2. De Verdedigingswerken in de 13e en 14e eeuw


2. DE VERDEDIGINGSWERKEN IN DE 13e EN 14e EEUW.

2.1 De oudste geschiedenis van Kampen.

Over het ontstaan van Kampen is nagenoeg niets bekend, evenals over haar vroegste geschiedenis. Pas vanaf het tweede kwart van de 13e eeuw komt Kampen in de schriftelijke bronnen voor. Veel speculaties over het ontstaan van Kampen zijn van dit relatief late opduiken in de historie het gevolg.
Het is hier niet de plaats uitvoerig in te gaan op de verschillende ontstaanstheorieën, noch op de oudste bronnen waarin of Kampen genoemd wordt, of die betrekking hebben op de stad. Van beide facetten is in zeer recente literatuur een goed en uitvoerig overzicht gegeven (1 [1. Zie: Schilder, Municipaliteit I, 1-5; Historische Stedenatlas (Kampen), 7-8; ook voor verwijzing van de in 2.1 te noemen bronnen en theorieën, voor zover deze niet verwezen worden.]). Daarom zal hier volstaan worden met het kort weergeven van de belangrijkste feiten. Slechts op twee aspecten die enigszins een relatie hebben tot de verdedigingswerken, namelijk het tijdstip van ontstaan en het stadsrecht, zal iets uitvoeriger ingegaan worden.

Voor het eerst wordt de naam van Kampen vermeld in een oorkonde uit 1227, waarin de Utrechtse bisschop Otto II aan de kanunniken van Zutphen het visrecht bij “Campae” afstaat.
De tweede maal dat Kampen weer met name genoemd wordt, is in een stuk uit 1236, waarin nu bisschop Otto III van Utrecht, een overeenkomst bevestigt tussen de pastoor van Kampen, Ismahel genaamd, en zijn parochianen. Uit de oorkonde blijkt dat pastoor Ismahel in ieder geval voorgangers heeft gehad, hetgeen betekent dat er dus ook reeds ruim vóór 1236 een kerk terplaatse gestaan moet hebben. Bij archeologisch onderzoek dat tijdens de restauratie van de St. Nicolaas- of Bovenkerk in de kerk heeft plaatsgevonden, werden de restanten van een triconchale koorpartij (een klaverbladvormig koor, bestaande uit een samenstel van drie apsiden) als onderdeel van een romaanse kerk, aangetroffen (zie afb. 1).
De bouw van deze uit tufsteen opgebouwde kerk moet volgens Ter Kuile, aan het eind van de 12e of het begin van de 13e eeuw hebben plaatgevonden (2 [2. Fehrmann en Ter Kuile, Bouwgeschiedenis, 86]). Mogelijk heeft deze kerk een houten voorganger gehad, al zijn hiervoor geen bewijzen ge-

|pag. 4|

_______________↑_______________

vonden.
     Ten aanzien van het ontstaan van Kampen bestaan, zoals gezegd, verschillende theorieën. Sommigen zijn met Engelen van der Veen van mening dat de oorsprong van Kampen gezocht moet worden in de ontginning van het gebied rond de huidige stad, door met name Hollandse en Westfriese veenontginners in de 12e eeuw (3 [3. Naast Engelen van der Veen is ook onder andere Speet deze mening toegedaan: zie Historische Stedenatlas (Kampen), 8. Speet wijst wel op de kritiek van Slichter van Bath met betrekking tot de opvatting van Engelen van der Veen, dat Kampen ontstaan is op percelen land die van de oorspronkelijke marke in dat gebied zouden zijn afgescheidden.]).
     Anderen zijn meer de mening toegedaan dat de handel ten grondslag heeft gelegen aan het ontstaan van Kampen. Zo wijst volgens Van der Heide, de triconchale koorpartij, een bouwvorm die vooral rond Keulen voorkomt, erop dat Kampen gesticht moet zijn door Keulse kolonisten in de 11e eeuw. Ook Fehrmann acht een stichting door Friese of Nederrijnse kooplieden mogelijk. In tegenstelling tot Van der Heide moet volgens Fehrmann vóór de stichting, het gebied wel reeds bewoond zijn geweest door een verspreid levende boerenbevolking (4 [4. Fehrmann, Kampen, 7-8]).
     Helperi Kimm veronderstelt dat Kampen is ontstaan uit de vaste wachtplaats voor scheepsjagers en kooplieden/schippers, afkomstig uit het Rijnland. Hier, aan de monding van de IJssel, zouden de vrachten uit de grote koggeschepen overgeladen zijn in kleinere rivierschepen, die vervolgens door scheepsjagers stroomopwaarts gesleept werden.
     Opvallend is bij sommigen de neiging om het ontstaan van de stedelijke nederzetting Kampen, ondanks het ontbreken van duidelijke gegevens hierover, reeds in de 11e eeuw te dateren, terwijl de stad vervolgens zeker in het begin van de 12e eeuw al een duidelijk stedelijk karakter gehad moet hebben (5 [5. Zie o.a. Helperi Kimm, Bijdrage; Kossmann-Putto, Financial Policies, 306.]).
Men baseert zich hierbij waarschijnlijk op gegevens van Van der Heide. Deze dateert het romaanse triconchale koor op eind 11e, hooguit begin 12e eeuw. Een door Van der Heide op de Koornmarkt gevonden (muur)restant van een verdwenen stadsmuur wordt door hem gedateerd op 12e eeuws. Verder trof Van der Heide er beschoeiïngsresten aan, door hem voor 1200 gedateerd, en mogelijke bewoningsresten uit de 10e eeuw (6 [6. Van der Heide, Aanvullende gegevens, 196-198; Van der Heide, Opgravingen, 144-145. In Van der Heide, Voorlopige gegevens, 263, denkt Van der Heide met betrekking tot het romaanse koor nog aan een datering van tweede helft 12e eeuw.]).
     Deze dateringen moeten waarschijnlijk toch als wât te voorbarig beschouwd worden. Immers, Ter Kuile dateert het triconchale koor rond 1200. Van de drie romaanse kerken te

|pag. 5|

_______________↑_______________

Keulen, die in het bezit zijn van een triconchaal koor, dateert alleen het koor van St. Maria im Kapitol uit de 11e eeuw. De koren van Gross St. Martin en St. Aposteln dateren beide uit het laatste kwart van de 12e eeuw (7 [7. Krings, Kirchenbauten, 97-104]). En juist de koren van beide laatstgenoemde kerken vertonen veel overeenkomst met het te Kampen gevonden koor (zie afb. 2). De datering van Ter Kuile lijkt dan ook meer aannemelijk dan die van Van der Heide. Ook een datering van het op de Koornmarkt gevonden muurrestant op 13e eeuws is mogelijk en lijkt zelfs meer waarschijnlijk (8 [8. Zie 2.3.1, noot 31]). Bovendien hoeven de door Van der Heide gevonden beschoeiïngs- en bewoningsresten niet op het voorkomen van een intensieve en geconcentreerde bewoning te duiden. Ook vóór het ontstaan van de stedelijk nederzetting Kampen zal er verspreide bewoning hebben plaatsgevonden, en kunnen we denken aan een pre-stedelijke nederzetting, waaruit later de stad is ontstaan (9 [9. Alberts, Middeleeuwse stad, 8]). Voorzichtigheid zij dus geboden.
     Anderzijds moeten wij niet vergeten dat Kampen zich reeds in de 13e eeuw ontwikkelde tot een belangrijke handelsstad.
De twee oudste archiefbescheiden die in het Kamper gemeentearchief bewaard worden, een tweetal privileges uit 1251 waarin de Deense koning Abel enige voorrechten verleent aan hen die zich bezig hielden met de zogeheten Ommelandvaart, duiden erop dat Kampen reeds in het midden van de 13e eeuw er belangrijke handelscontacten op nahield en dus al een handelsnederzetting van aanzienlijke betekenis moet zijn geweest. Later in de 13e eeuw en verder in de 14e eeuw volgt nog een lange reeks van privileges die ertoe bijdraagt dat Kampen tot het belangrijkste centrum van handel en scheepvaart in de Noordelijke Nederlanden in de 14e eeuw kan uitgroeien (10 [10. Zie voor een beschrijving van de handelsactiviteiten van Kampen in dB 13e en 14e eeuw: Rijpma, Ontwikkelingsgang, 1-29 en Tamse, Bijdrage, 206-211]). Een dergelijke ontwikkeling zet zich niet plotseling in gang, maar zal een lange aanloopperiode gekend hebben.
     Door het nagenoeg ontbreken van gegevens over het Kampen van voor 1200, kan men echter naar onze mening niet verder gaan dan de constatering dat Kampen zeker in de tweede helft van de 12e eeuw een stedelijke nederzetting met duidelijke stedelijke allures ten aanzien van bebouwing, bestuur en

|pag. 6|

_______________↑_______________

(handels)activiteiten geweest moet zijn (11 [11. Zie ook: Schilder, Municipaliteit I,4; Alberts, Middeleeuwse stad, 8]).
Met het benadrukken van de stedelijke allures van Kampen komen we bij een ander controversieel punt met betrekking tot de oudste geschiedenis van Kampen, namelijk de vraag of Kampen ooit stadsrechten heeft verkregen, en zoja, wanneer.
Een brief waarin Kampen door de landsheer als stad wordt erkend is niet bewaard gebleven en de eerst betrouwbaar geachte mededeling waarin Kampen stad genoemd wordt, dateert uit 1260.
In het algemeen wordt echter verondersteld dat Kampen haar stadsrecht tussen 1230 en 1248 ontvangen zou kunnen hebben (12 [12. Zie o.a. Historische Stedenatlas (Kampen), 7]). Daarnaast doet de laatste tijd steeds meer de opvatting opgeld (13 [13. Zie: Helperi Kimm, Bijdrage, 41; Schilder, Municipaliteit I, 3-4]), dat Kampen waarschijnlijk gerekend moet worden tot dié groep van steden (zoals Utrecht, Tiel, Deventer en Groningen), die vóór 1200 als stad in juridische zin erkend werden en nooit in het bezit zijn geweest van een ‘stadsrecht’ in de zin van een stadsstichtingsoorkonde. De in hun bezit zijnde privileges die hun in juridische zin de status van een stad gaven, zullen vooral langs gewoonterechtelijke weg zijn verworven of ook wel afgedwongen zijn en vervolgens bevestigd en erkend door de landheer (14 [14. Alberts, Middeleeuwse stad, 14; De Monté Verloren, Hoofdlijnen, 147]). Immers, mocht Kampen ooit in het bezit van een stadsbrief zijn geweest, dan zou men bij het verloren gaan van een dergelijk belangrijk document, er zeker een bevestiging van hebben laten maken, zoals dat ook is gebeurd nadat een reeks belangrijke documenten bij de brand in 1543 in het Raadhuis, verloren zijn gegaan (15 [15. Nanninga Uitterdijk, Aantekeningen, 45-46]).
     Over het ‘stad’-zijn van Kampen in de 13e eeuw hoeven we gezien de rol die de stad vanaf deze eeuw heeft gespeeld, niet te twijfelen. Immers, het ‘stad’-zijn werd door méér dan alleen het juridische criterium, over het algemeen een wettelijke erkenning als stad via een stadsbrief, bepaald, zoals een grotere en dichtere bevolkingsconcentratie dan bij een dorp, vaak omgeven door een vestingswerk, en handel en nijverheid als belangrijkste bestaansmiddelen bóven landbouw en veeteelt (welke laatste in het geval van Kampen ook weer niet onderschat dient te worden)(16 [16. Van Uytven, Stadsgeschiedenis, 188; Jansen, Middeleeuwen, 249]). Gezien echter reeds haar activiteiten in de 13e eeuw is het ook zeer goed moge-

|pag. 7|

_______________↑_______________

lijk dat Kampen haar juridische status van stad, ook zónder stadsbrief, door eigen initiatief zal hebben verworven, zoals dat ook bij Deventer en in zekere zin bij Zwolle (17 [17. Zwolle ontvangt weliswaar in 1230 stadsrechten van de Utrechtse bisschop Wilbrand, doch onder de Zwolse afgezanten die het recht in Deventer van de bisschop in ontvangst nemen bevinden zich ook de schepenen van Zwolle. Het bestaan van een eigen schepencollege bewijst dat ook Zwolle al langer op weg was naar volle stedelijkheid, zowel institutioneel als economisch bezien: Koch, Zwolle, VII]), de andere twee Overijsselse IJsselsteden, het geval is geweest.

2.2 De topografische ontwikkeling van Kampen tot het eind van de 14e eeuw: drie theorieën.

De enorme economische bloei van Kampen zal ongetwijfeld zijn neerslag hebben gehad op de topografische ontwikkeling van de stad. De handelsactiviteiten zullen meer mensen naar de stad getrokken hebben dan de gemiddelde gebruikelijke migratie van het platteland naar de stad, gezien ook bijvoorbeeld het relatieve grote aantal immigranten afkomstig uit Duitsland en Holland en Utrecht, dat zich in de 14e en 15e eeuw te Kampen vestigt (18 [18. Zie: Moerman, Bijdrage, 172-174]). Anderzijds moet men bedenken dat een groot deel van de handel buiten de stad om gegaan moet zijn, al is Kampen ook zeker een centrum geweest van eigen handel en van economische activiteiten van vreemde kooplui (19 [19. Tamse, Bijdrage, 211]).
     Over de topografische ontwikkeling en het topografische karakter van de stad in de 13e en 14e eeuw is ons echter weinig overgeleverd. Het is derhalve niet verwonderlijk dat er ten aanzien van de topografische ontwikkeling van de stad, en inherent hieraan over de omvang van de verdedigingswerken, verschillende theorieën bestaan.
Hieronder zal in het kort de strekking van de drie belangrijkste theorieen in volgorde van hun verschijning, worden weergegeven, waarbij de nadruk vooral zal liggen op de verdedigingswerken.

Theorie Fasel
In 1963 verschijnt van de hand van W.A. Fasel het artikel ‘De topografie van Kampen rond het jaar 1335’(20 [20. W.A. Fasel, ‘De topografie van Kampen rond het jaar 1335’ in: Kamper Almanak 1963—1964, 280-308]), (zie afb.4).
Hiermee was voor het eerst een samenhangende visie over de topografische ontwikkeling van Kampen gegeven.
De oudste kern van Kampen moet volgens Fasel rondom de St. Nicolaaskerk hebben gelegen. Het zal zich aanvankelijk niet verder uitgestrekt hebben, dan het gebied tussen de Burgel

|pag. 8|

_______________↑_______________

ten zuiden van de kerk en de Geerstraat ten noorden ervan.
Vervolgens heeft de nederzetting zich langs de IJsseldijk verder naar het noordwesten uitgebreid tot de Broederstraat.
In deze omvang moet de stad ommuurd zijn geweest. De muren liepen langs de Burgel, ten oosten van en evenwijdig met de Oudestraat (21 [21. Het door Van der Heide in 1950 op de Koornmarkt gevonden muurfragment dient hiervoor als bewijs: zie 2.3.1]), die toen al wel aan beide zijden bebouwd moet zijn geweest, en tussen de St. Jacobstraat en de Broederstraat. Ook heeft er tussen deze twee laatstgenoemde straten een gracht langs de muur gelopen, die de ‘Zijl’ genoemd werd.
De Broederstraat met het daaraan gelegen Broederklooster, lagen aanvankelijk dus buiten de stadsmuur. Dat er ooit eens een muur en gracht parallel aan de Botervatsteeg hebben gelopen, zoals voordien werd verondersteld, acht Fasel onmogelijk. Hoogstens kan er op de plaats van deze steeg eens een wetering gelopen hebben.
Rond de jaren 1335-1337 wordt de stad vervolgens flink uitgebreid. In de eerste plaats wordt het gebied tussen Broeder straat en Hagenpoort bij de stad getrokken en ommuurd. Daarnaast vindt er ook een uitbreiding aan de oostzijde van het oude stadsdeel plaats. Langs de IJssel wordt een nieuwe stadsmuur opgetrokken, waardoor er ruimte ontstaat voor een nieuwe straat, die ‘Achter de Nieuwe Muur’ wordt genoemd.
De Waterstraat die volgens Fasel in het meest zuidelijke stadsdeel tussen de Venestraat en de oude IJsselmuur moet hebben gelopen, verdwijnt door deze staduitleg.

Theorie Van Mierlo
De theorie van Fasel is vanaf 1963 jarenlang geaccepteerd en in de geschiedschrijving opgenomen. Toch kunnen er bij een reeks van punten van deze theorie vraagtekens gezet worden. In 1984 is dan ook van onze zijde een reactie op de theorie van Fasel verschenen (22 [22. Th.M. van Mierlo, ‘De topografische ontwikkeling van Kampen in de eerste helft der 14e eeuw’ in: Kamper Almanak 1984-1985, 217-266]), (zie afb.5).
     Evenals Fasel gaan wij er vanuit, dat de oudste kern van Kampen rond de St. Nicolaaskerk gezocht moet worden. In fasen breidt de stad zich, de IJsseldijk volgend, verder in noordwestelijke richting uit; mogelijk eerst tot de Geerstraat, later tot de St. Jacobstraat en vervolgens tot ongeveer de huidige Gasthuisstraat, welke laatste grens de stad voor het eind van de 13e eeuw bereikt moet hebben (23 [23. De verschillende uitbreidingsfasen komen dan overeen met de espelindeling, de wijkindeling van de (middeleeuwse) stad: afb. 7. Volgens ons is de espelindeling dan ook ontstaan vanuit de verschillende uitbreidingsfasen (Van Mierlo, Ontwikkeling, 245). Volgens Speet is dit echter moeilijk aan te nemen (Historische Stedenatlas (Kampen), 30 noot 106).]).

|pag. 9|

_______________↑_______________

Reeds bij één van de genoemde uitbreidingen is de oude IJsselmuur (zie noot 21) enkele tientallen meters in de richting van de IJssel verlegd, zodat de Waterstraat (de huidige Voorstraat) kan ontstaan. De knik die de IJsselmuur ongeveer ter hoogte van de Gasthuisstraat heeft vertoond en die op alle oude vogelvluchtkaarten van Kampen te vinden is, zou zijn veroorzaakt doordat hier eens de grens van de stad heeft gelegen.
Rond 1325 wordt de stad vervolgens uitgebreid in de richting van de Botervatsteeg, alwaar een nieuwe stadsmuur en stadsgracht, de oude muur en mogelijk ook gracht gelegen tussen Gasthuisstraat en Houtzagerssteeg, vervangen. Tenslotte wordt ook het gebied tot de latere Hagenpoort rond 1337 ommuurd en heeft de middeleeuwse stad haar volledige omvang bereikt. Tegelijkertijd wordt de stadsmuur langs de IJssel tussen Houtzagerssteeg en Botervatsteeg enkele meters naar het oosten verplaatst. In de tachtiger jaren van de 14e eeuw wordt de muur langs de Waterstraat grondig hersteld. De Waterstraat verandert dan uiteindelijk van naam, in ’Achter de Nieuwe Muur’.

Theorie Speet
In 1986 tenslotte verschijnt deel 4 van de Historische Stedenatlas van Nederland. Hierin wordt door B.M.J. Speet de ruimtelijke ontwikkeling van Kampen tot en met het begin van de 19e eeuw geschetst (24 [24. Historische Stedenatlas van Nederland, onder redactie van G. van Herwijnen, C. van Kieft, J.C. Visser, J.G. Wegner. Aflevering 4: Kampen, tekst B.M.J. Speet; kaarten Th. Rothfusz (Delft 1986)]). Speet gaat ook uitvoerig in op beide bovenstaande theorieën en komt met een eigen alternatief (zie afb. 6). Meer dan Fasel en wij in onze theorie laat Speet zich hierbij leiden door het kaartbeeld van de stad.
     In tegenstelling tot de visie van Fasel en die van ons meent Speet dat de oudste bewoning niet uitsluitend rond de St. Nicolaaskerk gezocht dient te worden. De oudste nederzetting moet daarentegen het typische karakter van een lintbebouwing op een langs de IJssel gelegen dijk (de Oudestraat) hebben gehad. In de 13e eeuw krijgt deze nederzetting langs de IJsseldijk steeds meer een stedelijk karakter, een ontwikkeling die geconsolideerd wordt door de aanleg van een vestgracht. Binnen deze stadsgracht die begint bij het Oor-

|pag. 10|

_______________↑_______________

gat aan de zuidzijde van de stad en via een half ovaalvormige boog via de Botervatsteeg weer in de IJssel uitmondt, wordt het gebied verder ingevuld. In de jaren twintig van de 14e eeuw wordt de stadsgracht ingrijpend verbeterd, terwijl het stadsbestuur tegelijkertijd vaart zet achter het voltooien van de stenen ommuring. Dat de Botervatsteeg eens de stadsgrens is geweest, blijkt volgens Speet uit de caesuur die de stadsmuur bij deze steeg vertoont. Dat er tussen Broeder straat en, St. Jacobstraat, of tussen Gasthuisstraat en Houtzagerssteeg een muur en een gracht hebben gelegen zoals respectievelijk Fasel en wij veronderstellen, wordt door het kaartbeeld van Kampen niet bevestigd, aldus Speet.
In de jaren dertig van de 14e eeuw wordt het gebied tussen Botervatsteeg en Buitenhaven aan de stad toegevoegd en ommuurd. Omstreeks dezelfde tijd wordt het gebied tussen de IJsseldijk en de IJssel ten zuiden van het Raadhuis bij de stad getrokken. Langs de IJssel, tussen Oorgat en Raadhuis, bouwt men een nieuwe muur, een karwei dat tot in het begin van de jaren negentig voortduurt. Met de komst van deze “Nye muren” kon de oude stadsmuur die waarschijnlijk langs de IJsseldijk heeft gelopen, verdwijnen en wordt de aanvankelijk buiten deze stadsmuur gelegen Waterstraat nu ‘Achter de Nieuwe Muur’ genoemd. De aanleg van de nieuwe stadsmuur langs de IJssel is volgens Speet tevens de oorzaak van de knik in de muur ter hoogte van de Gasthuisstraat.

2.3 De topografische ontwikkeling van Kampen tot het eind van de 14e eeuw: enkele facetten.

2.3.1 De oudste ommuring.
Over de oudste ommuring van Kampen weten wij bitter weinig.
De oudste schriftelijke vermelding over het bestaan van een vestingwerk om Kampen, dateert uit 1302. In het opschrift van het oudste burgerboek van Kampen, dat aanvangt in 1302, wordt namelijk onder andere bepaald dat ook dié burgers van Kampen, die er geen boerenbedrijf ‘infra muros’ op na houden, één roede van de stadsdijken dienen te onderhouden (25 [25. O.A. inv. nr. 331: Ave Maria. Nos scabini opidi Campensis mediante consilio et sapiencia nostrorum consulum et aliorum bonorum virorum, qous ad hoc sumpsimus presentem librum fieri fecimus ut in eo scribantur et notentur nomina illorum, qui recipiuntur in oppidanos. Sic etiam qoud quiuis oppidanus, non faciens mansionem infra muros, debet acceptare rodam aggeris de aggeribus civitatis, quam suis debet expensis custodire. Hec statuta fiebant anno qou scribitur Anno Domini MCCC secundo in festo sancti Jacobi apostoli.” Transcriptie uit: Nanninga Uitterdijk, Burgerboek, 23.]). Uit het opschrift blijkt niet of we onder het latijnse ‘muros’

|pag. 11|

_______________↑_______________

een stadsmuur, danwel een aarden wal dienen te verstaan.
Straks zal echter blijken dat we ‘muros’ wel degelijk als muren’ zullen mogen vertalen.
     De eerste expliciete vermelding van een stadsmuur met poorten dateert uit 1313. In het ‘Boeck van Rechten’ wordt een reeks van bepalingen met betrekking tot het bouwen van stenen huizen in de stad, afgesloten met de opmerking “Alle dese stucke die hyr voers. staen, de hebbe wi ghewilkoert te holden bynnen onser moren van der oversten poerten tho der nedersten”(26 [26. Boeck van Rechten, 14-15]). Uit de omschrijving “binnen onser moren van der oversten poerten tho der nedersten” zou men mogen opmaken dat de stad in zijn gehele omvang van die tijd ommuurd moet zijn geweest, daar het anders onduidelijk zou zijn voor welk gebied de voorschriften golden. Hetzelfde kan gezegd worden met betrekking tot de aantekening uit 1302 voorin het Burgerboek. Onduidelijk blijft echter in welke omvang de stad in deze tijd, begin 14e eeuw, ommuurd is geweest. Hierover bestaan, zoals we gezien hebben, verschillende theorieën.
Sinds hoelang Kampen in het bezit is geweest van stadsmuren, wordt ons uit geschreven bronnen dus niet duidelijk. Reeds Arent toe Boecop, raadslid te Kampen van 1572-1580, moet in zijn kroniek, waarvoor hij gebruik heeft gemaakt van authentieke stukken uit het stadsarchief, dan ook constateren dat hij niet te weten heeft kunnen komen “wanneer dye olde stadtmurren ander Isselen ende anden Borgell ghetymmert synnen gewest”(27 [27. Toe Boecop, Croenick, 217]). Voor meer informatie zijn wij dus volledig aangewezen op de resultaten van archeologisch onderzoek.
     In 1950 werd bij een opgraving op de Koornmarkt door Van der Heide een zwaar funderingswerk aangetroffen, waarvan sindsdien aangenomen wordt dat het een restant van een oude stadsmuur betreft. Het muurwerk werd door Van der Heide op 12e of 13e eeuws, maar met een voorkeur voor de 12e eeuw, gedateerd (28 [28. Van der Heide, Opgraving, 144-145]).
In 1985 kon op de Koornmarkt wederom een zwaar funderingswerk over een lengte van tien meter blootgelegd worden. Op grond van een reeks van overeenkomsten meent men de beide op het plein gevonden muurdelen met elkaar in verband te mogen brengen (29 [29. Van Mierlo, Verslag]), (zie afb. 3).

|pag. 12|

_______________↑_______________

     De vraag werpt zich op of we de gevonden muurfragmenten mogen interpreteren als een stadsmuur. Zowel Fasel als wij in onze theorie vinden in het door Van der Heide gevonden fundament het bewijs van een stadsmuur langs de IJssel, die ouder is dan de thans nog bestaande. Speet zet hier echter nogal vraagtekens bij, omdat het funderingswerk volgens hem nu niet direkt op een plaats ligt waar men een stadsmuur zou verwachten. Het ligt namelijk op enige meters ten zuidwesten van de Koornmarktspoort, in plaats van dicht langs de IJsseldijk, waar Speet een oudere stadsmuur veronderstelt. Speet, die nog geen gebruik kon maken van de resultaten van de opgraving in 1985, meent dat naast de mogelijkheid van een stadsmuur, ook gedacht kan worden aan een losstaand bouwwerk, of aan een grond- of waterkerende muur (30 [30. Historische Stedenatlas (Kampen), 13]). Gezien de omvang van de muur, als men beide gevonden fragmenten met elkaar verbindt ca. 25 meter, lijkt een bouwwerk uitgesloten. Ook de mogelijkheid dat wij hier te maken zouden hebben met een grond- of waterkerende muur, lijkt twijfelachtig, gezien de ouderdom van het muurwerk. Op grond van de vonstomstandigheden wordt de muur op de tweede helft van de 13e eeuw gedateerd (31 [31. Van Mierlo, Verslag, 6-7]). Dat een dergelijk zwaar funderingswerk, gemaakt in de 13e eeuw van een voor die tijd toch kostbaar bouwmateriaal als steen, onderdeel zal hebben uitgemaakt van slechts een grond- of waterkerende muur, lijkt dan ook zeer onwaarschijnlijk. Verder dient ook de mogelijkheid dat we te maken zouden kunnen hebben met de kerkhofmuur die rond de St. Nicolaaskerk heeft gelopen, uitgesloten te worden. Deze muur werd namelijk enkele meters ten oosten van het priesterkoor van de kerk aangetroffen (32 [32. ibidem, 8-9]). Vooralsnog wordt dan ook aangenomen dat de gevonden funderingsresten hebben behoord tot een stadsmuur.
     Waarschijnlijk hebben we hier te maken met een deel van de oudste ommuring. Dat men met de ommuring van Kampen nog vóór de tweede helft van de 13e eeuw is aangevangen, is mogelijk, maar kan niet bewezen worden. Anderzijds dient men zich te bedenken dat wanneer men in de tweede helft van de 13e eeuw met de ommuring van Kampen begonnen zal zijn, dit voor noordnederlandse begrippen reeds een vroeg tijdstip is.

|pag. 13|

_______________↑_______________

Voor 1100 kent men stadsmuren slechts in het zuidelijke deel van de Nederlanden. In de 12e eeuw komen ze in het noordelijke deel slechts aanwijsbaar voor in Utrecht en Deventer.
Maar zelfs in de 13e eeuw was het aantal noordelijke steden met echte vestingmuren gering; hiertoe behoren onder andere Groningen, Alkmaar, Amersfoort, Roermond, Oldenzaal, Zierikzee, ’s-Hertogenbosch en dan ook Kampen (33 [33. Van Uytvan, Stadsgeschiedenis, 200. Kampen wordt hier nog genoemd als een stad waar mogelijk al in de 12e eeuw stadsmuren verschijnen. Verwezen wordt hierbij naar Kossmann-Putto, (zie noot 5 en de opmerkingen hieromtrent in 2.1).]).
     Of Kampen vóór de aanleg van de stadsmuur ook beschermd is geweest door een gracht en/of een aarden wal, al of niet voorzien van een palissade, is mogelijk, gezien het duidelijke stedelijke karakter dat Kampen zeker in de tweede helft van de 12e eeuw al gehad moet hebben. Door het ontbreken van bewijsmateriaal blijft dit echter onduidelijk.
Bovendien hoeft een gracht of wal vóór de ommuring niet persé aanwezig geweest te zijn. Een stad als Delft, die in 1246 stadsrechten heeft ontvangen en in de 13e eeuw een zeer levendige handel kende, kreeg pas omstreeks 1300 de mogelijkheid tot zelfverdediging, in dit geval door de bouw van muren (34 [34. Nicholas, Stad en platteland, 9]). Dat een stenen stadsmuur in 1336 en 1337 gemetseld, de houten verdediging heeft vervangen, zoals Ennema stelt, kan in ieder geval ten aanzien van het tijdstip waarop Kampen een stenen stadsmuur heeft gekregen, als een achterhaalde veronderstelling beschouwd worden (35 [35. Ennema, Kampen, 24]).

Over het tracé en het uiterlijk van de oudste ommuring is niets bekend. Ten aanzien van het gevonden muurdeel op de Koornmarkt wordt slechts vermoed dat zich in het nog niet opgegraven deel van de muur onder de markt een doorgang bevindt, wellicht voorzien van de resten van een poortgebouw (36 [36. Van Mierlo, Verslag, 3-4]).
     Of de in 1313 genoemde muren en de ‘oversten- en nedersten poerten’ ook tot deze oudste ommuring behoord hebben is niet zondermeer duidelijk. Ons inziens is dit echter niet het geval. Naar onze mening moet zoals wij reeds eerder in ons artikel hebben verwoord, de oudste ommuring waarvan het op de Koornmarkt gevonden muurdeel deel uitmaakt, een kleiner stadsdeel rond de St. Nicolaaskerk, omsloten hebben.
De in 1313 genoemde muur zal dan een groter stadsgebied hebben omsloten (37 [37. Van Mierlo, Ontwikkeling, 255]). Wij stellen dit omdat naar onze mening

|pag. 14|

_______________↑_______________

in tegenstelling tot wat Fasel en Speet veronderstellen, geen stadsmuur tussen de Oudestraat en de Voorstraat gelopen zal hebben en de op de Koornmarkt gevonden muur daarvan dus ook geen deel kan hebben uitgemaakt. Dit betekent dat het vervolg van het gevonden muurdeel derhalve een ander (afgebogen) tracé gevolgd zal moeten hebben. Het bepalen van dit tracé is echter een taak die alleen voor de archeologie is weggelegd.

2.3.2 De stadsmuur langs de IJssel.

A. De stadsmuur tussen Koornmarktspoort (nr.1) en de Gasthuisstraat.
     (de nummers die achter de hierna te noemen poorten en torens staan, verwijzen naar bijlage 3)

Over de ouderdom van de huidige stadsmuur langs de IJssel en over het al of niet bestaan van een oudere stadsmuur aldaar, bestaan zoals we hebben gezien, verschillende meningen.
     Volgens Fasel heeft er in eerste instantie een oudere stadsmuur gestaan tussen de Oudestraat en de Voorstraat, waarvan ook de op de Koornmarkt aangetroffen muur deel zou hebben uitgemaakt. Omstreeks 1335 wordt deze muur vervolgens vervangen door de huidige stadsmuur langs de IJssel. Daarbij verdwijnt de Waterstraat die tussen de huidige Venestraat en de Prinssenstraat langs de oude muur gelegen moet hebben (38 [38. Fasel, Topografie, 289, 294-295, 300-304]).
     In ons artikel over de topografische ontwikkeling hebben wij aannemelijk trachten te maken dat de Waterstraat gelijk is aan de huidige Voorstraat en dat deze straat steeds binnen de stadsmuur heeft gelegen. Van een oudere stadsmuur tussen Oudestraat en Voorstraat kan ons inziens geen sprake zijn. De huidige muur langs de IJssel moet dan ook ruim voor 1313 gebouwd zijn (39 [39. Van Mierlo, Ontwikkeling, 235-237, 247-250]).
     Ook Speet is van mening dat met de Waterstraat de huidige Voorstraat bedoeld wordt. Doordat deze straat vanaf de 15e eeuw echter ‘Bij de Nieuwe Muur’ of ‘Achter de Nieuwe Muur’ wordt genoemd, moet er volgens Speet toch een oudere IJssel-

|pag. 15|

_______________↑_______________

muur zijn geweest. Deze muur, die vlak langs de oostzijde van de IJsseldijk (=Oudestraat) gelopen zou hebben, sloot ter hoogte van de Gasthuisstraat aan, op de thans nog bestaande IJsselmuur tussen de Gasthuisstraat en Buitenhaven.
De knik die bij de Gasthuisstraat in de muur heeft gezeten is dan ook ontstaan doordat vanaf het midden van de 14e eeuw de stadsmuur in het zuidelijke stadsdeel enkele tientallen meters in de richting van de IJssel wordt verplaatst (40 [40. Historische Stedenatlas (Kampen), 16-17]).
     Ondanks de jongste visie van Speet, blijven wij het bestaan van een oudere stadsmuur langs de IJssel, die tussen de Oudestraat en de Voorstraat zou hebben gestaan, discutabel achten en wel om een aantal redenen.

Waterstraat binnen de stadsmuur
Over de localisering van de Waterstraat lijkt men het thans eens te zijn. Het is ons inziens in de hernieuwde discussie van de laatste jaren over de topografie van Kampen in de 14e eeuw, voldoende aangetoond dat de huidige Voorstraat als de Waterstraat gezien dient te worden (41 [41. Fasel meent dat de Waterstraat tussen de Venestraat en de Prinssenstraat heeft gelopen (Fasel, Topografie, 300-301). Kolman, Van Mierlo en Speet zijn van mening dat met de Waterstraat de huidige Voorstraat bedoeld wordt, die volgens Speet aanvankelijk buiten de stadsmuur heeft gelegen en volgens Kolman en Van Mierlo reeds vanaf haar ontstaan binnen de stadsmuur gelegen moet hebben: Van Mierlo, Ontwikkeling, 235 en 247—250; Kolman, Verstening I, 18; Historische Stedenatlas (Kampen), 17; Kolman, Verstening II, 61]).
     Echter in tegenstelling tot wat Speet veronderstelt, ligt de Waterstraat zeker al vóór 1313 binnen de stadsmuren, en moet derhalve in dat jaar ook de huidige stadsmuur langs de IJssel al bestaan. In de reeds aangehaalde verordening uit 1313 die bleek te gelden voor het gebied binnen de stadsmuren van Kampen, worden namelijk zeer nauwkeurig de rechten, plichten en voorwaarden omschreven van burgers die een stenen huis willen bouwen aan de Oudestraat of aan de Waterstraat (42 [42. zie noot 26]). De Waterstraat moet dus binnen de muren gelegen hebben. Bovendien wordt er met betrekking tot de Waterstraat bepaald dat men een “steenhuys bi der Waterstrate, dat salmen van der moren tymmern na der Scepen keuringhe”. Mogelijk dat de schepenen op het bouwen in steen in deze straat controle wilden uitoefenen, vanwege de nabijheid van de stadsmuur (43 [43. Kolman, Verstening I, 10]).
Een argument te meer om aan te nemen dat de Waterstraat binnen de stadsmuur heeft gelegen, is dat het erg onwaarschijnlijk lijkt dat één van de twee belangrijkste straten van Kampen in het begin van de 14e eeuw, buiten de stadsmuur zou

|pag. 16|

_______________↑_______________

hebben gelegen. Dat de Oudestraat en de Waterstraat de twee belangrijkste straten waren blijkt onder andere uit het feit dat alleen zij in de keur uit 1313 genoemd worden. Pas bij de herhaling van deze keur in 1339 worden ook de Nieuwstraat en de Brugwal genoemd (44 [44. Boeck van Rechten, 17]). Verder moeten de eerste stenen huizen in de Oudestraat en de Waterstraat al geruime tijd vóór 1313 gebouwd zijn (45 [45. Kolman, Verstening II, 62]).

Geen sporen van een oudere stadsmuur
Tot op heden zijn er geen sporen gevonden van een oudere stadsmuur tussen de Voorstraat en de Oudestraat. Nu moet gezegd worden dat er nog nauwelijks onderzoek is verricht naar de mogelijke aanwezigheid van een muur. Er is echter één uitzondering. In 1979 en 1980 werden uitgebreide rioleringswerkzaamheden verricht in de Oudestraat en omgeving.
Voor het Raadhuis en in de Vispoort bereikte de rioolsleuf zijn grootste diepte, namelijk tussen de 250 en 350 cm.
Om, zoals Speet veronderstelt, aan te kunnen sluiten op de nog bestaande IJsselmuur ten noorden van de Gasthuisstraat, moet een eventuele oudere muur in het zuidelijke stadsdeel, de Vispoort kruisen. In de Vispoort zijn echter tussen de Oudestraat en de Voorstraat tot op een diepte van ruim 250 cm. géén sporen aangetroffen, die op de aanwezigheid van een oudere stadsmuur zouden wijzen. Slechts de funderingsresten van het in 1938 gesloopte pand “De Pellicaan” op de hoek van de Vispoort en de Oudestraat, werden gevonden.

Tegenstelling tussen bouwdatum nieuwe muur en schriftelijke bronnen
De vervanging van de oude IJsselmuur door een nieuwe in het zuidelijke stadsdeel, moet volgens Speet vóór 1377 hebben plaatsgevonden, omdat in dat jaar de Koornmarktspoort (nr. 1), de Dirc Gheyenpoort (nr. 13) die voor de huidige Melksteeg heeft gestaan, en de Vispoort (nr. 15) worden genoemd.
Alle drie de poorten hebben deel uitgemaakt van de huidige stadsmuur langs de IJssel in het zuidelijke stadsdeel. Anderzijds hebben de werkzaamheden aan de nieuwe muur in de visie van Speet nog tot in de jaren negentig van de 14e eeuw voortgeduurd, aangezien de muurmeesters tussen 1389 en 1392 nog

|pag. 17|

_______________↑_______________

enkele duizenden guldens uitgeven aan materiaal en arbeidsloon ten behoeve van de “nye more”(46 [46. O.A. inv. nr. 7, fol,48: “Int jaer ons heren 1389 heft de nye more ghecostet acht ende twentich honderd gulden en vijf en viertich gulden en tien solidi. Item daer leghet noch holt, delen, scholden, spoiren ende ander dingen dat dier droften toebehoert, dat wes werdich is 600 gulden. Item int jaer ons heren 1300 ende neghentich hebben de mormeysters vertymmert 300 ende 41 gulden ende daer leghet an holte, plancken ende steyne 150 gulden. Item int jaer van één ende neghentighen hebben Wicher Schuersack ende Gerloch van den Vene doe mormeysters, hebben vermort ende vertymmert 2700 gulden. Item Johan Dulman ende Wicher Schuerzack mormeysters in den jaere van twe ende neghentich, hebben vermoert ende vertymmert 2800 gulden.” Speet, Historische Stedenatlas (Kampen), 17, stelt dat er tussen 1389 en 1392 enkele tienduizenden guldens worden uitgegeven. In werkelijkheid is dit bedrag 8686 gulden en 10 solidie, terwijl er in 1389 en 1390 in totaal nog voor 750 gulden aan materialen ligt. Toe Boecop, Croenick, 689, schrijft: “Ick bevynde dat an dye stadtmurre int jaer 1383 vertymmert ende toe coste ghelacht ys 2845 lb (= pond), mer daer staet nyt bij wat dat voer een muere ys ghewest und off hetselive een 4 vacker muers ys ghewest, off in wat manirren dat daeran vertymmert is”. Gezien de overeenkomst van het bedrag van 2845 pond, met het in het Collectorium onder 1389 genoemde bedrag, zal ‘1383’ ongetwijfeld voor ‘1389’ gelezen moeten worden.]).
     Zoals echter in hoofdstuk 3 zal blijken, kan aan de hand van lijsten van sleutelbewaarders worden aangetoond, dat in 1377 alle muurtorens tussen de Koornmarktspoort en de Vispoort, zoals wij die kennen van de latere vogelvluchtkaarten (afb. 10-14), reeds aanwezig zijn geweest. De huidige IJsselmuur blijkt dan dus al een voltooide muur te zijn.
     De uitgaven uit de jaren 1389 tot 1392 lijken gezien hun weergave in het Collectorium, een afgerond geheel te vormen en niet slechts het staartje van een lange reeks van uitgaven. In tegenstelling tot de periode vóór 1350, zijn tot op heden voor de periode 1350-1389 in de schriftelijke bronnen géén aanwijzingen gevonden die wijzen op een grote bouwactiviteit van stadswege. Ons inziens hebben de uitgaven in de jaren 1389-1392 dan ook niet betrekking op het bouwen van een geheel nieuwe stadsmuuur langs de IJssel.

     Een vernieuwde muur
Wij hebben in ons artikel, en met ons Kolman, de mogelijkheid geopperd dat de stadsmuur langs de IJssel in het laatste kwart van de 14e eeuw ingrijpend hersteld of verbeterd moet zijn, aangezien het steenformaat van het merendeel van het buitenwerks voorkomende steenwerk (ca. 27x13x6) vooral vanaf de tweede helft van de 14e eeuw voorkomt (47 [47. Kolman, Verstening I, 18; Van Mierlo, Ontwikkeling, 250]).
In dezelfde periode zouden ook de ronde torens van de Koornmarktspoort, waarvan over het algemeen wordt aangenomen dat zij later aan het vierkante poortlichaam zijn toegevoegd, gebouwd zijn (zie ook hetgeen hierover gezegd wordt in 3.3.2).
De uitgaven in 1389 tot 1392 gedaan, zouden dan op deze werkzaamheden betrekking hebben. Mogelijk is er dan tijdens deze werkzaamheden toch ook wel funderingswerk aangelegd (de torens van de Koornmarktspoort?), als we tenminste een post die in de stadsrekening van Deventer uit 1391 voorkomt, met de genoemde werkzaamheden in verband mogen brengen. De stadsbode van Kampen krijgt namelijk van de Deventer stadsbestuurders drinkgeld omdat hij “onser stad (=Deventer) enen breef brachte ommer dat sie hier elsenholt mochten copen daer sie

|pag. 18|

_______________↑_______________

hoer gruntwerc up legghen mochten”(48 [48. Doorninck e.a., Cameraars-rekeningen VII, 247]).
     De vernieuwde muur langs de IJssel, heeft er ons inziens uiteindelijk toe geleid dat de naam ‘Waterstraat’ aan het eind van de 14e eeuw verdwijnt en vervangen wordt door de naam ‘Achter (of Bij) de Nieuwe Muur’.

Op grond van bovenstaande argumenten blijven we het vooralsnog onmogelijk achten dat er ooit een oudere stadsmuur tussen de Oudestraat en de Voorstraat heeft gestaan. Slechts archeologisch onderzoek zou ons inziens het tegendeel kunnen bewijzen!

B. De stadsmuur tussen Gasthuistraat en Botervatsteeg.
Tijdens de reeds eerder genoemde rioleringswerkzaamheden werd in 1979 onder de Oudestraat tussen de Gasthuisstraat en de Karpersteeg een zwaar funderingswerk, voorzien van op onregelmatige afstand er koud tegenaan gemetselde forse poeren, aangetroffen (zie afb. 9). Ons inziens konden deze resten niet anders dan resten van een stadsmuur zijn geweest, en wel van de muur die bij de stadsuitleg rond 1324 zal zijn gebouwd. Tijdens de voorlopig laatste stadsuitleg aan het eind van de jaren dertig in de 14e eeuw, zou deze muur slechts enkele meters zijn verplaatst, om mogelijk een statusverhoging voor de Oudestraat te bewerkstelligen (49 [49. Van Mierlo, Ontwikkeling, 251-253]).
     Volgens Speet moet een dergelijke gang van zaken zó onwaarschijnlijk geacht worden, dat men hier eerder moet denken aan een grond- of waterkerende muur, die na de bouw van een volwaardige stadsmuur langs de IJssel overbodig zal zijn geworden en is afgebroken (50 [50. Historische Stedenatlas (Kampen), 28 noot 40]).
     Gelijk aan de situatie bij de gevonden muur op de Koornmarkt, lijkt ons inziens de mogelijkheid van een grond- of waterkerende muur erg onwaarschijnlijk (zie p. 13). Daarentegen moet gezegd worden dat het op zich erg vreemd aandoet dat men blijkbaar een waarschijnlijk met weergangbogen versterkte muur heeft vervangen door een zwakkere muur (51 [51. Dhr. Th. van Straalen (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist) wees ons op deze situatie.]).
Met betrekking tot de huidige stadsmuur langs de IJssel kan het bestaan van weergangbogen namelijk (nog) niet aangetoond worden. Anderzijds zou men ook kunnen stellen dat de huidige

|pag. 19|

_______________↑_______________

muur langs de IJssel door haar vele torens, in sterkte weinig zal hebben ondergedaan voor de oude stadsmuur onder de Oudestraat. Ergo, de van torens voorziene muur zal waarschijnlijk beter tegen het opkomende geschut opgewassen geweest zijn, dan een muur met weergangbogen maar zónder of met slechts weinig muurtorens (zie met betrekking tot weergangbogen: 3.3.1).
     Of we de in de Oudestraat gevonden fundering inderdaad als een oudere stadsmuur mogen zien, zoals wij reeds eerder verondersteld hebben, zou mogelijk via archeologisch onderzoek in de Oudestraat ter hoogte van de Botervatsteeg duidelijk kunnen worden. Ooggetuigen menen daar namelijk in het verlengde van de meer zuidelijk in de Oudestraat gevonden fundering, een funderingswerk dat een hoek in de richting van de Botervatsteeg vertoont, geconstateerd te hebben. In tegenstelling tot elders, is alhier de situatie niet ingemeten of gefotografeerd.
     Mocht de hierboven weergegeven constatering juist zijn en het hoekwerk min of meer gekoppeld kunnen worden aan zowel het in de Oudestraat gevonden muurwerk als aan de naar de Botervatsteeg afbuigende muur aan de Burgwal (zie afb. 9 en 2.3.4), dan zal men in dat geval mogen aannemen dat het in 1979 aangetroffen muurwerk inderdaad een oudere stadsmuur is geweest.

2.3.3 De bouw van torens en het graven van een gracht.

Zoals we bij het overzicht van de verschillende theorieën over de topografische ontwikkeling van Kampen hebben gezien, zijn wij in onze theorie van mening dat de stad zich rond 1325 moet hebben uitgebreid met het gebied tussen de Houtzagerssteeg en de Botervatsteeg (52 [52. Van Mierlo, Ontwikkeling, 243-246]).
Speet signaleert ook activiteiten in de jaren twintig van de 14e eeuw. Hij denkt hierbij echter aan een ingrijpende verbetering van de stadsgracht, terwijl dan tevens meer vaart gezet wordt aan het vervoltooien van de ommuring (53 [53. Historische Stedenatlas (Kampen), 13]). Beiden baseren wij ons op een reeks van losse aantekeningen uit de Oudste Foliant, welke behalve een register van acten van

|pag. 20|

_______________↑_______________

voluntaire jurisdictie (over de periode 1316-1385), een grote verscheidenheid aan aantekeningen van de schepenen over allerhande zaken bevat. Verder baseren Speet en wij ons op een soort arbeidsovereenkomst over het graven of vergraven van een gracht, afgesloten tussen de schepenen van Kampen en een zevental personen. Deze overeemkomst komt eveneens voor in de Oudste Foliant en is ook opgenomen in deel 5 van het Register van Charters en Bescheiden (54 [54. Charters en Bescheiden deel 5, nr. IX]).
De genoemde arbeidsovereenkomst vormt echter slechts een klein onderdeel van uitgebreide informatie over de bouw van torens en het (ver)graven van een gracht, die op twee folio’s van de Oudste Foliant (folio 272v en folio 273r) wordt gegeven. Gezien het belang van de informatie die, uitgezonderd de arbeidsovereenkomst, nog nooit is gepubliceerd en gebruikt, zullen wij de inhoud van beide folio’s aan een diepgaand onderzoek onderwerpen en waar mogelijk koppelen aan veelal, reeds bekende losse aantekeningen uit de jaren twintig uit de Oudste Foliant (voor een volledige transcriptie, een letterlijke vertaling en afbeeldingen van beide folio’s: zie bijlage 1).

Het graven en uitdiepen van de stadsgracht
De beide folio’s zijn opgesteld in het Latijn en geschreven in een handschrift dat door Kossmann-Putto aangeduid wordt met ‘hand A’, welk handschrift voorkomt gedurende de periode 1318 – 1328 (55 [55. Kossmann-Putto, Schepenacten, 26-27. Tussen de aantekeningen geschreven in ‘Hand A’ die gezien hun inhoud bij elkaar horen, zijn in andere handschriften later aantekeningen betreffende andere zaken aangebracht.]). We zullen dus mogen aannemen dat de op de folio’s beschreven werkzaamheden ook in de periode 1318 – 1328 hebben plaatsgevonden.
     Onder aan folio 273r vinden we de eerder genoemde arbeidsovereenkomst, die gesloten is door de schepenen van Kampen met een zevental bij naam genoemde personen die onder leiding schijnen te staan van één hunner, Nanne geheten.
     Uit de opbouw van het contract menen wij te mogen opmaken dat de gravers opdracht krijgen tot het uitvoeren van twee verschillende projecten. Nanne en zijn metgezellen moeten namelijk werken vanuit beide zijden van de stad in de richting van de IJssel, te weten vanaf de uiterste toren en de molen naar de IJssel, en van de hoger- of stroomopwaarts

|pag. 21|

_______________↑_______________

gelegen brug naar de IJssel (56 [56. In de originele tekst leest men “et ipsi debent fodere ex utraque parte opidi in Yslam et infra turrim extremam et molendinum in Yslam et pontem superiorem ad Yslam”. In Historische Stedenatlas (Kampen), 13 is in de transcriptie het woordje ‘parte’ weggevallen en staat in plaats van ‘pontem’, ‘partem’ afgedrukt.]).
Ten aanzien van de uit te voeren werkzaamheden worden de volgende richtlijnen gegeven. Enerzijds dienen de zeven gravers de stadsgracht vier roeden breed en één roede diep te graven. Voor iedere te graven roede krijgt men een vergoeding van 29 groot. Ons inziens moeten, gezien de bondige omschrijving, de genoemde richtlijnen betrekking hebben op een nieuw te graven gracht. De richtlijnen voor het tweede uit te voeren project, dat naar onze mening het uitdiepen van een bestaande gracht betreft, zijn namelijk veel uitvoeriger.
Ten aanzien van de op te graven bagger wordt bepaald dat men in principe vijf spaden diep dient te gaan, waarbij men zich moet richten naar de “Reghtervaerd”. Wanneer men minder diep hoeft te graven dan de afgesproken vijf spaden, om het uit te diepen water op gelijke diepte te brengen met de “Reghtervaerd”, zal de vergoeding dienovereenkomstig verminderd worden. Moet men evenwel meer graven dan de genoemde vijf spaden, dan zal de vergoeding evenredig vermeerderd worden. Ook waar de gracht breder is dan vier roeden krijgt men voor het meerwerk extra betaald. Verder wordt vastgelegd dat de gravers verplicht zijn de aarde uit de gracht een roede binnen de stadsmuren en een roede over de Vloeddijk te brengen, vanwaar de burgers van de stad het verder dienen te transporteren. Om het vervoer van de grond over de Vloeddijk te vergemakkelijken, mag op een plaats waar de dijk niet breder is dan vier roeden, tijdelijk een doorgang gegraven worden.
     De aanwezigheid van de stadsmuur en de Vloeddijk bij de plaats van de werkzaamheden, doet inderdaad vermoeden dat de uitvoerige richtlijnen betrekking hebben op een bestaande gracht. Immers waar een stadsmuur is, mag men normaliter ook een stadsgracht verwachten. Bovendien is de Vloeddijk aangelegd om de ten westen van Kampen gelegen gronden te beschermen tegen het IJsselwater, dat anders bij het ontbreken van de Vloeddijk, via de stadsgracht deze gronden zou kunnen overspoelen.
Ongetwijfeld om het uitbaggeren van de bestaande gracht mogelijk te maken, zijn de zeven gravers verplicht een dam aan

|pag. 22|

_______________↑_______________

te leggen. Palen ten behoeve van deze dam en touw en hoosemmers worden hen van stadswege verstrekt.
     In de arbeidsovereenkomst wordt tevens vastgelegd, dat de gravers iedere zaterdag hun loon zullen ontvangen. Tenslotte beloven de schepenen, dat wanneer de gravers hun werk naar tevredenheid van de schepenen voltooid hebben, de schepenen hen als beloning van kleding zullen voorzien.

Bovenaan folio 273r vernemen we dat de gravers voor de eerste maal uitbetaald zijn op het feest van Pasen. Zij krijgen een bedrag van twee pont klein, ofwel 40 groot. Daarnaast krijgt Asse Rumehand van de schepenen nog eens 10 schelling groot, hetgeen omgerekend 120 groot is (57 [57. Voor de omrekening van de verschillende munteenheden is gebruik gemaakt van de door Kolman berekende munt verhoudingen in de eerste helft van de 14e eeuw (in: Kolman, Verstening I, 29): 1 pond groot = 20 schelling (groot) = 12 pond klein = 240 groot; 1 schelling klein brabants = 1 groot; 1 brabants = ¼ groot; 1 mark = 12 groot.]). Wie deze Asse Rumehand die het drievoudige van het bedrag van de gravers ontvangt, is geweest, blijft onduidelijk; hij wordt niet in de arbeidsovereenkomst als een van de zeven gravers genoemd.
Anderzijds blijkt uit de volgende aantekening op folio 273r dat de schepenen, nadat het werk geheel voltooid is, niet aan zeven maar aan acht gravers 8 mark, ofwel 12 groot ieder, voor kleding en in totaal 16 groot tot drinken geven. Is wellicht de genoemde Asse de achtste man?
     Tenslotte vinden we onder het kopje “pecunia ad fossam”, ofwel ‘geld ten behoeve van de gracht’, een reeks betalingen die door verschillende schepenen ongetwijfeld ten behoeve van het graven en uitdiepen van respectievelijk de nieuwe en bestaande stadsgracht, zijn gedaan. Bovenaan de reeks uitgaven wordt Nanne en de zijnen die we immers ook in het arbeidscontract tegenkwamen, genoemd. In totaal staat onder het kopje “pecunia ad fossam” een bedrag van 41 pond groot, 2 pond klein en 9$\frac{1}{2}$ groot genoteerd. Dit bedrag komt min of meer overeen met het bedrag van 40 pond en 6 schelling groot, dat op folio 145 in de Oudste Foliant gegeven wordt als “summa de fossa opidi”. Ook deze aantekening is niet gedateerd, maar wel geschreven in ‘hand A’. Door het geringe verschil (in totaal 217 groot) menen wij dat beide bedragen betrekking hebben op hetzelfde project.

Het bouwen van torens
Op folio 272v vinden we evenals op folio 273r een grote

|pag. 23|

_______________↑_______________

reeks bedragen genoemd, maar nu onder het kopje “pecunia ad turres” ofwel, ‘geld ten behoeve van de torens’. Het geld blijkt bestemd te zijn geweest voor materialen, veelal van het beste soort zoals er vaak bij staat vermeld, ten behoeve van de bouw van torens. Zo worden namelijk genoemd, bedragen voor stenen en het vervoer ervan, voor kalk, schelpen en cement, voor hout, zowel balken als hout voor het fundament en voor ijzerwaren, die onder andere door Diederik Faber ofwel Diederik de smit, gemaakt zijn. Ook worden aanzienlijke bedragen uitgegeven voor plaggen. Mogelijk zijn deze plaggen gebruikt voor ophoping. Daarnaast wordt er nog drie schelling groot gegeven voor een molensteen en 8 schelling groot voor de stadspaarden. Deze paarden zijn vermoedelijk gebruikt voor het transporteren van bouwmaterialen. En kan de molensteen gebruikt zijn als fundament of ter afdekking van een wel?
     Ook nu zijn de genoemde bedragen ongetwijfeld uitgegeven door de schepenen, ook al staat dit in tegenstelling tot de uitgaven voor de gracht, niet expliciet vermeld. Personen als Jacob Kerstiaansz, Johan Schuurzak en Gosen van Onden die zowel bij de uitgaven ten behoeve van de torens als bij die voor de gracht genoemd worden, zijn namelijk allen in ieder geval in 1331 raadslid, evenals de alleen bij de torens genoemde Lubbert van der Lake (58 [58. Schilder, Municipaliteit II, passim. Gosen van Onden komt in 1338-1339 en in 1341 bovendien voor als schout, de bij de torens genoemde Alphardus van de Schuren in 1324 als plaatsvervangend schout.]).
     Het totaal van de onder “pecunia ad turres” voorkomende bedragen is 27 pond groot, 3 pond klein en 14 groot. Behalve het totaalbedrag met betrekking tot de stadsgracht, vinden we op folio 145 van de Oudste Foliant ook de “summa de turribus”. Dit blijkt 40 pond groot min 12 groot te bedragen. In tegenstelling tot bij de totaalbedragen voor de gracht is er tussen beide bedragen voor de torens een groot verschil van maar liefst 12 pond groot en 154 groot. We zullen echter moeten aannemen dat onder “pecunia ad turres” op folio 272v niet àlle uitgaven ten behoeve van de bouw van de torens opgegeven zijn. Onder aan folio 272v vinden we namelijk nog een aantekening, waaruit blijkt dat de schepenen ook nog betalingen verrichten voor de aankoop van schelpen en plaggen. Verder worden betalingen gedaan aan de eerder genoemde

|pag. 24|

_______________↑_______________

Diederik de smid, ongetwijfeld voor hetgeen hij aan ijzerwerk ten behoeve van de stadswerken heeft geleverd. Op een andere plaats in de Oudste Foliant vernemen we dat de schepenen in 1324 via Hendrik van Deventer 20.000 stenen aankopen (59 [59. O.A. inv. nr. 3, fol. 140; Bij Van Mierlo, Ontwikkeling, 245, wordt het aantal stenen foutief vermeld als 120.000 stuks, in plaats van de 20.000 (“viginti miles laterum”) die op fol. 140 genoemd worden. Dit foutieve aantal van 120.000 stenen is overgenomen door Speet, Historische Stedenatlas (Kampen), 13.]). Weer op folio 145 vinden we ook een bedrag genoemd van 5 pond groot en 5 schelling min 10 brabants (= 5 pond groot en 57,5 groot) voor “lateribus ab extra”, waarmee ongetwijfeld stenen die van buiten de stad aangekocht zijn, worden bedoeld.
In 1324 en 1325 sluit de stad contracten af met Johan Vlacksteen, de steenbakker, waarbij in tegenstelling tot de jaren erna, bepaald wordt dat een groot deel van de productie aan de stad verkocht dient te worden tegen, uiteraard, een lage prijs; in 1324 de helft van de productie, in 1325 zelfs 94% van de totale productie (60 [60. Kolman, Verstening I, bijlage 1; O.A. inv. nr. 3, fol. 138 en 140v]). Het is opvallend, dat de stad in 1324, wanneer zij ‘slechts’ de helft van de steenproductie voor zich opeist, ook stenen van buiten de stad aankoopt.
Zouden wij al deze steenaankopen in de jaren 1324 en 1325, zowel van buiten de stad als bij de eigen steenbakker, niet in verband mogen brengen met de bouw van torens? In dat geval kunnen ook de aantekeningen op de folio’s 272v en 273r uit omstreeks 1324/25 gedateerd worden. Overigens wordt er ook nog in het jaar 1327 8 mark (=96 groot) en 12 groot klein uitgegeven voor schelpen en 1 pond groot en 6 groot voor ‘plaggen ten behoeve van cement(?)’(61 [61. O.A. inv. nr. 3, fol. 146: “Item de cemento: anno domino vicesimo septimo dederunt scabini pro scelpen 8 marcos, 12 grosses minus. Item pro cespitibus ad cementum unam libram grossum et 6 grossos.”]).

Tenslotte vinden we bovenaan folio 272v een aantekening waaruit blijkt dat met betrekking tot de bouw van de brug aan ene Voyse 10$\frac{1}{2}$ schelling groot is gegeven. Bovendien geeft Johan Schuurzak, ongetwijfeld vanuit zijn hoedanigheid van schepen, nog eens 7$\frac{1}{2}$ schelling groot ten behoeve van de brug.
Ernaast wordt dan nog vermeld dat voor balken, waarschijnlijk bestemd voor deze brug, 1 pond groot wordt betaald en nog eens 17 schelling groot voor plaggen.
     Welke brug het hier betreft wordt uit de aantekening niet duidelijk. Echter op folio 145 van de Oudste Foliant wordt als vierde totaalsom (naast die met betrekking tot de gracht, de torens en de stenen van buiten de stad) een bedrag van 30

|pag. 25|

_______________↑_______________

schelling groot (= 11 pond en 10 schelling) genoemd, voor de “pontem de zijl exteriori”, ofwel voor de brug over de uiterste/buitenste zijl. Misschien mogen ook deze beide aantekeningen met betrekking tot de brug, net als bij de andere uitgaven, met elkaar in verband gebracht worden.

Interpretatie van de uitgaven met betrekking tot de topografische ontwikkeling van Kampen
We hebben reeds gezien dat Speet van mening is dat er in de jaren twintig van de 14e eeuw niet van een stadsuitleg sprake kan zijn, maar dat de stad in deze jaren de bestaande stadsgracht moet hebben verbeterd en zich extra moeite getroost moet hebben om de muren die de stad omringden het aanzien te geven van echte verdedigingswerken. We zouden dan moeten denken aan de mogelijkheid dat de stadsmuren in deze jaren van torens voorzien zijn, gezien de uitgaven met betrekking tot de torens.
We hebben echter gezien dat er naar onze mening niet alleen sprake is van het uitdiepen van een gracht, maar ook van het graven van een nieuwe stadsgracht. Ook het bouwen van een nieuwe brug zou hier op kunnen duiden.
     In de door ons eerder gepubliceerde theorie hebben we trachten te bewijzen dat de stad rond 1324/25 moet zijn vergroot met het gebied tussen ongeveer de huidige Gasthuisstraat en de Botervatsteeg. De door de zeven gravers te graven gracht zou dan ook dit gebied moeten hebben omsloten.
De informatie die wij op folio 273r met betrekking tot het graven en vergraven van een gracht krijgen zou dit kunnen bevestigen, als men er een rekensom op los laat.
     Voor deze rekensom zijn we er in eerste instantie van uitgegaan dat de gegevens alléén betrekking hebben op het graven van een nieuwe gracht. Verder hebben we aangenomen dat het onder “pecunia ad fossam” genoemde bedrag de totale vergoeding aan de gravers is geweest, die dan 41 pond groot, 2 pond klein en 9$\frac{1}{2}$ groot hebben ontvangen. We weten verder dat de gravers 29 groot voor iedere roede, door ons geïnterpreteerd als 29 groot per kubieke roede, krijgen (62 [62. Een andere mogelijkheid zou zijn om de vergoeding van 29 groot voor iedere roede te interpreteren als 29 groot per strekkende roede, dus 29 groot per gegraven stuk van 1 roede diep, 4 roeden breed en 1 roede lang. In dat geval zouden de gravers voor het onder “pecunia ad fossam” genoemde bedrag een gracht gegraven hebben die langer is dan de Burgel die beginnende bij het Oorgat, via de Botervatsteeg weer in de IJssel uitmondt, of korter is dan de Burgel die beginnende bij het Oorgat, voorbij de Hagenpoort (nr. 33) weer in de IJssel komt; zie noot 64.]). De te graven gracht moet 4 roeden breed en 1 roede diep, ofwel om-

|pag. 26|

_______________↑_______________

gerekend in meters (met een roedelengte van 4,5 m.) 18 meter breed en 4,5 meter diep worden (63 [63. De gemiddelde lengte van een roede bedraagt 4-4$\frac{1}{2}$ meter (zie: Verhoef, Maten, passim). De Sallandse roede bedraagt 4,53 meter (idem, 69).]). Omgerekend zouden de gravers op basis van het aan hun uitgekeerde bedrag, een gracht van 383,63 strekkende meter hebben gegraven (64 [64. Het totale onder “pecunia ad fossam” genoemde bedrag: 41 pond groot + 2 pond klein + 9$\frac{1}{2}$ groot, is omgerekend in groten in totaal 9889,5 groot. Men krijgt 29 groot voor 1 roede3. Voor een strekkende roede over de volle breedte van de gracht (= 4 roeden) krijgt men derhalve 4 x 29 groot = 116 groot. Voor het totaal ontvangde bedrag kan men dus 9889,5 : 116 = 85,25 strekkende roeden over de volle breedte van de gracht graven. In meters uitgedrukt is dit 85,25 x 4,5 = 383,63 meter. Rekent men als vergoeding 29 groot per strekkende meter, dan zouden de gravers voor het bedrag een gracht met een lengte van 1434,5 meter kunnen graven. De Burgel die beginnende bij het Oorgat, via de Botervatsteeg weer in de IJssel uitmondt, heeft een lengte van ca. 1240 meter gehad; de Burgel die beginnende bij het Oorgat, voorbij de Hagenpoort (nr. 33) weer inde IJssel komt, een lengte van ca. 1540 meter.]).
     De volgens ons in 1324/25 gegraven gracht vanaf ongeveer de Gasthuisstraat via de Botervatsteeg naar de IJssel, heeft gemeten vanaf een knik die zich in de stadsmuur langs de Burgel ter hoogte van de Nieuwe Markt heeft bevonden (zie afb.
9:), bij benadering een lengte gehad van circa 340 meter.
Dit grachtdeel zou naar onze mening dan ook de in de arbeidsovereenkomst genoemde gracht zijn, die de gravers van beneden de uiterste toren en de molen tot in de IJssel dienden te graven, 4 roeden breed en 1 roede diep. De brug die bovenaan folio 272v wordt genoemd, ofwel de “pontem de zijl exteriori”, zou naar onze mening dan de brug zijn die de IJsseldijk ofwel de Oudestraat aan beide zijden van de gracht die door de Botervatsteeg heeft gelopen, met elkaar verbindt. De Botervatsteeg heette tot in de 16e eeuw immers ‘Zijlsteeg’, en de gracht die door de Botervatsteeg heeft gelopen werd, zoals wij verwoord hebben in ons artikel, zowel ‘zijl’ als ‘naeste zijl’ genoemd (65 [65. Van Mierlo, Ontwikkeling, 226 en 244]).
     De overige ruim 43 strekkende meter (ofwel omgerekend, een volume van 35,5 roede3) die de gravers na het graven van de nieuwe gracht nog voor het aan hen uitgekeerde bedrag zouden kunnen graven, zou betrekking gehad kunnen hebben op dat deel van de stadsgracht dat uitgediept moest worden, namelijk het deel gracht vanaf de hoger- of stroomopwaarts gelegen brug tot in de IJssel. De “Reghtervaerd”, naar welk water de gravers zich bij het uitdiepen van de gracht dienen te richten, komen we elders in de schriftelijke bronnen niet tegen.
Kijkt men echter naar de vogelvluchtkaarten (afb. 10-11, 13-14) dan valt de ‘Reve’, tegenover de voormalige Geertspoort van der Ae (nr. 45), als een zeer rechte in de Burgel uitmondende wetering, op. Zou met de “Reghtervaerd” soms de Reve bedoeld zijn en met de hoger gelegen brug, de brug voor de Geertspoort van der Ae (nr. 45)? Het deel van de Burgel tussen deze brug en het Oorgat zou dan uitgediept zijn. Nog steeds blijkt dit deel van de Burgel het meest aan verzanding onderhevig.

|pag. 27|

_______________↑_______________

De dammen, die de gravers moeten leggen zouden dan bij de monding van de Burgel in de IJssel en bij de monding van de Reve in de Burgel gelegen hebben. Ook in 1435, wanneer de Burgel uitgediept wordt, schijnt dit het geval geweest te zijn. Aan het eind van de werkzaamheden worden Godeken en zijn knechten betaald voor “die damme uut te wynnen (= weg te halen) ende die eerde te vueren doir die sluse opten wech”(66 [66. O.A. inv. nr. 1953, fol. 27]). De monding van de Reve in de Burgel werd, zeker vanaf de 15e eeuw, afgesloten door een sluis, waarvan wij de oudste vermelding zijn tegengekomen in 1429 (67 [67. R.A. inv. nr. 2, fol.5v: een huis met erf gelegen “buten Geertspoirte van der Ae, naest der slusen opwert aen, streckende van den Borgel an die weteringe”.]).
     Als de totale werkzaamheden inderdaad door alleen de zeven in het arbeidscontract bij name genoemde gravers zijn verricht, dan zullen deze werkzaamheden zeker 2$\frac{1}{2}$ jaar in beslag genomen hebben. Dit is althans de duur die de zeven gravers nodig hebben om een gracht van ruim 383 meter lang, 18 meter breed en 4,5 meter diep, te kunnen graven (68 [68. 1 strekkende m3 over de volle breedte van de gracht (4 roeden = 18 meter) en de volle diepte (1 roede = 4,5 meter) bedraagt 81 m3. Ervan uitgaande dat 1 persoon gemiddeld 1m3 per uur kan vergraven, verzet 1 persoon per werkdag van 10 uur, 10 m3; 7 personen per dag 70 m3. Over 383,63 strekkende meter doen 7 personen dan (81 x 383,63) : 70 = 444 dagen. Uitgaande van 5,5 werkdagen per week heeft men 286 werkdagen per jaar, ofwel 24 werkdagen per maand. 444 werkdagen is derhalve 18,5 maanden. Bij een winterstop van 4 maanden per jaar (jan., febr., nov., dec.) nemen de werkzaamheden dus 2 jaar en 4 maand in beslag. Het onvoorziene zaken enigzins er bij ingecalculeerd komt men uit op zeker 2$\frac{1}{2}$ jaar.]). Ook de bouw van de nieuwe muur om het nieuwe stadsdeel zal echter meerdere jaren in beslag genomen hebben.

Het zou te mooi zijn om waar te wezen! Met de bovenstaande interpretatie zou de strijd om de vraag of Kampen al of niet in fasen gegroeid is, zeker voor een deel beslecht zijn.
Immers een stadsuitbreiging in 1324/25 lijkt zeer aannemelijk.
Toch moeten wij de nodige voorzichtigheid betrachten. Immers de informatie geeft ons het beeld van een stadsuitbreiding niet zondermeer. Dit beeld kon slechts opgeroepen worden door een interpretatie van het informatiemateriaal, waarbij geen rekening is gehouden met een reeks van onzekere en onbekende factoren. Zo weten we niet of het onder “pecunia ad fossum” genoemde bedrag alleen de vergoeding aan gravers betreft, of dat ook andere niet nader omschreven onkosten die voortvloeien uit de aanleg van de gracht, van dit bedrag zijn betaald. De gravers krijgen 29 groot per roede. Wij hebben dit geïnterpreteerd als een kubieke roede. Of deze interpretatie juist is blijft onzeker, al lijkt het wel aannemelijk (zie noot 62).
Verder kan een vergoeding van een strekkende meter nieuw te graven gracht berekend worden. Dit is echter niet mogelijk

|pag. 28|

_______________↑_______________

bij een strekkende meter uit te diepen gracht, gezien immers de variatie die kan bestaan in diepte en breedte. Het zou dus heel goed mogelijk kunnen zijn dat er toch géén nieuwe gracht gegraven is, doch de gehele gracht tussen Oorgat en Botervatsteeg is uitgediept.
     Al met al zijn er nog wel wat onzekerheden, om zonder meer te kunnen stellen dat de aantekeningen in de Oudste Foliant een stadsuitbreiding in 1324/25 bevestigen. Zij spreken deze mogelijkheid echter ook zeker niet tégen!

2.3.4 De groei van Kampen: langs de IJsseldijk of espelgewijs.

Zoals we al eerder geconstateerd hebben, moet Kampen reeds in het jaar 1313, doch waarschijnlijk ook al in 1302 of eerder, geheel ommuurd zijn geweest. Wil men het tracé van de ommuring bepalen, dan dient men op de hoogte te zijn van de omvang die de stad in een bepaalde tijd heeft gehad. Bij de bespreking van de belangrijkste theorieën met betrekking tot de topografische ontwikkeling van Kampen, is reeds gebleken dat er hieromtrent verschillende meningen bestaan.
     Omdat het tracé van de verschillende ommuringen die Kampen in de 14e eeuw al of niet gehad heeft, afhankelijk is van die topografische ontwikkeling, willen we hier toch nog nader op ingaan.
     Speet is het met ons eens dat Kampen zich in het begin van de jaren dertig van de 14e eeuw heeft uitgestrekt vanaf het Oorgat ten zuiden van de St. Nicolaaskerk tot aan de Botervatsteeg. Vanaf de Botervatsteeg is vervolgens in de tweede helft van de jaren dertig van diezelfde 14e eeuw, het gebied rond de O.L.Vrouwekerk, tussen Botervatsteeg en Hagenkade, bij de stad getrokken, en niet het gebied tussen Broederstraat en Hagenkade, zoals Fasel had verondersteld (69 [69. In de Oudste Foliant komt een, ook in het Register van Charters en Bescheiden (deel 5, nr. CCLVI) opgenomen, maar verder niet aangehaalde aantekening voor, waarin de “veenlude” de “staddijc bi den nyen graven” ontvangen om die voor altijd in de juiste lengte en breedte te houden, zoals hij de stad toebehoort. (“Int jair ons heren 1347 des manendaghes na palmen, untfengen die veenlude der staddijc bi den nyen graven the hoeldene, welke inder lenge ende in der brede alse hij der stad behoerde. Ende die eerde de daer zie one mede maken, zoelen zie nemen binnendijks in Ondingerbroec bi rade der scepen, is dat sie butendijkes neghyene eerde moghen hebben”: O.A. inv. nr. 3, fol. 261v). Onduidelijk is of met de “nyen graven” de nieuwe gracht en dan in het bijzonder de nieuwe stadsgracht van de Botervatsteeg tot voorbij de Hagenpoort (nr. 33) wordt bedoeld. Indien dit het geval zou zijn, dan kan de genoemde dijk niet anders dan de Vloeddijk zijn. Duidelijkheid zou hierover verkregen kunnen worden, wanneer het “Ondingerbroec” kan worden gelocaliseerd.]).
     Archeologisch is namelijk zondermeer aangetoond dat zich eens een stadsmuur met gracht bij de Botervatsteeg hebben bevonden. De in de jaren vijftig onder de Burgel aangetroffen stadsmuur (zie ook 3.1.2) maakt ter hoogte van de Botervatsteeg een knik, terwijl de muur vanuit het zuiden komende, doorloopt naar deze steeg (zie afb. 8a). Tijdens riolerings-

|pag. 29|

_______________↑_______________

werkzaamheden in 1981/82 werd bovendien in de ondergrond van de Botervatsteeg een grote concentratie van visgraten, riet- en afvalresten aangetroffen, hetgeen erop duidt dat hier eens een water, de stadsgracht, gelopen moet hebben (70 [70. Van Mierlo, Ontwikkeling, 230]).
     Over de wijze waarop de stad haar omvang tussen Oorgat en Botervatsteeg bereikt heeft, verschillen wij echter met Speet van mening. Wij hebben de mogelijkheid geopperd dat Kampen in meerdere fasen (waarschijnlijk vier of vijf) langs de IJsseldijk gegroeid moet zijn, min of meer overeenkomstig de latere espelindeling. Ook zouden er dus evenzovele verschillende ommuringen moeten zijn geweest (71 [71. ibidem, 243-247, 255-259; Fasel onderscheidt drie fasen, namelijk Oorgat-Geerstraat, Geerstraat-Broederstraat en Broederstraat-Hagenkade: Fasel, Topografie, 290]). Speet daarentegen veronderstelt, dat de stad zich heeft gevormd uit een langgerekte lintbebouwing langs de IJsseldijk tussen Oorgat en Botervatsteeg, welk gebied ineens ommuurd moet zijn.
Hierna heeft er in de 14e eeuw nog slechts één uitbreiding plaatsgevonden, namelijk die ten noorden van de Botervatsteeg (72 [72. Historische Stedenatlas (Kampen), 9-13]).
     Speet wijst op het kaartbeeld van Kampen, dat niet op een gefaseerde groei tussen Oorgat en Botervatsteeg wijst. Inderdaad zijn er geen overtuigende aanwijzingen in het kaartbeeld te vinden, waaruit een gefaseerde groei duidelijk zou kunnen blijken. Tóch zijn er een aantal aspecten op grond waarvan een gefaseerde groei niet onmogelijk geacht hoeft te worden.

Ligging van de St. Nicolaaskerk
Als Kampen ontstaan moet zijn vanuit een langgerekte lintbebouwing langs de IJsseldijk, dan valt de nogal excentrische ligging van de St. Nicolaaskerk op. Men zou deze, juist bij een langgerekte bewoning, meer in het midden van de nederzetting verwachten.
     De excentrische ligging van de St. Nicolaaskerk kan wèl verklaard worden wanneer men de oudste kern van de nederzetting rond deze kerk situeert. Deze oudste kern hoeft dan niet gekenmerkt te worden door een specifiek concentrisch stratenpatroon als gevolg van haar ligging op een woonterp. Het ontbreken van een dergelijk stratenpatroon maakt het volgens Speet onmogelijk dat rond de kerk een separate woonkern tot

|pag. 30|

_______________↑_______________

ontwikkeling zal zijn gekomen, vanwaaruit de stad zich verder heeft ontwikkeld (73 [73. ibidem, 9]).
     De oudste woonkern van Kampen heeft zich echter niet specifiek op een woonterp bevonden. De bewoning zal zich aanvankelijk langs de dijk hebben ontwikkeld. Eveneens aan de dijk zal min of meer in het centrum van de nederzetting, op een opgeworpen verhoging, de kerk gebouwd zijn. Doordat deze kerk steeds werd vergroot, reikt het grondplan van het koor uiteindelijk ver naar het oosten, tot over deze dijk heen (zie afb. 1 en 3). Vanuit deze kern zal de bewoning zich verder naar het noorden, en parallel aan de IJsseldijk naar het oosten (Waterstraat) en westen (eerst Nieuwstraat, later Hofstraat) uitgebreid hebben.
     Ook de ligging van het ‘Richthuis’ in de Oudestraat maar wel vlak bij de St. Nicolaaskerk en de aanwezigheid van de kaak op de Koornmarkt, zouden erop kunnen duiden dat rond deze kerk de oudste kern van Kampen gezocht dient te worden.

Fundering hoek Oudestraat/Plantage
Op de hoek van de Oudestraat en de Plantage werd in 1968 op een diepte van 5,5 meter een hoekfundament aangetroffen ter breedte van circa 100 cm., welk fundament lag onder een hoek van 45° met de Oudestraat (zie afb. 8b) (74 [74. Gemeentearchief Kampen: correspondentie M/XVIII/I]). Meer is over dit fundament niet bekend. Gezien echter de diepte waarop het fundament werd aangetroffen en de situering ervan, hebben wij in ons artikel de mogelijkheid geopperd dat het hier resten van een stadsmuur, toren of poort zou kunnen betreffen.
Het gevonden fundament ligt echter ook even ten noorden van de St. Jacobstraat, welke straat de grens heeft gevormd tussen het tweede en het derde espel. Dit zou dus voor een espel gewijze groei van Kampen kunnen pleiten (75 [75. Van Mierlo, Ontwikkeling, 245]).

Knik in de IJsselmuur
Ter hoogte van de Gasthuisstraat heeft zich een knik in de IJsselmuur bevonden. Het meest duidelijk is deze knik te zien op de vogelvluchtkaart van Joan Blaeu (afb. 14). Speet verklaart deze knik, doordat hier de nieuwe rond het midden van de 14e eeuw gebouwde IJsselmuur langs het zuidelijke stads-

|pag. 31|

_______________↑_______________

deel, aansluiting vond bij de reeds bestaande IJsselmuur langs het noordelijke stadsdeel. Gebleken is dat het bestaan van een oudere IJsselmuur langs het zuidelijke stadsdeel erg discutabel geacht mag worden. Ons inziens kan deze knik, zoals wij reeds verwoord hebben in ons artikel, dan ook duiden op een vroegere stadsgrens (76 [76. ibidem, 251]).

Het graven van een gracht en uitbreiding van klooster en gasthuis
De informatie met betrekking tot de bouw van torens en het graven van een gracht die op de folio’s 272v en 273r van de Oudste Foliant staat, zou zoals we gezien hebben, het graven van een gracht omstreeks 1324/25 rond het gebied tussen de huidige Gasthuisstraat en de Botervatsteeg kunnen bevestigen.
Verder hebben wij in ons artikel erop gewezen, dat indien er een stadsmuur ter hoogte van de Gasthuisstraat/Houtzagerssteeg heeft gestaan, het Broederklooster van de franciscanen en het Heilige Geestgasthuis aan de rand van de stad bij de muur hebben gelegen. Vanaf 1325 lijken beide gebouwen uitgebreid te zijn, hetgeen door het verdwijnen van de stadsmuur mogelijk zou zijn geworden (77 [77. ibidem, 246]).

Slotopmerkingen
Enerzijds blijken er gezien het bovenstaande, aanwijzingen te zijn die duiden op een gefaseerde groei van Kampen; anderzijds wordt dit niet door een kaartbeeld van Kampen bevestigd. Ten aanzien van de discussie omtrent de topografische ontwikkeling van Kampen is naar onze mening thans dan ook een status quo bereikt. Op basis van topografisch en archivalisch materiaal kunnen geen definitieve conclusies getrokken worden. Andere vormen van onderzoek, zoals bouwkundig onderzoek en archeologisch onderzoek, zullen nieuwe informatie moeten verschaffen, op basis waarvan wellicht meer duidelijkheid verkregen kan worden over de vorming van het stadsgebied binnen de Burgel en verwant daaraan over tracés van mogelijk oudere ommuringen.
     Zo meent Kolman in een studie over de verstening van woonhuizen in Kampen vóór 1350, op basis van schriftelijk materiaal verschillen in bouwactiviteiten te kunnen constateren

|pag. 32|

_______________↑_______________

tussen de ‘oude stad’, dit zijn het eerste en het tweede espel, en de ‘nieuwe stad’ ofwel het derde en vierde espel (zie afb. 7). Verder concludeert Kolman dat de gegevens over de verstening in de nieuwe wijken vóór 1335, beter passen in de fasering zoals die door ons voor de stedelijke ontwikkeling is geschetst, dan in de door Fasel gegeven fasering, waarbij het gebied tussen de Broederstraat en de Hagenkade rond 1335 ineens bij de stad gevoegd zou zijn (78 [78. Kolman, Verstening II, 72-74]).
De huidige gegevens van Kolman zouden daarentegen ook in de theorie van Speet inpasbaar zijn. Het historisch-bouwkundig onderzoek in Kampen bevindt zich echter nog in een te vroeg stadium om daar nu al definitieve conclusies uit te kunnen trekken.
     De belangrijkste rol in deze zal evenwel weggelegd zijn voor de archeologie. Via deze studie willen wij de archeologische wetenschap dan ook een handvat aanreiken op basis waarvan niet alleen keuzes voor het te verrichten onderzoek kunnen worden gemaakt, maar tevens vondsten geïnterpreteerd en op hun waarde geschat kunnen worden.

2.3.5 De Wiltvang.

De Wiltvang (79 [79. Het woord wordt op vele verschillende manieren geschreven. De meest voorkomende schrijfvormen zijn: Wiltganc, Wiltgang, Wiltfanc, Wiltfang, Wiltvanc, Wiltvang.]) is een zeer omstreden element in de verschillende theorieën over de topografische ontwikkeling van Kampen. In de tweede helft van de 15e en in de eerste helft van de 16e eeuw wordt met de Wiltvang een muurtoren bedoeld, welke gelegen is tussen de Hagenpoort en de IJssel (80 [80. – 1443: een hofstede bij de “Wyltvanck bet an die Oeldenstraete”: O.A. inv. nr. 11, fol. 186v
– 1476: een huis met erf van Henrick van Oestenwolde, gelegen in de Oudestraat, tussen Lubbert Overdijck en “der Stadt Wiltfanck”, strekkende tot achter aan het erf dat Henrick gekocht heeft van Egbert Krueser: Don, Archieven II, regest nr. 537
– 1482: een huis met erf bij de Hagenpoort, strekkende “van die Oldestrate thent in de Ysele, mitten uutganck an den Wiltvang”: R.A. inv. nr. 54, fol. 59v
– 1510: een huis met erf gelegen “opten Wiltfang”, strekkende achter naast het brouwhuis van Jan Stellinghe (R.A. inv. nr. 55, fol. 95), welk brouwhuis in 1518 blijkt te liggen in de Oudestraat bij de Hagenpoort en zich achter uitstrekt tot in de IJssel, met een uitgang “ter zijde an den Wyltfanck”: R.A. inv. nr. 56, fol. 121v
– 1526: een huis met erf, gelegen in de Oudestraat bij de Hagenpoort, strekkende achter aan de stadsmuur en met een huis ter zijde, uitgaande op de “Wyltfanck”: Don, Archieven II, regest nr. 1171
– 1534: een huis met erf “omtrent de Hagenpoirtte, strekkende achter an de Wiltfanck’s plaats”: R.A. inv. nr. 57, fol.34]
).
Deze toren was in gebruik als stadsgevangenis. Zijn functie blijkt voor het eerst uit een keur uit 1405 (81 [81. Indien, zo wordt in de keur uit 1405 bepaald, de waard en waardin het dobbelen in hun herberg toestaan, zullen zij een maand lang “opten Wiltfang sitten in den stocke”: Boeck van Rechten, 70-71]), terwijl vanaf de tweede helft van de 15e eeuw de Wiltvang regelmatig als gevangenis genoemd wordt.
     Behalve dat de Wiltvang vanaf het begin van de 15e eeuw regelmatig in de bronnen voorkomt, komen we de naam ‘Wiltvang’ ook in de eerste helft van de 14e eeuw tegen. Reeds in 1316 geeft Henrik van Buren van zijn huis dat gelegen is “apud Plateam”(82 [82. Kossmann-Putto, Schepenacten, nr. 99]), het achterste deel, gelegen “apud Wiltganc” in onderpand (83 [83. ibidem, nr. 100]). In 1319 wordt een “sextam partem de Wiltganc” in onderpand gegeven (84 [84. ibidem, nr. 60]). In 1331 bouwt Johan

|pag. 33|

_______________↑_______________

van Wilsem een huis “bie der Waterstrate an dien Wiltgaenc, alse bi onsen hete” (85 [85. ibidem, nr. 394]). Dat Thomas Touslager jaarlijks aan Gosen van Campen vier groten tijns moet geven “van den molenberghe bi den Wiltganghe”, welke molenberg tevens bij de IJssel ligt, lezen we in 1333 (86 [86. ibidem, nr. 465]). In 1347 tenslotte, verhuurt het stadsbestuur aan Claas de Kannegieter voor twintig jaar “den groeten toernen up den Wiltgaenge” met daarbij “twee boghen ende eenen steen ter Oudestraten ward ende ter Waterstraten ward” (87 [87. ibidem, nr. 890]).
     Op basis van bovenstaande vermeldingen meenden zowel Fasel als wij in ons artikel over de topografische ontwikkeling op grond van eerder ingenomen standpunten, dat er sprake moet zijn geweest van een oudere Wiltvang, die in de eerste helft van de 14e eeuw op een andere plaats heeft gelegen dan de latere uit de 15e en 16e eeuwse bronnen bekende, Wiltvang. Fasel situeert de Wiltvang in de 14e eeuw, gezien plaatsvermeldingen bij zowel de Waterstraat als de molenberg, in de omgeving van de St. Nicolaaskerk, en wel tussen de IJssel en de stadsmuur (zie afb. 4) (88 [88. Fasel, Topografie, 299-304; uit een acte uit 1329 blijkt dat er een molenberg heeft gelegen tussen de dijk en de IJssel (Kossmann-Putto, Schepenacten, nr. 346), terwijl er in 1490 een molenberg in de omgeving van het Oorgat heeft gelegen (Kronyken I, 41-42). Bovendien lag volgens Fasel de Waterstraat tussen de Prinssenstraat en de Venestraat.]). Wij waren van mening dat de Wiltvang met molenberg aanvankelijk in de omgeving van de Vispoort (nr. 15) gezocht dient te worden (89 [89. Van Mierlo, Ontwikkeling, 255; de Wiltvang, het Dinghuis, de Vismarkt, de Waterstraat en de Oudestraat zouden bij elkaar liggen.]). Volgens Speet daarentegen, slaat de benaming ‘Wiltvang’ in de 14e eeuw op het gebied tussen de IJsseldijk (= de Oudestraat) en de IJssel ter hoogte van de O.L.Vrouwekerk. De benaming wijst er volgens hem op “dat, toen dit gebied, waarschijnlijk in oorsprong een aanwas, als gevolg van de uitbreiding van de stad in noordwestelijke richting bij de stad ‘gevangen’ of getrokken werd, het nog grotendeels wild, dat wil zeggen woest en onbebouwd terrein was” (90 [90. Historische Stedenatlas (Kampen), 15; zie ook ibidem, 29 noot 66]). Zodoende kan in 1319 ook een zesde deel van de “Wiltganc” in onderpand gegeven worden.
Met de Waterstraat, waarbij de Wiltvang blijkt te liggen, wordt volgens Speet waarschijnlijk de straat bedoeld die langs de Buitenhaven liep, tussen IJssel en Oudestraat. Meerdere straten in Kampen zouden namelijk de naam van Waterstraat hebben gedragen, deze naam ontlenende aan het feit dat ze aan de IJssel gelegen waren (91 [91. ibidem, 15 en 17. Ook in de Hagen komt in de 15e en 16e eeuw een Waterstraat voor, die langs de IJssel heeft gelopen.]). Tenslotte is later de naam ‘Wiltvang’ overgegaan op de grote zware hoektoren

|pag. 34|

_______________↑_______________

aan de IJssel bij de Buitenhaven (nr. 74), de toren die in 1347 voor twintig jaar wordt verhuurd.

De door Speet geschetste situatie lijkt ons uiteindelijk zeer aannemelijk. Nog rond 1500 komen we zeer incidenteel huizen tegen, die ‘op de Wiltvang’ liggen (92 [92. – 1484: de O.L.Vrouwenmemorie krijgt een jaarlijkse rente geschonken, waarvan de helft gebruikt dient te worden tot onderhoud van het huis op de “Wiltganck”: Don, Archieven II, regest nr. 649
– 1510: zie bij noot 80]
).
Om de door Fasel en de in ons artikel weergegeven argumenten om de Wiltvang in de 14e eeuw elders te localiseren, te ontkrachten, dienen we iets nader in te gaan op de bij de Wiltvang genoemde molenberg en de Waterstraat.
     In de Kamper Schepenacten van Kossmann-Putto, komen we tweemaal een molenberg tegen, in 1329 een molenberg die tussen de dijk en de IJssel blijkt te liggen en in 1333 de molenberg bij de Wiltvang (93 [93. Kossmann—Putto, Schepenacten, resp. nr. 346 en nr. 465]). In de acte uit 1329 is echter geen enkele aanwijzing te vinden, waaruit blijkt dat de hierin genoemde molenberg bij de Wiltvang zou liggen. Men kan dus niet zondermeer stellen dat de acten uit 1329 en 1333 op dezelfde molenberg betrekking hebben (94 [94. Fasel baseert zich wellicht op Kossmann-Putto, die in het register van plaatsnamen beide acten rangschikt onder ‘Molenberg bij de Wiltgang’ (Schepenacten, 314). Anderzijds geeft ook Kossmann-Putto reeds aan, dat de acten niet op dezelfde molenberg betrekking hoeven te hebben. De tijnsgerechtigde die in de acte uit 1329 genoemd wordt, Gosen van Onden, wordt door Kossmann-Putto in het register van persoonsnamen niet geïdentificeerd als Gosen van Campen, de tijnsgerechtigde in de acte uit 1333 (Schepenacten, 326).]). We zullen moeten aannemen dat bij een stad als Kampen meer dan één molenberg gestaan kan hebben. Van de door Fasel genoemde molenberg uit 1490 is niets meer terug te vinden op de 16e en 17e eeuwse vogelvluchtkaarten van Kampen. Dat we bij de O.L.Vrouwekerk op het kaartbeeld geen molenberg meer terugvinden, hoeft dus niet uit te sluiten, dat hier ooit eens een molenberg gelegen heeft (95 [95. Speet, Historische Stedenatlas (Kampen), 15, wijst erop, dat de stadsplattegrond van Van Deventer laat zien dat er van een intensieve bebouwing in de 16e eeuw in het gebied ten oosten van de Oudestraat bij de Hagenpoort, nog geen sprake is. Inderdaad ziet men op deze kaart, dat de hoek bij de hoektoren aan de IJssel onbebouwd lijkt te zijn. Zou hier een molenberg gestaan kunnen hebben? Ook buiten de stadsmuur terplaatse, zou een molenberg gestaan kunnen hebben, die later als gevolg van het verleggen van de muur langs de IJssel verdwenen zou kunnen zijn (zie ook 3.2.3).]).
     Zoals we in 2.3.2 hebben gezien, lijkt men het er thans over eens te zijn dat de Waterstraat langs de IJssel gelopen heeft en de huidige Voorstraat moet zijn (96 [96. zie noot 41]). In de 15e eeuw zien we dat de straten in de Hagen, een voorstadje van Kampen buiten de Hagenpoort (nr. 33) (zie afb. 29) een voortzetting zijn van de straten in de ommuurde stad; we vinden er een Oudestraat, de Nieuwstraat en langs de IJssel de Waterstraat.
Binnen de stad blijken de straten in de lengteas van de stad, over de volle lengte dezelfde naam te dragen. En de Hofstraat, die bij de Broederstraat ophoudt, vinden we weer terug vanaf de Botervatsteeg. Het is dan ook niet ondenkbeeldig dat ter hoogte van de O.L.Vrouwekerk, waar de Oudestraat weer van de IJssel afbuigt, de straat langs de IJssel eveneens eens ‘Wa-

|pag. 35|

_______________↑_______________

terstraat’ genoemd is, naar voorbeeld van de straat tussen Oudestraat en IJssel ten zuiden van het Raadhuis. Dat we de Waterstraat dan langs de IJssel moeten projecteren lijkt echter dan wel meer waarschijnlijk, dan de veronderstelling van Speet, die hem immers dwars op de IJssel, evenwijdig aan de Buitenhaven, projecteert. Van de twee in 1347 aan Claas de Kannegieter verhuurde bogen zal er dan één vanaf de toren in de richting van de Hagenpoort (“ter Oudestraten ward”) en één langs de IJsselmuur (“ter Waterstraten ward”) gelegen hebben.
     Het blijkt dus dat de bij de Wiltvang genoemde molenberg en Waterstraat, de door Speet veronderstelde interpretatie en localisering met betrekking tot de Wiltvang, niet uitsluiten. Het aanvankelijk onbebouwde terrein tussen IJsseldijk en IJssel ter hoogte van de O.L.Vrouwekerk, zal deel zijn gaan uitmaken van de ten noorden van de stad buiten de stadsmuren gelegen Hagen, waar al vroeg bewoning heeft plaatsgevonden en zich waarschijnlijk op de plaats van de O.L.Vrouwekerk een houten kapel heeft bevonden (97 [97. Toe Boecop, Croenick, 217]). Aan de IJsseldijk zal dan het in 1316 genoemde huis van Henrik van Buren liggen, een huis dat zich uitstrekt tot het voor bewoning geschikt gemaakte, en daarom de ‘Wiltvang’ genoemde, terrein. Uiteindelijk wordt ook dit gebied, tesamen met de rest van de oude Hagen, ommuurd. Eén van de muurtorens op de Wiltvang, waarschijnlijk de hoektoren, wordt vervolgens in 1347 verhuurd. Later verdwijnt de naam ‘Wiltvang’ voor het gebied, maar blijft wel voortbestaan als eigennaam voor de hoektoren, die later de functie krijgt van stadsgevangenis. Met de ‘Wiltvang’ wordt echter wel een andere hoektoren bedoeld, dan de op de volgelvluchtkaarten zichtbare ronde toren bij de Buitenhaven (nr. 74), welke toren de IJsseltoren is geweest. De Wiltvang was een vierkante hoektoren, die nog tot in het midden van de 16e eeuw binnen de nieuwe, bij de stadsuitleg gebouwde muur tussen Louwenpoort (nr. 26) en de Hagenpoort (nr. 33) heeft gestaan (zie 3.2.3).

|pag. 36|

_______________↑_______________

 
– Mierlo, Th. M. van (1986). De verdedigingswerken van Kampen: (vóór de 15e eeuwse stadsuitleg): Een reconstructie. Deel 1. (Doctoraalscriptie). Geschiendenis, Faculteit Geesteswetenschappen, Rijksuniversiteit Utrecht, Utrecht.

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.