Iets over de Katholieke Godsdienst te Zwolle, vooral tijden en na de Reformatie (I.)


IETS OVER DE KATHOLIEKE GODSDIENST
TE ZWOLLE,

VOORAL TIJDENS EN NA DE REFORMATIE.

____

     Even als van zoo vele andere plaatsen is de oorsprong van den naam Zwolle zeer duister. Onderscheiden geleerden hebben zorgvuldig de oude documenten doorvorscht, maar den oorsprong van den naam der stad hebben zij met geene zekerheid kunnen staven. Menzo Alting

_______________↓_______________


|pag. 239|

zegt daarom ook: dat er van dien oorsprong niets zekers blijkt. — Aan gissingen heeft het evenwel niet ontbroken.
Zoo beweert Willem Nagge, dat de stad haren naam ontleent aan de vruchtbare weilanden, waarin de ossen, door vet te worden, zwollen. Gerrit van der Horst gaf in 1720 een historisch topographisch gedicht uit, getiteld: « Overijsels oog of Zwol verheerlijkt, » waarin hij zich met het gevoelen van Nagge vereenigt. Een onbekend schrijver zoekt den naam in eene niet zoo gunstige afleiding. Hij gelooft, dat het vee in de heerlijke weiden van dit oord geplaagd werden door gezwellen. Simon van Leeuwen wil den naam vinden in den grooten handel van wolle, die hier vroeger zoude zijn gedreven. — Van Hattem, die in zijne geschiedenis van Zwolle nog al op heeft met deze uitlegging, wijl zij de natuurlijkste is, als ontbrekende aan wolle slechts eene s of z, moet overigens bekennen, dat hem noch van dien groothandel in wolle, noch van de bijzondere vetheid der weilanden, noch van de gezwellen van het vee in de geschiedenis iets is onder de oogen gekomen.
     Picart, predikant en doctor in de medecijnen te Coeverden, die overal verstand van wilde hebben, is van geheel andere gedachten, dan de bovengenoemden. « De plaisierige en geneuchelijke stad Zwolle, — zegt hij in de Vreemde en vergetene antiquiteiten van ’t oude Vriesland, – heeft haar naam en oorsprong ontvangen van de Franken, die een paleis of heerenhof een saal noemden. Dit saal komt van Stins; sommigen noemden het ook sael, sal, anderen sel, sual, saol; en aldus swol. » — Picart, die wel begreep, dat zijne naamsafleiding niet zoo gaaf zoude worden aangenomen, voegde er bij: « dat niemant hierover kan oordeelen, als die curieuse oogen heeft, die in andere antiquiteiten geoeffent zijn, en die ’t oude van ’t jonge welen te onderscheiden. » —
De man had zeker niet gedacht, dat eene enkele tegenbedenking zijne stoute gissing van allen grond zoude ontblooten. Immers van Hattem merkt aan, dat de stad reeds in 1040 Zwolle heette, zijnde 200 jaren vroeger, dan van het genoemde paleis of stins sprake kan zijn.
— Jacob van Oudshoorn is daarom ook van bescheiden

_______________↓_______________


|pag. 240|

gevoelen, dat wij naar den naamsoorsprong van vele steden gissen, als de blinde naar de kleuren.
     Van Hattem spelt den naam liefst Swolle, en Oostkamp kan het Siegenbeek niet vergeven, die Zwol schrijft, dat hij sich ’t regt aanmatigt, eigendunkelijk de eigen en oude namen onzer vaderlandsche steden te veranderen, en alsoo den naarn der stad, geijkt in oude handschriftten, als Zwolle, te verkorten.
     Zwolle dan, de tegenwoordige hoofdstad van Overijssel, ligt op de plaats, welke vroeger den naam droeg van Ongenade of ’t Bosch van Ongenade, afgeleid van den bloeddorstigen aard of bedrijf der menschen, die daar woonden. Een hevige stormwind vernielde dat bosch, en het dorp, wat op de plaats van het tegenwoordige Zwolle werd gebouwd, ontving den naam van Middelwijk. Volgens sommige schrijvers is Zwolle later met dit Middelwijk vereenigd onder behoud van zijn eigen naam. In het jaar 1040 werd Zwolle door Bernulphus, den XX. bisschop van Utrecht, met aanzienlijke privilegiën, en in 1230 door Willebrand, den XXXV, bisschop van Utrecht, met stedelijke regten beschonken. Hierover heerschie groote vreugde onder de bewoners, en al aanstonds groeven zij eene gracht om de stad, en maakten aan de binnenzijde der gracht een houten beschutting.
Negentig jaren leefden zij alzoo als stedelingen, toen een baldadig edelman, nijdig op den voorspoed der stad, deze op zekeren nacht in brand liet steken. Op weinige huizen na werd Zwolle geheel door de vlammen vernield.
Doch de inwoners sloegen ras de handen aan ’t werk, en op het einde der XIV. eeuw, was de stad veel fraaijer dan vóór hare vernieling uit het puin verrezen. Even als zoovele andere steden, had Zwolle vervolgens tijden van voor- en tegenspoed. Brand en plundering waren gedurende eenige eeuwen de wraak, waarmede de sleden onderling, en de edelen, die op het land woonden, hunne ware en voorgewende beleedigingen elkander betaald zetten. Daarenboven zag men in de XIV. eeuw ook de inwoners nog onderling verdeeld door de tweespalt in de godsdienst, welke hier in ’t jaar 1566 voet begon te krijgen.

_______________↓_______________


|pag. 241|

KERKEN.

     De hoofd- en parochiale kerk is de St. Michiels-kerk, toegewijd aan den aartsengel Michaël. Zij staat in het midden der stad, en is, zoowel om hare grootte als zuiveren stijl, een zeer schoon gebouw. Deze kerk, waarvan den 10. Julij 1406 de eerste steen gelegd werd, is heden 127 treden (ruim 85 el) langen 51 treden (ruim 38 el) breed. Vóór den val des torens echter moet zij zich naar het westen verder uitgestrekt hebben; want bij dat toeval zoude zij twee van hare gewelven hebben verloren, die niet herbouwd werden, welke inkrimping op 13,50 el begroot wordt. De kerk heeft drie schepen en zeer hooge en statige verwelfsels, welke door twee reijen pilaren en door de zijmuren, uit duifsteen, naar den zuiversten bouwtrant opgetrokkeo, worden onderschraagd. De toren, ter plaatse ongeveer, waar thans de consistorie-kamer is, was een der hoogste in de Nederlanden. Maar een ongelukkig gesternte zweefde boven dezen toren. Viermaal door den bliksem getroffen, brande viermaal de spits af. Doch t’ elken male herbouwde men dezelve; maar nog was de laatste herbouwing niet voltooid, toen op den 17. December 1682 een hevige stormwind den toren deed instorten.
     In deze kerk waren de volgende altaren, welke of door vikarissen, die het beneficie van het altaar hun leven lang genoten, of door dusgenoemde officianten, die slechts voor zekere tijden tot het waarnemen van de diensten van een altaar werden aangenomen, bediend werden.

1ste Altaar.

     Van het H. Kruis. Het stond op het groote koor, en was aan den aartsengel Michaël toegewijd. Dit altaar was het hoogaltaar der kerk.

2de Altaar.

     Van de Maria, staande op het koor van dien naam.

3de Altaar.

     Van de H.H. Petrus en Paulus, in het koor geplaatst, hetwelk naar deze heiligen werd genoemd.
_______________↓_______________


|pag. 242|

     Deze drie altaren werden door den pastoor en zijne kapellanen bediend.

4de Altaar.

     Van St. Michaël. Het regt van collatie berustte bij den raad der stad.

5de Altaar.

     Van het H. Kruis geheeten, doch aan den H. Nicolaus toegewijd. Het regt, om deze vikarij te vergeven, behoorde den pastoor. Het altaar was aan de noordzijde tegen den muur geplaatst.

6de Altaar.

     Van den H. Joannes en Aller Heiligen. Dit altaar stond ter zijde van het laatstgenoemde aan de noordzijde der kerk tegen eenen pilaar. Ook van dit altaar had de pastoor de bediening te vergeven.

7de Altaar.

     Van den H. Nicolaus, staande achter in de kerk aan den muur. Aanvankelijk hadden de stichters zich de aanstelling van eenen vikaris voorbehouden, doch omtrent het laatste van de XIVde eeuw, was het reeds aan den tijdelijken pastoor vervallen.

8ste Altaar.

     Van de H. Catharina. Het stond aan de noordzijde der kerk, en was aan den H. Joannes Bapt. en den H. Evangelist Johannes toegewijd. De Vrouw van Assen Hanings, stichteresse van dit altaar, gaf bij haren dood het regt van collatie aan den tijdelijken pastoor.

9de Altaar.

     Van den H. Jacobus, de vier H.H. Leeraars der Kerk en de H. Barbara, staande tegen eenen pilaar aan de noordzijde der kerk. De burgemeester Albert Snavel en zijne vrouw Bertha hadden dit altaar gesticht, en zich en hunne nazaten het regt van collatie voorbehouden; doch bij het uitsterven van dit geslacht, is het collatieregt op Gerardus van Spoelde vervallen.

10de Altaar.

     Van den H. Laurentius. Dit altaar was door den
_______________↓_______________


|pag. 243|

heer Roelof van Ittersum aan den eersten pilaar der kerkmuur aan de zuidzijde gesticht. De bedienaar was verpligt dagelijks de H. Geheimen op te dragen.

11de Altaar.

     Van de H.H. Gregorius en Agnes, was geplaatst achter in de kerk in het midden tegen eenen pilaar. Dit altaar had twee bedienaren, welker aanstelling den raad was toegestaan.

12de Altaar.

     Van de H.H. Joannes Bapt., Martinus en Maria Magdalena, staande achter in de kerk naast het laatst vermelde tegen eenen pilaar. Aan dit altaar moest des maandags en donderdags de H. Offerande der Mis worden opgedragen.

13de Altaar.

     Van het Hoogheilig Sacrament, staande voor het groote koor aan de noordzijde. Het was gesticht door de broederschap van dit altaar en de provisoren van het H. Geest-gasthuis, bij welke, met den raad en den tijdelijken pastoor, het regt van vergeven berustte. Later is aan dit altaar nog een tweede bedienaar toegevoegd.

14de Altaar.

     Van den H. Antonius. Het stond voor het schepen koor, toegewijd aan de apost. Petrus en Paulus en den H. Christoffel, en was door Lambert Twenhuisen en eenige anderen gesticht. Er waren twee officianten voor bestemd, die door de stichters voorgesteld en door den raad benoemd zouden worden.

15de Altaar.

     Van alle H.H. Jongvrouwen; doch in het bijzonder aan de H.H. Agnes, Catharina, Cecilia en Margaretha toegewijd. Het stond achter in de kerk aan de noordzijde. Ook van dit altaar werd de bedienaar door den raad benoemd.

16de Altaar.

     Van de H. Maria Magdalena, staande allernaast
_______________↓_______________


|pag. 244|

het 15de. Seine van Ittersum en zijne vrouw Christina waren er de stichters van, en droegen na hunnen dood het regt van benoeming voor deze vikarij aan den raad der stad over.

17de Altaar.

     Van den H. Joannes Bapt. en meer andere H.H. geplaatst aan de noordzijde tusschen de altaren van de H. Catharina en de H. Magdalena. De stichter er van was de burgemeester Lubbert Tyasen van Langenholte, die zich en zijnen erfgenamen de vergeving heeft voorbehouden.

18de Altaar.

     Van den H. Antonius; opgerigt door de broederschap ter eere van dien Heilige.

19de Altaar.

     Van het H. Kruis, staande voor het schepen koor.
De heer Diderik Johan Baertscheres stichtte dit altaar, en liet zijnen erfgenamen het regt van begiftiging.

20ste Altaar.

     Van de H. Drievuldigheid. Hermen van Nassouwe en Sybilla zijne vrouw gaven het regt van collatie bij hunnen dood aan den raad der stad over; even zoo was het gesteld met het collatieregt der drie volgende altaren.

21ste Altaar.

     Van de H. Barbara. Hieraan was de verpligting van 4 H. Diensten wekelijks.

22ste Altaar.

     Van den H. Lucas, met verpligting van wekelijks 3 H. Offeranden.

23ste Altaar.

     Van den H. Judocus, met vier Missen.

24ste Altaar.

     Van St. Peter, op het koor van den H. Antonius staande.

25ste Altaar.

     Van St. Severinus, waarvan het beneficie met dat van St. Peter door den pastoor werd vergeven.
_______________↓_______________


|pag. 245|

26ste Altaar.

     Van de H. Agatha, waarvan de begiftiging in 1571 door Georgius Haersolte geschiedde.

27ste Altaar.

     Van de drie Köningen, waarvan het collatieregt bij de twee oudste vikarissen der kerk berustte.

28ste Altaar.

     Van den H. Thomas. Het regt van collatie stond bij de prioren van Windesheim, Bethelem en Aalberg.

29ste Altaar.

     Van alle Heiligen. Jan van den Toorne, de stichter, liet er de bediening van over aan de fratres van den H. Gregorius

30ste Altaar.

     Van St. Michaël, met verpligting van 4 H. Diensten.

31ste Altaar.

     Van den H.H. Antonius en Pontianias, in 1517 door Hendrik Hark gesticht.

32ste Altaar.

     Van het H. Kruis. Deze en de twee laatstgenoemde vikarijen werden door de heeren van den raad vergeven.

33ste Altaar.

     Van St. Petri Stoel, wiens bedienaar door de leden van de broederschap van den H. Petrus werd aangesteld.

34ste Altaar.

     Van St. Agnes, waarvan de familie van Pegge het collatie-regt had.

     In de bediening dezer 34 altaren, welke volgens sommigen nog met een altaar van de HH. Crispyn en Crispiniaan vermeerderd werden, vonden meer dan 30 priesters hun levensonderhoud, wier stichtelijke wandel en gedrag door van Hatten in zijne beschrijving van Zwolle zeer worden geroemd.

     De tweede kerk, kruisvormig gebouwd, is aan de H. Maagd toegewijd. In 1395, nadat de raad met de proostdij van Deventer over de erfpacht van den hof, waarin de kerk zoude gebouwd worden, was overeengekomen, werd van dit aanzienelijk godshuis de eerste

_______________↓_______________


|pag. 246|

steen gelegd. In 1463 werd de kerk tot de tegenwoordige grootte uitgebouwd. Aan de kerk staat een vrij hoogen toren, wiens bouw opklimt tot het jaar 1380, doch in 1470 verhoogd, en van zes klokken voorzien werd, « op den rechten toon, als: Sol, Fa, Mi, de welke swaar wesen sullen als dat Sol 929 pont en dat Fa 1311 pont ende dat Mi 1731 te samen 3971 pont. Sy — namelijk de kerkmeesters — hebben daertoe drie clepels laten maken; de clepel van Sol weget 37 pont, van ’t Fa 47 pont ende van ’t Mi 61 pont. » — Later is er nog eene klok bijgegoten op den toon van Re, wegende 2400 pond, met eenen klepel van 17 pond.
Eene op La van 640, met een klepel van 36 pond, en eindelijk de zesde op Ut, die 3437 pond woog. —
Tot het jaar 1538 was deze toren niet zoo hoog, en met een pannendak gedekt, maar tot sieraad van kerk en stad besloten de kerkmeesters Gerard ter Borgh en Johan van Steenwijk, denzelven te verhoogen. In 1815 sloeg de bliksem in zijne spits, en werd hij een prooi der vlammen; door de zorg van het Stedelijk bestuur werd er evenwel wederom eene kap op geplaatst, waarmede hij thans pronkt onder de beschutting van een bliksemafleider,
     In deze kerk waren vijf vikarijen, en even zoo vele altaren.

1ste Altaar.

     Van de H. Maagd en de H. Maria Magdalena.
De officiant was gehouden er alle woensdagen, vrijdagen en zondagen de H. Offerande der Misse op te dragen.

2de Altaar.

     Van de H. Anna. De bedienaar was verpligt, er alle zon- en vrijdagen eene gelezen, en alle woensdagen eene gezongen Dienst te doen,

3de Altaar.

     Van den H. Antonius, waaraan de verpligting om zon-, maan- en donderdags de H. Misse op te dragen, verbonden was.
_______________↓_______________


|pag. 247|

4de Altaar.

     Van de H. Maagd Maria, ’t welk alle zon- en dingsdagen tot eene gelezen, en alle zaturdagen tot eene gezongen H. Dienst verpligtte.

5de Altaar.

     Van den H. Jacobus, met verpligting van twee H. Diensten des dings- en vrijdags. De bedienaren van deze 5 altaren werden door den raad der stad aangesteld.
     Overigens werd de kerkdienst in de Lieve Vrouwenkerk waargenomen door de kapellanen van St. Michiel, die op alle zon- en feestdagen in deze kerk het woord Gods verkondigden.
     Voorts waren er twee kapellen.
     De eerste was toegewijd aan den H. Laurentius, met drie vikarijen. De eerste ter eere van de H. Maagd Maria en den H. Mathias, was gesticht door Hendrik van der Lip. De twee andere werden door de familie Ittersum vergeven.
     De tweede kapel stond even buiten de stad in de buurtschap Assendorp, en in deze kapel is het eerst, te weten in 1566, de hervormde leer verkondigd, waarop wij nader willen terugkomen.
     Ook bezat Zwolle vele gasthuizen, door de christelijke liefdadigheid gesticht, waaronder twee vooral eene belangrijke plaats bekleeden.
     Het eerste gasthuis, hetwelk in de Diezerstraat staat, en gewoonlijk het Binnen-gasthuis genoemd wordt, was den H. Geest van vertroosting toegewijd. In de kapel van dit gasthuis, waar dagelijks twee H. Diensten gelezen werden, waren drie vikarijen. De 3de was aan de H. Barbara toegewijd.
     Het tweede gasthuis buiten de Kampervoorstad, het Buiten-gasthuis genaamd, was aan het H. Kruis toegeëigend, en in het jaar 1377 tot een Leprozenhuis voor melaatschen of andere besmettelingen gebouwd. Het had eene kapel met eene vikarij, waarvan de bedienaar alle zon- en feestdagen, woens- en vrijdagen de H. Mis opdroeg. Thans is deze kapel afgebroken.
_______________↓_______________


|pag. 248|

Kloosters

     Het eerste mannen-klooster, aan den H. Augustinus toegewijd, is in ’t jaar 1308 door Bernard van Vollenho, deken te Deventer, voor reguliere kanoniken gesticht, en met groote inkomsten voorzien. De stichter begeerde, dat het Bethelem zoude genoemd worden, en onder de bescherming der H. Maagd Maria zoude staan.
     In ’t jaar 1311 is deze stichting door Guido, den XLIIsten bisschop van Utrecht, goedgekeurd en bevestigd.
Dit klooster stond tot in 1430 onder de gehoorzaamheid van het kapittel van Deutekum. Maar toen te dien tijde vele conventen, uitgelokt door de geleerdheid, deugden en roem van het kapittel van Windesheim, zich aan hetzelve onderwierpen, nam de beroemde Johannes de Wael, de toenmalige prior van Bethelem, met toestemming van al de bewoners, de gelegenheid waar, om ook het convent van Bethelem te Zwolle aan het kapittel van Windesheim te onderwerpen. Deze Johannes de Wael was de tiende prior van Bethelem, en bestuurde het convent eene lange reeks van jaren met veel lof. Aanteekeningen vermelden, dat hij was een geleerd en welsprekend man, die ook met roem het concilie van Constanz heeft bijgewoond. De kerk van het convent, bekend onder den naam van Bethelemsche kerk, is in gebruik bij de Hervormden. Alle andere gebouwen zijn afgebroken, behalve de eetzaal der kloosterlingen, welke in latere jaren diende tot vergaderplaats der gilden, en op kermissen tot schouwplaats van rariteiten. Thans is het bestemd tol bewaarplaats van de verzameling van naturaliën, welke door de overijsselsche vereeniging tot ontwikkeling van provinciale welvaart werd bijeengebragt.
Het grootste gedeelte van het afgebroken klooster is in een marktplein herschapen, bekend onder den naam van « nieuwe markt. » Om te koopen of te verkoopen komt hier evenwel niemand, en ’t is er dus zeer stil, behalve in den kermistijd, als wanneer zij hare schade weder schijnt te willen inhalen.
     Het tweede klooster of convent was het arme Fraterhuis, in de Praubstraat gelegen, waarvan ons weinig
_______________↓_______________


|pag. 249|

opgeteekend staat. De eerste bewoners hebben, uitziende naar eene meer eenzame plaats, hetzelve verkocht aan Geraard de Groot, en deze deed het eenigen tijd later weder over aan zijnen leerling Florens Radewijnszoon en Jan van de Grende, die er vervolgens met meer andere fraters gemeenschappelgk leefden. De Utrechtsche bisschop Frederik van Baden, bevestigde in 1513, op verzoek van den bestierder, deze stichting in alle hare regten en privilegiën, en stelde de arme scholieren, die hier in grooten getale gespijsd werden, eenig en alleen onder het bestuur der kloosterlingen van dit convent.
     Het derde mannen-klooster voor de broeders van ’t gemeenschaplijk leven is het rijke Fraterhuis aan den H. Gregorius toegewijd. Op uitnoodiging van Reinier van Drijnen, pastoor van Zwolle, zijn de eerste bewoners zich hier in 1394 in den hof van de kerk komen vestigen. Meinald van Windesheim, een rijk en magtig heer, heeft hun op gezegde plaats naast het oude convent in de Praubstraat een nieuw convent gebouwd.
     Diderik van Herkxen, een zeer deugdzaam man, heeft aan dit Fraterhuis groote bezittingen gemaakt, welke later nog door vele anderen zijn vermeerderd. Naderhand hebben deze fraterheeren eene eigene kapel gebouwd, die in 1498 den 3. Julij door Hendrik Schadehoet, wijbisschop van Munster, is ingewijd. Het was onder de leiding van deze fraterheeren, die zich met het geven van onderwijs onledig hielden, vooral tijdens het rectorschap van den beroemden Joannes Cele, dat de school van Zwolle tot dien hoogen trap van roem steeg, welken zij in de geschiedenis heeft weten te bereiken. De gebouwen dezer conventen, zoowel van het arme als rijke fraterhuis, zijn verdwenen; of althans kan niemand hunne oorspronkelijke bestemming er in herkennen, bijaldien er ook nog al iets van mogt zijn overgebleven.
     Het vierde mannenklooster, in de wandeling ten Brueren genoemd, is door Albanus de Rupe, een man van groote heiligheid, in het jaar 1465 voor Dominicaner-monniken of preekheeren gesticht. Engelbert Wijers heeft in 1620, indien dit klooster ooit aan zijne bestem-

_______________↓_______________


|pag. 250|

ming wierd terug gegeven, met vele inkomsten begiftigd.
De kerk van dit klooster is thans bij de Hervormden in gebruik. In het klooster-zelf zijn soldaten gekazerneerd, voorzeker vreemde gasten in zulk een gesticht.

VROUWEN-CONVENTEN.

     Het eerste convent werd bewoond door maagden, Bagijnen genaamd, die den derden regel van Franciscus volgden, en, ofschoon tot zuiverheid gehouden, evenwel zich door geene belofte van zuiverheid daartoe hadden verbonden. Toen eindelijk in dit convent de deugd van velen door de ondeugd van eenigen bezwalkt werd, heeft de zeer ijverige heer Hendrik Foppens van ter Goude, op aansporing van Geraard de Groot, onder medewerking van den pastoor der stad en met goedkeuring des magistraats, de eerste discipline in dit convent doen herleven. Het convent is in 1369 gesticht, en was gelegen in de Praubslraat.
     Het tweede Convent in de Broerenstraat, aan de H. Cecilia toegewijd, werd bewoond door geestelijke dochters, die geene kloostergeloften aflegden, en welke onder de leiding van de broeders uit het Fraterhuis stonden. Dit convent werd gewoonlijk het kinderhuis genoemd, omdat de burgers hunne dochtertjes bij deze godvruchtige maagden ter school zonden, om in alles, wat haren stand voegde, onderwezen te worden. Het klooster, ’t welk van het jaar 1417 dagteekent, wordt nu voor een groot gedeelte tot een weeshuis der Hervormden gebruikt.
     Het derde klooster, door Gertrudis Kateneters gesticht, werd in 1464 door David van Bourgondiën aan de H. Gertrudis toegewijd, en met zeer vele privilegiën begiftigd. De gebouwen van dat klooster zijn na de reformatie afgebroken. Alleen de kapel is nog aanwezig, welke thans in gebruik is bij de Hervormden als fransche kerk, staande in de Schoutensteeg.
     Het vierde convent werd door Diderik van Herxen buiten de Kamperpoort in de Musschen Hagen gesticht, doch naderhand in de stad overgebragt, ter plaatse, welke genoemd wordt onder de Bogen. Het stond onder

_______________↓_______________


|pag. 251|

de bescherming van de H. Agatha, en droeg in de wandeling den naam van Wijtentuis. Toen de bisschop van Deventer, Aegidius de Monte, in ’t jaar 1571 dit convent bezocht, vond hij er 26 religieuse maagden, die volgens den derden regel van Franciscus leefden.
     Het vijfde was het Boschklooster of Mariebosch, staande buiten de Sassenpoort, en bewoond door reguliere kanonikessen. Deze maagden hebben met goedkeuring van paus Alexander VI., Windesheim in 1499 voor haar hoofd erkend, en zich aan Windesheims kapittel onderworpen. In hetzelfde jaar werd ook besloten, nadat er in 1484 de opsluiting was aangenomen, dat het getal nonnen zich bij 32, en dat der leekezusters bij 20 zoude bepalen, terwijl het klooster zich verbond, dat getal niet te vermeerderen, dan met goedkeuring van den raad van Zwolle en den abt van Windesheim. In het jaar 1524 hebbende Zwollenaren dit convent, teneinde den vijand geene gelegenheid te geven, om zich daarachter onder de muren der stad te nestelen, in brand gestoken, na alvorens de kloosterlingen in de stad te hebben opgenomen. Het klooster, te haren behoeve in de stad gebouwd, ligt aan de groote Aa, en werd, na in latere tijden tot wereldsche inrigtingen gebruikt te zijn, door de ijvervolle zorg van den hoogw. aartspriester H. van Kessel in ’t jaar 1846 tot een gesticht voor de Zusters van Liefdadigheid aangekocht, en sinds 1848 door deze bewoond.
     Het zesde maagdenklooster werd naar de plaats, waar het stond, op de Maet genoemd, staande buiten de Dienepoort. Het was aan de H. Agnes toegewijd, en werd door maagden, die zich door geene geloften, maar door de zucht tot een godvruchtig leven onderling verbonden, bewoond. Het is in het midden der XV. eeuw onder medewerking van den grooten Hendrik van ter Goude opgerigt. David van Bourgondiën heeft deze stichting in 1464 bekrachtigd, en met vele voorregten begiftigd. Het is in 1588 door de beroerten des oorlogs, die toen Nederland teisterden, onder den voet gehaald en vernietigd.
De grond, waarop het gebouw stond, is tendeele uitgegraven tot stadsgracht en deels door tuinen ingenomen.

_______________↓_______________


|pag. 252|

     Op deze hoogte stonden de godsdienstige inrigtingen der stad Zwolle, toen in het begin der tweede helft der XVIde eeuw de protestantsche geloofsbegrippen zich langzamerhand begonnen te verspreiden. In den beginne was het den volgelingen van kettersche begrippen gemakkelijk zich geheim te houden; want hun getal was klein, en nam zich zorgvuldig in acht, om niet als zoodanig bekend te worden. Edoch, het kon niet anders, of er moest, omdat zij somtijds ’s nachts geheime bijeenkomsten hielden, vroeg of laat iets van uitlekken, en den « heeren van raad en gezworen gemeente » ter ooren komen, die, overeenkomstig de heerschende godsdienst en hunne overtuiging van het eenige ware katholieke geloof, zich genoopt vonden, hiernaar verder onderzoek te doen, en zoo bleek het spoedig, dat een zeker Steven Potgieter dergelijke vergaderingen bijgewoond, een predikant uit Embden gehuisvest had, en zijn kind te Embden had laten doopen door een protestantsch leeraar. De raad en gemeente verbanden hem in 1560 voor zijn leven lang uit de stad; hem met zwaarder straffen bedreigende, zoo hij zich ooit mogt verstouten daar terug te keeren.
Eenigen tijd vroeger was reeds zekeren Herman Leeuw, wegens het verspreiden van boeken, waarin valsche leeringen vervat waren, de stad ontzegd.
     In de eerstvolgende jaren nam echter het Protestantismus aanmerkelijk toe, en reeds zag men in 1566, nadat te Antwerpen, in Zeeland en Vlaanderen, Gelderland en Friesland op vele plaatsen de valsche leeringen openlijk werden verkondigd, het geheele land in rep en roer.
     In hetzelfde jaar hoorde men voor het eerst openlijk in de kapel van Assendorp de luthersche leerstellingen prediken. De hertog van Arenberg, stadhouder van Overijssel, niet weinig hierdoor verschrikt, kwam ijlings den 20. Julij 1566 naar Zwolle, en riep de drosten van Salland, Vollenhoven en IJsselmuiden en de gecommiteerden der drie steden Zwolle, Deventer en Kampen schriftelijk ter vergadering op ten huize van den drost van Coeverden, ën vermaande hen wel ernstig, na de rampzalige gevolgen der scheuring in de godsdienst

_______________↓_______________


|pag. 253|

geschilderd te hebben, om alle mogelijke voorzorgsmaatregelen te nemen, teneinde den verderen afval te beletten; hun radende te dien einde ’s konings plakaten, waarbij onder zware straffen alle vagebonden en ledigloopers, waarvan het op het platte land krioelde, gebannen werden, op nieuw in werking te brengen. Maar dit alles had te Zwolle zoo weinig gevolg, dat de aanhangers der nieuwe leer reeds het volgende jaar 1567 met geweld de L.V. kerk in bezit namen, en aldaar openlijk hunne godsdienstoefeningen hielden, zonder nogtans de beelden te schenden of de altaren omver te halen.
     De hertog van Aremberg, hoorende water te Zwolle was voorgevallen, verliet Lingen, waar hij destijds vertoefde, in allerijl, belegde eene vergadering der staten ten huize van den drost van Coeverden, en drong er met klem op aan, dat de prediker, die te Zwolle in de L.V. kerk het woord had gevoerd, als een dief en oproermaker moest gestraft worden, meenende, dat van die pogingen het ergste was te vreezen, indien de aanleggers ongestraft bleven. Ook bedreigde hij de staten andere middelen in ’t werk te zullen stellen, indien zij langer lijdelijk die ongeregeldheden zouden aanzien. Het kostte niet weinig moeite, met de Protestanten tot eene schikking te komen. Eindelijk, na veel vergaderens en beraadslagens kwam de raad en gemeente met de protestantsche burgers tot een vredesverdrag onder de volgende voorwaarden: ten lste zoude de L.V. kerk van nu af gesloten blijven, ook voor de Katholieken; ten 2de zouden met Mei aanstaande de Protestanten godsdienstvrijheid bekomen, en het hun vergund worden twee predikanten, die elders reeds in ’t openbaar gepreekt hadden, te mogen beroepen; ten 3de zou niemand om het voorgevallene worden gestraft. Deze voorwaarden werden Aremberg aangeboden, die, hierover zeer gebelgd, den Zwollenaren vroeg, of ze van meening waren, den koning te willen dwingen; terwijl hij zijne verwondering te kennen gaf, dat zij nu voor weinige Protestanten vreesden, die vroeger wel den Hertog Carel van Gelder het hoofd hadden durven bieden. Hij bedreigde

_______________↓_______________


|pag. 254|

hen, strenge maatregelen te zullen nemen, indien zij de vroegere besluiten ter onderdrukking van het Protestantismus niet ten uitvoer legden. De staten kwamen hierdoor niet wenig in het naauw, doch het mogt eindelijk hunnen gecommiteerden, die zich op nieuw met den kanselier in onderhandeling hadden gesteld, door diens tusschenkomst gelukken, met Aremberg tot het volgende vergelijk te komen: 1°. Zouden de oproermakers ditmaal door de vingers gezien worden. 2°. In de L.V. kerk zou als vroeger de katholieke godsdienst worden uitgeoefend.
3°. Beloofde de hertog pogingen aan te wenden, om voor de Protestanten van Zwolle dezelfde vrijheid te verwerven, welke aan die van Deventer, Utrecht enzv. vergund was. De eerste pogingen, door den raad en de gemeente aangewend, om de Protestanten tot deze voorwaarden over te halen, waren vruchteloos; doch ten laatste slaagde toch de overheid in haar verzoeningsplan, waarna de sleutels der L.V. kerk werden teruggegeven. De landvoogdes van dezen uitslag door Aremberg verwittigd, vaardigde aan de steden van Overijssel nieuwe besluiten uit, waarbij opnieuw alle uitoefening der protestantsche godsdienst werd verboden, welke voor Zwolle voor dit oogenblik geen bezwaar opleverden; maar niet zoo voor Deventer, waar de protestantsche godsdienst reeds openbaar werd uitgeoefend. — Kort hierop, in 1567, legde de hertogin, Margaretha van Parma, hare voogdijschap neder, en de koning van Spanie belastte met dezen post den hertog van Alba, Alvarez van Toledo.
In het volgende jaar 1568 trad de graaf van Aremberg van het tooneel, en vond in een gevecht tegen den graaf Adolf van Nassau, na dapper gestreden te hebben, op het slagveld den dood. Aldus verloor de wereld eenen man van uitstekende verdiensten, en Overrijssel eenen getrouwen vereerder der voorvaderlijke katholieke godsdienst en eenen vader des vaderlands. Hij was een bekwaam krijgsoverste en wijs staatsman, wegens zijnen minzamen omgang en welmeenenden ijver voor elks welzijn algemeen bemind. Geene enkele fout bijna bezoedelde zijnen grooten naam, die door elk met achting genoemd werd. In hartelijke bewoordingen betuig-

_______________↓_______________


|pag. 255|

den ridderschap en steden aan de gravinne weduwe hun rouw over zijn verlies, en deden in de maand Augustus voor den ontslapen stadhouder te Vollenhove eene plegtige uitvaart houden. — De graaf van Megen, stadhouder van Gelderland, werd door den landvoogd tot stadhouder van Vriesland, Overijssel, Groningen en Lingen aangesteld. — Te zelfder tijd werd te Zwolle op bevel des landvoogds Herman Sticker, kapellaan, die beschuldigd was van godslasterlijke prediking, voor den raad der stad gebragt. De kapellaan ontkende zijne schuld, maar men zou zich met deze bloote ontkenning niet tevreden gesteld hebben, ware het hem niet gelukt uit de gevangenis te ontvlugten. Kort daarna nam de landvoogd het besluit, — teneinde de verspreiding van het Protestantismus krachtdadig tegen te gaan, — dat het aan niemand geoorloofd zoude zijn elders te reizen, of ter school te gaan, dan in de landen aan den koning onderhoorig en te Rome; ook zoude niemand voor zijn 20ste jaar handwerken of kunsten in den vreemde gaan beoefenen, waartegen zich de staten herhaaldelijk verzetten, zonder evenwel Alba tot andere gevoelens te brengen. In ’t laatst der maand April werd op ’s konings last, zonder voorkennis van de regering der stad Zwolle, door den kanselier en raden te Vollenhove de Zwollenaar Johannes van Aarssen, predikant der Herdoopers te Zwolle, gedagvaard. De regering verwittigde den kanselieren raden, dat zij den predikant over 14 dagen voor hare vierschaar zoude oproepen, en dat zij hem reeds vroeger vervolgd zoude hebben, indien de paaschvacantie zulks niet hadde belet; tevens beriep zij zich bij den stadhouder op haar regtsgezag, door keizer en koning bezworen. Maar daar de stad te lang had gedraald, hadden kanselier en raden reeds uitdrukkelijk last van den landvoogd ontvangen, om Johannes van Aarssen te vervolgen, hem gevangen te nemen, en zijne goederen verbeurd te verklaren. In strijd met de gegeven bevelen des landvoogds, dat de predikant voor ’s konings raad zoude te regt staan, ging Zwolle tot de vervolging over, en verbande den 8. Junij 1571 genoemden predikant, die ontvlugt was, voor altijd uit de stad, en

_______________↓_______________


|pag. 256|

verklaarde zijne goederen, binnen den regtsban van Zwolle gelegen, ten behoeve der stad verbeurd. De landvoogd scheen in dat vonnis te berusten. In het volgende jaar, 1572, den 7. Januarij, werd de graaf van Megen te Zwolle door eene zware ziekte aangetast, welke reeds in den daaropvolgenden nacht een einde aan zijn leven maakte. Ofschoon Megen’s dood minder betreurd werd, dan die van Aremberg, zoo had de eerstgenoemde toch ook zeer groote verdiensten voor Overijssel, daar hij niet alleen ’s konings belang, maar ook Overijssel’s welzijn getrouwelijk behartigd had. Aegidius, graaf van Barlaymont, volgde Megen in het stadhouderschap op. De landvoogd achtte thans, na den prins van Oranje uit de Nederlanden verdreven te hebben, zijne zaak gewonnen, maar hoe zeer vond hij zich te leur gesteld, toen in hetzelfde jaar bijna geheel Nederland door de zegevierende wapenen des vijands van ’s konings gehoorzaamheid afvielen, terwijl Zwolle, nadat de graaf van den Berg den 9. Aug. 1572 Kampen tot overgave had gedwongen, zich alleen nog wist te redden, door met den graaf een vredesverdrag te sluiten. De graaf van den Berg, die alomme de Katholieken verdrukte, ontzag zich niet te Kampen de kerken te plunderen, en alle priesters en religieusen, behalve de cellebroeders, uit de stad te verbannen. — Toen in November van dat jaar Alba’s zoon, don Frederik, den graaf van den Berg noodzaakte terug te trekken, gelukte het de steden Kampen en Zwolle verschooning bij Frederik af te smeeken, wat voor eenigen lijd de gemoederen weder tot spanning en gisting terugbragt, dat is: dat de burgers, die in hunne verschillende geloofsbegrippen lijnregt tegen elkaêr over stonden, elkander dagelijks te na kwamen. — Omstreeks het midden van 1577 werd Aegidius de Monte, tweede bisschop van Deventer, te Zwolle door eene hevige ziekte overvallen, die hem, op Pinksterdag ’s avonds tusschen 6 en 7 uur, het tijdelijke met het eeuwige deed verwisselen. Hij ligt in de kathedraal te Deventer begraven.

(Wordt vervolgd.)          

_______


IETS OVER DE KATHOLIEKE GODSDIENST
TE ZWOLLE,

VOORAL TIJDENS EN NA DE REFORMATIE.

____

(Vervolg van blz. 256)

     Ingevolge de overeenkomst melde Protestanten, door de staten den 12. Julij 1578 aangegaan, en bekend onder den naam van religionsvrede, hebben die van Zwolle in de maand October van hetzelfde jaar een verzoek bij den magistraat ingediend, om een van de kerken ter uitoefening hunner godsdienst te bekomen.
De magistraat meende na het advies der staten hierover gehoord en de zaak rijpelijk overwogen te hebben, den Protestanten hun verzoek te moeten weigeren, waarna deze met geweld de L.V. kerk in bezit namen. De graaf van Rennenberg, destijds stadhouder van Overijssel, was niet volkomen onschuldig aan dezen overmoed der Protestanten; want hoewel Katholiek, begunstigde hij niet te min de Protestanten op eene in het oog vallende wijze. Hoe ongaarne ook, moest eindelijk de magistraat den 11. Mei 1579 toegeven, zoodat niet alleen de bovengenoemde religionsvrede toegepast zoude worden, maar bovendien de L.V. kerk voorshands den Hervormden zoude blijven ingeruimd, totdat de staten op eene andere wijze daarin voorzien hadden. De afkondiging, waarbij de eerste ka-

_______________↓_______________


|pag. 303|

tholieke kerk te Zwolle den Protestanten werd afgestaan, luidde:
     « Boergemeisteren Schepen en Raedt sampt die Gedeputierden van den geswoeren gemeente, laten weten, dat der Eerb. inruimen en consentieren van den gereformierden tot vrye exercitie van oere Religie, die Vrouwen kerke by provisie, en ter tyd toe, by den generalen staten anders doer inne geordeniert sa worden.
Ende dat sych een yder sal regleren nae den Religions Vrede, die men sal doen lesen. »
     De zoogenaamde religionsvrede, waarbij den Protestanten vrije uitoefening hunner godsdienst werd toegestaan, voldeed geenszins aan het doel; want in plaats van een vreedzaam gebruik te maken van de hun toegestane vrijheid, ontzagen zij zich niet de Katholieken te beschimpen en hunne geestelijkheid smadelijk te bejegenen. Zoo hadden eenige doldriftige Kamper Protestanten de minderbroeders bij den kop gevat, en onder hoon en smaad de stad uitgejaagd. Ook te Zwolle was de raad en gemeente reeds in ’t begin van 1580 genoodzaakt, den predikanten een inkomen te bezorgen. Te dien einde trok men wederregtelijk de goederen van het predikheerenklooster en van drie vikarijen aan zich, nadat men den 13. Mei de religieusen gelast had met achterlating van have en goed de stad te ruimen.
Windesheim’s kloosterlingen had men reeds vroeger verboden in de stad te overnachten. — Deze dagelijks toenemende tweespált in de godsdienst, en ook de zware lasten, waaronder zij door inkwartiering en opbrengsten gebukt gingen, hadden de boeren van Salland en Twente dermate verbitterd, dat zij met oogluiking der staten de wapenen opvatten, weshalve ook de Mastenbroekers, gedrukt door dezelfde lasten, het harnas aantrokken; aan hunne bende gaven zij den naam van de « desparate » of vertwijfelde. En in der daad, zij hadden in hunne vaandels het teeken van een zwaard meteen halve eijerschaal, waar naast de dojer lag, ten zinnebeeld, dal zij, die vroeger om geen geheel ei hadden willen vechten, nu wel om een ledigen dop moesten strijden. Ofschoon het den staatsgezinden gelukte, eindelijk de sallandsche en

_______________↓_______________


|pag. 304|

twentsche boeren te beteugelen, konden zij de vertwijfelde Mastenbroekers, die aan ’t Zwarte Water hadden post gevat, maar niet zoo spoedig ten onder brengen.
     Maar toen in Junij 1580 Marten Schenk, veldoverste van den landvoogd Alexander van Parma, in Overijssel viel, en men vreesde, dat deze met de malcontente boeren, gelijk zij genoemd werden, in verstandhouding stond, bragt dit eene groote verwarring in het leger der staten onder den graaf van Hobenlo te weeg, en de protestantsche gemoederen dermate aan het gisten, dat men elk oogenblik het ergste had te duchten. Daarbij kwam nog, dat de stand van zaken ook de Katholieken van Zwolle zeer had verbitterd; want de maatregelen, die de regering der stad had genomen, gaven den Katholleken veel aanstoot; trouwens, de regering had het vredesverdrag niet gehouden, maar, geheel daarmede in strijd, de predikheeren uit de stad gebannen, en hunne goederen als ook die van drie vikarijen ten behoeve der predikanten geconfiskeerd. Eindelijk maakte de hatelijke bejegening, die de burgers wegens hun verschil van godsdienst elkander deden ondervinden, de maat der ontevredenheid vol. De Katholieken, wier moed bij de komst van Schenk herleefde, zoowel als de Protestanten te Zwolle, grepen den 15. Junij 1580 naarde wapenen.
De staatsgezinden, dat is: de Protestanten, maakten zich meester van ’t geschut van de groote markt, St. Michiel, Kamperpoort en Roodentoren, en wierpen voor de Dieserstraat op den hoek der Roggenstraat eene schans of barricade op. De Katholieken hadden de Dieserstraat, Smeden- en Sassenpoort bezet. Terwijl men van beide zijde handgemeen was geworden, en met grof geschut op elkander losbrandde, sprong de burgemeester Derk Bastert op een stads paard tusschen de vechtenden, en beproefde eene verzoening te bewerken. Doch een der burgers verijdelde dit loffelijke oogmerk, door den burgemeester van het paard te werpen, waarna hij-zelf, op diens ros gezeten, de Sassenpoort uitreed, om de desparate Mastenbroekers in de stad te halen, hun verzekerende, dat de Katholieken de overwinning behaald hadden, en hem, om hen daarvan te

_______________↓_______________


|pag. 305|

overtuigen, met een stadspaard hadden uitgezonden.
Maar de boeren, reeds aan de wapenen gewoon, terden er niet eens naar, zelfs, toen de Katholieken zich van de Dieserpoort hadden meester gemaakt. De staatsgezinden zonden in allerijl berigt naar Kampen, om de daar in garnizoen liggende troepen te hulp te roepen, die de kans, welke vóór hunne aankomst twijfelachtig geweest was, geheel ten voordeele der Protestanten deed overslaan. De Katholieken, die nu onder de overmagt der Pro* testanten niet langer konden wederstaan, zochten zich door de Sassenpoort met de vlugt te redden, terwijl de Protestanten, zoodra zij zich meester van de stad zagen, zich aan verregaande ongeregeldheden overgaven. Hun eerste werk was de huizen der voornaamste ontvlugte Katholieken te plunderen, zoo als die van Hertgersen, Thomas Knoppert, Bitter van der Marsch, Gerrit Oostendorp, Hendrik ten Holte en meer anderen, waaruit zij alle voorhanden zijnde schatten en goederen hebben geroofd.
Velen hunner, zegt Fresinga in zijne geschiedenis, zijn er rijk door geworden, en dit laat zich des te gemakkelijker begrijpen, wanneer men in aanmerking neemt, dat vele rijke ingezetenen te Kampen, die daar voor iets dergelijks bevreesd waren, in stilte hunneschatten aan voornoemde heeren hadden in bewaring gegeven.
In de St. Michiels-kerk ging men niet minder dolzinnig te werk. Alle beelden en altaren werden omvergehaald, en alle kostbaarheden geroofd. Ook het prachtvolle tabernakel van het hoogaltaar onderging hetzelfde lot; het werd in stukken geslagen en verbrijzeld, waarna ieder, zooveel hij kon magtig worden, van dat kostbaar kerksieraad, ’t welk ettelijke duizend kroonen waarde had, wegroofde. Thans was de katholieke godsdienst voor goed uit Zwolle verbannen, en ofschoon men niet vermeld vindt, dat de stadsregenten de katholieke burgers om hunne godsdienst-alleen vervolgden, zoo was van dit tijdstip af alle openbare uitoefening derzelve verboden.
De eerste zorg van het stedelijk bestuur na deze overwinning was, in het onderhoud der predikanten te voorzien. Te dien einde besloot men, dat volgens de vroeger gemaakte beschikking de goederen van het pre-

_______________↓_______________


|pag. 306|

dikheerenkloöster en die der drie vikarijen, te weten: die van Wilbert van Twenhuisen, Jacob Lambert en Michaël Hertgens, daartoe t’ eeuwigen dage zouden worden besteed. De andere kloosterlingen werden op verre na niet zoo hard behandeld, als de Dominikanen, want ofschoon b.v. de goederen van het klooster van Bethelem door de stad werden ingetrokken, legde men evenwel den religieusen eene zekere somme gelds voor hun onderhoud toe. De huizen der vikarijen, waarvan het collatieregt bij den raad berustte, werden publiek verkocht. Het Bergklooster, toegewijd aan de H. Agnes, een half uur buiten de stad, werd reeds den 15. Mei 1581 afgebroken ingevolge besluit van raad en gemeente « ter oorsaake – dat zoo leest men in de resolutie – die viant genante Cloister innemen wilde, ende die soldaten hier binnen liggende, gemeent ’t selvige te verbernen; als sie sich tegens etlicke Raets personen vernemen hadden laten. » Gaarne zouden stads regenten zich de goederen van Windesheim en andere kloosters, in Zwollekerspel gelegen, hebben toegeëigend; want reeds vroeger hadden zij daartoe pogingen bij den aartshertog Mathias aangewend, maar vruchteloos; en thans hield hen nog de vrees voor tegenstand bij de staten terug, om daaraan hunne hand te slaan.
     Eene andere zorg hield echter de regenten der stad vooreerst nog bezig, te weten; het straffen der gevangen genomen en der ontvlugte burgers. Van de eerstgennoemden werden er eenigen tot geldboeten verwezen; anderen voor één jaar, en velen levenslang uit de stad verbannen; de zoodanigen echter, die aan den oploop werkelijk hadden deelgenomen, werden onbevoegd verklaard, om in raad of gemeente zitting te nemen, zoolang de blijvende oorlogen niet voor goed gedempt waren. Dezulken, die zich op dat oogenblik bij den vijand bevonden, werden ten strengste vervolgd, hunne goederen verbeurd verklaard, en hunne vrouwen den 26. Decemb. 1581 gelast, om binnen den tijd van 8 dagen de stad met achterlating harer goederen te verlaten. Den edellieden, die verdacht waren van den vijand begunstigd te hebben, verbood een besluit der staten voortaan

_______________↓_______________


|pag. 307|

op de landdagen te verschijnen. Zooveel nogtans wist de ridderschap te verhinderen, dat dit verbod niet op de kinderen dier edelen wierd toegepast. — Den 14. December 1582, moesten alle inwoners van Zwolle bij eede belooven den stads regenten te zullen gehoorzamen, geene geheime bijeenkomsten te houden, met den vijand in geene verstandhouding te zulten staan, te allen tijde bereid te zijn, om voor de verdediging der stad de wapenen op te nemen, en eindelijk niets tegen de gereformeerde godsdienst te ondernemen, op straffe aan lijf en goederen. Teneinde van deze beloften des te zekerder te zijn, werden de kinderen, wier ouders bij den vijand waren, alsook de nog aanwezige priesters en religieusen genoodzaakt, deze hunne beloften met hunne handteekening te bekrachtigen. In het volgende jaar, den
15. Mei, stelde men vast, dat de hervormde godsdienst de heerschende zoude zijn, evenwel werd het niet verboden, voor zich-zelven andere geloofsbegrippen te volgen, vermits ze maar niet openlijk beoefend werden, zij het dan ook, dat men zulks in een of ander klooster oogluikend gedoogde. In deze gematigde gevoelens bleven de stads regenten nog eenige jaren volharden.
Langzamerhand werd echter deze weg verlaten. Het eerste, wat hierop inbreuk maakte, was een besluit van raad en gemeente, waarbij aan die kloosterlingen, welke tot nog het vrije beheer over hunne goederen gehad hadden, werd geboden, niets meer in dat opzigt te ondernemen, zonder voorkennis der regering. Eenigen tijd daarna ging men zoover, dat alle verkoopingen en verpandingen van goederen en inkomsten, door de religieusen sedert het jaar 1581 gedaan, ongeldig werden verklaard, en om bedrog voor te komen, werd aan dezelfde ongeldigheid onderworpen alles, wat voortaan nog in dezen zoude gedaan worden, en niet op stads secretarie geboekt werd. Nogmaals vaardigde men, den 28. December 1590, een besluit uit, verbiedende, om alsnog religieusen aan te nemen « alles by die pene van nulliteit unde wederom gerejectiert unde daer uth geworpen toe worden » zoo als in het besluit te lezen staat. Een jaar later, den 13. December 1591, besloot de raad en gemeente de

_______________↓_______________


|pag. 308|

broeders uit het Fraterhuis van elkander te scheiden, aan wie een matig onderhoud werd toegelegd; even zoo handelde de regering met de twee religieusen uit het Busch-klooster. De religieusen van het Maat-klooster en Wijtenhuis mogten blijven samen wonen; zelfs vergunde de regering, dat twee priesters uit het opgeheven Fraterhuis haar bedienden, welke met andere door de regering daartoe benoemde personen het bestuur dier kloostergoederen waarnamen. Ook het klooster van St. Gertrudis in de Schoutensteeg was toen ter tijd nog in wezen, waar de nonnen eenen priester uit een der kloosters ter harer bediening mogten kiezen. Over het klooster van Bethelem was een procurator aangesteld, die eenigen tijd daarna gelast werd zijn bestuur aan de aangestelde provisoren over te geven, terwijl men dezen laatsten religieusen van Bethelem een jaarlijks inkomen toestond, hetwelk den 12. Maart 1595 door stads regenten op 200 goudguldens werd gebragt. Niettegenstaande deze in vele opzigten loflijke gematigdheid van het stedelijk bestuur, zoo was toch voor het uiterlijke de katholieke godsdienst vernietigd, aangezien alle openbare uitoefening er van verboden was. De toenmalige pastoor der Michiels-kerk, Hendrik Focking, een Zwollenaar van geboorte, die hier van 1570 pastoor was geweest, moest in 1580 den 15. Junij de stad als balling verlaten. Hij hield nog eene afscheidsrede tot zijne gemeente in de St. Michiel, naar aanleiding van Luc. XXI v. 9. Cum audieritis praelia et seditiones, nolite perturbari: oportet primum haec fieri, sed nondum statim finis.
Wanneer gij dan hooren zult van oorlogen en beroerten, wordt niet verschrikt; want dit moet eerst gebeuren, maar het einde is nog, zoo spoedig niet daar. — Nadruklijk vermaande hij de geloovigen, om met geduld en vertrouwen op God de verdrukking te verduren, en spoorde hen aan, dat zij toch om niets ter wereld ontrouw zouden worden aan het katholiek geloof. — Toen hij vervolgens de stad verliet, volgde hem al weenende eene groote menigte van geloovigen, om hem uitgeleide te doen. Aan de kapel van het heilig kruis, plaatste hij zich op haren drempel, en sprak, diep aangedaan, nog

_______________↓_______________


|pag. 309|

vele vertroostende woorden tot de geloovigen, waarna hij hun zijn laatste afscheid, ’t welk zelfs den hardvochtigsten zoude verteederd hebben, snikkend toeriep. Hij is tot het jaar 1591 te Deventer pastoor geweest, toen ook deze stad aan prins Maurits overging, en Focking op nieuw verbannen, de wijk naar Groningen nam, waar hij nog eenigejaren de Katholieken heeft bijgestaan tot aan zijn overlijden. Niet lang nadat de pastoor van de Michiel was verbannen, en met hem vele andere priesters en vikarissen, zien wij in Zwolle den jesuit Henricus Samerius werkzaam, die, zoo als er staat aangeteekend, in het geheim de geloovigen bediende; houdende in deze en gene huizen van particulieren in stilte godsdienstoefeningen, waarop, zoo het schijnt, door de regering met opzet geen acht werd geslagen, Henricus Samerius vertrok in 1592 naar Steenwijk, te Zwolle achterlatende de paters jesuiten Guilielmns de Leeuw en Joannes de Bargg, die beurtelings in de stad en op het land de geloovigen bedienden. In 1594 is Guilielmus de Leeuw reeds naar elders vertrokken, weshalve zich omstreeks dezen tijd de priesters Lambert Aveskamp en Johannes de Roode, beide seculiere geestelijken, naar Zwolle begaven, teneinde er de geloovigen in hunne geestlijke behoeften te voorzien; want er waren nog altijd 1100 Katholieken, wier bediening te moeijelijker was voor weinig priesters, aangezien alles in stilte moest geschieden, en bovendien het land aan hunne zorg geheel was toevertrouwd. Zoo bleven voortaan altijd hier meerdere priestersde geloovigen verzorgen, met uitzondering misschien van een paar jaren in het begin der XVIIde eeuw, in welken tijd slechts van een priester gewaagd wordt, die er vast verblijf hield.
     De stad Zwolle werd destijds, te weten in 1591, met Deventer in een geschil gewikkeld aangaande de goederen van Bergklooster. Deventer, namelijk, wilde deze goederen aan zich trekken, om daaruit een collegie te stichten, waarop die stad des te meer aanspraak meende te hebben, omdat voornoemde goederen vroeger door voorspraak van den stadhouder den proost van Deventer voor zijn leven waren toegelegd.

_______________↓_______________


|pag. 310|

De stalen gelastten den Deventerschen dienaangaande hunne aanspraak te schorsen tot aan den dood van den proost; maar Zwolle verklaarde uitdrukkelijker dan ooit, niet te zullen gedogen, dat, in welk geval ook, die goederen aan zijn bezit werden onttrokken. In 1596 was deze twist, hetzij bij overlijden van den proost, hetzij om andere reden, op nieuw herrezen; zoo veel althans gaat vast, dat de afgezanten van Zwolle in de statenvergadering verklaarden « dat oeré principalen van Zwolle die Berchcloister guederen, als in oer Carspel gelegen, sich gedencken an te matigen, und daer umme gien ordonantie doer up willen hebben gepassiert. » In ’t jaar 1600 was hier de pater jesuit Arnoldus Catz aan Joannes Bargg in de geestelijke bediening opgevolgd.
Spoedig daarna, in 1602, kwam ook Johannes Waeijer, uit eene aanzienelijke familie der stad geboren, als seculier geestelijke het herdersambt onder de geloovigen uitoefenen. Hij had zijn verblijf genomen in de Walstraat nabij het St. Gertrudis-klooster, waar hij in 1607 bespied en gevangen genomen werd. Ook vond men te zijnen huize een koffer met kerkelijke ornamenten, welk koffer verbeurd verklaard, en jaren lang op het stads huis in de zoogenaamde geestelijke kamer bewaard werd. Johannes Waeijer bleef hier, niettegenstaande de voorspraak van twee aanzienlijke Katholieken, Ten Holte en Thomas Knoppert, en de bemoeijingen van den keurvorst van Keulen om hem in vrijheid te doen stellen, geruimen tijd gevangen, want de stads regenten waren reeds zoo ver in de verdrukking der Katholieken gevorderd, dat zij voor zulke verzoeken geene ooren meer hadden. Eindelijk werd Waeijer op vrije voeten gesteld, doch tevens levenslang uit de stad verbannen. Hij begaf zich naar Keulen, en is door den aartsbisschop keurvorst van Keulen, na religieus van de orde van St. Birgitta geworden te zijn, tot commissaris dier orde voor geheel Duitschland benoemd.
Den 12. October 1624 ontsliep hij in het klooster te Mariënvorst, waar zijne assche rust. Toen Johannes Waeijer uit Zwolle verbannen werd, volgde hem in de statie der seculiere geestelijkheid (terwijl Arnoldus Catz de jesuitenstatie bediende, zoo men al in dezen tijd reeds

_______________↓_______________


|pag. 311|

van afgescheidene statiën spreken mag) als pastoor te Zwolle op Wilhelmus Weijer, een Zwollenaar van geboorte, die reeds in 1606 herwaarts gekomen was. Van zijne bediening wordt met lof gesproken, maar eene uitteerende ziekte maakte in den jeugdigen ouderdom van 35 jaren, den 10. October 1611, een einde aan zijn leren. Hij ligt in de Michiel begraven.
     In ’t jaar 1610 werd den 11. Sept. op eenen landdag te Kampen bij een plakaat verboden, voortaan nog kinderen bij jesuiten ter school te zenden; zij, die er mogten zijn, moesten onverwijld terug keeren; ook zoude het aan geenen jesuit, onder welke voor waarden, geoorloofd wezen, zich hier te lande op te houden, alles vastgesteld onder zware boeten en wilkeurige straffen. — En in 1614, den 30. Maart, besloot de regering van Zwolle: « dat van nu voortaan niemand in Raad nog in Meente gecoren ofte gesteld sal werden, die vyand van de gereformeerde Religie is. »
     In 1612 kwam inmiddels Nicolaas van Loon als pastoor in de plaats van Wilhelmus Weijer. Hij was een ijverig zielzorger en een zeer begaafd prediker. Kampen schijnt omstreeks dien tijd geheel van priesters beroofd te zijn geweest, weshalve N. van Loon zich dikwijls derwaarts begaf, om de geloovigen daar te bedienen, bij welke gelegenheid hij te Kampen in 1613 gevangen genomen werd, en daar geruimen tijd in den kerker bleef. Eindelijk herkreeg hij zijne vrijheid, en keerde naar Zwolle terug, waar hij tot 1617 zijne gemeente bleef bedienen.
In dit jaar evenwel werd hij onder de H. Offerande der Mis in de Dieserstiaat ten huize van Jan Brouwer, een apotheker, gevangen genomen. Stads geregtsdienaren geboden hem het misgewaad af te leggen, ’t welk zij vervolgens met kelk en alles, wat er voorhanden was, naar het stadshuis medenamen. Hij bleef vier dagen op den raadtoren gevangen, waarna hij ƒ 700 boete betalen moest, en voor zijn leven uit de stad verbannen werd.
Vijf jaren had hij te Zwolle als pastoor gearbeid, en ging van daar naar Hoorn over, waar hij insgelijks nog vele jaren de herderlijke bediening tot aan zijn dood uitoefende. De apostolische vicarius Rovenius zond thans

_______________↓_______________


|pag. 312|

den toenmaligen pastoor van Lingen ter opvolging van van Loon naar Zwolle, met name Volkerus van Herkinga, licenciaat in de godgeleerdheid, een man van beproefde deugd en uitstekende bekwaamheid, die hier een lange reeks van jaren, en wel van 1618 tot 1662, pastoor is geweest.— In hetzelfde jaar, dat van Herkinga hier de pastorij aanvaardde, werd in de jesuitenstatie Arnoldus Gatz door Adrianus van Courten opgevolgd, die te Kampen, waar hij zijne priesterlijke bediening insgelijks uitoefende, werd aangehouden. Bij deze gelegenheid ontnam men hem het ziekenbusje met de H. Zaken, hetwelk zeer lang te Kampen bewaard, later evenwel wederom teregt gekomen is. Niet minder dan 17 weken moest hij in den kerker zuchten, en ontkwam toen nog slechts voor eene boete van ƒ 1300. In 1662 keerde hij uit de gevangenis naar Zwolle terug. Het volgende jaar deed de stads regering eene poging, om V. van Herkinga gevangen te nemen onder de godsdienstoefening. Te dien einde bezette men op zekeren tijd het huis van den heer van Vueren in de Kamperstraat. Van Herkinga ontkwam evenwel aan de handen zijner vervolgers, door zich in eene kleêrkast te verbergen.
     Tot dusver hadden de seculiere geestelijken van Zwolle, alsook de paters jesuiten geen vast verblijf, terwijl zij nu bij dezen, dan bij genen inwoner hun intrek namen. Doch omstreeks dezen tijd, of iets later, heeft Volkerus van Herkinga vast verblijf gekozen ten huize eener adelijke dame, met name V. Velsteren; en Adrianus van Courten ten huize eener geestelijke dochter, uit de adelijke familie van Deutecum. In 1627 kwam hier ter stede een tweede pater jesuit met name Barbugt, die zich herwaarts begaf, om zijne verzwakte gezondheid te herstellen, maar ondertusschen in twee jaren tijds den weg had weten te banen voor eene tweede jesuitenstatie, welke dan ook in 1629 door zijnen opvolger Reijnerus Houtman als zoodanig werd opgerigt, zoodat er destijds te Zwolle drie statiën waren, twee der jesuiten en één der seculiere geestelijkheid. Toen nu in 1631 Arnoldus Waeijer, uit eene aanzienlijke familie te Zwolle geboren, te Keulen was

_______________↓_______________


|pag. 313|

priester gewijd, beriep V. van Herkinga, als vicaris van Overijssel, dezen naar zijne geboortestad, om er met hem als tweede seculiere geestelijke werkzaam te zijn en er eene vierde statie bij op te rigten, waarna men zich tevens met de bediening van het kerspel zoude belasten. Sedert 14 jaren was van Herkinga woonachtig geweest ten huize der freule van Velsteren in de Koestraat; maar toen in 1636 genoemde dame stierf, moest hij, niettegenstaande deze dame haar huis voor de seculiere statie had vermaakt, hetzelve ontruimen, want men heeft aan dit testament geen gevolg kunnen geven.
Doch dit verlies was voor van Herkinga niet zeer groot, daar de weduwe van jonker de Swiersen hem haar huis onder de Bogen in het midden der stad opende, waar van Herkinga vervolgens zijne statie heeft gevestigd, die nog daar bestaat, en bekend is onder den naam van « Onder de Bogen »; want na den dood der weduwe de Swiersen, heeft Herkinga huis en erf van hare drie kinderen gekocht. In 1638 kocht Arn. Waeijer eenige huizen in de Spiegelsteeg, om er zijne statie te vestigen.
Alzoo waren er te Zwolle thans vier statiën; twee jesuiten-statiën en twee der seculiere geestelijkheid. Duidelijkheidshalve herhalen wij hier nog eens, waar de bedienaren dezer statiën woonden, en gemeenlijk de godsdienstoefeningen, hoezeer ook in ’t geheim, hielden, schoon zij somwijlen ook buiten den zetel hunner statiën in andere huizen de H. Geheimen vierden, zoo als wij dikwijls gelegenheid zullen hebben op te merken.
De door Herkinga bediende statie der seculiere geestelijkheid bevond zich ter plaatse, welke « onder de Bogen » genoemd wordt, alwaar het St. Agatha’s-huis of Wijtenhuis gestaan had. De tweede statie der seculiere geestelijkheid was gevestigd in de Spiegelsteeg, en werd bediend door Arn. Waeijer. De derde was een jesuiten-statie, bediend door Franciscus Beaumer, die daar in 1632 Adrianus Courten opvolgde; zij bevond zich in de Dieserstraat ten huize van de geestelijke dochter van Deutecum. Eindelijk de vierde, insgelijks eene jesuiten-statie, bediend door Reijnerus Houtman, was opgerigt in de Koestraat ten huize van freule van Haer-

_______________↓_______________


|pag. 314|

solte. In 1634 werd van Herkinga door stads dienders in het huis van Jacob van Eek aan de Aa achtervolgd.
Hij-zelf ontkwam, maar velen der aanwezige geloovigen werden met 25 gulden beboet. Kort daarna op nieuw ten huize der baronesse van Ittersum verontrust, moest Herkinga over de daken vlugten, en had het geluk van andermaal te ontkomen. In hetzelfde jaar werd hij vervolgd in het huis van den heer van Sonsbeek, aan de markt, waar hij zich achter een schoorsteen boven op het dak verborg. De dienders der stad kwamen door de goot voorbij hem heen, maar vonden hem niet. In 1637 kwam men hem in zijn eigen huis onder de Bogen opzoeken. Hij was bezig met biechthooren, en eer men het bemerkte, stonden de dienders bij hem, om hem gevangen te nemen. Eene vrouw hen ziende, riep « verraad, het licht uit »! aan welke waarschuwing oogenbliklijk werd voldaan, hetgeen eenige ontsteltenis bij de dienders te weeg bragt. Herkinga maakte daarvan gebruik, om zich langs een touw naarbeneden te laten glijden en ontkwam. — In 1638 waren op Heilige Drievuldigheidsdag bijna de beide paters jesuiten, Franciscus Beaumer in de Dieserstraat en Reijnerus Houtman in de Koestraat, onder de godsdienstoefening gevangen genomen, maar door eene overhaaste vlugt gelukte het hun aan de dienders te ontsnappen. — Ondertusschen was er eene groote verdeeldheid onder de Protestanten-zelven ontstaan, doordien eenigen de zijde van Gomarus, en anderen die van Arminius, twistende over de leer der praedestinatie, gekozen hadden. Na vele vruchtelooze pogingen, om de volgelingen dier verschillende gevoelens te vereenigen, liep het geschil in 1615 te Kampen zoo hoog, dat men den 15. Junij tot dadelijkheden overging. Ook te Zwolle ging het niet veel beter; want dagelijks hoorde men niet alleen van de protestantsche burgers, maar ook van hunne predikanten nieuwe verergernissen, dewijl zij elkander in ’t openbaar beleedigden. Wij halen dit enkel aan, — ofschoon het overigens geheel buiten ons bestek ligt, — wijl wij meenen, dat deze twist veel bijdroeg om minder streng de katholieke priesters te vervolgen, aangezien de Pro-

_______________↓_______________


|pag. 315|

testanten toen ter tijd genoeg met zich – zelven te doen hadden; althans vinden wij in de eerstvolgende jaren geen melding gemaakt van gevangen nemen of verbannen van priesters. Dat echter de verdrukkingsgeest tegen de Katholieken steeds werkzaam bleef, moge onder anderen blijken uit de besluiten in 1621 door de staten genomen, krachtens welke geen papisten, zoo als zij zich uitdrukten, meer aan ’s lands regering mogten deel nemen, terwijl de zoodanigen, die er zich nog in bevonden, daaruit ontslagen moesten worden. Toen dit besluit in de vergadering der ridderschap werd voorgelezen, stonden de edellieden Johan Rengers tot den Arendshof, Gerrit van Laer, Willem van Deutecum, Johan van Middachten, Johan van Oldeneel, Hendrik Haegen, Seino Haegen, Pelchrum Haegen en Johan Haegen van hunne plaatsen op, verzoekende, om van hun eed ontslagen te worden, hetgeen hun, onder voorwaarde van nimmer dan onder de goedkeuring der staten weder zitting te zullen nemen, werd toegestaan.
Te Zwolle was men evenwel tot die regtstreeksche uitsluiting der Katholieken nog niet in allen deele overgegaan. In 1646, den 14. December, nam de regering der stad het besluit « dat voertaan niemant in Raed of Meente gekoren sal worden, ten sy, dat hy professie doe van de gereformeerde Religie: mits dat deze resolutie niet sal strekken ten nadeel van alle sulke personen als jegenswoordig in de Magistraat, of gezworene gemeente bevonden worden, die geen professie van de gereformeerde gemeente en doen. » Ook de zich te Zwolle in stilte ophoudende priesters werden destijds strenger vervolgd. V. van Herkinga, wiens bijna 30jarig verblijf aan iedereen bekend was, werd in 1646 gevangen genomen, omdat hij hier tegen het verbod der staten vertoefde, ten gevolge waarvan hij in eene geldboete van ƒ 600 werd verwezen. In 1752 werd hij nogmaals overvallen in het huis van Gerrit Goris Pathoeken, doch wist te ontsnappen; velen der aanwezigen werden met ƒ 25, en de eigenaar van het huis met ƒ 200 beboet. Menigmaal stelde men in deze en volgende jaren een scherp onderzoek in, maar gewoonlijk zonder

_______________↓_______________


|pag. 316|

gevolg, vermits de huizen, waarin de godsdienstoefeningen gehouden werden, zoo lang gesloten bleven, totdat de priester zich had verborgen. Nogtans werden alsdan niet zelden de eigenaren der huizen beboet, omdat zij bij het eerste aankloppen niet terstond hadden opengedaan. Zoo werd in 1651 de geestelijke dochter van Deutecum, wijl zij tegen het plakaat van 1640 de raad eenigen tijd voor de deur had laten wachten, tot eene boete van 25 goudguldens veroordeeld. Desgelijks sloeg men W. van Twenhuizen en Sybilla van Bolten in eene boete van 25 goudguldens, omdat men te hunnen huize « secrete toegangen » had gevonden, zijnde zekere geheime deurtjes boven op de zolders, die het eene huis met het andere in verbinding bragten, en waardoor men ten tijde van gevaar trachtte te ontkomen. — Den 22. November overleed Volkerus van Herkinga, vicaris van Overijssel, Groningen en Lingen en pastoor te Zwolle. Zijn ligchaam werd plegtig, ondereen grooten toeloop, zoowel van Protestanten als Katholieken, in de St. Michiels-kerk begraven. Hij was een uitstekende geleerde en een getrouw herder, zijn naam was roemvol bekend niet alleen in de Nederlanden, maar zelfs aan het hof van Rome. — Ofschoon menigmaal vervolgd, was hij slechts eenmaal gevangen genomen, terwijl hij in zijn eigen huis aan tafel zat, zoo als wij boven reeds hebben verhaald; en een andermaal in zijne geboorteplaats Groningen, waar hij op straat werd aangehouden, en met ƒ 600 caroliguldens beboet. Merkwaardig is nog te vermelden, wat Herkinga te Hasselt is overkomen.
Terwijl hij zich derwaarts begaf, om de drostinne van IJsselmuiden de H. Sacramenten der stervenden toe te dienen, werd hij verraden. Hij haastte zich, na de drostinne bediend te hebben, Hasselt te verlaten, maar op eenigen afstand der poort bemerkte hij, dat de wacht zich gereedmaakte, om hem te arresteren; ijlings sloeg hij een anderen weg in, en zag zich voor een oogenblik gered. Onmiddelijk werd er toen bij trommelslag bekend gemaakt, dat hij, die zich zoude verstouten eenen priester onder dak te nemen, beboet zoude worden met verbeurdverklaring van huis en erf. Drie dagen

_______________↓_______________


|pag. 317|

en drie nachten bleven de poorten gesloten en werden alle wagens ijverig doorzocht. Een katholiek inwoner van Hasselt hield inmiddels Herkinga in zijne hooischuur verborgen. Jonker Herman van Uiterwijck, die op zijn adelijk Buiten aan de Vecht woonde, vernam zulks, en bedacht eene list. Hij zond eene schuit met koren naar Hasselt, en een schipperspak tegelijk voor Herkinga, die daarin vermomd voor een schipper doorging, en ondanks zijne onhandigheid in het schippersvak, niet herkend werd, maar op vrije voeten uit Hasselt terugkeerde tot groote vreugde van Uiterwijck, aan wien hij zijne bevrijding te danken had.
     In 1663 hadden de menoniten, die weigerden zich volgens protestansch gebruik in het huwelijk te laten verbinden, den raad, die vreesde voor de moeijelijkheid, welke er ten aanzien van de wettigheid der kinderen uit zoude ontstaan, bewogen, hun te vergunnen het huwelijk op het raadhuis te voltrekken. Naar aanleiding dezer toegeeflijkheid van den raad, dienden de Katholieken op hunne beurt ook een dergelijk verzoek in, met dat gevolg, dat hun huwelijk wettig zoude worden beschouwd, indien zij hetzelve voor den raad aangingen, onder het volgend formulier;
     « Wy N. N. als Bruidegom ter eenre en N. N. als Bruid ter andere syde verklaren vrymoedich, ende onbedwongen van iemant malkanderen met hand en mond troubeloften gedaan te hebben, doende sulks in praesentie van jegenswoordige Heren Schepenen: aannemende ik N. N. voor myne wettige huisvrouw N. N. hier present; ende wederom ik N. N. voor myn wettige Eheman N. N. van belofte van d’een den anderen, om liefleed of generhande saken af te gaan, nog te verlaten, ende sich in goeder eendracht, minne en liefde onder den band des Houlix, als wettige man ende wyf eerlyk en godsaliglyk na d’instellinge Gods te leven, alles ter tyd en wylen toe, ende soo lange tot dat dood onse jegenswoordige Houlix sal hebben gescheiden, tot hetwelke wy God de Heere Almagtig tot een getuige (opdat hy ons Houlix met zynen H. Geest wil segenen ende genadigen) aanroepen en bidden. »

_______________↓_______________


|pag. 318|

     Ondertusschen was de twist over de kloostergoederen weêr hevig uitgebarsten, en men gevoelde van alle zijden de noodzakelijkheid, om aan deze zaak haar beslag te geven, weshalve de ridderschap en steden den 19. November 1663 het volgende besluit namen.
     « Also door ordre en goetvinden van Ridderschap en Steden de Staten van Overyssel, verscheyden conferentie tusschen wedersyts gecommitteerden van tyd tot tyd zyn aangesteld geweest, om eenmaal, een sortabel middel van accommodement, uit te vinden, omtrent en over de differenten, dewelke nu so veel herwaerts tusschen wel gemelte Ridderschap en Steden van Overijssel, over en ter cause van de geestelijke goederen aldaer gelegen, en om also voor te komen alle verdere inconvenienten, ende verwyderinge dewelke in tyden en wyl tot merkelyke ondienst, van wel gemelde Provintie, ende leden van dien, by continuatie van dese geschillen stont te bevresen, en dat telkens alle sodanige conferentiën, onvrugtbaar waren uitgevallen, sonder dat daer in eenigsins het voorschreven gewenschte salutaire oogmerk bereikt heeft kunnen worden. Soo is ’t, dat eindelyk na veel moeyten en verschillen hen in de gedane voorslagen, door de Heren Jacob Boldewijn Mulert tot de Leemkule gecommitteerde der vergaderinge van haar Hoog Mogende, Arent Jurien van Haersolte tot Oldenhare, en Steven Everhard van Rhemen van Remenshuisen, als gecommitteerden uit de Ridderschap van Overyssel ter eenre; en de Heren Jan Sticke J: U: Dr. Swiert van Boukholt en Hendrik Nylant, burgemeesters der stad Deventer, Joan Eekholt en Roelof van Lingen, gecommitteerden der vergaderinge van Haar hoog mogende, burgemeesters der stad Campen, Peter van Putten en Werne Evans ontfr. van Salland, burgemeesters der stad Zwolle, als gecommitteerden van de respective steden Deventer, Campen en Zwolle, ter andere syde, alle dese verschillen en differenten rakende de boven geroerde geestelyke goederen, op behagen van wedersyts Heren Committenten en veraccordeert en vergeleken zyn in maniere als volgt.
     Eerstelyk, dat tot voordeel van de Provintie comptoi-

_______________↓_______________


|pag. 319|

ren, ende gemeene dispositie van Ridderschap en steden de staten van Overyssel, sullen verblyven, alle sodaenige geestelyke goederen, als by de Provintie in ’t gemeen ten huytigen dage genooten, ende geprofiteert worden.
     Ten tweeden, dat de Heren van de Ridderschap haere bysondere nut, ende privative absolute dispositie, erflyk en eigendoomlyk, so voor haer, als haere nakomelingen, sollen hebben, holden ende bekomen de adelijke goederen en stiften van der Honnape, Weerselo en Swarte Water, beneffens de uitgifte ofte Redemptie penningen uit de goederen behoort hebbende tot de commanderie van Oortmarssum, voorts de cloosteren van Oldenseel en Memelde, item de Proobstdie van Oldenseel, mits dat de Heer Zeeger van Ittersum, voor syn leven lanck in ’t genot van dien werde gecontinueerd. — Gelijk ook het capittel van Oldenseel en eindelyk alle de vicariën van Oldenseel en de tot de voors andere corpora behoorende, ende sulx met alle de goederen tan wat nature ende conditie die zyn mogen ofte bevonden worden, als ook met alle haar appendentiën ende dependentiën, olde ende nye recht en gerechtigheden, en in specie met de Jura Patronatus, binnen de Provintie respectifelijk, tot de opgemelte adelyke en geestelyke goederen, stiften, cloosters, proobsdien, capittelen, vicariën eenigsints behoorende; Edoch met den bedinge ende naebescheydene conditien, dat de Heren van de Ridderschap ten haeren laste sullen nemen, de twee honderd en vyftig caroliguldens jaarlix, dewelke de Heren staten van Overijssel ’t sedert eenige jaren herwaerts, tot supplement van het tractament van den tweeden predikant tot Oldenseel hebben doen betalen, boven dat haer Ed. uit derselve goederen sullen continueren te betalen, de ordinaris tractamentaere predikanten, so by en als tot hier toe daar uit is geschiet, mits dat de Heren van de Ridderschap sullen blyven gauderen en gemainteneert worden by het accoort tusschen haer en de stad van Oldenseel over de dispositie, ende genot van seekere vicarye ten dien respecte voor dezen opgerigt.
     Dat ook het ordinaris onderholt, ende de reparatie van de kerke van Oldenseel by de Heren van de Rid-

_______________↓_______________


|pag. 320|

derschap sal worden versocht, voor so veer het capittel deertoe van olts geholten is geweest.
     Ende eindelyk dat de Heren van de Ridderschap, de Rentampten van de hier boven genoemde adelyke ende geestelyke goederen aan niemant anders als aan een Borger uit de drie steden Deventer, Campen en Zwolle sullen confereren, edoch op sodaenige tractamenten en instructien als by wel gemelde Ridderschap, daer over van tyt tot tyt gemaeckt sullen worden.
     Ten derden dat de Heeren van de steeden Deventer, Campen en Zwolle tot haeren respectiven bysonderen nut, en privative absolute dispositie erflyk ende eigendoomlijk so voor haer, als hare respeclive naekomelingen sullen hebben ende behouden, alle sodaenige geestelyke goederen ende cloosteren, als een yder van dezelve jegenswoordig possideren met alle ap- en dependenten olde ende nie gerechtigheden, daer toe specterende.
     Dat ook meergemelde steeden t’ samenlyken ende te gelycke tot haere gemeene nut en dispositie almeede eygendoomelycken sullen hebben, holden en bekoomen de Proobsdie van Sint Lebuini Kerk binnen Deventer, wordende jegenswoordig door den Heer Bernardt Bentinck genooten ende gepossideert met alle ap- en dependentien, olde ende nye gerechtigheden tot deselve behoorende, ende sulx wanneer deselve sal komen te vacceren.
     Waer en booven de Heren van de Ridderschap, dan noch aan de Heren van de voorschreven steden sollen hebben uit te keeren, jaerlix aan ieder derselver 300 caroli guldens, so doch nochtans, dat het eerste jaer daer van eerst sal koomen te vervallen op Martini 1666, sullende haer Ed: desen onvermindert vrystaan dese 300 Caroli guldens jaerlix tegen 5 ten hondert ’t capitael te mogen aflossen, ende sullen de voorschr. geestelyke goederen, hier voor alle, ende yder specialyck syn en blyven gehypothesieert. »
     Voorts bevat het besluit eene verklaring, hoe hierdoor nu alle twist en moeijelijkheden zullen zijn opgeheven; en dat steden en ridderschap gezamenlijk de uitvoering

_______________↓_______________


|pag. 321|

van dit besluit sullen waarborgen; en was na de ratificatie geteekend

D. ROELINCK, C. ROUSE, Secret.
R. VAN BREDA, Secret.
JOHAN HOLT, Secret.

(Wordt vervolgd.)          

 
– N.N. (1854). Iets over de Katholieke Godsdienst te Zwolle, vooral tijden en na de Reformatie (I). In Josué Witz. (Red.), De Godsdienstvriend 1 [1. Van wijlen Joachim George le Sage ten Broek (Groningen, 27 november 1775 – Grave, 11 juli 1847), rooms-katholieke, emancipator, polemist, apologeet. Zn van Johannes Jacobus le Sage ten Broek (1742-1823), gereformeerd predikant, hoogleraar, en Anna van Brievingh. Gehuwd op 3 september 1800 met Wilhelmina van Lil (1778-1853)], 72 (pp. 238-256; 302-321), Arnhem: Aan het Bureau van den Godsdienstvriend.2 [2. Op den Hoek der Verlengde Nieuwstad en Walstraat.]

Category(s): Geen categorie

Comments are closed.