdammingswerk ter hand nemen en de nieuwe dijk moest een voet hoger worden opgetrokken dan de oude. Wie geheel arm was, was vrijgesteld van het werk, maar volgens de zede van die tijd moest hij daarvan het bewijs leveren. Zulk een man moest in zijn hemd op de dijk voor de aldaar vergaderde dijkgraaf en heemraden verschijnen, hij moest dan een spade in de dijk steken die voorzien was van een kruk en leggende zijn ene hand op de kruk, moest hij met de andere hand bij de heiligen zweren, dat hij niets bezat dan datgene wat hij aan het lijf had! Hierna was hij vrijgesteld van alle lasten en behoefde ook in de toekomst niet meer te dijken.
     Uit deze dijkbrief blijkt ook, dat er een zeker sociaal gevoel was ontstaan. Zo werd b.v. bepaald, dat indien een erf te klein of te arm was om mee te kunnen doen, hierin dan met het geld dat de bisschop toekwam, zou worden voorzien. En dat was mogelijk, want als landsheer toucheerde hij tweederde deel van alle boetes, de heemraden mochten een derde deel behouden. De grote autoriteit van bisschop Guy blijkt wel het best uit de bepaling, dat de boeren de dijkgraaf en de heemraden gratis onderhoud moesten verstrekken wanneer dezen de schouw deden,2 [2.      Nog op de huidige dag krijgen de heren die met de schouw zijn belast, hun consumptie gratis.]) dat de schouten de boeren moesten mobiliseren bij dreigende dijkbreuk, dat niemand het mocht wagen om de h. h. heemraden tegen te spreken en dat deze verkeerde gewoontes moesten afschaffen en goede invoeren.
De functies van dijkgraaf en heemraad waren zeer gezocht, maar zij stonden niet zo hoog aangeschreven als het schoutambt. Wanneer een ambitieus magistraat naar het schoutambt solliciteerde en hij werd gepasseerd, dan werd hij gewoonlijk in een waterschapsfunctie aangesteld bij wijze van compensatie.

|pag. 19|

_______________↑_______________

     Het episcopaat van Guy bracht grote veranderingen en verbeteringen, niet alleen op het land, maar ook in de stad. Ook hier was het ontstaan van sociaal gevoel duidelijk zichtbaar. In de oude tijd had overeenkomstig de germaanse gastvrijheid elke deur opengestaan voor de gaande en komende man. Maar nu de stad groter en het vreemdelingenverkeer drukker was geworden, moesten ook hier voorzieningen worden getroffen. Want de stad had zich inmiddels naar de noord-oostzijde uitgebreid en zo was de Diezerstraat ontstaan, toen nog grotendeels geflankeerd door boerderijen. In 1308 werd hier definitief gesticht het grote stadshospitaal, dat voortaan dienst zou doen voor drie grote doeleinden: het zou herberg verlenen aan de gaande en komende man, het zou een soort ziekenhuis worden, en tevens zouden er oude mensen in kunnen worden ondergebracht. Daarna werd het toegewijd aan God de Heilige Geest, die in de liturgie de Vertrooster genoemd wordt, immers het huis was in de eerste plaats gesticht voor de el-lendigen, d.w.z. voor hen die elders hun land hadden en dat was in die dagen nog al te vaak synoniem met ziek, oud en arm. Ook zieke marktbezoekers en zieke reizigers zouden nu geholpen kunnen worden. Van stadswege werden jaarlijks twee provisoren aangesteld, die „kerkmeesters van de H. Geest” genoemd werden, en die met een priester de zorg voor het huis en de bewoners zouden hebben. Voor de priester, die eveneens van stadswege werd aangesteld, werd een kapel — thans nog ten dele aanwezig — gesticht, waar hij mis zou kunnen lezen en aan het altaar werden enige inkomsten verbonden. De magistraat zorgde voor het onderhoud door in beslag genomen of verbeurd verklaarde goederen — in ’t bijzonder etenswaren — te verwijzen naar de H. Geest.
     Ook particulieren begunstigden deze stichting vaak zeer royaal; in ’t bijzonder geschiedde dit door magistraatspersonen. Nog binnen een eeuw was er een tweede altaar gesticht door bgrmr. Gerbrand ten Busch en later kwam er nog een derde bij, vaak bediend door een fraterheer of dominicaan al naar gelang er geschikte persoonlijkheden onder de clerus aanwezig waren. Zo was niet alleen het sociaal gevoel, maar ook het religieus gevoel volkomen bevredigd. Het huis was wèl ingericht; er waren z.g. proeven aan verbonden, d.w.z. fundaties, waaruit enige armen, de zogenaamde proevenaars, hun levensonderhoud en enige inkomsten konden genieten. Kerkelijke en wereldlijke elementen gingen hand in hand, want telkens wanneer een misdadiger ter dood veroordeeld was, werd deze naar de H. Geest geleid om aldaar op de morgen zijner executie voor het laatst de mis te kunnen bijwonen in een soort cel of kooi van zwaar ijzeren traliewerk, die stond opgesteld achter in het portaal. Wanneer hij daarna naar de Grote Markt werd geleid, moest het kruisbeeld 3 [3. Dit kruisbeeld werd tijdens de Munsters-Keulse bezetting van 1672—1674 door past. A. Waeyer opgespoord op de zolder van de H. Geest en naar zijn schuilkerk in de Spieghelsteeg gebracht. Omstreeks 1810 verhuisde het, na opheffing van de Spieghel naar de O.L. Vrouwenkerk. Pastoor J.V. Meyer wist toen ook de ijzeren kooi te verwerven en deze werd om het kruisbeeld in de kerkmuur geplaatst. Dit moet een vreemde indruk gemaakt hebben.
Het is beschreven door Henry Havard in diens La Hollande à vol d’oiseau en tot voor betrekkelijk kort leefden er oude Zwollenaren, die zich dat nog wisten te herinneren. Toen de kruiskerk door mgr. O.A. Spitzen werd verbouwd, verdween dit traliewerk en is het beeld gerestaureerd. De vreemde wijze waarop de voeten zijn vernageld, trok reeds de aandacht van mag. Joan Cele, die daarop een toespeling maakte in zijn Goede-Vrijdag meditatie. Momenteel hangt het achter in de kerk.]
) voor hem worden uitgedragen. Dit prachtige gothieke kruisbeeld, met de droeve expressie van de Christus-kop en

|pag. 20|

_______________↑_______________

de vreemd vernagelde voet, is thans nog aanwezig in de O.L. Vrouwenkerk. Maar onder de talrijke mensen die er op de huidige dag nog voor bidden, zullen er weinigen zijn, die weten dat dit beeld eens als laatste troost werd uitgedragen voor de misdadigers die naar het schavot werden gevoerd. Doch zelfs bij deze functie kwam het sociaal gevoel nog voor de dag: de vrome stichters bepaalden, dat de man die het kruisbeeld droeg en die de misdadiger wat goeds moest voorzeggen — van ouds was dat de 50e psalm, die naar het beginwoord „Miserere” genoemd wordt — jaarlijks een inkomen zou genieten van een half pond.
     En executies zullen herhaaldelijk zijn voorgekomen, want er was vaak „vreemd volk” in de stad. De geografische ligging bracht dat mede, ook al, omdat het aantal marktdagen door bisschop Guy aanzienlijk werd uitgebreid. Op 9 April 1308 verleende hij aan de stad het privilege om Dinsdag na Pasen een jaarmarkt te mogen houden, welke mocht duren van drie dagen voor, tot drie dagen na die dag, bovendien zouden alle Zwollenaren op de vier reeds bestaande grote marktdagen ook paarden en vee mogen verhandelen. Dit wilde echter niet zeggen, dat zij nu permissie hadden gekregen om op de eerste Paasdag met hun veehandel te beginnen! Deze zinsnede slaat nl. op een andere waardevolle bijdrage tot de opbloei van het marktwezen in dit privilege vermeld, nl. dat de bisschop aan alle marktbezoekers en hun waren een vrijgeleide gaf. Er was toen te Zwolle reeds een levendige en uitgebreide handel in ossen en paarden. Deze dieren werden niet alleen hier gefokt, maar ook vaak uit Denemarken en Holstein geïmporteerd en hier verhandeld. Vandaar dat er veel „vreemd volk” op de marktdagen aanwezig was. Zo kan men zich voorstellen, welke een levendige drukte er op die dagen geheerst moet hebben in het hospitaal van de H. Geest.
     In de middeleeuwen was het maatschappelijk leven onverbrekelijk met de zielzorg verbonden. Tot nu toe was deze geheel waargenomen door de pastoor, doch thans in 1309 zou dit anders worden. In die tijd bezat heer Bernhard van Vullenhoe — een Zwollenaar van geboorte — die deken van Deventer was, hier een huis en een hof waaraan hij zijn naam ontleende, welk perceel gelegen was ter plaatse waar nu het postkantoor staat. Het huis was oud — hierin was nl. bisschop Willebrand in 1233 gestorven — en ook de deken was op jaren. En zo trof het, dat hij in die tijd eens een geestelijk gesprek voerde met zijn vriend, heer Frederik, die proost was van het klooster der Augustijner Regulieren, gelegen onder het kerspel van Doetinchem. Twee dingen, zo zeide de plechtige proost, zouden er nodig zijn voor de stichting van een klooster: een geestelijk en een wereldlijk element. Het geestelijk element zou moeten worden gerepresenteerd door een aantal mannen die Gode dag en nacht wilden dienen, het wereldlijk element zou bestaan in het bezorgen van een huis en enige inkomsten waarvan de bewoners konden

|pag. 21|

_______________↑_______________

leven. Welnu, antwoordde heer Bernhard, laat het dan uw taak zijn om dat huis van beproefde mannen te voorzien, ik mijnerzijds zal U uit mijn vaderlijk bezit een zodanig grote schenking doen, dat het voldoende zal zijn. En om de daad bij het woord te voegen, schenk ik U het huis dat ik te Zwolle bewoon met alles wat daar in is en wat daartoe behoort, ook met de boeken en met het vee, kortom met alles, aan U mijnheer de proost en aan het op te richten convent … Plechtig citeerde daarop de proost het achtste vers van de 111e psalm: Dispersit, dedit pauperibus: iustitia eius manet in saeculum saeculi … en het is jammer, dat onze taal niet bij machte is om hier naast het plechtige, ook het lichtelijk komisch effect weer te geven. Want hij bedoelde nog iets meer dan dit: hij strooit zijne gaven uit, en schonk deze den armen en zijne gerechtigheid — of: zijn zin voor recht — zal blijven in eeuwigheid.
Met een schenking alleen, kan men geen klooster tot stand brengen.
Daartoe was volgens het gevoelen van die tijd de medewerking van de pastoor noodzakelijk en ook deze had zijn kijk op het recht.
     Zo stond de zaak: ofschoon de acte, krachtens welke in 1308 de stichting van het hospitaal van de H. Geest was tot stand gekomen, nauwelijks veertig woorden groot was, was daarin toch ten behoeve van de stadspastoor heer Hessel Heyinck de clausule opgenomen, dat er in de H. Geest weliswaar kerkelijke diensten mochten worden verricht, doch slechts „behoudens het recht van de moederkerk en behoudens het recht op de offergaven welke in het hospitaal bij de plechtige missen zouden worden aangeboden”. En dat wilde in de praktijk van die jaren zeggen, dat de pastoor aanspraak kon maken op de begrafenisgelden en op één vierde deel van de offergaven, die bij het offertorium werden aangeboden. En dat probeerde hij nu ook op te dringen aan het nieuw te stichten klooster. Maar daar kwam niets van terecht, temeer niet, omdat de stichter zelf deken was. Reeds in Augustus van 1308 had het kapittel van Deventer de goedkeuring gehecht aan het verlof dat bisschop Guy aan heer Bernhard had verleend om op zijn eigen goed te Zwolle een oratorium te stichten; op 8 Mei 1309 werd te Zwolle in aanwezigheid van de heren schepenen de stichtingsbrief verleden en in Januari 1311 keurde bisschop Guy het nogmaals goed. Hij schonk aan de stichting het begrafenisrecht ook voor niet-kloosterlingen en bepaalde, dat het gestichte huis altijd zou staan onder het klooster Bethlehem bij Doetinchem — waaraan dit klooster als dochter-stichting zijn naam ontleende — en dat de proost van Doetinchem het recht van visitatie, van onderzoek en correctie zou hebben ten eeuwigen dage. En toen kort daarop de paters voor het eerst de vespers zongen, zal er een glimlach gespeeld hebben op hun gelaat toen zij van de 111e psalm het vers aanhieven: dispersit, dedit pauperibus … want het vers wordt besloten met de juichkreet: cornu eius exaltabitur in gloria, men steekt zijn loftrompet in de gloria! Zij hadden de pastoor uitgeschakeld …
     Heer Bernhard zal daar echter niet meer bij geweest zijn, hij was reeds doodziek. Nog vond hij de kracht om zijn vriend Frederik te ontbieden en hij verzocht hem om te mogen toetreden tot de orde der Reguliere Kanunniken. Toen is er een mis gelezen in de kamer waar hij ziek lag, bij het offertorium bood hij het laatste aan wat hij geven

|pag. 22|

_______________↑_______________

kon, namelijk zichzelve en daarna werd hij gekleed in het grijze habijt van de orde. Kort daarop is hij van de laatste sacramenten voorzien en reeds op de 17e Juni van 1309 kwam hij te overlijden. Hij is bijgezet in zijn kapelletje vlak voor het hoogaltaar in een zandstenen doodvat.
Zo vond men ’s mans stoffelijke resten in 1908, toen het graafwerk voor het nieuw te bouwen postkantoor werd verricht. Toen een arbeider aan het stoffelijk overschot raakte, zakte het tot pulver ineen, en omdat er toen niemand was die er zich om bekommerde, werden de resten van de zandstenen kist bij het puin gegooid.
     Bisschop Guido was Zwolle gunstig gezind. Dit bleek nog eens in December 1311, toen te Deventer de Zwollermars werd verdeeld. Er lag nl. rondom de stad, voornamelijk in de richting van Ittersum, nog een natuurweide, die Suolremarsch genoemd werd, en die nog steeds onverdeeld was. De bisschop besliste toen, dat de mars verdeeld moest worden in 50 „hoeven” d.w.z. in stukken land 4 [4.      „Hoeve” is een vlaktemaat, het is niet aannemelijk dat daarop hoeven in de moderne zin gebouwd zijn, het behoorde min of meer tot de stadsmars en die placht ’s winters blank te staan.]) zo groot dat men daarop ’n boerderij zou kunnen zetten; dat er 36 aan de bewoners van Ittersum en aan Zwollenaren zouden komen, dat de stad Zwolle 16 hoeven zou ontvangen en dat de bisschop bij zijn huis Vogelweide 7 hoeven zou ontvangen. Bij deze verdeling kregen echter de heren van Voorst geen toewijzing en dit zou in de toekomst nog grote moeilijkheden ter wereld brengen.
     Ook had de bisschop in 1311 de kerkelijke immuniteit verleend aan het klooster Bethlehem en had daarbij vergund, dat eenieder zich daar mocht laten begraven. Weliswaar was daarin de clausule opgenomen „behoudens de rechten der betrokken parochiekerken” maar er was niets vermeld omtrent de oblaties, d.w.z. de offergaven die bij het offertorium zouden worden aangeboden. Dit was een doorn in het oog van de reeds vermelde pastoor Hessel Heyinck en deze liet zich niet zo gemakkelijk uitschakelen. Hij was de pastoor, hij was gesteld op zijn autoriteit en misschien nog meer op zijn inkomsten. En dat was begrijpelijk, het was toen een bitter slechte tijd, het jaar 1315 bracht zelfs hongersnood en pest. De herinnering aan dat rampjaar is lang levendig gebleven, nog na honderd jaar maakte burgemeester Albert Snavel er een kunstig telvers op:

Nemet van der mayen dat hovet 5 [5.      Hovet = hoofd = hoofdletter.]),
Ende van drieën crayen, des ghelovet,
Ende die hovede van drieën vinken,
Hier moecht men die duyr tijt bij dinken.

     Zolang de machtige bisschop Guy leefde, kon Heyinck zich nauwelijks roeren, misschien ook niet omdat de pastoor tevens kanunnik van de St. Jan te Utrecht was. Maar toen Guy in 1317 door de zwakke Frederik van Zyrick werd vervangen, barstte het conflict in volle omvang los.
De pastoor kwam voor zijn „rechten” op en eiste van de prior Joh. Smedeken, dat deze geen begrafenis meer zou verrichten en hij hem

|pag. 23|

_______________↑_______________

zijn portio canonica, d.w.z. een vierde deel van de offergaven zou gunnen.
Doch de prior weigerde; het conflict heeft tot 1339 geduurd, en is toen tijdelijk besust.
     Maar het is een open vraag of de paters in die jaren wel bij machte waren om aan de eis van de pastoor te voldoen en of de pastoor — gesteld dat zijn eis rechtvaardig ware — wel beschikte over de machtsmiddelen, die noodzakelijk waren om klem bij te zetten aan zijn eisen. Het was een zonderlinge tijd. Toen bisschop Guy in Mei 1317 stierf, was het al spoedig mis, zijn opvolger bisschop Frederik was een slap man. Toen de drie IJsselsteden hun privileges niet prompt door de nieuwe landsheer zagen bevestigd, sloten zij in December van 1317 een tweejarig of- en defensief verbond en dit hield in, dat de drie steden elkander zouden helpen wanneer hun geweld werd aangedaan en dat men eventuele buit gelijkelijk zou verdelen. Voorts, dat schade van buiten geleden, gemeenschappelijk zou worden betaald, doch dat aanvallen voor rekening van iedere stad afzonderlijk zouden zijn; dat de stadsbesturen elkaar zouden helpen bij het onderdrukken van partijschappen en dat een mogelijke twist eerst zou moeten worden bijgelegd voor het verbond afliep. Het doel van dit verdrag was tweeledig: de landsheer werd er op hardhandige wijze aan herinnerd dat het gewenst was de privileges te bevestigen, en verder was het gericht tegen de heren Roderik en Herman van Voorst, die nog steeds ontevreden waren over de verdeling van de Suolremarsch. Ongetwijfeld hadden de heren van Voorst als geërfden in de marke het recht op een aandeel in de onverdeelde grond. Nu ging het er maar over, hoe hoog of hoe groot dit aandeel moest geschat worden. Dit is nu niet meer te achterhalen, maar men krijgt de indruk, dat de h.h. van Voorst zich allesbehalve soepel getoond hebben in deze zaak. Te verwonderen valt dit niet, immers zij moesten met lede ogen aanzien, dat het stadje, dat steeds mächtiger werd, zichtbaar door bisschop Guy was begunstigd.
     Maar de gehele situatie veranderde, toen bisschop Guy was overleden en werd opgevolgd door de zwakke Frederik. Deze probeerde moeilijkheden te voorkomen door een even merkwaardige als domme politieke manoeuvre. Inplaats van de h.h. van Voorst voor zich te ontbieden, ging hij hen als ’t ware opzoeken en deed in October 1318 „te Voerste voer den diec” een uitspraak in een twist tussen de stad en de familie van Voorst en beloofde toen, dat hij aan Herman en Roderik ieder een „hoeve” van de Suolremarsch zou schenken, die bisschop Guy in 1311 te veel ontvangen had bij zijn huis Vogelweide, maar dat zij de verdeling van bisschop Guy voor zoverre die Zwolle betrof, moesten erkennen.
Voorts verklaarde de bisschop, dat de proost van Deventer de rechten van Zwolle moest erkennen en daarvoor ook al een hoeve zou ontvangen. Dat de Zwollenaren er voor moesten zorgen, dat er geen vee van Roderik of Herman in de mars rondliep …. behoudens de rechten door bisschop Guy aan Herman en aan Zwolle toegekend.
     Welk een wanbeleid! Inplaats van de adellijke heren prompt op hun nummer te zetten, gaf de landsheer hun zoveel toe, dat naar buiten de schijn werd gewekt als zouden zij wel eens gelijk kunnen hebben met hun pretenties over de terreinen rondom de stad. Zo was het hek van de

|pag. 24|

_______________↑_______________

dam. Na de dood van de slappe bisschop Frederik, werd in 1322 Jacob van Oosthoorn tot bisschop benoemd, doch deze leefde slechts drie maanden en hij werd opgevolgd door Jan van Diest, die een slecht regent en een wonderlijk financier was. Bijna ogenblikkelijk zag men de reactie, overal in den lande staken de adellijke potentaatjes hun hoofd op.
     Zulk een man was de hiervoor reeds vermelde Roderik van Voorst, die een kasteel bewoonde in Westenholte en die vermoedelijk niet veel meer dan een roofridder was. In de Margrieten-nacht van het jaar 1324 wierp hij het vuur in het stadje, men weet niet precies hoe. Heel Zwolle, inclusief kerk en stadhuis, brandde tot de grond toe af, zo meldt de kronist van het klooster Bethlehem, want de huizen waren toen nog niet met pannen, maar met stro en riet gedekt. Slechts negen huizen bleven gespaard en onder deze bevond zich ook het klooster van Bethlehem, doch het kapelletje was in vlammen opgegaan. Volgens Snavel was het nog erger:

vix remanent plures,
quam quinque domos prope muros.

Nauwelijks zijn er meer dan vijf huizen overgebleven en dat waren dan die, welke bij de stadsmuren stonden. Of er mensen bij zijn omgekomen, is niet bekend en dat is ook niet waarschijnlijk. Want wanneer er brand uitbrak, was eenieder verplicht op straat te komen en „wapenrochte” te maken, dan hoorde men overal: wapen! wapen! roepen en wie in latere tijd het dichtst bij de toren woonde, trok de klok om alarm te maken. Er moet veel verloren gegaan zijn in die nacht, zelfs de stadsbrief is verbrand, later moesten de Zwollenaren zich een officieel afschrift laten vervaardigen. Vandaar dat men ten stadhuize in het oudste stadboek onder de tekst vindt geschreven: datum per copiam, de verbo ad verbum, d.i. verstrekt bij wijze van copie, van woord tot woord.
     De wederopbouw moet zeer snel in zijn werk zijn gegaan. Er werd een nieuw stadhuis gebouwd, dat meer dan honderd jaar als zodanig dienst heeft gedaan. Ook moest de kerk opnieuw worden opgetrokken en dit geschiedde in de romaanse stijl. Hiervan zijn nog enige resten aanwezig in de kooromgang van de tegenwoordige hallenkerk, want de nu-aanwezige kerk is kort na 1400 om de oude romaanse kerk heengebouwd. Zij strekte zich uit van de kooromgang tot aan het punt waar tegenwoordig de kansel staat. Van de uiterlijke versiering is nog het romaans tympanon of deurtrommel bewaard, welke zich eens boven de zij-ingang bevond, en die na 13 Juli 1406 aan de zijde van de Sassenstraat in de absis is ingemetseld. Het is een halfronde Bentheimer steen, waarop men als hoofdpersoon God den Vader ziet afgebeeld, gepersonifieerd door de aartsvader Abraham. De drie „zielen” die Hij in Zijn schoot draagt, zijn figuurtjes ontleend aan het Laatste Oordeel. De afbeelding links is de traditionele voorstelling van de Petrus-figuur, in het midden ziet men Christus zoals men die veelal vindt afgebeeld op een z.g. majestas en de figuur rechts vertoont een jonge man zonder baard, die de evangelist Joannes voorstelt. De inscriptie is in 1875 definitief ontcijferd door de Zwolse pastoor, mgr. O.A. Spitzen.

|pag. 25|

_______________↑_______________

PATER ABRAHAM
PRAEMIA FERT VITAE
LOCUS UT DOMUS ISTA, VENITE

Hetgeen vrij vertaald luidt: aldus spreekt de Heer, hier gepersonifieerd door vader Abraham:

„Een Huis als dit, verschaft den loon des levens!”
„Derhalve komt, en treedt binnen!”

Vermoedelijk is deze steen aangebracht voor of omstreeks 1346, want in dat jaar verwierf de stad van bisschop Jan van Arkel de z.g. Amplificatie van de Stadsbrief, waarbij aan de schepenen de volledige bevoegdheid werd toegekend om doodvonnissen te mogen vellen in alle gevallen.
De expressie van de figuren wijst hierop en het staat vast, dat juist in die tijd de Bentheimer steenhouwers deze voorstelling als de gangbare leverden. De voorstelling vertoont bovendien grote overeenkomst met die van een grafsteen uit 1341 van zekere Eppo uit Rinsumageest, die zich in het museum te Leeuwarden bevindt. De reden waarom deze steen — in tegenstelling met de Pieta of Nood Gods welke men aan de Bethlehemkerk vindt — zo goed is bewaard gebleven, is gelegen in het feit, dat zij in de loop der jaren overgeschilderd is geweest. Doch bij de restauratie der kerk is de oude verf verwijderd en zo kwam weer het unieke relief met de sprekende kop voor het licht. Zo was mgr. Spitzen in 1875 in staat daarover in de Vereniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis een rede te houden, welke hij aldus besloot:
     „Waarom men in dat nieuwe gebouw onzen ouden steen liet inmetselen en wel ter plaatse waar wij hem zien? Met zekerheid laat deze vraag zich niet beantwoorden bij gebrek aan historische bescheiden, doch gissen mag men het met eenige waarschijnlijkheid. Organisch als ’t ware aan te brengen was hij nergens; hij paste noch boven de deur, noch elders. Toch wilde men hem bewaren en eenigszins blijven gebruiken.
Men plaatste hem, waar hij het meest in het oog zou vallen: tegenover de Sassenstraat. Hij zou daar staan als een aartsvader, getuige van een lang vervlogen tijd, dien ouden verbindende met den tegenwoordigen en toekomstigen. Hij zou uitnoodigen om in te gaan; hij zou den voorbijgangers toeroepen: „Den loon des levens verschaft eene plaats als dit huis: derhalve komt, en treedt binnen.”
     Voorlopig echter was dit zorg voor later; de Zwollenaren hadden wel andere zaken aan hun hoofd, want het gezag van de landsheer was zwak. De eerste reflex hiervan vindt men in het zonderling verschijnsel dat de paters van Bethlehem, die zich al onafhankelijk voelden van de pastoor, nu ook onafhankelijk wilden worden van hun moederklooster bij Doetinchem. Maar er verscheen in 1323 een bisschoppelijke oorkonde, waarbij werd verklaard, dat Doetinchem weliswaar geen recht zou hebben op de goederen van Zwolle, maar dat de Zwolse paters overigens geheel en al onder het Doetinchemse klooster ressorteerden en dat dezen te Zwolle de prior mochten benoemen. De poging tot onafhankelijkmaking was dus mislukt. Nu deed ook het Zwolse stadsbestuur een poging

|pag. 26|

_______________↑_______________

om onafhankelijk te gaan optreden. Zij wilden nl. de rechtspraak in Mastenbroek gaan uitoefenen, vermoedelijk met het doel, om met het aldaar braak liggend gebied op dezelfde wijze te handelen als zij in 1311 met de Suolremarsch hadden gedaan en dit gebied gaan bedijken. Daartoe hadden ze hun eigen taktiek. Ze begonnen in 1327 aan de bisschop te beloven, dat zij hem in de oorlog zouden bij staan. Daarna kregen ze in 1328 met Deventer, Kampen en Hasselt de vrijdom van tol in geheel Twenthe en vlak daarop betaalden zij de bisschop, die voortdurend in geldnood zat, twee volle jaren belasting vooruit. Nu geloofden ze waarschijnlijk, dat het ook wel zou lukken om wat te zeggen te krijgen in Mastenbroek.
     Daartoe gingen zij een verbond aan met Kampen, Wilsum, Hasselt, IJsselmuiden en de verdere markegenoten van Mastenbroek. Maar er kwam bevel van hogerhand, dat zij zich voor 24 October 1328 moesten schikken naar de wensen van de bisschop, deden ze dat niet, dan zouden zij worden gedwongen. Wonderbaarlijkerwijze sloot Roderik van Voorst zich bij deze coalitie aan, want ook hij voelde zich belanghebbend. Maar hij was haantje-de-voorste om zich in 1330 weer met de landsheer te verzoenen, want er werd door de bisschop gewerkt met het z.g. interdict. Hoe het verloop van deze oorlog is geweest, laat zich bij gebrek aan bronnen slechts gissen, doch dit staat wel vast, dat „dese partijen malckanderen grote schade hebben gedaen mit vangen, doodtslaen, roven en branden”. Maar het heeft slechts kort geduurd, omdat de bisschop tegen hen een wapen bezigde, dat in die tijd een zeldzame uitwerking had, nl. het kerkelijk interdict. Hierdoor kwam niet alleen het kerkelijk leven geheel stil te liggen, doch bovendien werden handel en verkeer grotendeels onmogelijk gemaakt, omdat andere bisschoppelijke onderdanen geen gemeenschap mochten houden met hen die met het interdict waren belegd.
     Omdat het echter een politieke kwestie was, werd Zweder van Abcoude tot scheidsrechter benoemd, en deze besliste in Maart 1330 dat er nu vrede zou heersen op allerlei voorwaarden, waarvan de voornaamste deze waren, dat wederzijds de gevangenen zouden worden uitgeleverd, dat de Zwollenaren moesten beloven, dat zij nooit meer tegen de bisschop zouden samenspannen en dat Zwolle en Zwollerkerspel resp. 4000 en 1000 pond zwarte Tournoys als boete zouden betalen.
Voor het stadje, dat pas geheel was afgebrand, was dit ongetwijfeld een ongehoord hoge som, maar de Zwollenaren moesten het wel opbrengen om van het boosaardige interdict ontslagen te raken, ’t Is niet aannemelijk dat men met deze landsheer erg tevreden is geweest. In 1336 is het zover gekomen, dat Jan van Diest 43000 pond zwarte Tournoys moest opnemen bij de graaf van Gelre en dat hij hem voor deze lening geheel Salland, Vollenhove en Twenthe in pacht moest geven. Zo zien wij op 27 Maart 1336 enige Zwolse afgevaardigden in Arnhem verschijnen om daar te verklaren, dat zij de graaf van Gelre als hun landsheer wilden aanvaarden.
     De slechte toestand is echter gaandeweg verbeterd sinds in 1342 de heer Jan van Arkel de bisschoppelijke stoel beklom. Omdat hij het Sticht in wanorde vond en met schulden beladen, moest deze voortref-

|pag. 27|

_______________↑_______________

felijke bisschop Utrecht als residentie verlaten en naar het buitenland gaan, om zodoende het geld te sparen dat onmisbaar was om de schulden te delgen die Jan van Diest had gemaakt. Zo waren de steden op zich zelve aangewezen en eiste men veiligheid, dan moest er gehandeld worden. Zo begrepen het de Zwollenaren tenminste, want in 1344 maakten zij een kasteel in de Hoonhorst met de grond gelijk. Was er nu veiligheid in oostelijke richting, in het westen liet het nog veel te wensen over: daar woonde Zweder van Voorst. En deze was zo machtig, dat hij voorlopig straffeloos zijn roofridderschap kon uitoefenen.
     Jan van Arkel kwam tot het inzicht, dat hij het Sticht nooit tot bloei zou kunnen brengen, indien er aan de z.g. „roefhusen” niet definitief een eind werd gemaakt. In 1348 was hij weer in het land terug, en reeds een jaar later deed hij aan Zweder van Voorst het voorstel, om Mastenbroek te beslaan, d.w.z. om het toen nog onontgonnen gebied dat zich in de delta van IJssel en Vecht bevond, definitief te gaan bedijken, ontwateren, ontginnen en in hoeven verdelen. Dit zou de bisschop een groot finantieel voordeel leveren, nl. het recht van voorslag en de novale tienden. Het eerste was het aandeel in land dat hij te allen tijde kreeg, wanneer er ontginning van woeste grond plaats vond, het tweede was het tiendrecht — dus permanente belasting — met een tiende van de opbrengst van alle in cultuur te brengen gronden. Doch de heer van Voorst weigerde om hierop in te gaan, hij beschouwde zich als heer van Mastenbroek. En hij meende dit straffeloos te kunnen doen, want volgens de begrippen van die tijd woonde hij in een onneembare sterkte, die bovendien door moerassen vrijwel ontoegankelijk was.
     Maar de tijd werkte tegen hem. Omstreeks 1354 werd er een gruwelijke ontdekking gedaan. Er werd verteld, dat er een monnik leefde in Hamburg, Bertold Schwartz genaamd en dat deze een groot alchimist was. In zijn laboratorium had hij zwavel met salpeter vermengd, dit mengsel tussen twee stenen gewreven en zo was er een nieuwe stof ontstaan van zulk een ontzettende kracht, dat de werking door toevoeging van houtskool moest worden getemperd. Dit was iets nieuws en een unicum, want wanneer men dit geheimzinnige zwarte poeder in aanraking bracht met vuur, dan spatte het met een knal als een vreselijke donderslag uiteen: dat donrecruyt! Dat was de atoombom van die tijd, met de wijze van samenstelling waren slechts weinigen op de hoogte en zij die het kenden, zochten dit gruwelijk geheim te bewaren. Te Deventer had men het in die jaren doorgrond, maar nog in 1362 waren ze er zo geheimzinnig mee, dat men in de Cameraers-rekeningen wel vindt genoteerd dat er 51 pond salpeter werd aangekocht, maar men verzuimde — vermoedelijk opzettelijk — om aantekening te houden van de twee andere componenten, die eveneens voor de fabricage noodzakelijk waren. Klaarblijkelijk wilden zij hun geheim bewaren. Toch blijkt op andere plaatsen, dat de Deventernaren reeds enige „donrebussen” bezaten en dat het „bussecruyt” in lederen buidels werd bewaard. Dit is een voorname reden waarom men kan aannemen dat de onderhandelingen tussen Jan van Arkel en het Deventer stadsbestuur zo stroef verliepen. Hun hulp was voor de landsheer onmisbaar, nog onlangs hadden zij hem moeten helpen bij de totstandkoming van het kasteel

|pag. 28|

_______________↑_______________

Arkelstein en zo geloofden zij, dat zij nu een prachtige prijs zouden kunnen bedingen, nl. het beheer over het land in Mastenbroek, dat Jan van Arkel daar definitief zou verwerven.
     Inmiddels was echter de druppel gevallen die de emmer deed overlopen. In de nacht van 14 op 15 October van 1361 stak Zweder van Voorst de brand in de z.g. Nystad, die voor de Diezerpoort was gelegen. Vermoedelijk is er alarm gemaakt, de burgerij kwam snel op de been en deed een uitval om de bandieten te verdrijven. Doch te laat zagen zij, dat de brandstichting slechts een hinderlaag was; er ontstond een gevecht waarbij een paar mannen dood bleven, maar een zeventigtal werd door Van Voorst krijgsgevangen gemaakt en meegesleept naar het roofnest in Westenholte. En in de praktijk van die dagen wilde dat zeggen, dat er hoge losgelden moesten worden opgebracht om de gevangenen te kunnen vrijkopen. Nu moesten de wapenen beslissen, de Zwollenaren mobiliseerden en trokken op naar het kasteel. Maar de belegering moest worden afgebroken wegens het vergevorderde jaargetijde en ook omdat de Deventernaren aanvankelijk niet met voldoende macht aanwezig waren. Zij hadden daarvoor hun redenen. Want met meer politiek inzicht begiftigd dan de Zwollenaren, hadden zij gemerkt, dat hun steun voor de landsheer onmisbaar was. Naar de zede des tijds lieten zij zich daarvoor honoreren met een royaal aandeel in de te verwachten buit. Zo komt het, dat de belegering het volgend jaar moest worden hervat.
     Reeds in het begin van 1362 bevond zich de bisschop te Zwolle om leiding te geven aan de krijgstoerustingen en in Maart vinden we hem in drukke correspondentie met het Deventer stadsbestuur over de prijs van de te verstrekken hulp. De onderhandelingen waren moeilijk, want eerst op 29 Juni kwam het verdrag tot stand en ook de Kampers zouden hun medewerking verlenen. Op 17 Juli vond er te Deventer een grote inspectie plaats in de Enghestraat van de gewapenden, die toen nog meest met armborsten waren uitgerust. Maar zij bezaten ook een grote blijde of ballist, die op een drijfwerk naar Zwolle getransporteerd zou worden. Met hun „donreschot” waren zij echter bijzonder voorzichtig, uit niets blijkt dat zij het hebben medegevoerd. Trouwens dat was zeer moeilijk, want de donrebussen lagen toen nog „op die scraghen” en deze waren vermoedelijk nog niet van wieltjes voorzien. Maar in de hoogste nood zouden zij het toch kunnen gebruiken, want reeds op 9 April hadden zij een hoeveelheid buskruit laten fabriceren en daarvoor de hoge beloning van 6 stuivers en 4 deniers uitgegeven aan de twee mannen, die dat waagstuk hadden volbracht. Maar uit het feit, dat de Deventernaren 12.750 pijlen lieten aanmaken, blijkt wel dat de oude bewapening nog de voornaamste was.
     De Zwollenaren deden echter niet voor die van Deventer onder.
Zij kwamen met man en macht, immers zij waren eerste belanghebbenden. Technisch waren zij goed uitgerust, zij bezaten vier blijden die volgens de traditie op de Blijmarkt zijn geconstrueerd; in die tijd woonden daar nl. de ambachtslui, die in gilden georganiseerd in deze jaren langzamerhand omhoog begonnen te komen. Deze blijden waren slingerwerktuigen waarmede men zware keien over de muren kon werpen,

|pag. 29|

_______________↑_______________

met de bedoeling dat zij het dakwerk zouden ruïneren, waardoor dan vaak ongerief en soms zelfs brand ontstond. Voor het beuken van de muren bezigden zij de z.g. stormrammen. Dit waren zware, van ijzeren punten voorziene balken, die met touwen aan schragen of kozijnen waren opgehangen, welk schraagwerk van boven van een dakje was voorzien. Daaronder bevond zich een aantal mannen, die de stormram op en neer moesten trekken. Tegen de 28e Juli — op die dag begon het beleg — werden deze belegeringswerktuigen naar Westenholte gesleept, de stormrammen werden op drijfwerken geplaatst in de gracht en zo begon men de 12 voet dikke muren te beuken. Doch dit baatte aanvankelijk weinig. De belegerden verzetten zich met hand en tand, eerst in de voorburcht, later in het kasteel zelve. Zij deden vanaf de 80 voet hoge muren een ware regen van kokende olie en stenen, en een hagel van pijlen op de belegeraars neerdalen. De situatie was kritiek: men was te laat begonnen en nu stond de herfst voor de deur. Want toen de voorburcht was veroverd en zelfs toen een grote toren was omvergebracht waardoor een hele zaal met getimmerte naar beneden tuimelde, hield de kasteelheer de strijd nog taai vol. Omdat het beleg echter voor de winter moest zijn afgelopen, liet Jan van Arkel met zijn slingerwerktuigen rottende cadavers en faecaliën over de muur schieten. En dit geschiedde met zulk een snelheid, dat het vuil zich daarbinnen ophoopte met een alles verpestende stank, zodat zelfs — en dat was de bedoeling — het drinkwater er door vergiftigd werd. Tegen deze gas- en bacteriologische oorlogvoering was Zweder van Voorst niet opgewassen en zo behoefde het donrecruyt — de atoombom van die tijd — gelukkig niet te worden toegepast. Bijna alle belegerden waren ziek geworden en zo moest de kasteelheer op 9 November tenslotte capituleren. Hij is in ballingschap gestorven.
     Voor de Zwollenaren was de verovering van het kasteel een reden tot uitbundige vreugde. Nu waren zij de gehate roofridder kwijt en zij kregen het recht om het kasteel te slopen. Hiermede zijn zij de gehele winter tot 19 Februari 1363 toe, druk geweest; de stenen zijn naar Zwolle gevoerd en daar gebruikt om een toren aan de romaanse kerk te bouwen. Doch lang niet alles is toen verwijderd, in het begin van de 19e eeuw is er nog meer dan 2500 m2 steen uit de grond gebaald, om daarmede de weg van Zwolle naar Kampen te verharden. De Kampers kregen als aandeel in de buit o.a. de beroemde ijzeren deur, die men daar momenteel nog ten stadhuize zien kan. Deze uit 22 aan elkaar geklonken ijzeren staven bestaande deur, heeft daar bij de stadhuisbrand van 1543 nog uitnemende diensten bewezen, een groot deel van het oud-archief is daardoor bewaard gebleven. Het kapittel van Deventer deelde ook al in de buit, want dezen kregen op 1 Maart 1364 van Jan van Arkel het voorrecht, dat zij de helft van de tienden van Mastenbroek in erfpacht mochten houden. Niet lang daarna is aan de landmeter Frederik Stoeveken opdracht gegeven om het land te meten en te verdelen en aldus is de z.g. Bisschopswetering ontstaan en zijn toen de dijken verbeterd.
Het eigenlijke dijkrecht met de aanstelling van een dijkgraaf, heemraden enzovoorts, is echter eerst op 14 Maart 1390 tot stand gekomen. Zwolle verkreeg daarbij 210 morgen aan land.

|pag. 30|

_______________↑_______________

     Aldus waren voorlopig rust en orde verzekerd, want reeds een jaar later verzoenden zich de zoons van Van Voorst met de bisschop. Het stadje had zich kranig gehouden en weldra kwam het tot grote bloei.
Maar er moet geen evenwicht geweest zijn in de bevolking, er was een groot vrouwenoverschot. De oorlogen en het feit dat mannen voor besmettelijke ziekten vatbaarder zijn dan vrouwen, zullen daartoe bijgedragen hebben. Zo werd omstreeks 1366 hier op Kamper voorbeeld een Begijnhof gesticht, d.w.z. een huis waarin ongehuwde vrouwen of weduwen zouden mogen samenwonen, wanneer zij zich wilden verplichten om een min of meer geestelijk leven te leiden. Zij behoefden dan niet de strikte geloften van armoede, van coelibatair te zullen leven en van gehoorzaamheid af te leggen, maar zij moesten beloven, dat zij zich aan de geestelijke leiding zouden onderwerpen en dat zij zich zouden gedragen alsof zij de drie geloften hadden afgelegd. Eigenaar van de begijnhof — in de tegenwoordige Praubstraat gelegen — was de stad en aan de pastoor was de geestelijke leiding toevertrouwd. Maar de pastoor resideerde niet altijd, vaak waren de vrouwen niet van zijn leiding gediend en inviteerden dan een pater franciscaan uit Kampen, die daar vlak bij in het terminarius-huis woonde. Zo begon zich al spoedig een ongewenste toestand te ontwikkelen.
     Voorlopig echter hadden de schepenen wel andere zaken waarover zij zich het hoofd konden breken: de stad moest thans definitief worden uitgelegd en versterkt. En in 1374 schreven zij op 25 Januari bijna plechtig in hun stadboek:

Item, soe soelen die schepenen zes jaar lang nu naest comende, elckes jaers verleighen buten omme die stat vijf hondert dusent steens ende niet min; dit wart overdragen int jaer ons heren MCCCLXXIIII op Zante Paulus dach conversio.

Met bloed en zweet en millioenen stenen was het reuzenwerk tot stand gekomen. Hier was een stad gesticht en thans definitief ommuurd, en alle componenten waren nu aanwezig voor een voorspoedige ontwikkeling.

|pag. 31|

_______________↑_______________

 
– Vries, Th.J. de (1954). Geschiedenis van Zwolle 1: Het ontstaan en de ontwikkeling van de stad tot de invoering der Reformatie. Zwolle: Erven J.J. Tijl.

Category(s): Zwolle

Comments are closed.